Bijlage 4 - OIS rapport T2.pdf
Tekst van het document
Amsterdams experiment met de bijstand Onderzoek, Informatie en Statistiek
1
In opdracht van: Directie Werk, gemeente Amsterdam Projectnummer: 21065 Auteur: Hetty van Kempen, Daan Schmitz, Sjors Verhaar E-mailadres: h.van.kempen@amsterdam.nl Bezoekadres: Weesperstraat 113-117 Telefoon: 020 251 0333 Postbus 658, 1000 AR Amsterdam data.amsterdam.nl Amsterdam, september ’21 Foto voorzijde: De negen straatjes, fotograaf Nienke Laan (2016)
2
Inhoud
Samenvatting
4
Inleiding
8
1 Resultaten
10
1.1 Parttime werk 1.2 (Duurzame) uitstroom naar werk in loondienst 1.2.1 Uitstroom naar werk in loondienst 1.2.2 Duurzaamheid van de uitstroom
10 11 11 13
2 Kenmerken van banen
15
2.1 Uitstroomsectoren 2.2 Type contract 2.3 Nettoloon
15 16 16
3 Conclusie
17
4 Technische toelichting/Methode
18
4.1 Gegevens 4.2 Matching
5 Bijlage
18 18
20
3
Samenvatting
Zo’n 40.000 Amsterdammers maken gebruik van bijstand. Bijstand is een tijdelijke voorziening, een financieel vangnet dat bestaanszekerheid biedt. Het doel van de gemeente is om mensen (waar mogelijk) zo snel mogelijk te re-integreren naar betaald werk. Het hebben van betaald werk maakt de kans op een financieel-economisch onafhankelijk bestaan navenant groter. Bijstandsgerechtigden die parttime werken naast hun uitkering, maken op hun beurt weer een grotere kans op uitstroom uit de uitkering naar betaald werk (en dus een financieel-economisch onafhankelijk bestaan). Er zijn echter maar weinig Amsterdamse bijstandsgerechtigden die parttime werken naast de uitkering, namelijk zo’n 7 procent. Hieraan liggen verschillende redenen ten grondslag, waarvan er één is dat werken naast de uitkering niet of weinig ‘loont’: de uitkeringsgerechtigde moet maandelijks de bijverdiensten doorgeven, die vervolgens worden verrekend met de uitkering. Vanuit het idee om een prikkel te geven aan bijstandsgerechtigden om parttime te gaan werken, is de mogelijkheid van het verkrijgen van een bijverdienpremie binnen het Amsterdams Experiment met de Bijstand gestart. De looptijd was 1 februari 2018 – 1 maart 2021. Er zijn in totaal ca 5.250 deelnemers geweest (er zijn 4.789 deelnemers in dit onderzoek).
Zij konden gedurende de looptijd een deel van hun bijverdiensten uit parttime werk behouden naast hun uitkering (met een maximum van 200 euro per maand, in de vorm van een tweejaarlijkse premie). De vraag die in het onderliggende onderzoeksrapport wordt beantwoord, is of deze premie inderdaad als een prikkel voor deelnemers heeft gewerkt. Het rapport is een vervolg op de eerste rapportage die OIS in 2020 over de premie binnen het experiment (in het vervolg van dit rapport genoemd: ‘het experiment’) heeft gepubliceerd1. Daartoe hebben we gekeken naar een aantal uitkomsten, te weten: 1. de deelname aan parttime werk; 2. de uitstroom naar betaald werk en de duurzaamheid daarvan; 3. de contractsoort en verdiensten. Om de vragen te onderzoeken hebben we gebruik gemaakt van de gemeentelijke registratiedata vanuit RAAK, die we in een afgeschermde omgeving hebben gekoppeld aan polisadministratiedata die we hebben verkregen van het CBS. De uitkomsten hebben we in kaart gebracht voor deelnemers aan het experiment, maar ook voor een groep bijstandsgerechtigden die niet aan het experiment deelnam, maar wel vergelijkbare kenmerken heeft. Door de resultaten af te zetten tegen deze groep maken we een ‘eerlijker’ vergelijking dan wanneer we de vergelijking zouden maken met de gehele (rest van de) bijstandspopulatie.
De groepen verschillen namelijk nogal van elkaar, voornamelijk op het gebied van het uitvoeren van parttime werk voorafgaand aan het experiment: het aandeel parttime werkenden voorafgaand aan het experiment ligt in de experimentgroep veel hoger dan 1 OIS (2020). Amsterdams Experiment met de Bijstand. Tussentijdse rapportage met eerste bevindingen van uitstroom
en duurzaamheid, cohort instroom 2018. Amsterdam: gemeente Amsterdam.
