Bijlage 3- Overlast waarnemen beoordelenen melden DEF.pdf
Tekst van het document
kenmerken referentiegroep vrouw, middelbaar opgeleid, 45-64 jaar, huurwoning, betaald werk, geen migratieachtergrond
aandeel dat rommel waar heeft genomen
aandeel dat overlast ervaart van rommel
aandeel dat bij gemeente melding deed van rommel
97%
95%
23% bron: VMAA
Tabel 3.8 Alternatieve achtergrondkenmerken (t.o.v. referentiegroep) en effect op rommel waarnemen, ervaren en melden*
kenmerk overige groepen geslacht: man opleiding: basis opgeleid opleiding: hbo/wo opgeleid
verschil waarnemen rommel
verschil ervaren overlast rommel
verschil melden rommel
-3%
-2%
-
-
-
-
3%
-
-
leeftijd: 15-29 jaar
-12%
-7%
-17%
leeftijd: 30-44 jaar
-3%
-
-7%
leeftijd: 65 jaar e o
-
-
--
woning: koopwoning
-
2%
7%
arbeidspositie: geen betaald werk
-4%
-
-
arbeidspositie: gepensioneerd
-
-
-
arbeidspositie: scholier of student
-
-6%
-7%
34
kenmerk overige groepen
verschil waarnemen rommel
verschil ervaren overlast rommel
verschil melden rommel
migratieachtergrond: Europa 1e generatie
-16%
-10%
migratieachtergrond: Europa 2e generatie
-
-
migratieachtergrond: buiten Europa 1e generatie
-20%
-14%
migratieachtergrond: buiten Europa 2e generatie
-7%
bron: VMAA
In de tabel zijn alleen significante verschillen weergegeven. * er is hierbij gecontroleerd voor de wijk waarin de respondent woont.
Toelichting Met bovenstaande tabellen kan, door achtergrondkenmerken van de referentiegroep in te wisselen voor andere kenmerken, gekeken worden wat het wijzigen van achtergrondkenmerken betekent voor het waarnemen, ervaren en melden van overlast van rommel op straat. Het is daarbij mogelijk om bij het percentage ‘waarnemen van rommel op straat’ op 100% uit te komen en bij het melden van rommel is, bij sommige combinaties van kenmerken, een uitkomst onder de 0% te maken. Deze percentages geven in dat geval geen exact percentage maar een indicatie van het verschil dat achtergrondkenmerken maken. Een uitkomst rond de 100% betekent dat de groep een zeer grote kans heeft op het waarnemen van overlast, een uitkomst op of onder 0% betekent dat de kans dat de groep meldt zeer gering is.
35
4 Van overlast tot melding: personenoverlast
Dit hoofdstuk gaat in op het overlastproces van de ‘personenoverlast’, een samenvoeging van:
Rondhangende jongeren Overlast door buurtbewoners Verwarde personen Drugshandel Dronken mensen op straat Overlast door toeristen Drugsgebruik Mensen die op straat worden lastiggevallen
4.1 Potentiële personenoverlast Situatie met potentiële overlast
Waarneming
Beoordeling
Meldingsbereidheid
Melding
bron: Andersson Elffers Felix (2012), bewerking O&S
Voor personenoverlast is er geen objectieve meting, maar er is wel data beschikbaar met schattingen van verblijvers: de verblijversdichtheidsindex. Deze index beschrijft per wijk het aantal verblijvers per hectare openbare ruimte op een gemiddelde dag. Aangenomen dat meer verblijvers kunnen leiden tot meer overlast wordt deze index gebruikt als indicator voor potentiële personenoverlast. De meest recente index is van 2020, maar omdat er toen veel minder bezoekers in de stad waren vanwege de coronapandemie wordt de index van 2018 als betere schatting gezien, te vinden in figuur 4.1. Het stedelijk gemiddelde van de index was 107 in 2018; in 2014 was de stedelijk gemiddelde index 100. Gebieden met de hoogste index zijn drukbezochte gebieden in Centrum en een aantal wijken in Oost, Zuid en West. Gebieden aan de randen van de stad hebben juist een lagere index.
36
Figuur 4.1 Verblijversdichtheidsindex 2018, naar wijk
bron: O&S. Voor gebieden in grijs is geen data beschikbaar voor 2018.
4.2 Personenoverlast waarnemen Situatie met potentiële overlast
Waarneming
Beoordeling
Meldingsbereidheid
Melding
Bron: Andersson Elffers Felix (2012), bewerking O&S
Amsterdammers nemen gemiddeld 2,6 vormen van personenoverlast waar in hun buurt, variërend tussen wijken van 0,3 tot 6,1. Wederom scoren een aantal wijken in Centrum, Zuid, Oost en West hoog, maar ook – in mindere mate - een aantal plekken in Noord, Nieuw-West en Zuidoost.
37
Figuur 4.2 Gemiddeld aantal waargenomen vormen personenoverlast (max. 8) per respondent per wijk, 2022/2023
bron: VMAA Gebieden in grijs hebben minder dan 30 respondenten voor deze vraag en zijn niet meegenomen.
