CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 Toelichting BP Pampuslaan 1 Weesp.pdf

Raadscommissie Ruimtelijke ordening 12 juni 2024, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Vaststellen van het bestemmingsplan ‘Pampuslaan 1 Weesp’. (VN2024-005667)22.065 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Figuur 15 Parkeerbalans met dubbelgebruik

Op basis van het definitieve programma zal bij de aanvraag voor omgevingsvergunning de definitieve toetsing plaatsvinden.

Gemeente Amsterdam

blz. 54

Fiets Naast het voorzien in voldoende parkeerplaatsen voor de auto dient ook te worden voorzien in genoeg stallingsruimte voor de fiets. De gemeente Amsterdam heeft de Nota Parkeernormen Fiets en Scooter vastgesteld. De nota 'Parkeernormen Fiets en Scooter' is het beleidskader op basis waarvan de gemeente Amsterdam bij ruimtelijke (her-)ontwikkelingen eisen stelt aan de parkeervoorzieningen bij niet-woonfuncties. Deze eisen zijn vertaald in bindende beleidsregels voor fietsen. Voor scooters zijn de normen voor parkeervoorzieningen niet bindende richtlijnen.

Figuur 16. Aantal fietsparkeerplekken per woning (in gezamenlijke berging)

Voor de woningen bestaat worst case (60 appartementen) een gezamenlijke maximale fietsparkeerbehoefte van 180 fietsparkeerplaatsen, gebaseerd op: 20 woningen kleiner dan 50 m², 2 fietsparkeerplaatsen per woning = 40 fietsparkeerplaatsen; 20 woningen van circa 71 m², 3 fietsparkeerplaatsen per woning = 60 fietsparkeerplaatsen; 20 woningen tussen 78 en 93 m², 4 fietsparkeerplaatsen per woning = 80 fietsparkeerplaatsen. Voor de 70 appartementen bedraagt de maximale fietsparkeerbehoefte maar 162 fietsparkeerplaatsen. Op de begane grond is een inpandige fietsenstalling beoogd, waarmee wordt voldaan aan de voorwaarden uit het beleid. Fietsparkeerplaatsen voor bezoekers zijn buiten voorzien. Verkeersgeneratie Op basis van de Parkeernormennota van de gemeente Weesp mag gebruik worden gemaakt van de gemiddelde parkeernorm. In het verlengde wordt in het kader van de verkeersgeneratie gebruik gemaakt van het gemiddeld aantal motorvoertuigbewegingen per etmaal voor de betreffende CROW categorie. Het Worst case scenario bedraagt de realisatie van 70 koopappartementen (48 goedkoop en 22 middel duur). Weesp heeft een gemiddelde dichtheid van adressen van 1.799 adressen per km2. Op basis van de CROW respectievelijk de Parkeernormennota Weesp wordt Weesp beschouwd als een sterk stedelijk gebied en wordt de projectlocatie aangemerkt als 'Rest bebouwde kom'.

De verkeersgeneratie van goedkope koopappartementen bedraagt 4,5-5,3 (gemiddeld 4,9) motorvoertuigbewegingen per etmaal per woning, die van middel dure koopappartementen bedraagt 5,2-6,0 (gemiddeld 5,6) motorvoertuigbewegingen per etmaal woning. De gemiddelde toekomstige verkeersgeneratie voor de woningen bedraagt hiermee 359 motorvoertuigbewegingen per etmaal. De maximale oppervlakte voor de commerciële dienstverlening bedraagt circa 145 m2. De bijhorende verkeersgeneratie bedraagt 9,4 - 11,8 (gemiddeld 10,6) motorvoertuigbewegingen per etmaal per 100 m2 bvo. De gemiddelde toekomstige verkeersgeneratie voor de commerciële dienstverlening bedraagt hiermee 16 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Indien gerekend wordt met het maximaal aantal motorvoertuigbewegingen per etmaal op grond van de hierboven weergegeven CROW categorie, is er sprake van een totale verkeersgeneratie van 404 motorvoertuigbewegingen per etmaal. In de huidige situatie is sprake van een kantoorpand met een oppervlakte van 3.677 m2 BVO en een bijhorende verkeersgeneratie van maximaal 240 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Planologisch is dus worst case sprake van een toenemende verkeersgeneratie. De verwachting is dat deze geringe toename kan worden opgevangen binnen het