4
onder de rest van de bijstandspopulatie. Ook qua opleidingsniveau zijn er verschillen gevonden. Voorts worden de resultaten uitgesplitst naar zogenoemde tranches van instroom. Daar zijn er voor het experiment twee van geweest, te weten de periode 1 februari 2018 tot 1 augustus 2018 (‘eerste tranche’) en 1 januari 2019 tot 1 maart 2019 (‘tweede tranche’). Doordat deelnemers uit de eerste tranche grotere uitstroomkansen hadden (doordat er een langere periode op volgde (tot het eind van het experiment), maar ook doordat zij niet zo snel als de tweede tranche te maken kregen met de coronacrisis en de bijbehorende verslechterende arbeidsmarkt), hebben we de resultaten in deze twee tranches gerapporteerd. Parttime werk Deelnemers aan het experiment participeerden vaker in parttime werk dan vergelijkbare nietdeelnemers, zowel in tranche 1 (38% vs. 9%) als in tranche 2 (20% vs. 8%). Dit geldt voor deelnemers die voorafgaand aan het experiment niet deelnamen aan parttime werk. Uitstroom naar werk en duurzaamheid van werk Deelnemers aan het experiment stroomden zoals aangegeven vaker uit naar werk (met een inkomen boven bijstandsniveau) dan vergelijkbare niet-deelnemers, zowel in tranche 1 als in tranche 2.
In de eerste tranche zien we respectievelijk 25% (experimentgroep) en 19% (vergelijkingsgroep) uitstroom naar werk; voor de tweede tranche liggen de percentages lager maar zien we nog steeds een verschil, namelijk 15% (experimentgroep) en 9% (vergelijkingsgroep) (figuur S.1). De duurzaamheid van het werk ligt ook hoger voor de experimentgroep dan voor de vergelijkingsgroep: respectievelijk 71% duurzaam versus 63% voor de eerste tranche, en 67% versus 64% voor de tweede tranche (figuur S.1). Duurzaamheid van het werk is hierbij gedefinieerd als minimaal zes maanden aaneengesloten aan het werk, boven de bijstandsnorm. Figuur S.1 Overzicht (duurzame) uitstroom naar experiment en vergelijkingsgroep per tranche
5
bron: CBS/WPI bewerkt door OIS
Contractsoort en verdiensten Voor de contractsoort (bepaalde tijd versus onbepaalde tijd) en de verdiensten (nettoloon) zien we kleinere verschillen tussen de groepen. Voor de eerste tranche geldt dat 92% van de experimentgroep een contract voor bepaalde tijd kreeg, versus 88% van de vergelijkingsgroep. Voor de tweede tranche lagen deze percentages op respectievelijk 92% (experiment) en 91% (vergelijking). Voor het gemiddelde nettoloon geldt dat dit iets lager ligt voor de experimentgroep dan voor de vergelijkingsgroep. Grote voorzichtigheid is overigens wel geboden bij de interpretatie van deze laatste resultaten (over nettoloon) omdat de spreiding in lonen erg groot is. Samenvattende conclusie Al met al kunnen we op basis van deze resultaten concluderen dat er een positieve prikkel uit lijkt te gaan van de bijverdienpremie, in die zin dat deelnemers vaker parttime werken, vaker volledig uitstromen uit de uitkering naar werk, en ook duurzamer aan het werk gaan. Daar zijn echter nog wel twee (methodologische) kanttekeningen bij te plaatsen. Ten eerste is de onderhavige studie geen gerandomiseerd, gecontroleerd experiment geweest. Daardoor kan het zo zijn dat de geconstrueerde vergelijkingsgroep verschilt van de experimentgroep.
