CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3_Tussenrapportage Brede Brugklas Bonus mrt 2021.pdf

Raadscommissie Werk Inkomen en Onderwijs 13 oktober 2021, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Kennisnemen van de Tweede voortgangsbrief Kansengelijkheid in het onderwijs en afhandeling van motie 010 d.d. 20 januari 2021 van de leden Blom en Veldhuyzen inzake 'Effectiviteit van het onderwijskansenbeleid' (ZD2021-011819)17.431 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Monitor en evaluatie Brede Brugklas Bonus. Tussenrapportage maart 2021

IRMA HEEMSKERK

ANNEMIEK VEEN

ARWEN VAN STIGT

1

Inhoud 1.

Inleiding ....................................................................................................................................... 3

2.

Bevorderen van kansengelijkheid ............................................................................................... 4

3.

Kennispiramide ............................................................................................................................ 9

4.

Vinse School .............................................................................................................................. 10

5.

Vox College ................................................................................................................................ 14

6.

Maimonides ............................................................................................................................... 17

7.

Spring High ................................................................................................................................ 21

8.

Open Schoolgemeenschap Bijlmer ............................................................................................ 27

9.

Lumion ....................................................................................................................................... 31

10.

Spinoza20first ........................................................................................................................ 35

11.

Overall analyse werkzame elementen .................................................................................. 40

2

1. Inleiding In deze rapportage geven we een eerste tussenstand voor de monitor en evaluatie van de Brede Brugklas Bonus. De Brede Brugklas Bonus (BBB) is in juli 2019 door de gemeente Amsterdam geïntroduceerd als onderdeel van de PIEK-aanpak (Professionaliseren, Innoveren, Excelleren en Kansen pakken), waarmee het college, scholen wil ondersteunen bij structurele en organisatorische aanpassingen die bijdragen aan gelijke kansen voor kinderen. Met deze aanpak ondersteunt het college scholen om te werken aan: 1. 2. 3. 4. 5. 6.

Versoepelen van de (kwetsbare) overgangen. Tegengaan van nadelige effecten van vroegselectie. Tegengaan van segregatie op onderwijsniveau en achtergrond leerlingen. Leerlingen ontmoeten elkaar: we streven naar een inclusieve samenleving. Bieden van een brede ontwikkelomgeving aan leerlingen. Verbindingen leggen met ouders en de domeinen: armoede, jeugd, zorg, sport en de wijk.

Zeven scholen in Amsterdam hebben van de gemeente subsidie gekregen ten behoeve van de uitvoering van hun ingediende plannen en voor deelname aan de monitor. Deze rapportage is gebaseerd op de plannen die de zeven scholen in 2019 hebben ingestuurd bij de aanvraag voor deelname aan het project. Daarnaast is informatie van interviews met schoolleiding en docenten van de scholen verwerkt. Vanaf oktober 2020 zijn verschillende gesprekken gevoerd op de scholen, om beter zicht te krijgen op de interventies die scholen met behulp van BBB willen inzetten, hun werkwijze en de doelen die ze daarmee willen bereiken. Onderdeel van de gesprekken was ook de door de gemeente gevraagde metingen, waarbij scholen zelf, evt. met hulp of advies van de onderzoekers, de opbrengsten van de eigen interventies meten. In het vervolg van het onderzoek worden door de scholen in verschillende rondes metingen uitgevoerd en door de onderzoekers gerapporteerd. Deze metingen zijn vooral gericht op de uitvoerbaarheid en implementatie van de interventie en de gepercipieerde opbrengsten. Daarnaast zal te zijner tijd door de onderzoekers een overkoepelende meting worden uitgevoerd om objectief gemeten opbrengsten in kaart te brengen.

Leeswijzer We starten deze tussenrapportage met in het eerste hoofdstuk een overzicht van de aspecten of mechanismen die relevant zijn voor kansengelijkheid, en hoe we deze zien terugkomen in de interventies die de deelnemende scholen willen uitvoeren in het kader van BBB. In hoofdstuk 2 introduceren we de zogenoemde kennispiramide1, voor een beter begrip van de metingen van de beoogde interventies. In hoofdstuk 3 brengen we verslag uit over de eerste ronde informatieverzameling. Hierbij geven we voor elke school een beknopte introductie van de context, de beoogde interventies, de werkzame bestanddelen van de interventie in relatie tot kansengelijkheid, en de beoogde meting van (een deel van) de beoogde interventies. In de laatste paragraaf worden de interventies overkoepelend, schematisch samengevat.

1

Alavi & Leidner, 1999; Luyten, Ehren & Meelissen, 2011; Heemskerk, I, Meijer, J., Eck, E. van, Volman, M., & Karssen, M., 2011

3

2. Bevorderen van kansengelijkheid Oorzaken van ongelijke kansen liggen zowel in gezinnen als op school. Aanpakken van scholen om ongelijkheid tegen te gaan moeten met beide rekening houden. Bezien vanuit de gezinsfactoren die ongelijkheid verklaren is het vooral van belang om in te zien dat kinderen met een ongelijke cognitieve en sociale bagage de school binnenkomen. De opgave voor de school is dan te proberen om bij kinderen van laagopgeleide ouders te compenseren voor de mogelijk geringere input die de leerlingen thuis krijgen. Dat houdt meer in dan alleen zoveel mogelijk aandacht en tijd besteden aan taal- en rekenprestaties. Het gaat ook en vooral om vergroting van de kennis van de wereld, dus om gericht aanbieden van kennis en leerervaringen die leerlingen van hoger opgeleide ouders vaak van huis uit meekrijgen. Daarnaast (of daarbij) gaat het ook om ontwikkelen van ‘hogere orde vaardigheden’, zoals kritisch denken, verbanden leggen, reflecteren, onderzoeken, (leer)strategieën hanteren. En om ontwikkelen van sociale vaardigheden die nodig zijn om goede interacties met anderen te hebben en die belangrijk zijn voor sociale zelfredzaamheid. Bezien vanuit schoolfactoren is het vooral van belang om kritisch te zijn op het eigen handelen als leraar.

Daar hoort ook bewustwording bij van eventuele vooroordelen, inzicht in effecten van goed bedoelde maar toch ongelijkheid bevorderende beoordeling en lesaanpak van kinderen (ook bij de overgang naar het voortgezet onderwijs), inzicht in effecten van didactische keuzes en bewaken van het niveau van het onderwijsaanbod (Ledoux, 2021). 2

2.1 Interventies van scholen die meedoen aan het project Brede Brugklas Bonus De interventies van de scholen grijpen aan op aspecten of mechanismen die kansengelijkheid kunnen vergroten. Hieronder bespreken we deze aspecten of mechanismen en geven daarbij voorbeelden van interventies die scholen uitvoeren. Het gaat om voorbeelden; niet alle interventies die de scholen uitvoeren in het kader van de brede brugklas komen aan de orde. Ook andere activiteiten of maatregelen van de scholen in het kader van de brede brugklas blijven buiten beschouwing.

Uitstellen van voorsortering: één of meer jaren brede brugklas; een breed bereik Alle scholen zijn uiteraard bezig om een brede brugperiode te realiseren, met meerdere schooltypen (vmbo-b/k/ t, havo en vwo), over meerdere leerjaren, met als bedoeling om een breed leerlingpubliek (leerlingen met verschillende adviezen) te bereiken. Een voorbeeld van een interventie op dit aspect zijn de deelinterventies die Spinoza20first inzet. In de eerste plaats het verder ontwikkelen en versterken van lesprogramma’s op drie niveau’s, met nadruk op vwo-niveau, dat tot nu toe minder sterk was ontwikkeld. In de tweede plaats voorlichting voor ouders van basisschoolleerlingen met een vwo-advies. In de derde plaats het ontwikkelen van samenwerkingstrajecten met basisscholen van een groot schoolbestuur. Belangrijke elementen hierin zijn: warme overdracht en inhoudelijke afstemming van onderwijsprogramma’s. Versterking van de vwo-instroom is van belang om blijvend een vwo-opleiding te kunnen bieden, en daarmee een breed aanbod te realiseren. Spring High wil een meer heterogene instroom (naar etnische herkomst, opleidingsniveau en sekse) bevorderen, onder andere door het vergroten van de

2

https://www.onderwijskennis.nl/wat-zijn-onderwijsachterstanden

4

zichtbaarheid in de buurt (school openstellen voor de wijk; initiëren en ondersteunen van buurtinitiatieven). Hiervoor zijn onder meer aanpassingen in het schoolgebouw nodig.

