Bijlage 3 Meerjarenprogramma Kenniscentrum Ongelijkheid 2021-2023.pdf
Tekst van het document
Meerjarenprogramma 2021-2023
© Stichting Kenniscentrum Ongelijkheid, 2021 2
Inleiding De ongelijkheid in de Metropoolregio Amsterdam neemt toe. De groeiende welvaart van de afgelopen jaren is ongelijk verdeeld: er is tegelijkertijd sprake van verrijking en verarming. Sociale en geografische scheidslijnen worden scherper. Binnen de ring groeit het aandeel bewoners met hogere inkomens, die met elkaar strijden om dure koopwoningen in wijken met de beste voorzieningen. Aan de randen van de stad en in sommige omliggende gemeenten dreigt een concentratie en cumulatie van sociale en economische problematiek. De groeiende ongelijkheid is een bron van zorg. Het zet de toegankelijkheid van de stad en van stedelijke voorzieningen onder druk. Er dreigt uitsluiting van bewoners met beperkte toegang tot economische, sociale of culturele hulpbronnen. Middengroepen en gezinnen trekken weg uit de stad. Discriminatie – onder andere op de woningmarkt, op de arbeidsmarkt en in het onderwijs – zetten de onderlinge verbondenheid in de stad onder druk. De kansen op volwaardige participatie van de huidige en volgende generaties Amsterdammers zijn niet gelijk. Op verschillende plaatsen in de stad wordt hard gewerkt om de groeiende ongelijkheid een halt toe te roepen. Praktijkprofessionals in diverse beroepssectoren werken dagelijks aan het verbeteren van de kansen van verschillende groepen in de stad.
Gemeentelijke beleidsmakers en uitvoeringsinstanties houden zich op uiteenlopende beleidsterreinen bezig met het voorkomen en tegengaan van ongelijkheid. Onderzoekers aan kennisinstellingen buigen zich vanuit meerdere onderzoeksdisciplines over de oorzaken en gevolgen van ongelijkheid. De Gemeente Amsterdam en de vier grote kennisinstellingen in de stad – UvA, VU, HvA en Inholland – hebben besloten om hun expertise en inzet beter te gaan bundelen. Door bestaande kennis en praktijken te delen, en door nieuwe kennis en praktijken te ontwikkelen over het ontstaan en tegengaan van ongelijkheid, willen zij bijdragen aan het voorkomen en terugdringen van de groei en cumulatie van ongelijkheid in de Metropoolregio Amsterdam. In december 2020 tekenden zij voor de oprichting en financiering van het Kenniscentrum Ongelijkheid: een onafhankelijke stichting die tot doel heeft ongelijkheid in Amsterdam – en in het bijzonder de cumulatie van ongelijkheid binnen en over levensdomeinen en levensfasen heen – te beschrijven en te verklaren, en door middel van onderzoek bij te dragen aan de ontwikkeling van praktijken die deze ongelijkheid kunnen voorkomen of tegengaan. In dit eerste meerjarenprogramma staat omschreven op welke wijze het Kenniscentrum Ongelijkheid de komende drie jaar nader vorm wil geven aan deze missie. 3
Missie Het Kenniscentrum Ongelijkheid heeft tot doel nieuwe, aanhoudende of groeiende vormen van ongelijkheid in de Metropoolregio Amsterdam – en in het bijzonder de cumulatie van ongelijkheid binnen en over levensdomeinen en levensfasen heen – te beschrijven en te verklaren, en door middel van onderzoek bij te dragen aan de (door)ontwikkeling van praktijken die ongelijkheid kunnen voorkomen of tegengaan. Deze missie kan worden geconcretiseerd naar drie doeldomeinen: Beschrijven: het in kaart brengen van nieuwe, aanhoudende of groeiende vormen van ongelijkheid Begrijpen: het onderzoeken van de oorzaken en gevolgen van ongelijkheid Aanpakken: het door onderzoek helpen ontwikkelen, monitoren en evalueren van praktijken om ongelijkheid tegen te gaan Deze drie doeldomeinen hangen nauw met elkaar samen en bouwen op elkaar voort, zoals onderstaande figuur illustreert.