We kunnen, met andere woorden, te maken hebben met een selectie-effect: bijstandsgerechtigden met bepaalde kenmerken zouden meer bereid kunnen zijn tot deelname dan bijstandsgerechtigden met andere kenmerken. Twee voorbeelden van kenmerken die kunnen verschillen voor de groepen, zijn de afstand tot de arbeidsmarkt (daar was geen betrouwbare indicator voor aanwezig, waardoor we daarop niet konden matchen) en de werkmotivatie van klanten (de werkmotivatie is niet gemeten, maar zou verschillend kunnen zijn
6
tussen de twee groepen). Het zou kunnen zijn dat (een deel van) het verschil wordt verklaard door deze twee, of andere, factoren. Ten tweede kunnen de resultaten uit de onderliggende studie niet zonder meer worden gegeneraliseerd naar de gehele bijstandspopulatie. Het is niet gezegd dat deelname aan het experiment voor alle bijstandsgerechtigden eenzelfde positief effect zou hebben. Daarvoor verschilt de experimentgroep teveel van de ‘gemiddelde’ bijstandspopulatie. Vooral op het gebied van het verrichten van parttime werk voorafgaand aan het experiment zien we grote verschillen tussen de experimentgroep en de rest van de bijstandspopulatie. Het is dus niet gezegd dat een dergelijk effect ook voor de rest van de populatie zou opgaan.
7
Inleiding
Zo’n 40.000 Amsterdammers maken gebruik van bijstand. Bijstand is een tijdelijke voorziening, een financieel vangnet dat bestaanszekerheid biedt. Het doel van de gemeente is om mensen (waar mogelijk) zo snel mogelijk te re-integreren naar betaald werk. De factor die de kans op een financieel-economisch onafhankelijk bestaan het meest beïnvloedt, is deelname aan parttime werk. Echter, slechts een klein deel van de Amsterdamse bijstandsgerechtigden (ca. 5%) werkt naast de bijstand. Dat het merendeel niet werkt naast de uitkering kan onder andere te maken hebben met het niet kunnen werken, met een arbeidsmarkt waar geen passende, duurzame banen te vinden zijn, met de administratieve rompslomp die onregelmatige inkomsten met zich mee kunnen brengen, maar ook met de eventuele spanning die het met zich meebrengt om de zekerheid van het bijstandsinkomen te verliezen en/of angst dat werken in de bijstand niet loont. Het principe geldt namelijk dat bij het werken naast de bijstand, het inkomen uit arbeid wordt verrekend met de bijstandsuitkering.
Vanuit de gedachte dat parttime werken een eerste stap kan zijn naar een bijstandsonafhankelijk bestaan, is in 2017 door de gemeente een werk-stimuleringspremie ontwikkeld binnen de mogelijkheden van de Participatiewet, bedoeld om meer bijstandsgerechtigden warm te maken voor het werken in de bijstand.2 Het betreft een premie die tot een bepaald maximaal jaarbedrag (momenteel wettelijk €2.570) kan worden vrijgelaten (dus niet verrekend wordt met de bijstand). De vraag bij deze regeling was of het verkrijgen van een premie bijstandsgerechtigden daadwerkelijk prikkelt om (parttime) aan het werk te gaan, te blijven, en eventueel volledig uit te stromen uit de bijstand naar werk. Dit is één van de vragen die aan de basis liggen van het Amsterdamse Experiment met de Bijstand. In dit experiment, dat op 1 februari 2018 van start is gegaan, kunnen alle deelnemende bijstandsgerechtigden 50% van hun inkomsten uit werk behouden, met een maximum van 200 euro per maand als zij parttime werken in de bijstand.3 Klanten konden zich vrijwillig aanmelden voor het experiment van 1 februari 2018 tot 1 augustus 2018. Een tweede openstelling voor instroom in het experiment is geweest in de periode 1 januari 2019 tot 1 maart 2019. In totaal hebben 5.250 mensen zich aangemeld voor het experiment.
Het experiment is afgerond op 1 maart 2021, waarna de effecten nog een jaar lang worden gevolgd en geanalyseerd.
2 De reguliere maandelijkse inkomstenvrijlating is 25% van de inkomsten uit werk tot een max van €217 per maand voor
een maximale periode van 6 maanden (bedrag in 2020). De premie binnen het experiment is dus ongeveer twee keer hoger en geldt over de gehele periode van het experiment. Daarbij is de premie belastingvrij en heeft daardoor geen gevolgen voor de toeslagen van de belastingdienst. Mocht iemand die meedoet aan het experiment gebruik maken van de wettelijke inkomstenvrijlating, dan wordt die verrekend met de premie die twee keer per jaar wordt uitgekeerd. 3 Bij de start van het experiment in 2018 was het maximale wettelijk toegestane premiebedrag circa 2400 euro per jaar, in 2020 is dat €2.570. De premie van maximaal 200 euro per maand is geënt op het maximale bedrag van 2018 en daarna niet geïndexeerd.
