Bijlage 4 aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.pdf
Tekst van het document
4.5.3.
Grondwater Het bestemmingsplan maakt in beginsel geen ondergronds bouwen mogelijk. Eventuele ondergrondse bebouwing is alleen toegestaan na toepassing van een afwijkingsbevoegdheid. In de afwijkingsbevoegdheid is vastgelegd dat, alvorens toepassing aan de afwijkingsbevoegdheid kan worden gegeven, eerst uitgebreid onderzoek wordt gedaan naar de effecten van de bouw op de stand, de kwaliteit en de stroming van het grondwater (geohydrologisch onderzoek). In de omgeving van de nieuwbouw mag de grondwaterstand ten opzichte van de huidige situatie niet verslechteren. Ook voor de definitieve nieuwe situatie dient dit door onderzoek inzichtelijk te worden gemaakt. De geohydrologische onderzoeken moeten ter toetsing aan Waternet worden voorgelegd.
4.5.4.
Conclusie Gelet op het voormelde zijn negatieve effecten op de waterkering en het oppervlakte- en grondwater niet aan de orde. Er zijn voor wat betreft de waterhuishouding daarom geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Dit geldt zowel voor de projectlocatie als het studiegebied. Er is op dit onderwerp dan ook geen MER noodzakelijk.
4.6.
Bodem De bodemkwaliteit moet geschikt zijn voor het beoogde gebruik als gevolg van een ruimtelijk plan. Door Grondslag is daarom een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (projectnummer 24981, d.d. 27 mei 2016, zie bijlage). Uit het bodemonderzoek blijkt dat tot een maximale diepte van 2,5 tot 3,0 meter onder maaiveld sterke verhogingen aan barium, koper, lood, nikkel, zink, minerale olie en/of PAK worden aangetoond. De omvang van de verontreiniging wordt geschat op circa 3.500 m³. Ter plaatse van het gehele perceel is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging (meer dan 25 m³ sterk verontreinigde grond). Derhalve is het perceel niet zomaar geschikt voor woningbouw. Om het perceel geschikt te maken voor woningbouw dienen sanerende maatregelen te worden genomen. Hiervoor wordt een saneringsplan voorbereid. De sanering is momenteel in voorbereiding. Na sanering zal de bodem geschikt zijn voor het beoogde gebruik. Er zullen geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn. Een MER is derhalve niet nodig.
29
4.7.
Ecologie Voor de bescherming van natuurgebieden en planten- en diersoorten is de Wet natuurbescherming van toepassing. In en rondom de binnenstad van Amsterdam zijn geen natuurgebieden aanwezig maar bij de beoordeling van de toelaatbaarheid van nieuwe bouwwerken en/of andere activiteiten zal wel rekening moeten worden gehouden met de mogelijke aanwezigheid van te beschermen planten- en diersoorten in het plangebied zelf en eventuele stikstofdepositie in Natura 2000gebieden.
4.7.1.
Soortenbescherming Door ecologisch adviesbureau Els & Linde is een quick scan flora en fauna uitgevoerd (projectnummer 21.110, d.d. 31 maart 2021, zie bijlage). Daaruit blijkt dat de aanwezigheid van vleermuizen en vogels is uitgesloten doordat de te slopen gebouwen in het plangebied voor deze soorten niet geschikt zijn of geen geschikte invliegopeningen bevatten. Ook beschermde planten en andere beschermde soorten zijn niet aangetroffen of te verwachten. De herontwikkeling heeft daarom geen gevolgen voor beschermde flora en fauna en voldoet aan de Wet natuurbescherming. Wel dient er tijdens de diverse werkzaamheden rekening te worden gehouden met mogelijk aanwezige broedvogels (start buiten het broedseizoen) en mogelijke invliegopeningen van de gevel van het naastgelegen gebouw (openingen vrij houden en stootvoegen niet verlichten).
4.7.2.
Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een beschermd natuurgebied en ligt ook niet in de nabijheid van een beschermd natuurgebied. Vanwege de jurisprudentie met betrekking tot het Programma Aanpak Stikstof (PAS) is het echter wel noodzakelijk om te kijken of de beoogde herontwikkeling kan leiden tot stikstofdepositie ter plaatse van één of meerdere Natura 2000gebieden. Door Els & Linde is beoordeeld of hier sprake van is (d.d. 9 maart 2021, zie bijlage). Uit het memo en de bijbehorende berekening blijkt dat de beoogde herontwikkeling niet tot stikstofdepositie leidt bij een Natura 2000-gebied. De beoogde herontwikkeling voldoet daarmee aan de Wet natuurbescherming.