beschrijven
begrijpen
aanpakken
4
Visie Ongelijkheid wordt binnen het Kenniscentrum Ongelijkheid gedefinieerd als een door het systeem, omgeving of instituties gevormd verschil in mogelijkheden om volwaardig – dat wil zeggen: volgens de capaciteiten die men heeft – te participeren in de samenleving, en tot het gebruiken van voorzieningen die een volwaardige participatie kunnen bevorderen. Deze definitie impliceert dat niet alle bestaande of potentiële verschillen tussen individuen als een probleem worden aangemerkt. De populatie van Amsterdam kan op de meest uiteenlopende kenmerken als zeer divers worden aangemerkt. Juist in die diversiteit ligt de veerkracht en aantrekkingskracht van de stad. Het tegengaan van ongelijkheid is er niet op gericht te zorgen dat elk individu hetzelfde is, doet of bereikt, maar om het waarborgen van de mogelijkheden voor elk individu om te kunnen zijn, doen of bereiken wat hij of zij wil, kan en van waarde acht. De nadruk op mogelijkheden impliceert een focus op de evaluatie van kansen voor verschillende individuen of groepen, en van de mate waarin die gelijk of ongelijk zijn. Die kansen worden echter vaak bepaald door de mate waarin uitkomsten in een eerdere levensfase of in een ander levensdomein gelijk of ongelijk zijn.
Denk bijvoorbeeld aan ongelijkheid in inkomen, woonsituatie of gezondheid (ongelijke uitkomsten) die van invloed kan zijn op de mogelijkheden van individuen om bepaalde doelen na te streven of te realiseren (ongelijke kansen). Om die reden richt het Kenniscentrum Ongelijkheid zich in het bijzonder op de cumulatie van ongelijkheid over levensdomeinen en levensfasen heen. Ongelijke uitkomsten in het ene levensdomein beïnvloeden de kansen van individuen in een ander levensdomein. Ongelijke kansen in eerdere levensfasen zijn van invloed op de mogelijkheden om volwaardig te participeren in latere levensfasen. Een opeenstapeling van achterstanden kan een huidige generatie inwoners nu of later in de weg staan, maar is evenzeer van invloed op de kansen voor een volgende generatie. Aan ongelijkheid die zich op verschillende levensdomeinen voordoet, kunnen gelijksoortige mechanismes ten grondslag liggen. En niet zelden worden preventieve en curatieve aanpakken ingezet op verschillende levensdomeinen in dezelfe gebieden en/of voor dezelfde individuen of groepen. Voor een beter begrip en effectievere aanpak van het vraagstuk van ongelijkheid in de Metropoolregio Amsterdam is daarom een integrale benadering van ongelijkheid nodig, waarin de oorzaken en gevolgen van ongelijkheid zoveel mogelijk in samenhang worden onderzocht en aangepakt.
5
Organisatie Het Kenniscentrum Ongelijkheid is een netwerkorganisatie, waarin onderzoekers en maatschappelijke partners vanuit hun eigen functie en organisatie participeren in onderzoekssamenwerkingen op het gebied van ongelijkheid. De directeurbestuurder geeft leiding aan de organisatie. Er is een onafhankelijke Raad van Toezicht bestaande uit drie leden, een Bestuurlijk Overleg waarin vier wethouders en de bestuursvoorzitters van de betrokken kennisinstellingen zitting hebben, en een Programmaraad, bestaande uit vertegenwoordigers van de gemeente, de vier kennisinstellingen en twee praktijkpartners. Hieronder staat het organogram weergegeven. raad van toezicht
bestuurlijk overleg
directeurbestuurder
programmaraad
bureau
Het Kenniscentrum Ongelijkheid wordt in beginsel voor drie jaar gefinancierd door de Gemeente Amsterdam (in cash) en de vier kennisinstellingen (in cash en in kind). Buiten de vaste kosten voor het bureau wordt het budget volledig ingezet ten behoeve van de kernactiviteiten van het Kenniscentrum. Het Kenniscentrum Ongelijkheid heeft een gedragscode, een financieel protocol en een communicatieplan. Deze kunnen in overleg met de verschillende organen tussentijds worden aangepast wanneer daartoe aanleiding wordt gezien. Jaarlijks ontwikkelt de directeur-bestuurder in overleg met de Programmaraad en het Bestuurlijk Overleg het jaarplan, dat ter goedkeuring aan de Raad van Toezicht wordt voorgelegd. Over de gerealiseerde activiteiten en besteding van middelen legt de directeur-bestuurder op jaarbasis verantwoording af aan de Programmaraad, het Bestuurlijk Overleg en de Raad van Toezicht door middel van een bestuursverslag met jaarrekening. Hierop kan naar wens van de Raad van Toezicht een externe accountantscontrole worden uitgevoerd. 6