Didactische keuzes: differentiatievormen, instructievormen Een belangrijk aangrijpingspunt is het handelen van docenten. Hierbij gaat het om inzicht krijgen in (effecten van) didactische keuzes en bewaken van het niveau van het onderwijsaanbod (doelen stellen, monitoring). Maar ook om bewustwording van eventuele vooroordelen, inzicht in effecten van goed bedoelde maar toch ongelijkheid bevorderende beoordeling van leerlingen. Veelal is het onderwijs gericht op de ‘gemiddelde leerling’, met weinig ruimte voor individuele leerlingen om zich naar eigen mogelijkheden te ontwikkelen. De BBB-scholen zijn juist bezig met het vormgeven van individuele leerroutes en een meer gepersonaliseerd aanbod. Dat vraagt om een andere didactische aanpak. Op Lumion zijn twee interventies gericht op beter kunnen differentiëren: professionalisering van het coachen van leerlingen en een andere ordening van de leerstof. Coaching zou ertoe bij moeten dragen dat leerlingen niet direct ‘in een niveau worden geplaatst’. Er wordt steeds samen met de leerling gekeken naar de kansen en mogelijkheden. Door de leerstof in doelen te ordenen leren leerlingen doelen stellen en overzien welke consequenties dat heeft en welke keuzes het vraagt. De bedoeling is om te bevorderen dat kinderen worden uitgedaagd en ervaren dat ze meer kunnen dan ze misschien hadden gedacht.

Maimonides zet in op het ontwikkelen van duo-teaching. Op bepaalde momenten wordt de groep gesplitst, waardoor meer individuele begeleiding of begeleiding in kleine groepjes mogelijk is, in verschillende leslokalen. Docenten kunnen besluiten de groep op bepaalde momenten in tweeën te splitsen, bijvoorbeeld een m/h-groep en een h/v-groep, of met het oog op verlengde instructie. Dit laatste gebeurt bijvoorbeeld bij het vak Nederlands, met leerlingen die een achterstand hebben in de Nederlandse taal. Het Vox College wil de komende jaren het onderwijsmateriaal dat nodig is voor gedifferentieerd lesgeven verder ontwikkelen, met aandacht voor leerlingen die extra ondersteuning of extra uitdaging nodig hebben. Leerlingen kunnen de verschillende kernvakken op verschillende niveaus volgen en eventueel ook switchen van niveau. Met het ontwikkelen van doorlopende leerlijnen, gedifferentieerd naar niveau, kunnen leerlingen van vmbo-basis tot en met vwo op hun eigen niveau werken en uitgedaagd worden om zich verder te ontwikkelen. Op de Open Schoolgemeenschap Bijlmer krijgen leerlingen verschillende keuzes voor hoe ze bepaalde doelen willen behalen en ze worden gestimuleerd hun talenten te ontdekken door veel samen te werken in de heterogene brugklas.

De nadruk ligt hierbij op zelfreflectie van leerlingen, bijvoorbeeld doordat hen gevraagd wordt te vertellen hoe iets gegaan is en hoe ze daar tegenaan kijken. Ook bereiden leerlingen hun rapportbespreking zelf voor. Met behulp van video-coaching leren docenten zich goed te voelen bij, en bekwaam te voelen over, de manier waarop ze differentiëren en leerlingen zelfregulerend leren werken.

Niveau van het aanbod en leerkrachtverwachtingen Cruciaal in het onderwijs en het tegengaan van kansenongelijkheid is het beoordelen van wat leerlingen geleerd hebben en het stimuleren van de motivatie van leerlingen om het beste uit zichzelf te halen. Verschillende scholen zetten dan ook in op het ontwikkelen van toetsen. Brugklasvakken zijn doorgaans gericht op één niveau (m/h/v) of twee (m/h of h/v). De heterogene 5

brugperiode vraagt dat alle leerlingen met dezelfde boeken en hetzelfde lesmateriaal werken, en op dezelfde manier worden getoetst. Daarom wordt bijvoorbeeld op Maimonides voor alle vakken zelf les- en bijbehorend toetsmateriaal ontwikkeld. Een goed zicht op het niveau en de richting waarin leerlingen zich ontwikkelen en het beschikken over goede toetsmaterialen, wordt ook van belang geacht met het oog op verantwoorde determinatie, de keuze voor het type vervolgonderwijs na de brugklas. Naast de gebruikelijke toetsen zetten scholen ook alternatieve beoordelingsinstrumenten in waarbij reflectie van leerlingen zelf centraal staat en motivatie van leerlingen wordt gestimuleerd. Zo wordt reflectie op eigen vorderingen gevolgd door assessments in de vorm van presentaties van leerlingen voor hun ouders en de docent (Vox College). Op Spring High zijn er verschillende evaluatievormen in gebruik (leergesprekken met leerlingen, portfolio’s, rubrics, assessments) en zoekt men naar nieuwe vormen van beoordelen en ontwikkeling van leerlingen (met name naar software waarin vaardigheidsniveaus vastgelegd zijn). Als laatste voorbeeld noemen we Spinoza20first, waar men veel waarde hecht aan uitdagend onderwijs en het stellen van hoge verwachtingen aan leerlingen. De gedachte is dat met de juiste begeleiding en overtuiging iedere leerling in staat is om zijn of haar capaciteiten te vergroten.

Docenten moeten ervoor zorgen dat iedere leerling de kans heeft het maximale uit zichzelf te halen. Om deze capaciteiten te ontwikkelen laat men zich inspireren door de filosofie van ‘growth mindset’.

Stimuleren van ‘hogere orde vaardigheden’ Verschillende scholen zetten in op coaching van leerkrachten om executieve vaardigheden (‘leren leren’, kritisch denken, verbanden leggen, reflecteren, onderzoeken) van leerlingen te vergroten. Maimonides bijvoorbeeld zet met het oog hierop zogenoemde tutoruren in. Met behulp van de brede brugklasbonus is het mogelijk om het aantal tutoruren in de brugklassen uit te breiden. Spinoza20first zet sterk in op professionalisering van leerkrachten. Dit betreft niet alleen de inhoud maar ook het leren van elkaar en het bevorderen van een lerende schoolcultuur. Centraal hierbij staan leerkrachtvaardigheden om het gedifferentieerd werken in de onderbouw te bevorderen, via een combinatie van externe en interne training en intervisie, onder meer met behulp van videocoaching. De bedoeling is om coachingsvaardigheden van leerkrachten te versterken ten aanzien van het leren leren en het in de coaching kunnen toepassen van daltoncompetenties (samenwerken, zelfstandigheid en reflectie). Ook de Open Schoolgemeenschap Bijlmer worden leerkrachten gecoacht in het differentiëren en leerlingen zelfregulerend leren werken, met gebruikmaking van videocoaching. Leerlingen krijgen verschillende keuzes over hoe ze bepaalde doelen willen behalen en ze worden gestimuleerd hun talenten te ontdekken door veel samen te werken in de heterogene brugklas.

De nadruk ligt hierbij op zelfreflectie van leerlingen, bijvoorbeeld doordat hen gevraagd wordt te vertellen hoe iets gegaan is en hoe ze daartegenaan kijken. Overigens vraagt het inzetten op brede vorming, waarbij zowel aandacht is voor ontwikkeling van hogere orde vaardigheden, als sociale vaardigheden (zie later) om nieuwe vormen van beoordelen en volgen van de ontwikkeling van leerlingen. Voorbeelden zijn leergesprekken met leerlingen, portfolio’s, leerlingen die aan ouders uitleggen wat ze geleerd hebben, al dan niet met gebruik van hulpmiddelen zoals rubrics en andere vormen van indelingen van vaardigheidsniveaus. De laatste zijn vooral van belang als houvast bij het volgen van ontwikkeling. Ook een helder beeld van leerlijnen, op verschillende aspecten van brede vorming, is daarbij van belang. Spring High zet daarom in op

6

volg- en meetsystemen, bijvoorbeeld het meetbaar maken van SLO-kerndoelen3 met het oog op registratie en het onderbrengen hiervan in een digitaal volgsysteem.