bestemmingsplan_Pampuslaan 1 Weesp (vastgesteld)

blz. 55

bestaande wegprofiel. 4.11.3 Conclusie De ontwikkeling zal voorzien in voldoende parkeergelegenheid, zodat dit geen belemmering vormt voor het plan. Daarnaast kan in de toekomstige situatie de verkeersgeneratie worden opgevangen binnen het bestaande wegprofiel.

4.12

Water

4.12.1 Kader Europees beleid De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden. De richtlijn heeft tot doel de chemische en ecologische kwaliteit van al het oppervlakte- en grondwater in Europa te verbeteren. De richtlijn stelt daartoe eisen aan het waterbeheer in alle lidstaten. Hiertoe hebben de waterbeheerders oppervlaktewaterlichamen geclassificeerd. Aan de classificatie hangt een maatregelenpakket om de kwaliteit te verbeteren. Streefdatum voor het bereiken van gewenste waterkwaliteit is 2027. De doelstellingen worden uitgewerkt in (deel)stroomgebiedsbeheerplannen. In deze plannen staan de ambities en maatregelen beschreven. De Europese Kaderrichtlijn heeft, waar het de gemeente betreft, consequenties voor riolering, afkoppelen, toepassing van bouwmaterialen en het ruimtelijke beleid (inrichting van watergangen en oevers). Zowel het verversingskanaal als de Noordzee zijn aangewezen als waterlichaam. Rijksbeleid Het Nationaal waterbeleid is vastgelegd in het Nationaal Waterprogramma 2022-2027. Het Nationaal Waterprogramma vormt het kader voor de regionale waterplannen en de beheerplannen. Vanuit de verantwoordelijkheid voor het watersysteem verankert het Rijk de volgende principes: Integraal waterbeheer.

In samenhang beschouwen van opgaven op het gebied van waterkwantiteit (waterveiligheid en wateroverlast), waterkwaliteit en gebruik van (zoet) water in natte en droge situaties. Afwenteling voorkomen. Voorkomen dat waterkwantiteits- en waterkwaliteitsproblemen worden afgewenteld in de ruimte en de tijd. Hierbij gelden ook de volgende tritsen: 1. vasthouden, bergen en afvoeren; 2. schoonhouden, scheiden, schoonmaken. Ruimte en water verbinden. Bij de aanpak van wateropgaven en de uitvoering van maatregelen vindt vooraf afstemming plaats met de andere relevante ruimtelijke opgaven en maatregelen in het gebied. Op 22 december 2009 is de Waterwet in werking getreden. Een achttal wetten is samengevoegd tot één wet, de Waterwet. De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Een belangrijk gevolg van de Waterwet is dat de huidige vergunningstelsels uit de afzonderlijke waterbeheerwetten worden gebundeld. Dit resulteert in één vergunning, de Watervergunning. Bij voorgenomen activiteiten zoals benoemd in de Waterwet dient een melding te worden gedaan of een vergunning aangevraagd.

Door de ligging van de projectlocatie en de dubbelbestemming Waterstaat zijn voor veel (bouw)activiteiten een vergunning of melding in het kader van de Waterwet vereist: bouw- of graafwerkzaamheden, activiteiten bij een waterstaatswerk, het dempen en/of graven van open water, het aanbrengen van verharding, het lozen van water of stoffen in oppervlaktewater, het onttrekken van grondwater, het plaatsen van beschoeiingen of de aanleg van drainage of kabels en leidingen zijn vergunning- of meldingsplichtig. Als met een melding kan worden volstaan moet worden voldaan aan algemene regels zoals opgenomen Gemeente Amsterdam

