Bijlage 4 - Beantwoording raadsadres- d.d. 23 maart 2021 Alliantie Noordelijke Tuinparken e.a. impact 210519 (002)
Tekst van het document
Bezoekadres Amstel 1 1011 PN Amsterdam Postbus 202 1000 AE Amsterdam Telefoon 14 020 amsterdam.nl
Retouradres: Postbus 202, 1000 AE Amsterdam
De Alliantie Noordelijke Tuinparken, Initiatiefgroep Groene Longen Amsterdam, en Stichting Zosenerdam.
Datum
19 mei 2021
Behandeld door Dhr. R. Smiers, resamsterdam@amsterdam.nl Onderwerp
Bestuurlijke reactie op het raadsadres van 23 maart 2021 over de windzoekgebieden bij de Ring A10 Noord en Noorder IJ-plas.
Geachte indieners van het raadsadres, Hartelijk dank voor uw raadsadres over de windzoekgebieden bij de Ring A10 Noord en Noorder IJ-plas d.d. 23 maart 2021. In het raadsadres geeft u aan dat unieke groengebieden met een grote ecologische waarde en bedreigde/kwetsbare diersoorten Amsterdam Noord in het gedrang komen als er windturbines worden gerealiseerd in deze zoekgebieden. U stelt in uw raadsadres 14 vragen aan de gemeenteraad. Als verantwoordelijk wethouder heeft de gemeenteraad mij gevraagd om uw raadsadres te beantwoorden. Ik begrijp dat bewoners en organisaties zich zorgen maken over de mogelijke komst van windturbines en over de mogelijke hinder die zij zullen ervaren. De zorgen die bewoners en organisaties hebben over geluid, zicht, gezondheid, en de effecten op de natuur zijn legitiem en het college neemt deze serieus. Al deze zorgen worden in het verloop van het traject zorgvuldig onderzocht. Er wordt een heldere analyse gemaakt of en in welke mate de omgeving overlast kan verwachten na de plaatsing van windturbines. Onderzoeken die onder ander zullen worden uitgevoerd zijn een Health Impact Assessment (HIA) en milieueffectrapportage (MER). Als uit de onderzoeken blijkt dat er onaanvaardbare gezondheidsrisico’s of onaanvaardbare aantasting van de natuurwaarden zijn, dan komen er op die locaties geen windturbines.
Op deze manier werken we met de grootst mogelijke zorgvuldigheid aan het realiseren van windenergie. Graag wijs ik u erop dat exact dezelfde vragen zijn gesteld door het raadslid van Soest in de schriftelijke vragen d.d. 29 maart 2021. Deze zijn inmiddels beantwoord (zie: https://amsterdam.raadsinformatie.nl/modules/4/schriftelijke%20vragen/660073) Vanzelfsprekend is de onderstaande reactie grotendeels hetzelfde. Vraag 1: Rondom de ring A10 Noord bevindt zich een aanzienlijk aantal kwetsbare diersoorten blijkt, onder andere, uit het ecologisch rapport Schellingwouderscheg en de Nationale Databank Flora en Fauna. Hoe verhoudt de aanwezigheid van de in deze brief genoemde bedreigde diersoorten -
Een routebeschrijving vindt u op www.amsterdam.nl.
Gemeente Amsterdam
Datum 19 mei 2021 Pagina 2 van 7
die nota bene ook op de ‘rode lijst’ voorkomen - zich tot de aanwijzing van de ring A10 Noord als zoekgebied? Antwoord: Ons college neemt uw zorgen en die van andere bewoners en belanghebbenden over de ecologische waarde en diersoorten uiterst serieus. Als uit nadere ecologische onderzoeken blijkt dat de effecten van windturbines onaanvaardbaar zijn, dan komen er geen windturbines. Ons college heeft een brief en een Quickscan ecologie d.d. 8 februari 2021 aan de gemeenteraad gestuurd over nieuwe windturbines in Amsterdam. De Quickscan, die is opgesteld door ecologen van de gemeente, biedt een overzicht met de mogelijke effecten van windturbines op de natuur, vooral op vogels en vleermuizen. De mogelijke effecten zijn nog algemeen beschreven omdat in de door de gemeenteraad vastgestelde concept Regionale Energie Strategie (RES) Amsterdam en de Routekaart Amsterdam Klimaatneutraal 2050 geen specifieke locaties voor windturbines zijn bepaald, maar alleen zoekgebieden. Als er in een gebied gedurende het lokale participatieproces met initiatiefnemers specifieke locaties in beeld komen wordt er nader ecologisch onderzoek gedaan. Ook naar de effecten op Natura2000- en de Natuur Netwerk Nederland (NNN)-gebieden en verbindingen. In een gebied kan een windturbine een paar honderd meter verplaatsen namelijk andere ecologische effecten opleveren.