Programma/curriculumkeuzes voor sociale vaardigheden Het Vox College wil niet alleen differentiatie naar niveau realiseren, maar ook differentiatie in ‘rollen’. Daarmee wordt gedoeld op verschillende onderdelen/taken die leerlingen kunnen behartigen in de samenwerking bij projectlessen. De school wil met het hele team lesmateriaal ontwikkelen en een passende coachleerlijn en begeleidingssystematiek. Deze ontwikkeling draagt ook bij aan professionalisering van het team. Door projectopdrachten in te zetten waarbij leerlingen van verschillende niveaus en achtergronden samenwerken, beoogt de school sociaal emotionele ontwikkeling van leerlingen bevorderen. Er wordt gebruik gemaakt van verschillende rolverdelingen, bijvoorbeeld voorzitter, fotograaf, verslaglegger, onderzoeker, vormgever, presentator etc. Door verschillende rollen uit te proberen, ervaren leerlingen wat bij hen past en leren ze reflecteren op eigen vaardigheden. Ze leren ook dat alle rollen van belang zijn om tot een goed eindproduct te komen, en dat rollen niet gekoppeld hoeven te zijn aan niveau. Zo kunnen leerlingen samen leren als afspiegeling van de maatschappij en ontwikkelen ze ook andere, niet-cognitieve doelen.

Met behulp van video-coaching wil de Open Schoolgemeenschap Bijlmer docenten bewuster maken van het effect dat hun handelen heeft op leerlingen en docenten leren reflecteren op hun differentiatievaardigheden. Het organiseren van een brede brugklas met leerlingen die (heel) theoretisch, praktisch of creatief leren is complex. Hoewel de brede brugklas meer kansen biedt voor leerlingen, is de school zich ook bewust van verschillende uitdagingen van brede brugklassen. Met name de versterking van docentvaardigheden zien zij, in het kader van de bonus, als werkzaam element voor het vergroten van kansen voor leerlingen in de brede brugklas: leerlingen zo goed mogelijk ondersteunen om uitdagingen aan te gaan die passen bij een brede ontwikkeling, en socialisatie en persoonsvorming van leerlingen stimuleren door leren van met elkaar. Op Spring High is een pedagogisch medewerker aangesteld voor het coachen van leerlingen op sociaal-emotionele ontwikkeling, zoals reflectie op eigen leren, inzicht in eigen werkhouding ed. Deze inzet is met name van belang voor de jonge leerlingen (Spring High biedt onderwijs aan leerlingen vanaf tienjarige leeftijd), maar is ook voor leerlingen uit latere leerjaren beschikbaar.

Aandacht voor basisvaardigheden (taal- en rekenen/wiskunde) Met de brugklasbonus wil de Vinse School de focus leggen op het versterken van algebra als verbindende factor in de bètavakken. Met behulp van de te ontwikkelen ‘routekaart’ voor alle bètavakken wordt het inhoudelijke programma voor wiskunde en de leerlijnen voor de bètavakken beter op elkaar afgestemd. Leerlingen (en onderwijzend/ondersteunend personeel) krijgen hierdoor beter inzicht in de samenhang van de leerstof in de verschillende vakken. Ook wordt hierdoor projectonderwijs beter mogelijk gemaakt. Inzicht in de samenhang van verschillende vakken en projectonderwijs dragen bij aan de cognitieve ontwikkeling van leerlingen en stelt leraren in staat een beter leerklimaat te creëren in een breed samengestelde brugklas (m/h/v). Brugklasvakken zijn op Maimonides doorgaans gericht op één niveau (m/h/v) of twee (m/h of h/v). De heterogene brugperiode vraagt dat alle leerlingen met dezelfde boeken en hetzelfde lesmateriaal 3

https://www.slo.nl/kerndoelen/

7

werken, en op dezelfde manier worden getoetst. Daarom wordt voor alle vakken zelf les- en bijbehorend toetsmateriaal ontwikkeld. Daarnaast zijn docenten bezig met ontwikkeling van het vak science, een integratie van biologie, natuurkunde, wiskunde en scheikunde. In dit vak wordt volledig formatief getoetst en worden leerlingen niet beoordeeld aan de hand van cijfers. Het achterliggende idee is leerlingen meer keuzevrijheid binnen het vak te geven (zelf leerdoelen bepalen) en de motivatie voor dit vakkencluster te verhogen. Het Vox College wil de komende jaren het onderwijsmateriaal dat nodig is voor gedifferentieerd lesgeven verder ontwikkelen, met aandacht voor leerlingen die extra ondersteuning of extra uitdaging nodig hebben. Leerlingen kunnen de verschillende kernvakken op verschillende niveaus volgen en eventueel ook switchen van niveau. Met het ontwikkelen van doorlopende leerlijnen, gedifferentieerd naar niveau, kunnen leerlingen van vmbo-basis tot en met vwo op hun eigen niveau werken en uitgedaagd worden om zich verder te ontwikkelen.

Verbinding school en omgeving (binnen- en buitenschools leren; vergroten kennis van de wereld) Hierbij gaat het om gericht aanbieden van kennis en leerervaringen die leerlingen van lageropgeleide ouders mogelijk van huis uit minder opdoen. Leerlingen leren in diverse omgevingen. Om dat leren succesvol te laten zijn, is het belangrijk dat er een verbinding is tussen die omgevingen. Spring High zoekt hierbij naar plaatsen waar het mogelijk is om een verbinding te maken tussen binnen- en buitenschools leren tot stand te brengen en leerervaringen te laten opdoen waar ze anders misschien niet, of minder, mee in aanraking komen. In dat kader is er samenwerking met de Natuurkamer in Nieuw West, een buitenplaats voor veldwerkexcursies en gezamenlijke lessen. Verder wil de school een buurtfunctie vervullen, door het ontwikkelen van een soort broedplaats, waar buurtgenoten en ouders van de school terecht kunnen.

Ouders Lumion ondersteunt ouders bij hoe ze thuis hun kinderen kunnen ondersteunen bij het leren, bij keuzes maken, voorwaarden voor leren creëren (‘leren werken volgens de filosofie van de school’). Door meer afstemming in begeleiding op school en thuis wil men bevorderen dat aspecten van de kinderlijke ontwikkeling, zoals zelfstandigheid, motivatie, inzicht in de eigen mogelijkheden, worden versterkt. Ook wordt ingezet op een betere informatie-uitwisseling met ouders, in het algemeen of over hun eigen kind. Zo zet Spinoza20first in op intensieve voorlichting voor ouders van basisschoolleerlingen met een vwo-advies. Verder heeft men gemerkt dat leerkrachten ondersteuning nodig hebben bij het voeren van oudergesprekken, met name richting determinatie en profielkeuze. Daarbij gaat het om verwachtingsmanagement: op elkaar afstemmen van de inschatting die de school maakt van de mogelijkheden van het kind en verwachtingen van de ouders. Ter ondersteuning hiervan wordt een gesprekshandleiding ontwikkeld.

8

3. Kennispiramide In de vergelijking van de projecten maken we gebruik van de zogenoemde kennispiramide met op vier niveaus bewijsvoering voor de werking van de innovaties: Onderbouwing: Het eerste niveau is een onderbouwing van het idee dat de basis vormt voor de interventie; het idee (praktijktheorie) vormt de pijler van de interventie en is kansrijker als het gebaseerd is op een analyse van de problematiek in relatie tot kansengelijkheid en ook op basis van literatuur beargumenteerd kan worden dat het idee positieve effecten hierop heeft. Uitvoerbaarheid: Het tweede niveau betreft de vraag of het idee/ de praktijktheorie succesvol getransformeerd is in een uitvoerbaar plan dat het mogelijk maakt de innovatie te concretiseren. Ervaren opbrengsten: Het derde niveau heeft betrekking op de vraag of de betrokkenen het plan als een verbetering van de bestaande praktijk ervaren en het willen continueren. Evidentie: Het vierde niveau, tevens de hardste vorm van kennis, bestaat uit resultaten die objectief meetbaar zijn: dit betreft het harde – vaak statistische – bewijs dat de innovatie een verbetering vormt.

