Bijlage 3 Rapport ruimtevraag aardwarmte 2024.pdf
Tekst van het document
Ruimtevraagstudie Aardwarmte
Opdrachtgever: Gemeente Amsterdam – Afdeling Duurzaamheid Weesperplein 8 1018 XA Amsterdam
Opgeleverd door: Auteur(s):
Dirk Brinkgreve
Well Engineering Partners
Publicatie datum:
21/06/2024
Toldijk 17-19
Versie:
1.2
7900 AP Hoogeveen (NL)
Gecontroleerd:
Geertjan van Og
Tel: +31 (0) 528 227710
Goedgekeurd:
Peter Hoving
www.wellengineeringpartners.com
Ruimtevraagstudie - Aardwarmte
COPYRIGHTVERMELDING Niets uit dit document mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Well Engineering Partners te Hoogeveen. Het gebruik van cijfers en/of tekst als toelichting of ondersteuning van artikelen, boeken en scripties is toegestaan, mits de bron duidelijk wordt vermeld. Noch mag het zonder een dergelijke toestemming worden gebruikt voor andere doeleinden dan waarvoor zij zijn geproduceerd.
WORK I WELL I TOGETHER Copyright © 2024 by Well Engineering Partners
2
Ruimtevraagstudie - Aardwarmte
INHOUDSOPGAVE
1
INLEIDING ......................................................................................................................................... 4 1.1
2
WAT IS AARDWARMTE?................................................................................................................. 4
BOORFASE ....................................................................................................................................... 5 2.1 ALGEMEEN ................................................................................................................................... 5 2.2 DIMENSIONERING ......................................................................................................................... 5 2.2.1 Boortorens .......................................................................................................................... 7 2.3 DRAAGVERMOGEN VAN DE GROND................................................................................................. 8 2.3.1 Algemeen ........................................................................................................................... 8 2.3.2 Fundering ........................................................................................................................... 9 2.3.3 Putkelders .......................................................................................................................... 9 2.4 OVERIG / MILIEU EN VEILIGHEIDS EISEN ....................................................................................... 10 2.4.1 Drainage / Afwatering .......................................................................................................
10 2.4.2 Olie afscheider ................................................................................................................. 11 2.4.3 Toegang / Site Access ..................................................................................................... 12 2.4.4 Accommodatie.................................................................................................................. 12 2.5 ZONERINGEN / VEILIGHEIDSCONTOUREN ...................................................................................... 12 2.5.1 Externe veiligheid / Plaatsgebonden Risico / QRA, 10-6 .................................................. 12 2.5.2 Geluid emissies ................................................................................................................ 13 2.6 LUCHTKWALITEIT / GEUR EMISSIES .............................................................................................. 14 2.7 LICHTHINDER.............................................................................................................................. 14 2.8 TRANSPORTBEWEGINGEN ........................................................................................................... 15 2.9 KLIC-MELDING ...........................................................................................................................
15 2.10 ENERGIEVOORZIENING................................................................................................................ 15 2.11 WATERVOORZIENING .................................................................................................................. 15 2.12 STIKSTOFEMISSIE ....................................................................................................................... 16
3
OPSTART FASE: PUT TESTEN ..................................................................................................... 17 3.1 3.2
4
ALGEMEEN ................................................................................................................................. 17 DIMENSIONERING ....................................................................................................................... 17
PRODUCTIE/EXPLOITATIEFASE .................................................................................................. 19 4.1 ALGEMEEN ................................................................................................................................. 19 4.2 DIMENSIONERING ....................................................................................................................... 19 4.2.1 Dubbel gebruik ................................................................................................................. 20 4.3 ZONERINGEN / VEILIGHEIDSCONTOUREN ...................................................................................... 21 4.3.1 Externe veiligheid / Plaatsgebonden Risico / QRA, 10-6 .................................................. 21 4.3.2 Geluid emissies ................................................................................................................ 21 4.4 LUCHTKWALITEIT / GEUR EMISSIES .............................................................................................. 21 4.5 NORM/LSA............................................................................................................................... 21 4.6 ENERGIEVOORZIENING................................................................................................................
21 4.7 STIKSTOFEMISSIE ....................................................................................................................... 21
5
CONCLUSIE .................................................................................................................................... 22
WORK I WELL I TOGETHER Copyright © 2024 by Well Engineering Partners
3
Ruimtevraagstudie - Aardwarmte
1 INLEIDING In opdracht van Gemeente Amsterdam heeft Well Engineering Partners, hierna WEP, deze rapportage “ruimtevraagstudie voor aardwarmte” uitgewerkt. Dit rapport richt zich op het ontwikkelen van aardwarmte, ook wel geothermie genoemd. De context beperkt zich tot de ruimtevraag materie die zich boven het maaiveld manifesteert. De ondergrond, onder het maaiveld, is behalve in de inleiding, buiten beschouwing gelaten in dit rapport. Dit rapport geeft een verdiept inzicht in de praktische overwegingen die invloed hebben op de ruimte die benodigd is ten tijde van de diverse fases waar een aardwarmte project mee te maken krijgt. Allereerst het realiseren van diepe aardwarmte putten, de zogenaamde boorfase (hoofdstuk 2), daarnaast de opstart fase, fase waarin een put getest wordt (ook wel bekend als de well-test en clean-out) (hoofdstuk 3), en tot slot de winning, oftewel exploitatie fase. Onder deze fase vallen ook putonderhoud en/of reparatie werkzaamheden (hoofdstuk 4). Factoren waar rekening mee gehouden dient te worden, betrekking hebbende op de directe ruimtelijke omgeving, in de context van de ruimtevraag, zijn uiteengezet in dit rapport.
1.1
Wat is Aardwarmte?
Een aardwarmte systeem pompt door de aarde verwarmd water naar boven via een productie put naar het oppervlak waar de warmte uit het water wordt gehaald. Het afgekoelde water wordt via een injectie put teruggepompt. Via aardlagen (in Nederland typisch permeabele zandsteen lagen) stroomt het koude water weer terug naar de productie put zodat de massa balans gelijk blijft. Hoe dieper in de aarde, des te warmer het water. Zo neemt in Nederland de temperatuur elke 1000m met ongeveer 30˚C toe. Een belangrijke factor voor de haalbaarheid van een aardwarmte systeem is de aanwezigheid van een voldoende permeabele laag tussen de productie en injectie putten. De twee putten vormen samen een (aardwarmte) doublet. De ondergrondse plaatsing van de putten wordt bepaald met behulp van seismische data. De putten worden geboord met een tijdelijke boorinstallatie en worden aangesloten op een permanente aardwarmtecentrale (Geocentrale) waarin onder andere de warmtewisselaars zich bevinden en de aansluiting met het warmtenet. Verdere informatie kan gevonden worden op www.allesoveraardwarmte.nl . Vanaf de boorlocatie wordt gedevieerd geboord naar het watervoerende pakket, wat zich in Nederland op iets meer of minder dan 2 km diepte bevindt. Zie ter illustratie Figuur 1; 2250 meter diepte, te verwachten temperatuur van ca. 80 °C.
