CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 4. Emancipatiemonitor 2025 - Werk en inkomen.pdf

Tijdelijke Algemene Raadscommissie 15 april 2026, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Kennisnemen van de raadsinformatiebrief voortgang gendergelijkheid en Emancipatiemonitor 2025 (VN2026-003222)11.373 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Emancipatiemonitor 2025: Werk en inkomen Werk en inkomen

Onderzoek en Statistiek

In opdracht van: Projectnummer: Auteurs: E-mailadres:

afdeling Diversiteit 240263 Isabel Orlemans, Nora Dam i.orlemans@amsterdam.nl

Bezoekadres: Post:

President Kennedylaan 923 Postbus 658 1000 AR Amsterdam 020 251 0333 onderzoek.amsterdam.nl

Telefoon: Website:

Foto voorzijde: Kantoorsituaties Stadsdeelkantoor Zuidoost (2024) Amsterdam, februari 2026

Inhoud Samenvatting

4

Inleiding

7

1

Betaald werk

9

1.1 1.2 1.3 1.4 1.5

Arbeidsparticipatie Gewerkte uren Leidinggevende functies Discriminatie op de werkvloer Personen zonder betaald werk

9 11 13 15 17

Verdeling betaald en onbetaald werk

19

2.1 2.2 2.3 2.4

19 21 23 24

2

3

Onbetaald werk Huishoudelijke en zorgtaken Tevredenheid over de verdeling van huishoudelijke en zorgtaken Gevoel van verwaarlozing gezin of familie ten opzichte van werk

Inkomen

26

3.1 3.2

26 29

Inkomensverschillen Economische zelfstandigheid en financiële onafhankelijkheid

Literatuurlijst

34

3

Samenvatting Deze deelrapportage van de emancipatiemonitor gaat in op betaald en onbetaald werk en inkomen, waaruit blijkt dat de maatschappelijke positie van vrouwen en mannen in meerdere opzichten verschilt. De gegevens over (on)betaald werk zijn gebaseerd op inwoners van 15 tot 65 jaar, waarbij studenten buiten beschouwing zijn gelaten. Hierdoor wijken de cijfers af van de standaardstatistieken van O&S. Vrouwen hebben minder vaak betaald werk In 2024 telde Amsterdam 538.000 inwoners van 15 tot 65 jaar die geen onderwijs (meer) volgen, waarvan 49 procent vrouw is. Vrouwen hebben minder vaak betaald werk dan mannen: 76,9 procent van de vrouwen werkt, tegenover 84,3 procent van de mannen. Het werkloosheidspercentage van vrouwen en mannen is echter vergelijkbaar: 4,1 procent van de vrouwen en 4,2 procent van de mannen is werkloos. Personen zijn werkloos als zij geen betaald werk hebben, wel beschikbaar zijn én hiernaar opzoek zijn. Landelijk ligt de arbeidsparticipatie hoger en de werkloosheid lager, maar is het verschil tussen vrouwen en mannen groter. Tegelijkertijd maken Amsterdammers gemiddeld meer werkuren, wat voornamelijk komt doordat vrouwen hier meer uren werken dan landelijk. Personen die geen betaald werk hebben en niet werkloos zijn, behoren tot de nietberoepsbevolking. Vrouwen behoren vaker tot de niet-beroepsbevolking.

De belangrijkste reden om niet te werken is ziekte of arbeidsongeschiktheid, gevolgd door zorgtaken voor gezin of huishouden. Beide redenen komen bij vrouwen vaker voor dan bij mannen, ongeacht leeftijd, opleidingsniveau of migratieachtergrond. Arbeidsparticipatie vrouwen verschilt sterk per leeftijdsgroep, migratieachtergrond en opleidingsniveau In alle leeftijds-, opleidings- en herkomstgroepen hebben vrouwen minder vaak betaald werk dan mannen. Een uitzondering hierop zijn de vrouwen waarvan minstens één ouder in het buitenland is geboren (tweede generatie migratieachtergrond). Zij hebben ongeveer even vaak betaald werk als mannen met dezelfde migratieachtergrond. Ook zijn ze minder vaak werkloos dan vrouwen die zelf in het buitenland zijn geboren (eerste generatie migratieachtergrond). Vrouwen zonder migratieachtergrond hebben wel vaker betaald werk dan vrouwen met een migratieachtergrond. Het verschil tussen vrouwen en mannen is het grootst onder 35-tot 45-jarigen, basisopgeleiden en inwoners die in het buitenland zijn geboren, waarbij mannen vaker betaald werk hebben dan vrouwen. Daarentegen is het verschil tussen mannen en vrouwen relatief klein onder 15-tot 27-jarigen en hbo- en wo-opgeleiden. Vrouwen met een eerste generatie migratieachtergrond hebben minder vaak betaald werk dan vrouwen met een andere (geen of tweede generatie) migratieachtergrond en dan mannen.

Van de vrouwen uit deze groep die wel betaald werk hebben, heeft echter een relatief groot deel een voltijdbaan.

4

Vrouwen werken vaker in deeltijd, maar veel minder vaak dan landelijk Vrouwen hebben niet alleen minder vaak betaald werk dan mannen, maar werken ook vaker in deeltijd (59% van de werkende vrouwen tegenover 81% van de werkende mannen). Toch werken vrouwen in Amsterdam vaker voltijds dan landelijk (59% tegenover 35% in 2023), terwijl dit onder mannen vergelijkbaar is met landelijk. De belangrijkste reden om in deeltijd te werken voor zowel vrouwen als mannen is de zorg voor familie of gezin. De geboorte van het eerste kind vergroot de kans op deeltijdwerk, vooral bij vrouwen blijkt uit een landelijk onderzoek van het CBS (2023). Ondanks dat vrouwen in Amsterdam minder vaak in deeltijd werken dan landelijk, geven zij vaker aan meer uren te willen werken dan landelijk. Ook Amsterdamse mannen geven dit vaker aan dan landelijk, maar minder vaak dan vrouwen. Vrouwen met betaald werk minder vaak in een leidinggevende functie In 2024 hadden werkende vrouwen minder vaak een leidinggevende functie dan mannen: 21 procent van de vrouwen tegenover 29 procent van de mannen met betaald werk. Het verschil is het grootst onder 35- tot 45-jarigen (24% tegenover 37%). Ook valt op dat het aandeel vrouwen met een leidinggevende functie nauwelijks verschilt naar migratieachtergrond, maar dit bij mannen wel varieert.

Mannen zonder migratieachtergrond hebben vaker een leidinggevende functie dan mannen met een migratieachtergrond. Daarnaast geven vrouwen met een leidinggevende functie relatief vaker leiding aan kleine of middelgrote teams. Vrouwen ervaren vaker discriminatie op de werkvloer Vrouwen ervaren vaker discriminatie op de werkvloer dan mannen, ongeacht migratieachtergrond, leeftijd of opleidingsniveau. In 2024 gaf 22 procent van de werkende vrouwen aan in het afgelopen jaar discriminatie op de werkvloer te hebben ervaren, tegenover 12 procent van de mannen. Doordat studenten en 65- tot 67-jarigen niet meegenomen worden in deze cijfers, wijkt dit discriminatiecijfer af van de gebruikelijke cijfers in de discriminatiemonitor van O&S. Het verschil tussen mannen en vrouwen is het grootst bij Amsterdamse werkenden met een eerste generatie migratieachtergrond (29% van de vrouwen tegenover 19% van de mannen) en bij 15- tot 27-jarigen (24% tegenover 8%). Vrouwen rapporteren vaker discriminatie op basis van geslacht (41% tegenover 8%) en leeftijd (32% tegenover 14%), terwijl mannen vaker discriminatie op basis van huidskleur rapporteren (58% tegenover 37%). Discriminatie komt ook voor op basis van andere gronden en in andere contexten naast werk. Meer cijfers hierover zijn te vinden in de discriminatiemonitor van O&S (verwacht in 2026).

