bijlage 3 DEF-Plan_bijlage 2 Programma van Eisen.pdf
Tekst van het document
© ToornendPartners, Hauser & Wirth, Illa del Rei, Menorca (SP), voorbeeld educatieruimte
40
Programma van Eisen
41
Onderdeel van dit cluster zijn ook een community ruimte die door partners van het museum benut kunnen worden (3.11). In principe is er een opslagkast in iedere educatieruimte, maar voor het cluster als geheel is ook een separate centrale opslagruimte opgenomen (3.12).
CLUSTER 4: organisatie In het nieuwe museumgebouw zullen diverse organisaties gehuisvest worden. Voor het kantorendeel is er een separate dienstingang (4.1). Deze wordt ook gebruikt door vrijwilligers. Nabij deze eigen ingang is een sanitaire groep opgenomen voor medewerkers en vrijwilligers alsook een garderobe met lockers (4.2). De primaire gebruiker van de kantoren is de toekomstige museumorganisatie. Er wordt rekening gehouden met goed ergonomisch ingerichte werkplekken voor 20 medewerkers (flexibel in te delen, 4.3). Overal is goede draadloze connectiviteit. Ook is er een directiekantoor met een kleine vergaderplek op de kamer. Alle werkplekken moeten voldoen aan de NEN 1824 in het kader van ergonomie. Dit geldt overigens ook voor alle andere plekken waar mensen (zittend) werk verrichten, of het nu de informatiebalie of in de werkplaats is. Er zijn drie vergaderruimten van circa 30 m² voor 10 personen per ruimte (4.4). Deze ruimten zijn met flexibele wanden van elkaar gescheiden, waardoor er één grote ruimte van gemaakt kan worden. De kwaliteit van de scheidingswanden moet dusdanig zijn dat er geen overdracht van geluid is tussen de ruimten om gelijktijdig gebruik mogelijk te maken. In alle drie af te zonderen ruimten zijn voorzieningen opgenomen voor het geven van presentaties en voor videobellen en -vergaderen.
Ook zijn er voorzieningen zodat er extra werkplekken gerealiseerd kunnen worden. De vergaderruimten zijn voorzien van in de ruimte regelbare zonwering aan de binnenzijde en volledige verduistering die in de ruimte regelbaar is. De vergaderruimten zijn ook geschikt om te kunnen verhuren of voor ander gebruik van derden. Nabij de vergaderruimten is de lunchruimte voor medewerkers en vrijwilligers (4.6) opgenomen. In de lunchruimte is een pantry opgenomen met onder meer een koelkast en een magnetron of oven voor het opwarmen van meegebrachte maaltijden. Behalve de museumorganisatie zelf zullen ook andere organisaties in het nieuwe gebouw gehuisvest worden. Voor dergelijke organisaties, uitgaande van 10 tot 12 werkplekken, wordt een aantal projectkantoren opgenomen (4.5). In deze kantoren zijn werktafels en kastruimte aanwezig, maar de inrichting is voor het overige van de gebruikers. Er is, net als in de kantoorruimten en de vergaderruimten, goede connectiviteit. Onderdeel van het cluster is de meldkamer waar de beveiliging van het museum in wordt ondergebracht (4.7). In de meldkamer zijn drie werkplekken opgenomen. De meldkamer is ingericht, indien nodig in verband met een bruikleen, voor 24 uursbewaking. De meldkamer heeft eigen sanitair en is gekoppeld aan de serverruimte waarin in de zin van beveiliging vitale installaties zijn ondergebracht (Main Equipment Room of MER, 4.8).
In de serverruimte is ook een opslagkast voor reserveonderdelen van de beveiliging. De meldkamer alsook de serverruimte zijn voorzien van separate ventilatie en koeling en worden bouwkundig in de hoogste weerstandsklasse uitgevoerd van de NEN-EN 1627: Weerstandklasse 6 (WK6). Ook worden hoge eisen gesteld aan de beveiligingsinstallaties (met beeld en intercom geverifieerde toegangscontrole).
42
Programma van Eisen
Tot slot is voor Cluster 4 een separate centrale opslagruimte voorzien voor kleine voorraden van kantoormiddelen en dergelijke.
CLUSTER 5: ondersteunende ruimten In het cluster ‘ondersteunende ruimten’ is onder andere een depot ondergebracht. Het museale concept van de kwartiermakers gaat uit van het beschikken over een kleine kerncollectie. Daarvan zou aangenomen kunnen worden dat die kerncollectie overwegend op zaal aanwezig zal zijn als onderdeel van de vaste presentatie. Voor het overige zal gewerkt worden met bruiklenen van andere instellingen, zowel in Nederland als daarbuiten. Omdat het museale concept nog in ontwikkeling is, wordt in het PvE uitgegaan van een volwaardig depot met een gedifferentieerde kwaliteit ten aanzien van museale bewaarcondities. Er wordt rekening gehouden met een centraal depot van 200 m² (5.1) dat te zijner tijd mogelijk in kleinere (brand) compartimenten uitgevoerd zal worden. De compartimenten zijn sterk beveiligd als het gaat om brandveiligheid, maar er is uiteraard ook beveiliging door middel van CCTV en detectie en toegangscontrole. Het depot wordt ingericht met stellingen, gaaswanden, ladekasten en dergelijke. Behalve dit centrale depot, wordt uitgegaan van een kleiner depotdeel (5.2) voor het opslaan van bijzondere objecten. Dit zijn objecten die kwetsbaar zijn en daardoor andere klimaatcondities kunnen vergen. Ook kunnen hier objecten van bruikleengevers opgeslagen worden alvorens in een tijdelijke tentoonstelling te worden geplaatst.
Alle depotruimten zijn geschikt om spanningsloos te maken buiten werktijden van het museum, behoudens minimale technieken die nodig zijn in het kader van de klimaatbeheersing en de beveiliging. Hiermee wordt potentieel brandgevaar beperkt. Ten aanzien van de brandveiligheid geldt de NEN 6069 uitgaande van een bouwkundige schil van 90 minuten WBDBO rondom deze ruimten, adequate branddetectie en voor de collectie geschikte repressieve middelen. Verder is er een werkplaats opgenomen voor het werken aan (tijdelijke) tentoonstellingen (5.3). Ook kunnen daar kleine onderhoudswerkzaamheden in eigen beheer uitgevoerd worden. De werkplaats is voldoende ruim om een deel in te richten als machinale ruimte met bijbehorende installaties en voorzieningen en een deel af te scheiden voor andere werkzaamheden. Tot slot is er een separate opslagruimte (5.4).