Figuur 1: Voorbeeld van geothermisch doublet Vanaf 1 boorlocatie worden 2 gedevieerd putten geboord naar ~2000m diepe watervoerende laag. Dit rapport behandelt de criteria die nodig zijn om bovengrondse locaties te kunnen identificeren en zal de ondergrond verder niet meenemen.
WORK I WELL I TOGETHER Copyright © 2024 by Well Engineering Partners
4
Ruimtevraagstudie - Aardwarmte
2 BOORFASE 2.1
Algemeen
Dit is de fase waarin de putten om warmte te kunnen winnen geboord worden. Er zijn transportbewegingen nodig voor de opbouw en afbouw van de boorinstallatie en de aan- en afvoer van materiaal. Op de boorlocatie zijn heipalen nodig ter ondersteuning van de boorinstallatie. Het boren duurt ca. 1 maand per put, waarin 24/7 wordt gewerkt. De boorinstallatie is tijdens de werkzaamheden verlicht. De boorinstallatie wordt na het voltooien van de boring verwijderd.
2.2
Dimensionering
Om met de boorfase te kunnen beginnen dient er eerst een boorlocatie aangelegd te worden die geschikt is om één of meerdere doubletten te boren. Het realiseren van geothermie bronnen valt onder de Mijnbouwwet (Mbw) waarin eisen aan de locatie worden gesteld. Boorlocaties zijn typisch zo’n 100 meter bij 60 meter groot. Hierop wordt een tijdelijke boorinstallatie geplaatst, bestaande uit een mast, een boorvloeistof-behandelingsinstallatie en ruimte voor tijdelijk opslag, kantoren, etc. Verder is er voldoende parkeerruimte in de directe omgeving nodig voor de mensen werkzaam op locatie. Figuur 2 illustreert een typische boorlocatie, met bijbehorende faciliteiten, inclusief de exploitatie faciliteiten direct naast de boorlocatie. In de figuur representeert grijs het geasfalteerde gedeelte; drainage (gotenpatroon) in blauw; hekwerk, hoekbak en optionele geluidswal zijn ook aangegeven. De exacte dimensies van een boorlocatie volgen uit de kwantificering van een aantal factoren. De voornaamste factoren die de dimensionering van een boorlocatie bepalen: 1. Het type van de boorinstallatie; het moet mogelijk zijn om de boortoren of mast op te bouwen 2. Ruimtebeslag van de boorinstallatie met bijbehorende gereedschap / apparatuur. 3. De grootte van de opslag benodigd voor materialen en apparatuur, plus de manoeuvreerruimte benodigd voor aan- en afvoer van materialen en apparatuur. 4.
Het aantal putten dat geboord moet worden
Figuur 2: Voorbeeld van een bovenaanzicht boorlocatie (~60 x ~100m), inclusief aanduiding van de exploitatiefaciliteiten (Distributie opwekcentrale, GEO centrale & Warmte Kracht Koppeling (WKK) ruimte) naast de boorlocatie. De licht grijze vlakken zijn omsloten door een opvanggeul aangesloten op de hoekbak.
WORK I WELL I TOGETHER Copyright © 2024 by Well Engineering Partners
5
Ruimtevraagstudie - Aardwarmte
Figuur 3: Luchtfoto van de boortoren op de in de vorige figuur getoonde locatie. Deze locatie bevindt zich op een industrieterrein zonder permanente bewoners Een gedeelte van de opslagruimte kan elders ingericht worden, echter voor de opslag van materialen en apparatuur (b.v. reserve onderdelen, verbuizingen, opslag spoeling chemicalien) toebehorende aan de boring dient er sprake te zijn van vloeistofdichtasfalt. In bovenstaande figuur zijn typische opslagruimtes die niet noodzakerlijkwijs direct op de algehele locatie geplaatst hoeven te worden in groen gearceerde kaders weergegeven. De ruimte die het betreft is beperkt tot een paar honderd vierkante meters (200-400 m2). Bij voorkeur is deze opslagruimte zo dicht mogelijk bij de locatie om transportbewegingen te beperken en efficientie te bevorderen. Voor de zoektocht naar een mogelijke geschikte locatie moet rekening gehouden worden met een minimale afmeting van 100 meter bij 60 meter. Dit betreft een enkel doublet. Voor twee doubletten, dus 4 putten, dient nog 2x 10 meter extra in de lengte erbij opgeteld worden dus 120 meter bij 60 meter. Dit vindt de oorsprong in de aanname dat er 10 meter afstand zit tussen iedere put.
Meestal worden putten in 1 rij geplaatst aangezien dus in een 1x4 vorm maar eventueel kunnen putten in bijvoorbeeld 2x2 vorm worden geplaatst (let wel, niet alle boorinstallaties zijn geschikt voor deze configuratie). In het laatste geval, moet er 1x 10 meter in de breedte bij opgeteld te worden, oftewel 100 meter bij 70 meter. Het een en ander is afhankelijk van boortoren en kelder ontwerp. De precieze afmeting kan geoptimaliseerd worden zodra de werkelijke boortoren is geselecteerd maar resumerend: • • •
1 Doublet: 2 Doubletten: 4 Doubletten:
100m x 60m 120m x 60m 160m x 60m.
Het realiseren van meerdere doubletten vanaf dezelfde locatie heeft diverse voordelen die meegenomen zouden moeten worden in de planning. De benodigde initiële investering aan infrastructuur zoals aansluiting warmtenet,
WORK I WELL I TOGETHER Copyright © 2024 by Well Engineering Partners
6
Ruimtevraagstudie - Aardwarmte pomphuis en eventueel grotere locatieaanleg kan gebruikt worden om een groter vermogen te realiseren. Daarnaast kan kennis van lokale geologie boorproblemen verminderen en de kans op tegenvallende productie verlagen. De onderstaande foto geeft een visualisatie van een boorlocatie in aanbouw. In dit geval een locatie waarop vier putten gerealiseerd zullen worden.