Vrouwen verrichten vaker onbetaald werk Vrouwen doen vaker onbetaald werk dan mannen, zoals vrijwilligerswerk of mantelzorg. Het gaat hierbij niet om huishoudelijke of zorgtaken, deze zijn apart geanalyseerd. Onbetaald werk wordt door 28 procent van de vrouwen en 20 procent van de mannen van 15 t/m 65 jaar gedaan. Bij mensen die naast onbetaald werk ook betaald werk verrichten, is het verschil kleiner: 21 procent onder werkende vrouwen tegenover 18 procent onder werkende mannen. De tijdsbesteding aan onbetaald werk is vergelijkbaar tussen vrouwen en mannen die dit doen. Vrouwen besteden gemiddeld meer tijd aan huishoudelijke en zorgtaken Aan degene die samenwonen met een partner is ook gevraagd hoeveel uren zij, naast de hiervoor genoemde vormen van (on)betaald werk, gemiddeld per dag besteden aan huishoudelijke en zorgtaken. Vrouwen besteden hier gemiddeld meer tijd aan dan mannen: 3,7 uur per dag tegenover 3,1 uur. Amsterdammers met kinderen besteden meer tijd aan

5

deze taken dan degenen zonder kinderen, waarbij vrouwen in beide groepen meer tijd hieraan besteden dan mannen. Vrouwen met thuiswonende kinderen besteden gemiddeld 5 uur per dag aan huishoudelijke en zorgtaken, onder mannen is dit gemiddeld 4,3 uur per dag. Voor vrouwen en mannen zonder thuiswonende kinderen gaat het om respectievelijk gemiddeld 2,9 en 2,3 uur per dag. Bij Amsterdammers met betaald werk is dit verschil kleiner, al besteden mannen met een voltijdbaan relatief minder tijd aan deze taken dan vrouwen met een voltijdbaan. Vrouwen vaker ontevreden over taakverdeling binnen huishouden De meeste Amsterdammers (70%) zijn tevreden over de verdeling van werk, huishoudelijke en zorgtaken binnen hun huishouden. Wel zijn vrouwen minder vaak tevreden over de verdeling (64%) dan mannen (75%). Vrouwen met betaald werk en kinderen geven iets vaker aan dat werk ten koste gaat van familie- of gezinsactiviteiten (67% tegenover 63% bij mannen). Tegelijkertijd voelen vrouwen minder vaak dan mannen dat familie- of gezinsactiviteiten lijden onder hun werk (53% tegenover 61%). Vrouwen met een hbo- of wo-diploma ervaren vaker het gevoel familie- en gezinsactiviteiten én hun betaalde werk te verwaarlozen, vergeleken met vrouwen met een ander opleidingsniveau.

Vrouwen verdienen gemiddeld 5 euro minder per gewerkt uur Zonder rekening te houden met verschillen in kenmerken, zoals leeftijd, baaneigenschappen en functies, verdienen vrouwen in Amsterdam gemiddeld een bruto uurloon van 30 euro, tegenover 35 euro voor mannen. Hiermee verdienen vrouwen gemiddeld 5 euro minder. Landelijk is dit verschil 4 euro. Net als landelijk verdienen vrouwen in het bedrijfsleven gemiddeld minder dan mannen in het bedrijfsleven. Opvallend is dat vrouwen in Amsterdam die bij de overheid of onderwijs werken gemiddeld 1 euro per uur meer verdienen dan mannen, terwijl dit landelijk niet het geval is. Uit landelijk onderzoek blijkt daarnaast dat vrouwen gemiddeld minder inkomen hebben na de geboorte van hun eerste kind, ook wel de babyboete genoemd. Dit terwijl het inkomen van mannen nauwelijks verandert of zelfs iets stijgt (CBS, 2024). Vrouwen minder vaak economisch zelfstandig, maar vaker dan landelijk en verschil met mannen is kleiner geworden Tussen 2014 en 2023 is het aandeel economisch zelfstandige en financieel onafhankelijke Amsterdammers toegenomen. Personen zijn economisch zelfstandig als zij ten minste het bijstandsniveau verdienen (exclusief sociale verzekeringen), en financieel onafhankelijk als hun inkomen (inclusief sociale verzekeringen) ten minste gelijk is aan het minimumloon, dat hoger ligt dan het bijstandsniveau.

In 2023 was 71 procent van de vrouwen economisch zelfstandig, tegenover 78 procent van de mannen. Daarnaast was 74 procent van de vrouwen financieel onafhankelijk, tegenover 80 procent van de mannen. Hoewel vrouwen nog steeds minder vaak economisch zelfstandig en financieel onafhankelijk zijn dan mannen, is het verschil tussen beide groepen in de afgelopen negen jaar kleiner geworden. Opvallend is dat vrouwen in Amsterdam relatief vaker economisch zelfstandig en financieel onafhankelijk zijn dan vrouwen landelijk. Het grootste verschil tussen vrouwen en mannen in Amsterdam wordt gezien bij inwoners ouder dan 35 jaar, basisopgeleiden en partners met kinderen, waarbij mannen vaker economisch zelfstandig zijn.

6

Inleiding Eind 2024 is de landelijke Emancipatiemonitor uitgebracht door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), waarin recente gegevens over de positie van mannen en vrouwen op diverse terreinen worden gepresenteerd. Uit deze monitor blijkt dat ongelijkheid tussen vrouwen en mannen op een aantal terreinen blijft bestaan (CBS, 2024). Ook in Amsterdam zagen we in de laatste Amsterdamse Emancipatiemonitor ongelijkheid tussen vrouwen en mannen (O&S, 2018). De afdeling Diversiteit heeft Onderzoek en Statistiek (O&S) gevraagd een aantal van deze cijfers te updaten en een nieuwe Emancipatiemonitor te ontwikkelen, die middels deelrapportages ingaat op de domeinen bevolking, onderwijs, werk en inkomen, politieke participatie, veiligheid, en gezondheid. Deze deelrapportage gaat in op werk en inkomen. Hoeveel werken vrouwen? En hoe vaak geven zij leiding? Hoeveel vrouwen geven aan discriminatie op de werkvloer mee te maken, en op welke grond? Zijn Amsterdammers en Weespers (hierna Amsterdammers) tevreden over de verdeling binnen het huishouden, en hebben ze het gevoel gezins- of familieactiviteiten te verwaarlozen door werk en andersom? En hoeveel verdienen vrouwen vergeleken met mannen? Deze vragen raken aan de thema’s werken, verdienen, werken en zorgen en niet werken uit de landelijke emancipatiemonitor.

Waar mogelijk vergelijken we de Amsterdamse cijfers en ontwikkelingen met de landelijke. Omdat veel uitkomsten op de arbeidsmarkt samenhangen met verschillende achtergrondkenmerken, kijken we niet alleen naar alle Amsterdamse vrouwen en mannen, maar ook naar verschillende achtergrondkenmerken van mannen en vrouwen. We kijken onder andere naar de achtergrondkenmerken leeftijd, opleidingsniveau, migratieachtergrond, en bij sommige onderwerpen ook naar stadsdeel en huishoudenstype. We hebben helaas geen cijfers op kunnen nemen over Amsterdammers die zich niet identificeren als man of vrouw. Vanwege het lage aantal respondenten die in deze groep vallen kunnen we geen representatieve uitspraken doen. We hebben in de gebruikte bronnen ook geen informatie over of respondenten een (fysieke) beperking hebben. Methode Om de positie van vrouwen op het gebied van betaald en onbetaald werk en inkomen in kaart te brengen, maken we gebruik van meerdere databronnen. De meeste cijfers in deze rapportage zijn gebaseerd op enquêtedata onder Amsterdammers. Deze data komen uit de Regionale Enquête Beroepsbevolking (REB), Enquête Beroepsbevolking (EBB) of een combinatie hiervan. Alleen voor de economische zelfstandigheid en financiële onafhankelijkheid maken we gebruik van registraties uit de inkomensbestanden uit de microdata van het CBS.

O&S verspreidt de REB vier keer per jaar onder willekeurig geselecteerde Amsterdammers tussen 15 en 75 jaar. In de enquête worden vragen gesteld over de situatie op het gebied van werk, werk zoeken en het volgen van een opleiding. Ook de werkomstandigheden komen uitgebreid aan bod. De EBB wordt landelijk uitgestuurd door CBS (CBS, z.d.), en is op veel vlakken vergelijkbaar met de REB. De EBB is representatief voor Amsterdam door de weging naar geslacht, leeftijd, regio en herkomst. In 2024 deden ruim 4.300 Amsterdammers mee met het REB-onderzoek. Ook deden er 1.500 partners van de respondenten mee. Zij vullen een verkorte vragenlijst is. De resultaten in de REB zijn gewogen en daarmee

7

representatief voor de Amsterdamse bevolking als het gaat om stadsdeel, geslacht, herkomst, leeftijd en opleiding. Cijfers verschillen van de gebruikelijke cijfers van O&S De arbeidsmarktcijfers in hoofdstuk 1 en 2 wijken af van de gebruikelijke cijfers die O&S publiceert, bijvoorbeeld over arbeidsparticipatie. Dit komt door een verschil in populatie, waar we twee extra selecties maken. We bestuderen in de Amsterdamse Emancipatiemonitor Amsterdammers tussen de 15 en 65 jaar oud, in plaats van inwoners van 15 tot 75 jaar. Daarnaast nemen we inwoners die onderwijs volgen niet mee. We volgen hiermee de afbakening die CBS gebruikt in de Emancipatiemonitor, zodat de statistieken te vergelijken zijn met landelijke trends en cijfers. Meer informatie over de afbakening is terug te vinden in de landelijke Emancipatiemonitor (CBS, 2024). Leeswijzer Hoofdstuk 1 gaat in op betaald werk, waaronder arbeidsparticipatie, gewerkte uren, aandeel werkenden in leidinggevende functies, discriminatie op de werkvloer, en Amsterdammers zonder betaald werk. Hierna wordt in hoofdstuk 2 onbetaald werk, de verdeling van huishoudelijke en zorgtaken en de ervaren verwaarlozing van gezin of familie als gevolg van betaald werken beschreven. Ten slotte wordt in hoofdstuk 3 de inkomenssituatie van Amsterdammers beschreven.