Kernactiviteiten De missie van het Kenniscentrum Ongelijkheid is vertaald naar drie kernactiviteiten: kennisknooppunt: het realiseren en faciliteren van kennisdeling en netwerkversterking vanuit bestaande en nieuw te ontwikkelen onderzoeksprogramma’s op het gebied van ongelijkheid kennisontwikkeling: het genereren van onderzoek naar de ontwikkeling van ongelijkheid en de mechanismes die hieraan ten grondslag liggen praktijkontwikkeling: het door middel van onderzoek helpen (door)ontwikkelen van praktijken die ongelijkheid kunnen voorkomen of tegengaan
Kennisknooppunt Deze kernactiviteit betreft het stimuleren en faciliteren van dialoog en samenwerking op het gebied van ongelijkheid tussen onderzoekers, beleidsmakers, praktijkprofessionals en bewoners, en het realiseren van een platform voor kennisdeling en netwerkversterking. Er wordt een online platform ingericht – www.kenniscentrumongelijkheid.nl – waarop informatie over lopende en afgeronde onderzoeksprojecten wordt gedeeld, en waar onderzoekers en maatschappelijke partners met elkaar in contact kunnen treden voor uitwisseling en samenwerking. Daarnaast wordt ingezet op fysieke bijeenkomsten – of online alternatieven zolang de situatie daartoe noopt – in de vorm van conferenties, programmabijeenkomsten en dialoogsessies op verschillende plaatsen in de stad. Jaarlijks wordt een digitale publicatie uitgebracht over de opbrengsten van de projecten in dat jaar, met in het derde jaar een overkoepelende eindpublicatie waarin de opbrengsten van de eerste periode van drie jaar Kenniscentrum Ongelijkheid worden gepresenteerd. In het eerste jaar van het Kenniscentrum Ongelijkheid zijn er minder opbrengsten te delen dan in latere jaren. Met name in het derde jaar zal bovendien actief worden ingezet op het verbinden van de opbrengsten van de verschillende projecten, programma’s en wijkwerkplaatsen die het Kenniscentrum Ongelijkheid faciliteert.
Om die reden wordt het driejarige budget voor deze kernactiviteit ongelijk gefaseerd ingezet, volgens een verdeling van 20% in 2021, 30% in 2022 en 50% in 2023.
Kennis- en praktijkontwikkeling De kernactiviteiten kennis- en praktijkontwikkeling worden zoveel mogelijk in samenhang georganiseerd en gefinancierd. In lijn met de beoogde verbinding tussen beschrijven, begrijpen en aanpakken, wil het Kenniscentrum Ongelijkheid de synergie tussen kennisontwikkeling (beschrijven en begrijpen van ongelijkheid) en 7
praktijkontwikkeling (aanpakken van ongelijkheid) zoveel mogelijk bevorderen. Waar gewenst – bijvoorbeeld wanneer wordt geconstateerd dat de balans teveel overhelt naar een van beide – kan echter altijd worden gekozen voor het gerichter stimuleren van een van beide. Omdat meerjarige projecten en programma’s vooral in het eerste jaar van het Kenniscentrum Ongelijkheid zullen starten en niet meer in het laatste jaar, wordt het driejarige budget voor deze kernactiviteiten ongelijk gefaseerd ingezet volgens een verdeling van 50% in 2021, 30% in 2022 en 20% in 2023. De beoogde kennis- en praktijkontwikkeling krijgt vorm langs drie routes, die hieronder nader worden toegelicht. onderzoeksprogramma’s onderzoeksprojecten wijkwerkplaatsen Onderzoeksprogramma’s Onderzoeksprogramma’s zijn meerjarige programma’s waarin meerdere deelprojecten door verschillende onderzoeks- en maatschappelijke partners in samenhang worden uitgevoerd rondom een centraal vraagstuk. Deze vraagstukken hebben altijd betrekking op de cumulatie van ongelijkheid over verschillende levensdomeinen en/of levensfasen heen. Daarbij kunnen uiteenlopende vertrekpunten worden genomen. Er kunnen bijvoorbeeld programma’s worden georganiseerd die vertrekken vanuit een bepaalde doelgroep (bv. jongeren, statushouders of ouderen), vanuit een ongelijkheidsbevorderend mechanisme (bv.