Figuur 4: Aanleg boorlocatie, kelders, drainage goten in voorbereiding (Antea Group) 2.2.1
Boortorens
De beschikbaarheid van geschikte boortorens kan een probleem zijn waardoor lange wachttijden kunnen voorkomen aangezien dezelfde boortorens worden gebruikt door de olie, gas, zout en buitenlandse aardwarmte industrie. Initiatiefnemers wordt alleen toegestaan te werken met boortorens die beschikken over een door de autoriteit (Staatstoezicht op de Mijnen (SodM)) goedgekeurde “Rig Safety Case”. Op het moment van schrijven van dit rapport zijn er maar een beperkt aantal boortorens die hieraan kunnen voldoen. Boortorens die zich nog moeten kwalificeren zien een onzeker tijdspad voor zich in de context van wanneer de kwalificering verkregen kan worden. Dit is de voornaamste reden waardoor er momenteel over het algemeen gekozen wordt om met de bekende en reeds gekwalificeerde boortorens te werken. De foto’s hieronder zijn boortorens die al een aantal (geothermische) putten geboord hebben in Nederland, idem voor de boortoren (LOC-400) op de titelpagina. De diepte en diameter van de te boren putten bepalen het formaat van de boortoren en de capaciteiten waarover een boortoren dient te beschikken. Huidige generatie putten, met voornaamste karakteristieken, voldoen/conform Geothermie Nederland standaard 1 en in het diepte/lengte bereik 2000 – 4000 meter, worden over het algemeen met 250 metrische ton boortorens geboord. Boortorens zijn afhankelijk van het type 30 tot 50 meter hoog.
Het type hangt weer af van onder andere de te boren putten en de beschikbaarheid van de toren. Overigens, is de hoogte van de werkvloer, of boorvloer, voor alle soorten vergelijkbaar en ongeveer 10m hoog. Onder de werkvloer is namelijk ruimte nodig om meerdere noodafsluiters (zogenaamde Blow Out Preventer (BOP)) op de put te kunnen plaatsen. De onderconstructie om de werkvloer te verhogen wordt de onderbouw of sub-structure genoemd. Deze mast dient in vrijwel alle gevallen horizontaal opgebouwd te worden en daarna opgericht te worden. Dit vereist al een minimale lengte van de boorlocatie, gemeten vanaf de plek waar geboord wordt, aangezien de mast precies daarboven komt te staan.
1
Industriestandaard Duurzaam Putontwerp (Geothermie Nederland, 2021)
WORK I WELL I TOGETHER Copyright © 2024 by Well Engineering Partners
7
Ruimtevraagstudie - Aardwarmte
Figuur 5: Overzicht van de hoogtes van de verschillende boortorens, links met 51m een triple-rig, in het midden een double-rig met 39m en rechts een super-single rig van 31m. Voor alle torens heeft de boorvloer een vergelijkbare hoogte van ongeveer 10m. (Drilltec/Streicher) Onderdeel van de boorinstallatie zijn behalve de mast of de toren, o.a. motoren, generatoren, pompen, opslag media (silo’s of tanks), hijs- en leg- armen, en diverse andere materialen en uitrusting zoals de genoemde noodafsluiters. Behalve de apparatuur die de booraannemer op zal bouwen, zal er daarnaast een handvol gespecialiseerde aannemers hun apparatuur en uitrusting moeten plaatsen. Dit zijn over het algemeen een tiental containers (standaard afmeting, vrachtwagen maatvoering).
Figuur 6: Boortorens, VarioRig van DrillTec Gmbh (links); T-207 van KCA Deutag Gmbh (rechts)
2.3 2.3.1
Draagvermogen van de grond Algemeen
Vanuit het oogpunt van draagvermogen omvat een boorlocatie twee gebieden. 1. Het gebied dat de onderbouw van de boorinstallatie ondersteunt (mast of toren) en eventueel ook de motoren, generatoren en pompen. 2. Het omliggende gebied dat wordt gebruikt voor de behandeling en opslag van materialen en uitrusting, en de plaatsing van werkplaatsen, tanks etc. Dit laatste gebied vereist dezelfde sterkte als de toegangswegen. Het eerst genoemde gebied moet een veel hoger draagvermogen hebben om de belasting van de boortoren te dragen. Hiervoor wordt normaal gesproken een speciale fundering toegepast.
WORK I WELL I TOGETHER Copyright © 2024 by Well Engineering Partners
8
Ruimtevraagstudie - Aardwarmte Het draagvermogen van de ondergrond is locatie specifiek. Een geotechnisch grondonderzoek geeft een beeld van de sterkte-eigenschappen, samenstelling en opbouw van de ondergrond. De uitkomst van dit onderzoek is benodigd om de juiste fundering op te kunnen stellen.
2.3.2
Fundering
Fundering is benodigd: Om een stabiele, vlakke basis te bieden voor het opbouwen van de boortoren of mast. Ter ondersteuning van de boortoren of mast onder de meest extreme omstandigheden van hoge haakbelastingen en (wanneer van toepassing) de maximale hoeveelheid boor pijp in de boortoren (de terugzetbelasting). Ter ondersteuning van trillend/vibrerend gereedschap (o.a. schudzeven) De grootte en intensiteit van de fundering is locatie en boorinstallatie specifiek. De fundering betreft slechts een gedeelte van de gehele boorlocatie (zie Figuur 2), typisch tientallen meters rondom de boorkelders, alsook ter hoogte van opslag tanks en/of silo’s (waar sprake is van relatief hoge puntbelastingen). De fundering moet waterpas zijn en voldoende groot en sterk om te voorkomen dat de boortoren of mast gaat kantelen of dat de onderbouw vervormt. In Nederland bestaat de ondergrond vaak uit klei, wat als relatief zwak geduid kan worden. De fundering wordt vaak ondersteund door het heien van funderingspalen.
Figuur 7: Fundering door middel van palen heien (Antea Group)
2.3.3
Putkelders
Op de plaats waar een put zal worden geboord, is het gangbaar om een zogenaamde putkelder te bouwen. De kelder wordt toegepast om de putmond onder het maaiveld te houden. Doel van de kelder is om meer werkruimte te creëren. Dit heeft de volgende praktische voordelen: • Om te voorkomen dat er een abnormaal hoge onderconstructie hoeft te worden gebruikt. • Dat tijdens de productie/exploitatie fase de put bedienings kleppen (zogenaamde spuitkruis of Xmas tree) zich op een niveau bevinden welke gemakkelijk te bereiken is. • Voor onderhoudswerkzaamheden de werkhoogte boven de put beperkt blijft. Putkelder diepte is ca. 1 tot 2 meter. Daarnaast dienen ze breed genoeg te zijn om toegang te houden tot zij-uitlaten en de bijbehorende bedieningskleppen. Kelders zijn vaak rechthoekig en bestaan meestal uit een betonnen wand en vloer. Zie Figuur 8 voor de weergave van een typische putkelder. Diepere kelders met ondergrondse warmteleiding, zie Figuur 9, is mogelijk maar is duurder.