Ook met betrekking tot de soorten op de ‘Rode lijst’. Bovendien kunnen mitigerende maatregelen worden bepaald, bijvoorbeeld het stilzetten van windturbines gedurende de vogeltrek of in de schemer als vleermuizen actief zijn. Ons college zorgt ervoor dat er per windturbine of –park een Milieueffectrapportage (MER) wordt gemaakt, conform de wens van de gemeenteraad. De MER wordt bijgevoegd bij de bestuurlijke besluitvorming over de vergunningen om het belang van de bescherming van de natuurwaarden voldoende gewicht te geven. Een integrale bestuurlijke afweging is daardoor geborgd. Experts van het ecologisch adviesbureau Waardenburg hebben tijdens de informatieavonden in april 2021 op meerdere avonden uitleg gegeven over ecologisch onderzoek en windturbines. U kunt deze terugkijken via de streams: https://vimeo.com/538623188 . Vraag 2: De twee nabijgelegen Natura 2000-gebieden kennen een beschermingsregime met externe werking. Dat betekent dat ook windturbines buiten deze gebieden van invloed kunnen zijn op de natuurlijke waarden waarvoor deze gebieden zijn aangewezen. Voor zover wij weten is nog geen onderzoek gedaan naar de effecten van windturbines op deze twee gebieden.
Om welke reden is in deze fase - mede met het oog op het zorgvuldigheidsbeginsel - nog geen nader onderzoek gedaan naar de effecten van windturbines op de nabijgelegen Natura 2000-gebieden: Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske, Markermeer en IJmeer? Antwoord: Ons college begrijpt uw zorgen en gaat zorgvuldig om met natuurgebieden en de afweging om daarin nieuwe windturbines te realiseren. Windturbines realiseren in Natura 2000-gebieden of in nabijgelegen gebieden is mogelijk mits onderzoek aantoont dat er geen onaanvaardbare effecten optreden voor planten- en diersoorten. Zie: https://www.rvo.nl/onderwerpen/duurzaam-ondernemen/duurzame-energieopwekken/windenergie-op-land/milieu-en-omgeving/natuur-en-ecologie/gebiedsbescherming . Dit nader ecologisch onderzoek wordt uitgevoerd als er later in het proces specifieke locaties in
Gemeente Amsterdam
Datum 19 mei 2021 Pagina 3 van 7
beeld komen. Vraag 3: Wij nemen aan dat ons college kennis heeft kunnen nemen van het ecologisch rapport Schellingwouderscheg van juni 2020, de visie van Vogelbescherming Nederland, de uitkomst van de effectenindicator Natura-2000 bij activiteit ‘windturbines’ (voor Natura-2000 gebieden nabij zoekgebied 3), de onderzoeken van het Wageningen Environmental Research Instituut over de effecten van windturbines op diersoorten van mei 2018 en maart 2020 en het Sovon-rapport 2021/09 “achtergronddocument windenergie gevoeligheidskaart vogels”. Indien ons college deze stukken in acht neemt, rijst de vraag of de ring A10 Noord nog wel als (reëel) zoekgebied kan worden aangemerkt. Hoe verantwoordt het college het gegeven dat bepaalde locaties in zoekgebied 3 desondanks als voorkeursgebied zijn aangewezen? Antwoord: Ons college zal bij de besluitvorming over windturbines alle beschikbare wetenschappelijke bronnen gebruiken over de effecten van windturbines op de ecologie (zie antwoord op vraag 1 en 2). Bij de besluitvorming over de aangepaste windzoekgebieden zijn de natuur- en milieubelangen meegewogen naast andere belangen. Ons college heeft het landelijk afwegingskader van het nationaal programma Regionale Energie Strategie (RES) gebruikt bij de besluitvorming over de aangepaste windzoekgebieden.