CLUSTER 6: logistieke ruimten en voorzieningen Voor een museum zijn goede logistieke voorzieningen onmisbaar. Voor het arbotechnisch verantwoord kunnen laden en lossen van objecten is een inpandig truckdock aanwezig (6.1). Aan de toegang tot het truckdock worden hoge beveiligingseisen gesteld, aangezien dat de plek is waar bruiklenen binnenkomen. De breedte van de ruimte is voldoende om ook een vrachtwagen die aan de zijkant gelost moet worden op te kunnen vangen. Om aan te sluiten op verschillende laadhoogtes van voertuigen is een traploos instelbaar hefplateau aanwezig dat vlak in de laadvloer opgenomen is. Er is ook een hijsvoorziening aanwezig (traverse met takels) ter ondersteuning van het lossen. Nabij het truckdock is een transitoruimte (6.2) waar objecten in verpakking klaarstaan voor verzending of tijdelijk opgeslagen worden om uit te kunnen pakken. Naastgelegen is een quarantaineruimte (6.3) waarin voorzieningen opgenomen zijn voor het klimatiseren van objecten voordat ze het museum(depot) ingaan en waar
43
eventueel ongedierte onschadelijk gemaakt wordt. Onderdeel van het logistieke cluster is ook de emballageruimte waar objecten in- en uitgepakt kunnen worden. In de ruimte zijn opslagvoorzieningen opgenomen voor inpakmateriaal 6.4) en zo meer. Ook voor al deze ruimten geldt dat ze goed beveiligd zijn in verband met bruikleenverkeer. Voor handling van objecten en het bouwen van tentoonstellingen zijn allerlei gereedschappen nodig en andere arbeidsmiddelen zoals een hoogwerker, steekwagens (eventuele kleine vorkheftruck) en dergelijke. Voor deze middelen is een stallingsruimte opgenomen (6.5). Hier worden ook middelen die opgeladen moeten worden of losse accu’s opgeladen. In verband met brandgevaar is deze ruimte extra brandveilig uitgevoerd indachtig PGS 15 (Publicatie Gevaarlijke Stoffen) en de NEN 6069 uitgaande van een bouwkundige schil van 90 minuten WBDBO rondom, branddetectie en voor elektrische geschikte repressieve middelen. In de ruimtestaat is ook de logistieke route beschreven (6.7). Het oppervlak wordt bepaald in de toeslag zoals die hierna wordt toegelicht. Van belang voor de logistieke hoofdroutes door het museumgebouw is dat de hoofdroutes minimaal 1,5 m breed zijn – vrije breedte – en geheel drempelloos uitgevoerd worden.
De onderste 1,2 m van de wanden dient dusdanig stootvast te worden uitgevoerd, dat randen van karren en dergelijke niet tot kostbare, frequente herstelling leiden. De route van het truckdock naar de verschillende logistieke ruimten en het depot en middelen voor verticaal transport, worden zoveel mogelijk zonder haakse hoeken uitgevoerd. Als er toch bochten gemaakt moeten worden met transportkarren en grote objecten, dan dient de breedte van de gangen daar op te worden aangepast. © ToornendPartners, Skulpturenpark Waldfrieden, Wuppertal (DU), voorbeeld museumterras
Cluster 7: terreinvoorzieningen Het terreinprogramma bevat het terras van het restaurant (7.1) met een kruidentuin. Er is verder opslag voor gereedschappen en machines die nodig zijn voor het onderhouden van het stadspark (7.2). Ook wordt rekening gehouden met het laden en lossen, met opstelplaatsen voor hulpdiensten en het parkeren. In lijn met het gemeentelijke beleid en het principe ‘duurzaam ontwikkelen’ zoals dat in paragraaf 4.3 is uitgewerkt, wordt alleen voorzien in parkeren voor mindervaliden en voor het stallen van fietsen. De locatie wordt nog bepaald, maar een basiseis is de goede bereikbaarheid met het openbaar vervoer. Voor regulier parkeren ten behoeve van bezoekers en medewerkers worden geen voorzieningen getroffen, overeenkomstig gemeentelijk beleid.
© ToornendPartners, Hauser & Wirth, Illa del Rei, Menorca (SP), voorbeeld kruidentuin
44
Programma van Eisen
45
Cluster 8: stadspark Het parklandschap of het stadspark rondom het museumgebouw vormt daar een geheel mee. Er is voor gekozen om een ruim park aan te leggen. Het nieuwe stadspark is net als andere parken in de stad toegankelijk voor iedereen. Er zijn diverse functies in opgenomen. Voor het landschapsontwerp zal in een later stadium een deelprogramma van eisen opgesteld worden, in aansluiting op de kenmerken van de locatie zoals ligging, bodemgesteldheid, bezonning, waterhuishouding en dergelijke. In het landschapsontwerp dienen alle elementen van het parkcluster op een zorgvuldige en passende wijze geïntegreerd te worden, indachtig maximale toegankelijkheid (inclusief gebruiksgemak en veiligheid). Bij de uitwerking van de programmadelen zoals het amfitheater en de contemplatiezones, dient te worden aangegeven welke technische voorzieningen nodig zijn die tijdelijk of permanent aanwezig dienen te zijn. Gedacht wordt aan verlichting, eventueel het kunnen aansluiten van een geluidsinstallatie of misschien het permanent aanwezig zijn van dergelijke voorzieningen bijvoorbeeld langs bepaalde routes door het park. Ook kunnen elementen tegen windhinder nodig blijken te zijn. Hiertoe dient in de ontwerpfase het effect van het beoogde bouwvolume op het park te worden onderzocht (toets stedenbouwfysica).
© ToornendPartners, Anneau de la Mémoire – Notre Dame de Lorette, Ablain-Saint-Nazare (FR), voorbeeld gedenken
Er dient bij voorkeur te worden gewerkt met vaste inrichtingselementen die weinig aandacht behoeven in de zin van beheer en onderhoud. Door middel van het ontwerp en doordachte materiaalkeuze dient vandalisme actief te worden voorkomen. Voor een deel van de inrichtingselementen geldt dat deze ingekocht kunnen worden. Dit zorgt voor goede vervangbaarheid. Er zijn echter ook elementen die indachtig de visie van het museum integraal onderdeel uit zullen maken van het ontwerp en de expressie van het museum. Dit geldt bijvoorbeeld voor elementen van de onderstaande programmadelen: •
de herdenkingstuin;
•
de verschillende plaatsen voor spirituele ceremonies;
•
de contemplatiezones.
Er is veel ruimte waar bezoekers plechtig, dan wel feestelijk samen kunnen zijn met ruimte voor spirituele ceremonies en dergelijke (8.1). Net als in het gebouw zijn er plekken voor contemplatie en stilte in afzondering (8.2 en 8.3). Er zijn waterpartijen en verschillende groene zones voor allerlei vormen van gebruik. Dit zijn bijvoorbeeld speelplaatsen en picknickplaatsen waar foodtrucks opgesteld kunnen worden, maar ook plekken die ruimte bieden voor educatieve programma’s en verschillende buurtfuncties (8.8). Het landschapsontwerp dient in het kader van klimaatverandering uitwerking te geven aan de potentie van de uiteindelijke locatie om water te kunnen bergen en aan het bestrijden van hittestress met behulp van genereuze groenvoorzieningen en andere natuurlijke schaduwvoorzieningen.
