CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3_Tussenrapportage Brede Brugklas Bonus mrt 2021.pdf

Raadscommissie Werk Inkomen en Onderwijs 17 november 2021, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Kennisnemen van de Tweede voortgangsbrief Kansengelijkheid in het onderwijs en afhandeling van motie 010 d.d. 20 januari 2021 van de leden Blom en Veldhuyzen inzake 'Effectiviteit van het onderwijskansenbeleid' (ZD2021-011819)17.431 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Spring High zoekt hierbij naar plaatsen waar het mogelijk is om verbinding tussen binnen- en buitenschools leren tot stand te brengen en leerlingen ervaringen te laten opdoen die zij misschien van huis uit minder meekrijgen. Concreet gaat het om: a. Samenwerking met de buitenkamer (Natuurkamer in Nieuw-West), een buitenplaats voor veldwerkexcursies en gezamenlijke lessen. b. Leerzame excursies of evenementen organiseren zoals naar theatervoorstellingen gaan of inspirerende sprekers uitnodigen. c. Ruimte bieden op school aan ouders en buurtgenoten met werkplekken, koffie en wifi, in de vorm van een broedplaats. d. Een multifunctionele ruimte op school creëren, met licht, geluid en podium. 22

e. Een cultureel en educatief feest van de leerlingen en het team voor de wijk (‘Spring high meet-up’). Als gevolg van corona zijn al deze activiteiten op een laag pitje gezet.

7.3 Werkzame bestanddelen in relatie tot onderwijsachterstanden De school is bezig om een longitudinale opbouw in het curriculum aan te brengen (wat moet op welke leeftijd geleerd worden) en de kwaliteit van het onderwijs op deze domeinen vast te leggen, op het niveau van de leerlingen en op schoolniveau. Ook is men bezig de doelen te vertalen naar de praktijk en te concretiseren in een didactische aanpak. Spring High heeft als doel een cognitief rijk aanbod te bieden, om de kansen van kinderen te vergroten. Daarbij is het beïnvloeden van de sociaal-emotionele ontwikkeling een belangrijk doel. Door te stimuleren dat leerlingen prettig met elkaar omgaan, activiteiten zo aan te bieden dat leerlingen zich er iets bij voor kunnen stellen (betekenisvol leren, zie bijvoorbeeld excursies; de natuurkamer), hen te leren dat vragen stellen en fouten maken mag en juist goed is, wordt interesse in leren en zelfwerkzaamheid gestimuleerd (hierop is met name de coaching gericht). Leerlingen krijgen gedifferentieerd les, op leerpleinen, waar ze op eigen niveau kunnen werken. Men hecht veel waarde aan uitdagend onderwijs en het stellen van hoge verwachtingen aan leerlingen. Met de juiste begeleiding en overtuiging is iedere leerling in staat zijn of haar capaciteiten te vergroten. Docenten moeten ervoor zorgen dat iedere leerling de kans heeft het maximale uit zichzelf te halen.

De coaching is er onder andere op gericht om dit te ondersteunen. Verder is van belang dat men verwachtingen niet laat inkleuren door het verleden, bijvoorbeeld het basisschooladvies, of door indrukken over de gezinsachtergrond van een leerling. Elk kind wordt als het ware blanco tegemoet getreden, in de verwachting dat in principe alles mogelijk is. De interventies haken aan bij verschillende onderwijselementen. Het gaat om: 1) Curriculum: de school zet in op brede vorming en geeft invulling aan doelen op het gebied van kwalificatie, socialisatie en persoonsvorming. Men is bezig om deze begrippen binnen het curriculum en het didactisch en pedagogisch beleid vorm te geven. 2) Didactische aanpak: er wordt gedifferentieerd gewerkt op de leerpleinen. De opleiding didactisch coach voor docenten is bedoeld om leerlingen beter te kunnen ondersteunen bij het leren en het zelfstandig en zelfsturend werken. Via een pedagogisch medewerker is er extra aandacht voor bepaalde leerlingen om het leren (‘leren leren’), plannen en reflecteren beter onder de knie te krijgen. 3) Pedagogisch klimaat: er is veel oog voor het pedagogisch klimaat. Het streven is dat elke leerling zich gekend en gewaardeerd voelt. Een goed pedagogisch klimaat wordt ook bevorderd door de wijze van professionalisering van docenten.

Die is erop gericht docenten zich veilig te laten voelen en met andere te delen wat ze (nog) niet kunnen: “Als jij je veilig genoeg voelt om te leren dan voelen kinderen zich ook veilig genoeg om te leren”. 4) Organisatie: leerlingen van klas 1, 2 en 3 zitten door elkaar op een leerplein. Binnen deze omgeving volgen ze instructies die passen bij het niveau/werk dat de leerling op dat moment heeft. 5) Volgen van leerlingen en meten van vorderingen: er zijn verschillende evaluatievormen in gebruik (leergesprekken met leerlingen, portfolio’s, rubrics, assessments). Gezocht wordt naar nieuwe vormen van beoordelen en volgen van de ontwikkeling van leerlingen en met name naar software waarin vaardigheidsniveaus vastgelegd zijn. 23

6) Kwaliteit van het team: de didactische coachingsopleiding is voor het hele team, zodat het team met elkaar dezelfde taal spreekt. Omdat alle docenten betrokken zijn bij de coachingopleiding en bij de ontwikkelingen op school is er extra ingezet op teamontwikkeling en gezamenlijke visievorming. Het docententeam is betrokken en als team is bewust de keus gemaakt de didactische coach-opleiding te gaan doen. Nieuwe docenten krijgen tijdens hun inwerkperiode de didactische coach-opleiding aangeboden. De school borgt de didactische coaching door docenten een trainersopleiding aan te bieden zodat de externe trainers niet meer nodig zijn. 7) Vernieuwing: de school wil betrokkenheid en eigenaarschap van het team hooghouden en merkt dat organisatieontwikkeling (teamgeconcentreerde samenwerking ter bevordering van de organisatiestructuren) in een stroomversnelling komt door de bonus.

7.4 Meting opbrengsten Spring High onderscheidt de volgende hoofdinterventies: De eerste interventie is een didactisch coachopleiding voor docenten. Een groep docenten is opgeleid tot interne trainer, met de bedoeling de rest van het docententeam te scholen, via lesobservaties en individuele begeleiding. Vanuit de externe trainingsinstantie komt waarschijnlijk een lesobservatieinstrument beschikbaar om ontwikkeling op het didactisch coachniveau per docent in kaart te brengen. In overleg met de school zal worden nagegaan wat dit instrument inhoudt en wat de mogelijkheden zijn voor gebruik in dit onderzoek. Op basis van interviews met de trainingsgroep en enkele docenten worden in aanvulling hierop ervaringen met het instrument onderzocht. De Didactisch Coach Opleiding is een door een externe instantie aangeboden cursus, gericht op leerlingbegeleiding en coaching (effectief vragen stellen). Deze opleiding wordt gevolgd door docenten, waarvan er twee worden opgeleid tot intern coach (certificaat). Professionalisering vindt plaats aan de hand van observatie en video-interactiebegeleiding. De tools worden na certificering beschikbaar gesteld voor intern gebruik, door de interne trainers. De nulmeting (door aanbieder) wordt uitgevoerd bij 15 + 8 docenten. De vervolgmeting einde schooljaar, bij 15 docenten. 16 juni is er een slotbijeenkomst. 1.