8

1 Betaald werk

Dit hoofdstuk beschrijft de positie van vrouwen op de Amsterdamse arbeidsmarkt. Hierin wordt besproken welk aandeel van de Amsterdammers betaald werk verricht, voor hoeveel uur ze dit doen en of ze in hun functie leiding geven aan anderen. Ook gaan we in op het aandeel werkenden dat discriminatie heeft ervaren. Hierna gaan we in op de Amsterdammers die (nog) geen betaald werk hebben, en de reden hiervoor. De cijfers in dit hoofdstuk wijken af van de gebruikelijke cijfers die O&S publiceert, doordat we in de Emancipatiemonitor geen inwoners meenemen die onderwijs volgen of ouder zijn dan 65 jaar. Meer informatie hierover is te vinden in de inleiding.

1.1 Arbeidsparticipatie In 2024 telde Amsterdam 538.000 inwoners van 15 tot 65 jaar die geen onderwijs (meer) volgen. Daarvan is 49 procent vrouw. Van deze vrouwen verricht 76,9 procent betaald werk voor minstens 1 uur per week (de netto arbeidsparticipatie). Onder mannen ligt dit percentage hoger, met 84,3 procent. Arbeidsparticipatie lager dan landelijk, zowel bij vrouwen als bij mannen De arbeidsparticipatie van vrouwen is in Amsterdam lager dan gemiddeld in Nederland. In 2023 (het laatste jaar waarvoor Nederlandse cijfers beschikbaar zijn) was de arbeidsparticipatie onder vrouwen in Amsterdam 76,9 procent, tegenover 79,5 procent landelijk. Onder mannen zien we een iets groter verschil: 84,3 procent in Amsterdam tegenover 88,4 procent landelijk. Het verschil in arbeidsparticipatie tussen vrouwen en mannen is in Amsterdam daarmee wat kleiner dan landelijk, namelijk 7 procentpunt tegenover 9 procentpunt. Procentpunten is het absolute verschil tussen twee percentages. Een voorbeeld: het verschil tussen 77 procent en 84 procent is zeven procentpunt. Inwoners zonder betaald werk zijn werkloos of behoren tot de niet-beroepsbevolking. Onder de niet-beroepsbevolking is bij zowel vrouwen als mannen de belangrijkste reden om niet te werken ziekte of arbeidsongeschiktheid. Hier gaan we in paragraaf 1.5 verder op in.

Genderkloof in arbeidsparticipatie bij alle leeftijds-, opleidings-, en herkomstgroepen Zowel bij vrouwen als bij mannen is het aandeel inwoners met betaald werk het hoogst onder 27- tot 35-jarigen (85% onder vrouwen) en neemt het bij oudere leeftijdsgroepen af. Zo werkt 59 procent van de 55- tot 65-jarige vrouwen. Vrouwen werken in alle leeftijdsgroepen minder vaak dan mannen, hoewel het verschil per groep anders is. Het grootste verschil is te zien bij 35- tot 45-jarigen en 55- 65-jarigen. Onder jongere vrouwen van 15 tot 27 jaar is het verschil met mannen juist relatief klein, maar ook onder deze leeftijdsgroep werken vrouwen minder vaak dan mannen.

9

Vrouwen met een hbo- of wo-diploma hebben het vaakst betaald werk (89%), terwijl dit percentage bij vrouwen met een mbo-diploma 71 procent is en bij vrouwen met alleen een basisopleiding 46 procent. Binnen alle opleidingsniveaus is het aandeel werkende mannen hoger dan dat van vrouwen. Het verschil tussen vrouwen en mannen is het grootst bij inwoners met een basisopleiding, gevolgd door mbo-opgeleiden. Als we kijken naar de intersectie met migratieachtergrond, dan is het aandeel Amsterdamse vrouwen met betaald werk het hoogst onder vrouwen zonder migratieachtergrond (87%), gevolgd door de tweede generatie met een migratieachtergrond (82%). De arbeidsparticipatie is het laagst bij vrouwen met een eerste generatie migratieachtergrond (64%). Iemand die in het buitenland is geboren, heeft een eerste generatie migratieachtergrond. Iemand heeft een tweede generatie migratieachtergrond als die in Nederland is geboren, maar minstens één ouder in het buitenland is geboren. Als zowel iemand zelf als beide ouders in Nederland zijn geboren, wordt gesproken van geen migratieachtergrond. De verschillen tussen mannen en vrouwen variëren per groep. Onder de eerste generatie is het verschil relatief groot, waar een groter aandeel mannen betaald werk heeft (79% versus 64%). Onder de tweede generatie zien we nauwelijks verschil (82% en 81%).

leeftijd

totaal

Afb. 1.1 Netto arbeidsparticipatie, 15- tot 65-jarigen, niet in onderwijs, naar geslacht en achtergrondkenmerken, 2024 (procenten) 80

Nederland 2023

77

Amsterdam 2024

15 tot 26 jaar 27 tot 34 jaar

85

91

80

35 tot 44 jaar

90

76 59

55 tot 65 jaar

84

69

46

basis

opleiding

84 80 83

45 tot 54 jaar

migratieachtergrond

88

68 71

mbo

83

hbo, wo

89

geen

87 64

eerste generatie

90

79 82 81

tweede generatie 0%

92

10%

20%

30%

40%

50% vrouw

60%

70%

80%

90%

100%

man

bron: REB (O&S) en EBB (CBS), bewerking O&S

Tussen stadsdelen zijn er ook verschillen in het aandeel vrouwen dat werkt (zie afb. 1.2). Deze hangen onder andere samen met de demografische samenstelling binnen de

10

stadsdelen, zoals leeftijd, opleiding en migratieachtergrond. De arbeidsparticipatie is het hoogst onder vrouwen die wonen in stadsgebied Weesp en de stadsdelen Centrum en Zuid en het laagst in Zuidoost, Nieuw-West en Noord. Het verschil met het aandeel mannen dat werkt is het grootst in Zuidoost, Nieuw-West, Weesp en Noord.

Afb. 1.2 Netto arbeidsparticipatie, 15- tot 65-jarigen, niet in onderwijs, naar geslacht en stadsdeel, 2024 (procenten) Weesp

84

Centrum

83 86

Zuid

82 85

Oost

78

West

78

Noord

75 72

Nieuw-West

68

Zuidoost 0%

20%

40% vrouw

60%

94

83 85 84 82

82 80%

100%

man

bron: REB (O&S) en EBB (CBS), bewerking O&S

1.2 Gewerkte uren Amsterdamse vrouwen werken vaker fulltime dan landelijk Zoals eerder beschreven heeft in Amsterdam een kleiner deel van de vrouwen betaald werk dan landelijk. Tegelijkertijd hebben de vrouwen die werken in Amsterdam vaker een fulltimebaan. Dit betekent dat iemand voor minstens 35 uur betaald werk heeft. In 2023 werkte 59 procent van de werkende Amsterdamse vrouwen fulltime, tegenover 35 procent landelijk. Van de Amsterdamse werkende mannen werkte 81 procent fulltime, vergelijkbaar met landelijk (82%). In 2024 veranderde het aandeel fulltime werkenden in Amsterdam niet ten opzichte van het jaar ervoor. Iemand kan in deeltijd werken om meerdere redenen. Respondenten zijn gevraagd wat hiervoor de belangrijkste reden is. Voor zowel vrouwen als mannen is de belangrijkste reden om in deeltijd te werken de zorg voor familie of gezin. Maar vrouwen geven dit wel relatief vaker aan dan mannen: bijna twee derde van de in deeltijd werkende vrouwen en ruim een derde van de mannen geeft dit aan als reden. Hierna volgen ziekte of arbeidsongeschiktheid, het niet kunnen vinden van een voltijdsbaan, te weinig opdrachten van klanten en opleiding, school of studie. Groepen die relatief vaak werken hebben ook vaker een voltijdsbaan Verschillen tussen het aandeel vrouwen dat voltijds werkt hangen samen met leeftijd, opleidingsniveau en migratieachtergrond.