© ToornendPartners, Kistefos-Museet, Jevnaker (N), voorbeeld beeldentuin met landschapsroute
46
Programma van Eisen
47
4.4
Samenvatting ruimteprogramma Het totaal van de ruimtebehoefte, uitgedrukt in Functioneel Nuttig Vloeroppervlak (FNO), zijnde het oppervlak dat puur functioneel nodig is, komt op basis van de ruimtestaat uit op een afgerond totaal van 6.200 m² FNO.
RUIMTECLUSTER
m²
1. Ontvangen
1.090
2. Herdenken, presenteren en participeren
3.140
3. Onderzoek en educatie
870
4. Organisatie
490
5. Ondersteunende ruimten
420
6. Logistiek
205
TOTAAL FNO (MET AFRONDING)
In totaal komt de toeslag uit op 45% op het FNO om van het FNO tot afgerond 9.000 m² BVO te komen. De ruimtebehoefte is in de onderstaande tabel samengevat.
TOTAAL FNO
6.215
6.200
Toeslag verkeersruimte
1.240
Toeslag ontwerpverlies en inpassing
1.240
In de berekening om van het FNO naar het BVO te komen, wordt als eerste een toeslag gehanteerd van 20% voor verkeerruimte. Dit is zowel horizontale verkeerruimten zoals gangen, maar ook verticale verkeersruimten zoals trappenhuizen. Er wordt ook een toeslag gehanteerd van 20% voor ontwerpverlies en inpassing. De FNO-ruimtebehoefte beschrijft per ruimte wat nodig is aan oppervlakte, maar er zijn ook andere relevante dimensies zoals een optimaal functionele verhouding tussen de breedte en diepte van een ruimte. Het is daarom van belang dat in het ontwerpproces de ontwerpers te allen tijde bedacht zijn op het beoogde gebruik en hoe dat zo efficiënt als mogelijk vormgegeven kan worden. In beginsel zijn daarom alle tentoonstellingsruimten rechthoekig van vorm, waardoor maximaal vrijheid wordt geboden aan het scheppen van de gewenste beleving door middel van de vaste en losse inrichting. Een ander leidend principe is dat aangesloten wordt bij gebruikelijke bouwstramienmaten zoals standaard hart-op-hart maten. Dit leidt tot efficiënt gebruik van schaarse middelen en bouwmaterialen. Snijverliezen dienen te worden voorkomen.
Programma van Eisen
Voor het nieuwe museumgebouw wordt dit echter niet als verlies opgevat: het kan juist een meerwaarde zijn. Ruimere afmetingen van een bepaalde ruimte kunnen tot aanvullende gebruiksmogelijkheden leiden, zoals ruimer bemeten verkeersruimten waarin werken tentoongesteld kunnen worden of waar bijzondere activiteiten georganiseerd kunnen worden: in ‘found spaces’. Tot slot wordt 5% toeslag gehanteerd voor techniek en constructies. Onder constructies worden de binnen- en buitenwanden verstaan en kolommen. De techniek betreft alle ruimten die nodig zijn voor de verschillende installatietechnieken, zoals schachten en technische ruimten. Ook behoren daartoe werkkasten die op een aantal plekken in het gebouw, afhankelijk van het ontwerp, gepositioneerd dienen te worden voor het schoonmaken en onderhouden van het gebouw.
6.215
Om tot het volume te komen dat gebouwd dient te worden om per saldo dit aantal functionele meters te realiseren, wordt een aantal toeslagen toegepast. In de tabel hierna is de berekening van het FNO naar het Bruto Vloeroppervlak (BVO) conform de NEN 2580 (buitenkant buitenwand – buitenkant buitenwand gemeten) weergegeven, die ook in de appendix is opgenomen.
48
Het uitgaan van standaard maatvoering van elementen maakt het mogelijk dat elementen beter geschikt zijn voor hergebruik elders. Dit is gelet op circulariteit een voorwaarde. Bij elkaar genomen is er hierdoor altijd sprake van een bepaalde mate aan zogeheten ontwerpverlies: er dient soms meer fysieke ruimte gebouwd te worden om de gedefinieerde functionele ruimte goed in te passen.
Toeslag techniek en constructies
310 9.005
TOTAAL BVO (MET AFRONDING)
9.000
Waarvan publieksfunctie
6.100
Waarvan ondersteunend
2.900
Het genoemde aandeel publieksfuncties gaat ervan uit dat alle ruimten van Clusters 1, 2 en 3 tot de publieksfuncties behoren. Behalve het ruimteprogramma voor het museumgebouw is ook het functionele programma voor de terreinvoorzieningen voor het museum bepaald (appendix 3). Cluster 7 is in totaal 1.000 m² groot. Het stadspark, dat uitgewerkt is in Cluster 8 (appendix 3) is een belangrijk onderdeel van de totaalbeleving die met het nieuwe museum wordt beoogd. De wijze waarop het park met het museumgebouw een goed geïntegreerd geheel zal vormen en in passende verhouding tot elkaar, is afhankelijk van de locatie waar het museum te zijner tijd gerealiseerd zal worden. De verschillende onderdelen van het functionele programma bekijkend, wordt uitgegaan van een oppervlakte van circa 16.000 m². Dit is nog zonder de footprint van het gebouw en zonder het terreinprogramma van Cluster 7, de reeds genoemde 1.000 m² voor terreinvoorzieningen.
49
5
Ruimtelijke verkenning
5.1
Ruimtemodellen De ruimten in een cluster, maar ook de clusters onderling, hebben een bepaalde relatie met elkaar. Deze relaties zijn primair functioneel van aard, maar ook technisch, kijkende naar wat de meest efficiënte ordening is vooruitkijkend naar het ontwerp en de bouw van het nieuwe museumgebouw. Zo is in het museale concept een aanzet gegeven voor een ordening van de ruimten binnen een schematische gebouwcontour, zonder ruimten op schaal weer te geven.
model Washington evo | fp 47x70m
Model A (overzicht 3D, footprint circa 3.300 m², bouwhoogte circa 17 meter)
Mede ten behoeve van de locatiekeuze is het ruimteprogramma gemodelleerd. De modellen zijn een visuele weergave van de onderlinge relaties tussen clusters en ook van ruimten in de clusters zelf. Om de ruimtemodellen op te bouwen, is eerst de ruimtebehoefte van de ruimtestaat gevisualiseerd. Iedere ruimte is voorzien van een kleur die aan het betreffende cluster is toegekend en vervolgens op schaal getekend. Het gevisualiseerde ruimteprogramma is als appendix 4 bijgevoegd.
6.1
Voor de modellen is gewerkt vanuit de gedachte dat het toekomstige gebouw in drie lagen van gemiddeld 3.000 m² BVO per laag opgebouwd zal zijn. Ook is ervan uitgegaan dat een deel van het ruimteprogramma ondergronds gerealiseerd zal worden, zoals dit in het museale concept is aangegeven. Er zijn uit een bredere verkenning twee modellen geselecteerd om op te nemen in het PvE. Deze twee modellen, Model A en Model B, zijn bijgevoegd als appendix 5. De modellen worden hierna toegelicht.