armoede, discriminatie of laaggeletterdheid) of vanuit een gebiedsgericht perspectief (bv. ruimtelijke segregatie, of de toegang tot stedelijke voorzieningen vanuit verschillende gebieden in en om de stad). In alle onderzoeksprogramma’s wordt gewerkt aan het beschrijven, begrijpen en aanpakken van ongelijkheid, waarbij zoveel mogelijk wordt voortgebouwd op bestaande data, kennis en praktijken vanuit onderzoek, beleid en praktijk. De vraagstukken die centraal staan in de onderzoeksprogramma’s worden in overleg met de programmaraad geagendeerd, waarna consortia van onderzoekers en maatschappelijke partners worden gevormd die de vraagstukken nader uitwerken en onderzoeken in verschillende deelprojecten. De onderzoeksprogramma’s hebben tot doel nieuwe verbindingen te genereren op het gebied van de cumulatie van ongelijkheid, door (1) partners, perspectieven en expertisegebieden samen te brengen die elkaar doorgaans minder of niet weten te vinden, (2) het aanjagen van de ontwikkeling van nieuwe kennis en praktijken die via bestaande kanalen in onderzoek, beleid en praktijk minder snel tot stand komen, en (3) het stimuleren van nieuwe manieren van (samen)werken om het vraagstuk van de cumulatie van ongelijkheid te beschrijven, te begrijpen en aan te pakken. 8
Onderzoeksprojecten Onderzoeksprojecten zijn op zichzelf staande projecten op het gebied van ongelijkheid in de Metropoolregio Amsterdam. Deze kunnen zich richten op het beschrijven, begrijpen of aanpakken van ongelijkheid, of op een combinatie hiervan. Voorstellen voor onderzoeksprojecten kunnen in reactie op een call for proposals worden ingediend door consortia van onderzoekers en maatschappelijke partners, waarna deze op basis van geschiktheid conform de gestelde beoordelingscriteria worden geselecteerd totdat het beschikbare budget is uitgeput. Calls kunnen volledig open worden ingericht, zodat nieuwe of andere vragen, perspectieven en ideeën kunnen worden ingebracht dan vooraf geagendeerd door het Kenniscentrum Ongelijkheid. Er kan ook voor worden gekozen om specifieke vraagstukken te agenderen, bijvoorbeeld wanneer op die manier thematische verbindingen of samenwerkingen tussen partners kunnen worden gestimuleerd die in een open call minder vanzelfsprekend of gemakkelijk van de grond komen, wanneer bepaalde vraagstukken door de programmaraad als urgent of onderbelicht worden aangemerkt, of wanneer bepaalde projecten in het bijzonder nuttig of noodzakelijk worden geacht voor het realiseren van de missie van het Kenniscentrum Ongelijkheid.
In alle gevallen dienen onderzoeksprojecten aantoonbaar aan te sluiten bij een kennisbehoefte in onderzoek, beleid en/of praktijk op het gebied van ongelijkheid. Ook dienen de beoogde opbrengsten relevantie te hebben voor professionals in beleid en/of praktijk die zich met het vraagstuk van (de cumulatie van) ongelijkheid bezighouden, en voor inwoners die door het betreffende vraagstuk worden geraakt. De projectduur kan variëren van enkele maanden tot enkele jaren, totdat de einddatum van de huidige samenwerkingsovereenkomst tussen de Gemeente en de kennisinstellingen is bereikt. Naast de onderzoeksprojecten die middels een financiële bijdrage van het Kenniscentrum Ongelijkheid worden gerealiseerd, brengen de betrokken kennisinstellingen individuele projecten in op het terrein van ongelijkheid, als onderdeel van de in kind cofinanciering. Wijkwerkplaatsen Waar onderzoeksprogramma’s en -projecten worden geleid door onderzoekers van de betrokken kennisinstellingen en worden uitgevoerd door consortia van onderzoeks- en maatschappelijke partners, wordt in de wijkwerkplaatsen de dialoog en samenwerking gezocht met bewoners en met in de wijk actieve professionals.