Vrouwen in de leeftijdsgroepen met de hoogste arbeidsparticipatie hebben ook het vaakst een voltijdbaan. Zo werkt 72 procent van de werkende vrouwen van 27 tot 35 jaar voltijds, terwijl dit percentage onder vrouwen van 55

11

tot 65 jaar 40 procent is. Opleidingsniveau speelt ook een rol: vrouwen met een mbodiploma werken het vaakst in deeltijdbanen, terwijl hbo- en wo-opgeleide vrouwen vaker voltijds werken. Voor vrouwen met een eerste generatie migratieachtergrond zien we een ander patroon: zij hebben minder vaak betaald werk, maar als zij werken, hebben zij relatief het vaakst een voltijdbaan. Afb. 1.3 De verdeling van uren betaald werk naar geslacht en naar achtergrondkenmerken van

migratieachte rgrond

opleiding

leeftijd

geslacht

vrouwen, 2024 (percentage) man 2 2

17

81

vrouw 3

5

37

15 tot 26 jaar 3

6

35

27 tot 34 jaar 1 3

56

24

35 tot 44 jaar 3

5

45 tot 54 jaar 3

6

72 41

4

basis

5

8

mbo

4

9

7

hbo, wo 2 3

51

41

55 tot 65 jaar

50 48

40

41

46 49

38

32

geen 2 4

63 40

eerste generatie 3

6

tweede generatie 3

6

0%

58

54

28

63 39

20% minder dan 12 uur

51

40% 12 tot 20 uur

60% 20 tot 35 uur

80% 35 uur of meer

100%

bron: REB (O&S) en EBB (CBS), bewerking O&S

Wanneer vrouwen en mannen worden vergeleken, zijn er in elke groep verschillen in het aandeel met voltijdswerk van minstens 10 procentpunten. Het grootste verschil wat betreft leeftijd (29 procentpunten) wordt gezien onder 35- tot 65-jarigen. Ook bij opleidingsniveau zijn er verschillen: het verschil tussen mannen en vrouwen met een mbo-diploma is het grootst, namelijk 35 procentpunten. Tot slot komt voltijdswerk onder werkende mannen, net als bij vrouwen, het vaakst voor bij degenen met een eerste generatie migratieachtergrond. Geboorte van het eerste kind vergroot de kans op deeltijdwerk, vooral bij vrouwen De geboorte van het eerste kind vergroot de kans op deeltijdwerk, vooral bij vrouwen. Dit blijkt uit een landelijk onderzoek van het CBS (2023). In de jaren voorafgaand aan de geboorte stappen steeds meer vrouwen over van een voltijd naar een deeltijdbaan, met een sterke toename in het jaar waarin zij moeder worden. Dit effect is het grootst bij vrouwen in Nederland met een mbo-diploma: 58 procent van de vrouwen die bij de geboorte van hun eerste kind voltijds werkten, stapte in het eerste jaar daarna over op deeltijdwerk. Onder mannen was dit 3 procent. Vrouwen met een hbo- of wo-diploma maken deze overstap minder vaak.

Eén jaar na de geboorte van het eerste kind gaan landelijk 53 procent van de voltijds werkende vrouwen met een hbo-opleiding in deeltijd werken, tegenover 4 procent van de mannen. Onder degene met een wo-opleiding gaat het om respectievelijk 28 procent en 6 procent. Ook bij Nederlandse mannen neemt de kans op deeltijdwerk iets toe rond de geboorte van hun eerste kind, ongeacht hun opleidingsniveau. Dit gebeurt echter veel minder vaak dan bij vrouwen. De meeste mannen blijven ook na het vaderschap voltijds

12

werken. In deze cijfers is gecorrigeerd voor onder andere studieachtergrond en arbeidssector. Op de financiële gevolgen hiervan wordt verder ingegaan in hoofdstuk 3. Amsterdamse vrouwen willen vaker meer uren werken dan mannen en dan vrouwen in de rest van Nederland Vrouwen willen vaker dan mannen meer uren werken. Omdat vrouwen vaker in deeltijd werken, kunnen zij vaker dan mannen hun uren uitbreiden. In 2024 wilde 6,4 procent van de werkende vrouwen in Amsterdam meer uren werken, tegenover 4,1 procent van de mannen. Dit aandeel ligt voor zowel vrouwen als mannen hoger dan het landelijke gemiddelde in 2023, waar 5,2 procent van de vrouwen en 2 procent van de mannen aangaf meer te willen werken. Tegelijkertijd is het aandeel vrouwen dat fulltime werkt in Amsterdam aanzienlijk hoger dan landelijk. De verschillen tussen groepen in het percentage werkenden dat meer uren wil werken hangen in Amsterdam samen met het percentage inwoners dat voltijds werkt. In groepen waarin relatief veel inwoners al voltijds werken, geven ook relatief meer inwoners aan meer uren te willen werken. Vrouwen geven dit in alle leeftijds-, opleidings- en migratieachtergrondgroepen vaker aan dan mannen.

totaal

Afb. 1.4 Aandeel werkende Amsterdammers die meer willen werken, naar geslacht, 2024 (percentage) Nederland 2023

5,2

2,0

Amsterdam 2024

6,4

4,1

15 tot 26 jaar

leeftijd

27 tot 34 jaar

3,5

35 tot 44 jaar

6,2

3,6

45 tot 54 jaar

migratieachter grond

opleiding

55 tot 65 jaar

7,1

4,3 3,7

2,5

basis

8,5

5,9

mbo hbo, wo

8,7

5,4 5,4

3,2

geen

5,9

3,7

eerste generatie

6,9

4,8

tweede generatie 0%

13,3

9,9 4,6

6,8

4,0 2%

4%

6% vrouw

8%

10%

12%

14%

man

bron: REB (O&S) en EBB (CBS), bewerking O&S

1.3 Leidinggevende functies Vrouwen geven relatief minder vaak leiding In 2024 gaven vrouwen minder vaak leiding dan mannen. Van de werkende mannen had 29 procent een leidinggevende functie, tegenover 21 procent van de vrouwen. Het aandeel mannen dat leiding geeft, steeg met 1 procentpunt tussen 2019 en 2024, terwijl dit bij vrouwen juist daalde met 1,4 procentpunt. De kloof tussen het aandeel mannen en vrouwen in leidinggevende posities blijft dus bestaan.

13

Genderkloof in leidinggevende functies bij alle leeftijds-, opleidings-, en herkomstgroepen Er zijn verschillen tussen vrouwen met diverse achtergrondkenmerken. Zo neemt het aandeel vrouwen in leidinggevende functies gemiddeld toe met de leeftijd (zie afb. 1.5). Een uitzondering hierop vormen vrouwen van 55 tot 65 jaar, waarbij dit percentage weer lager ligt dan bij jongere leeftijdsgroepen. Bij mannen is er vanaf 45 tot 55 jaar al een daling te zien. De kloof is dan ook het grootst tussen 35- tot 45-jarige mannen en vrouwen (37% mannen tegenover 24% vrouwen hebben een leidinggevende functie). Alleen in de leeftijdsgroep van werkenden van 45 tot 55 jaar zijn er relatief meer vrouwen dan mannen die leidinggeven. Werkende vrouwen met een hbo- of wo-diploma geven vaker leiding (24%) dan vrouwen met een ander opleidingsniveau. Dit geldt ook voor mannen. Het verschil tussen vrouwen en mannen is het grootst onder degenen met een mbo-diploma. Opvallend is dat het aandeel vrouwen in leidinggevende functies nauwelijks verschilt naar migratieachtergrond. Bij mannen is dit verschil er wel: werkende mannen zonder migratieachtergrond hebben vaker een leidinggevende functie degene met een migratieachtergrond. Hierdoor is het verschil tussen mannen en vrouwen het grootst onder degenen zonder migratieachtergrond. Afb.

1.5 Aandeel werkenden in een leidinggevende functie, naar geslacht en naar achtergrondkenmerken, 2024 (procenten) 21

alle Amsterdammers 9

15 tot 26 jaar

17 19

27 tot 34 jaar

leeftijd

29

28 24

35 tot 44 jaar

37

45 tot 54 jaar

31 14

migratieachter grond

opleiding

55 tot 65 jaar

22 16

basis

23

14

mbo

27 24

hbo, wo geen

21

eerste generatie

21

tweede generatie

21

0%

5%

10%

34

15% vrouw

20%

31 31 28 25 25%

30%

35%

40%

man

bron: EBB, CBS Microdata, bewerking O&S

Werkende vrouwen in een leidinggevende functie geven vaker leiding aan kleinere of middelgrote teams dan mannen (zie afb. 1.7). Vrouwen die leidinggeven doen dit relatief vaker aan minder dan 5 mensen dan mannen. Ook doen zij dit relatief vaker aan 20 tot 50 mensen dan mannen. Mannen geven dan weer relatief vaker leiding aan 5 tot 20 mensen en aan meer dan 250 mensen.

14

Afb. 1.7 Teamgrootte van leidinggevende werkenden naar geslacht, 2024 (procenten)

vrouw

man

0%

45

25

32

35

20% Minder dan 5

40% 5 tot 10

10 tot 20

11

14

5 0

17

10

5 2

60% 20 tot 50

80% 50 tot 250

100% 250 of meer

bron: EBB, CBS Microdata, bewerking O&S

1.4 Discriminatie op de werkvloer Vrouwen ervaren vaker discriminatie op de werkvloer dan mannen; 22 versus 12 procent Vrouwen ervaren vaker discriminatie op de werkvloer dan mannen. In 2024 gaf 22 procent van de werkende vrouwen aan in de afgelopen 12 maanden discriminatie op de werkvloer te hebben ervaren (zie afb. 1.8). Dit is aanzienlijk hoger dan bij mannen (12%). Deze inwoners kunnen ook te maken hebben gehad met verschillende vormen en discriminatiegronden. Cijfers verschillen van discriminatiemonitor Deze cijfers wijken af van de cijfers in de discriminatiemonitor die O&S elke twee jaar publiceert. Dit komt doordat we hier kijken naar werkenden tussen de 15 en 65 jaar die geen onderwijs volgen, terwijl cijfers in de discriminatiemonitor over alle werkenden gaan, inclusief onderwijsvolgenden. Hierdoor verschillen alle cijfers. Zo zijn onder andere de discriminatiecijfers onder mannen lager in de emancipatiemonitor. Meer cijfers en analyses over discriminatie zijn te vinden in de Discriminatiemonitor 2025 (verwacht in 2026). Hierin is ook meer te vinden over discriminatie buiten de context van werk, en ook op basis van andere discriminatiegronden. Vrouwen tot 27 jaar ervaren vaker arbeidsmarktdiscriminatie, zeker vergeleken met mannen Zowel vrouwen met als zonder een migratieachtergrond ervaren vaker discriminatie op de werkvloer als mannen.