Per zoekgebied is - in relatie tot alle zoekgebieden - steeds een afweging gemaakt tussen de natuur en milieubelangen, de mogelijkheden voor een ruimtelijke inpassing, de belangen van bewoners - ook die met zorgen of die zich hebben uitgesproken tegen windturbines -, de adviezen van de stadsdelen, en de belangen van de netbeheerder – steeds in relatie tot elkaar en de gestelde ambitie. De natuur- en milieubelangen zijn ingebracht door o.a. de Technische Adviescommissie op de Hoofdgroenstructuur Amsterdam (TAC), de Natuur en milieufederatie Noord-Holland, Natuurmonumenten, Landschap Noord-Holland, leden van de vogelbescherming, Greenpeace en Milieudefensie. Daarnaast is de concept RES Noord-Holland Zuid ter beoordeling voorgelegd aan de landelijke commissie MER. In ons collegebesluit d.d.
9 maart 2021 over de aangepaste windzoekgebieden is bij de toelichting op beslispunt 1b per gebied een kwalitatieve onderbouwing gegeven welke aspecten uit het landelijk afwegingskader doorslaggevend zijn geweest bij de belangenafweging.1 Vraag 4: Realiseert het college zich dat de - toch al verzwakte - ecologische hoofdverbinding tussen de buitenringse scheg en binnenringse scheg aan de oostzijde van de ring A10 Noord nog verder wordt verzwakt door de komst van windturbines (plus funderingen, eventuele toegangswegen etc.), met alle mogelijke gevolgen van dien voor de biodiversiteit en de klimaat buffer functie? Antwoord: Ons college is zich bewust van uw zorgen en gaat o.a. de mogelijke effecten op de ecologische hoofdverbindingen onderzoeken (zie antwoord op vraag 1).
1
Zie dagmail bij Raadscommissie Financiën, Economische Zaken en Duurzaamheid (FED):
https://www.amsterdam.nl/nieuwsbrieven/bestuur-organisatie/gemeenteraad/dagmail/oudedagmails/2021/maart/donderdag-11-maart-2021/
Gemeente Amsterdam
Datum 19 mei 2021 Pagina 4 van 7
Vraag 5: Zoekgebied 3 is aangemerkt als Hoofdgroenstructuur-gebied met als hoofdfunctie groen. Windturbines kwalificeren niet als ‘inpasbaar’ in de zin van structuurvisie Amsterdam 2040 en staan daarom genoemd bij de opsomming van ‘niet inpasbare’ activiteiten. Hoe kan het, gelet op de ‘hoofdfunctie groen’, dat voor bepaalde windturbines desondanks een uitzondering wordt gemaakt vanwege de windenenergie opgave? Antwoord: De nieuwe belangenafweging van ons college komt o.a. voort uit het Nederlands Klimaatakkoord. De RES wordt vertaald in de Omgevingsvisie Amsterdam. De Hoofdgroenstructuur wordt ook onderdeel van de Omgevingsvisie. De Omgevingsvisie vervangt de Structuur- en Windvisie en wordt het kader voor programma’s en projecten in de fysieke leefomgeving. Vraag 6: Zoekgebied 3 valt onder het Bijzonder Provinciaal Landschap Waterland. Hoe verhoudt de komst van windturbines (met bijbehorende toegangswegen, kraanplaten en fundering) zich tot de provinciale kernwaarde ‘openheid en ruimtebeleving’? Antwoord: Ons college ziet mogelijkheden voor de realisatie van windturbines in het gebied tussen de ring A10 noord en de hoogspanningsmasten en heeft dit eerder besproken met de Provincie NoordHolland. Windturbines kunnen een extra stedelijke voorziening worden in de groene randzone en bijdragen aan de scheiding tussen het stedelijk gebied en Waterland.