blz. 56

in het Waterbesluit, de Waterregeling en de keur van het hoogheemraadschap. Waterbeheerplan Het Beleid van het hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht is vertaald in het Waterbeheerplan Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2022-2027. In het Waterbeheersplan is uitgewerkt hoe AGV in de planperiode invulling geeft aan haar taken op het gebied van waterbeheer, zoals veiligheid, waterkwaliteit, waterkwantiteit. Omgevingsprogramma Riolering 2022-2027 Het Omgevingsprogramma Riolering 2022 – 2027 concretiseert de Omgevingsvisie Amsterdam 2050 (zoals vastgesteld op 8 juli 2021) voor de gemeentelijke taken voor stedelijk afvalwater, hemelwater en grondwater. Hieruit volgt beleid en een programma van maatregelen, met een kosteninschatting ter onderbouwing van de rioolheffing. Zie https://www.waternet.nl/siteassets/ons-water/omgevingsprogramma-riolering-2022-2027.pdf. Conform het plan heeft de gemeente de ambitie om de stad rainproof te maken door: hemel water goed te benutten; beperken hemelwateroverlast en hemelwaterschade.

Bij nieuwbouw- en transformatiegebieden betekent dit: Toepassen van de Hemelwaterverordening; Onderzoeken en monitoren voor welke gebieden een hogere norm dan 70 mm nodig is, waarop de toepassing van de Hemelwaterverordening kan worden aangepast; Bewerkstelligen dat ontwikkelende partijen klimaatbestendige en waterrobuuste ontwerpen toepassen, bijvoorbeeld via een Waterneutrale Bouwenvelop; Ontwikkelen van een algemene hoogtestrategie voor specifieke toepassing in klimaatrobuuste gebiedsontwikkeling, waarbij onder andere het vasthouden van hemelwater op hoogte, de maaiveldhoogte, de maaiveldplooiing, grondwaterstanden en bouwpeilen worden geoptimaliseerd op basis van lokale kenmerken. Keur De Keur is de waterschapsverordening van het hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht (AGV). De regels in de Keur beschermen de waterkeringen en watergangen. Voor werkzaamheden rond water of een dijk is een vergunning van het waterschap nodig. Bijvoorbeeld bij de aanleg van leidingen, lozingen op het oppervlaktewater, het plaatsen van bouwwerken of het onttrekken van grondwater. 4.12.2 Waterparagraaf De projectlocatie is gelegen binnen het beheergebied van het waterschap Amstel, Gooi en Vecht (AGV). AGV heeft de taak om het watersysteem te beheren en in stand houden. AGV streeft naar veilige en gezonde systemen, rekening houdend met maatschappelijke belangen en functies.

Om dit te bewerkstelligen heeft AGV/Waternet onder andere de volgende (sub)doelen: Het garanderen van aan- en afvoer van water; Het garanderen van veiligheid tegen overstromingen en wateroverlast; Het zorgen voor een ecologisch gezond watersysteem (invulling geven aan de KRW); Het faciliteren van verschillende gebruiksfuncties en de daaruit voortvloeiende (kwaliteits)doelen. Waterkwaliteit Bij de totstandkoming van het project worden uitloogbare materialen, zoals lood, koper en zink, zo veel mogelijk vermeden/ niet toegepast, zodat schoon hemelwater hier niet mee in aanraking kan komen. Zo heeft de ontwikkeling geen negatief effect op de (grond)waterkwaliteit ter plaatse.

bestemmingsplan_Pampuslaan 1 Weesp (vastgesteld)