Vrouwen met een eerste generatie migratieachtergrond hebben het vaakst te maken met discriminatie (29%), gevolgd door vrouwen met een tweede generatie migratieachtergrond (23%). Het verschil met mannen is het grootst voor vrouwen met een eerste generatie migratieachtergrond. Ook in alle leeftijdsgroepen ervaren vrouwen vaker discriminatie op de werkvloer dan mannen. Het verschil is het grootst bij 15- tot 26-jarigen; 24 procent van de vrouwen in deze leeftijdsgroep geeft aan discriminatie te hebben ervaren, tegenover 8 procent van de mannen. Vrouwen ouder dan 45 jaar ervaren minder vaak discriminatie dan vrouwen die jonger zijn.

15

Naast migratieachtergrond en leeftijd speelt ook opleidingsniveau een rol bij het ervaren van discriminatie, hoewel de verschillen hier kleiner zijn dan tussen leeftijdsgroepen en migratieachtergronden. Vrouwen met een hbo- of wo-opleiding (23%) en mbo-opleiding (21%) ervaren iets vaker discriminatie op de werkvloer dan vrouwen met een basisopleiding (18%). Het verschil tussen vrouwen en mannen is echter vergelijkbaar binnen alle opleidingsniveaus en bedraagt 8 tot 10 procentpunten. Afb. 1.8 Aandeel werkenden dat zich in de afgelopen 12 maanden gediscrimineerd heeft gevoeld op het werk, naar geslacht en naar achtergrondkenmerken, 2024 (procenten) totaal

leeftijd

15-26 jaar 27-44 jaar

15

10

18

8

mbo

21

13

hbo, wo geen migratieachtergrond

23

13 14

6

eerste generatie migrant

29

19

tweede generatie migrant 0%

25

15

basis

opleiding

24

8

45-65 jaar

migratieachtergrond

22

12

23

15 5%

10%

15% vrouw

20%

25%

30%

35%

man

bron: REB, O&S

Geslacht en huidskleur belangrijkste gronden van ervaren discriminatie onder vrouwen Werkende Amsterdammers is ook gevraagd op welke gronden zij discriminatie ervaren op de werkvloer, waarbij zij meerdere gronden konden aangeven. Van de vrouwen die discriminatie hebben ervaren, gaf ruim 2 op de 5 aan dat dit (ook) te maken had met hun geslacht (41%, zie afb. 1.9). Andere veelvoorkomende gronden waren huidskleur en leeftijd. De gronden voor discriminatie verschillen sterk tussen mannen en vrouwen. Vrouwen ervaren vaker discriminatie op basis van geslacht (41% tegenover 8%) en leeftijd (32% tegenover 14%), terwijl mannen juist vaker discriminatie op basis van huidskleur rapporteren (58% tegenover 37%). In deze data is geen uitsplitsing naar zwangerschapsdiscriminatie mogelijk, al hebben vrouwen hier wel mee te maken. Uit landelijk onderzoek van het College voor de Rechten van de Mens uit 2020 blijkt dat 43 procent van de vrouwen die actief zijn op de arbeidsmarkt en de afgelopen vier jaar een kind heeft gekregen, een situatie heeft meegemaakt die wijst op zwangerschapsdiscriminatie (College voor de Rechten van de Mens, 2020).

16

Afb. 1.9 Discriminatiegronden op de werkvloer, naar geslacht en naar achtergrondkenmerken, 2024 (procenten onder diegenen die discriminatie ervaarden, meerdere gronden mogelijk) 41

geslacht

8 37

huidskleur

58 32

leeftijd

14 11

uiterlijk

13 7

geloofsovertuiging

15 6

ziekte / handicap seksuele geaardheid / voorkeur

14 4 14 17 18

anders 0%

10%

20%

30% vrouw

40%

50%

60%

man

bron: REB, O&S

1.5 Personen zonder betaald werk Vrouwen hebben minder vaak betaald werk dan mannen. In deze paragraaf beschrijven we wie deze Amsterdammers zonder betaald werk zijn. Zij zijn werkloos, semi-werkloos of horen bij de niet-beroepsbevolking. Personen zijn werkloos als zij geen betaald werk hebben, wel beschikbaar zijn én hiernaar op zoek zijn. Een deel van de niet-beroepsbevolking is semiwerkloos; zij voldoen aan één van de twee voorwaarden om bij de werkloze beroepsbevolking te behoren. Op semi-werkloosheid gaan we in dit rapport niet in. Werkloosheid mannen en vrouwen vergelijkbaar Het werkloosheidspercentage van vrouwen en mannen in Amsterdam ligt dicht bij elkaar: 4,1 procent van de vrouwen en 4,2 procent van de mannen is werkloos. Zij hebben geen betaald werk, maar zijn daar wel naar op zoek én zijn direct beschikbaar. Vergeleken met 2023 steeg de werkloosheid onder mannen van 4,0 naar 4,2 procent, terwijl het percentage onder vrouwen gelijk bleef. In Amsterdam is de werkloosheid hoger dan landelijk, maar landelijk is het verschil tussen vrouwen (2,8%) en mannen (2,4%) groter. De werkloosheid onder Amsterdamse vrouwen varieert naar leeftijd, opleidingsniveau en migratieachtergrond. Daarbij zien we hoe hoger de leeftijd, hoe lager het werkloosheidpercentage. De verschillen tussen opleidingsniveaus zijn kleiner dan de verschillen tussen leeftijdsgroepen.

Op basis van migratieachtergrond is de werkloosheid het hoogst onder vrouwen met een eerste generatie migratieachtergrond (6,2%), terwijl deze lager ligt bij vrouwen zonder migratieachtergrond (2,7%) en vrouwen met een tweede generatie migratieachtergrond (3,6%). Het werkloosheidspercentage verschilt weinig tussen vrouwen en mannen, maar verschilt wel bij uitsplitsingen naar achtergrondkenmerken. Het grootste verschil zien we naar migratieachtergrond. Onder Amsterdammers met een eerste generatie migratieachtergrond

17

zijn vrouwen aanzienlijk vaker werkloos dan mannen (6,2% tegenover 4,6%), terwijl dit bij de tweede generatie juist omgekeerd is (3,6% tegenover 6,3%). Afb. 1.10 Werkloosheidspercentage 15- tot 65-jarigen, niet in onderwijs, naar geslacht en achtergrondkenmerken, 2024 (procenten) 4,1 4,2

totaal

6,5

15 tot 26 jaar leeftijd

27 tot 34 jaar

3,4 3,4

35 tot 44 jaar

4,2

2,8 3,0

45 tot 54 jaar

4,2

migratieachter grond

opleiding

55 tot 65 jaar

5,4 4,9 4,6

basis mbo

4,0

hbo, wo

3,9

3,5 2,7

geen

5,8

3,3

eerste generatie

4,6 3,6

tweede generatie 0%

7,8

4,4

2%

6,3 4%

vrouw

6,2

6%

8%

10%

man

bron: REB (O&S) en EBB (CBS), bewerking O&S

Vrouwen behoren vaker tot de niet-beroepsbevolking In Amsterdam behoren vrouwen vaker tot de niet-beroepsbevolking dan mannen, wat samenhangt met het feit dat zij minder vaak betaald werk hebben. Dit betekent dat zij geen betaald werk hebben, daar niet naar op zoek zijn en/of er niet voor beschikbaar zijn. In 2024 maakte 20 procent van de Amsterdamse vrouwen deel uit van de niet-beroepsbevolking, tegenover 12 procent van de mannen. Landelijk liggen deze percentages iets lager, met respectievelijk 18 procent voor vrouwen en 10 procent voor mannen. In totaal behoren ongeveer 85 duizend Amsterdammers tussen de 15 en 65 jaar die geen onderwijs volgen tot de niet-beroepsbevolking. Van deze groep is 61 procent vrouw, wat iets lager is dan het landelijke aandeel van 65 procent in 2023. Ziekte of arbeidsongeschiktheid belangrijkste reden om niet te werken Aan de niet-beroepsbevolking is gevraagd naar de reden waarom zij niet werken. Zowel bij mannen als vrouwen is ziekte of arbeidsongeschiktheid de meest genoemde reden. Voor vrouwen is de tweede meest voorkomende reden de zorg voor gezin of huishouden, terwijl dit bij mannen pensioen of hoge leeftijd is. Het volgende hoofdstuk gaat verder in op onbetaald huishoudelijk werk, zowel bij Amsterdammers met als zonder betaald werk.

Zowel ziekte als zorg komt bij vrouwen in alle leeftijdsgroepen, opleidingsniveaus en migratieachtergronden vaker voor dan bij mannen. Het zorgen voor gezin of huishouden wordt onder vrouwen het vaakst genoemd door degenen met een basisopleiding en een eerste generatie migratieachtergrond.

