Bijlage 3. Emancipatiemonitor 2025 - Onderwijs.pdf
Tekst van het document
Emancipatiemonitor 2025: Onderwijs Onderwijs
Onderzoek en Statistiek
In opdracht van: Projectnummer: Auteurs: E-mailadressen:
Bezoekadres: Post: Telefoon: Website:
afdeling Diversiteit 240263 Renske Hoedemaker Frederique van Spijker r.hoedemaker@amsterdam.nl f.van.spijker@amsterdam.nl President Kennedylaan 923 Postbus 658 1000 AR Amsterdam 020 251 0333 onderzoek.amsterdam.nl
Foto voorzijde: Leerlingen van de middelbare school Hubertus & Berkhoff in Zuid, fotograaf Denzel van Engel (2024) Amsterdam, februari 2026
Inhoud
Inhoud
2
Samenvatting
3
Inleiding
6
1
8
Basisschooladviezen
1.1 Amsterdamse meisjes en jongens krijgen dezelfde basisschooladviezen 8 1.2 De toets in groep 8 wijst bij meisjes vaker op een hoger niveau dan het voorlopig advies dan bij jongens 9
2
3
Diploma’s voortgezet onderwijs
11
2.1 2.2 2.3
11 13 15
Inschrijvingen mbo en ho 3.1 3.2
4
Aandeel meiden hoger onder havo- en vwo-gediplomeerden Jongens verlaten het onderwijs vaker zonder startkwalificatie dan meiden Sector- en profielkeuze vo volgt vaak traditioneel man-vrouwpatroon
17
Vrouwelijke studenten in de meerderheid op mbo-4 17 Sterke groei aantal Amsterdamse universitair studenten, vooral onder vrouwen 19
Opleidingsniveau bevolking
22
4.1 4.2
22 23
Opleidingsniveau Amsterdamse vrouwen en mannen ongeveer gelijk Jonge vrouwen vaker hbo- of wo-opgeleid dan jonge mannen
Literatuurlijst
26
Samenvatting
De afdeling Diversiteit heeft Onderzoek en Statistiek (O&S) gevraagd een nieuwe Emancipatiemonitor te ontwikkelen, die middels deelrapportages ingaat op de domeinen onderwijs, werk en inkomen, veiligheid, gezondheid en politieke representatie. Deze deelrapportage gaat over de onderwijsloopbanen van Amsterdamse vrouwen. Verklaringen voor verschillen schoolloopbanen mannen en vrouwen Deze rapportage laat duidelijke verschillen zien in de onderwijsloopbanen van vrouwen en mannen, zowel in Amsterdam als in heel Nederland. Uit een rapport van de Onderwijsraad uit 2020 blijkt dat dit niet wordt veroorzaakt door verschillen in de hersenontwikkeling, vroege schoolprestaties of vaardigheden van jongens en meisjes. Ook het grote aandeel vrouwelijke leerkrachten in het basisonderwijs heeft geen bewezen invloed op het schoolsucces van jongens of meisjes. Factoren die wel een verklaring vormen voor de genderverschillen in schoolloopbanen kunnen worden samengevat als de denkbeelden die binnen de maatschappij en onder individuen bestaan over gender. Ook de rolmodellen die beschikbaar zijn hebben invloed op het beeld dat kinderen ontwikkelen van hun eigen mogelijkheden en toekomstperspectieven. Daarnaast spelen de leeromgeving en het schoolsysteem een rol.
Amsterdamse meisjes en jongens krijgen dezelfde basisschooladviezen Sinds schooljaar 2022/’23 krijgen jongens en meisjes in Amsterdam even vaak een advies voor het vwo. In de jaren hiervoor wisselde dit en kregen het ene jaar jongens vaker een vwo advies en het andere jaar meisjes. Landelijk krijgen jongens juist structureel vaker een vwo advies dan meisjes. Meisjes krijgen landelijk sinds schooljaar 2019/’20 vaker een advies tot vmbo theoretisch dan jongens. In Amsterdam zien we deze ontwikkeling niet terug. Het advies voor vmbo-t of vmbo-t/havo wordt in Amsterdam over het algemeen net wat vaker aan meisjes gegeven dan aan jongens. Het advies voor havo of havo/vwo wordt in recente jaren afwisselend vaker aan jongens of meisjes gegeven, de verschillen hierin zijn klein. De toets in groep 8 wijst bij meisjes vaker op een hoger niveau dan het voorlopig schooladvies dan bij jongens Leerlingen krijgen in groep 8 eerst een voorlopig schooladvies van de leerkracht voor het niveau in het voortgezet onderwijs. Daarna maken ze de doorstroomtoets waaruit ook een advies volgt. Als het advies uit deze toets hoger is moet het schooladvies worden bijgesteld. Bij meisjes wees de toets in schooljaar 2023/’24 net als landelijk vaker op een hoger advies dan het voorlopig schooladvies dan bij jongens. In de jaren hiervoor gebeurde dit ook maar was het verschil minder groot.
Meisjes krijgen hierna wel structureel vaker een hoger bijgesteld advies, dit zien we landelijk niet terug. Aandeel meiden hoger onder havo- en vwo-gediplomeerden Het niveau van de basisschooladviezen van Amsterdamse leerlingen in groep 8 is dus ongeveer gelijk voor jongens en meisjes. Vanaf de middelbare school treden er verschillen op in de schoolloopbanen van jongens en meiden. Meiden hebben een grotere kans om tijdens hun middelbareschooltijd op te stromen wat betreft onderwijsniveau, terwijl jongens een grotere kans hebben om af te stromen. De effecten hiervan zijn zichtbaar in de manvrouwverhoudingen onder geslaagden op het voortgezet onderwijs: hoe hoger het
3
onderwijsniveau, hoe meer meiden een diploma halen. Dit komt overeen met het landelijke beeld. Jongeren zonder migratieachtergrond of met een Europese migratieachtergrond behalen vaker een havo- of vwo-diploma dan jongeren met een niet-Europese migratieachtergrond. Dit geldt voor zowel meiden als jongens en Amsterdam verschilt hierin niet van Nederland als geheel. In bijna alle herkomstgroepen behalen meiden vaker een havo- of vwo-diploma dan jongens. Onder jongeren met een Marokkaanse of Surinaamse achtergrond is dit verschil tussen meiden en jongens het grootst. Jongens verlaten het onderwijs vaker zonder startkwalificatie Een voortijdig schoolverlater heeft het onderwijs verlaten zonder startkwalificatie. Een startkwalificatie is een diploma op minimaal havo-, vwo- of mbo-2-niveau. In schooljaar 2023/’24 heeft vijf procent van de jongens het onderwijs zonder startkwalificatie verlaten, tegenover drie procent van de meiden. Dit verschil is stabiel over de tijd en groter dan landelijk. Sector- en profielkeuze vo volgt vaak traditioneel man-vrouw patroon Met de keuze van hun sector (vmbo) of profiel (havo en vwo) kiezen leerlingen in de bovenbouw van het voortgezet onderwijs de inhoudelijke richting van hun opleiding. De man-vrouw verhoudingen van de leerlingen per richting verschillen sterk.