Figuur 1. De kennispiramide

Alle niveaus zijn belangrijk voor een succesvol project: het begint met een inspirerend en goed onderbouwd idee, dat uitvoerbaar moet zijn. Deze elementen vormen de pijlers in de kennispiramide en van beide hangt af of het mogelijk is effecten van innovaties te testen en of bewezen kan worden dat de innovaties zich vertalen in effecten op pedagogisch handelen en/of de ontwikkeling van kinderen. Voor alle scholen is in kaart gebracht op welk niveau van de kennispiramide de beoogde interventies gemeten zullen worden.

9

4. Vinse School 4.1.

Context

De Vinse School is ingericht naar het voorbeeld van het Finse onderwijs, waar leerlingen tot hun 15de jaar op alle niveaus samen onderwijs krijgen, en ‘Leren door doen’ centraal staat. De Vinse school is een betrekkelijk nieuwe school, gestart in schooljaar 2015-’16 met klassen in de leerjaren twee tot en met vijf, en in schooljaar ’16-’17 uitgebreid naar alle leerjaren. De brede brugklas is vanaf de start ingevoerd. De school ontvangt ook zij-instromers afkomstig uit verschillende andere scholen, ook bijvoorbeeld gymnasia. Veel leerlingen kiezen voor deze school door het kunstprofiel. Maar de school wil de mogelijkheden van leerlingen verbreden door een brug te slaan tussen kunst en wetenschap. Momenteel zijn de leerjaren 1 t/m 3 heterogeen voor vmbo-t, havo en vwo, en waar mogelijk ook in de bovenbouw. Struikelblok voor heterogeen onderwijs is voor deze school vooral gelegen in de exacte vakken. Gedifferentieerd lesmateriaal ontbreekt, en de leerlijnen in de verschillende vakken lopen niet synchroon. Aangezien algebra de verbindende factor is voor bètavakken, zal de brede brugklasbonus vooral hierop worden ingezet. Hiermee kan heterogeen onderwijs worden bevorderd, en wordt het projectonderwijs beter mogelijk, zodat leerlingen de kans krijgen om vaker proefondervindelijk te leren.

4.2 Beoogde interventies De Vinse School zet met de brede brugklasbonus in op drie lijnen in samenhang: 1) De inzet van een ICT-programma voor wiskunde, met name gericht op verbetering van de kennis van algebra, dat de basis vormt voor vrijwel alle bètavakken. Met behulp van dit ICT-programma kunnen leerlingen op hun eigen niveau aan wiskunde werken, en door de feedback van het programma wordt voor leerling en docent duidelijk waar de problemen liggen en kan de leerling verder worden geholpen. 2) Het afstemmen van het inhoudelijke programma voor wiskunde en de leerlijnen van de bètavakken, door het ontwikkelen van een ‘routekaart’ voor alle bètavakken. Zo wordt voor leerlingen en onderwijzend/onderwijsondersteunend personeel de samenhang inzichtelijk, wordt projectonderwijs beter mogelijk en kan projectonderwijs ook meer bijdragen aan de cognitieve ontwikkeling van leerlingen. Tevens draagt de routekaart bij aan de continuïteit van het onderwijs bij eventuele personeelswisselingen. 3) Het versterken van projectonderwijs in de bètavakken door de aanleg van een practicumbibliotheek volgens vast format, met differentiatie voor de verschillende niveaus. Hiervoor wordt lesmateriaal voor gedifferentieerde practica verzameld, ontwikkeld, en vindbaar gemaakt in een database.

Met projectonderwijs wordt niet alleen de cognitieve ontwikkeling van leerlingen op een andere manier bevorderd, maar ook de samenwerking tussen leerlingen. Voor projectonderwijs is meer begeleiding nodig in de klas, bijvoorbeeld door onderwijsassistenten (TOA’s).

4.3 Werkzame bestanddelen in relatie tot onderwijsachterstanden Het streven van de school is om zoveel mogelijk heterogeen onderwijs te verzorgen, zodat leerlingen elkaar ontmoeten en met elkaar samenwerken, en er meer sociale cohesie ontstaat. Daarmee wordt cognitieve ontwikkeling én sociaal-emotionele ontwikkeling nagestreefd. Op deze school zitten leerlingen dan ook bij elkaar in de hele onderbouw van vmbo-t tot vwo, met name tijdens projecturen en zelfstudie. In de cultuurvakken lukt dit heel goed, maar voor de bèta-sectie is projectonderwijs voor heterogene groepen lastig te realiseren, omdat leerlijnen voor de verschillende vakken en niveaus sterk uiteenlopen. Tevens zijn de lesmethodes hier vaak niet op 10

ingericht. Veel leerlingen kiezen momenteel in de doorstroom naar de bovenbouw voor de cultuurrichting en minder voor de bètarichting. Daarmee blijven talenten onderbenut. De BBBsubsidie wordt ingezet om dit te verbeteren en om overkoepelend lesmateriaal te ontwikkelen. Doel is verbreding van cognitieve ontwikkeling doordat meer leerlingen gemotiveerd worden om exacte vakken te kiezen, ook in de bovenbouw, én bijdragen aan sociaal-emotionele ontwikkeling van leerlingen door leerlingen ‘samen’ te laten leren als afspiegeling van de maatschappij en de ontwikkeling van andere, niet-cognitieve doelen. De leerlingen en ook hun ouders zijn goed in beeld, omdat het een relatief kleine school is. Leerlingen worden ‘omarmd’, en krijgen alle aandacht en (zorg)begeleiding die nodig is om zich goed te ontwikkelen. De interventies haken aan bij verschillende onderwijselementen. Het gaat om: 1) Curriculum: enerzijds door het organiseren van afstemming van vakinhouden tussen de verschillende bètavakken met extra aandacht voor algebra, anderzijds door praktijk en theorie van verschillende vakken te laten samenkomen in projecten en practica, en ten slotte door meer gedifferentieerd werken mogelijk te maken door daarvoor geschikt lesmateriaal te verzamelen, te ontwikkelen, en vindbaar te maken in een database, zodat dit goed ingezet kan worden in de lessen.

2) Didactische aanpak: hierbij gaat het om differentiëren, een essentieel element als gewerkt wordt met heterogene groepen. In de didactische aanpak bij heterogene groepen wordt ingestoken op zelfstandig leren en samenwerkend leren. Zelfstandig leren wordt bevorderd door leerlingen vragen te stellen zodat ze zelf nagaan wat hun probleem is, en met welke methode ze dat kunnen oplossen. Bij samenwerkend leren kan het gaan om oudere leerlingen die jongere leerlingen overhoren, leerlingen van een hoger niveau die andere leerlingen uitleg geven, tutorschap van leerlingen uit de bovenbouw voor leerlingen uit de onderbouw. Het leermoment is dan dat leerlingen door het geven van uitleg, of het overhoren zelf ook weer leren. Dus beide partijen leren. Deze aanpakken worden al toegepast op de school, en zullen door de interventie ook meer toegepast kunnen worden in de bètavakken. Voorts wordt samenwerkend leren bevorderd door meer inzet van projecten en practica in de bètavakken. Daarnaast worden digitale leermiddelen ingezet, waardoor leerlingen automatisch feedback krijgen en docenten op afstand zien waar problemen liggen, en hier klassikaal of individueel op kunnen inspringen. 3) Pedagogisch klimaat en pedagogische aanpak: de school is kleinschalig, leerlingen zijn goed in beeld en krijgen de begeleiding die ze nodig hebben.

4) Organisatie: de school streeft volgens het Finse Model naar gezamenlijk lesgeven op alle niveaus. Bij projecten en practica zijn ook meer aanspreekpunten nodig om leerlingen te kunnen begeleiden in dit geval in de vorm van technisch onderwijsassistenten. 5) Team: docenten van verschillende vakken werken samen om gedifferentieerd onderwijs in de bètavakken mogelijk te maken. De te ontwikkelen aanpak in het kader van de brede brugklasbonus wordt met enthousiasme opgepakt in de ontwikkelgroep, en gecommuniceerd vooral binnen de bèta-docenten, maar ook schoolbreed. 6) Overgangen: de school streeft naar uitstel van selectie en een brede brugperiode voor alle vakken.