4.3 Personenoverlast beoordelen Situatie met potentiële overlast
Waarneming
Beoordeling
Meldingsbereidheid
Melding
bron: Andersson Elffers Felix (2012), bewerking O&S
Amsterdammers ervaren van gemiddeld 68% van de waargenomen vormen van personenoverlast zelf ook daadwerkelijk overlast, variërend tussen wijken van 58% tot 90%. De plekken waar bovengemiddeld veel overlast wordt ervaren van de waargenomen vormen van personenoverlast zijn sterk verspreid over de stad.
38
Figuur 4.3 Aandeel vormen waar Amsterdammers zelf personenoverlast van ervaren, per wijk, 2022/2023 (%)
bron: VMAA Gebieden in grijs hebben minder dan 30 respondenten voor deze vraag en zijn niet meegenomen.
4.4 Personenoverlast melden Situatie met potentiële overlast
Waarneming
Beoordeling
Meldingsbereidheid
Melding
bron: Andersson Elffers Felix (2012), bewerking O&S
Gemiddeld is van 4% van de ervaren personenoverlast de afgelopen 12 maanden een melding gedaan bij de gemeente, variërend tussen wijken van 0% tot 18%. Het gemiddelde meldpercentage ligt aanzienlijk lager dan het aandeel respondenten dat in diezelfde periode wel eens een melding had gedaan bij de gemeente van rommel op straat. Veel wijken scoren rond het gemiddelde (blauw), een aantal bovengemiddeld. Ook hier zien we een spreiding over de stad.
39
Figuur 4.4 Gemiddeld aandeel respondenten dat aangeeft een melding te hebben gedaan bij de gemeente indien overlast van personen wordt ervaren, per wijk, 2023 (%)
bron: VMAA Gebieden in grijs hebben minder dan 30 respondenten voor deze vraag en zijn niet meegenomen.
In figuur 4.5 is te zien hoeveel meldingen in elke wijk de gemeente ontving per 100 inwoners over overlast van personen of groepen. Dan valt op dat in een aantal wijken in stadsdeel Centrum wel relatief veel wordt gemeld en in een aantal gebieden aan de Zuid(oost)-zijde van de stad en in Weesp juist weinig meldingen van personenoverlast waren. Figuur 4.5 Meldingen overlast personen of groepen, per 100 inwoners per jaar per wijk (1 jan 2022 – 1 sept 2023)
bron: SIG
40
4.5 De relatie tussen verblijversdichtheidsindex en personenoverlast Figuur 4.6 toont de (mogelijke) relatie tussen de verblijversdichtheidsindex (als benadering/indicator van potentiële personenoverlast) en het waarnemen, ervaren en melden van personenoverlast. Er lijkt een relatie te zijn tussen de verblijversdichtheidsindex en het waarnemen van personenoverlast, maar niet in het ervaren van personenoverlast. In wijken waar de verblijversdichtheidsindex hoog is, nemen respondenten gemiddeld meer vormen van personenoverlast waar. In het melden van ervaren personenoverlast lijkt een omgekeerde relatie zichtbaar (ondanks kleine verschillen): wijken waar de verblijversdichtheid gemiddeld of iets bovengemiddeld is, wordt relatief iets meer gemeld dan in wijken waar de verblijversdichtheid het hoogst is. Het is hierbij goed om te benoemen dat de verblijversdichtheidsindex iets zegt over de mogelijke verblijvers in de stad, maar dat de vormen van personenoverlast die ten behoeve van dit hoofdstuk zijn geanalyseerd niet alleen vormen van overlast behelzen die ontstaan bij drukte. Zo kan in relatief rustige wijken, die meer gekenmerkt worden als een woonwijk dan een wijk met veel bezoekers, bijvoorbeeld veel overlast zijn van rondhangende jongeren of van een klein groepje dronken mensen op straat. Dat heeft, in zo’n geval, weinig te maken met de verblijversdichtheidsindex.
Figuur 4.6 Relatie tussen verblijversdichtheidsindex en waargenomen, ervaren en gemelde overlast personen
bronnen: Verblijversdichtheidsindex en VMAA
In figuren 4.7 t/m 4.10 zijn de potentiële overlast (verblijversdichtheidsindex) en het waarnemen, ervaren en melden van personenoverlast op wijkniveau naast elkaar te zien. Dat maakt het mogelijk om op wijkniveau vergelijkingen te maken. Daarin bijvoorbeeld een hoog meldpercentage te zien in de Helmersbuurt en de IJsselbuurt. Hoewel beide wijken verschillend scoren op de verblijversdichtheidsindex en het aantal waargenomen overlastvormen, wordt in beide wijken relatief weinig personenoverlast ervaren. Andersom valt op dat in wijken in Centrum niet bovengemiddeld veel wordt gemeld terwijl de andere kaartjes daar wel aanleiding toe zouden geven.
41
Figuur 4.7 Verblijversdichtheidsindex 2018, naar wijk
Figuur 4.8 Gemiddeld aantal waargenomen vormen personenoverlast (max. 8) per respondent per wijk, 2022/2023
bronnen: Verblijversdichtheidsindex en VMAA. Gebieden in grijs hebben minder dan minder dan 30 VMAA respondenten/geen verblijversdata.