Jongens kiezen vaker dan meiden voor een vakkenpakket gericht op techniek of economie. Meiden kiezen juist vaker voor zorg en cultuur. Deze verhoudingen zijn de afgelopen jaren stabiel en zien we ook landelijk terug. Vrouwelijke studenten in de meerderheid op mbo-4 Ook na de middelbare school blijven de onderwijsloopbanen van mannen en vrouwen van elkaar verschillen. Van alle Amsterdamse mbo-studenten is ongeveer de helft vrouw. Wanneer we dit per niveau bekijken zien we dat er op niveau 1 tot en met niveau 3 meer mannen studeren en op niveau 4 meer vrouwen. Deze verhoudingen zijn de afgelopen jaren stabiel en komen overeen met het landelijke beeld. Binnen de sectorkamer ‘zorg, welzijn en sport’ zijn vrouwen sterk in de meerderheid. In de andere sectorkamers studeren meer mannen, vooral in de sectorkamers ‘creatieve industrie en ict’ en ‘techniek en gebouwde omgeving’. In de meeste sectorkamers is de man-vrouwverhouding onder Amsterdamse mbo-studenten ongeveer gelijk aan die onder de totale groep mbo’ers in Nederland. Alleen in de sectorkamer ‘mobiliteit, transport en logistiek’ studeren onder Amsterdamse mbostudenten meer vrouwen dan landelijk. Sterke groei aantal Amsterdamse universitair studenten, vooral onder vrouwen Onder de groep Amsterdammers die zijn ingeschreven aan een hogeschool of universiteit zijn meer vrouwen dan mannen.
Dit geldt zowel voor het hbo als voor het wo, maar onder universitair studenten is het verschil groter. Binnen de groep Amsterdamse universitaire studenten is het aandeel vrouwen de afgelopen tien jaar ook gegroeid. Ook landelijk zijn vrouwelijke studenten zowel op het hbo als het wo in de meerderheid, maar de verschillen zijn kleiner dan in Amsterdam. In de sector ‘economie en maatschappij’ en ‘zorg en onderwijs’ zijn vrouwen in de meerderheid. In de sector ‘techniek en ict’ studeren juist meer mannen dan vrouwen, maar vrouwen zijn hier wel beter vertegenwoordigd dan landelijk. Jonge vrouwen vaker hbo- of wo-opgeleid dan jonge mannen Binnen de groep Amsterdammers van 15 tot en met 74 jaar oud is het opleidingsniveau van mannen en vrouwen ongeveer gelijk, net als landelijk. De man-vrouwverhoudingen zijn ook stabiel over de tijd. Wanneer we inzoomen op specifieke leeftijdscategorieën tekenen zich echter wel verschillen af. Onder oudere generaties, mensen vanaf circa 45 jaar, zijn mannen
4
vaker wo-opgeleid dan vrouwen. Onder jongere Amsterdammers, inwoners tot circa 45 jaar, zijn de verhoudingen andersom: jonge vrouwen hebben vaker een wo-diploma dan jonge mannen. Aandeel universitair opgeleide vrouwen verschilt per migratieachtergrond Binnen de groep Amsterdamse vrouwen varieert het opleidingsniveau op basis van migratieachtergrond. Amsterdamse vrouwen zonder migratieachtergrond zijn het vaakst universitair opgeleid. Daarna volgen vrouwen met een eerste generatie migratieachtergrond, dit zijn mensen die in het buitenland zijn geboren. Vrouwen met een tweede generatie migratieachtergrond zijn het minst vaak universitair opgeleid, dit zijn mensen die zelf in Nederland zijn geboren, met tenminste één ouder die in het buitenland is geboren. Het aandeel universitair opgeleiden verschilt nauwelijks tussen mannen en vrouwen zonder migratieachtergrond. Onder mannen en vrouwen met een migratieachtergrond zien we wel verschillen. Onder Amsterdammers met een eerste generatie migratieachtergrond zien we sinds 2017 dat mannen vaker universitair zijn opgeleid dan vrouwen. Voor 2017 lag dit aandeel tussen mannen en vrouwen lange tijd gelijk. Onder Amsterdammers met een tweede generatie migratieachtergrond zien we juist dat vrouwen vaker universitair zijn opgeleid dan mannen.
5
Inleiding
Eind 2024 is de landelijke Emancipatiemonitor uitgebracht door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), waarin recente gegevens over de positie van vrouwen en mannen op diverse terreinen worden gepresenteerd. Uit deze monitor blijkt dat ongelijkheid tussen vrouwen en mannen op een aantal terreinen blijft bestaan (CBS, 2024). Ook in Amsterdam zagen we in de laatste Amsterdamse Emancipatiemonitor ongelijkheid tussen vrouwen en mannen (O&S, 2018). De afdeling Diversiteit heeft Onderzoek en Statistiek (O&S) gevraagd een aantal van deze cijfers te updaten en een nieuwe Emancipatiemonitor te ontwikkelen, die middels deelrapportages ingaat op de domeinen bevolking, onderwijs, werk en inkomen, veiligheid, gezondheid en politieke participatie. In deze deelrapportage wordt gekeken naar de opleiding van Amsterdamse vrouwen. Welke basisschooladviezen krijgen meisjes in groep 8? Welke diploma’s halen zij op de middelbare school? Welke opleidingen volgen vrouwen in het mbo en ho? Hoeveel vrouwen verlaten het onderwijs zonder startkwalificatie? En wat is het opleidingsniveau van Amsterdamse vrouwen? Deze vragen beantwoorden we in relatie tot Amsterdamse mannen. Waar mogelijk vergelijken we de Amsterdamse cijfers en ontwikkelingen met de landelijke.
Omdat geslacht slechts één van iemands achtergrondkenmerken is, hebben we ook gekeken naar verschillen tussen mannen en vrouwen in combinatie met andere achtergrondkenmerken. Deels volgen we hierin de landelijke emancipatiemonitor van het CBS, die resultaten uitsplitst naar migratieachtergrond. Daarnaast is gekeken naar het opleidingsniveau van ouders omdat we uit eerder onderzoek van O&S naar de schoolloopbanen van leerlingen weten dat dit een belangrijke rol speelt. Verklaringen voor verschillen schoolloopbanen mannen en vrouwen Deze rapportage laat duidelijke verschillen zien in de onderwijsloopbanen van vrouwen en mannen, zowel in Amsterdam als in heel Nederland. Een rapport van de Onderwijsraad uit 2020 biedt een overzicht van de wetenschappelijke kennis over de mogelijke oorzaken van deze verschillen. Het rapport concludeert dat de verschillen niet worden veroorzaakt door verschillen in de hersenontwikkeling, vroege schoolprestaties of vaardigheden. Dit soort genderverschillen zijn gemiddeld genomen te klein om verschillen in de schoolloopbanen te kunnen verklaren. Ook het grote aandeel vrouwelijke leerkrachten in het basisonderwijs heeft geen bewezen invloed op het schoolsucces van jongens of meisjes.
Factoren die wel een verklaring vormen voor de genderverschillen in schoolloopbanen kunnen worden samengevat als de denkbeelden die binnen de maatschappij en onder individuen bestaan over gender. Deze denkbeelden, bijvoorbeeld stereotype ideeën over welke vaardigheden, studierichtingen en beroepen bij welk gender ‘passen,’ vertalen zich in verschillende verwachtingen en gedrag ten opzichte van jongens en meisjes. Ook de rolmodellen die beschikbaar zijn, hebben invloed op het beeld dat kinderen ontwikkelen van hun eigen mogelijkheden en toekomstperspectieven. Ook de leeromgeving en het schoolsysteem spelen een rol. In een leeromgeving met te weinig duidelijkheid, structuur en begeleiding zijn jongens meer in het nadeel dan meisjes.