WORK I WELL I TOGETHER Copyright © 2024 by Well Engineering Partners
9
Ruimtevraagstudie - Aardwarmte
Figuur 8: Putkelder met betonnen fundering
Figuur 9: Aardwarmte Den Haag heeft diepere kelders met ondergrondse leidingen naar het pomphuis
2.4
Overig / Milieu en veiligheids eisen
Voor het boren en winnen van aardwarmte is een omgevingsvergunning voor het aanleggen en exploiteren van een mijnbouwwerk als bedoeld in Artikel 3.320 van het Besluit Activiteiten Leefomgeving (BAL) nodig. Per 1 januari 2024 is naast de BAL ook de het Besluit Kwaliteit Leefomgeving (BKL) van kracht. In deze besluiten staan een aantal eisen waarmee rekening gehouden dient te worden, die relevant zijn voor de ruimtevraagstudie.
2.4.1
Drainage / Afwatering
Wet- en regelgeving schrijft een aaneengesloten bodemvoorziening voor. Dit is een vloer die stoffen tijdelijk keert en waarvan eventuele onderbrekingen of naden zijn gedicht. BAL, Artikel 4.1121 & 4.1123. Het is essentieel om water- en bodemverontreiniging te voorkomen en om deze reden wordt de oppervlakte van een locatie vloeistofdicht bedekt en gedraineerd. De constructie en het onderhoud van de locatie moeten zodanig zijn dat alle soorten vervuiling, b.v. olie en verontreinigd water worden opgevangen.
WORK I WELL I TOGETHER Copyright © 2024 by Well Engineering Partners
10
Ruimtevraagstudie - Aardwarmte
Om de behoefte aan opvangbassins etc. te verminderen, is het gebruikelijk om dubbele drainagesystemen te bouwen. Het grotere systeem voert hemel- of regenwater af dat valt op gebieden waar het onwaarschijnlijk is dat het water verontreinigd is. Water uit dit systeem kan normaal gesproken zonder behandeling worden afgevoerd. Het andere systeem zal de gebieden bestrijken waar de kans op besmetting groter is, dat wil zeggen onder de boortoren en in de buurt van boorvloeistof- en brandstofopslagtanks. Na het afromen van eventuele olie (zie hieronder) wordt het vervuilde water gerecycled, gebufferd of opgeslagen in een opslag medium waarna het kan worden afgevoerd.
Figuur 10: Drainage gotten, prefab (Antea Group) 2.4.2
Olie afscheider
Wet- en regelgeving schrijft een doelmatig beheer van afvalwater voor, in de context wanneer hemelwater wordt geloosd in het vuilwaterriool. Dit wordt alleen toegestaan wanneer het afvalwater door een slibvangput en olieafscheider wordt geleid (zie Bal, Artikel 4.1124). Olieafscheiders moeten worden opgenomen in de drainagesystemen van de locatie op een punt voordat ze de afvalput binnenkomen of de locatie verlaten. In principe bestaat de olieafscheider uit een scheidingswand die een bassin in twee compartimenten verdeelt (zie Figuur 11). De olie, waarvan de dichtheid lager is dan die van water, blijft in het eerste compartiment en het olievrije water kan worden afgetapt. Er moet echter altijd wat water in het bassin aanwezig zijn om te voorkomen dat de olie onder het schot door naar het tweede compartiment kan stromen.
Figuur 11: Het principe van een olie afscheider
Figuur 12: Hoekbak (Antea Group)
WORK I WELL I TOGETHER Copyright © 2024 by Well Engineering Partners
11
Ruimtevraagstudie - Aardwarmte 2.4.3
Toegang / Site Access
Onderdeel van de veiligheidsplanning is ervoor te zorgen dat de locatie veilig kan worden geëvacueerd in geval van een noodsituatie, zoals in het ergste geval een put die in brand staat of een oncontroleerbare stroom gas dat H 2S bevat. Beiden overigens nog nooit voorgekomen in Nederland. Om deze reden zijn er altijd twee routes beschikbaar om het terrein te betreden en te verlaten. Slechts één hiervan hoeft door voertuigen te kunnen worden gebruikt.
2.4.4
Accommodatie
Een aantal werknemers van de booractiviteiten dienen direct op de boorlocatie gehuisvest te worden. Het betreft een handvol personen; de operationeel leidinggevenden en de booraannemer, alsook de elektricien en de monteur van de booraannemer.
2.5 2.5.1
Zoneringen / Veiligheidscontouren Externe veiligheid / Plaatsgebonden Risico / QRA, 10-6
Voor de aanleg van diepboringen is een Omgevingsvergunning vereist. Als onderdeel van die aanvraag dient er een zogenaamde Kwantitatieve Risico Analyse, ook wel QRA genoemd opgesteld te worden. Doel van de QRA is om het plaatsgebonden risico in kaart te brengen, zoals voorgeschreven in de Omgevingsregeling en het Besluit Kwaliteit Leefomgeving (BKL), Artikelen 5.7 en 8.10a. Concreet dient de afstand in kaart gebracht te worden waarop de kans (eens in de miljoen jaar) dat één persoon die zich onafgebroken en onbeschermd in de buurt van de booroperatie bevindt, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een calamiteit. De calamiteit is in het geval van boren naar aardwarmte in de meeste gevallen de aanname dat er sprake is van een ongecontroleerde blow-out, bestaande uit 100% methaan gas. Boringen zullen door diverse aardlagen gaan. Aardgas onder hoge druk wordt niet verwacht in aardwarmte boringen maar kan ook niet voor 100% worden uitgesloten. Dit betekent dat expliciet rekening wordt gehouden met een situatie waarin aardgas onder hoge druk wordt aangetroffen. Met behulp van het wettelijk voorgeschreven Safeti-NL rekenpakket wordt de relevante “10-6 kans” contour berekend. Voor de berekening is de voornaamste invoer variabele de uitstroompotentie van methaan. Deze uitstroompotentie is zeer put specifiek.
Op basis van een aantal gerealiseerde QRA’s is het verstandig om rekening te houden met een aandachtsgebied (voor brand en/of explosie) die overeenkomt met een cirkel, getrokken vanaf de coördinaten van een te boren put, met een conservatieve straal van ca. 100 meter. Om aan de risiconorm te voldoen mogen er zich geen kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties tijdens de boorfase binnen de “10-6 contour” bevinden. In de bijlage 6 van het BKL staan 3 categorieën 'gebouwen en locaties' waarvoor de regels bescherming bieden. De gemeente moet regels opnemen in het omgevingsplan om deze gebouwen en locaties te beschermen vanwege externe veiligheidsrisico's. Gebouwen en locaties zijn ingedeeld in 3 categorieën: 1. Zeer kwetsbaar (alleen gebouwen). Een gebouw is 'zeer kwetsbaar' als het een gebouw is voor mensen die zichzelf niet op tijd in veiligheid kunnen brengen. Denk aan: Basisscholen, kinderopvang, gevangenissen. 2. Kwetsbaar (gebouwen en locaties). Kwetsbare gebouwen zijn alle gebouwen met een woonfunctie (niet verspreid liggende bebouwing) en locaties bestemd voor grote evenementen of voor recreatief nachtverblijf voor meer dan 50 personen. Gebouwen en locaties zijn ook kwetsbaar als er veel personen een groot deel van de dag aanwezig zijn. Denk aan: Woon- en kantoor functie. 3. Beperkt kwetsbaar (gebouwen en locaties).