De RES wordt zowel door de Provincie Noord-Holland als in Amsterdam vastgesteld. Amsterdam en de Provincie NoordHolland gaan in het vervolgtraject samen, en in overleg met de lokale omgeving, onderzoeken hoe windturbines zich eventueel kunnen verhouden tot de kernwaarden van het Bijzonder Provinciaal Landschap. Vraag 7: De aanwezigheid van de roofvogel ‘wespendief’ heeft begin dit jaar (voorlopig) een streep gezet door de komst van windturbines op de Veluwe. De wespendief is ‘als gezien door bewoners’ aangemerkt in het ecologisch onderzoek Schellingwouderscheg. Wij begrijpen dat er wespendieven voorkomen bij de oever van een sloot bij tuinpark Rust en Vreugd. Hoe kijkt het college aan tegen de aanwezigheid van de wespendief in zoekgebied 3 (tegen het licht van de situatie op de Veluwe)? Antwoord: Ons college is zich ervan bewust dat het kan voorkomen dat uit nader ecologisch onderzoek blijkt dat de effecten op de ecologie onaanvaardbaar zijn. Als dit het geval is komen er geen windturbines (zie ook het antwoord op vraag 1). Vraag 8: De Noorder IJplas is eveneens aangemerkt als Hoofdgroenstructuur-gebied met als hoofdfunctie groen. Hoe kan het, gelet op de duidelijk hoofdfunctie groen, dat windturbines daar ‘inpasbaar’ zouden zijn? Antwoord: Windturbines realiseren in natuurgebieden is mogelijk mits onderzoek aantoont dat er geen
Gemeente Amsterdam
Datum 19 mei 2021 Pagina 5 van 7
onaanvaardbare effecten optreden voor planten- en diersoorten. Zie: https://www.rvo.nl/onderwerpen/duurzaam-ondernemen/duurzame-energieopwekken/windenergie-op-land/milieu-en-omgeving/natuur-en-ecologie/gebiedsbescherming . Het college realiseert zich dat het volgende een technisch antwoord is, maar het gebied Noorder IJ-plas maakt volgens de Structuurvisie Amsterdam 2040, vastgesteld door de gemeenteraad op 17 februari 2011, deel uit van de hoofdgroenstructuur van Amsterdam. Vervolgens is op 19 september 2012 de Structuurvisie Wind Amsterdam (Windvisie 2012), met een daarbij behorend Plan Milieueffectrapport (Plan MER) door de gemeenteraad vastgesteld. De Windvisie 2012 is een nadere uitwerking van de Structuurvisie Amsterdam 2040. De locatie Noorder IJ-plas wordt in de Windvisie 2012 aangemerkt als een kansrijk en wenselijk gebied voor windenergie. De Windvisie 2012 is recenter en meer specifiek gericht op de inpassing van windenergie. De Windvisie 2012 gaat daarom boven het Hoofdgroenstructuurbeleid.
Vraag 9: Wij nemen aan dat het college op de hoogte is van het ecologisch rapport Noorder IJplas 2007, de visie van Vogelbescherming Nederland, de uitkomst van de effectenindicator Natura-2000 bij activiteit ‘windturbines’ (voor Natura-2000 gebied nabij zoekgebied 2A) en de onderzoeken van het Wageningen Environmental Research Instituut over de effecten van windturbines op diersoorten van mei 2018 en maart 2020 en het Sovon-rapport 2021/09 “achtergronddocument windenergie gevoeligheidskaart vogels”. Indien ons college deze stukken in acht neemt, rijst de vraag of de Noorder IJplas nog wel als (reëel) zoekgebied kan worden aangemerkt. Hoe verantwoordt het college het gegeven dat zoekgebied 2A desondanks als voorkeursgebied is aangewezen? Antwoord: Ons college verwijst u graag naar de antwoorden op de vragen 1, 2, 3 en 8. Vraag 10: Hoe verhoudt de ontwikkeling van de Noorder IJplas tot stadspark zich tot mogelijke komst van windturbines (dat lijkt immers haaks op elkaar te staan)? Antwoord: Ons college verwijst u graag naar de antwoorden op de vragen 8 en 9. Daarnaast heeft ons college het punt over het stadspark in het collegebesluit d.d. 9 maart 2021 over de aangepaste windzoekgebieden benoemd als aandachtspunt. Ons college ziet mogelijkheden om een stadspark en windturbines te combineren.
Dit punt dient in het vervolgtraject in overleg met de lokale omgeving te worden uitgewerkt. Vraag 11: Is het college voornemens een ecologisch veldonderzoek - meer dan alleen een quickscan - te laten uitvoeren om de negatieve effecten van windturbines op vogels en andere diersoorten in kaart te brengen voor zoekgebied 3 en 2A? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wanneer gaat dit ecologisch onderzoek plaatsvinden en hoe wordt de onafhankelijkheid hiervan gewaarborgd? Antwoord: Ja. Ons college verwijst u hiervoor graag naar het antwoord op vraag 1. De landelijke commissie MER beoordeelt daarnaast de MER.