blz. 57

Waterkwantiteit In de huidige situatie is het grootste gedeelte van het kavel verhard of bebouwd. Er is geen oppervlaktewater aanwezig binnen het projectgebied. In de huidige situatie is sprake van een bebouwd footprint van 1.022 m2. In het bestemmingsplan is een bouwvlak van 1.336 m2 opgenomen, terwijl het voorlopige bouwplan een footprint van 853 m2 omvat. Het voorlopige planvoornemen omvat circa 400 m2 groen (exclusief groen dak en half verhard parkeren) terwijl de huidige situatie voorziet in circa 900 m2 groen. Hierdoor is in het nieuwe plan minder groen aanwezig. Op basis van de 'Keur Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2019' is vergunningplicht (artikel 2.3) en de daarbij behorende compensatie (artikel 2.4) van toepassing indien in en aansluitend op stedelijk gebied meer dan 1.000 m2 aan uitbreiding van verhard oppervlak plaatsvindt. Aangezien hier minder dan 1.000 m2 aan uitbreiding van verhard oppervlak plaatsvindt is watercompensatie niet aan de orde. Door het toepassen van halfverharding voor de parkeervakken, groene daken, het aanleggen van groen ten behoeve van de tuinen aan de Amstellandlaan en de groene invulling tussen de Pampuslaan en de toekomstige bebouwing wordt voorzien in een zekere mate van waterbuffercapaciteit.

Zoals hierboven reeds is benoemd zal de extra verharding onder de compensatie-eis van 1.000 m2 blijven waardoor geen sprake is van een compensatieopgave. Oppervlaktewater zal ook in de nieuwe situatie niet aanwezig zijn binnen het plangebied. Beschermde gebieden Het plangebied is deels gelegen in de kern- en beschermingszone van een waterkering. Het is verboden om zonder vergunning van het bestuur, in de kernzone en beschermingszone van een waterkerend dijklichaam onder andere: 1. te graven, grond te verwijderen of de bodem op te hogen; 2. kabels, buizen, draden of leidingen aan te leggen, te hebben, geheel of gedeeltelijk te vernieuwen of te verwijderen; 3. bodemenergiesystemen aan te brengen, te hebben of te verwijderen; 4. bodemonderzoek te verrichten; 5. bouwwerken of andere werken aan te brengen te hebben, te wijzigen of te verwijderen; Aangezien werkzaamheden binnen de kern- en beschermingszone plaatsvinden dient een watervergunning te worden aangevraagd. Hiermee wordt gewaarborgd dat de beschermende werking van de waterkering niet afneemt. Riolering Er zal worden aangesloten op de bestaande riolering ter plaatse. Het hemelwater en vuilwater zullen gescheiden worden aangeboden. Grondwater Met voorliggend plan wordt vooralsnog geen kelder gerealiseerd. Het aspect grondwater vormt daarom geen belemmering voor de realisatie van het plan.

Buffercapaciteit hemelwater Het totale, bebouwde, verharde oppervlak komt op maximaal 1.336 m². Op basis van de Hemelwaterverordening Amsterdam geldt de eis dat er per m2 verhard oppervlak 60 mm neerslag (60 liter per m2) aan buffercapaciteit aanwezig is. Dit betekent dat er een buffercapaciteit van 80,16 m³ benodigd is. Op basis van het definitieve plan zal een studie worden uitgevoerd naar de buffercapaciteit van de toekomstige bebouwing. Hierbij zal voldaan worden aan de hemelwaterverordening van de gemeente Amsterdam. Het uitgangspunt is om een goed functionerend waterretentiesysteem te realiseren. De eis is om over het bebouwde oppervlak een bui van 60 mm op te kunnen vangen, te bergen en wanneer nodig vertraagd Gemeente Amsterdam

blz. 58

of centraal gestuurd af te voeren. 4.12.3 Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de realisatie van het plan. Op basis van het definitieve ontwerp dient de buffercapaciteit te worden berekend, waarbij de voorwaarden uit de Hemelwaterverordening 'Rainproof Amsterdam' leidend zijn.

4.13

Externe veiligheid

4.13.1 Kader Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de richtlijnen voor vervoer gevaarlijke stoffen vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico's in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico's dienen te worden beoordeeld op twee maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. De externe veiligheidsregelgeving is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen, het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Regeling basisnet en het Besluit buisleidingen en externe veiligheid. De regelgeving is gekoppeld aan de Wet ruimtelijke ordening. Bij ruimtelijke besluiten moet worden getoetst aan de normen voor plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Wanneer bij een ontwikkeling (beperkt) kwetsbare objecten worden toegestaan. (Beperkt) kwetsbare objecten zijn o.a. woningen, scholen, ziekenhuizen, hotels en restaurants.

Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.). Groepsrisico Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin de kans op overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm). Voor elke verandering van het groepsrisico (af- of toename) in het invloedsgebied moet verantwoording worden afgelegd, over de wijze waarop de toelaatbaarheid van deze verandering in de besluitvorming is betrokken. Samen met de hoogte van het groepsrisico moeten andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer.

(Beperkt) kwetsbare objecten Er moet getoetst worden aan het Bevi en de richtlijnen voor vervoer gevaarlijke stoffen wanneer bij een ontwikkeling (beperkt) kwetsbare objecten worden toegestaan. (Beperkt) kwetsbare objecten zijn o.a. woningen, scholen, ziekenhuizen, hotels restaurants. bestemmingsplan_Pampuslaan 1 Weesp (vastgesteld)

blz. 59

4.13.2 Relatie tot plangebied Het voorliggende bestemmingsplan maakt geen nieuwe risicovolle activiteiten mogelijk. In figuur 14 is de ligging van het plangebied ten opzichte van de risicobronnen in de omgeving opgenomen.

Figuur 17. Ligging van externe risicobronnen

ten opzichte van het plangebied

Op de uitsnede van de risicokaart ter plaatse van het plangebied, is te zien dat in de directe nabijheid van het plangebied geen risicobronnen zijn gelegen. Voor het planvoornemen zijn geen gevaren aanwezig met betrekking tot externe veiligheid. Een relevante risicobron nabij het plangebied is het Amsterdam-Rijnkanaal. Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over het water geldt een 200 meter contour. De planlocatie is gelegen op circa 233 meter afstand van de waterkant van het kanaal, waardoor de ontwikkeling niet leidt tot overschrijdingen van een PR 10-6/jr contour. 4.13.3 Conclusie Het aspect externe veiligheid levert geen belemmeringen op voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

4.14

Kabels en leidingen

Voorafgaande aan het verrichten van graafwerkzaamheden in de zin van de Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten (WION), is het doen van een zogeheten ‘Klic-melding’ in beginsel verplicht. Met een Klic-melding wordt informatie opgevraagd over de eventueel in de grond aanwezige kabels of leidingen.

4.15

MER

4.15.1 Kader De centrale doelstelling van het instrument milieueffectrapportage is het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over activiteiten met mogelijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu.

Gemeente Amsterdam

blz. 60

De basis van de milieueffectrapportage wordt gevormd door de EU-richtlijn m.e.r. Deze richtlijn is in Nederland geïmplementeerd in de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. In het Besluit m.e.r. bestaat een belangrijk onderscheid tussen bijlage C en bijlage D. Voor activiteiten die voldoen aan de diverse criteria uit bijlage C geldt een m.e.r.-plicht. In bijlage D staan de activiteiten benoemd waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt: er moet beoordeeld worden of sprake is van (mogelijke) belangrijke nadelige milieugevolgen. Als deze niet uitgesloten kunnen worden, geldt alsnog een m.e.r.-plicht. In bijlage D worden in kolom 2 drempelwaarden gegeven. Indien een ontwikkeling boven de drempelwaarden uitkomt, geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht. Op het moment dat een ontwikkeling genoemd staat in bijlage D, maar onder de drempelwaarden valt, dient te worden beoordeeld of sprake kan zijn van mogelijke belangrijke nadelige milieugevolgen. Deze beoordeling vindt plaats middels de zogeheten 'vormvrije m.e.r.-beoordeling'. Sinds 16 mei 2017 dient het bevoegd gezag een m.e.r.-beoordelingsbesluit te nemen teneinde vast te stellen of voor een ruimtelijke ontwikkeling kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Hiertoe dient een aanmeldnotitie te worden opgesteld door de initiatiefnemer.