In de werkplaatsen staan de perspectieven en ervaringen van bewoners en professionals centraal met betrekking tot ongelijkheidsbevorderende mechanismes in de directe omgeving, bij organisaties en in de samenleving in bredere zin, alsmede de vraag wat er nodig zou zijn om de kansen op volwaardige participatie te 9
bevorderen. De dialoog is gericht op het identificeren van specifieke belemmeringen waartegen bewoners en professionals aanlopen, en van de aangrijpingspunten om de kansen van bewoners te verbeteren. De wijk wordt hierbij benaderd als vindplaats van cumulatie. Ervaringen van bewoners overstijgen de grenzen van onderzoeks- of beleidsdomeinen. Niet zelden is in een wijk sprake van een hoge dichtheid aan instanties en maatregelen, die elk vanuit een ander domein worden gericht op eenzelfde doelgroep. Professionals in de wijken kennen als geen ander de grenzen aan hun professionele ruimte en bevoegdheden om bewoners te ondersteunen. Voor de ontwikkeling van praktijken die de cumulatie van ongelijkheid tegengaan, is het daarom van grote waarde wanneer bewoners en professionals meedenken over de kansen en knelpunten voor het realiseren van een meer integrale aanpak van ongelijkheid. De toepassingsmogelijkheden van aanpakken die in de onderzoeksprogramma’s en onderzoeksprojecten worden ontwikkeld, kunnen in de wijkwerkplaatsen nader worden verkend en – wanneer de bewoners en professionals daarvan de meerwaarde onderschrijven - worden uitgeprobeerd en gemonitord. Hoewel van belang voor alle activiteiten van het Kenniscentrum Ongelijkheid, geldt voor de wijkwerkplaatsen in het bijzonder dat een open en inclusief klimaat dient te worden gecreëerd.
Elke deelnemer dient zich vrij en veilig te voelen om op basis van gelijkwaardigheid en vanuit het eigen perspectief en de eigen ervaringen bij te dragen aan de dialoog over het vraagstuk van ongelijkheid. In de bijeenkomsten dient erop te worden gelet dat eenieder de ruimte krijgt en ervaart om vanuit de eigen achtergrond, identiteit, ervaringen en perspectieven te participeren. Naast de algemene richtlijnen die hiertoe in de gedragscode en het communicatieplan zijn opgenomen, wordt hiervoor ten behoeve van de wijkwerkplaatsen een gerichte aanpak uitgewerkt.
10
Strategie De wens om de oorzaken en gevolgen van ongelijkheid zoveel mogelijk in samenhang te onderzoeken en aan te pakken, wordt door alle bij het Kenniscentrum Ongelijkheid betrokken partners onderschreven. Tegelijkertijd is er het besef dat de gewenste integratie en samenwerking tussen doorgaans scherp afgebakende onderzoeksdisciplines, beleidsdomeinen en beroepspraktijken niet vanzelf ontstaan. Het Kenniscentrum Ongelijkheid zal het vraagstuk van de cumulatie van ongelijkheid dus niet enkel moeten agenderen, maar zelf ook een aanjagende en faciliterende rol moeten spelen om de hiervoor benodigde samenwerking te bevorderen. Het zal onderzoekers en maatschappelijke partners moeten uitnodigen en uitdagen om over de grenzen van hun eigen expertisegebied heen te kijken, en ze waar nodig ondersteunen bij het identificeren van kansen en manieren voor verbinding en samenwerking. Het Kenniscentrum Ongelijkheid ontwikkelt hiertoe onder meer enkele werkvormen die tijdens bijeenkomsten kunnen worden ingezet. Voorbeelden zijn thematafels waar gericht de verbinding wordt gezocht rondom een afgebakend vraagstuk dat raakt aan verschillende programma’s en projecten, en de cumulatiecarrousel (zie de figuur hieronder), waarmee de verbinding tussen ongelijke uitkomsten en ongelijke kansen in verschillende levensdomeinen en levensfasen in beeld kan worden gebracht. uitkomsten
kansen
uitkomsten
kansen
cumulatiecarrousel uitkomsten
kansen
kansen
uitkomsten
Als kennisknooppunt heeft het Kenniscentrum Ongelijkheid een belangrijke taak in het helpen verbinden van de activiteiten en opbrengsten binnen de drie geschetste routes naar kennis- en praktijkontwikkeling. Input vanuit de wijkwerkplaatsen moet de weg kunnen vinden naar de onderzoeksprogramma’s en -projecten, en de kennis 11
en praktijken die deze programma’s en projecten opleveren moeten de weg terug kunnen vinden naar de wijkwerkplaatsen. Betrokkenen bij de individuele onderzoeksprojecten – zowel de door het Kenniscentrum gefinancierde projecten als de door de partnerinstellingen ingebrachte projecten – moeten elkaar kunnen vinden, en hun kennis en ideeën kunnen delen. Waar projecten, programma’s en werkplaatsen individueel starten, wordt onder begeleiding van het Kenniscentrum Ongelijkheid steeds verder toegewerkt naar onderlinge verbinding en inhoudelijke samenhang, zoals onderstaande figuur illustreert.