6
Meisjes hebben gemiddeld genomen meer baat bij een late selectie naar onderwijsniveau, bijvoorbeeld door een verlengde brugklas. Vergeleken met andere EU-landen is de segregatie naar opleidingsrichting op basis van gender in Nederland vrij groot. Ook in de rest van de EU zijn vrouwen ondervertegenwoordigd bij opleidingen in technische en bètawetenschappelijke richting, maar in Nederland zijn de verschillen groter dan gemiddeld. Gebruikte terminologie en data In deze rapportage bespreken we het opleidingsniveau van Amsterdamse vrouwen en mannen. De termen die hierbij gangbaar zijn impliceren vaak een waardeoordeel (laag- of hoog opgeleid, afstromen naar een lager schoolniveau, middelbaar beroepsonderwijs versus hoger onderwijs). In deze rapportage vermijden we daarom termen die onnodig een waardeoordeel uitdrukken en proberen we waar mogelijk de specifieke onderwijsniveaus te benoemen. Echter, het Nederlandse schoolsysteem is fundamenteel hiërarchisch opgebouwd. Het niveau van het diploma dat mensen binnen dit systeem behalen is van grote invloed op arbeidsmarktuitkomsten, wat weer gevolgen heeft voor andere levensuitkomsten. Het doel van deze rapportage is het in beeld brengen van ongelijkheid tussen mannen en vrouwen in het onderwijs en daarmee in de maatschappij.
Om deze reden gebruiken we waar relevant wel hiërarchische termen voor het aanduiden van opleidingsniveaus en loopbanen in het onderwijs. In deze rapportage is gebruik gemaakt van data van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Indien beschikbaar wordt openbare data van CBS Statline gerapporteerd. Voor de overige analyses is gebruik gemaakt van CBS Microdata. Alle analyses in deze rapportage zijn gebaseerd op geregistreerd geslacht. In de beschikbare registraties worden alleen de categorieën man en vrouw gehanteerd. Er is dus geen informatie beschikbaar over genderidentiteit, die anders kan zijn dan het geregistreerd geslacht, of andere categorieën dan man en vrouw. Bij de analyse van het opleidingsniveau van Amsterdammers tussen de 15 en 74 jaar oud (hoofdstuk 4) is gebruik gemaakt van de dataset zoals deze door CBS beschikbaar wordt gesteld. Voor een deel van de Amsterdammers (en Nederlanders) is het opleidingsniveau niet bekend. Met behulp van de weging wordt een schatting gemaakt van deze ontbrekende gegevens. Zo kunnen alsnog voor de gehele bevolking uitspraken worden gedaan over de meest waarschijnlijke samenstelling qua opleidingsniveau (zie voor meer informatie website CBS).
7
1 Basisschooladviezen
Op de basisschool krijgen alle leerlingen in groep 8 een voorlopig schooladvies van hun docent voor het voortgezet onderwijs. Daarna maken ze een toets waaruit ook een advies volgt en op basis van deze twee adviezen wordt een definitief schooladvies gegeven. Mogelijke schooladviezen zijn voortgezet speciaal onderwijs (vso), praktijkonderwijs (pro), vmbo basisberoepsgerichte leerweg (vmbo-b), vmbo kaderberoepsgerichte leerweg (vmbo-k), vmbo gemengde/theoretische leerweg (vmbo-g/t), havo, vwo, of een combinatie van deze schooladviezen. In dit hoofdstuk zijn de definitieve basisschooladviezen in beeld gebracht onder de groep leerlingen die in groep 8 op een Amsterdamse basisschool zaten en het jaar erna de overstap hebben gemaakt naar voortgezet onderwijs.
1.1 Amsterdamse meisjes en jongens krijgen dezelfde basisschooladviezen In Amsterdam is het aandeel leerlingen met een advies voor het vwo de afgelopen tien jaar gestegen. In schooljaar 2014/’15 kreeg 23 procent van de leerlingen dit advies en in schooljaar 2023/’24 was dit 27 procent. Sinds schooljaar 2022/’23 krijgen jongens en meisjes even vaak een advies voor het vwo (zie figuur 1.1). In de jaren hiervoor wisselde dit en kregen het ene jaar jongens vaker een vwo advies en het andere jaar meisjes. Landelijk krijgen jongens juist structureel vaker een vwo advies dan meisjes (CBS Statline). Het aandeel leerlingen met een advies tot vmbo theoretisch (praktijkonderwijs, vmbo basis, vmbo basis/kader, vmbo kader en vmbo kader/theoretisch) is in Amsterdam de laatste tien jaar gedaald. In schooljaar 2014/’15 kreeg 26 procent van de leerlingen een van deze adviezen en in schooljaar 2023/’24 was dit 18 procent. Jongens kregen in deze periode bijna altijd vaker een advies uit deze groep dan meisjes. In het meest recente schooljaar 2023/’24 zien we dit verschil niet, jongens en meisjes kregen even vaak een van deze adviezen. Landelijk krijgen meisjes sinds de Covid-19-pandemie juist vaker een advies tot vmbo theoretisch dan jongens (CBS, 2024). Het advies voor vmbo-t of vmbo-t/havo wordt in Amsterdam over het algemeen net wat vaker aan meisjes gegeven dan aan jongens.
Het advies voor havo of havo/vwo werd tot en met schooljaar 2019/’20 vaker aan meisjes dan jongens gegeven. In de jaren hierna wisselt dit tussen jongens en meisjes en zijn de verschillen klein.
8
Figuur 1.1 Basisschooladviezen van Amsterdamse jongens en meisjes in groep 8 in schooljaar 2014/’15-2023/’24
bron: CBS Microdata, bewerking O&S
1.2 De toets in groep 8 wijst bij meisjes vaker op een hoger niveau dan het voorlopig advies dan bij jongens Leerlingen krijgen in groep 8 eerst een voorlopig schooladvies van de leraar voor het niveau in het voortgezet onderwijs. Daarna maken ze een toets waaruit ook een advies volgt. Tot schooljaar 2023/’24 heette dit de centrale eindtoets. Sindsdien heet dit de doorstroomtoets. Bij een hoger toetsadvies heeft een leerling recht op heroverweging van het schooladvies. Scholen hoefden tot schooljaar 2023/’24 het advies niet bij te stellen. Sindsdien zijn zij hier wel toe verplicht. Alleen bij uitzondering kan de school besluiten het schooladvies te laten staan. In schooljaar 2023/’24 kwam bij 22 procent van de Amsterdamse leerlingen een hoger advies uit de doorstroomtoets. Net als landelijk gebeurde dit vaker bij meisjes dan jongens. Van de Amsterdamse meisjes kreeg 24 procent een hoger toetsadvies, van de Amsterdamse jongens was dit 20 procent (zie figuur 1.2). Met andere woorden: gemiddeld genomen is het voorlopig schooladvies voor meisjes vaker een onderschatting ten opzichte van het toetsresultaat dan voor jongens. In de jaren hiervoor zien we dit ook maar was het verschil minder groot. Amsterdamse meisjes krijgen hierna wel structureel vaker een bijgesteld advies.