4.7.3.
Conclusie Er worden op basis van de uitgevoerde onderzoeken geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu verwacht. Een MER is vanwege ecologie niet noodzakelijk.
4.8.
Archeologie Bureau Monumenten & Archeologie van de gemeente Amsterdam heeft in het kader van het geldende bestemmingsplan een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd voor de oostelijke binnenstad. Uit het bureauonderzoek blijkt dat voor het plangebied van de Hoogte Kadijk 145B een hoge archeologische verwachting geldt vanwege resten van bewoning en ambacht vanaf de 17de eeuw. Een archeologisch rapport is nodig indien er sprake is van bodemverstorende werkzaamheden met een oppervlak van minimaal 100 m² en die dieper dan 0,5 meter onder 30
maaiveld. Gelet op de omvang van de nieuwbouw (circa 390 m²) en de diepte van de graafwerkzaamheden (tot 1,7 onder maaiveld) is een archeologisch rapport noodzakelijk. De afdeling Monumenten en Archeologie van de gemeente heeft daarom een archeologische waardestelling opgesteld aan de hand van een quick scan van het beoogde bouwplan (rapportnummer QS18-068, d.d. 17 april 2018, zie bijlage). Daaruit blijkt dat het project niet is uitgezonderd van archeologisch veldonderzoek. Het verplichte veldonderzoek wordt geïntegreerd in de civieltechnische uitvoering, in de vorm van een archeologische begeleiding. Daarvoor dient als eerst een Programma van Eisen (PvE) te worden opgesteld waarin de uitgangspunten van het veldonderzoek worden gespecificeerd. Op basis van dit PvE, dat voorafgaande aan de bodemingreep beschikbaar dient te zijn, wordt een praktisch werkplan en kostenraming uitgewerkt. De afdeling Monumenten en Archeologie heeft het PvE in 2018 opgesteld in opdracht van de initiatiefnemer (zie bijlage). Door het PvE en de daaruit volgende stappen (werkplan en kostenraming) is het archeologisch belang in voldoende mate gewaarborgd. Archeologie vormt daarmee geen belemmering voor de beoogde transformatie. Een MER is vanwege archeologie niet nodig. 4.9.
Cultuurhistorie Bij besluit nr. U99/583, d.d. 29 januari 1999 is de binnenstad aangewezen als Beschermd Stadsgezicht. Het aanwijzigingsbesluit is onherroepelijk geworden op 24 januari 2003. Het plangebied ligt binnen de begrenzing van het aangewezen beschermde stadsgezicht en binnen het gebied dat aangewezen is tot UNESCO werelderfgoed. De gebouwen in het plangebied zijn niet aangewezen als monument. In subparagraaf 3.2.3 is al uitgebreid ingegaan op cultuurhistorie. Daaruit blijkt dat het project geen nadelige gevolgen voor het beschermd stadsgezicht of het UNESCO Werelderfgoed heeft aangezien het project ruimtelijk aanvaardbaar is. Een MER is voor dit aspect dan ook niet noodzakelijk.
4.10.
Duurzaamheid De te slopen bebouwing voldoet niet aan de moderne duurzaamheidseisen. De nieuwbouw wordt ecoproof gemaakt door de mogelijke toepassing van zonnepanelen, elektrisch koken/verwarmen, aardwarmteinstallatie (bodemlussen), etc. Momenteel wordt beoordeeld in hoeverre deze maatregelen haalbaar zijn maar zeker is dat de woningen gasloos worden. Het project zal een positief effect hebben op de duurzaamheid van het gebouw en hierdoor ook een positief effect op het milieu. In het plan is verder rekening gehouden met vergroening door onder meer een sedumdak. Een MER is niet noodzakelijk.
31
5. Conclusie Uit de effecten die in deze MER - Aanmeldnotitie zijn beschreven kan worden geconcludeerd dat als gevolg van de beoogde herontwikkeling van Hoogte Kadijk 145B geen sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Dit geldt zowel voor het plangebied als het studiegebied (de binnenstad). Geconcludeerd wordt dat er geen MER noodzakelijk is.
32