8
Binnen het experiment is ook met verschillende begeleidingswijzen geëxperimenteerd, namelijk met het geven van extra aandacht door de klantmanager en met het vrijlaten van de klant (eigen regie van de klant). De Hogeschool van Amsterdam (HvA) en de Universiteit van Amsterdam (UvA) rapporteren hierover in een separate publicatie4. Deze studie beperkt zich tot de effecten van de bijverdienpremie (‘het experiment’ refereert in deze rapportage dan ook naar de bijverdienpremie als onderdeel van het experiment). Aan OIS is gevraagd om in kaart te brengen: wat het effect is van de mogelijkheid om een premie te verdienen op deelname aan parttime werk; wat het effect is van de mogelijkheid om een premie te verdienen op de uitstroom naar werk; wat de kenmerken van het werk zijn (sector, verdiensten); en wat de duurzaamheid van dat werk is. De resultaten worden afgezet tegen een vergelijkbare groep uit de rest van de bijstandspopulatie die niet aan het experiment deelneemt (de vergelijkingsgroep). Voor het samenstellen van deze vergelijkbare groep is gebruik gemaakt van een matching-procedure waarmee voor iedere deelnemer aan het experiment een vergelijkbaar persoon uit de bijstandspopulatie is geselecteerd (die niet deelnam aan het experiment).
De matching is gedaan op basis van de volgende kenmerken: leeftijdsgroep, geslacht, het al dan niet uitoefenen van parttime werk voorafgaand aan het experiment en het opleidingsniveau (zie, voor een meer uitgebreide omschrijving, het methode hoofdstuk). De resultaten zijn uitgesplitst naar de eerste tranche (instroom 2018) en de tweede tranche (instroom 2019, zie figuur I.1). Daarvoor is gekozen om twee redenen: ten eerste heeft de eerste groep langer de tijd gehad om (duurzaam) te kunnen uitstromen. Ten tweede verschilde de arbeidsmarkt tussen de eerste en de tweede tranche een jaar na de start wezenlijk: voor de eerste tranche geldt dat een jaar na de start van het experiment de arbeidsmarkt werd gekenmerkt door veel vacatures, terwijl dat voor de tweede tranche een jaar na de start heel anders lag onder invloed van de coronapandemie en de maatregelen die daarbij werden genomen. Hierdoor waren er voor langere tijd (veel) minder vacatures beschikbaar. Om deze twee redenen rapporteren we de cijfers voor de twee tranches separaat. De rapportage is overigens het vervolg op een eerder verschenen tussenrapportage (OIS, 2020)5. Figuur I.1 Start en looptijd van het experiment naar tranche
4 P. de Beer (2021). T2 tussenrapportage Amsterdams Experiment met de Bijstand. Amsterdam: UvA/HvA. 5 H. van Kempen, D. Schmitz en M. van Hoof (2020). Amsterdams Experiment met de Bijstand. Amsterdam:
OIS/Gemeente Amsterdam.
9
1 Resultaten
Dit hoofdstuk focust op de belangrijkste resultaten van het onderzoek: de deelname aan (parttime) werk van deelnemers aan het experiment, en de eventuele uitstroom vanuit de bijstand naar werk en de duurzaamheid daarvan.
1.1 Parttime werk De deelnemers aan het experiment zijn vaker parttime gaan werken dan de personen in de vergelijkingsgroep, zowel in tranche 1 (respectievelijk 38% vs. 9%) als in tranche 2 (respectievelijk 20% vs. 8%, figuur 1.1). Hierbij hebben we alleen gekeken naar de deelnemers die vooraf geen parttime werk hadden. Opvallend is wel dat de deelname aan parttime werk bij de eerste tranche hoger lag dan in de tweede tranche, vooral in de experimentgroep. Figuur 1.1 Parttime werk in de zes maanden na start deelname aan AEB (groep die vooraf geen parttime werk had), (procenten) % 100
80 60 40
38 20
20 0
9
8
tranche 1
tranche 2 experimentgroep
vergelijkingsgroep
bron: CBS/WPI bewerkt door OIS
We hebben ook gekeken in hoeverre deelnemers, die vooraf aan het experiment al parttime werkten, parttime zijn blijven werken na de start van het experiment. De deelnemers aan het experiment zijn iets vaker parttime blijven werken dan de personen in de vergelijkingsgroep. Dit geldt zowel voor de eerste tranche (respectievelijk 97% vs. 93%) als voor de tweede tranche (respectievelijk 95% vs. 86%, figuur 1.2).