Dat wil zeggen dat hun advies naar boven wordt bijgesteld als hun toetsresultaat hoger is dan het schooladvies van de leerkracht. Landelijk is dit niet het geval, jongens en meisjes krijgen gemiddeld in Nederland even vaak een bijgesteld advies. De onderschatting van meisjes komt bij de volgende basisschooladviezen het sterkst voor: vmbo-t, havo, havo/vwo en vwo. Jongens worden op deze niveaus juist vaker overgeadviseerd, de toets wijst bij hen vaker op een lager niveau dan dat zij als voorlopig advies hebben gekregen.
9
Figuur 1.2 De uitslag van de centrale eindtoets/doorstroomtoets* van Amsterdamse meisjes en jongens in groep 8 in schooljaar 2014/’15-2023/’24
* Tot schooljaar 2023/’24 maakten leerlingen in groep 8 de Centrale Eindtoets. Sinds schooljaar 2023/’24 heet dit de doorstroomtoets. bron: CBS Microdata, bewerking O&S
In een recent landelijk onderzoek van DUO (2025) worden aan aantal mogelijke verklaringen voor de onderadvisering van meisjes genoemd, bijvoorbeeld dat een eerdere puberteit van meisjes invloed zou kunnen hebben op hun schooladviezen, dat meisjes minder op de voorgrond treden met hun cognitieve vaardigheden dan jongens, en dat rekenen op de basisschool zwaarder meeweegt dan taalvaardigheid. Vooralsnog is er geen onderzoek bekend waarin deze verklaringen worden getoetst.
10
2 Diploma’s voortgezet onderwijs
De definitieve basisschooladviezen van Amsterdamse leerlingen in groep 8 zijn ongeveer gelijk voor jongens en meisjes, al zijn er wel verschillen in de schooladviezen ten opzichte van de toetsuitslagen (zie hoofdstuk 1). Vanaf de middelbare school treden er ook verschillen op in de schoolloopbanen van jongens en meiden. Meiden hebben een grotere kans om tijdens hun middelbareschooltijd op te stromen naar een hoger onderwijsniveau, terwijl jongens een grotere kans hebben om af te stromen naar een lager niveau (O&S, 2022). De effecten hiervan zijn zichtbaar in de man-vrouwverhoudingen onder geslaagden op het voortgezet onderwijs per onderwijsniveau: meiden halen vaker dan jongens een havo- of vwo-diploma.
2.1 Aandeel meiden hoger onder havo- en vwo-gediplomeerden Jaarlijks behalen circa 6.000 in Amsterdam wonende scholieren hun middelbareschooldiploma. Per onderwijsniveau zijn er duidelijke verschillen in de manvrouw verhouding van de gediplomeerden. Kort gezegd: hoe hoger het onderwijsniveau, hoe meer meiden een diploma halen (zie figuur 2.1). Onder Amsterdamse jongeren met een vmbo-basis of -kaderdiploma zijn de jongens in de meerderheid; onder jongeren die een havo- of vwo-diploma halen zijn juist meer meiden dan jongens. Binnen de groep met diploma vmbo-gemengd/-theoretisch zijn ongeveer evenveel meiden als jongens. Voor deze monitor zijn de gegevens over diploma’s in het voortgezet onderwijs in kaart gebracht voor schooljaar 2018/’19 tot en met 2023/’24. In deze periode zijn de man-vrouw verhoudingen per onderwijsniveau redelijk stabiel.
11
Figuur 2.1 Aantal Amsterdammers dat in 2023/’24 een vo-diploma behaalde, naar onderwijsniveau en geslacht (aantallen) 1.000 950
900 850
800 700
700 690
600
810 740
meiden jongens
500 400 370
300 200 100
410
200 140
0
bron: CBS Microdata, bewerking O&S
Meiden behalen dus vaker een havo- of vwo-diploma dan jongens. Net als in de landelijke emancipatiemonitor door CBS (CBS, 2024) hebben we deze verschillen ook naar migratieachtergrond in beeld gebracht. Allereerst valt op dat jongens en meiden zonder migratieachtergrond (zijzelf en hun beide ouders zijn in Nederland geboren) of met een Europese migratieachtergrond veel vaker een havo- of vwo-diploma halen dan scholieren met een andere migratieachtergrond (zie figuur 2.2). Het verschil tussen jongens en meiden wisselt per migratieachtergrond en is het grootst onder de groep met een Marokkaanse en Surinaamse achtergrond. Van de leerlingen met een Marokkaanse migratieachtergrond haalt 46 procent van de meiden een havo of vwo diploma ten opzichte van 33 procent van de jongens. Van de leerlingen met een Surinaamse achtergrond haalt 40 procent van de meiden een havo of vwo diploma tegenover 26 procent van de jongens. De mechanismen en factoren die samenhangen met verschillen in schoolloopbanen naar migratieachtergrond vormen een breed en complex onderzoeksgebied, waar we in deze rapportage geen recht aan kunnen doen. Publicaties die een startpunt kunnen vormen om dit onderwerp verder te verkennen zijn onder andere gemaakt door het CPB (2020), Kennisplatform Integratie & Samenleving (2020) en Soeterik et al. (2025).
12
Figuur 2.2 Percentage Amsterdammers dat in 2023/’24 een havo- of vwo-diploma haalde naar migratieachtergrond en geslacht, ten opzichte van alle geslaagden in dezelfde groep (procenten)
69
jongens 75
Europese migratieachtergrond
67 41
Turkse migratieachtergrond
41 46
Marokkaanse migratieachtergrond
33 40
Surinaamse migratieachtergrond
26
54
Overige migratieachtergrond
0%
meiden
74
geen migratieachtergrond
49
20%
40%
60%
80%
bron: CBS Microdata, bewerking O&S
Op landelijk niveau zijn de man-vrouw verhoudingen onder jongeren met een vo-diploma per onderwijsniveau ongeveer hetzelfde als in Amsterdam (zie ook CBS, 2024). Een groot verschil is dat het aandeel jongeren dat een havo- of vwo-diploma behaalt in Amsterdam veel hoger is dan landelijk. In 2023/’24 was op landelijk niveau 35 procent van alle behaalde vo-diploma’s een havo-of vwo-diploma. In Amsterdam was dit 57 procent. Ook landelijk behalen scholieren zonder migratieachtergrond of met een Europese migratieachtergrond vaker een havo- of vwo-diploma dan scholieren met een niet-Europese migratieachtergrond.