Gemeente Amsterdam
Datum 19 mei 2021 Pagina 6 van 7
Vraag 12: De provincie Noord-Holland heeft regels vastgelegd in de Provinciale Ruimtelijke Verordening waarin de begrenzing en de bescherming van de weidevogelgebieden zijn opgenomen. Hoe verhoudt de aanwijzing van de voorkeursgebieden zich tot de relevante regelgeving op grond van de Provinciale Ruimtelijke Verordening? Antwoord: Ons college verwijst u hiervoor graag naar het antwoord op vraag 6. Vraag 13: Bij infrastructurele aanpassingen en ruimtelijke toevoegingen kan gebruik worden gemaakt van een ‘ecologische kaart’ die de voor dieren functionele natuur en routes van dieren in kaart brengen. Is het college voornemens een ecologische kaart te gaan gebruiken? Zo ja, op welke manier? Zo nee, om welke reden niet? Antwoord: Ons college wil graag alle beschikbare wetenschappelijke informatie gebruiken om de effecten op de ecologie in beeld te brengen. Een ecologische kaart kan daar een onderdeel van zijn. Vraag 14: Vanuit landschappelijke- en belevingswaarde geredeneerd heeft de Technische adviescommissie Hoofdgroenstructuur (TAC) een voorkeur uitgesproken voor het niet inpasbaar verklaren van windturbines in de Hoofdgroenstructuur, ongeacht het groentype. Hoe verhoudt het negatieve TAC-advies van 20 september 2020 zich tot de aanwijzing van de ring A10 Noord en de Noorder IJplas als voorkeursgebieden? Antwoord: Ons college verwijst u graag naar het antwoord op vraag 3 en 8.
Daarbij merkt ons college op dat het advies van de TAC over de windzoekgebieden in de concept RES NHZ genuanceerder is dan de indieners in de vraag vermelden en dat de Noorder IJ-plas is genoemd als voorkeurslocatie: “Hoewel het huidige hoofdgroenstructuurbeleid geen beleidsintenties bevat voor inpasbaarheid van windturbines en zonneweides, doet de TAC graag een voorzet. Vanuit de landschappelijke en belevingswaarde geredeneerd gaat de voorkeur uit naar het niet inpasbaar verklaren van deze elementen in de Hoofdgroenstructuur, ongeacht het groentype. Indien toch overwogen wordt vanuit de RES opgave dergelijke elementen in het landschap toe te staan vraagt de TAC dan in ieder geval zonneweiden uit te sluiten en slechts in te zetten op windenergie en op zonne-energie op infrastructurele taluds. Meer specifiek geeft ze bij windturbines er de voorkeur aan om: • Ze te concentreren in 1 of 2 van de zoekgebieden; • In te zetten op grote turbines (in plaats van meer kleinere); • Niet naast hoogspanningsmasten in het landschap bij (inspanningsopgave); • Een bestuurlijk heroverwegingsmoment in te bouwen na afschrijving van circa 20 jaar of vervanging wenselijk is. Qua locaties geeft de TAC de voorkeur aan: 1. Havengebied (het gedeelte buiten de Hoofgroenstructuur) 2. Diemerbos/ Amsterdam Rijn Kanaal 3.
Noorder IJ plas (tijdelijk: maximaal 20 jaar t/m afschrijving; dit mag de doorontwikkeling
Gemeente Amsterdam
Datum 19 mei 2021 Pagina 7 van 7
naar een stadspark niet in de weg staan)” Zie: https://energieregionhz.nl/app/uploads/2020/10/Bijlage-42-TAC-advies-DEF-RegionaleEnergie-Strategie-NH-Zuid-29-september-2020.pdf . Ons college spant zich in om zorgvuldig en weloverwogen te werk te gaan bij het realiseren van windenergie, ook met betrekking tot de natuur. Hierbij kan het college niet beloven dat niemand iets van de windturbines gaat merken, maar belooft er alles aan te doen om, gegeven de ambitie, de effecten zo beperkt mogelijk te houden.
Ik vertrouw u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd. Namens het college van burgemeester en wethouders, Met vriendelijke groet,
Marieke van Doorninck Wethouder van Ruimtelijke Ontwikkeling en Duurzaamheid