18

2 Verdeling betaald en onbetaald werk

Ruim driekwart van de vrouwen in Amsterdam heeft betaald werk (77%). Daarnaast werken vrouwen vaker in deeltijd dan mannen, maar vrouwen in Amsterdam doen dit minder vaak dan landelijk. Naast betaald werk zijn er ook andere belangrijke vormen van werk: onbetaald werk. In dit hoofdstuk onderscheiden we huishoudelijke en zorgtaken van andere vormen van onbetaald werk. Wanneer we spreken over onbetaald werk, bedoelen we daarmee alle onbetaalde activiteiten behalve huishoudelijke en zorgtaken. Deze taken nemen we alleen mee als iemand aangeeft hoofdzakelijk het huishouden of de zorg op zich te nemen (huisman of huisvrouw). Huishoudelijke en zorgtaken bespreken we hierna apart. Hoeveel vrouwen verrichten onbetaald werk en huishoudelijke- en zorgtaken, en hoeveel uren besteden zij hieraan? Hoe tevreden zijn zij met de taakverdeling in het huishouden, en welk aandeel heeft het gevoel werk of juist familie- en gezinsactiviteiten te verwaarlozen? En hoe verschillen vrouwen hierin van mannen? De cijfers in dit hoofdstuk wijken af van de gebruikelijke cijfers die O&S publiceert, doordat we in de Emancipatiemonitor geen inwoners meenemen die onderwijs volgen of ouder zijn dan 65 jaar. Meer informatie hierover is te vinden in de inleiding.

2.1 Onbetaald werk Vrouwen verrichten vaker onbetaald werk, kleiner verschil bij werkende Amsterdammers Ongeveer een kwart (24%) van de Amsterdammers van 15 tot en met 65 jaar doet onbetaald werk. Vrouwen verrichten vaker onbetaald werk dan mannen; 28 procent tegenover 20 procent (zie afb. 2.1). De verschillen zijn kleiner tussen vrouwen en mannen met betaald werk, dan verricht 21 procent van de vrouwen onbetaald werk, tegenover 18 procent van de mannen. Afb. 2.1 Aandeel Amsterdammers dat onbetaald werk doet naar geslacht en wel of geen betaald 50% werk, 2024 45%

43

40%

35% 30% 25%

28

27

20%

20

21

18

15% 10% 5% 0%

totaal

heeft betaald werk vrouw

heeft geen betaald werk

man

bron: REB, O&S

19

Vrouwen en mannen die onbetaald werk doen, besteden daar ongeveer evenveel uren aan Vrouwen (van 15 t/m 65 jaar) verrichten dus vaker onbetaald werk dan mannen. Ruim drie op de vier Amsterdammers met onbetaald werk besteed hier minder dan 12 uur per week aan (77%). Veertien procent werkt tussen de 12 en 20 uur onbetaald, en 9 procent werkt meer dan 20 uur per week onbetaald (zie afb. 2.2). De urenverdeling in grove categorieën is vergelijkbaar tussen vrouwen en mannen met onbetaald werk, ook uitgesplitst naar het wel of niet hebben van betaald werk. Vrouwen die geen betaald werk hebben, werken vaker meer dan 12 uur in de week onbetaald (37%) dan vrouwen in Amsterdam die wel betaald werken (17%). Grote verschillen tussen vrouwen in uren in categorieën onbetaald werk Vrouwen tussen de 15 en 44 jaar besteden vaker meer dan 12 uur per week aan onbetaald werk (28%) dan vrouwen tussen de 45 en 65 jaar (18%). Dit hangt deels samen met het hebben van (jonge) kinderen, aangezien ouders gemiddeld minder uren betaald werken, maar ook met andere kenmerken zoals opleidingsniveau en migratieachtergrond. Vergeleken met mannen doen vrouwen in deze leeftijdsgroepen ook meer onbetaald werk. Verder besteden vrouwen met een basisopleiding de meeste uren aan onbetaald werk, 33 procent doet dit voor meer dan 12 uur. Onder vrouwen met een hbo- of wo-opleiding is dit aandeel het laagst (18%).

Daarnaast werken vrouwen met een eerste- of tweede generatie migratieachtergrond vaker meer dan 12 uur onbetaald in de week (resp. 32% en 26%) dan vrouwen zonder migratieachtergrond (16%). Afb. 2.2 De verdeling van onbetaald werk uren onder hen die onbetaald werk verrichten, naar

opleiding vrouw

leeftijd vrouw

beroepsbe volking geslacht vrouw

geslacht en naar achtergrondkenmerken bij vrouwen, 2024 (percentages) alle Amsterdammers

77

14

9

man

77

13

10

vrouw

77

14

9

werkzame beroepsbevolking

83

werkloze beroepsbevolking

64

niet beroepsbevolking

64

10 17

25

15-26 jaar

72

27-44 jaar

72

12 12

15

18

45-65 jaar

9

82

basis

12

76

mbo

20%

minder dan 12 uur

9

25 82

0%

6

15

67

hbo, wo

7 19

8 8

40%

60%

12 tot 20 uur

10

80%

100%

20 uur of meer

bron: REB, O&S

Vrouwen en mannen zijn even vaak vrijwilliger, maar verrichten een ander soort werk Een vorm van onbetaald werk is vrijwilligerswerk. Het aandeel vrouwen en mannen dat (georganiseerd) vrijwilligerswerk doet verschilt nauwelijks van elkaar, zo blijkt uit verschillende bronnen. Vrouwen en mannen verschillen wel in wat voor soort vrijwilligerswerk zij doen, zo blijkt uit De Staat van de Stad enquête van O&S onder inwoners van 18 jaar en ouder. Vrouwen doen vaker vrijwilligerswerk op school of in de kinderopvang en minder vaak voor een sportvereniging of in een politieke organisatie dan mannen. Verder geven vrouwen vaker dan mannen informele hulp. Daarbij gaat het om onbetaalde hulp die

20

wordt gegeven aan anderen zonder bemiddeling van een organisatie of vereniging, zoals boodschappen doen voor een zieke buurman of passen op kinderen van een familielid. Vrouwen geven iets vaker mantelzorg dan mannen Ook mantelzorg is een vorm van onbetaald werk. Cijfers van de Gezondheidsmonitor van de GGD over inwoners van 18 jaar en ouder laten zien dat vrouwen gemiddeld iets vaker (structureel) mantelzorg verrichten dan mannen. Dat geldt echter niet voor de leeftijdsgroep van 18 tot en met 34 jaar, waar de aandelen mantelzorgers onder vrouwen en mannen ongeveer even groot zijn. Deze jongste leeftijdsgroep geeft het minst vaak mantelzorg. Sommige mensen voelen zich erg belast door de verzorging van een ander. Zij vinden de zorg zwaar en moeilijk vol te houden. Vrouwen geven in deze enquête van de GGD vaker dan mannen aan zich zwaar of overbelast te voelen door het geven van mantelzorg.

2.2

Huishoudelijke en zorgtaken

Vrouwen besteden gemiddeld meer uren aan huishoudelijke en zorgtaken Naast betaald en bovenstaand beschreven onbetaald werk, besteden Amsterdammers ook tijd aan een andere vorm van onbetaald werk: huishoudelijke en zorgtaken. Deze activiteiten worden apart besproken van de andere vormen van onbetaald werk, en zaten niet in de cijfers van de vorige paragraaf. Amsterdammers die samenwonen met een partner besteden gemiddeld 3,4 uur per dag aan huishoudelijke en zorgtaken. Vrouwen besteden hier gemiddeld meer tijd aan dan mannen: 3,7 uur per dag tegenover 3,1 uur. Vrouwen en mannen met betaald werk geven aan dat zij hier een vergelijkbaar gemiddeld aantal uren aan besteden. Wel geven vrouwen die voltijd werken aan dat zij relatief iets meer uren besteden aan huishoudelijke en zorgtaken dan mannen die voltijd werken. Genderkloof bij leeftijds-, opleidings-, en herkomstgroepen Bij vrouwen zijn er geen grote verschillen tussen leeftijdsgroepen in het gemiddeld aantal uren dat zij aan huishoudelijke en zorgtaken besteden, terwijl dit bij mannen wel varieert. In alle leeftijdsgroepen besteden vrouwen gemiddeld meer tijd aan deze taken dan mannen. Het grootste verschil is te zien bij 15- tot 26-jarigen (3,8 uur per dag voor vrouwen en 2,1 uur voor mannen), terwijl het verschil onder 45- tot 65-jarigen klein is.

Vrouwen met een basisopleiding besteden gemiddeld meer uren aan huishoudelijke en zorgtaken dan vrouwen met een mbo-, hbo- of wo-opleiding. Daarnaast besteden vrouwen met een eerste of tweede generatie migratieachtergrond gemiddeld relatief veel tijd aan huishoudelijke en zorgtaken, ook in vergelijking met mannen.