10
Figuur 1.2 Parttime werk in de zes maanden na start deelname aan AEB (groep die vooraf wel parttime werk had), (procenten) % 100
97
95
93
86
80 60 40 20 0
tranche 1
tranche 2 experimentgroep
vergelijkingsgroep
bron: CBS/WPI bewerkt door OIS
1.2 (Duurzame) uitstroom naar werk in loondienst 1.2.1 Uitstroom naar werk in loondienst Voor beide experimentgroepen en vergelijkingsgroepen is gekeken welk deel volledig is uitgestroomd uit de uitkering naar werk in loondienst (met een netto-inkomen dat hoger ligt dan de bijstandsnorm)6. Voor beide tranches ligt de uitstroom naar werk van de experiment groep 56%-punt hoger dan voor de vergelijkingsgroep (figuur 1.3). In het geheel ligt de uitstroom in de tweede tranche lager dan tijdens de eerste tranche, waarschijnlijk als gevolg van een kortere periode waarover de deelnemers de mogelijkheid hadden om uit te stromen, maar mogelijk ook doordat de mogelijkheden om uit te stromen kleiner waren voor de tweede tranche als gevolg van de coronapandemie7. Figuur 1.3 Uitstroom naar werk, uitgesplitst naar groep en tranche van start experiment (procenten) % 30 25
25
19
20
15
15
9
10 5 0
tranche 1 experimentgroep
tranche 2 vergelijkingsgroep
bron: CBS/WPI bewerkt door OIS
Voor zowel de experiment- en vergelijkingsgroep is ook onderzocht tijdens welke periode de uitstroom naar werk heeft plaatsgevonden. Hiervoor is steeds per maand gekeken hoeveel personen er zijn uitgestroomd. Voor de eerste tranche lag de uitstroom naar werk van de 6 Hierbij is gebruik gemaakt van de normbedragen die van toepassing zijn op de desbetreffende
huishoudsamenstelling. 7 De verslechterde arbeidsmarkt heeft uiteraard ook impact gehad op de deelnemers van de eerste tranche, maar naar
alle waarschijnlijkheid wel minder dan op de deelnemers van de tweede tranche; omdat de verslechtering voor deze laatstgenoemde groep relatief kort na de start van het experiment begon).
11
experimentgroep gedurende de eerste twee kwartalen van 2018 lager dan voor de vergelijkingsgroep, om vervolgens in de daarop volgende maanden hoger te worden (figuur 1.4). Voor de tweede tranche nam de uitstroom ook toe over tijd, maar wel minder hard dan voor de experimentgroep. Figuur 1.4 Uitstroom naar werk per kwartaal (tranche 1), (aantallen) 800 700 600 500 400 300 200 100 0
experimentgroep
vergelijkingsgroep
bron: CBS/WPI bewerkt door OIS
Voor de tweede tranche zien we een vergelijkbaar patroon van uitstroom naar werk per kwartaal als bij de eerste tranche (figuur 1.5). Ook hier zien we dat de uitstroom naar werk gestaag toeneemt, vooral onder de experimentdeelnemers. Belangrijke noot hierbij is dat het gaat om (veel) kleinere aantallen dan bij de eerste tranche. Figuur 1.5 Uitstroom naar werk per kwartaal (tranche 2), (aantallen) 300 250 200 150 100 50 0
experimentgroep
vergelijkingsgroep
bron: CBS/WPI bewerkt door OIS
12
1.2.2 Duurzaamheid van de uitstroom Uitstroom naar werk definiëren we als duurzaam, als men ten minste 6 maanden aaneengesloten werk heeft met een netto inkomen boven de bijstandsnorm8. Van een deel van de uitstroom kan de duurzaamheid (nog) niet worden bepaald omdat de uitstroomdatum te dicht op het einde van de polisadministratie (maart 2021) lag. Dit geldt in de eerste tranche voor 61 personen in de experimentgroep en voor 49 personen in de vergelijkingsgroep9. Tijdens de tweede tranche ging het om respectievelijk 38 personen in de experimentgroep en 26 personen in de vergelijkingsgroep. De duurzame uitstroom ligt in de eerste tranche met 71% in de experimentgroep substantieel hoger dan de 63% in vergelijkingsgroep (figuur 1.6). Ook in de tweede tranche ligt de duurzame uitstroom met 67% iets hoger dan de 64% in de experimentgroep. Figuur 1.6 Duurzaamheid uitstroom naar werk, (procenten) % 100
80
71
67
63
64
60 40 20 0
tranche 1
tranche 2 experimentgroep
vergelijkingsgroep
bron: CBS/WPI bewerkt door OIS
Figuur 1.7 laat de resultaten samengevat zien (uitstroom en duurzaamheid). Als we de resultaten samennemen dan zien we dat er in de eerste tranche 475 personen vanuit de experimentgroep duurzaam uitstromen; tegenover 327 personen uit de vergelijkingsgroep. Voor de tweede tranche zijn dat respectievelijk 155 personen voor de experimentgroep versus 89 personen voor de vergelijkingsgroep.