Bij leerkrachten evalueren wat deze professionalisering oplevert, voor henzelf en voor de leerlingen. Dataverzameling via groepsgesprek met docenten. Het coachen is een van de manieren om bij leerlingen aspecten van de sociaal-emotionele ontwikkeling en het leren te bevorderen. Hierbij wordt gedacht aan aspecten als meer plezier hebben in het leren, aandacht beter vast kunnen houden en zelfwerkzaamheid stimuleren. De school zou graag willen onderzoeken in hoeverre leerlingen zich op deze aspecten ontwikkelen (in de periode van het brede brugklasproject). Bij het Kohnstamm Instituut zijn instrumenten beschikbaar om ontwikkelingsaspecten op het sociaal-emotionele domein en voorwaarden voor leren bij leerlingen te meten. Een mogelijke opzet hiervoor zal met de school samen worden uitgedacht. Evaluatie over opbrengsten op het niveau van de leerlingen, via docenten, zie Ad.1. De tweede interventie is het ontwikkelen van een softwaresysteem voor het monitoren van de SLOdoelen op leerling-niveau. Het onderzoek richt zich op de implementatie (hoe verloopt de implementatie, wat gaat goed, wat gaat niet goed) en op de ervaringen met deze vorm van evalueren. Deze informatie wordt verkregen met behulp van een interview met de ontwikkelgroep. 2. Meetbaar maken van leerdoelen t.b.v. opname/registratie in volgsysteem

24

Software-systeem wordt niet zelf ontwikkeld. Het gaat om het meetbaar maken van SLO-doelen met het oog op registratie in het volgsysteem. Evalueren via gesprek met directie. De derde interventie is ontwikkelen van vakoverstijgend lesmateriaal. Uiteindelijk moet elke docent in staat zijn om vakoverstijgende opdrachten te ontwikkelen. Om docenten hierbij houvast te geven, te zorgen dat dit op een uniforme manier gebeurt en te bevorderen dat de opdrachten aan een bepaald kwaliteitsniveau voldoen, wordt door de school een kijkwijzer of checklist ontworpen. In het onderzoek wordt nagegaan, in de eerste plaats of het lukt om een dergelijke checklist te ontwerpen en ten tweede of het lukt om deze werkwijze, van op een uniforme manier lesmateriaal ontwerpen, in het team te verspreiden. Informatie hierover wordt via een interview met de schoolleiding (volgende meetmomenten) verzameld. 3. Ontwerpen van vakoverstijgend lesmateriaal voor gemeenschappelijke thema’s; ontwerpen van format of checklist Bij leerkrachten evalueren of het lukt om vanuit gemeenschappelijke doelen lesmateriaal te ontwikkelen. In hoeverre zijn ze tevreden over het resultaat. Functioneert de checklist en dergelijke. Dataverzameling via groepsgesprek met docenten. De vierde interventie is inzet van een pedagogisch medewerker voor het coachen van kinderen op ‘leren leren’ en planningsvaardigheden ed.

In het interview met de schoolleiding wordt nagegaan wat het inzetten van deze specifieke functie de school oplevert en wat de ervaringen zijn. 4. Inzet pedagogisch coach: wat levert het op, voor het team, voor de leerlingen. Evalueren via gesprek met directie. Over de andere interventies in het kader van de brede brugklasbonus, zoals de natuurkamer, excursies en masterclasses en activiteiten om de relatie met de ouders/de buurt te versterken zullen we de school bevragen in de interviews met de schoolleiding (komende metingen). Samenvattend: 1 en 3: via groepsgesprek met betrokken docenten – juni 2021 2 en 4: evalueren aan de hand van interview met directie – juni 2021 Afspraak: Onderzoeker neemt begin mei contact op met contactpersoon voor plannen groepsgesprek en directie-interview.

Ordening van de nulmetingen in de kennispiramide: Evidentie:

-

Ervaren opbrengsten: Interventie 1: interview met docenten en schoolleiding, ontwikkelgroep lesobservaties, leerlingvragenlijst Interventie 2: interview met ontwikkelgroep Interventie 3 en 4: interview met schoolleiding Uitvoerbaarheid:

Interventie 1: interview met docenten en schoolleiding, ontwikkelgroep Interventie 2 en 3: interview met ontwikkelgroep 25

Onderbouwing:

Interventie 1: interview met docenten en schoolleiding, ontwikkelgroep Interventie 2: interview met ontwikkelgroep Interventie 3: interview met schoolleiding

26

8. Open Schoolgemeenschap Bijlmer 8.1 Context De Open Schoolgemeenschap Bijlmer (OSB) bestaat 50 jaar en heeft een van de langste tradities van brede brugklassen in het Amsterdamse onderwijs. Vmbo-b, vmbo-k, vmbo-t, havo en vwo worden gemengd aangeboden in de eerste twee leerjaren. Vanaf het derde leerjaar wordt een splitsing gemaakt en zitten leerlingen van vmbo-b/k samen, vmbo-t apart en havo/vwo samen. De school heeft een superdiverse leerling-populatie en hecht waarde aan de verbinding met de wijk, ouders en het erkennen van ieders talenten, karakters en culturele achtergronden. Docenten en ouders kiezen bewust voor het open, brede en uitdagende schoolkarakter van de OSB. Het bieden van goed onderwijs aan een superdiverse brede brugklas vraagt om veelzijdige en professionele docenten met voldoende docentvaardigheden, betrokkenheid en overtuiging. De OSB besteedt daarom structureel aandacht aan het ondersteunen van docenten. Met de Brede brugklasbonus zet de school in op een intensivering van deze docentondersteuning in de vorm van docentprofessionalisering op de gebieden didactische vaardigheden, differentiatievaardigheden en vaardigheden gericht op het bevorderen van zelfregulatie van leerlingen.

8.2 Beoogde interventies OSB zet in op het uitbreiden van ondersteuning aan alle, ongeveer 50, docenten in de brede, tweejarige brugklas. Dit wordt gedaan aan de hand van professionalisering door video-coaching. Nieuwe docenten worden al, voor maximaal drie jaar, ondersteund in lesobservaties met nabesprekingen door interne coaches. Door video-opnames toe te voegen, kunnen álle docenten zelf zien wat ze doen. Het is een intensivering van een gewone lesobservatie. Met behulp van de brede brugklasbonus is het mogelijk om lesobservaties te ondersteunen met filmopnames en de inzet van een beeldcoach. Voor de duur van dit project, vier jaar, is de beeldcoach aan de school gebonden. De opzet is dat het handelen van docenten gefilmd wordt, waarna dit beeldmateriaal samen met de aanvankelijk externe beeldcoach wordt bekeken en geanalyseerd. Zo zien docenten van zichzelf wat ze precies doen, en dat is een extra diepgaande manier van leren voor docenten. Ook wordt een aantal docenten zelf opgeleid tot beeldcoach, zodat voortzetting van deze vorm van coaching geborgd wordt. Het doel is om docenten te voorzien van meer mogelijkheden en vaardigheden om te differentiëren in de les en zelfregulatie bij leerlingen meer te stimuleren. Docenten differentiëren met name op vorm (zoals verschillende soorten opdrachten) en inhoud (zoals complexiteit van de inhoud) op het niveau per leerling.

Docenten geven les als docent en coach en leerlingen gaan aan de slag op verschillende manieren en met verschillende soorten lesstof. Leerlingen worden dus ‘gecontroleerd vrijgelaten’ waarbij de docent leerlingen begeleidt. Het doel is niet dat docenten één lijn moeten trekken in de manier van begeleiding. Docenten ontwikkelen hun eigen methode van het begeleiden van leerlingen hierbij. De begeleidende stijl van iedere docent is typisch een vaardigheid waarop de video-coaching reflectie biedt en intervisie ondersteunt, zodat het ook leren van elkaar faciliteert. Continuïteit in de scholing wordt geborgd door eigen video-coaches op te leiden als onderdeel van de professionele leergemeenschap op school. Daarnaast wordt de brede brugklasbonus benut om invaldocenten vanuit Klassenstudent in te kunnen zetten voor de reguliere opvang van lessen vanwege zieke (of anderszins afwezige) docenten. Hierdoor raken de onderbouw docenten minder belast met invaluren voor collega’s, en worden ze vrijgespeeld om deel te nemen aan de extra activiteiten in het kader van beeldcoaching.