21

beroepsbevolking

Afb. 2.3 Gemiddeld aantal uren besteed aan huishoudelijke en zorgtaken per dag door Amsterdammers*, naar geslacht en naar achtergrond kenmerken bij vrouwen, 2024 totaal

3,1

werkzame beroepsbevolking

3,1 3,0 4,2

werkloze beroepsbevolking niet beroepsbevolking

5,7

3,8

2,1

27-44 jaar

2,8

3,5

3,9 3,7

45-65 jaar

5,8

opleiding

basis

migratieachtergrond

6,7

4,5

15-26 jaar leeftijd

3,7

mbo

2,8

hbo, wo

2,9

6,3

3,7 3,4

2,7 2,7

geen migratieachtergrond eerste generatie migrant

4,4

3,8

tweede generatie migrant

2,9 0

2 vrouw

4,3 4

6

8

gemiddelde uren

man

*deze vraag is alleen gesteld aan respondenten die samenwonen met een partner

bron: REB, O&S

Amsterdammers met kinderen besteden meer tijd aan huishoudelijke en zorgtaken dan Amsterdammers zonder kinderen. Vrouwen besteden in beide groepen gemiddeld meer tijd aan deze taken dan mannen (zie afb. 2.4). Afb. 2.4 Gemiddeld aantal uren besteed aan huishoudelijke en zorgtaken per dag door Amsterdammers*, 2024 6

5 4 3 4,3

2 1 0

2,3

man

5,0

2,9

vrouw

paar zonder thuiswonende kinderen

man

vrouw

paar met thuiswonende kinderen

*deze vraag is alleen gesteld aan respondenten die samenwonen met een partner

bron: REB, O&S

Moeders nemen meer emotionele taken op zich, ook als de praktische taken eerlijk verdeeld zijn Vrouwen besteden hun tijd aan andere soort taken dan mannen binnen het huishouden. Zo blijkt uit landelijk onderzoek naar de taakverdeling binnen huishoudens met jonge kinderen

22

van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP, 2023) dat vrouwen meer emotionele taken op zich nemen, ook als de praktische taken gelijk worden verdeeld. Daarnaast brengen moeders over het algemeen meer tijd door met kinderen dan vaders. Ook blijkt uit dit onderzoek dat normen en idealen rondom moederschap zwaar wegen als het gaat om betaald werk. Dit komt overeen met de landelijke Emancipatiemonitor (CBS, 2024), waaruit blijkt dat vrouwen minder zouden moeten werken dan mannen volgens de bevolking van 16 jaar en ouder.

2.3 Tevredenheid over de verdeling van huishoudelijke en zorgtaken Landelijk wil de helft van de ouders met een partner en een kind jonger dan 18 jaar en betaald werk, de huishoudelijke en zorgtaken het liefst eerlijk verdelen. In de praktijk lukt het maar 1 op de 10 gezinnen om dit te doen, zo blijkt uit de landelijke Emancipatiemonitor van het CBS (2024). Daarnaast besteden Amsterdamse vrouwen gemiddeld meer uren aan huishoudelijke en zorgtaken dan mannen. Hoe tevreden zijn Amsterdammers die samenwonen met een partner en kind over de verdeling in het huishouden? Vrouwen vaker ontevreden over taakverdeling in huishouden dan mannen Aan Amsterdammers met betaald werk die samenwonen met een partner en thuiswonende kinderen onder de 18 jaar, is gevraagd naar hun tevredenheid over de verdeling tussen werk en huishoudelijke- en zorgtaken binnen hun huishouden (zie afb. 2.5). Dit betekent niet automatisch dat de taken eerlijk verdeeld zijn, ook al zijn zij tevreden met de taakverdeling. De meeste van hen zijn tevreden over de verdeling van werk en huishoudelijke- en zorgtaken binnen hun huishouden: 70 procent. Wel zijn vrouwen minder vaak tevreden over de verdeling (64%) dan mannen (75%).

Vrouwen met een eerste generatie migratieachtergrond en basisopleiding minst vaak tevreden over taakverdeling binnen het huishouden De tevredenheid van werkende vrouwen over de verdeling van betaald werk en huishoudelijke- of zorgtaken binnen hun huishouden verschilt naar migratieachtergrond en opleidingsniveau. Werkende vrouwen met een eerste (64%) of tweede generatie migratieachtergrond (68%) zijn minder vaak tevreden over deze verdeling dan degenen zonder migratieachtergrond (76%). Daarnaast zijn vrouwen met een basisopleiding minder vaak tevreden over de verdeling van werk en huishoudelijke- of zorgtaken (60%) dan Amsterdammers met een mbo-diploma (69%) of met een hbo- of wo-diploma (72%). Grootste verschillen tussen vrouwen en mannen met een tweede generatie migratieachtergrond en een hbo- of wo-opleiding Vrouwen zijn minder vaak tevreden over deze verdeling dan mannen, ook als we kijken naar herkomst en opleiding. De verschillen tussen vrouwen en mannen zijn het grootste onder degene met een tweede generatie migratieachtergrond (68% van de vrouwen tevreden tegenover 79% van de mannen) en degene met een hbo- of wo-opleiding (72% van de vrouwen tevreden tegenover 79% van de mannen).

23

Afb. 2.5 Aandeel werkende Amsterdammers die samenwonen met een partner die tevreden zijn over de verdeling van werk* en huishoudelijke- of zorgtaken naar geslacht en achtergrondkenmerken, 2024 (procenten) 64

migratieachtergrond

totaal

75 76

geen migratieachtergrond

81 64

eerste generatie migrant

67 68

tweede generatie migrant

79 60

opleiding

basis

64 69

mbo

74 72

hbo, wo

79 0%

20%

40% vrouw

60%

80%

100%

man

*deze vraag is alleen gesteld aan respondenten die samenwonen met een partner

bron: REB, O&S

2.4 Gevoel van verwaarlozing gezin of familie ten opzichte van werk Vrouwen hebben iets vaker het gevoel familie- of gezinsactiviteiten te verwaarlozen door werk Bijna twee op de drie werkende Amsterdammers die samenwonen met kind(eren) heeft het gevoel de familie- of gezinsactiviteiten te verwaarlozen door het werk (65%). Vrouwen hebben dit gevoel iets vaker dan mannen (67% versus 63%). Dit gevoel is het sterkst onder vrouwen met een hbo- of wo-opleiding en/of een eerste generatie migratieachtergrond (zie afb. 2.6). Onder vrouwen met een hbo- of wo-opleiding geeft 76 procent aan het gevoel te hebben de familie- of gezinsactiviteiten te verwaarlozen door het werk, onder mannen is dit 68 procent. Vrouwen met een mbo-opleiding hebben minder vaak het gevoel dan mannen familie- of gezinsactiviteiten te verwaarlozen door werk (41% bij vrouwen tegenover 47% bij mannen). Van de vrouwen met een eerste generatie migratieachtergrond geeft 71 procent aan dit gevoel te hebben, onder mannen is dit 66 procent.

24

Afb. 2.6 Het gevoel familie-of gezinsactiviteiten te verwaarlozen door het werk onder Amsterdammers* , naar geslacht en naar achtergrond kenmerken, 2024 (procenten)

migratieachter grond

opleiding

totaal

63

67

basis ** 41

mbo

47

hbo, wo

68

geen migratieachtergrond

64 61

eerste generatie migrant

66

76

71

tweede generatie migrant** 0%

10% 20% 30% 40% 50% 60% 70% 80% vrouw man

*deze vraag is alleen gesteld aan respondenten die samenwonen met een partner ** te weinig respondenten om betrouwbare uitspraken te doen

bron: REB, O&S

Mannen hebben vaker het gevoel werk te verwaarlozen door familie- of gezinsactiviteiten Het gevoel werkzaamheden te verwaarlozen door familie-of gezinsactiviteiten komt gemiddeld minder vaak voor, 57 procent heeft dit gevoel. Dit gevoel hebben vrouwen juist minder vaak dan mannen (53% tegenover 61%, zie afb. 2.7). Vrouwen met een hbo- of wodiploma hebben dit gevoel vaker dan vrouwen met een ander diploma. Deze vrouwen hebben dus én vaak het gevoel familie- en gezinsactiviteiten te verwaarlozen én vaak hun werkzaamheden. Het verschil tussen mannen en vrouwen is het grootst onder degenen met een mbo-diploma, waar 23 procent van de vrouwen en 62 procent van de mannen het gevoel heeft werkzaamheden te verwaarlozen door familie- of gezinsactiviteiten. Deze mannen hebben dus vaker dan vrouwen met een mbo-diploma het gevoel zowel werk als gezin te verwaarlozen. Afb. 2.7 Het gevoel de werkzaamheden te verwaarlozen door familie- of gezinsactiviteiten onder Amsterdammers*, naar geslacht en naar achtergrondkenmerken bij vrouw, 2024 (procenten) 53

migratieachter grond

opleiding

totaal

61

basis ** 23

mbo

62 62 63

hbo, wo 49

geen migratieachtergrond

61 54

eerste generatie migrant

58

tweede generatie migrant** 0%

10%

20%

30%

40%

vrouw

man

50%

60%

70%

*deze vraag is alleen gesteld aan respondenten die samenwonen met een partner ** te weinig respondenten om betrouwbare uitspraken te doen

bron: REB, O&S

25

3 Inkomen

In dit hoofdstuk staat het inkomen van vrouwen en mannen met betaald werk centraal. Het aandeel vrouwen met betaald werk is kleiner dan bij mannen, en zij werken vaker in deeltijd. Verschilt het uurloon tussen vrouwen en mannen? En neemt dit verschil toe als zij hun eerste kind krijgen? Hoeveel vrouwen en mannen zijn economisch zelfstandig en financieel onafhankelijk? En welke vrouwen en mannen zijn dit vaker?