5.2
Model A Model A volgt de lijnen van het museale concept met de ruimten die in het teken staan van ‘verbinden’ op de begane grond waar bezoekers binnenkomen. Op de begane grond zijn ook het auditorium en andere participatieve onderdelen van het Cluster ‘herdenken, presenteren en participeren’ opgenomen. De tentoonstellingsruimten worden verdeeld over de ondergrondse bouwlaag en de verdieping. Ruimten van het Cluster ‘kenniscentrum - onderzoek en educatie’ liggen deels op de begane grond en deels ondergronds.
6.4
3.9
6.5
6.2
6.6
6.3
3.7
2.12
1.3
3.8
2.11
2.16 2.13
3.3
3.6 1.7
4.1
1.2 1.1
4.7 3.1 1.5
1.4
1.12
1.6
1.11
1.8
1.9
1.10 1.13
Model A (begane grond)
50
Programma van Eisen
51
5.2
5.1 2.14
2.15
2.3
4.6
2.1
5.3
3.11
2.4
5.4
2.10
2.5
4.5 4.4
5.5
2.6
4.3
3.5
4.2
3.10 3.12
2.8
4.8 4.9
2.2
2.9 3.2
3.4
2.7 4.1 3.9 1.5 4.7 1.4 1.6 1.12 Model A (ondergrondse bouwlaag)
3.7 3.8
2.12
3.3 3.1 3.6 1.7
1.13
2.11
1.3 1.11
2.16
1.2
2.13
1.8 2.10
o | -01
2.5
2.6
2.8
5.5
3.11
5.3
3.5
4.6
3.2
1.10
1.1
1.9 5.4
3.10 3.12 3.4
2.15 2.1
2.2 2.3 2.4
4.5
4.4
4.3
4.2
2.9 2.7
4.8 4.9
model Washington evo | exploded view Model A (verdieping met patio in het midden)
52
Programma van Eisen
Model A (exploded view)
53
5.3
De ordening van Model B ziet er als volgt uit:
Model B Model B is een variant op Model A waarbij het gebouw opgetild wordt. Door het gebouw op te tillen, loopt het stadspark onder het gebouw door en kan grotere verwevenheid gerealiseerd worden tussen het gebouw en het terrein. Het Hirschhorn Museum in Washington dat in appendix 2 is opgenomen, is op deze wijze gerealiseerd. Ook het MASP in São Paulo in Brazilië heeft een ondergronds volume en opgetild volume. Onder het gebouw is een beschutte publieke ruimte gecreëerd voor allerlei activiteiten: van muziek tot protesten.
model MASP | fp 34.5x87.5m Model B (footprint circa 3.000 m², bouwhoogte circa 17 meter)
1.15
1.11
1.12
6.5
6.1
© ToornendPartners, MASP, São Paulo (BR), voorbeeld van opgetilde bouwlaag met activiteitenruimte 6.2
2.13
6.4 1.9
6.6 6.3
1.8 4.1
4.7
1.1
Model B (begane grond – verbindende paviljoens met delen ontvangst en logistiek)
54
Programma van Eisen
55
2.3
2.4
1.10
1.2
5.1
2.11
2.2
1.7
2.10
5.2
5.4
2.9 2.7
1.3
2.5
1.13
2.8
5.3
2.16
2.6 4.9 4.8 4.2 1.15
Model B (ondergrondse bouwlaag, met patio – tot en met dak open)
3.8
3.9
3.5
1.15
4.6
4.9
3.8
4.8 4.2
3.6
3.3
3.11
1.6
1.6
3.12 3.3
2.12
3.11
3.1
3.10 6.5
3.6
1.5 3.12
4.4 3.2
3.4
3.2
4.4
4.3
3.9
4.5
3.7
3.4
4.5
4.6
1.5
3.5 3.7
2.15
1.4
2.1
2.12
2.14
1.12
1.11
4.3
6.1 6.2
6.6
6.4 4.1
6.3 4.7
1.8
3.10
1.9
1.1
3.1
5.1
1.15 Model B (eerste verdieping)
5.2 2.13 2.4
2.16
2.5
2.8
2.7
1.10 1.7
2.11
1.4
1.2
5.4
5.3
1.3 1.13
2.2 2.1 2.9
2.10
2.3
2.14 2.6 2.15
model MASP | exploded view Model B (tweede verdieping, met vide)
56
Programma van Eisen
Model B (exploded view)
57
6 Technische eisen
6.2
Principe: verantwoord materiaalgebruik De eisen ten aanzien van het materiaalgebruik, zoals een minimaal toe te passen percentage aan hergebruikte, ‘biobased’ en/of circulaire materialen, zullen volgen uit het onderzoek in het kader van duurzaam ontwikkelen. De onderstaande eisen gelden echter alvast. Toe te passen hout (als hulpmiddel of als bouwmateriaal) moet voorzien zijn van het FSC-keurmerk waarbij de daadwerkelijke conformiteit geverifieerd moet kunnen worden. Bouwmaterialen die de volgende stoffen bevatten mogen in verband met de mogelijke schadelijke werking voor objecten niet worden toegepast in ruimten waar zich objecten bevinden (depots, tentoonstellingsruimten, de studio’s, ervan uitgaande dat die ook gebruikt kunnen worden voor het restaureren van objecten):
6.1
wavelwaterstofgas (wol en vilt, sommige lijmen, kleurstoffen en gevulkaniseerd rubber);
•
formaldehyde en mierenzuur (MDF, spaanplaat, triplex, multiplex, harden zachtboard, isolatieschuim, olie- en alkydverf, formaldehyde houdende lijmen en harsen);
•
aceetaldehyde en azijnzuur (hout en houthoudende producten, lijmen (PVA-lijm en siliconenkit));
•
chloor en zoutzuur (pvc, bleekmiddelen, oplosmiddelen);
•
materialen met vluchtig organische stoffen.
Toelichting In voorgaande hoofdstukken is reeds op een aantal plekken aangegeven wat technische eisen zijn waaraan ruimten moeten voldoen. Ter verdere uitwerking daarvan en ook ter completering, is in de ruimtestaat per ruimte aangegeven welke eisen gesteld worden aan de kwaliteit. De ruimteeisen vallen uiteen in categorieën en subcategorieën. Dit zijn: BOUWKUNDIGE EISEN •
nettoafmetingen;
•
constructieve eisen;
•
afwerkingen;
•
ramen en daglicht.
BOUWFYSISCHE EISEN •
klimaateisen;
•
akoestiek.
INSTALLATIE-EISEN •
water;
•
lucht;
•
elektra;
•
verlichting;
•
communicatie;
•
beveiliging.