De overige gebouwen en locaties zijn beperkt kwetsbaar. Bij het bepalen van de kwetsbaarheid van een gebouw of locatie is gekeken naar het volgende: Het aantal personen dat gelijktijdig aanwezig is De aanwezigheidsduur van personen In hoeverre personen zichzelf in veiligheid kunnen brengen bij een incident Zie voorbeeld van een QRA (geothermie Middenmeer): link (publieke domein).
WORK I WELL I TOGETHER Copyright © 2024 by Well Engineering Partners
12
Ruimtevraagstudie - Aardwarmte
Figuur 13: Voorbeeld van een QRA. De rode contour is de maatgevende 10-6 kans. 2.5.2
Geluid emissies
Een boring gaat 24/7 door en omdat de toetsingswaarden voor de nachtperiode het laagst zijn, zullen de nachtwaarden maatgevend zijn. Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) en het maximaal geluidsniveau (LAmax) op een afstand van 300m zijn respectievelijk dan 50 dB(A) en 60 dB(A). Omgevingsregeling, Artikel 4.117 (Bal) schrijft voor dat wanneer er op een afstand van ten hoogste 300m van het hart van de boorinstallatie een geluidgevoelig gebouw ligt er een akoestisch onderzoek verricht dient te worden die aantoont dat aan de geluidniveaus norm wordt voldaan. Woningen, onderwijsgebouwen, ziekenhuizen zijn voorbeelden van geluidsgevoelige gebouwen. Er dient ook rekening gehouden te worden met geluidbelasting veroorzaakt door heiwerkzaamheden (die overigens niet 24/7 door gaan) en transportbewegingen. De geluidscontour is het geheel van de verschillende geluidsbronnen op een boortoren tezamen. De topdrive die boven in de mast is geplaatst heeft veel invloed op de werkelijke contour. Overigens blijkt uit WEP ervaringen tijdens boren in bewoonde omgeving, zoals het Den Haag project, dat de meeste geluidsoverlast veroorzaakt werd door het laden en lossen van materialen i.p.v. de boortoren zelf.
Figuur 14: Geluidscontour van Bentec Euro-Rig (Bentec)
WORK I WELL I TOGETHER Copyright © 2024 by Well Engineering Partners
13
Ruimtevraagstudie - Aardwarmte Het is toegestaan om geluidwerende maatregelen te treffen. In de praktijk kan dit betekenen dat een geluidsscherm geplaatst wordt om geluidsgevoelige gebouwen te ontzien. Een voorbeeld van akoestisch onderzoek is te vinden voor de Geothermie Delft boring op: link (publieke domein, Mijnbouwvergunningen.nl).
Figuur 15: Voorbeelden van geluidschermen
2.6
Luchtkwaliteit / Geur emissies
Wanneer de energie voor de mobiele boorinstallatie zal worden geleverd uit het elektriciteitsnet zullen er in dit kader geen emissies naar de lucht plaats vinden op de locatie. De toename in verkeersbewegingen door de aanleg van de locatie en het boren is tijdelijk en beperkt van omvang in relatie met luchtverontreiniging. De boorspoeling kan tot enkele meters afstand te ruiken zijn maar verder wordt er tijdens het boorproces in principe geen geur veroorzaakt.
2.7
Lichthinder
Geen wettelijke context. Richtlijn Lichthinder van de NSvV (Nederlandse Stichting voor Verlichtingskunde) stelt normen voor verlichtingssterkte en lichtsterkte. Voor de verlichtingssterkte (lux) op de gevels (hoogte 1,8 meter) is 10 lux in de dag toegestaan. In de nacht 2 lux. Op en rondom boortorens wordt er steeds meer ledverlichting toegepast, welke minder straalt naar de omgeving t.o.v. niet-ledverlichting. Het boorproces gaat 24/7 door. De boorlocatie zal ’s avonds en ’s nachts verlicht zijn door middel van lichtmasten. Met de afstelling van de lichtbronnen dient rekening gehouden te worden met de directe omgeving; overlast voorkomen of beperken.
Figuur 16: Voorbeeld van verlichting op een boorlocatie (EBN) Ten tijde van de productie test, na het voltooien van de boring, zal er mogelijk gebruik gemaakt worden van een fakkel (zogenaamd “flaring” of affakkelen). Deze zal in de nabije omgeving waargenomen kunnen worden.
WORK I WELL I TOGETHER Copyright © 2024 by Well Engineering Partners
14
Ruimtevraagstudie - Aardwarmte
2.8
Transportbewegingen
Omgevingsregeling, Artikel 4.1117 (BAL) schrijft voor dat ten minste 4 weken voorafgaand aan het starten van de boorfase het aantal transportbewegingen (in perioden dag, avond en nacht) worden verstrekt aan het lokaal bevoegd gezag (gemeente). Het is zaak om eventuele overlast veroorzaakt door transportbewegingen t.b.v. het boorproces voor de directe omgeving te voorkomen of te beperken. De volgende transportbewegingen betreffen vrachtauto’s: -
Aanvoer en opbouw boortoren (montage) Afvoer boorgruis, en andere afvalstoffen Aanvoer hulpmiddelen Afbouw en afvoer boortoren (de-montage)
Tabel 1: Indicatie van (zwaar) transportbewegingen Aantal Transportbewegingen per periode (gemiddeld) Montage / Demontage Dag 07.00 – 19.00 5 – 10 Avond 19.00 – 23.00 2–4 Nacht 23.00 – 07.00 0 Totale duur 2 weken / 2 weken
Reguliere Boorperiodes 3–5 1 0 4 weken per boring / 8 weken voor een doublet
De kwantificering in Tabel 1 betreft schattingen. De lengte van op- en afbouw periodes hangt af van de gebruikte toren en varieert tussen 1 en 3 weken elk. Om verkeershinder te verminderen en het logistiek proces onder controle te houden is een wachtzone voor vrachtwagens aan te raden. Zo’n wachtzone dient als logistieke buffer om vrachtwagens te kunnen laten wachten totdat de boorlocatie klaar is om te laden of te lossen.