42
Figuur 4.9 Aandeel vormen waar Amsterdammers personenoverlast van ervaren, per wijk, 2022/2023 (%)
bronnen: Verblijversdichtheidsindex en VMAA. Gebieden in grijs hebben minder dan minder dan 30 VMAA respondenten/geen verblijversdata.
Figuur 4.10 Gemiddeld aandeel respondenten dat aangeeft een melding te hebben gedaan bij de gemeente indien overlast van personen wordt ervaren, per wijk, 2023 (%)
bronnen: Verblijversdichtheidsindex en VMAA. Gebieden in grijs hebben minder dan minder dan 30 VMAA respondenten/geen verblijversdata.
43
4.6 Personenoverlast, van waarnemen tot melden: samenhang met achtergrondkenmerken Om te zien welke achtergrondkenmerken van Amsterdammers een relatie hebben met het waarnemen van personenoverlast, daarvan overlast ervaren en die overlast melden, is eerst een referentiegroep gevormd met een specifieke samenstelling van achtergrondkenmerken (zie tabel 4.7 en voor nadere toelichting paragraaf 2.1). Vervolgens is met een regressieanalyse gekeken of alternatieve achtergrondkenmerken leiden tot een ander aandeel dat personenoverlast waarneemt, er overlast van ervaart en dit meldt ten opzichte van de referentiegroep (zie tabel 4.8). De referentiegroep neemt gemiddeld 3,7 vormen van personenoverlast waar in de eigen buurt. Van de waargenomen overlastvormen wordt van 67% ook zelf overlast ervaren. Vervolgens is van 9% van de vormen een melding gedaan bij de gemeente in de afgelopen 12 maanden. In tabel 4.8 is te zien hoe dit aandeel verandert wanneer de kenmerken van de referentiegroep zouden wijzigen. Wanneer de referentiegroep bijvoorbeeld uit 65-plussers zou bestaan 67-5=62% zelf overlast ervaren van de waargenomen vormen van personenoverlast.
Uit de analyse blijkt dat de voornaamste effecten worden gevonden voor het achtergrond ‘migratieachtergrond’: respondenten met een eerste generatie migratieachtergrond (binnen en buiten Europa) nemen minder vormen van personenoverlast waar, maar van de vormen die ze wel waarnemen, ervaren ze meer overlast. De grootste effecten die daarop volgen zijn leeftijd en opleidingsniveau (65-plussers en hbo/wo-opgeleiden ervaren minder overlast van de waargenomen vormen). Daarnaast is er een aantal kleine effecten naar diverse achtergrondkenmerken op het waarnemen van overlast. Als het gaat om personenoverlast melden zijn er nauwelijks verschillen tussen groepen: alleen de jongste groep respondenten (15 t/m 29 jaar) meldt minder vaak, op andere kenmerken zijn er geen verschillen. Een voorbeeld: als de referentiegroep bijvoorbeeld uit 15 tot en met 29-jarigen zou bestaan met een migratieachtergrond vanuit Europa (eerste generatie) en de andere kenmerken blijven ongewijzigd, dan zou de groep 2,2 vormen van personenoverlast waarnemen, zou van 68% van die vormen overlast worden ervaren en zou 6% gemeld worden bij de gemeente. Tabel 4.7 Kenmerken van de referentiegroep
kenmerken referentiegroep vrouw, middelbaar opgeleid, 45-64 jaar, huurwoning, betaald werk, geen migratieachtergrond
aantal vormen personenoverlast waargenomen
aandeel vormen waarvan overlast ervaren
aandeel overlastvormen waarover is gemeld bij gemeente
3,7
67%
9% bron: VMAA
44
Tabel 4.8 Alternatieve achtergrondkenmerken (t.o.v. referentiegroep) en effect op overlast personen waarnemen, ervaren en melden* verschil waarnemen personenoverlast
verschil ervaren personenoverlast
verschil melden personenoverlast
geslacht: man
-0,2
-
-
opleiding: basis opgeleid
-0,3
-
-
opleiding: hbo/wo opgeleid
-
-3%
-
leeftijd: 15-29 jaar
-0,4
-
-3%
leeftijd: 30-44 jaar
-
-
-
leeftijd: 65 jaar e o
-0,4
-5%
-
woning: koopwoning
-0,1
-
-
-
-
-
-0,5
-
-
-
-
-
-1,1
4%
-
kenmerk overige groepen
arbeidspositie: geen betaald werk arbeidspositie: gepensioneerd arbeidspositie: scholier of student migratieachtergrond: Europa 1e generatie migratieachtergrond: Europa 2e generatie
-
-
-
migratieachtergrond: buiten Europa 1e generatie
-1,0
4%
-
migratieachtergrond: buiten Europa 2e generatie
-0,5
-
bron: VMAA
In de tabel zijn alleen significante verschillen weergegeven. * er is hierbij gecontroleerd voor de wijk waarin de respondent woont.
45