Alvorens in te gaan op deze eisen bij wijze van toelichting, worden hierna eerst principes uiteengezet die gelden voor de ontwerpuitwerking van het PvE.
58
•
Programma van Eisen
In het ontwerp dienen alle materiaalkeuzen onderbouwd en bewust tot stand te komen onder meer indachtig de LCC van materialen en de milieueffecten. Deze keuzen moeten in het ontwerpproces door de opdrachtgever zelf gemaakt kunnen worden, op basis van begrijpelijke adviezen van het ontwerp- en adviesteam. De keuze van alle toe te passen materialen en producten moet afgestemd zijn op uiteindelijke inkoop, rekening houdend met marktconforme prijzen en beschikbaarheid. Dit houdt in dat behoudens voorafgaande instemming van de opdrachtgever, slechts materialen en producten toegepast mogen worden, die bij drie of meer leveranciers verkrijgbaar zullen zijn. Dit dient in de ontwerpfasen objectief verifieerbaar te worden onderbouwd. Leden van het ontwerp- en adviesteam maken kenbaar indien er banden zijn tussen hen en bepaalde leveranciers en/of dat er vanuit bepaalde leveranciers actief bij hen wordt gelobbyd ten aanzien van producten. Indien productspecificaties door leveranciers worden aangereikt ter verwerking in ontwerpstukken, zoals een afwerkstaat of bestekboek, staat de betreffende adviseur of ontwerper ervoor in dat voldaan wordt aan het vereiste van verkrijgbaarheid zoals hiervoor is omschreven. Alle kosten van aanpassingen in het eigen ontwerp en/of in het werk van anderen omdat dit later niet correct blijkt te zijn (o.a.
aanpassing van details om aan te sluiten op productspecificaties van een gelijkwaardige leverancier) zijn voor rekening van deze partij.
59
6.3
Principe: onderhoud De gemeente Amsterdam zal bepalen of, en zo ja welke, specifieke eisen gelden ten aanzien van het toekomstige onderhoud van het gebouw en de installaties. De onderstaande eisen gelden alvast. Onderhoud aan het gebouw en de daarin toegepaste installaties moet eenvoudig zijn zonder het bedrijfsproces te hinderen. Dat betekent dat het gebouw en de installaties daarin onderhoudsarm en gebruiksvriendelijk moeten zijn. Dit geldt voor het periodiek onderhoud en voor het dagelijks reinigen. De binnen en buiten te onderhouden gebouwdelen moeten eenvoudig en veilig bereikbaar zijn. De binnen en buiten te reinigen gebouwdelen moeten eenvoudig bereikbaar zijn. Bij de materiaalkeuze dienen het reinigingsproces en de milieu-impact van de daarvoor te gebruiken reinigingsmiddelen in de afweging meegenomen te worden. De te onderhouden installaties moeten eenvoudig en veilig bereikbaar zijn, rekening houdend met de vervanging van installatieonderdelen. Voor geen van de toe te passen materialen en/of installaties mag het onderhoud voorbehouden zijn aan de betreffende toeleverancier, met name niet indien hier consequenties aan worden verbonden in het kader van vereiste garanties.
Het ontwerp- en adviesteam dient zorg te dragen dat de exacte onderhoudsvoorschriften van door hen voorgeschreven producten en materialen, bijvoorbeeld inhoudende schoonmaakaanwijzingen, uiterlijk in de fase Definitief Ontwerp aan de opdrachtgever worden verstrekt ter besluitvorming.
6.4
Principe: klimaatcondities Goed klimaat, dat wil zeggen passend bij de optimale beheercondities voor de collecties, is van levensbelang voor het behoud van erfgoed. Het gaat om behoud van eventuele eigen collectie, maar uiteraard ook om het behoud van objecten die in bruikleen worden gegeven ten behoeve van tentoonstellingen. Topstukken gaan vergezeld van allerlei eisen waaraan voldaan moet worden voordat een bruikleen wordt toegestaan. Zonder de juiste condities, ofwel op zaal te realiseren ofwel door middel van een geklimatiseerde vitrine, kunnen topstukken niet betrokken worden. Naast klimaat zijn er ook andere aspecten zoals de brandveiligheid, bescherming tegen schadelijke lichtstraling en ongedierte en zo meer. Er zijn vele studies en richtingen voor het bepalen wat de vereiste klimaatcondities zijn voor een bepaalde collectie en ook voor het gebouw. De meest toegepaste richtlijn voor klimaatcondities in musea is ontwikkeld door de American Society of Heating, Refrigerating and Air Conditioning Engineers, afgekort ASHRAE. De richtlijn heeft de typen museale klimaatcondities gevat in klimaatklassen. Hierna volgt in een tweetal tabellen een uitleg over deze klassen en toepassing, zoals dit op de website depotwijzer.be is te vinden.
60
Programma van Eisen
61
Het bepalen van welke klasse van toepassing is, houdt verband met de aard van het materiaal van objecten en uiteraard ook de waarde van objecten.
In de tabel hieronder is een toelichting gegeven op de klassen in relatie tot risico’s voor objecten. Risico wil zeggen dat een vorm van schade kan optreden in de loop der tijd, maar dat dit niet op voorhand een gegeven is.
Dit is overigens niet de financiële waarde, maar de waarde van het object als cultureel erfgoed, dat musea beheren en behouden voor toekomstige generaties. Binnen collecties kan altijd onderscheid gemaakt worden tussen objecten die in meer of mindere mate kwetsbaar zijn of gevoelig voor externe factoren zoals temperatuur en de luchtvochtigheid. In algemene zin zijn alle objecten gebaat bij stabiele condities. De klimaatcondities in alle tentoonstellingsruimtes en ook de depots moeten bepaald worden op een voor het nieuwe museum toepasselijk niveau. Het moet echter ook een haalbaar niveau zijn. Sommige instellingen leggen de lat voor de klimaatcondities, zonder goede analyse van de eigen collectie en doelstellingen gemakshalve zo hoog als mogelijk. Dan wordt te allen tijde aan eisen voldaan voor het kunnen opnemen van topstukken in tentoonstellingen. Dit klimaattype is echter zeer kostbaar om te realiseren: niet alleen de investering in een grote hoeveelheid installaties en monitoring, maar ook qua energieverbruik. Om die condities het gehele jaar door te willen handhaven, ongeacht of het daadwerkelijk noodzakelijk is, is niet de weg. Opgemerkt wordt daarbij dat feitelijke klimaatcondities van musea meestal ver onder standaard benchmarks liggen. De invloed van bezoekers, die bij voorkeur in groten getale komen, en van openstaande deuren is zeer groot.