programma’s
projecten
werkplaatsen
verbinding en samenhang kennis over (de aanpak van) ongelijkheid
Nieuwe perspectieven, verbindingen en werkvormen vragen om ruimte om te proberen en experimenteren, niet alleen voor de betrokkenen binnen de verschillende routes, maar ook voor het Kenniscentrum Ongelijkheid zelf. Plannen en werkwijzen moeten niet bij voorbaat volledig dichtgetimmerd worden, er moet gelegenheid zijn om regelmatig stil te staan bij het verloop, en er moet ruimte zijn om plannen bij te stellen wanneer dat nodig wordt geacht. Voor de meerjarige onderzoeksprogramma’s wordt om die reden met jaarplannen gewerkt, waarbij na een jaar desgewenst ruimte is voor het verleggen van de koers en het betrekken van nieuwe of andere partners. Ook het Kenniscentrum Ongelijkheid zelf zal elk jaar een jaarplan opstellen, waarin wordt beschreven op welke manier concreet uitvoering zal worden gegeven aan de kernactiviteiten.
12
Ambitie Het Kenniscentrum Ongelijkheid wordt in eerste instantie gefinancierd voor drie jaar. In dit meerjarenprogramma is geschetst op welke wijze in die eerste periode vorm zal worden gegeven aan het streven naar kennisdeling, netwerkversterking, kennisontwikkeling en praktijkontwikkeling ten behoeve van het beschrijven, begrijpen en aanpakken van ongelijkheid, en in het bijzonder van de cumulatie van ongelijkheid binnen en over levensdomeinen en levensfasen heen. Halverwege het derde jaar van de huidige looptijd zal het Kenniscentrum Ongelijkheid worden geëvalueerd, waarna zal worden besloten over een vervolg van de samenwerking tussen de Gemeente Amsterdam, UvA, VU, HvA en Inholland. De ambitie is dat er tegen die tijd nieuwe verbindingen zijn gelegd, nieuwe samenwerkingen zijn gesmeed en nieuwe manieren van grensoverstijgend werken zijn ontwikkeld, die helpen om de ongelijkheid in Amsterdam beter te kunnen beschrijven, begrijpen en aanpakken. Het Kenniscentrum Ongelijkheid wil van meerwaarde zijn voor onderzoekers, beleidsmakers en praktijkprofessionals die zich, elk vanuit hun eigen rol en expertise, inzetten om ongelijkheid in de stad terug te dringen.
Beleid en praktijken die met ondersteuning van het Kenniscentrum Ongelijkheid worden ontwikkeld, moeten bovendien van meerwaarde zijn voor bewoners, en in het bijzonder voor degenen die zich geconfronteerd zien met de negatieve gevolgen van de groeiende ongelijkheid in de stad. Directe effecten op de ontwikkeling van ongelijkheid zijn niet te verwachten, noch als zodanig vast te stellen. De meerwaarde van het Kenniscentrum Ongelijkheid dient aan het einde van de looptijd van dit meerjarenprogramma door de verschillende betrokkenen te worden herkend, zowel in termen van de verbindingen die zijn ontstaan tussen onderzoekers, beleidsmakers en praktijkprofessionals, in termen van de kennis en praktijken die zijn ontwikkeld, en in termen van vernieuwende methoden in onderzoek, beleid en praktijk die bijdragen aan het beschrijven, begrijpen en aanpakken van de cumulatie van ongelijkheid. Het bestaan van een Kenniscentrum Ongelijkheid is immers geen doel op zich. Het is een middel in de strijd tegen ongelijkheid in de Metropoolregio Amsterdam.
13