8 Hierbij is gebruik gemaakt van de normbedragen die van toepassing zijn op de desbetreffende
huishoudsamenstelling. 9 Van een aantal personen is onvoldoende polisdata beschikbaar, het aandeel duurzame uitstroom is daarom gebaseerd
op personen van wie wel voldoende polisdata beschikbaar is.
13
Figuur 1.7 Overzicht (duurzame) uitstroom naar experiment en vergelijkingsgroep per tranche
bron: CBS/WPI bewerkt door OIS
14
2 Kenmerken van banen
In dit hoofdstuk wordt gekeken naar de kenmerken van de baan waar de deelnemers aan het experiment en de vergelijkingsgroep uitstromen. De sector, het type contract en het nettoloon komen hierbij aan de orde.
2.1 Uitstroomsectoren Figuur 2.1 toont de sectoren waar zowel de experimentgroep als de vergelijkingsgroep naar is uitgestroomd. De percentages liggen dicht bij elkaar voor de experiment- en vergelijkingsgroep. Alleen de uitstroom naar uitleenbedrijven wijkt af, deze is 9% bij de experimentgroep en 12% bij de vergelijkingsgroep. Figuur 2.1 Uitstroom sectoren, (procenten) 18 17
horeca 16 15
overig 14 13 12 11
gezondheid, geestelijke en maatschappelijke belangen zakelijke dienstverlening 9
uitleenbedrijven werk en (re)integratie
7
detailhandel grootwinkelbedrijf
3 3 4 3 4 3 3 3 4
onbekend metaal- en technische bedrijven
groothandel reiniging 1
havenbedrijven 0
12
8
6 5 5
%
2 5
10
experimentgroep
15
20
vergelijkingsgroep
bron: CBS/WPI bewerkt door OIS
15
2.2 Type contract Bij het type contract dat een werknemer krijgt kan een onderscheid worden gemaakt naar een contract voor bepaald of onbepaalde tijd. De experimentgroep stroomt direct na de bijstand in beide tranches iets minder vaak uit naar een contract voor bepaalde tijd dan de vergelijkingsgroep, hoewel het merendeel uitstroomt naar een contract voor bepaalde tijd (figuur 2.2).
tranche 2
tranche 1
Figuur 2.2 Uitstroom naar type contract, (procenten) experimentgroep
92
8
vergelijkingsgroep
88
12
experimentgroep
92
8
vergelijkingsgroep
91
9 %
0
20
40 bepaalde tijd
60 onbepaalde tijd
80
100
bron: CBS/WPI bewerkt door OIS
2.3 Nettoloon Op basis van de polisadministatie van het CBS kan ook het gemiddelde nettoloon na uitstroom naar werk worden vastgesteld. Het inkomen van de vergelijkingsgroep ligt voor beide tranches iets hoger dan voor de experimentgroep (figuur 2.3). Grote voorzichtigheid is overigens geboden bij het duiden van deze cijfers, omdat de spreiding van de inkomens een grote diversiteit laat zien. Figuur 2.3 Nettoloon (in euro’s) experimentgroep
vergelijkingsgroep
tranche 1
€
1.520
€
1.565
tranche 2
€
1.538
€
1.614
bron: CBS/WPI bewerkt door OIS
16
3 Conclusie
Op basis van deze resultaten kunnen we concluderen dat er een positieve prikkel uit lijkt te gaan van het experiment, in die zin dat deelnemers vaker parttime werken, vaker volledig uitstromen uit de uitkering naar werk, en ook duurzamer aan het werk gaan. Daar zijn echter nog wel twee (methodologische) kanttekeningen bij te plaatsen. Ten eerste is de onderhavige studie geen gerandomiseerd, gecontroleerd experiment geweest. Daardoor kan het zo zijn dat de geconstrueerde vergelijkingsgroep verschilt van de experimentgroep. Twee belangrijke factoren die kunnen verschillen voor de groepen, zijn de afstand tot de arbeidsmarkt (daar was geen betrouwbare indicator voor aanwezig, waardoor we daarop niet konden matchen) en de motivatie van klanten (de motivatie is niet gemeten, maar zou verschillend kunnen zijn tussen de twee groepen). Het zou kunnen zijn dat (een deel van) het verschil wordt verklaard door deze twee factoren. In hoeverre dat het geval is, weten we echter niet. Ten tweede kunnen de resultaten uit de onderliggende studie niet zonder meer worden gegeneraliseerd naar de gehele bijstandspopulatie. Het is niet gezegd dat deelname aan het experiment voor alle bijstandsgerechtigden eenzelfde positief effect zou hebben. Daarvoor verschilt de experimentgroep teveel van de ‘gemiddelde’ bijstandspopulatie.