Het doel is om een reële afweging tussen (kosten)efficiency, de eisen vanuit de collecties en concrete verwachtingen ten aanzien van bruiklenen te maken. De Rijksdienst voor het Culturele Erfgoed geeft praktische richtlijnen uit voor de aanpak voor het bepalen van de juiste condities, maar gaat daarin niet zover als het aanreiken van parameters bij wijze van ‘best practice’ of voorschrift waar condities aan moeten voldoen, ook niet als het gaat om de rijkscollectie. Voor de hoogste klimaatklassen moeten alle ruimten luchtdicht gemaakt worden en zo goed mogelijk afgesloten van externe invloeden. De installatie dient immers om afwijkingen in het klimaat, wat feitelijk iedere bezoeker is, zo snel mogelijk te corrigeren. Hoe minder invloeden van buiten, hoe groter de kans dat het topklimaat gerealiseerd wordt. Voor veel musea in Nederland geldt dat ze in termen van ASHRAE op zaal in de praktijk klasse ‘B’ en ‘C’ behalen, zo de gegevens bekend worden gemaakt. Zoals in paragraaf 5.3 is aangegeven, is het uitgangspunt voor het nieuwe museumgebouw ASHRAE ‘B’. Te zijner tijd wordt beoordeeld of voor bruikleenobjecten en/of een deel van het depot geschikt gemaakt worden voor een strenger regime. Uiteindelijk dient op basis van een beeld van de kerncollectie en de verwachtingen ten aanzien van bruiklenen bepaald te worden of hierin een andere lijn moet worden aangehouden.
In de ruimtestaat is aangegeven welke klimaatcondities in de verschillende ruimten gelden.
6.5
Principe: collectieveiligheid De beveiliging in een museum is gericht op het behoud van de collectie. Een belangrijke taak van musea in het algemeen is immers het hiervoor benoemde beheren en behouden van cultureel erfgoed voor toekomstige generaties. In het kader van actieve en preventieve conservering van het museaal erfgoed heeft de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed een methodiek ontwikkeld voor risicomanagement. De kennis en methodiek is beschikbaar in het digitaal handboek
62
Programma van Eisen
63
Risicomanagement voor collecties, RCE (2016). Op collectieniveau wordt hiermee in eerste instantie ingezet op preventie en blokkeren van potentiële bedreigingen en vervolgens op het reageren en behandelen van opgetreden schades. Beveiliging is daarmee een veelomvattend begrip: het gaat om de integrale collectieveiligheid. Beveiliging is gericht op een breed scala aan bedreigingen (de zogeheten ‘agents of deterioration’) voor museale collecties die tot schade kunnen leiden waaronder: •
waterschade;
•
brandschade (vuur en rook);
•
onjuiste klimaatcondities (temperatuur en/of luchtvochtigheid);
•
schadelijke lichtstralingen;
•
ongedierte;
•
inbreuk op ICT-systemen;
•
diefstal en vandalisme.
Deze schadevormen worden hierna behandeld.
Waterschade Waterschade kan op verschillende manieren worden veroorzaakt, de schade aan objecten is vaak ernstig en onherstelbaar. De bronnen kunnen zowel binnen of buiten de gebouwschil liggen. Externe bronnen kunnen een natuurlijke oorzaak hebben zoals bijvoorbeeld uitzonderlijke neerslagcondities of het gevolg zijn van technische fouten. Interne oorzaken kunnen liggen in lekkages vanuit installaties of leidingen of ongelukken bij schoonmaak- en onderhoudswerkzaamheden. Ten aanzien van het voorkomen van waterschade geldt dat er bijzondere aandacht uitgaat naar het ontwerp van daken en dakranden in het kader van afwatering. Er dient te worden uitgegaan van worstcaseberekeningen ten aanzien van regenval in de toekomst en de negatieve effecten van klimaatverandering. Er moeten voldoende (nood)overstortvoorzieningen zijn. Het hemelwater moet overigens opgevangen worden om ingezet te kunnen worden voor bijvoorbeeld het doorspoelen van toiletten en ook het onderhouden van het parklandschap en de kruidentuin. Het is niet toegestaan om watervoerende leidingen aan te brengen boven ruimten waarin zich collectie (presentatieruimten, depots en dergelijke) bevindt.
Indien er onverhoopt toch leidingen gelegd moeten worden, wordt het op zoveel mogelijk plekken gemonitord waardoor snel inzichtelijk is wanneer er mogelijk water lekt (bijvoorbeeld indien ergens de waterdruk opeens wat lager wordt). De details die ervoor moeten zorgen dat er geen lekkage optreedt zijn dusdanig ontworpen dat uitvoeringsfouten in de bouw (net te kort afgesneden bitumen bijvoorbeeld en andere gevolgen van mensenwerk) niet tot schade kunnen leiden. De uitvoering van potentieel kritieke details moet in het werk gecontroleerd kunnen worden.
Brandschade Alle risico’s op het ontstaan van brand, vooral in ruimten waarin zich objecten kunnen bevinden, moeten worden vermeden zonder het gebruik van die ruimten
64
Programma van Eisen
te belemmeren. Het risico op brand heeft een kleine kans van optreden, maar de impact is zeer groot. Naast het verbranden of smelten van objecten ontstaat er roet- en blusschade. Deze eis heeft betrekking op het spanningsloos maken van installaties, het toepassen van centrale accu’s en het toepassen van onbrandbare en brandvertragende materialen. Het voorkomen van brandschade is grotendeels ondervangen door wet- en regelgeving. Dit is een combinatie van het moeten voldoen aan het Bouwbesluit, de lokale verordeningen en diverse normbladen. Genoemd worden bijvoorbeeld de NEN-EN 1991 ten aanzien van constructies, NEN-EN 13501 ten aanzien van diverse producten die verwerkt worden in een gebouw maar ook de bepaling van rookklassen, de NEN 2535 voor het ontwerp van de brandmeldinstallaties en de NEN 2575 voor het ontwerp van de ontruimingsinstallaties. Een belangrijk uitgangspunt ter voorkoming van brandschade door vuur of rook is bouwkundige compartimentering, waarbij de compartimenten zoals hiervoor is aangegeven deels op 90 minuten WBDBO ontworpen dienen te worden en alle scheidingen en openingen aantoonbaar daaraan voldoen. Ter beperking van rookverspreiding geldt dat conform het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) de weerstand tegen rookdoorgang (Sa/S200) bepaald moet worden volgens de NEN 6075.
Aan de hand van de collectie dient te worden bepaald wat de verdere maatregelen zijn. Dit kunnen andere preventieve maatregelen zijn (zoals het wegnemen van potentiële ontstekingsbronnen door het spanningsvrij maken van ruimten, een verlaagd zuurstofgehalte van de lucht) of repressieve maatregelen (zoals stikstof, sprinklers of andere blusvoorzieningen). Voor het al dan niet toepassen van maatregelen dienen de kosten, zowel van de initiële investering als de kosten voor het beheer en onderhoud op de langere termijn, te worden afgewogen ten opzichte van de mate aan aanvullende risicobeperking die deze maatregelen met zich meebrengen ten opzichte van de voornoemde bouwkundige compartimentering.