Dit volgt uit de implementatie van artikel 1, vierde lid, onder a en b, van Richtlijn 2014/52/EU. 4.15.2 Relatie tot plangebied Onderhavig plan kan worden aangemerkt als stedelijk ontwikkelingsproject, welke is vermeld in bijlage D van het Besluit m.e.r. onder D 11.2.

Figuur 18. Relevant onderdeel D. Activiteiten, plannen en besluiten, ten aanzien waarvan de procedure als bedoeld in de artikelen 7.16 tot en met 7.20 van de wet van toepassing is

Een stedelijk ontwikkelingsproject is m.e.r.-beoordelingsplichtig wanneer de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Omdat er geen 2000 of meer woningen worden gerealiseerd, is er geen m.e.r.-beoordeling nodig. Voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst die beneden de drempelwaarden vallen, dient de vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd te worden. De vorm van een vorm-vrije m.e.r. is niet bepaald, maar de inhoud waar een m.e.r.-beoordeling aan dient te voldoen is wel bepaald (Bijlage III van de Europese richtlijn 2011/92/EU). In de vormvrije m.e.r. dient de volgende inhoud zijn vermeld: a. Kenmerken van het project; b. Plaats van het project; c. Kenmerken van het potentiële effect. Ten behoeve van het plan is een aanmeldnotitie opgesteld. De aanmeldnotitie is als bijlage 11 toegevoegd aan onderhavig bestemmingsplan. Middels een aanmeldnotitie wordt het bevoegd gezag verzocht het besluit te nemen dat, gezien de kenmerken van het potentiële effect, geen nadere m.e.r.-beoordeling nodig is. bestemmingsplan_Pampuslaan 1 Weesp (vastgesteld)

blz. 61

Hoofdstuk 5 5.1

Juridische toelichting

Algemeen

Het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en de regels (zogenaamde planregels). De regels zijn gerelateerd aan de verbeelding, zodat kaart en regels ten alle tijden in onderlinge samenhang dienen te worden bezien en toegepast. Verbeelding De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. Op de verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. Deze aanduidingen hebben slechts juridische betekenis indien, en voor zover, deze in de regels daaraan wordt gegeven. Soms heeft een aanduiding juridisch gezien geen enkele betekenis en is uitsluitend op de verbeelding aangegeven ten behoeve van de leesbaarheid van de kaart (bijvoorbeeld topografische gegevens). De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers en overheid bindende deel van het bestemmingsplan. Regels De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De regels zijn onderverdeeld in meerdere hoofdstukken. Per hoofdstuk zullen de diverse bepalingen artikelsgewijs worden besproken.

Toelichting De toelichting heeft géén bindende werking; de toelichting maakt juridisch ook geen onderdeel uit van het bestemmingsplan, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels. Door de grote flexibiliteit, of beter vrijheid in de regels, kan de rechtszekerheid van belanghebbenden in het gedrang komen. In de toelichting dienen derhalve duidelijk de beleidsintenties te worden aangegeven met betrekking tot het toekomstig grondgebruik. De toelichting heeft echter géén rechtstreeks burgers bindende werking. Van de verschillende bestemmingen wordt kort toegelicht van de gebruiks- en bouwmogelijkheden zijn.

5.2

De bestemmingen

5.2.1

Algemeen

In de bestemmingsomschrijving van de planregels wordt beschreven welke functies binnen de betreffende bestemming zijn toegestaan. In de bouwregels wordt weergegeven of en hoe gebouwd mag worden. Daarin wordt in algemene zin geregeld in alle bestemmingen dat er slechts gebouwd mag worden ten behoeve van de bestemming. In de navolgende (sub)leden worden maten zoals oppervlakten en bouwhoogten opgenomen, die betrekking hebben op de toegestane gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde. In de specifieke gebruiksregels worden nadere bepalingen gegeven omtrent de functies die zijn vermeld in de doeleinden omschrijving. Zo kan bijvoorbeeld de omvang van bepaalde functies beperkt worden, of de situering van functies worden aangewezen. In dit hoofdstuk wordt elk artikel van de planregels kort toegelicht.