11

4.4 Meting opbrengsten De eerste interventie betreft de inzet van het ICT-programma voor wiskunde, gericht op de kennis van algebra. De school heeft al geëxperimenteerd met dit programma in de onderbouw, maar het doel wordt om dit in de eerste klas echt structureel in te voeren, en dat het programma dan ook goed werkt bij online lesgeven. Doel van de interventie is dat leerlingen goed kunnen werken aan algebra, zien wat het nut is van algebra, en daardoor beter algebra leren. Voor dit doel wordt een kwantitatief en een kwalitatief instrument ingezet. Kwantitatief wordt een algebra-toets ingezet, die jaarlijks wordt afgenomen in het 4de leerjaar. De nulmeting daarvan is dit jaar afgenomen bij leerlingen die niet met het ICT-programma hebben gewerkt. In de opvolgende jaren wordt de toets ook afgenomen bij de leerlingen die dan deels met het ICT-programma hebben gewerkt. En over 4 jaar gaan de leerlingen die nu in de 1ste klas zijn echt op een structurele wijze met het ICT-programma werken dezelfde toets maken, en dat zou dan dus betere toetsresultaten moeten opleveren, dan de eerdere toetsen. Het kwalitatieve instrument wordt door de school in samenwerking met de onderzoekers ontwikkeld. Het betreft een digitale vragenlijst voor leerlingen, waarin de ervaringen van leerlingen met het ICT-programma worden bevraagd, en wat het hen oplevert.

We moeten nog preciezer afspreken wanneer en welke leerlingen deze vragenlijst voorgelegd krijgen. De tweede interventie betreft het afstemmen van het inhoudelijke programma voor wiskunde en de leerlijnen van de bètavakken, door het ontwikkelen van een ‘routekaart’ voor alle bètavakken. Zo wordt voor leerlingen de samenhang inzichtelijk, wordt projectonderwijs beter mogelijk en kan projectonderwijs ook meer bijdragen aan de cognitieve ontwikkeling van leerlingen. De routekaart moet voor de bètavakken in chronologische volgorde beschrijven wat de onderwerpen zijn per vak, per leerjaar en per niveau. Het plan is om schooljaar ’20-’21 het eerste jaar in de routekaart te beschrijven. In schooljaar ’21-’22 wordt het tweede leerjaar opgenomen in de routekaart en in schooljaar ’22-’23 het derde leerjaar. De leerlingen die volgend schooljaar starten kunnen dus in de hele onderbouw volgens de routekaart les krijgen. Docenten kunnen dan per onderwerp lesgeven, onafhankelijk van de methode, zodat in de brede brugklas meer maatwerk kan worden geleverd. Een belangrijk doel hierbij is ook dat docenten dezelfde terminologie hanteren en een universele manier van werken ontstaat. Het idee is om elk jaar acht thema’s op te nemen in de routekaart, waarmee alle bètavakken aan de slag gaan. Per thema moeten dan per vak drie niveaus aangegeven worden.

Voor dit doel worden ook verschillende instrumenten ingezet. Ten eerste wordt in kaart gebracht in hoeverre het lukt om de routekaart op de bovenbeschreven wijze op te bouwen en vorm te geven. De docenten evalueren de opbouw van de routekaart jaarlijks zelf. Ten tweede wordt met behulp van lesbezoeken nagegaan in hoeverre het lukt om met de routekaart te werken, welke termen docenten hanteren, en hoe docenten differentiëren met de drie niveaus, werkende aan één onderwerp. Hiervoor worden instrumenten ontwikkeld door docenten in samenwerking met de onderzoekers. De derde interventie betreft het versterken van projectonderwijs en practica in de bètavakken, met differentiatie voor de verschillende niveaus. Hiervoor moeten docenten voor elk onderwerp een proef bedenken, waarvoor een practicumhandleiding wordt geschreven en vindbaar opgeslagen. Elke proef of opdracht zou een handleiding moeten hebben voor de docent en voor de leerling. Deze interventie is nog niet voldoende uitgewerkt om ook meetbaar gemaakt te worden, en eigenlijk is de routekaart de eerste stap in dit proces. We kijken volgend jaar hoe we hiermee verder gaan. 12

De gegevens worden door de onderzoekers verzameld door middel van interviews met schoolleiding en docenten. In deze interviews worden de verzamelde data in het kader van de nulmetingen ingebracht en besproken. Ordening van de nulmetingen in de kennispiramide: Evidentie

-

Ervaren opbrengsten

Interventie 1: Toetsresultaten en vragenlijst leerlingen. Interventie 2: lesbezoek docenten

Uitvoerbaarheid

Interventie 1: vragenlijst leerlingen Interventie 2: lesbezoek docenten

Onderbouwing

Interventie 2: evaluatie routekaart Interventie 3: n.t.b.

13

5. Vox College 5.1 Context Het Vox College is in 2017 van start gegaan met leerlingen in de eerste klas en drie docenten. Sindsdien is de school stapsgewijs uitgegroeid tot het vierde leerjaar en het aantal docenten is toegenomen naar 22. De school heeft een brede brugperiode in de eerste twee jaar, waarbij leerlingen van vmbo-basis tot vwo bij elkaar zitten tijdens projectlessen en zelfstudie uren (ca 70% van de tijd op school). Bij de kernvakken zijn er twee niveaugroepen: vmbo-bkt en havo/vwo. Leerlingen kunnen de verschillende kernvakken op verschillende niveaus volgen en evt ook switchen van niveau. Door leerlingen samen onderwijs te laten volgen en de vaststelling van het uitstroomniveau uit te stellen, wil de school leerlingen de kans geven om zich te ontwikkelen, kansengelijkheid te vergroten en sociale segregatie tegen te gaan. Zorgvuldige differentiatie is daarbij noodzakelijk, zodat onderwijs voor ieder kind past in de zone van naaste ontwikkeling. De school wil de komende jaren het onderwijsmateriaal dat nodig is voor gedifferentieerd lesgeven verder ontwikkelen, met aandacht voor leerlingen die extra ondersteuning of extra uitdaging nodig hebben. Het gaat hierbij niet alleen om differentiatie naar niveau, maar ook om differentiatie in ‘rollen’.

Daarmee wordt gedoeld op verschillende onderdelen van een project die leerlingen kunnen behartigen in de samenwerking bij projectlessen. De school wil met het hele team lesmateriaal ontwikkelen en een passende coachleerlijn en begeleidingssystematiek. Deze ontwikkeling draagt ook bij aan professionalisering van het team.

5.2 Beoogde interventies Vox College zet met de brede brugklasbonus in op: 1) Versterking differentiatie op niveau, en in tweede instantie versterking differentiatie in ‘rollen’. Daarvoor wil de school een systematische aanpak ontwikkelen, inclusief voor leerlingen met leerachterstanden en leerlingen die extra uitdaging aankunnen. Hiervoor wordt literatuuronderzoek gedaan en worden interne evaluaties uitgevoerd. Op deze manier wordt onderzocht hoe succesvolle differentiatie in lesmateriaal en in pedagogisch-didactisch handelen verwerkt kan worden. 2) Expertise m.b.t. differentiatie in het hele team brengen, systematische aanpak (bijv. handboek) introduceren. 3) Doorlopende leerlijn realiseren voor vijf onderwijsniveaus, waarbij overstap naar een hoger niveau aangemoedigd wordt.