Onjuiste klimaatcondities De temperatuur of de relatieve luchtvochtigheid (RV) vormt een risico als deze te hoog is, te laag is of te veel fluctueert. Er is een directe relatie tussen de temperatuur en de relatieve luchtvochtigheid; fluctuaties in temperatuur leiden tot fluctuaties in de luchtvochtigheid. De materiele eigenschappen van de collectie bepalen in welke mate deze situatie tot schade leidt. Er wordt onderscheid gemaakt in drie soorten afbraakprocessen van museale collecties: 1 BIOLOGISCH AFBREUKPROCES: verkleuring en aantasting van objecten door het optreden van schimmelgroei bij een hoge lokale temperatuur en vochtigheid. 2 CHEMISCH AFBREUKPROCES: aantasting van objecten door degradatieprocessen zoals hydrolyse en corrosie die sneller verlopen bij een hogere luchtvochtigheid en hogere temperatuur. 3 FYSISCH MECHANISCH AFBREUKPROCES: als gevolg van vocht, te hoge of te lage temperaturen kunnen objecten vervormen of er kan fysieke schade aan objecten ontstaan. Op basis van een analyse van de collectie en de verwachte kwaliteit van objecten in bruikleen dienen de klimaateisen nader te worden bepaald. In de ruimtestaat is reeds een voorzet opgenomen voor de eisen die gesteld kunnen worden, een en ander afhankelijk van de collectie en de principes uit paragraaf 7.4.
65
Het voorkomen dat onjuiste condities ontstaan is enerzijds een taak voor het bouwkundige ontwerp en anderzijds voor het installatietechnisch ontwerp. Het bouwkundige ontwerp moet dusdanig zijn dat er zo min mogelijk installaties nodig zijn om het beoogde klimaat te bewerkstelligen. Het installatieontwerp moet dusdanig zijn dat deze condities op een zo efficiënt mogelijke wijze bereikt worden. Hiervoor is het goed meten en registreren van condities in museale ruimten het gehele jaar door van groot belang. Op de voor de collectie vitale installaties en de bijbehorende regeltechniek moet bewaking zitten, zodat storingen zo snel als mogelijk gedetecteerd worden. Deze bewakingssystemen dienen diversitair redundant te worden uitgevoerd opdat de bedrijfszekerheid van voor de collectie vitale installaties 100% nadert.
Lichtschade Lichtschade kan ontstaan bij te veel blootstelling van objecten aan dag- en/of ongefilterd kunstlicht. Licht (zichtbare straling) en uv-straling kunnen verkleuring en verbleking veroorzaken. Ook kunnen materialen hun sterkte verliezen en bros worden na langdurige blootstelling aan uv-straling. Infrarood- (IR) straling leidt direct tot opwarming en versnelling van chemische afbreukprocessen of fysieke schade door krimp of vervorming. In de ruimtestaat is ook voor licht een aanzet gegeven.
Ongedierte en schimmels Deze schadefactor betreft levende organismen die biologische afbraak kunnen veroorzaken en kan worden onderverdeeld in dieren, planten en de groep van algen, mossen en korstmossen. De micro-organismen schimmels en bacteriën zijn een gevolg van de schadefactor onjuiste temperatuur of relatieve vochtigheid. Deze schade wordt voorkomen door een goede regeling van het klimaat waarbij er altijd sprake is van licht geventileerde ruimten waar geen dode hoeken in zitten waar de lucht niet ververst wordt (microklimaat). Dit houdt in dat objecten niet strak op de muren gehangen mogen worden. Er moet voldoende ruimte zijn tussen kasten voor luchtcirculatie en ook boven depotkasten en objecten moet er minimaal een halve meter vrije ruimte tot aan de onderkant van het plafond zijn. Ten aanzien van ongedierte geldt dat omdat de depots luchtdicht uitgevoerd moeten worden ten behoeve van het klimaat, de kans op het binnenkomen van ongedierte uitgesloten is. De openingen in de schillen ten behoeve van installaties (doorvoeren en dergelijke) moeten hermetisch afgesloten worden.
Inbreuk op ICT-systemen Er zijn tal van vitale installaties in het museum, zoals de klimaatinstallatie en de beveiligingsinstallaties. Door cyberaanvallen van buiten het museum kunnen deze systemen ontregeld worden of zelfs gestuurd worden. Hierdoor is het voorkomen van inbreuk op ICT-systemen top-prioriteit. Te zijner tijd dient door een deskundige te worden bepaald op welke wijze invloed van buitenaf, zoals hacken, voorkomen kan worden.
Diefstal en vandalisme Deze paragraaf gaat in op het beveiligen van de collectie tegen de bedreigingen uit de categorie ‘diefstal en vandalisme’. Dit wordt ook wel de fysieke beveiliging van de collectie genoemd. Het gaat om het beperken van de kans op:
66
Programma van Eisen
•
inbraak;
•
roofovervallen;
•
gelegenheidsdiefstal door bezoekers;
•
interne diefstal;
•
vandalisme;
•
terreur.
Diefstal is een opzettelijke verwijdering van een object. Diefstallen worden niet alleen uitgevoerd door professionele criminelen, maar ook door iemand die de mogelijkheid krijgt, zoals een bezoeker of medewerker van het depot. Met vandalisme wordt een, al dan niet geplande, vernieling of beschadiging van objecten bedoeld. Om de risico’s op diefstal en vandalisme te beperken dient een integrale beveiligingsstrategie ontwikkeld te worden, waarin organisatorische, bouwkundige en elektrotechnische maatregelen op elkaar zijn afgestemd. Er zijn verschillende soorten maatregelen die met elkaar een optimaal functionerende beveiliging moeten bewerkstelligen. Alle soorten zijn nodig, want alleen een evenwichtige, goed op elkaar afgestemde serie maatregelen resulteert in goede beveiliging. Het gaat om de onderstaande, in zekere mate volgordelijke, serie aan maatregelen (afgekort OBER) waarbij de serie maatregelen bepaald wordt aan de hand van een risicoanalyse: •
organisatorische maatregelen (O);
•
bouwkundige maatregelen inclusief compartimentering (B);
•
elektrotechnische maatregelen inclusief signalering (E);
•
respons (R). Anders dan de Organisatorische maatregelen die vooraf bedacht zijn en actief zijn, gaat het hier om de opvolging door bijvoorbeeld de politie of een beveiligingsbedrijf bij een specifiek incident na signalering. Deze externe factor maakt geen deel uit van de eigen maatregelen, maar het is wel medebepalend voor bijvoorbeeld de benodigde vertragingstijd bij pogingen tot inbraak.