Gemeente Amsterdam

blz. 62

5.2.2

Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen Dit artikel bevat de definities van begrippen die in dit bestemmingsplan worden gebruikt. Daardoor wordt vermeden dat verschillende interpretaties van begrippen tot verschillen van mening over de regelgeving zouden kunnen leiden. De begripsbepalingen staan, behalve voor de begrippen 'plan' en 'bestemmingsplan' op alfabetische volgorde. Artikel 2 Wijze van meten In dit artikel is geregeld op welke manier moet worden gemeten. 5.2.3

Bestemmingsregels

Gemengd Ter plaatse van de bestemming “Gemengd” zijn onder meer woningen, kantoren, bedrijven, maatschappelijke en culturele voorzieningen toegestaan. De bebouwing is binnen de opgenomen bouwvlakken toegestaan. Voor de beoogde bebouwing zijn onder de bouwregels diverse bepalingen opgenomen waar de bebouwing aan dient te voldoen. Het achtergelegen gebied waar een parkeerterrein is beoogd, verkrijgt tevens de bestemming "Gemengd". Anti-dubbeltelbepaling Door middel van dit artikel wordt voorkomen dat grond welke betrokken is geweest bij het toestaan van een bouwplan bij de beoordeling van een later bouwplan wederom betrokken is. Algemene bouwregel In dit artikel is aangegeven dat bestemmings- en/of bouwgrenzen van gebouwen mogen worden overschreden ten behoeve van ondergeschikte bouwdelen. In het artikel is aangegeven om welke ondergeschikte bouwdelen het gaat en welke maximale overschrijding is toegestaan. Ook zijn in dit artikel algemene bepalingen opgenomen die betrekking hebben op ondergrondse bouwwerken. Algemene gebruiksregels In dit artikel wordt geregeld welk gebruik is toegelaten. In dit artikel worden inrichtingen die vallen onder bijlage I, onderdeel D van het Besluit omgevingsrecht (Bor), uitdrukkelijk uitgesloten van vestiging in het plangebied op grond van de te verwachten overlast van dergelijke bedrijfsuitoefening. Verder zijn o.a.

automatenhallen, seksinrichtingen, belwinkels, smartshops, coffeeshops, internetcafés en geldwisselkantoren voor dit plangebied als verboden gebruik aangemerkt aangezien dergelijke inrichtingen als ongewenst worden beschouwd. Overgangsrecht In dit artikel wordt geregeld dat bouwwerken mogen worden behouden of gebruik mag worden voortgezet vanaf het moment dat het plan rechtskracht heeft verkregen ondanks dat de bebouwing of het gebruik niet (langer) overeenkomt met de regels die in dit bestemmingsplan worden gegeven. Slotregel Dit wordt ook wel de citeerbepaling genoemd. Hierin wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan genoemd is.

bestemmingsplan_Pampuslaan 1 Weesp (vastgesteld)

blz. 63

Hoofdstuk 6 6.1

Economische uitvoerbaarheid

Inleiding

Bij het opstellen van een bestemmingsplan dient de financiële haalbaarheid van het plan aangetoond te worden. Dit om te voorkomen dat recht gaat gelden dat niet realistisch blijkt te zijn. Op grond van artikel 6.12, lid 1, van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) moet voor een bestemmingsplan een exploitatieplan worden vastgesteld indien er sprake is van een 'bouwplan'. Artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) beschrijft wat een 'bouwplan' is. De stadsdeelraad kan bij een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan, besluiten geen exploitatieplan vast te stellen, wanneer: het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan begrepen gronden anderszins verzekerd is (art. 6.12 Wro); er geen kosten te verhalen zijn (art 6.2.1a Bro). De 'grex-wet' is erop gericht dat de overheid kosten kan verhalen die gemaakt worden naar aanleiding van een bouwplan. Indien er geen kosten gemaakt worden, hoeven deze ook niet verhaald te worden.