27

8.3 Werkzame bestanddelen in relatie tot onderwijsachterstanden Het doel van de video-coaching is om de kwaliteit van de lessen te verbeteren door docentvaardigheden te bevorderen op het gebied van differentiëren en de wijze waarop zij zelfregulatie bij leerlingen kunnen bevorderen. Het organiseren van een brede brugklas met leerlingen die (heel) theoretisch, praktisch of creatief leren is complex. Hoewel de brede brugklas meer kansen biedt voor leerlingen, is de school zich ook bewust van verschillende uitdagingen van brede brugklassen. Met name de extra docentvaardigheden zien zij, in het kader van de bonus, als werkzaam element voor het vergroten van kansen voor leerlingen in de brede brugklas: leerlingen zo goed mogelijk ondersteunen om uitdagingen aan te gaan die passen bij een brede ontwikkeling, en socialisatie en persoonsvorming van leerlingen stimuleren door leren van en met elkaar. Daarbij is van belang dat de video-coaching eraan bijdraagt dat docenten bewuster worden van het effect dat hun handelen heeft op leerlingen en dat docenten leren reflecteren op differentiatievaardigheden. Het uiteindelijke doel is dat het onderwijs alle leerlingen stimuleert in een optimale ontwikkeling, dat alle leerlingen gezien worden en hun talenten benutten. De school weet dat biculturele leerlingen vaker diploma’s stapelen dan etnisch Nederlandse kinderen.

Een belangrijke factor om juist ook deze leerlingen te begeleiden naar het passende niveau is er aandacht voor elke leerling: ‘gezien worden’, aldus de school. Daaraan levert de video-coaching van docenten een bijdrage. De interventies haken aan bij verschillende onderwijselementen. Het gaat om: 1) Didactische aanpak: differentiatie in de onderbouw is op de OSB al jarenlang een kernactiviteit en het docententeam is hiervan doordrongen. Leerlingen krijgen verschillende keuzes over hoe ze bepaalde doelen willen behalen en worden gestimuleerd hun talenten te ontdekken door veel samen te werken in de heterogene brugklas. Docenten werken met het ‘hoofd, hart en handen’ principe waarbij geleerd wordt op een manier die bij de leerling past. Ook ligt er nadruk op zelfreflectie van leerlingen, bijvoorbeeld doordat hen gevraagd wordt te vertellen hoe iets gegaan is en hoe ze daartegenaan kijken, en het gewoonte is dat leerlingen hun rapportbespreking zelf voorbereiden. Docenten leren met behulp van de video-coaching zich goed te voelen bij, en bekwaam te voelen over, de manier waarop ze differentiëren en leerlingen zelfregulerend leren werken. Docenten geven leerlingen bijvoorbeeld verschillende rollen zowel bij samenwerkingsopdrachten als zelfstandige opdrachten. Een voorbeeld hiervan is dat leerlingen in groepjes de menselijke organen moeten bestuderen.

Een leerling gaat op de grond liggen op een groot vel papier, een andere leerling tekent de omtrek op het papier. Vervolgens tekenen de leerlingen gezamenlijk de organen erin en bespreken welke functies ze hebben. Afsluitend beoordelen de leerlingen wat ze van de opdracht vinden en hoe het is gegaan en ze geven elkaar feedback. Tevens bespreken docenten expliciet met leerlingen welke talenten zij hebben en sturen op samenwerkingsopdrachten waarbij verschillende talenten tot hun recht komen. Een voorbeeld hiervan is dat leerlingen samenwerken om begrippen te leren via kaartjes. Op de kaartjes staat aan de ene kant het begrip en aan de andere kant de betekenis. De vmbo-b/k/t groep wordt gevraagd het juiste begrip te geven bij een uitleg en de h/v groep wordt gevraagd de juiste uitleg te geven bij een begrip. 2) Pedagogisch klimaat en pedagogische aanpak: OSB heeft zes deelscholen waarvan drie onderbouwdeelscholen waardoor zij op de relatief grote school een kleinschalige aanpak 28

hebben. De school beoogt een veilig klimaat te creëren door onder andere specifieke aandacht aan sociale veiligheid in de mentorlessen, elke les te starten en af te sluiten met een kring en mini-mediators in te zetten. Mini-mediators zijn leerlingen die getraind worden om te bemiddelen bij ruzies tussen leerlingen. Mini-mediators worden ingezet op een andere dan hun eigen deelschool en blijven heel hun schoolloopbaan mini-mediator. De OSB heeft ook een eigen jongerenrechtbank. 3) Kwaliteit van het team en professionalisering: de school zet invaldocenten in om ruimte vrij te spelen voor docenten die geschoold worden door de beeldcoach. De directeur en een van de deelschoolleiders hebben periodieke gesprekken met de (beeld)coaches. Daarnaast worden alle docenten in de onderbouw door een beeldcoach geschoold in docentvaardigheden en worden eigen medewerkers opgeleid tot beeldcoach om in de toekomst andere docenten te kunnen gaan coachen. Differentiëren in een heterogene groep leren docenten niet (voldoende) op de lerarenopleiding. Daarom is het van belang dat beeldcoachen een vanzelfsprekende ondersteuning wordt op school. Een aantal docenten geven al aan dat de coaching hen beter ondersteunt dan bijvoorbeeld een eenmalige trainingsdag. 4) Vernieuwing: het video-onderdeel aan de coaching is nieuw en er zijn nu intervisiegroepen om gezamenlijk te reflecteren op het videomateriaal.

Voorheen werd didactische coaching met name gefacilieerd voor nieuwe docenten, maar door de brede brugklasbonus wordt het nu voor het gehele onderbouwteam gerealiseerd. Ook is het nu specifiek gericht op differentiëren in de heterogene brugklassen. Het initiatief voor de interventie kwam van de kwaliteitsmedewerker en een aantal medewerkers zoals betrokken coaches. Vanwege de korte tijd tussen het maken van een plan, accordering en uitvoering is de interventie eerst besproken met de deelschoolleiders en daarna pas met het team. Door deze top-down aanpak was er enige weerstand bij het team, bijvoorbeeld omdat docenten bang waren dat de tijdsinvestering te groot zou zijn, maar de toegankelijkheid van de beeldcoaches en hun enthousiasmerende introductie hielp om alle docenten betrokken te krijgen. Voor de facilitering van de video-coaching wordt aan ouders van nieuwe leerlingen gevraagd of beeldmateriaal gebruikt mag worden voor interne scholing en is camera- en opnameapparatuur aangeschaft. 5) Betrokkenheid schoolleiding: er is actieve begeleiding vanuit de schoolleiding en directie/bestuur. 6) Overgangen: de school biedt uitstel van selectie en een brede brugperiode voor alle vakken.