5.3 Werkzame bestanddelen in relatie tot onderwijsachterstanden Het streven van de school is om zoveel mogelijk heterogeen onderwijs te verzorgen, zodat leerlingen elkaar ontmoeten en met elkaar samenwerken, en er meer sociale cohesie ontstaat. Daarmee wordt cognitieve ontwikkeling én sociaal-emotionele ontwikkeling nagestreefd. Op deze school zitten leerlingen dan ook bij elkaar in de hele onderbouw van vmbo-b tot vwo, met name tijdens projectlessen en zelfstudie. In de kernvakken wordt op twee niveaus lesgegeven, waarbij leerlingen vakken op verschillende niveaus kunnen volgen. Doel is enerzijds cognitieve ontwikkeling te bevorderen en anderzijds sociaal-emotionele ontwikkeling te stimuleren. De school signaleert als probleempunt dat in heterogene klassen de cognitieve verschillen tussen leerlingen duidelijk zichtbaar zijn. Vwo-leerlingen moeten echt uitgedaagd worden om lesstof op een hoger niveau te volgen dan andere leerlingen, ze vragen zich soms af waarom ze dat zouden moeten doen. En vmboleerlingen moeten kunnen begrijpen dat zij soms een hoger cijfer krijgen voor makkelijkere leerstof dan andere leerlingen. Dit vraagt veel van de pedagogisch-didactische vaardigheden van docenten. 14

De school besteedt hier dan ook extra aandacht aan door de inzet van coaches die kleine groepjes leerlingen begeleiden op hun eigen houding en eigen verantwoordelijkheid ten aanzien van leren, zodat leerlingen meer gemotiveerd worden om te kijken wat ze zelf kunnen doen en het beste uit zichzelf te halen. Daarnaast wil de school sociaal emotionele ontwikkeling van leerlingen bevorderen door projectopdrachten in te zetten waarbij leerlingen van verschillende niveaus en achtergronden samenwerken. Daarbij wordt ook gebruik gemaakt van verschillende rolverdelingen, bijvoorbeeld voorzitter, fotograaf, verslaglegger, onderzoeker, vormgever, presentator etc. Door verschillende rollen uit te proberen, ervaren leerlingen wat bij hen past en leren ze reflecteren op eigen vaardigheden. Ze leren ook dat alle rollen van belang zijn om tot een goed eindproduct te komen, en dat rollen niet gekoppeld hoeven te zijn aan niveau. Zo kunnen leerlingen samen leren als afspiegeling van de maatschappij en ontwikkelen ze ook andere, niet-cognitieve doelen. De interventies haken aan bij verschillende onderwijselementen in de school. Het gaat om: 1) Curriculum: De school werkt met domeinen waarin alle vakken verbonden worden (Mens & Natuur, Mens & Maatschappij, Kunst & Cultuur), daarnaast zijn er vaklessen voor wiskunde, talen en gymnastiek. Binnen de domeinen wordt projectmatig gewerkt.

Elk project heeft een ‘handleiding’ volgens een vast format. Vaak is daar ook differentiatie in opgenomen, maar dat is nog niet altijd het geval en moet verder uitgewerkt worden. 2) Didactische aanpak: hierbij gaat het om differentiëren, een essentieel element als gewerkt wordt met heterogene groepen. In de didactische aanpak bij heterogene groepen wordt aandacht besteed aan het bevorderen van de eigen houding ten aanzien van leren. Leerlingen worden hierin ook gecoacht, waarbij ze leren meer te reflecteren op de vraag wat bij hen past en wat ze zelf kunnen doen en minder gericht te zijn op wat anderen doen. Door naast differentiatie in niveau ook aandacht te schenken aan differentiatie in ‘rollen’, kunnen leerlingen zich breder ontwikkelen en krijgen ze meer persoonlijk inzicht. Differentiatie in ‘rollen’ moet meer structuur krijgen in het onderwijs. 3) Organisatie: Het onderwijs in de eerste twee leerjaren wordt heterogeen georganiseerd. Voor de kernvakken Engels, Nederlands en wiskunde is er een verdeling naar twee niveaus. De andere vakken worden gecombineerd in de vorm van projecturen en volledig heterogeen naar niveau georganiseerd, dit is ook bij kunst en gymnastiek het geval.

4) Het volgen van leerlingen: Hiervoor worden assessments ingezet, waarbij leerlingen reflecteren op hun eigen vorderingen en dat vervolgens door middel van een presentatie laten zien aan de ouders en docent. 5) Team: Aangezien de school sterk gegroeid is, en er steeds nieuwe docenten bijkomen, moet de school veel aandacht besteden aan de professionalisering van docenten. Belangrijk is dat de wijze waarop differentiatie plaatsvindt gestructureerd wordt, zodat alle docenten daar op dezelfde manier mee omgaan. 6) Overgangen: de school streeft naar uitstel van selectie en een brede brugperiode voor alle vakken.

5.4 Meting opbrengsten De eerste interventie betreft het ontwikkelen van een systematische aanpak voor versterking van differentiatie naar niveau en naar ‘rol’, door middel van literatuuronderzoek en interne evaluaties. Voor dit doel worden kwalitatieve instrumenten ingezet, interviews met docenten, groepsinterviews met leerlingen en een vragenlijst voor ouders. De informatie uit deze instrumenten moet input 15

opleveren voor het ontwikkelen van de systematische aanpak voor versterking van differentiatie (wat is nodig op het gebied van differentiatie, wat zijn succesfactoren), en dient tevens als nulmeting (op welke manieren differentieert de docent in de klas, wat zijn de ervaringen hiermee, wat kan beter). De instrumenten worden ontwikkeld door de school in samenwerking met de onderzoekers. De tweede interventie betreft het verbreden van expertise m.b.t. differentiatie in het hele team, waarbij de ontwikkelde systematische aanpak (bijvoorbeeld een handboek) wordt geïntroduceerd. In eerste instantie wordt uit de resultaten van de eerste metingen een werklijst vanuit de succesfactoren opgesteld. Deze succesfactoren worden toegepast in de lopende (of juist nieuwe?) projecten bij wijze van pilot. Na afloop van de pilot worden weer interviews afgenomen bij docenten (evaluatie pilot) en bij leerlingen (wat hebben ze opgemerkt). De derde interventie is het realisteren van een doorlopende leerlijn voor vijf onderwijsniveaus, waarbij overstap naar een hoger niveau aangemoedigd wordt. Dit deel moet nog verder uitgedacht worden. De gegevens worden door de onderzoekers verzameld door middel van interviews met schoolleiding en docenten. In deze interviews worden de verzamelde data in het kader van de nulmetingen ingebracht en besproken. Ordening van de nulmetingen in de kennispiramide: Evidentie

-

Ervaren opbrengsten

Interventie 1 en 2: interviews docenten Interventie 1 en 2: interviews leerlingen Interventie 1: interviews ouders

Uitvoerbaarheid

Interventie 1: interviews docenten Interventie 2: interviews docenten

Onderbouwing

Interventie 1: literatuurstudie

16

6. Maimonides 6.1 Context Maimonides is een kleinschalige school voor voortgezet onderwijs. De school bedient ongeveer 150 leerlingen, op de niveaus vmbo-t, havo en vwo. De visie van de school is dat ieder mens de eigen bestemming bepaalt en in vrijheid en verantwoordelijkheid zelf vormgeeft aan de eigen toekomst. Als gevolg van de lage drempel bij de instroom heeft de school relatief veel leerlingen met een zorgbehoefte. Het eerste schooljaar is al geruime tijd heterogeen met vmbo-t, havo en vwo gemengd. Tot aan schooljaar 2020-2021 waren in het tweede en derde schooljaar havo en vwo gemengd en vmbo-t gescheiden en vanaf het vierde leerjaar alle onderwijstypen gescheiden. Sinds 2020-2021 is het tweede leerjaar, net als het eerste, grotendeels heterogeen met vmbo-t, havo en vwo gemengd. Alle lessen behalve de verdiepingsklas, lichamelijke opvoeding en tekenen, worden gezamenlijk aangeboden aan m/h/v. De school wil met de verlengde, brede brugklas meer kinderen de kans geven om op te stromen. Met het oog hierop zijn er diverse mogelijkheden om (individuele) begeleiding te bieden, zoals kleine klassen, de mogelijkheid om extra vakken te volgen (ook buiten de geplande tijden op het rooster) en het faciliteren van talentontwikkeling door projectonderwijs.

Met de brede brugklas wil de school nog beter aansluiten op de unieke leerweg van ieder kind en kinderen langer de tijd geven om zichzelf te laten zien. De brede brugklas blijkt met name aantrekkelijk voor leerlingen met vmbo-t- of havoadvies en blijkbaar minder voor leerlingen met een vwo-advies. Daarom is van belang om beter zicht te krijgen op het effect van de brede brugklas voor de motivatie van leerlingen. De school biedt projectonderwijs met diverse keuzemogelijkheden voor leerlingen. Leerlingen van alle niveaus uit de eerste en tweede klas (m/h/v) volgen gezamenlijk onderwijs op een discipline naar keuze.

