Bijlage 4 - Actieplan diverse en toegankelijke broedplaatsen.pdf
Tekst van het document
Actieplan diverse en toegankelijke broedplaatsen 1. Toegankelijkheid van vrijkomende ruimte Werving voor vrijgekomen ruimte in broedplaatsen loopt veelal via het netwerk van de vertrekkende huurder, medehuurders, sociale media of broedplaatsbeheerders. Dit creëert een ongelijk speelveld en komt de diversiteit en inclusie van broedplaatsen niet ten goede. Het is voor ruimtezoekers zonder netwerk van belang dat beschikbare ruimte zichtbaarder wordt. Daarom: a) Worden nieuwe broedplaatsen verplicht om alle ruimte die vrijkomt publiek kenbaar te maken. We willen dit in samenspraak met de broedplaatsen en betrokken organisaties op een centraal punt, zoals het online makelpunt van de gemeente Amsterdam, beschikbaar maken. Hiervoor worden momenteel al voorbereidingen getroffen.; b) Worden alle broedplaatsen gestimuleerd om vrijkomende ruimte publiek kenbaar te maken; c) Gaan we met belangenorganisaties, CAWA en kunstenaars in overleg om te verkennen of en hoe sturing moet worden gegeven op de manier waarop broedplaatsen vrijkomende ruimte invullen. Het uitgangspunt is maatwerk. Daarbij kan bijvoorbeeld worden voortgebouwd op ervaringen bij de Kazerne of De Nieuwe Rietwijker. In deze broedplaatsen is op basis van het profiel van de plek gekeken naar de selectiecriteria.
Daardoor is in de Kazerne de maatschappelijke rol van 3x3 Unites met voorrang als CAWA gedefinieerd en in de Rietwijker actief de koppeling gemaakt naar buurtinitiatieven, als voorwaarde voor financiering. 2. Beter gebruik van bestaande ruimte. Binnen bestaande ateliers en broedplaatsen liggen er kansen voor beter gebruik van de eigen ruimte. Zolders kunnen beter worden ingezet of verbouwd zoals bij het Concertgemaal of er kunnen extra ateliers worden gemaakt in onderbenutte ruimte zoals we al doen bij HW10 en SUP. Ook geven kunstenaars zelf aan dat met name door het delen van ruimte meer kunstenaars een plek kunnen vinden in het bestaande bestand. Daarnaast kan het delen van ruimte er ook voor zorgen dat het netwerk van kunstenaars wordt vergroot, de ruimtes betaalbaarder worden en nieuwe samenwerkingen ontstaan. Het college heeft de mogelijkheid tot het delen van ruimte in het bezit van gemeentelijk vastgoed verruimd. Daarnaast: a) Zullen broedplaatsen worden gevraagd te verkennen hoe het gebruik van bestaande ruimte kan worden geoptimaliseerd. b) Zullen huurders van ateliers worden gevraagd waar wenselijk en mogelijk ruimte te delen. Een voorbeeld van deze optimalisatie is het Concertgemaal waar broedplaats, verhuurder en gemeente momenteel samenwerken om de ongebruikte zolderruimte geschikt te maken als ateliers en werkplekken. 3.
Actief vergroten van kennis van beleid en netwerk Het publiek zichtbaar maken van vrijkomende ruimte in broedplaatsen en ateliers betekent nog niet dat iedereen deze ook zal vinden. Hiervoor blijkt het hebben van een relevant netwerk nog te vaak een doorslaggevende factor. Zelfs wanneer het ruimteaanbod wel wordt gevonden door jonge kunstenaars zonder relevant netwerk, vraagt men zich vaak af of deze ruimte wel daadwerkelijk voor hen bedoeld is. Om de instroom toegankelijker en diverser te maken: a) Organiseren we netwerksessies in samenwerking met sleutelfiguren uit broedplaatsen en stadsdelen met als doel het in kaart brengen van de culturele potentie en het vergroten van de netwerken van kunstenaars; b) Onderzoeken we de mogelijkheid om het netwerk van jonge kunstenaars actief te verbeteren door bijvoorbeeld koppeling aan meer gevestigde kunstenaars, broedplaatsen en/of culturele instellingen.
c) Organiseren we kennissessies over de broedplaatsregeling op locatie in samenwerking met sleutelfiguren uit de stadsdelen, de CAWA en de belangenorganisaties zoals de Kunstenbond, Platform BK en het AFK d) Verkennen we de mogelijkheid om daarbij gebruik te maken van de rol van de cultuurverkenners van het AFK. Oom bij te dragen aan deze doelstellingen starten we een pilot waarbij we samenwerken met drie broedplaatsen in Zuidoost, Nieuw-West en Noord waarbij er geëxperimenteerd wordt met het laagdrempelig aanbieden van atelier/studio/oefenruimte. Autodidacte jonge makers kunnen tegen een laag tarief een ruimte huren in een broedplaats om te werken aan hun ontwikkeling. Door het laagdrempelig te maken, maken jonge makers uit de stadsdelen kennis met de broedplaats en kan dit de broedplaats zelf ook helpen om het eigen netwerk te vergroten. 4. Lokale broedplaatsen Om ruimte in broedplaatsen diverser en toegankelijker te maken kan naast het bestaande aanbod ook worden gekeken naar de wijze waarop nieuwe broedplaatsen tot stand komen. Door broedplaatsen te ontwikkelen met nieuwe groepen en initiatieven komt er van nature aanbod bij wat zich openstelt voor nieuwe groepen die we momenteel niet of te weinig bereiken. Daarom: a) Organiseren we expertmeetings in de verschillende stadsdelen met broedplaatsmakers.
De primaire inzet richt zich op Noord, Nieuw-West en Zuidoost, waar de toegang voor lokale makers beperkt is. Hiermee haken we het broedplaatsenbeleid ook verder aan bij het Kunstenplan 2025-2028 door ongelijk te investeren voor gelijke kansen; b) Herstarten we de cursus broedplaatsontwikkeling om nieuwe, diverse broedplaatsontwikkelaars en broedplaatsbeheerders van de benodigde kennis en ervaring te voorzien om nieuwe broedplaatsen op te zetten; c) Geven we bij het ontwikkelen van nieuwe broedplaatsen de voorkeur aan ontwikkeling door nieuwe initiatieven van nieuwe broedplaatsontwikkelaars en beheerders. Broedplaatsen en corporaties worden uitgenodigd om samenwerkingsafspraken te maken over de doelen en acties, zoals hierboven beschreven actieplan. Het doel is de uitkomst van deze gesprekken en de daaruit voortvloeiende afspraken vast te leggen in een convenant met als overkoepelend doel het bevorderen van een meer open, dynamisch en toegankelijk broedplaatsenbestand.