8.4 Meting opbrengsten De school meet in hoeverre de professionalisering van docenten voldoet aan de vooropgestelde doelen. De meting wordt uitgevoerd met behulp van een digitale observatietool, waarmee docenten scores krijgen voor hun vaardigheden in differentiëren en het bevorderen van zelfregulatievaardigheden bij leerlingen. Die scores moeten gaandeweg het coachings-traject in een bepaalde mate verbeteren. Uitdagingen voor docenten (onderdelen die minder goed gaan) moeten gaandeweg beter worden naar aanleiding van coachende gesprekken tussen docenten onderling, en de individuele gesprekken met de getrainde coaches. In leerteams worden ervaringen besproken en er vinden deelschoolgesprekken plaats met de docenten en schoolleiders. Naar aanleiding daarvan pakken docenten specifieke leerdoelen voor zichzelf op om hun vaardigheden verder te ontwikkelen. De school beoordeelt de mate van professionalisering als voldoende wanneer alle scores boven een 29

bepaalde norm zijn (‘score 2’), de mate van professionalisering wordt als echt goed beoordeeld, wanneer alle scores boven de ‘3’ zijn. In het eerste jaar van de video-coaching zijn de scores van docenten als nulmeting geregistreerd. De school volgt haar leerlingen op meerdere kenmerken onder andere op het niveau waarop leerlingen binnenkomen, doorstromen en uitstromen. De school heeft daardoor goed in beeld dat leerlingen significant hogere niveaus bereiken dan hun basisschool advies door de brede brugklas. De school zou ook op leerling-niveau willen meten wat de scholing bij docenten voor ervaren effecten heeft. Hiervoor wordt nog een plan uitgewerkt en het is wenselijk om dit in een later stadium te onderzoeken zodat docenten voldoende tijd hebben gehad om zich te ontwikkelen. Bijvoorbeeld bij samenwerkingsopdrachten krijgen leerlingen verschillende ‘rollen’ op basis van hun talenten. Het zou interessant zijn om te zien in welke mate de professionalisering bijdraagt aan het werken met en leren van samenwerken met verschillende rollen. Ook de ontwikkeling van de talenten van leerlingen is interessant om te onderzoeken door middel van bijvoorbeeld gesprekken met de leerlingen. We maken nog verdere afspraken hierover. De gegevens worden door de onderzoekers verzameld door middel van interviews met schoolleiding en docenten.

In deze interviews worden de verzamelde data in het kader van de nulmetingen ingebracht en besproken.

Ordening van de nulmetingen in de kennispiramide: Evidentie Ervaren opbrengsten

Scores DOT (video-coaching) Vragenlijst en/of gesprekken met leerlingen

Uitvoerbaarheid

-

Onderbouwing

-

30

9. Lumion 9.1 Context Lumion is in 2012 met krap honderd leerlingen van start gegaan. Sinds schooljaar 2019-2020 is de school partnerschool van Kunskapsskolan Nederland en telt inmiddels meer dan 1000 leerlingen. Kunskapsskolan, of ‘kennisschool’ is een Zweeds onderwijsconcept, met als belangrijk kenmerk ‘gepersonaliseerd leren’. Kernwoord in dit concept is maatwerk: het onderwijs wordt afgestemd op mogelijkheden, tempo en leerstijl van de individuele leerling. In de onderwijsaanpak staat het werken met doelen centraal. Leerlingen bepalen zelf hun leerdoelen, waarbij veel zelfstandigheid van hen wordt verwacht. De bedoeling is leerlingen de regie te geven over hun eigen leerproces, wat volgens de filosofie van Kunskapsskolan leidt tot meer motivatie en het behalen van hogere niveaus. Docenten hebben de rol van coach en begeleiden de leerlingen bij de stappen in hun leerproces. Lumion heeft een heterogene onderbouw in leerjaar 1 en werkt dit schooljaar toe naar uitbreiding naar leerjaar 2 voor vmbo-t, havo en vwo. De verbreding heeft Lumion aangepakt door het onderwijs logistiek voor te bereiden. De roostering is aangepast en keuzemogelijkheden voor leerlingen vergroot. De school groeit hard en het is moeilijk om docenten te vinden die kunnen werken volgens de filosofie van de school.

In het kader van het brede brugklasproject zet men daarom in op het versterken van de interne scholing en professionalisering van docenten, onder meer op het coachen van de leerlingen. Verder moet het curriculum worden omgezet in werkpaden, om het doelgericht leren te bevorderen. Ten slotte wordt er een aanbod ontwikkeld voor ouders gericht, op het verbeteren van de relatie met school en onderwijsondersteuning thuis.

9.2 Beoogde interventies Lumion heeft in het kader van de brede brugklas gekozen voor drie interventies: 1) Professionalisering van leerkrachten op het coachen van de leerlingen. Gekozen is voor een uitgebreide vorm van gepersonaliseerd leren, waarin elke leerling werkt volgens een eigen leerroute. Een leerling heeft wekelijks individueel contact met de coach en daarnaast twee keer per week een bijeenkomst met de coach in hun stamgroep, over mentoraatachtige zaken. Om dit goed te kunnen begeleiden is het nodig dat docenten zicht hebben op de ontwikkeling van kinderen en beschikken over vaardigheden in het daadwerkelijk begeleiden. Coaching staat centraal in de aanpak. Als gevolg van de snelle groei moeten veel nieuwe leerkrachten worden opgeleid in de coachende manier van lesgeven die Lumion voorstaat. Na een intensieve basiscursus vanuit het landelijk platform Kunskapsskolan, gericht op het aanleren van basisvaardigheden van coaching, moet men het geleerde ook kunnen toepassen. Dit gebeurt via leren op de werkplek: werkenderwijs professionaliseren docenten zich steeds verder in het coachen. Dat gebeurt onder meer door observaties op de werkvloer en via de zogenoemde Lumion Academie, wekelijkse intervisiebijeenkomsten, waarin aan de hand van thema’s, voorbeelden en casussen samen wordt geleerd.

De bedoeling is om de coachvaardigheden van het team als geheel te versterken en een uniforme manier van coaching te bevorderen. De brede brugklasbonus wordt in de eerste plaats besteed aan deelname door nieuwe docenten aan de basiscursus. In de tweede plaats wordt geïnvesteerd in een kerngroep van coachexperts: ervaren docenten die nieuwe en minder ervaren kunnen trainen in het coachen. 31

2) Het ontwikkelen van werkpaden. Kenmerk van gepersonaliseerd leren is dat leerlingen hun eigen leerdoelen formuleren. Bestaande methoden zijn hiervoor minder geschikt. Daarom is men bezig om het leerprogramma te vertalen in leerdoelen per vak. In deze zogenoemde werkpaden is de lesstof op een bepaalde manier gearrangeerd en zijn doelen die per vak moeten worden behaald per jaar, per maand en per week inzichtelijk en in voor leerlingen begrijpelijke taal geformuleerd. Elke vaksectie ontwikkelt eigen werkpaden. De bedoeling is dat elke docent hieraan bijdraagt, maar niet elke docent is hier even competent in en sommige vaksecties zijn verder dan andere. Om het proces te bespoedigen en uniformiteit in het format van de werkpaden te bevorderen, wordt per vaksectie een docent geschoold, die een begeleidende/voortrekkersrol moet gaan vervullen. 3) Een aanbod voor ouders gericht op onderwijsondersteuning thuis. Doel is de benadering van kinderen thuis in overeenstemming te brengen met hoe ze op school worden benaderd. De volgende strategieën moeten ervoor zorgen dat meer afstemming ontstaat tussen de begeleiding van de kinderen in de beide opvoedingsmilieus: a. De school geeft het voorbeeld; ouders leren gaandeweg wat begeleiding is in de filosofe van de school.

Bijvoorbeeld in de school-ouder-kind gesprekken zien en ervaren ouders hoe men op school met het kind omgaat, welke vragen er aan kinderen gesteld worden ed. b. Aan de hand van ouderbijeenkomsten, waarin de filosofie van de school expliciet wordt uitgelegd en ouders aanwijzingen krijgen hoe zij hun kind thuis kunnen begeleiden, bijvoorbeeld door het kind inhoudelijke vragen te stellen die betrekking hebben op het leerproces, zoals ’heb je deze week een probleem opgelost ’of ‘heb je hulp gevraagd’?