2.9
KLIC-melding
Ondergrondse obstakels ter hoogte van waar geboord wordt zijn ongewenst. Voorafgaand aan de aanleg van een boorlocatie, is een KLIC-melding noodzakelijk. Tenzij er zonder machines en niet dieper dan 40cm gegraven gaat worden. Om gevaarlijke situaties te voorkomen is er een wettelijke plicht ingesteld om een KLIC-melding te doen. Met een KLIC-melding wordt voor een opgegeven gebied inzichtelijk gemaakt welke kabels er onder de grond liggen en waar deze kabels liggen. Dit gebeurt in samenwerking met alle netbeheerders in Nederland, zodat er een uitgebreid overzicht is van de leidingen in de grond. Door een KLIC-melding te doen wordt de kans op graafschade en gevaarlijke situaties verkleint.
2.10 Energievoorziening Boorinstallaties worden bij voorkeur aangedreven door elektriciteit uit het elektriciteitsnet om stikstof en geluidsemissies te minimaliseren. Voor elektrificatie van de boorlocatie is een 10, of zelfs 20 kV- middenstroom aansluiting benodigd met voldoende vermogen. Dit is wederom boortoren afhankelijk. Piekbelasting voor de boortorens geïllustreerd in Figuur 5 zit op ca. 3.5 MW. De boorspoelingspompen hebben het grootste effect op de stroomvraag. Piekbelasting treedt typisch op bij de dieper te boren gedeeltes van een put. Het verschilt per boortoren of deze met slechts een stroomaansluiting kan werken of ook met twee onafhankelijke stroomvoorzieningen (indien er geen aansluiting met voldoende vermogen beschikbaar is). De boorinstallatie zal ten alle tijden ook een noodstroom systeem hebben. Dat is normaliter een diesel aangedreven generator met een beperkt vermogen, bijvoorbeeld 600 kW (1065 kVA). Hiermee kan bij stroomuitval de put toch veilig gesteld worden. Hybride oplossingen zijn ook mogelijk, waar een deel van de benodigde stroom door het net wordt geleverd en een deel door generatoren. Dit zijn altijd maatwerkoplossingen.
2.11 Watervoorziening In het algemeen wordt al het benodigde water, voor boorvloeistoffen, aangeleverd per vrachtwagen. In bepaalde gevallen kunnen ondergrondse verliezen optreden van de boorvloeistof en dan is het wenselijk om toegang te hebben tot grote hoeveelheden extra water (out of the box: bijvoorbeeld een kanaal of ondiepe waterbron).
WORK I WELL I TOGETHER Copyright © 2024 by Well Engineering Partners
15
Ruimtevraagstudie - Aardwarmte
2.12 Stikstofemissie Bronnen die typisch leiden tot stikstof emissie voorafgaand en tijdens de boorfase: 1. 2. 3.
4.
Dieselgeneratoren tijdens de boring: Voor het aansturen van de boorinstallatie kan gebruik gemaakt worden van dieselgeneratoren, indien een elektriciteit aansluiting niet of slechts gedeeltelijk mogelijk is. Wegverkeer: Tijdens het opbouwen/afbreken van de installatie en tijdens de werkzaamheden worden vrachtwagens ingezet. Intern verkeer (heftrucks, telescopische kranen) Tijdens de op- en afbouw van de boorinstallatie worden diverse mobiele werktuigen gebruikt op de locatie. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden wordt gebruik gemaakt van een heftruck voor de logistieke handelingen Voorbereidende werkzaamheden (mobiele werktuigen): Voor de activiteiten die ter voorbereiding voor de uitvoering van de boring worden uitgevoerd (Aanleg boorlocatie)
Een Aerius berekening zal daarom uitgevoerd moeten worden en vanwege afhankelijkheid van de afstand tot Natura2000 gebieden kan de locatie invloed hebben. Zie ook: Homepage AERIUS | AERIUS (aeriusproducten.nl)
WORK I WELL I TOGETHER Copyright © 2024 by Well Engineering Partners
16
Ruimtevraagstudie - Aardwarmte
3 OPSTART FASE: PUT TESTEN 3.1
Algemeen
Het is gebruikelijk om direct nadat een aardwarmte put geboord is, deze te testen om vast te stellen dat de boring geslaagd is. Dit is de zogenaamde opstart fase. Er vinden transportbewegingen plaats voor de opbouw en afbouw van de put test apparatuur. Deze fase duurt een aantal dagen.
3.2
Dimensionering
Put testen kan met of zonder boortoren op locatie gedaan worden wat eventueel een ruimte optimalisatie kan geven. In vrijwel alle gerealiseerde projecten is er sprake van gas bijvangst. Het mee geproduceerde gas (≤1 m3 gas per 1 m3 geproduceerd water) zal normaliter afgefakkeld worden (Figuur 19). Op of nabij de locatie is het nodig om extra ruimte te creëren voor de tijdelijke opslag van het productie test water. In de meeste gevallen zal het nabij de locatie zijn, aangezien de vrije ruimte op een locatie te beperkt is. 5000 m3 capaciteit is een streefvolume dat opgeslagen dient te kunnen worden. Het test water wordt meestal weer geïnjecteerd waarna het bassin niet meer nodig is. Verschillende bassins zijn mogelijk en hogere bassins hebben uiteraard een kleiner oppervlak nodig. De benodigde ruimte tijdens het opschonen is erg variabel zo kunnen hoogtes en vormen de ruimte sterk verkleinen. Een oppervlakte van 1500 m2 is grofweg vereist. Dit komt bij de ~6000 m2 benodigd voor de boorlocatie. Het opslagbassin hoeft niet te grenzen aan de boorlocatie en kan zelfs honderden meters van de boorlocatie afgelegen zijn. Zie onderstaande figuren voor verschillende invullingen aangaande opslagbassins. Het bassin is tijdelijk en kan tijdens de boorfase gebruikt worden als opslag van water.