2.2 Jongens verlaten het onderwijs vaker zonder startkwalificatie dan meiden Een voortijdig schoolverlater heeft het onderwijs verlaten zonder startkwalificatie. Een startkwalificatie is een diploma op minimaal havo-, vwo- of mbo-2-niveau. Voortijdig schoolverlaten wordt als een maatschappelijk probleem gezien omdat het de arbeidsparticipatie en sociale aansluiting van jongeren belemmert. Het aantal voortijdig schoolverlaters wordt voor jongeren tot 23 jaar in beeld gebracht. In Amsterdam zijn jongens vaker voortijdig schoolverlater dan meiden. Dit verschil zien we ook landelijk (CBS, 2024). In schooljaar 2023/’24 heeft vijf procent van de jongens het onderwijs (vo, mbo of voortgezet algemeen volwassenenonderwijs) zonder startkwalificatie verlaten, tegenover drie procent van de meiden. Het verschil is stabiel over de tijd (zie figuur 2.3). In schooljaar 2019/’20 daalde het aantal voortijdig schoolverlaters zowel onder jongens als meiden. Dit kan worden verklaard door de Covid-19-pandemie. In dat schooljaar ging het schriftelijk examen niet door waardoor het slagingspercentage in het voortgezet onderwijs hoger lag
13
dan in andere jaren (CBS Statline). In de jaren erna is het aantal voortijdig schoolverlaters weer toegenomen. Sinds schooljaar 2021/’22 is dit aantal zowel onder jongens als meiden groter dan voor de Covid-19-pandemie. Deze ontwikkeling zien we ook landelijk. Wel is het aandeel voortijdig schoolverlaters vooral onder jongens in Amsterdam hoger dan in heel Nederland. In schooljaar 2022/’23 had in heel Nederland 3 procent van de jongens het onderwijs zonder startkwalificatie verlaten en 2 procent van de meiden. Figuur 2.3 Ontwikkeling aantal voortijdig schoolverlaters in Amsterdam onder mannen en vrouwen, schooljaar 2014/’15-2023/’24
bron: CBS Microdata, bewerking O&S
Voortijdig schoolverlaten hangt samen met het opleidingsniveau van de ouders. Het aandeel jongeren dat voor hun 23e geen startkwalificatie haalt is het grootst onder de groep waarvan de ouder(s) ook geen startkwalificatie hebben behaald. Dit zien we zowel onder jongens als meiden. Figuur 2.4 Opleidingsniveau ouders van voortijdig schoolverlaters in Amsterdam onder mannen en vrouwen, schooljaar 2023/’24
bron: CBS Microdata, bewerking O&S
14
2.3 Sector- en profielkeuze vo volgt vaak traditioneel manvrouwpatroon Met de keuze van hun sector (vmbo) of profiel (havo en vwo) kiezen leerlingen in de bovenbouw van het voortgezet onderwijs de inhoudelijke richting van hun opleiding. De man-vrouw verhoudingen verschillen sterk per richting. Jongens kiezen vaker dan meiden voor een vakkenpakket gericht op techniek of economie. Meiden kiezen juist vaker voor zorg en cultuur. Zoals besproken in de inleiding van dit rapport laten andere onderzoeken zien dat maatschappelijke denkbeelden, verwachtingen en rolmodellen rondom gender een belangrijke invloed hebben op de studie- en beroepskeuze van jongens en meiden. Op het vmbo kunnen leerlingen kiezen uit vier sectoren: Techniek, Landbouw, Economie of Zorg en Welzijn. Een combinatie van de sectoren is ook mogelijk. De sectoren Economie en Zorg en Welzijn zijn veruit het populairst (zie figuur 2.5). Van alle Amsterdammers die in 2023/’24 een vmbo-diploma behaalden, volgde 39 procent de sector Economie en 31 procent de sector Zorg en Welzijn. De sector Techniek is met 13 procent veel minder populair. In deze sector zijn jongens ruim in de meerderheid: van de 320 Amsterdamse jongeren die in 2023/’24 een vmbo-diploma in de sector Techniek behaalden, was 84 procent een jongen.
Ook binnen de sector Economie zijn jongens in de meerderheid: in 2023/’24 was 57 procent van de 970 vmbo-gediplomeerden in deze sector een jongen. Meiden kiezen juist veel vaker voor de sector Zorg en Welzijn. In 2023/’24 bestond de groep van 770 vmbo-gediplomeerden in deze sector voor 72 procent uit meiden. Deze verhoudingen zijn de afgelopen jaren stabiel. Landelijk kiezen jongeren op het vmbo wat vaker voor de sector Techniek of Landbouw en minder vaak voor Economie. De manvrouwverhoudingen binnen de sectoren zijn landelijk ongeveer hetzelfde als in Amsterdam. Figuur 2.5 Aantal Amsterdammers dat in 2023/’24 een vmbo-diploma behaalde, naar sector en geslacht (aantallen) 600
560
560
500 meiden jongens
400
410
300 270 200
210
130
100 50 0
190
Techniek
60
80
Landbouw
Economie
Zorg en welzijn
Combinatie
bron: CBS Microdata, bewerking O&S
15
Op de havo en het vwo kunnen leerlingen kiezen uit vier profielen: Cultuur & Maatschappij, Economie & Maatschappij, Natuur & Gezondheid en Natuur & Techniek. Het is ook mogelijk om profielen te combineren. Op het vwo kiezen Amsterdamse leerlingen vaker een natuurprofiel dan een maatschappijprofiel (Open onderwijsdata). Op de havo zien we het tegenovergestelde, hier kiezen meer leerlingen een maatschappijprofiel dan een natuurprofiel en is vooral het profiel Economie en Maatschappij populair. Zowel op de havo als het vwo zijn jongens in het profiel Economie en Maatschappij in de meerderheid: in 2023/’24 was 59 procent van de havo/vwo-gediplomeerden met dit profiel een jongen (zie figuur 2.6). Het profiel Natuur & Techniek wordt relatief weinig gekozen als enkelvoudig profiel, maar ook hier zijn jongens ruim in de meerderheid: in 2023/’24 was 78% van de 180 geslaagde Amsterdamse leerlingen met dit profiel een jongen. Meiden zijn in de meerderheid binnen de profielen Cultuur & Maatschappij (77 procent) en Natuur & Gezondheid (64 procent). Binnen de groepen die twee profielen combineren zijn meiden ook in de meerderheid, maar de man-vrouw verhoudingen zijn wel veel meer in balans dan bij de enkelvoudige profielen.
Dit is te verklaren doordat de twee meestvoorkomende profielcombinaties beide een combinatie zijn van een profiel dat vaker door jongens wordt gekozen en een profiel dat vaker door meiden wordt gekozen. De man-vrouwverhoudingen binnen de profielen zijn de afgelopen jaren ongeveer hetzelfde gebleven. Alleen het aantal mannen dat kiest voor de combinatie Economie & Maatschappij / Cultuur & Maatschappij is de afgelopen drie jaar iets gegroeid. Binnen de enkelvoudige profielen Natuur & Gezondheid en Cultuur & Maatschappij is het aandeel vrouwen juist iets groter geworden. De man-vrouwverhoudingen per profiel zijn in Amsterdam ongeveer gelijk aan het landelijke beeld. Figuur 2.6 Aantal Amsterdammers dat in 2023/’24 een havo- of vwo-diploma behaalde, naar profiel en geslacht (aantallen) 600
meiden
400
jongens
540
500
400
370
370
360
300
320
250
200 100 0
210
210 140
120 40 Cultuur & Economie & Economie & Natuur & Maatschappij Maatschappij Maatschappij/ Gezondheid Cultuur & Maatschappij
Natuur & Techniek
Natuur & Techniek/ Natuur & Gezondheid
bron: CBS Microdata, bewerking O&S
16
3 Inschrijvingen mbo en ho
Ook na de middelbare school blijven de onderwijsloopbanen van mannen en vrouwen van elkaar verschillen. Hier beschrijven we de man-vrouwverhoudingen onder Amsterdamse studenten. Het gaat om inwoners van Amsterdam die staan ingeschreven bij een mbo, hogeschool of universiteit. Dit kunnen ook onderwijsinstellingen buiten Amsterdam zijn.