9.3 Werkzame bestanddelen in relatie tot onderwijsachterstanden Het streven is om zoveel mogelijk heterogeen onderwijs te verzorgen, zodat leerlingen elkaar ontmoeten en met elkaar samenwerken, en er meer sociale cohesie ontstaat. Leerlingen zitten per leerjaar gemengd (mbo-t, havo, vwo) bij elkaar in stamgroepen van zo’n 15 leerlingen, met een eigen lokaal. Lumion is gericht op het verbreden van het wereldbeeld van de leerlingen. Er worden bijvoorbeeld activiteiten aangeboden waar deze kinderen meestal thuis niet mee in aanraking komen (museumlessen, techniek, werkvormen om te oefenen met de ‘echte wereld’) terwijl dat wel vaak het geval is voor kinderen die opgroeien in kansrijkere gezinnen. In deze zin is Lumion gericht op het bieden van een cognitief rijk aanbod, om de kansen van kinderen te vergroten. Het beïnvloeden van de sociaal-emotionele ontwikkeling is eveneens een belangrijk doel. Uiteraard staan de cognitieve en sociaal-emotionele ontwikkeling niet los van elkaar. Door te stimuleren dat leerlingen prettig met elkaar omgaan, activiteiten zo aan te bieden dat leerlingen zich er iets bij voor kunnen stellen (betekenisvol leren), hen te leren dat vragen stellen en fouten maken mag en juist goed is, wordt interesse in leren en zelfwerkzaamheid gestimuleerd.

Een tweede element is dat docenten in hun aanpak rekening houden met verschillend (differentiatie), zonder dat niveauverlaging optreedt. Dit vereist dat ze zicht hebben op ontwikkeling van leerlingen, in staat zijn om doelen te formuleren en ze bij het halen van hun doelen te begeleiden. Het pedagogisch handelen van leerkrachten dat nodig is om een dergelijke aanpak of benadering te realiseren, is onderwerp van de brede brugklasbonus. Door ouders actief meer bij het onderwijs te betrekken, ouders tools te geven om met hun kind over school te communiceren en hun ondersteunende rol te vergroten hoopt men meer afstemming te realiseren tussen school en thuis.

32

De interventies haken aan bij verschillende onderwijselementen. Het gaat om: 1) Curriculum: het curriculum wordt per vak omgezet in werkpaden, die moeten bijdragen aan differentiatie en het leren denken in doelen moeten bevorderen. 2) Didactische aanpak: de brede instroom vraagt dat elke docent leert om rekening te houden met en inspeelt op verschillen tussen leerlingen. Twee van de interventies zijn gericht op beter kunnen differentiëren: door professionalisering van de coaching en door een andere ordening van de leerstof. Coaching zou ertoe bij moeten dragen dat leerlingen niet direct ‘in een niveau worden geplaatst’. Er wordt steeds samen met de leerling gekeken naar de kansen en mogelijkheden. Door de leerstof in doelen te ordenen leren leerlingen doelen stellen en overzien welke consequenties dat heeft en welke keuzes het vraagt. De bedoeling is om te bevorderen dat kinderen worden uitgedaagd en ervaren dat ze meer kunnen dan ze misschien hadden gedacht. Dit zou hun motivatie en zelfbeeld positief moeten beïnvloeden, en er uiteindelijk ook toe moeten bijdragen dat ze de school afsluiten op een niveau dat bij hen past. 3) Organisatie: de school streeft volgens het model van de Kunskapsskolan naar lesgeven op alle niveaus. Dit wordt onder meer bevorderd door leerlingen in kleine groepen te plaatsen.

Coachgesprekken vinden plaats volgens een vaste structuur (dagelijks contact, wekelijks, maandelijks en jaarlijks gesprek). Verder werkt de school met wekelijkse instructiesessies op vmbo-t, havo en vwo- niveau, is er verwerkingstijd en feedbacktijd. Voor kinderen die dit nodig hebben is er de mogelijkheid zich in te schrijven voor extra instructiesessies. Docenten die dezelfde leerlingen lesgeven starten elke dag met een dagstart, waarin kort informatie over leerlingen of wat er is voorgevallen met elkaar wordt gedeeld. 4) Ouders: De school ondersteunt ouders bij hoe ze thuis hun kinderen kunnen ondersteunen bij het leren, bij keuzes maken, voorwaarden voor leren creëren. Door meer afstemming in begeleiding op school en thuis wil men bevorderen dat aspecten van de kinderlijke ontwikkeling, zoals zelfstandigheid, motivatie, inzicht in de eigen mogelijkheden, worden versterkt. 5) Team: doel is dat alle leerkrachten vanuit dezelfde visie en op dezelfde manier met de leerlingen werken. Om dit te bevorderen krijgt iedere leerkracht dezelfde basisscholing op het coachen en worden coaching vaardigheden verder ontwikkeld door interne consultatie en intervisie. 6) Overgangen: de school streeft naar uitstel van selectie en een beter onderbouwde determinatie.

Dit wordt bereikt door meer professionalisering (kennis over ontwikkeling en ontwikkelingslijnen, beter leren zien ‘waar het kind staat’), in het kader van de coaching. Ook de werkpaden en hieraan gekoppelde vormen van (formatief) toetsen moeten zorgen voor houvast hierbij.

9.4 Meting opbrengsten Algemeen: Doelen worden geëvalueerd aan de hand van het jaarplan. De interventies (coaching, werkpaden en oudercursussen) zijn onderdeel van het jaarplan en worden zowel procesmatig als inhoudelijk geëvalueerd. De onderzoekers zullen de informatie uit de evaluaties niet zelf analyseren, maar de schoolleiding en te interviewen docenten voorafgaand aan het interview vragen welke informatie verzameld wordt en deze beschikbaar te hebben tijdens het interview. Eerste interventie: de coaching en het interne professionaliseringsaanbod (intervisie, de Lumion Academie). 33

Op het niveau van de school wordt allerlei informatie verzameld, over of en hoe deelname door nieuwe docenten aan de basiscursus gerealiseerd is; of opzetten van een kerngroep van coachexperts (ervaren docenten die nieuwe en minder ervaren kunnen trainen in het coachen) gerealiseerd is; of intervisie (Lumion Academie) in beoogde mate heeft plaatsgevonden. Ook is er een vragenlijst waaruit per coach en over het team geheel kan worden gedestilleerd wat het niveau van coaching is. Bij de leerlingen wordt via een leerlingvragenlijst die twee keer per jaar wordt afgenomen, gevraagd een oordeel over coaching te geven. Tweede interventie: de werkpaden. Hiervoor wil de school eerst de stand van zaken in kaart brengen wat betreft het ontwikkelen van de werkpaden: is het kernteam van vakdocenten (die het ontwikkelen van de werkpaden begeleidt) opgeleid en hoe ver zijn de diverse vaksecties? Een inhoudelijk doel op het niveau van de docenten is of zij in staat zijn te denken in doelen (‘wat wil ik de leerling leren’), om een leerarrangement te maken en in staat zijn om volgens een vast format werkpaden te maken. Het Kohnstamm Instituut zal op twee manieren informatie verzamelen over het verloop en de voorlopige opbrengsten van deze interventies, eind schooljaar 2020/2021: 1) Via een interview met de directie.