3.1 Inkomensverschillen Vrouwen verdienen gemiddeld 5 euro per uur minder dan mannen, grote verschillen in het bedrijfsleven Amsterdamse vrouwen verdienen een lager gemiddeld bruto uurloon dan mannen. Vrouwen verdienen gemiddeld 30 euro per uur, tegenover 35 euro onder mannen in 2023. Hiermee verdienden Amsterdamse vrouwen in 2023 gemiddeld 5 euro per uur minder dan Amsterdamse mannen. In Nederland is dit verschil gemiddeld 4 euro. Dit feitelijke loonverschil houdt geen rekening met verschillen in kenmerken van werkenden (zie grijze kader). Het gaat in dit hoofdstuk, net als in de andere hoofdstukken, over Amsterdammers die wonen in de stad. Zeven op de tien Amsterdammers is werkzaam binnen de gemeente. In Amsterdam verdienen vrouwen gemiddeld minder in het bedrijfsleven dan bij de overheid (zie kader). Het gemiddelde bruto uurloon van vrouwen in het bedrijfsleven bedraagt 29 euro, tegenover 35 euro bij de overheid. Het loonverschil tussen mannen en vrouwen is in het bedrijfsleven ook groter: mannen verdienen daar gemiddeld 6 euro per uur meer dan vrouwen. Bij de overheid is dit verschil kleiner, en verdienen vrouwen gemiddeld 1 euro per uur meer dan mannen. Ook landelijk verdienen vrouwen minder in het bedrijfsleven dan bij de overheid, maar verdienen vrouwen in beide sectoren minder dan mannen. Afb.

3.1 Gemiddeld bruto uurloon bedrijfsleven en overheid naar geslacht, Nederland en Amsterdam, 40 2023* 35 30

25

35 30

35

35 34

29

31 27

31

32

34

25

20 15 10

5 0

totaal bedrijfsleven overheid

totaal bedrijfsleven overheid

Amsterdam

Nederland vrouw

* betreft voorlopige cijfers

man bron: CBS Microdata, bewerking O&S

26

Afbakening populatie Alle Amsterdammers tussen 15 en 67 jaar worden meegenomen, behalve scholieren en studenten. Hiermee verschilt de leeftijdsafbakening van de populatie met deze in de voorgaande hoofdstukken, waarin Amsterdammers tussen de 65 en 67 jaar niet zijn meegenomen. Afbakening bedrijfsleven en overheid Overheid bestaat uit de sectoren openbaar bestuur en dienstverlening en onderwijs. Onder openbaar bestuur en dienstverlening valt de rijksoverheid, defensie, politie, rechterlijke macht, gemeenten, provincies en waterschappen. De andere sectoren vallen onder het bedrijfsleven Bruto-uurloon Het bruto-uurloon is het uurloon zonder aftrek van belastingen en premies. Het brutouurloon is het bruto-maandloon gedeeld door 1/12 van de jaarlijkse arbeidsduur. Meer informatie is te vinden in de landelijke Emancipatiemonitor (CBS, 2024). De cijfers over het bruto uurloon verschillen met die van de landelijke Emancipatiemonitor door een methodeverschil. Feitelijke en statistisch gecorrigeerde loonverschillen O&S berekent het feitelijke loonverschil. Dit is het verschil tussen het gemiddelde brutouurloon van vrouwen en mannen. Het feitelijke loonverschil is niet hetzelfde als de loonkloof. Loonverschillen tussen werknemers ontstaan deels doordat zij van elkaar verschillen in kenmerken zoals leeftijd, opleiding, het aantal gewerkte uren of het soort baan.

Om een beter beeld te krijgen van de loonkloof — waarbij vergelijkbare vrouwen en mannen een verschillend uurloon krijgen voor hetzelfde werk — is het daarom nodig om voor deze verschillen te corrigeren. Zo kan worden vastgesteld welk loonverschil overblijft wanneer werknemers op deze kenmerken zoveel mogelijk vergelijkbaar worden gemaakt. Het CBS berekent hiervoor op landelijk niveau het zogenoemde gecorrigeerde loonverschil. Bij deze berekening wordt rekening gehouden met kenmerken van werknemers, zoals leeftijd, opleidingsniveau, deeltijdfactor en woongemeente. Daarnaast worden ook kenmerken van de baan en de werkgever meegenomen, zoals de beroepsrichting, het type contract en of iemand een leidinggevende functie heeft. Doordat voor deze factoren wordt gecorrigeerd, ligt het gecorrigeerde loonverschil dichter bij de daadwerkelijke loonkloof dan het ongecorrigeerde loonverschil. Maar een gecorrigeerd loonverschil betekent niet automatisch dat er sprake is van beloningsdiscriminatie. Het CBS beschikt namelijk niet over alle gegevens die daarvoor nodig zijn, al wordt wel gecorrigeerd voor de belangrijkste bekende verklarende factoren. Hierdoor is het verschil tussen de gecorrigeerde loonkloof en de daadwerkelijke loonkloof relatief klein.

Feitelijk loonverschil het grootst onder 45- tot 67-jarigen in het bedrijfsleven In het bedrijfsleven verdienen vrouwen minder dan mannen, met het grootste verschil in de leeftijdsgroepen van 45- tot 54-jarigen en 55- tot 67-jarigen. Bij de overheid is dit anders:

27

vrouwen verdienen daar in vrijwel alle leeftijdsgroepen gemiddeld iets meer dan mannen. Uitzondering hierop zijn de 27- tot 45-jarigen; zij verdienen evenveel of minder dan hun mannelijke leeftijdsgenoten. Het gemiddeld bruto uurloon stijgt over het algemeen met de leeftijd. Alleen onder 55- tot 67-jarigen ligt het uurloon lager dan bij jongere leeftijdsgroepen. Afb. 3.2 Gemiddeld bruto uurloon bedrijfsleven en overheid naar leeftijd en geslacht, 2023* 45 40

42 38

35 30

32

37

20

30

40

38

38 34

30 30 23

20 21

15

38

33

32

29

25

36

21

10 5

0

15 tot 26 jaar

27 tot 34 jaar

35 tot 44 jaar

45 tot 54 jaar

55 tot 67 jaar

15 tot 26 jaar

27 tot 34 jaar

bedrijfsleven

35 tot 44 jaar

45 tot 54 jaar

55 tot 67 jaar

overheid vrouw

man

* betreft voorlopige cijfers

bron: CBS Microdata, bewerking O&S

Ook opleiding is van invloed op het gemiddelde uurloon. Het feitelijke loonverschil ligt in het bedrijfsleven tussen de 5 en 7 euro per uur, afhankelijk van het opleidingsniveau (zie afb. 3.3). Het feitelijke loonverschil is kleiner bij de overheid dan in het bedrijfsleven; alleen onder mbo-opgeleiden verdienen vrouwen gemiddeld 1 euro per uur meer. Afb. 3.3 Gemiddeld bruto uurloon bedrijfsleven en overheid naar opleiding, 2023* 45 40

39

35

36

30

32 29

25 20 15

26

29

29

30

36

29

24

20

10 5 0

basis

mbo

hbo, wo

basis

bedrijfsleven

vrouw

* betreft voorlopige cijfers

mbo

hbo, wo

overheid

man

bron: CBS Microdata, bewerking O&S

Landelijke verschillen in de gecorrigeerde loonkloof naar sector Het CBS berekent naast het feitelijke loonverschil ook de gecorrigeerde loonkloof voor Nederland (zie grijze kader op de vorige pagina). Ook de gecorrigeerde loonkloof is

28

landelijk kleiner bij de overheid dan in het bedrijfsleven (CBS, 2025c). In 2024 was bij de overheid landelijk de gecorrigeerde loonkloof 1,7 procent (feitelijke loonverschil: 4,5 procent). In het bedrijfsleven ging het om 6,1 procent (feitelijke loonverschil: 14,5 procent). Omdat we in deze Emancipatiemonitor niet de gecorrigeerde loonkloof voor Amsterdam hebben berekend, is niet vast te stellen of de loonkloof groter in Amsterdam of Nederland. Uit de literatuur blijkt dat de loonkloof in steden zowel groter als kleiner kan zijn, afhankelijk van de context en onderzoeksmethode (zie bijvoorbeeld Bacolod, 2016; Nisic, 2017). Loonkloof groter na geboorte van een kind De geboorte van een kind zorgt bij vrouwen voor een lager gemiddeld aantal gewerkte uren en een lager inkomen (Ilciukas, 2025), ook op latere leeftijd. In Nederland wordt maximaal de helft van de loonkloof verklaard door de directe en indirecte gevolgen van de geboorte van een kind. Dit betekent dat er al een loonkloof is voor de geboorte van een eerste kind is, maar dat deze groeit door het krijgen van een eerste kind. Babyboete voor vrouwen na geboorte van een kind Het CBS berekent landelijk de gevolgen van het krijgen van een eerste kind voor het inkomen van vrouwen en mannen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16788746/1