3.1 Vrouwelijke studenten in de meerderheid op mbo-4 In studiejaar 2024/’25 studeerden er circa 16.700 Amsterdammers aan het mbo. Van alle Amsterdamse mbo-studenten is ongeveer de helft vrouw (48%). Ook de man-vrouwverhoudingen onder Amsterdamse mbo’ers per niveau zijn de afgelopen tien jaar redelijk stabiel. Wel is het aandeel vrouwen op de entree-opleiding in de afgelopen tien jaar iets toegenomen. (De entree-opleiding, ook wel mbo-1 genoemd, duurt maximaal een jaar en is toegankelijk voor mensen zonder middelbare schooldiploma. Een diploma van de entree-opleiding is geen startkwalificatie maar geeft toegang tot opleidingen op mbo-2niveau.) Op de mbo-4 opleiding nam het aandeel vrouwen de laatste paar jaar juist iets af. Ondanks deze ontwikkelingen zijn de mannelijke studenten op de mbo-entreeopleiding tot en met mbo niveau 3 in de meerderheid, en studeren op mbo niveau 4 juist meer vrouwen dan mannen (zie figuur 3.1). De man-vrouwverhoudingen op het mbo in Amsterdam komen overeen met het landelijke beeld. Ook op landelijk niveau zijn mannelijke mbo-studenten in de meerderheid op de entree-opleiding tot en met niveau 3; en bestaat de groep studenten aan opleidingen op mbo niveau 4 voor meer dan de helft uit vrouwen (CBS, 2024).
17
Figuur 3.1 Aantal Amsterdamse mbo-studenten* per mbo-niveau, naar geslacht, voorlopige gegevens over studiejaar 2024/’25 (aantallen) 6.000 vrouwen 5.000
mannen
5.140 4.610
4.000
3.000
2.250
2.000 1.420
1.000 500 0
970
750
mbo-entreeopleiding
mbo niveau 2
1.110
mbo niveau 3
mbo niveau 4
*Studenten die in Amsterdam wonen en studeren aan een mbo-instelling binnen of buiten Amsterdam. bron: CBS Statline
Mbo-opleidingen zijn op basis van studierichting ingedeeld in negen sectorkamers of bedrijfstakgroepen (zie figuur 3.2). Onder Amsterdamse mbo-studenten is ‘zorg, welzijn en sport’ de sectorkamer met de meeste studenten. Binnen deze sectorkamer zijn vrouwen sterk in de meerderheid. Van alle Amsterdammers die in studiejaar 2024/’25 een opleiding volgden binnen de sectorkamer ‘zorg, welzijn en sport’ was 73 procent vrouw. In de meeste andere sectorkamers zijn juist de mannelijke mbo-studenten in de meerderheid. Met name in de sectorkamers ‘creatieve industrie en ict’ (76 procent mannen) en ‘techniek en gebouwde omgeving’ (91 procent mannen) is het aandeel mannen veel groter dan het aandeel vrouwen. In de meeste sectorkamers is de man-vrouwverhouding onder Amsterdamse mbo-studenten ongeveer gelijk aan die onder de totale groep mbo’ers in Nederland. Alleen in de sectorkamer ‘mobiliteit, transport en logistiek’ studeren onder Amsterdamse mbo-studenten meer vrouwen dan landelijk. In studiejaar 2024/’25 was 27 procent van de Amsterdamse mbo-studenten in deze sectorkamer een vrouw, landelijk was dit 16 procent. In de sectorkamer ‘creatieve industrie en ict’ is het aandeel vrouwen landelijk juist hoger (35 procent in studiejaar 2024/’25) dan onder Amsterdamse mbo-studenten (24 procent). Deze verhoudingen zijn de laatste 10 jaar weinig veranderd.
18
Figuur 3.2 Aantal Amsterdamse mbo-studenten* per sectorkamer, naar geslacht, voorlopige cijfers over studiejaar 2024/’25 (aantallen) zorg, welzijn en sport zakelijke dienstverlening handel voedsel, groen en gastvrijheid entree creatieve industrie en ICT mobiliteit, transport, logistiek techniek en gebouwde omgeving
Vrouwen Mannen
specialistisch vakmanschap 0
1.000
2.000
3.000
4.000
5.000
*Studenten die in Amsterdam wonen en studeren aan een mbo-instelling binnen of buiten Amsterdam. bron: CBS Statline
3.2 Sterke groei aantal Amsterdamse universitair studenten, vooral onder vrouwen Onder de groep Amsterdammers in het hoger onderwijs (studenten ingeschreven aan een hogeschool of universiteit) zijn meer vrouwen dan mannen. Dit geldt zowel voor het hbo als voor het wo, maar onder universitair studenten is het verschil groter. Binnen de groep Amsterdamse universitaire studenten is het aandeel vrouwen de afgelopen tien jaar ook gegroeid (zie figuur 3.3). Van alle Amsterdammers die in studiejaar 2024/’25 een hbo-studie volgden was 56 procent vrouw. Het aantal Amsterdamse hbo-studenten is de laatste tien jaar redelijk stabiel, net als het aandeel vrouwen in deze groep. Onder de groep Amsterdammers die in studiejaar 2024/’25 studeerden aan een universiteit was het aandeel vrouwen 60 procent. De groep Amsterdamse universitaire studenten is de laatste tien jaar met ruim een kwart gegroeid. Deze groei was sterker onder vrouwen dan onder mannen. Ook landelijk zijn vrouwelijke studenten zowel op het hbo als het wo in de meerderheid, al zijn de verschillen kleiner dan in Amsterdam. Van alle Amsterdamse hbo-studenten is 56 procent een vrouw, landelijk is dit 53 procent. In het wo is 60 procent van de Amsterdamse studenten vrouw, landelijk is dit 54 procent (CBS Statline).