Input voor dit interview is alle informatie die de school zelf over het verloop van de interventies verzamelt. 2) Een groepsinterview met docenten. Bij hen wordt nagaan wat de ervaringen zijn met het coachen en met het ontwikkelen van de werkpaden. Wat zijn volgens hen de opbrengsten voor henzelf en hun manier van lesgeven en welke opbrengsten zij zien bij de leerlingen? Derde interventie: aanbod voor ouders. Als gevolg van corona zijn deze activiteiten nog niet goed van de grond gekomen. Ouders zijn aanwezig bij de (digitale) ouder-school-kind-gesprekken maar de cursus voor ouders, in de vorm van workshops, wordt verschoven naar een moment dat deze sessies live kunnen plaatsvinden. We nemen deze activiteit dan ook voorlopig nog niet op in het onderzoek. Ordening van de nulmeting in de kennispiramide: Evidentie:

-

Ervaren opbrengsten: Interventie 1: interview schoolleiding en selectie van docenten, vragenlijst docenten, vragenlijst leerlingen Interventie 2: interview schoolleiding en selectie van docenten Uitvoerbaarheid:

Interventie 1 en 2: interview schoolleiding en selectie van docenten

Onderbouwing:

Interventie 1 en 2: interview schoolleiding en selectie van docenten

34

10. Spinoza20first 10.1 Context Spinoza20first is één van de twee daltonscholen onder de Stichting Spinoza Lyceum Amsterdam. De school is in 2015 gestart in het eerste leerjaar, met een beperkt aantal docenten. Inmiddels is de school uitgegroeid tot het vijfde jaar vwo. De bedoeling is dat de school zich ontwikkelt tot een volwaardige brede daltonscholengemeenschap, die dit jaar (2021) ruimte moet bieden aan 800 leerlingen. Leerlingen in en rond Amsterdam hebben binnen de Stichting Spinoza Lyceum een keuze uit twee verschillende vormen van daltononderwijs en kunnen daardoor kiezen voor het onderwijsconcept dat het beste bij hen past. Beide scholen zijn daltonscholen, maar vergeleken met het al veel langer bestaande Spinoza Lyceum doet Spinoza20first een groter beroep op de zelfstandigheid en verantwoordelijkheid van de leerling. De school biedt een driejarige heterogene onderbouw. Leerlingen met een mavo-, havo of vwo-advies volgen samen onderwijs in stamgroepen. Ongeacht hun basisschooladvies kunnen leerlingen werken op het voor hen hoogst haalbare niveau. De definitieve determinatie vindt plaats in leerjaar drie, waarna leerlingen hun traject vervolgen op mavo-, havo- of vwo-niveau. Door de heterogene daltonuren blijft het volgen van een of meer vakken op hoger niveau ook na de onderbouw nog mogelijk.

De heterogene onderbouw bevordert dat de drempel om dit te doen laag is, omdat leerlingen al bekend zijn met de programma’s en elkaar al kennen. Spinoza20first combineert daltononderwijs met aandacht voor 21e-eeuwse vaardigheden en onderzoekend leren. Docenten werken hierbij samen op inhoud en kerndoelen. De brede brugklas bonus is bedoeld voor borging en verdere uitwerking van het concept. De komende jaren wil men het onderwijzend personeel (docenten, onderwijsassistenten) beter toerusten in het gedifferentieerd lesgeven en begeleiding van maatwerk. Dit gebeurt met name via interne professionalisering; werkenderwijs leren van en met elkaar. De school biedt vaklessen, daltonuren en projectonderwijs. De komende jaren wordt het lesmateriaal dat nodig is voor gedifferentieerd onderwijs binnen de vaklessen verder ontwikkeld. De school wil niet alleen groeien, maar de komende jaren ook een bredere instroom bevorderen. De school is in principe aantrekkelijk voor alle typen leerlingen, maar het aandeel vwo-leerlingen blijft achter. Een deel van het budget van de brede brugklas bonus wordt daarom ingezet op activiteiten om het programma verder te verdiepen en te verbreden en meer vwo-leerlingen te werven.

10.2 Beoogde interventies Leerlingen werken tot en met leerjaar drie met individuele leerroutes. Dit veronderstelt gedifferentieerd lesmateriaal, gedifferentieerde instructie en monitoring van individuele leerroutes. De interventies in het kader van de brede brugklas grijpen op al deze aspecten aan. Spinoza20first zet in het kader van de brede brugklasbonus in op de volgende onderwerpen: 1) Professionalisering van leerkrachten. Dit betreft niet alleen de inhoud maar ook het leren van elkaar en het bevorderen van een lerende schoolcultuur. Men zet hierbij in op vier verschillende onderdelen.  Gedifferentieerd werken in de onderbouw. De bedoeling is dat een deel van het team (20 docenten) de (externe) cursus ‘Differentiëren kun je leren’ van het CPS volgt. Vervolgens nemen zij de rest van het team mee, via interne scholingstrajecten, lesobservaties met feedback, intervisiegroepjes en uitwisselen aan de hand van casuïstiek.

35

Leren werken volgens de principes van ‘growth mindset’. Spinoza20first hecht veel waarde aan uitdagend onderwijs en het stellen van hoge verwachtingen aan leerlingen. Met de juiste begeleiding en overtuiging is iedere leerling in staat zijn of haar capaciteiten te vergroten. Docenten moeten ervoor zorgen dat iedere leerling de kans heeft het maximale uit zichzelf te halen. Om deze capaciteiten te ontwikkelen laat men zich inspireren door de filosofie van ‘growth mindset’. Hiervoor wordt in het kader van de brede brugklas een werkgroep geformeerd, die interne trainingen zal verzorgen. Coachen van leerlingen bij het ‘leren leren’. Docenten begeleiden leerlingen in hun leerproces in de vorm van coaching. Er is een interne training opgezet om coachvaardigheden te ontwikkelen. Werken volgens de daltonprincipes. Competentieontwikkeling van docenten op de daltonprincipes vindt plaats met behulp van intervisoren, naar het model van het Spinozalyceum.

2) Leerlijnen ontwikkelen voor de onderbouw. Gedifferentieerd onderwijs vraagt om lesprogramma’s op verschillende niveau’s. Vanuit alle vaksecties wordt gewerkt aan leerlijnen en instrumenten voor (formatief) toetsen. De bedoeling is om de leerlijnen volgens dezelfde principes en een vast format te ontwikkelen. Voorbeeld is het vak Engels, dat al voor de hele brugperiode is uitgewerkt en voldoet aan de beoogde eigen standaards voor gedifferentieerd werken. Op dit moment zijn voor circa de helft van de secties de leerlijnen tot en met leerjaar drie ontwikkeld. 3) Overgang po-vo. Het streven is om een brede instroom te bevorderen (zowel leerlingen met een mavo-, als een havo- en vwo-advies) en een breed onderwijsprogramma te bieden. Dit moet samenwerking en sociale sociale cohesie tussen leerlingen met allerlei achtergronden bevorderen. Omdat de school nu nog voornamelijk leerlingen met een havo-/mavo-advies trekt, wil men inzetten op het aantrekken van leerlingen met een vwo-advies. Dat is ook nodig, om blijvend een vwo-opleiding te kunnen bieden. In het kader van de brede brugklas wordt een voorlichtingstraject ontwikkeld voor ouders van basisschoolleerlingen met een vwo-advies.

Met het bestuur stichting Openbaar Onderwijs aan de Amstel (OOADA) zijn afspraken gemaakt om gezamenlijk een programma te ontwikkelen gericht op inhoudelijke afstemming van het onderwijs en het bevorderen van ‘warme overdracht’. Concreet zijn er in dit kader contacten tussen een basisschool en coaches/stamgroepbegeleiders van Spinoza20first. De bedoeling is om samenwerking langzamerhand uit te breiden naar meer basisscholen. 4) Op maat gesneden gesprekscyclus leerling en ouders. Geconstateerd is dat docenten ondersteuning nodig hebben bij gespreksvoering tussen school-ouder en kind. Met name richting determinatie en profielkeuze is professionalisering van docenten op dit punt gewenst, bijvoorbeeld om de inschatting die de school maakt van de mogelijkheden van het kind en verwachtingen van de ouders op elkaar af te stemmen. Ter ondersteuning hiervan wordt een gesprekshandleiding ontwikkeld.