6.2

Plangebied

Uitgangspunt voor de beoogde ontwikkelingen is dat deze voor de gemeente budgetneutraal worden ontwikkeld. Op grond van artikel 6.12, lid 1, Wet ruimtelijke ordening (Wro) in samenhang met artikel 6.12, lid 4, Wro is de gemeenteraad verplicht om de kosten te verhalen en een exploitatieplan vast te stellen gelijktijdig met het besluit (het bestemmingsplan) waarop het exploitatieplan betrekking heeft. Met onderhavig bestemmingsplan wordt een bouwplan in de zin van artikel 6.2.1 Bro mogelijk gemaakt. Met de ontwikkelende eigenaar van de gronden is een anterieure overeenkomst gesloten (zoals is bepaald in artikel 6.24 Wro), zodat de verplichting tot het vaststellen van een exploitatieplan niet geldt. In deze anterieure overeenkomst zijn afspraken over het verhaal van kosten op afdoende wijze vastgelegd. Het kostenverhaal is anderszins verzekerd.

Gemeente Amsterdam

blz. 64

bestemmingsplan_Pampuslaan 1 Weesp (vastgesteld)

blz. 65

Hoofdstuk 7 7.1

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Vooroverleg

Het plan is in het kader van het vooroverleg (artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening) aan de overlegpartners gestuurd. De Omgevingsdienst Noordzeekanaal heeft opmerkingen gemaakt op de onderdelen: geluid, stikstof en bedrijven en milieuzonering. De betreffende rapportages en toelichting zijn hierop aangepast. Daarnaast heeft Waternet verzocht t.a.v. verhard oppervlak alleen op te nemen dat watercompensatie niet aan de orde is. Dit is in de toelichting aangepast onder het onderdeel 'waterkwantiteit'. De provincie Noord-Holland heeft geen opmerkingen op het plan. Tot slot constateert de Brandweer Amsterdam-Amstelland dat het plangebied buiten de grootste risicocontouren ligt van nabijgelegen risicobronnen. Derhalve is het niet nodig om verder onderzoek te doen naar het groepsrisico of plaatsgebonden risico ter plaatse van het plangebied.

7.2

Zienswijzen en ambtshalve wijzigingen

Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan Pampuslaan 1 Weesp en het hierbij behorende ontwerpbesluit tot vaststelling van hogere waarden als bedoeld in de Wet geluidhinder hebben met de daarbij behorende stukken met ingang van 30 november 2023 gedurende een termijn van zes weken ter inzage gelegen op het op het stadsloket Weesp, Nieuwstraat 70-A te Weesp. Het ontwerpbestemmingsplan Pampuslaan 1 met de daarop betrekking hebbende stukken is tevens digitaal raadpleegbaar via Externe link:www.ruimtelijkeplannen.nl. Het planidentificatienummer (ID) is NL.IMRO.0363.GW2302BP01-OW01. Op het ontwerpbestemmingsplan is één zienswijze ingediend die vervolgens weer is ingetrokken. Ambtshalve wijzigingen Naar aanleiding van de snelheidsverlaging van 50 km/u naar 30 km/u op omliggende wegen nabij het plangebied is het akoestisch onderzoek aangepast. Hierop is bijlage 4 van de toelichting vervangen door het nieuwe akoestische rapport en zijn de paragrafen 4.6.3 'relatie tot het plangebied' en 4.6.4 'conclusie' tekstueel aangepast. Daarnaast is artikel 3.2.3 m.b.t. geluidsgevoelige objecten geschrapt waardoor artikel 3.2.4 'bouwwerken geen gebouwen zijnde' nu artikel 3.2.3 is geworden en is het hogere waardebesluit niet meer nodig. Dit besluit ontbreekt dan ook in het vastgestelde bestemmingsplan. Daarnaast is als bijlage 7 de ontheffing Wet natuur toegevoegd.

Hierdoor is de nummering van de bijlagen gewijzigd.

7.3

Participatie

In het kader van participatie hebben diverse gesprekken en informatiemomenten plaatsgevonden. Een overzicht van de participatiemomenten is opgenomen in Bijlage 12 van dit bestemmingsplan.

Gemeente Amsterdam

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14215985/1