Vooral op het gebied van het verrichten van parttime werk voorafgaand aan het experiment zien we grote verschillen tussen de experimentgroep en de rest van de bijstandspopulatie. Het is dus niet gezegd dat een dergelijk effect ook voor de rest van de populatie zou opgaan.
17
4 Technische toelichting/Methode
4.1 Gegevens Gegevens uit RAAK van klanten in het experiment, de experimentgroep, én van klanten die niet deelnemen aan het experiment, de vergelijkingsgroep, worden geanalyseerd. Naast deelname aan het experiment komt uit RAAK ook informatie over de start- en einddatum van de uitkering, huishoudtype, opleidingsniveau, geslacht en geboortedatum. Deze gegevens zijn gekoppeld aan CBS-gegevens uit de polisadministratie in de beveiligde microdata-omgeving van het CBS. De polisadministratie bevat informatie op maandniveau over alle Nederlanders met werk in loondienst. Hieruit zijn de gegevens gehaald over het al dan niet hebben van (parttime)werk voorafgaand aan het experiment, de uitstroom naar werk, het nettoinkomen, het type contract en de duurzaamheid van het werk. De polisadministratie loopt enkele maanden achter waardoor de meest recente gegevens tot en met maart 2021 beschikbaar zijn. Dit zorgt ervoor dat er in sommige gevallen geen uitspraken kunnen worden gedaan over de duurzaamheid van de uitstroom, omdat de zes maanden na uitstroom niet (volledig) beschikbaar zijn in de polisadministratie. In sommige gevallen ontbraken in RAAK de gegevens over het opleidingsniveau en zijn deze gegevens verrijkt met de in het CBS-microdata aanwezige gegevens.
Vaststellen uitstroom naar werk Iemand wordt aangemerkt als uitgestroomd naar werk als na het beëindigen van de uitkering op basis van de polisadministratie blijkt dat iemand meer verdient dan het normbedrag geldend voor de desbetreffende huishoudsamenstelling. Sommige personen in zowel de experimentgroep als in de vergelijkingsgroep zullen meerdere keren uitstromen naar werk, omdat zij op een later tijdstip weer een beroep doen op de bijstand om vervolgens weer uit te stromen naar werk. Van elke keer dat iemand uitstroomt naar werk wordt ook de duurzaamheid van de uitstroom beoordeeld, waarbij iemand het label duurzame uitstroom krijgt als iemand ten minste één van de keren voor een periode van zes maanden werk heeft gevonden boven de bijstandsnorm.
4.2 Matching Binnen het experiment kan elke deelnemer een premie verdienen bij parttime werk. Om de effectiviteit van de bijverdienmogelijkheid zo goed mogelijk te beoordelen is het belangrijk om de resultaten van de experimentgroep te vergelijken met een vergelijkbare groep die niet heeft deelgenomen aan het experiment, de vergelijkingsgroep. Zo kan er beter worden vastgesteld dat een eventueel gevonden verschil een gevolg is van het experiment en niet wordt veroorzaakt door een sterk verschil in de samenstelling van de groepen. 18
Uit een vergelijking die gemaakt is tussen de deelnemers aan het experiment en de overige Amsterdammers in de bijstand komt naar voren dat de deelnemers aan het experiment sterk verschillen op een aantal achtergrondkenmerken. Dit betreft geslacht, leeftijd, opleidingsniveau, huishoudsamenstelling en het al dan niet hebben van parttime werk (zie Bijlage B, Figuur B1 t/m B5). De personen in de experimentgroep zijn over het algemeen jonger, vaker man en hoger opgeleid dan bijstandsgerechtigden in de gehele bijstandspopulatie. De huishoudsamenstelling is vergelijkbaar met de gehele bijstandspopulatie. Voor het maken van een goede vergelijkingsgroep is gebruik gemaakt van de CEM methode (Coarsened Exact Matching), specifiek k-to-k matching. Hiermee is voor elke persoon die deelneemt aan het experiment uit de rest van de bijstandsgroep iemand gekozen met exact dezelfde achtergrondkenmerken. De achtergrondkenmerken die we hiervoor hebben meegenomen zijn geslacht, leeftijd, opleidingsniveau, en het al dan niet hebben van (parttime) werk. In de eerste rapportage (OIS, 2020) hebben we ook een indicator meegenomen die de afstand tot de arbeidsmarkt aangeeft, namelijk de trede-indeling van de klant. Echter, dit wordt niet meer geregistreerd en is dus niet meer bruikbaar als indicator voor de afstand tot de arbeidsmarkt. We hebben gezocht naar een andere indicator, zoals bijstandsduur.