10.3 Werkzame bestanddelen De school zet verschillende processen in gang om ongelijkheid tegen te gaan. In de eerste plaats de heterogene brugperiode, waarin leerlingen op eigen niveau en in eigen tempo kunnen werken. In de tweede plaats stelt men hoge eisen aan didactische vaardigheden (kunnen differentiëren, leerlingen ondersteunen in het leren, leerlingen motiveren, ondersteunen bij het ontwikkelen van sociale competenties) van docenten en zijn de interne processen erop gericht om kwaliteit van het 36

pedagogisch didactisch handelen te verhogen en kwaliteit te waarborgen. In de derde plaats door het bieden van uitdagend onderwijs en het hebben van hoge verwachtingen, gekoppeld aan een adequate leerlingbegeleiding. De interventies haken aan bij verschillende onderwijselementen in de school. Het gaat om: 1) Curriculum: de school biedt in principe alle leerlijnen aan op drie niveaus (mavo, havo en vwo), al moeten verschillende leerlijnen in het kader van de brugklasbonus nog verder worden uitgewerkt. Binnen de vaklessen wordt leerlinggestuurd gewerkt. Daarnaast hebben de leerlingen per kernvak (Wiskunde, Engels, Nederlands) 1 uur per week docentgestuurd onderwijs. Leerlingen kunnen zelf kiezen of ze meer uren willen besteden aan een vak, bijvoorbeeld binnen de daltonuren, waarin ze extra begeleiding of uitleg kunnen krijgen. Binnen het programma is veel aandacht voor 21e -eeuwse vaardigheden (metacognitieve vaardigheden, executieve vaardigheden, kritisch denken). Benodigde competenties worden deels verworven vanuit de daltonprincipes, deels door het versterken van coachvaardigheden. Er wordt lesmateriaal ontwikkeld. Dit is noodzakelijk om te kunnen differentiëren, maar wordt ook wenselijk gevonden, om het onderwijs meer geschikt te maken voor zelfstandig werken en te laten aansluiten bij de actualiteit en de belevingswereld van leerlingen.

2) Didactische aanpak: er wordt sterk ingezet op het verbeteren van didactische vaardigheden van docenten. Hierbij gaat het in de eerste plaats om differentiëren, een essentieel element als er gewerkt wordt met heterogene groepen. Differentiatie wordt vooral ingezet in vaklessen. Een uitdaging voor de komende periode is om differentiatie ook binnen keuzelessen toe te passen. Van de leerlingen wordt veel zelfstandigheid en eigen verantwoordelijkheid verwacht bij het verwerken van de leerstof. Leerkrachten worden gecoacht om dit proces goed te kunnen begeleiden. Verder wordt samenwerkend leren (een van de daltonpijlers) bevorderd binnen het werken aan projecten. Via scholing vanuit een interne daltonwerkgroep worden de competenties van docenten op het ondersteunen van samenwerkend leren en groepswerk bevorderd. 3) Organisatie: in de onderbouw wordt lesgegeven op verschillende niveaus. Leerlingen zitten in stamgroepen bij elkaar. Naast lessen in de stamgroep zijn er daltonuren, die bedoeld zijn voor extra ondersteuning bij bepaalde vakken of lesinhouden. Daarnaast is er projectonderwijs, vijf thema’s per jaar. Dit zijn vakoverstijgende projecten, vormgegeven door vakdocenten van verschillende vaksecties op vier domeinen (taal & cultuur, natuur & technologie, mens & maatschappij en expressie & beweging).

Naast inhoudelijke kennis zijn de projecten gericht op het ontwikkelen van daltonvaardigheden, zoals samenwerken en reflectie. 4) Team: de sterke groei van de school vraagt om voortdurende aandacht voor professionalisering van docenten. Hierin wordt voorzien door middel van combinaties van externe trainingen met training on the job, via lesobservaties, intervisiebijeenkomsten en casuïstiekbesprekingen. Deze vorm van professionaliseren moet een lerende cultuur bevorderen, waarin docenten bereid zijn elkaar te helpen en elkaar te raadplegen voor hulp en ondersteuning. 5) Overgangen: de school wil toe naar soepele overgangen. In de eerste plaats meer afstemming met het basisonderwijs, zowel inhoudelijk als organisatorisch. Er is een 37

samenwerkingsproject opgezet met OOADA. Als onderdeel hiervan is er contact tussen coaces/stamgroepbegeleiders van Spinoza20first en leerkrachten van groep 8 van basisscholen. In de tweede plaats de mogelijkheid verruimen om ook na de determinatie te kiezen voor het volgen van vakken op hogere niveaus. Het volgen van vakken op hogere niveaus na determinatie is op dit moment al goed mogelijk door de heterogene daltonuren in de bovenbouw.

10.4 Meting opbrengsten Met de school is een verkennend gesprek gevoerd over het meten van resultaten. Gedacht wordt aan het volgende: Het eerste cluster interventies betreft de professionalisering van leerkrachten. Het gaat om het verbreden van expertise van differentiatie in het team. Vastgesteld kan worden of en door wie de externe training is bijgewoond en of interne scholing heeft plaatsgevonden. Verder zou men graag de kwaliteit van het differentiëren willen onderzoeken. De school gaat bij het CPS na of hiervoor een meetinstrument bestaat. Het doel van deze interventies is dat alle docenten en onderwijsassistenten leerlingen op een goede manier coachen. Op dit moment vindt evaluatie van de training op het coachen plaats door het afleggen van collegiale lesbezoeken en het presenteren van eigen materialen als assessment (eindpresentatie), waarbij geobserveerd wordt door collega’s en de adviseur vanuit de interne werkgroep daltoncompetenties. De school zou graag met het Kohnstamm Instituut een instrument ontwikkelen voor het meten van coachcompetenties. Gedacht wordt aan een vragenlijst voor het meten van groei in competenties (zelfrapportage). Hoe een en ander vorm te geven moet nog verder met de school worden uitgedacht.

De interventies 2, 3 en 4 zijn het ontwikkelen van leerlijnen, de overgang po-vo en het ontwikkelen van een op maat gesneden gesprekscyclus voor ouder-kind-gesprekken. De voortgang hierop zal worden bevraagd in de directie interviews die in het kader van dit onderzoekdoor de onderzoekers worden gehouden (het volgende interview is juni 2021) Bekend is met welk advies leerlingen de school binnenkomen. Instroom, op- en afstroom en uitstroom van leerlingen houdt men zelf bij. Op basis van deze gegevens kan ook worden vastgesteld of en in hoeverre het lukt om voldoende leerlingen met een vwo-advies te binnen te krijgen. Deze gegevens zijn op een gegeven moment beschikbaar om resultaten op het niveau van de leerlingen te meten. Een volgende stap is nodig om de onderzoeksopzet verder uit te werken. Ordening van de nulmetingen in de kennispiramide: Evidentie:

-

Ervaren opbrengsten: Interventie 1: interview schoolleiding en selectie docenten, instrument kwaliteit differentiëren (CPS); docentenvragenlijst coachingsvaardigheden Interventie 2, 3 en 4: interview schoolleiding en selectie docenten Uitvoerbaarheid:

Interventie 1: interview schoolleiding en selectie docenten Interventie 2, 3 en 4: interview schoolleiding en selectie docenten

38

Onderbouwing:

Interventie 1: interview schoolleiding en selectie docenten Interventie 2, 3 en 4: interview schoolleiding en selectie docenten

39

11. Overall analyse werkzame onderwijselementen De meeste scholen die deelnemen aan BBB bieden onderwijs aan leerlingen van vmbo-t tot vwo, enkele scholen hebben ook vmbo b/k-leerlingen. De scholen bieden heterogeen onderwijs over de volle breedte van niveaus aan, doorgaans in de eerste twee leerjaren, soms ook in het derde leerjaar. Vaak zijn vaklessen (kernvakken) uitgesplitst naar niveau, bijvoorbeeld vmbo en havo-vwo. Een van de scholen biedt onderwijs volledig gedifferentieerd aan voor leerlingen van 10-14 jaar, op deze school zitten leerlingen van verschillende niveaus bij elkaar en ook van verschillende leerjaren. Bij heterogeen onderwijs is het belangrijk dat de scholen een gedifferentieerde instroom van leerlingen kunnen realiseren. Scholen vinden het soms lastig om specifieke groepen leerlingen te werven, bijvoorbeeld vwo-leerlingen of leerlingen met een voorkeur voor een specifieke richting, zoals de bètavakken. Gedifferentieerde instroom is een noodzakelijke voorwaarde om een gedifferentieerd aanbod voor leerlingen te kunnen realiseren. Verder is opvallend dat veel scholen melding maken van zij-instroom. Hierbij kan het gaan om leerlingen die uitvallen bij een categoraal gymnasium, maar ook om andere redenen stappen leerlingen soms over.