6.2 Beoogde interventies Maimonides zet door middel van de brede brugklasbonus in op vier samenhangende ontwikkelingen: 1) Duo teaching: Door middel van de brede brugklasbonus worden docenten beter in staat gesteld om in de brede brugklas (leerjaar een en twee) te differentiëren naar onderwijstype. Hiervoor wordt sinds kort duo teaching uitgevoerd, waarbij twee docenten voor een klas staan. Docenten worden vrijgelaten op welke manier ze hun duo teaching organiseren. Hierbij kunnen ze gebruik maken van twee lokalen per klas. Docenten kunnen bijvoorbeeld besluiten de groep op bepaalde momenten in tweeën te splitsen, bijvoorbeeld een m/h-groep en een h/v-groep, of met het oog op verlengde instructie. Dit laatste gebeurt bijvoorbeeld bij het vak Nederlands, met leerlingen die een achterstand hebben in de Nederlandse taal. Duo teaching is in schooljaar 2019-2020 gestart in het eerste brugjaar en is schooljaar 2020-2021 verder doorgevoerd in de verlengde (tweejarige) brugklas. 2) Ontwikkelen lesmateriaal: brugklasvakken zijn doorgaans gericht op één niveau (m/h/v) of twee (m/h of h/v). De heterogene brugperiode vraagt dat alle leerlingen met dezelfde boeken en hetzelfde lesmateriaal werken, en op dezelfde manier worden getoetst. Daarom wordt voor alle vakken zelf les- en bijbehorend toetsmateriaal ontwikkeld.

Daarnaast zijn docenten bezig met ontwikkeling van het vak science, een integratie van biologie, natuurkunde, wiskunde en scheikunde. In dit vak wordt volledig formatief getoetst en worden leerlingen niet beoordeeld aan de hand van cijfers. Het achterliggende idee is leerlingen meer keuzevrijheid binnen het vak te geven (zelf leerdoelen bepalen) en de motivatie voor dit vakkencluster te verhogen. 17

3) Tutoruren: In de brede brugklas worden tutoren ingezet om de executieve vaardigheden van leerlingen te vergroten. Tutoren zijn tot ‘jeugd-brein-coach’ opgeleide docenten die leerlingen begeleiden in het leren plannen en leren leren. Training vond plaats door de organisatie Wegwijs.4 De tutoruren waren al onderdeel van het onderwijs vóór de brede brugklasbonus, maar met behulp van de bonus zijn de tutoruren geïntensiveerd van wekelijks één naar twee uur. Tijdens de tutoruren krijgen kleine groepen leerlingen (maximaal 12) coaching van hun tutor. Aan de rest van het docententeam wordt gevraagd om rekening te houden met, en aan te sluiten bij, de regels en leerstrategieën besproken tijdens de tutoruren.

6.3 Werkzame bestanddelen in relatie tot onderwijsachterstanden De school hoopt met de differentiatiemogelijkheden ontstaan door duo teaching, tutoring en het ontwikkelde lesmateriaal bij te dragen aan kansen voor leerlingen, met name te bevorderen dat leerlingen ‘meer uit zichzelf’ halen. Werkzame bestanddelen zijn de extra tijd die leerlingen krijgen in de verlengde brede brugklas om hun potentie te ontwikkelen. Tevens krijgen leerlingen een beter gedifferentieerd lesaanbod en individuele begeleiding of begeleiding in kleine groepjes op niveau en verbeteren leerlingen hun executieve vaardigheden met behulp van een tutor. De school hoopt dat leerlingen hierdoor de kans krijgen om op te stromen. Het uiteindelijke doel is dat meer leerlingen (2-5%) dan voorheen na leerjaar drie op een hoger niveau uitkomen dan hun basisschooladvies. Daarnaast hoopt de school bij te dragen aan de tevredenheid, motivatie en welzijn van de leerlingen. De interventies haken aan bij verschillende onderwijselementen. Het gaat om: 1) Curriculum: het nieuwe vak science biedt gezamenlijk projectonderwijs aan m/h/v leerlingen die formatief op het vak worden beoordeeld. Dit moet bijdragen aan zelfstandigheid van leerlingen en het roer meer in eigen hand nemen.

Daarnaast geldt voor alle eerste en tweedejaars vakken dat docenten in meer of mindere mate eigen lesmaterialen hebben ontwikkeld zodat leerlingen m/h/v dezelfde methode volgen en het gedifferentieerd aangeboden krijgen. 2) Didactische aanpak: in de tutoruren met kleine groepen leerlingen (maximaal 12) wordt aandacht besteed aan het leren leren, leren plannen en monitoren en reflectie op het eigen leerproces. Door de duo teaching is er meer instructie in kleine groepjes, of individueel, mogelijk. Docenten zijn (vooralsnog) vrij om duo teaching samen vorm te geven. 3) Pedagogisch klimaat: (context) de school heeft kleine klassen, een beperkt leerlingenaantal en er wordt veel waarde gehecht aan het ondersteunen van leerlingen bij hun individuele leerroute. 4) Organisatie: de school heeft voor het eerst afgelopen schooljaar (2020-2021) een tweede brede brugklas waarin drie onderwijstypen tijdens de meeste vakken gemengd les krijgen. Met het oog op individueel of in kleine groepjes lesgeven zijn er per les twee lokalen beschikbaar. 5) Overgangen: een brede brugperiode moet uitstel van vroege selectie bevorderen. 6) Ouders/omgeving: er is een ouderklankbordgroep van eerste- en tweedejaars leerlingen van verschillende onderwijstypen. Deze wordt door de school onder meer geraadpleegd om de mening van ouders te polsen over de verlengde, brede brugklas.

7) (Kwaliteit van) het team: de school financiert onafhankelijk van de brede brugklasbonus een professionaliseringstraject voor docenten op het gebied van differentiatie tijdens duo teaching (nog niet uitgevoerd, maar staat op de planning). Het hele brugklasteam wordt 4

https://wegwijscc.nl/

18

meegenomen in de scholing en het is de bedoeling dat binnen twee jaar het team geschoold is. Of dit doorgang kan vinden hangt mede af van de ontwikkelingen rondom corona.

6.4 Meting opbrengsten Algemeen: de school verwacht dat door de verlengde brede brugklas, alle leerlingen langer de tijd krijgen om het beste uit zichzelf te halen en daardoor meer leerlingen de kans krijgen om op te stromen. Er zijn eerste opbrengsten zichtbaar op het gebied van opstroom, maar het moet later blijken of deze trend zich doorzet en of de opstroom komt door het aanbieden van de verlengde brede brugklas. In najaar 2020 zijn 7 leerlingen die boven het basisniveau werken (waarvan 2 ver boven het basisschoolniveau) en 7 leerlingen die onder hun basisniveau werken (maar niet ver onder het niveau van de basisschool), zie figuur 2, aangeleverd door de school.

Figuur 2 opstroom/afstroom leerlingen 2 m/h/v

1) De eerste interventie is de invoering van duo teaching, met als doel de lessen meer gedifferentieerd aan te bieden. De uitvoering van deze vorm van lesgeven is dit jaar vanwege corona en online-onderwijs niet goed tot ontwikkeling gekomen. Daarom verwacht men dit schooljaar nog weinig te kunnen zeggen over de opbrengsten van deze interventie. In het interview met de coördinator van het brede brugklas project eind schooljaar 2020/2021 zullen we nagaan hoe duo teaching zich dit schooljaar heeft ontwikkeld. 2) De tweede interventie betreft het ontwikkelen van lesmateriaal en het nieuwe vak science voor de onderbouw, waarin uitsluitend formatief wordt getoetst. Dat stelt docenten voor vragen als: hoe krijg ik inzicht in de voortgang en op grond waarvan kan ik beoordelen of een leerling het vak voldoende beheerst en over kan naar het volgende leerjaar? De school vraagt zich af of leerlingen, zonder toetsing, voldoende gemotiveerd zullen worden en blijven voor dit vak. Aan de hand van evaluaties probeert de school zelf antwoorden op deze vragen te vinden. Dat zijn in de eerste plaats teamevaluaties. Verder wordt twee keer per jaar een leerling-tevredenheidsvragenlijst afgenomen, die een informatiebron kan zijn voor het beoordelen van de nieuwe manier van lesgeven. De school overweegt zelf een aantal focusgroepjes met leerlingen, specifiek voor de evaluatie van het vak science.