Verdere informatie kan gevonden worden op: https://geothermie.nl/wp-content/uploads/GNL-Factsheet-Testwater-van-geothermie.pdf
Figuur 17: Tijdelijke opslag van geproduceerd water tijdens het opschonen van de bronnen (WEP)
Figuur 18: Tijdelijke opslag van productiewater direct naast de boorlocatie in bassins (DEW)
WORK I WELL I TOGETHER Copyright © 2024 by Well Engineering Partners
17
Ruimtevraagstudie - Aardwarmte
Figuur 19: Affakkelen van mee geproduceerd gas tijdens de well-test (WEP) 10m
100m
Figuur 20: Well test bassin (#2) veraf gelegen van boorlocatie (#1), 8 putten locatie, 3 productie en 5 injectie putten (Google), (inzet Hoogweg)
WORK I WELL I TOGETHER Copyright © 2024 by Well Engineering Partners
18
Ruimtevraagstudie - Aardwarmte
4 PRODUCTIE/EXPLOITATIEFASE 4.1
Algemeen
Dit is de fase waarin de warmte gewonnen (geproduceerd) wordt. Gedurende deze fase spelen de handelingen produceren en injecteren. Deze fase duurt afhankelijk van de winningvergunning ten minste 30 jaar. In principe is de warmte in de ondergrond zo goed als oneindig. Echter is er na een ~30 aantal jaar, afhankelijk van het ontwerp, wel sprake van een mogelijke verlaging in temperatuur aangezien het afgekoelde geïnjecteerde water dan de productie put bereikt. Zo lang de integriteit van de putten en exploitatie faciliteiten gewaarborgd blijft, hoeft de winning niet te stoppen. Nadat de boorgaten zijn afgewerkt kan de winning starten. Dit gebeurt door het oppompen van het formatiewater. Op de productielocatie blijven de werkzaamheden beperkt tot controle- en onderhoudswerkzaamheden. De in de productieput gemonteerde pomp zal ongeveer elke 5 jaar onderhoud nodig hebben en zal dus uit de put moeten worden gehaald. Tegelijkertijd worden de putten dan op integriteit gecontroleerd. Voor deze werkzaamheden is geen boortoren nodig maar een werkplatform met een kraan is voldoende, zie Figuur 21. Op de boorlocatie is weinig meer te zien dan de putafsluiters (spuitkruis), het nodige leidingwerk en de geocentrale (of pomphuis) waarin de warmtewisselaars zich bevinden. Verder zijn er filters, een injectie pomp en mogelijk een ontgasser nodig.
Om warmteproductie te optimaliseren wordt er soms gebruikt gemaakt van een buffer. Om de warmte te distribueren is uiteraard een warmtenet nodig. Gedurende de productie kan er met het warm water ook gas en zelfs olie mee geproduceerd worden. De hoeveelheid gas of olie is afhankelijk van de specifieke situatie en wordt meestal direct gebruikt; omgezet in extra warmte (via boiler) of in elektriciteit (via WKK). De noodzaak om een ontgasser te moeten gebruiken hangt af van de hoeveelheid gas in het formatiewater. In het geval van lage hoeveelheden zal het gas met het afgekoelde formatie water geïnjecteerd worden en is er geen ontgasser nodig. Geproduceerd gas kan met een warmte kracht koppeling (WKK) omgezet worden in elektriciteit en warmte.
Figuur 21: Onderhoudswerkzaamheden met een klein werkplatform en een kraan op een bijzonder kleine locatie (Bleiswijk, A&G van den Bosch)
4.2
Dimensionering
De productielocatie is in feite identiek aan de boorfase locatie, dus ingericht met een vloeistofdichte vloer met een hek eromheen aangezien het een mijnbouwlocatie betreft. Naast deze vloer, buitenruimte (identiek aan de boorfase), dient er een zogenaamde geocentrale, of pomphuis, geaccommodeerd te kunnen worden. De afmetingen van een pomphuis zoals afgebeeld in Figuur 22 zijn ongeveer 50 meter bij 20 meter. Een ontgasser zal daar 10 meter buitenruimte aan toevoegen dus uiteindelijk is ongeveer 60 meter bij 20 meter permanent nodig. De ontgasser(s) kan/kunnen ook op de puttenlocatie buitenruimte geplaatst worden. Voor elk bijkomend doublet is over het algemeen een aanvullende ontgasser nodig en bijbehorende leidingwerk, pompen en filters. Rondom het pomphuis zal een oppervlakte nodig zijn voor bijvoorbeeld laden/lossen, kantoor, toegangsweg etc. en uiteraard voor de warmteleidingen. Grofweg is dan zo’n 60 meter bij 40 meter nodig aangezien er een bepaalde mate van flexibiliteit in de vorm mogelijk is het aan te raden om een permanente oppervlakte van ~2000 a 2500m2 te nemen. Zie ook: https://www.ebn.nl/feiten-en-cijfers/kennisbank/leerkring-van-zuid-holland-wat-is-aardwarmte/ (slide 47). Deze oppervlakte dient supplementair aan de boorfase oppervlakte beschikbaar te zijn.
De precieze afmeting kan geoptimaliseerd worden met de aannemer verantwoordelijk voor de aanleg van de geocentrale, maar resumerend: •
1 doublet:
60m x 40m (2400 m2)
WORK I WELL I TOGETHER Copyright © 2024 by Well Engineering Partners
19
Ruimtevraagstudie - Aardwarmte • •
2 doubletten: 4 doubletten:
60m x 50m (3000 m2) 60m x 70m (4200 m2)
(Regen)water bassin; dubbel gebruik Geocentrale
Geasfalteerde locatie, begrenst door drainage / afwatering goot
Figuur 22: Aardwarmte centrale van Trias Westland in Naaldwijk (EBN)
Ontgasser #1
Ontgasser #2
Figuur 23: Aardwarmte locatie van Trias Westland met de 2 doubletten en de ontgasser achter het pomp gebouw (Google) 4.2.1
Dubbel gebruik
De locatie blijft wettelijk een mijnbouwlocatie en daarom zal de ruimte direct rondom de putten afgesloten moeten kunnen worden met een hek wat dubbelgebruik voor een deel uitsluit. De productielocatie en put locatie kunnen eventueel verder uit elkaar worden gehaald, zoals te zien is in Figuur 24. Tijdens de volledige levensduur is het noodzakelijk dat de putten toegankelijk blijven voor reparaties met kleine werkplatformen, zoals afgebeeld in Figuur 21, maar ook voor reguliere boortorens. Bebouwen van de (voormalige) boorlocatie is dus niet aan te raden. De meest voor de hand liggende dubbeltoepassing is een parkeerterrein rondom de putkelders zoals in Figuur 24 te zien is. Als ondergrens kan een oppervlak van zo’n 10 meter bij 10 meter per put genomen worden mits de oorspronkelijke boorlocatie hergebruikt kan worden indien nodig. Voor één doublet geldt dan 2x 10 meter bij 10 meter (200 m2) aan oppervlak dat niet dubbel gebruikt kan worden. In plaats van een parkeerplaats zou het asfalt ook volledig verwijderd kunnen worden rondom de resterende mijnbouwlocatie. Er zou zelfs sprake kunnen zijn van vergroenen rondom de mijnbouwlocatie. Indien er werkzaamheden op de put(ten) uitgevoerd moeten worden zou de locatie tijdelijk weer vergroot kunnen worden. Hiervoor kan er gebruik gemaakt worden van composiet (rij)platen; Ferex is de merknaam.
Zie ook: https://www.ferex-solidbase.com/nl/projecten/boorplatform/
WORK I WELL I TOGETHER Copyright © 2024 by Well Engineering Partners
20
Ruimtevraagstudie - Aardwarmte
Aardwarmtecentrale
Figuur 24: Voorbeeld van dubbelgebruik: de tram lus wordt gebruikt voor de aardwarmtecentrale en de boorlocatie (gedeeltelijk) als parkeerplaats (Google).