Verder promoveerden er op landelijk niveau in de laatste twee jaar waarover gegevens bekend zijn iets meer vrouwen dan mannen (studiejaar 2022/’23 en 2023/’24, CBS Statline). Vrouwelijke studenten in het hoger onderwijs zijn over het algemeen succesvoller dan mannen. Ze behalen gemiddeld
19
sneller een diploma en het aandeel studenten dat zonder een diploma het hoger onderwijs verlaat is lager onder vrouwen dan mannen (CBS, 2024). Figuur 3.3 Aantal Amsterdamse studenten* aan het hbo en wo naar geslacht, studiejaar 2015/’16 tot en met 2023/’24 en voorlopige gegevens over studiejaar 2024/’25 25.000
20.000 wo vrouwen
wo mannen 15.000
hbo vrouwen hbo mannen
10.000
5.000
0
2016/'17
2018/'19
2020/'21
2022/'23
2024/'25*
*Studenten die in Amsterdam wonen en studeren aan een hogeschool of universiteit binnen of buiten Amsterdam, gegevens over 2024/’25 zijn voorlopig. Sinds schooljaar 2021/’22 zien we het totaal aantal hbo-studenten dat in Amsterdam woont dalen. Dit komt overeen met een daling van het aantal studenten aan de hbo-instellingen in de stad (O&S, 2025). Ook het aantal wo-studenten dat in Amsterdam woont is in het meest recente studiejaar gedaald. Deze daling zien we niet terug aan de Amsterdamse universiteiten, daar studeren juist meer studenten dan een paar jaar geleden. Het tekort aan studentenwoningen in Amsterdam (Landelijke monitor studentenhuisvesting, 2025) kan een verklaring zijn dat deze studenten steeds minder vaak een woning vinden in de stad. bron: CBS Microdata, bewerking O&S
De verhoudingen naar studierichting in het hbo en wo lijken sterk op die in het mbo (zie figuur 3.4). De sector met de meeste hbo- en wo-studenten is ‘economie en maatschappij.’ Hier zijn vrouwen in de meerderheid. In studiejaar 2024/’25 was 57 procent van de bachelor studenten in deze sector een vrouw en onder masterstudenten was dit 63 procent. Vooral aan de universiteit studeert binnen deze sector een groot aandeel vrouwen. Landelijk is de oververtegenwoordiging van vrouwen in de sector ‘economie en maatschappij’ wat minder sterk dan in Amsterdam. In Nederland was 52 procent van de bachelorstudenten in Nederland een vrouw en 59 procent van de masterstudenten. Ook aan opleidingen in de sector ‘zorg en onderwijs’ studeren meer vrouwen dan mannen. Van de bachelor studenten binnen deze sector is 75 procent vrouw, van de masterstudenten 70 procent. In de sector ‘techniek en ict’ studeren juist meer mannen dan vrouwen. Van de Amsterdamse bachelorstudenten in deze sector is slechts 33 procent vrouw, van de masterstudenten 37 procent. Onder Amsterdamse studenten zijn vrouwen wel beter vertegenwoordigd in de sector ‘techniek en ict’ dan landelijk. In heel Nederland was 22
20
procent van de bachelorstudenten in deze sector een vrouw en 31 procent van de masterstudenten. Binnen alle sectoren is het aandeel vrouwelijke studenten de afgelopen jaren licht gestegen, zowel onder bachelor- als masterstudenten. Ten opzichte van tien jaar geleden heeft de grootste ontwikkeling plaatsgevonden binnen de sector ‘landbouw en natuur.’ In 2014/’15 was 45 procent van de Amsterdamse bachelorstudenten in deze sector vrouw, in 2024/’25 is dit 51 procent. Een vergelijkbare stijging vond plaats onder Amsterdamse masterstudenten in deze sector. ‘Landbouw en natuur’ is onder Amsterdamse studenten wel de kleinste sector, met in totaal circa 4.000 bachelor- en masterstudenten. Verder zien we ook onder masterstudenten in de sector ‘techniek en ict’ een relatieve sterke groei van het aandeel vrouwen: van 31 procent in 2015/’16 naar 37 procent in 2024/’25. Figuur 3.4 Aantal Amsterdamse studenten* aan het hbo en wo naar sector**, opleidingsniveau en geslacht, voorlopige gegevens over studiejaar 2024/’25 18.000 16.000 14.000 12.000 10.000 8.000 6.000 4.000
2.000 0
bachelor master bachelor master bachelor master bachelor master bachelor master
economie en maatschappij
landbouw en natuur
techniek en ict vrouwen
zorg en onderwijs
overig
mannen
* Studenten die in Amsterdam wonen en studeren aan een hogeschool of universiteit binnen of buiten Amsterdam. ** Sectorindeling is de ‘Opleidingsclassificatie naar Niveau en Richting 2019’ (ONR2019), indeling ontwikkeld door CBS en Researchcentrum Onderwijs- en Arbeidsmarkt (ROA). bron: CBS Microdata, bewerking O&S
21
4 Opleidingsniveau bevolking
Hieronder beschrijven we het opleidingsniveau van Amsterdammers tussen de 15 en 75 jaar oud. De verschillen in de onderwijsloopbanen van vrouwen en mannen hebben hun weerslag op het opleidingsniveau van de bevolking. De gevolgen van ontwikkelingen van de afgelopen jaren die eerder in dit rapport worden beschreven zijn uiteraard vooral te zien bij de jongere generaties Amsterdammers.
4.1 Opleidingsniveau Amsterdamse vrouwen en mannen ongeveer gelijk Binnen de groep Amsterdammers van 15 tot en met 74 jaar oud is het opleidingsniveau van mannen en vrouwen ongeveer gelijk (zie figuur 4.1). Wel hebben vrouwen iets vaker dan mannen een hbo-diploma als hoogst behaald diploma (19 procent tegenover 17 procent van de mannen), en iets minder vaak een opleidingsniveau van maximaal mbo-1 (21 procent tegenover 23 procent van de mannen). Ook landelijk is het opleidingsniveau van mannen en vrouwen in deze leeftijdscategorie ongeveer gelijk. Het aandeel universitair opgeleiden (onder mannen en vrouwen) is in Amsterdam echter veel hoger dan landelijk. In 2023 was 31 procent van de Amsterdammers universitair opgeleid; landelijk was dit 13 procent. Amsterdam telt naar verhouding juist veel minder mbo-opgeleiden dan Nederland gemiddeld.
Amsterdam Nederland
Figuur 4.1 Samenstelling inwoners van 15 t/m 74 jaar naar opleidingsniveau, 2023 (procenten) vrouw
26
40
20
13
man
26
42
18
14
vrouw
21
man
23
0%
29 30 20% max. mbo-1
40%
19
30
17
31
60%
mbo2-mbo4 of havo/vwo
80% hbo
100%
wo
bron: CBS Microdata, bewerking O&S
Het aandeel universitair (wo) opgeleide Amsterdammers neemt toe (zie figuur 4.2). In 2014 had 25 procent van de Amsterdammers een universitair diploma tegenover 31 procent in 2023. Het aandeel inwoners met maximaal een mbo-1 diploma neemt juist af en het aandeel mbo niveau 2-4 en hbo-opgeleiden blijft ongeveer gelijk. De man-vrouwverhouding binnen elk opleidingsniveau is in de afgelopen jaren weinig veranderd. Landelijk doet zich de laatste jaren een vergelijkbare ontwikkeling voor, met als verschil dat naast een stijging in universitair opgeleiden ook het aantal hbo-opgeleide Nederlanders toeneemt. In Amsterdam zien we geen toename van het aandeel hbo-opgeleide inwoners.
22
Figuur 4.2 Ontwikkeling percentage Amsterdammers per opleidingsniveau en geslacht, 2014-2023 (procenten) 40% vrouw max. mbo-1 man max. mbo-1
35%
vrouw mbo2-mbo4 man mbo2-mbo4
30%
vrouw hbo man hbo
25%
vrouw wo 20%
man wo
15% 10% 5% 0% 2014
2015
2016
2017
2018
2019
2020
2021
2022
2023
bron: CBS Microdata, bewerking O&S
4.2 Jonge vrouwen vaker hbo- of wo-opgeleid dan jonge mannen Zoals beschreven in paragraaf 4.1 zijn er tussen mannen en vrouwen nauwelijks verschillen in opleidingsniveau wanneer we kijken naar de gehele bevolking van 15 tot en met 74 jaar oud. Wanneer we inzoomen op specifieke leeftijdscategorieën tekenen zich echter wel verschillen af. De afgelopen decennia is er in Nederland veel veranderd in het gemiddeld opleidingsniveau van mannen en vrouwen. Jongere generaties zijn vaker hbo of universitair opgeleid dan oudere generaties en jonge vrouwen hebben jonge mannen ingehaald wat betreft het aandeel gediplomeerden uit het hoger onderwijs. Deze ontwikkelingen zijn ook zichtbaar in de Amsterdamse bevolkingspiramides per opleidingsniveau (figuur 4.3). Onder oudere generaties, mensen vanaf circa 45 jaar, zijn mannen vaker wo-opgeleid dan vrouwen. Vrouwen in deze leeftijdscategorie hebben juist iets vaker maximaal een mbo-1 diploma. Onder jongere Amsterdammers, inwoners tot circa 45 jaar, zijn de verhoudingen andersom. Jonge mannen hebben vaker een mbo-1 diploma dan vrouwen. Dit sluit aan bij het gegeven dat jongens vaker dan meisjes vroegtijdig (zonder startkwalificatie) het onderwijs verlaten (zie paragraaf 2.2). Jonge vrouwen hebben juist vaker een wo-diploma. Dit past bij de eerdere bevinding dat er al jaren meer vrouwen dan mannen studeren aan de universiteit.