Deze bleek echter niet sterk samen te hangen met de trede-indeling. Daarnaast waren er praktische problemen bij het gebruik van de bijstandsduur, zoals de vraag wat te doen met herhaalde in- en uitstroom uit de bijstand. Onder andere om deze redenen hebben we besloten om de bijstandsduur niet mee te nemen als matchingscriterium. Tijdens het experiment zijn er twee momenten geweest waarop mensen konden gaan deelnemen aan het experiment. Het eerste moment lag rond maart 2018 en het tweede moment lag op januari 2019. Vanwege deze twee instroommomenten zijn twee vergelijkingsgroepen samengesteld op basis van de kenmerken die zijn vastgesteld op zowel de start van de eerste en de tweede instroom in het Amsterdamse experiment met de bijstand. Voor een klein gedeelte van de personen in de experimentgroep kon geen exacte match worden gevonden in de vergelijkingsgroep. Na matching ontstaan voor tranche 1 twee groepen van 2.994 personen waarvan één heeft deelgenomen aan het experiment (de experimentgroep) en één niet heeft deelgenomen aan het experiment (de vergelijkingsgroep) (figuur 1.1). Voor tranche 2 ontstaan twee groepen van 1.805 deelnemers.
19
5 Bijlage
Figuur B1 Deelnemers experiment (tranche 1: 2.994; tranche 2: 1.805) en geen deelnemers experiment (tranche 1: 2.994; tranche 2: 1.805) naar leeftijdscategorieën, (percentages) tranche 1
7
tranche 2
14 11
bijstandspopulatie
6
12 7
49
30
45
32
40
48 %
0
20 18 t/m 26
40 27 t/m 31
60 32 t/m 49
80 49 plus
100
bron: CBS/WPI bewerkt door OIS
Figuur B2 Deelnemers experiment (tranche 1: 2.994; tranche 2: 1.805) en geen deelnemers experiment (tranche 1: 2.994; tranche 2: 1.805) naar opleidingsniveau, (percentages) tranche 1
38
25
tranche 2
40
19
bijstandspopulatie
12
26
9
51
32
24
8
17 %
0
20 laag
40 midden
60 hoog
80 onbekend
100
bron: CBS/WPI bewerkt door OIS
Figuur B3 Deelnemers experiment (tranche 1: 2.994; tranche 2: 1.805) en geen deelnemers experiment (tranche 1: 2.994; tranche 2: 1.805) naar huishoudsamenstelling, (percentages) tranche 1
80
tranche 2
77
bijstandspopulatie
9 10
82
7
7
4
9
5
6
5 %
0 Alleenstaande
20 40 Alleenstaande ouder
60 Paar met kinderen
80 100 Paar zonder kinderen
bron: CBS/WPI bewerkt door OIS
20
Figuur B4 Deelnemers experiment (tranche 1: 2.994; tranche 2: 1.805) en geen deelnemers experiment (tranche 1: 2.994; tranche 2: 1.805) naar parttime werk voorafgaand aan het experiment, (percentages) tranche 1
55
tranche 2
45 78
bijstandspopulatie
22 95
5 %
0
20
40 geen parttime werk
60 80 wel parttime werk
100
bron: CBS/WPI bewerkt door OIS
Figuur B5 Deelnemers experiment (tranche 1: 2.994; tranche 2: 1.805) en geen deelnemers experiment (tranche 1: 2.994; tranche 2: 1.805) naar geslacht, (percentages) tranche 1
56
44
tranche 2
52
48
bijstandspopulatie
49
52 %
0
20
40 man
60 vrouw
80
100
bron: CBS/WPI bewerkt door OIS
21