4.3 4.3.1
Zoneringen / Veiligheidscontouren Externe veiligheid / Plaatsgebonden Risico / QRA, 10-6
De aanwezigheid van een ontgasser heeft invloed op de externe veiligheid vanwege de op te stellen QRA. In tegenstelling tot een boring waar een conservatief groot gas uitstroom volume wordt verondersteld voor een korte duur wordt niet de invloed contour voornamelijk bepaald door het volume van de ontgasser. Op basis van diverse QRA’s uit de productiefase is een aandachtsgebied (voor brand en/of explosie) van ~100 meter afstand tot de ontgasser een conservatief uitgangspunt. 4.3.2
Geluid emissies
Tijdens de productiefase is er geen sprake van noemenswaardige geluidsbronnen.
4.4
Luchtkwaliteit / Geur emissies
Onder de normale bedrijfsomstandigheden is er geen sprake van emissies naar de lucht. In geval van storing of bij onderhoudswerkzaamheden wordt mogelijk de fakkel gebruikt, maximaal twaalf dagen per jaar.
4.5
NORM/LSA
De verschillende aardlagen zijn meer of minder radioactief en daardoor kan het formatiewater ook (lichte) straling geven wat dan eventueel leidingwerk radioactief kan maken. Daarom worden regelmatig metingen genomen en indien nodig passende maatregelen genomen. Dit heeft vooralsnog niet geleid tot een beperking m.b.t. locatie keuze.
4.6
Energievoorziening
Voor de exploitatie fase is normaliter een 1-2 MW aansluiting benodigd per doublet om de geocentrale (met daarin o.m. ontgasser, pompen, filters e.d.) van elektriciteit te voorzien.
4.7
Stikstofemissie
Tijdens de productiefase van de inrichting vinden transportbewegingen plaats, met name transportbusjes en personenauto’s.
WORK I WELL I TOGETHER Copyright © 2024 by Well Engineering Partners
21
Ruimtevraagstudie - Aardwarmte
5 CONCLUSIE De minimale eisen waar een boring- en productielocatie voor aardwarmte aan moet voldoen verschilt per fase waarin een aardwarmte project zich bevindt. Boorfase: De meeste ruimte is benodigd tijdens de boorfase. De grootte van een boorlocatie komt neer op typisch zo’n 100 meter bij 60 meter groot (~6000 m2). Afhankelijk van de hoeveelheid putten, ten minste een productie en injectie put (samen 1 doublet), loopt de benodigde te verharden ruimte op: • 1 doublet: 100m x 60m (6000 m2) • 2 doubletten: 120m x 60m (7200 m2) • 4 doubletten: 160m x 60m (9600 m2) Optimalisatie mogelijkheden: Opslagruimte voor gereedschappen en materialen benodigd voor de boorfase, mits de opslagruimte is voorzien van vloeistofdicht asfalt, zou nabij de locatie gefaciliteerd kunnen worden. Deze ruimte kan gekwantificeerd worden als ca. 10m x 20m, 20m x 20m, of 10m x 40m (200-400 m2) en kan mogelijk van de bovengenoemde oppervlaktes worden afgetrokken.
Opstartfase: well-test en clean-out: Om de potentie van een geboorde put te weten te komen is het gangbaar om een zogenaamde clean-out en welltest uit te voeren. Meestal direct na het boren van een put. Hiervoor dient er een oppervlakte van ~1500 m2 (breedte x lengte flexibel) beschikbaar te zijn. Deze ruimte is benodigd voor de opslag van het geproduceerde water. Als er getest wordt met de boortoren op locatie, dient er 1500 m2 bij de oppervlakte benodigd tijdens de boorfase opgeteld te worden. Deze ruimtevraag voor de opslag van geproduceerd water is tijdelijk. Optimalisatie mogelijkheden: Als de boortoren afgevoerd is en de putten in een later stadium getest worden, dan zou de boorlocatie gebruikt kunnen worden.
Productie/Exploitatie fase: Om de aardwarmte te kunnen benutten dient er naast de putten locatie een pomphuis/geocentrale en ontgasser gefaciliteerd te worden; hiervoor is typisch zo’n 60 meter bij 40 meter (~2400 m2) benodigd. Deze oppervlakte dient opgeteld te worden bij de oppervlakte die benodigd is voor de boorfase. De geocentrale is permanent. Daarnaast blijft de putten locatie bestaan. Idealiter blijft de vloeistofdichte vloer ongewijzigd t.o.v. de boorfase. Tijdens de volledige levensduur is het noodzakelijk dat de putten toegankelijk blijven voor reparaties met kleine werkplatformen maar ook voor reguliere boortorens. • • •
1 doublet: 2 doubletten: 4 doubletten:
(Geocentrale) 60m x 40m (2400 m2) 60m x 50m (3000 m2) 60m x 70m (4200 m2)
+ + +
(Putten locatie) 100m x 60m (6000 m2) 120m x 60m (7200 m2) 160m x 60m (9600 m2)
= = =
Totaal: 8400 m2 10200 m2 13800 m2
Optimalisatie mogelijkheden: De ontgasser(s) kan/kunnen ook op de puttenlocatie buitenruimte geplaatst worden. 10 x 5 meter breedte komt hiermee vrij per doublet (50 m2). Dubbel gebruik boorlocatie. Als ondergrens kan een oppervlak van zo’n 10 meter bij 10 meter per put genomen worden mits de oorspronkelijke boorlocatie hergebruikt kan worden indien nodig. Voor 1 / 2 / 4 doublet(ten) geldt: 2x / 4x / 8x, 10 meter bij 10 meter (200 / 400 / 800 m2). Bebouwde omgeving: Indien er sprake is van bebouwing, in de vorm van woningen, winkels, kantoren, onderwijsgebouwen en ziekenhuizen, dan dient er rekening gehouden te worden met de volgende afstanden: Veiligheidscontouren (“10-6 contour”) / aandachtsgebieden (voor brand en/of explosie): kwantificeringen (QRA’s) dienen berekend te worden t.b.v. het vergunningtraject. Idealiter bevinden er zich geen bovengenoemde type bebouwing binnen een straal van 100 meter gemeten vanaf elke put en ontgasser installatie(s). Wanneer er sprake is van bovengenoemde bebouwing op minder dan 300 meter afstand gemeten van het hart van een boorinstallatie, dan dient er een akoestisch onderzoek verricht te worden die aantoont dat aan de geluidniveaus norm wordt voldaan. Het akoestisch beïnvloed gebied kan verkleind worden dmv geluidsschermen.
WORK I WELL I TOGETHER Copyright © 2024 by Well Engineering Partners
22