Mannen hebben vaker dan vrouwen een diploma mbo-2 t/m mbo-4, havo- of vwo. Alleen onder jongeren tot 25 jaar zijn de verhoudingen andersom en hebben meer vrouwen dan mannen dit opleidingsniveau. Dit patroon komt overeen met de bevinding dat vrouwen gemiddeld genomen sneller hun opleiding doorlopen en daardoor op jongere leeftijd hun eerste diploma behalen dan mannen (CBS, 2024). Vrouwen onder de 25 zijn dus vaker al
23
klaar met hun havo, vwo of mbo-opleiding dan mannen. Een deel van deze groep, zowel mannen als vrouwen, studeert waarschijnlijk nog verder. Figuur 4.3 Amsterdammers naar leeftijd, opleidingsniveau en geslacht, 2023 (aantallen)
De donkergroene vlakken geven aan waar de groep vrouwen groter is dan de groep mannen; de donkerblauwe vlakken geven aan waar de groep mannen groter is dan de groep vrouwen. In die leeftijdscategorieën zijn er meer vrouwen dan wel mannen met de desbetreffende opleiding. We zien bijvoorbeeld dat er in de leeftijdsgroep van 25-29 jaar met een wo-opleiding meer vrouwen dan mannen zijn. bron: CBS Microdata, bewerking O&S
Gemiddeld genomen zijn Amsterdamse vrouwen en mannen dus ongeveer even hoog opgeleid. Binnen de groep Amsterdamse vrouwen varieert het opleidingsniveau op basis van migratieachtergrond. Amsterdamse vrouwen zonder migratieachtergrond zijn het vaakst universitair opgeleid: 36 procent heeft een universitair diploma. Amsterdamse vrouwen met een eerste generatie migratieachtergrond (zij zijn in het buitenland geboren) zijn ook vaak universitair opgeleid, namelijk 30 procent. Onder Amsterdamse vrouwen van de tweede generatie, dit zijn mensen die zelf in Nederland zijn geboren, met tenminste één ouder die in het buitenland is geboren, ligt het aandeel universitair opgeleiden veel lager: 20 procent van hen heeft een diploma van de universiteit.
24
Het aandeel universitair opgeleiden verschilt nauwelijks tussen mannen en vrouwen zonder migratieachtergrond. Onder mannen en vrouwen met een migratieachtergrond zien we wel verschillen. Onder Amsterdammers met een eerste generatie migratieachtergrond zien we sinds 2017 dat mannen vaker universitair zijn opgeleid dan vrouwen. Voor 2017 lag dit aandeel lange tijd gelijk. Onder Amsterdammers met een tweede generatie migratieachtergrond zien we juist dat vrouwen vaker universitair zijn opgeleid dan mannen. Zoals ook genoemd in paragraaf 2.1 zijn de mechanismen die deze verschillen zouden kunnen verklaren ingewikkeld, omdat ze samenhangen met veel verschillende andere achtergrondkenmerken. Om deze verschillen goed te kunnen verklaren is uitgebreider (literatuur)onderzoek nodig. Dit past niet binnen het doel van deze rapportage. In deze rapportage beschrijven we daarom alleen een aantal opvallende verschillen.
25
Literatuurlijst
CBS. (2024). Emancipatiemonitor 2024. Opgehaald van: https://longreads.cbs.nl/emancipatiemonitor-2024/ CBS. (2025, maart 27). Vo; examenkandidaten en gediplomeerden, onderwijssoort, woonregio [Dataset]. https://opendata.cbs.nl/#/CBS/nl/dataset/85382NED/table?ts=1762517815811 CBS. (2025, maart 28). Wetenschappelijk onderwijs; promoties, studierichting [Dataset]. https://opendata.cbs.nl/#/CBS/nl/dataset/83966NED/table?ts=1760954303675 CBS. (2025, april 8). Hoger Onderwijs; eerste- en ouderejaarsstudenten, studierichting, herkomst [Dataset]. https://opendata.cbs.nl/#/CBS/nl/dataset/85421NED/table?ts=1760954472538 CBS. (2025, April 18). Schooladvies en herziening advies basisonderwijs; achtergrondkenmerken [Dataset]. https://opendata.cbs.nl/#/CBS/nl/dataset/84274NED/table?dl=CA0D2 CBS. (z.d.). Hoogsteopltab: Hoogst behaald/gevolgd opleidingsniveau. https://www.cbs.nl/nl-nl/onze-diensten/maatwerk-en-microdata/microdata-zelfonderzoek-doen/microdatabestanden/hoogsteopltab-hoogst-behaald-gevolgdopleidingsniveau Centraal Planbureau. (2020). Ongelijkheid van het jonge kind. Opgehaald van: https://www.cpb.nl/ongelijkheid-van-het-jonge-kind Dienst Uitvoering Onderwijs. (2025). Verschil in schooladvies tussen jongens en meiden. Meiden op achterstand. Opgehaald van: https://duo.nl/open_onderwijsdata/images/verschil-in-schooladvies-tussen-jongensen-meiden.pdf Dienst Uitvoering Onderwijs.
(2025, December 22). Leerlingen per vestiging naar onderwijstype, sector, afdeling, opleiding [Dataset]. https://duo.nl/open_onderwijsdata/voortgezet-onderwijs/aantal-leerlingen/aantalleerlingen.jsp Kennisplatform Integratie en Samenleving. (2020). Schoolloopbanen van jongeren met een migratieachtergrond. Opgehaald van: https://www.kis.nl/sites/default/files/202206/schoolloopbanen-jongeren.pdf Onderwijsraad. (2020). Een verkenning van sekse verschillen in het onderwijs. Opgehaald van: https://www.onderwijsraad.nl/documenten/2020/10/07/verkenningsekseverschillen-onderwijs
26
Onderzoek & Statistiek. (2018). Monitor Vrouwenemancipatie 2017. Opgehaald van: https://onderzoek.amsterdam.nl/publicatie/monitor-vrouwenemancipatie-2017 Onderzoek & Statistiek. (2022). Factsheet schoolloopbaan, niveauoverstap en schoolwisselingen. Opgehaald van: https://onderzoek.amsterdam.nl/publicatie/factsheet-schoolloopbaanniveauoverstap-en-schoolwisselingen Onderzoek & Statistiek. (2025). De Staat van de Stad Amsterdam XIII, 2024-2025. Opgehaald van: https://onderzoek.amsterdam.nl/publicatie/de-staat-van-de-stadamsterdam-xiii-2024-2025 Rijksoverheid. (2025). Landelijke monitor studenthuisvesting 2025. Opgehaald van: https://open.overheid.nl/documenten/d92d885f-2234-416d-b599-972ac5ef9b4f/file Soeterik, I., Fikrat-Wevers, S., Yassine, D., Badou, M., de Winter-Koçak, S., van Rhemen, R., Maeve Powlick, K., & Felten, H. Onderzoeken wat we niet zien Een verkennende literatuurstudie naar onderadvisering vanuit intersectioneel perspectief. Opgehaald van: https://www.movisie.nl/sites/movisie.nl/files/2025-05/Onderzoeken-wat-wijniet-zien-onderadvisering-in-Nederland.pdf
27