Overwogen wordt om op termijn een motivatievragenlijst onder leerlingen uit te zetten om de opbrengsten van de nieuwe manier van werken met leerlingen te evalueren. Onderzoekers van het Kohnstamm Instituut zullen te zijner tijd suggesties doen voor een leerlingvragenlijst op dit onderwerp. 3) De derde interventie betreft het inzetten van tutors. Ook de inzet van tutors wordt door de school geëvalueerd via de leerling-tevredenheidsvragenlijst en via de teamevaluaties. 19

Het voorstel is dat de onderzoekers van het Kohnstamm Instituut in het kader van de brede brugklasevaluatie eind schooljaar 2020-2021 twee gesprekken voeren: Een groepsgesprek met enkele docenten die betrokken zijn bij het ontwikkelen van lesmateriaal, het vak science en duo teaching (voor zover tot uitvoering gekomen); Een interview met de coördinator van het brede brugklasproject over de voortgang van alle interventies. Als informatiebron hierbij worden gegevens gebruikt uit teamevaluaties, de leerlingvragenlijst en de genoemde focusgroepjes. Ordening van de nulmetingen in de kennispiramide: Evidentie

-

Ervaren opbrengsten

Interventie 2: Leerling-vragenlijst en teamevaluaties (via directie-interview) Interventie 3: Leerling-vragenlijst

Uitvoerbaarheid

Interventie 1, 2 en 3: via directie-interview

Onderbouwing

Interventie : 1, 2 en 3: via directie-interview

20

7. Spring High 7.1 Context Spring High biedt onderwijs aan leerlingen vanaf tienjarige leeftijd tot en met het eind van het vwo. De doorgaande lijn met het basisonderwijs heeft als doel om de overgang naar het voortgezet onderwijs te versoepelen. Naast twee basisschoolleerjaren (groep 7 en 8) zijn de richtingen vmbo-t, havo en vwo vertegenwoordigd. De eerste drie leerjaren van het voortgezet onderwijs zitten leerlingen van alle niveaus bij elkaar. Hierbinnen wordt gewerkt met geclusterde groepen leerlingen die op leerpleinen (samen)werken. Leerlingen met de onderwijstype vmbo-t, havo en vwo krijgen gemengd les. Leerlingen van 10 tot en met 13 jaar zitten geclusterd bij elkaar. Daarna worden de groepen verdeeld met leerlingen tussen de 14 en 16 jaar (traditioneel het 2e en 3e leerjaar) en de bovenbouw met leerlingen van 16, 17 en 18 jaar (traditioneel de leerjaren 4, 5 en 6). In de loop van het derde leerjaar begint het determinatieproces en worden de eindexamenniveaus van leerlingen vastgesteld. Op het leerplein zitten ongeveer 50 leerlingen. Op niveau wordt instructie gegeven aan groepen van circa 10-12 leerlingen. Leerlingen hebben de mogelijkheid per vak een ander niveau te volgen waardoor er diversiteit is in de samenstelling van instructiegroepjes per vak.

In het verlengde hiervan heeft iedere leerling eigen doelen en worden leerlingen gecoacht op eigen verantwoordelijkheid en zelfregulatievaardigheden. Iedere docent heeft ongeveer 20 coachleerlingen en een coach is tevens het aanspreekpunt voor de ouders van deze leerlingen. Meerdere keren per jaar zijn er gesprekken tussen school, ouders en leerling, om de voortgang van de leerling te bespreken. Spring High profileert zich op brede vorming en hanteert een integraal vernieuwend concept waarin brede vorming niet bestaat uit losse vaardigheden of ‘extra’s’ maar waar gewerkt wordt vanuit een samenhangende visie die leidt tot systematische keuzes voor het curriculum, de pedagogiek en de didactiek en tot opbouw van vaardigheden over onderwijsjaren heen. Inhoudelijk laat men zich onder meer inspireren door Biesta, die in verschillende publicaties over doelen van het onderwijs (2009, 20155) heeft betoogd dat het in het onderwijs gaat om drie soorten doelen: kwalificatie, socialisatie en persoonsvorming (subjectivering). De school herkent zich in deze indeling. Het gaat volgens de schoolleiding niet alleen om traditionele kwalificatiedoelen maar ook om aandacht besteden aan andersoortige doelen; op het terrein van subjectificatie en socialisatie.

De school is bezig om hierin een longitudinale opbouw aan te brengen (wat moet op welke leeftijd geleerd worden) en de kwaliteit van het onderwijs op deze domeinen vast te leggen, op het niveau van de leerlingen en op schoolniveau. Ook is men bezig de doelen te vertalen naar de praktijk en te concretiseren in een didactische aanpak. Spring High streeft naar een sociaal-cultureel gemengde leerling-populatie. Momenteel trekt de school meer jongens dan meisjes. Dit zou kunnen liggen aan de nadruk op sport in het curriculum. Verder trekt de school zij-instromers (vaak jongens) uit categorale vo-scholen die elders niet terecht kunnen. De school is sterk naar buiten gericht en wil graag een community-functie vervullen.

5 Biesta, G. (2009). Good education in an age of measurement: On the need to reconnect with

the question of purpose in education. Educational Assessment, Evaluation and Accountability, 21(1), 33-46. doi:10.1007/s11092-008-9064-9 Biesta, G. (2015). Het prachtige risico van onderwijs. Culemborg: Phronese.

21

7.2 Beoogde interventies 1) Didactisch-coach opleiding voor docenten. De eerste interventie is gericht op het verhogen van competenties van docenten op het begeleiden van leerlingen bij het zelfstandig werken op de leerpleinen. Het gaat om een door een externe instantie aangeboden cursus, gericht op leerlingbegeleiding en coaching, met een accent op ‘effectief vragen stellen’. De bedoeling is dat iedere docent hierbij dezelfde aanpak volgt en leerlingen vanuit dezelfde principes begeleidt. Professionalisering vindt plaats met behulp van videointeractiebegeleiding en feedback. De training wordt gevolgd door docenten, waarvan er twee worden opgeleid en gecertificeerd tot intern coach. Hierdoor wordt het opleiden van nieuwe docenten intern geborgd. 2) Vastleggen van ontwikkelingsdoelen. Het vernieuwende concept en de aandacht voor brede vorming vraagt om nieuwe vormen van beoordelen en volgen van de ontwikkeling van leerlingen. Dat gebeurt in de vorm van leergesprekken met leerlingen, portfolio’s, leerlingen die aan ouders uitleggen wat ze geleerd hebben, al dan niet met gebruik van hulpmiddelen zoals rubrics en andere vormen van indelingen van vaardigheidsniveaus. De laatste zijn vooral van belang als houvast bij het volgen van ontwikkeling. Ook een helder beeld van leerlijnen, op verschillende aspecten van brede vorming, is daarbij van belang.

In het kader van de brede brugklasbonus zet Spring High in op het meetbaar maken en vastleggen van ontwikkelingsdoelen (SLO) in een softwaresysteem en de implementatie hiervan in het team. 3) Vakoverstijgend lesmateriaal ontwikkelen. Uiteindelijk moet elke docent in staat zijn om vanuit gemeenschappelijke doelen vakoverstijgende opdrachten te ontwikkelen. Om docenten hierbij houvast te geven, te zorgen dat dit op een uniforme manier gebeurt en te bevorderen dat de opdrachten aan een bepaald kwaliteitsniveau voldoen, wordt een kijkwijzer of checklist ontworpen. 4) Een pedagogisch medewerker aanstellen voor het coachen van leerlingen op sociaalemotionele ontwikkeling: het leren plannen, inzicht leren krijgen in hun werkhouding, groei en leren kijken naar zichzelf: wie ben ik, wat doe ik, waarom doe ik dingen zoals ik ze doe? De pedagogisch medewerker vervult een belangrijke rol in de opvang van zij-instromers (met name ook de leerlingen die instromen vanuit groep 7 en 8 van het basisonderwijs). Deze begeleiding door de pedagogisch medewerker staat los van en heeft een ander karakter dan het coachen op de leerpleinen. 5) Overige activiteiten: het uitgangspunt is dat leerlingen leren in diverse omgevingen. Om dat leren succesvol te laten zijn, is het belangrijk dat er een verbinding tussen die omgevingen is.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10603945/1