De scholen werken vaak vanuit een duidelijke visie of concept (bijvoorbeeld Kunskappskolan, Dalton) waarin leren van en met elkaar centraal staat. De vorm waarin de scholen dit realiseren is verschillend, het kan gaan om (combinaties van) samenwerken in stamgroepen, op leerpleinen of tijdens projecturen, individuele leerroutes. De scholen streven hierbij twee doelen na: 1) Tegengaan van segregatie, leren van elkaar in sociaal en cognitief opzicht. 2) Alle leerlingen de kans geven om zich optimaal te ontwikkelen, zowel sociaal als cognitief. In onderstaande tabel geven we een overkoepelend schematisch overzicht van de wijze waarop scholen met hun BBB-aanpak inzetten op verschillende onderwijsonderdelen. Curriculum, aanbod Om gedifferentieerd onderwijs te kunnen geven is ook gedifferentieerd lesmateriaal nodig, en dat is niet voorhanden bij de gebruikelijke methodes. Veel scholen zijn dan ook bezig met het verzamelen en ontwikkelen van passend lesmateriaal, voor alle leerniveaus die docenten in de klas hebben. Hierbij moet duidelijk zijn hoe de leerlijnen voor de verschillende niveaus per vak er uitzien, en hoe dat in het lesmateriaal geïntegreerd en geordend kan worden.

Aangezien veel scholen niet alleen verschillende leerniveaus in de klas hebben, maar ook meer projectmatig werken, of met een indeling naar domeinen zodat samenwerkend leren mogelijk wordt, moeten scholen hier veel aandacht aan besteden. Voorts willen scholen het onderwijs niet alleen richten op cognitieve doelen, maar ook op andere doelen, zoals zelfsturing, zelfstandigheid, persoonsvorming, burgerschap, samenwerken (21ste eeuwse vaardigheden), zodat leerlingen zich breder kunnen ontwikkelen. Een van de scholen noemt ook dat het onderwijs moet aansluiten bij de actualiteit en de belevingswereld van leerlingen, en een andere school wil ruimte creëren voor keuzevrijheid voor vakken of onderwerpen.

40

Didactische aanpak In de didactische aanpak wordt door scholen sterk ingezet op differentiatie. Dit is een essentieel onderdeel van onderwijs aan heterogene groepen. Een belangrijk didactisch aspect is de kwaliteit van de feedback van docenten op het leren van leerlingen. Het gaat dan om een coachende benadering, zodat leerlingen leren reflecteren op hun eigen houding ten aanzien van leren, en meer zelfstandig en zelfregulerend leren. Daarnaast is de didactische ondersteuning van samenwerkend leren een belangrijk aspect. Leerlingen kunnen hierbij in verschillende settings van elkaar leren (denk aan samenwerking op verschillende niveaus, oudere en jonger leerlingen, tutorschap, elkaar uitleg geven of overhoren). Het bevorderen van samenwerkend leren vraagt oefenen en doelgerichte ondersteuning. Met deze didactische aanpakken kunnen leerlingen zich breder ontwikkelen en krijgen ze meer persoonlijk inzicht. Pedagogisch klimaat en pedagogische aanpak De scholen zorgen ervoor dat zij leerlingen goed in beeld hebben en dat leerlingen de begeleiding krijgen die ze nodig hebben. Scholen realiseren dit door kleinschaligheid op het niveau van de school (bijvoorbeeld deelscholen), door kleine klassen na te streven, of door structurele coaching. Ook een voorbeeld is dat een groep leerlingen elke dag opstart met dezelfde docent, waarin kort informatie wordt gedeeld. (4 scholen).

Organisatie Door het werken met heterogene groepen, projectonderwijs etc. is het vaak nodig dat er onderwijsassistenten worden ingezet. Ook zien we een school waar DUO-teaching wordt toegepast. Dan krijgen heterogene groepen les van twee docenten tegelijkertijd, en zij hebben twee lokalen tot hun beschikking per les. Verder wordt er ingezet op mogelijkheden voor extra instructie als leerlingen dat nodig hebben. Bijvoorbeeld in de Dalton-uren kunnen leerlingen extra ondersteuning krijgen voor bepaalde vakken of lesinhouden. Volgen van leerlingen, meten van vorderingen Scholen zetten hiervoor alternatieve instrumenten in waarbij reflectie van leerlingen zelf centraal staat. Zo wordt reflectie op eigen vorderingen gevolgd door assessments in de vorm van presentaties van leerlingen voor hun ouders en de docent. Of er zijn evaluatie-instrumenten die inzicht geven in de leer- en ontwikkelingsbehoeften van leerlingen, en de leervragen die zij zelf hebben. (2 scholen). Ouders/omgeving De ouders worden op verschillende manieren betrokken bij de school. Een school probeert meer afstemming te realiseren in de begeleiding van leerlingen, zodat aspecten van de ontwikkeling van het kind (zelfstandigheid, motivatie, inzicht in eigen mogelijkheden) worden versterkt.

Een andere school heeft een ouderklankbordgroep ingesteld, om samen de tevredenheid over de brede brugklas te monitoren en evalueren. (2 scholen). Gebouw/leeromgeving De scholen melden op dit punt geen acties.

41

Kwaliteit van het team Alle scholen zetten in op professionalisering van het team, soms specifiek ingegeven doordat de school sterk groeit. Het is dan belangrijk dat nieuwe docenten worden meegenomen in de werkwijze die de school voorstaat. Het gaat meestal om professionalisering op het gebied van pedagogisch-didactisch handelen, zoals differentiatie, coaching, en zelfregulatie bevorderen. Dit wordt georganiseerd door externen in te zetten voor scholing, training, beeldcoaching. Ook wordt intern professionalisering georganiseerd in de vorm van lesobservaties, interne consultatie en intervisie, training-on-the-job, duo-teaching en een ontwikkelgroep vormen. Wanneer externen worden ingezet voor professionalisering, willen de scholen dit ook in huis halen door enkele eigen docenten te professionaliseren tot trainer of coach. Een school vermeldt meer algemeen een lerende cultuur te willen bevorderen. Vernieuwing De scholen voeren vernieuwingen door met de brede brugklasbonus, waarbij het vooral gaat om het verder ontwikkelen van hun concept en werkwijze. Een school merkt op dat door de bonus samenwerking van het team in een stroomversnelling is gekomen.

Bij een andere school was er aanvankelijk wat weerstand bij het team in verband met de tijdsinvestering, maar de school heeft dat opgelost door docenten verder te informeren en te betrekken bij de verdere ontwikkeling van hun interventie: video-coaching. Overgangen Vrijwel alle scholen streven naar uitstel van selectie en verbreding van de brugperiode. Dit kan bijvoorbeeld door professionalisering op het gebied coaching door meer kennis over ontwikkelingslijnen en beter leren zien ‘waar het kind staat’. Een van de scholen zoekt versoepeling van de overgang po-vo, door meer inhoudelijke en organisatorische afstemming met de basisscholen. Mentoren onderhouden daarom contact met leerkrachten van groep 8 van de betrokken basisscholen.

42

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10743601/1