Aan de hand van een risicoanalyse wordt beoordeeld wat de impact is, oftewel het gevolg van bijvoorbeeld een inbraak. Voor ieder museumgebouw zijn in principe dezelfde risico’s aanwezig. De aard en omvang van de benodigde beheersmaatregelen worden echter bepaald door de locatie en uiteraard de waarde van collectie. Een belangrijk uitgangspunt is dat overdag c.q. tijdens openingstijden, het nieuwe museum beveiligd zal worden door de beveiligingsdienst. Deze operationele kant maakt geen deel uit van het PvE, maar het is wel een belangrijk punt in de exploitatie van het museum. Na sluitingstijd zijn er naar verwachting geen beveiligers ter plaatse. Het risicoprofiel is dan anders. De beveiliging schakelt dan waarschijnlijk over naar een PAC: een gecertificeerde particuliere alarmcentrale. Daar komen signalen binnen van de inbraakdetectie (aanwezigheidsmelding), die nu in het gebouw aanwezig is. Bij verificatie van een signaal als concrete bedreiging, rukt de mobiele surveillance uit en vindt doormelding plaats naar de politie. Deze doormelding gebeurt ook indien uit twee zones meldingen binnenkomen. Dan is de kans groot dat iemand zich heeft
67
kunnen laten insluiten in het gebouw. Voor de beveiliging door middel van de factoren B en E, geldt deze werkwijze dan ook als uitgangspunt. Om te bepalen welke maatregelen nodig zijn na sluitingstijd, is de responstijd van de politie van belang. Hoe sneller de politie ter plaatse kan zijn, hoe minder maatregelen genomen moeten worden om inbrekers dusdanig te vertragen dat ze bij aankomst van de politie ofwel alweer verdwenen zijn ofwel objecten nog niet hebben kunnen bereiken. Met betrekking tot de responstijd, stelt de politie zich landelijk ten doel om in 85% van de gevallen met een spoedmelding binnen 15 minuten op locatie aanwezig te zijn. Dit zijn de zogenaamde ‘prio 1’ meldingen, waarbij sprake is van een levensbedreigende situatie of aanzienlijke schade aan goederen. Voor de responstijd wordt als uitgangspunt genomen, dat er in het museum direct detectie plaatsvindt wanneer de buitenschil van het museum succesvol wordt aangevallen en ook dat deze detectie direct wordt opgevolgd door geprotocolleerde acties (ondervangen door de ‘O’ zijde van de maatregelen). Terugrekenend vanaf een weerstand c.q. de benodigde vertragingstijd in relatie tot de aanwezigheid ter plaatse, volgt welke bouwkundige maatregelen nodig zijn naast uiteraard passende detectievoorzieningen. Dit dient te worden bepaald in relatie tot de locatie voor het nieuwe museumgebouw.
Ten aanzien van de inbraakwerendheid zijn diverse bepalingen uit wet- en regelgeving relevant. Zoals dit vaker het geval is, biedt wet- en regelgeving niet altijd een helder op elkaar aansluitend beeld. Normen zijn soms heel specifiek vanuit een bepaalde invalshoek opgesteld zonder inhoudelijk aan te sluiten op andere normen die hetzelfde onderwerp beschrijven. Als het gaat om inbraakwerendheid is de NEN-EN 1627 Deuren, ramen, vliesgevels, traliehekken en luiken – Inbraakwerendheid – Eisen en classificatie maatgevend. De NEN-EN 1627 bepaalt de weerstandsklasse uitgedrukt in Resistance Class (RC of weerstandsklasse WK) en het geeft aan welke weerstandstijd (‘resistance time’) bij elke weerstandsklasse hoort. De norm onderscheidt de onderstaande zes klassen met de bijbehorende weerstandstijd: klasse
weerstandstijd
WK 1
0 minuten
WK 2
3 minuten
WK 3
5 minuten
WK 4
10 minuten
WK 5
15 minuten
WK 6
20 minuten
Bepalend voor de tijden is welk inbrekersgereedschap wordt gebruikt. Daar is een separate norm voor beschikbaar. Het genormeerde gereedschap dat een inbreker bijvoorbeeld bij WK 3 mag gebruiken, bestaat uit twee schroevendraaiers, een koevoet en een eenvoudige boormachine. Het genormeerde gereedschap dat een inbreker bij WK 4 mag gebruiken, bestaat uit het genoemde gereedschap aangevuld
68
Programma van Eisen
met een slagbijl, een breekijzer, een hamer, een beitel en een accuboormachine. Zoals in paragraaf 5.3.5 is aangegeven, wordt voor een aantal ruimten uitgegaan van WK 3. Nadat de locatiekeuze is gemaakt, wordt het beveiligingsplan opgesteld met daarin de eisen en de beveiligingszonering. Voor vitale onderdelen, zoals de meldkamer, wordt alvast uitgegaan van WK 6. De weerstandsklassen kunnen cumulatief ingezet worden. Dit kan in bepaalde zoneringsplannen een efficiënte uitwerking zijn van de schilopbouw. Qua kosten is een vuistregel dat elementen per klasse hoger, twee keer zoveel kosten. Boven WK 4 is sprake van dusdanig bijzondere maatregelen en materialen dat dit alleen door hooggespecialiseerde bedrijven geleverd kan worden. Dit levert in gevallen een nog hogere prijsstelling op dan de algemene vuistregel. Bij het implementeren van dit uitgangspunt, dienen echter nog goed de ligging van het gebouw in de omgeving en de bouwkundige kenmerken van het gebouw zelf te worden betrokken. Delen die niet (eenvoudig) bereikt kunnen worden van buitenaf, hoeven niet te worden meegenomen. De NEN 5087, Inbraakveiligheid van woningen – Bereikbaarheid van dak- en gevelelementen: deuren, ramen en kozijnen geeft aan wanneer een dak- en/of gevelelement als bereikbaar voor inbraak moet worden beschouwd.
Als vuistregel geldt dat ramen en deuren niet bereikbaar zijn voor een inbreker wanneer de onderzijde hoger ligt dan 5,5 m ten opzichte van het aansluitende terrein en wanneer de zakafstand tot het aansluitend terrein groter is dan 3,5 m. Deze bereikbaarheidsaspecten worden betrokken in het ontwerp. Voor het nieuwe museumgebouw is op basis van ervaring hierna uitgewerkt wat toepasselijke beveiligingszones kunnen zijn. Hiervoor wordt gebruikgemaakt van standaard typeringen voor mogelijke zones van openbare c.q. publieksgebieden tot hoog beveiligde zones waar collectie bewaard dan wel tentoongesteld wordt. De onderstaande vijf typen zijn gedefinieerd en ook in de ruimtestaat opgenomen. •
ZONE 1: ‘Public zone’: een voor alle medewerkers en bezoekers (tijdens werktijden en openingstijden) vrij toegankelijke zone buiten en binnen het gebouw.
•
ZONE 2: ‘Reception zone’: de zone waar medewerkers en bezoekers ontvangen worden en vanuit waar op een gecontroleerde wijze toegang wordt verleend tot de overige zones (een lastige met het open plan dat de begane grond nu al kent).
•
ZONE 3: ‘Operational zone’: een beveiligde zone waarnaar alleen via de reception zone toegang wordt verleend al dan niet onder begeleiding van een bevoegd medewerker. In de ‘Operational zone’ is geen collectie aanwezig. Het betreft voornamelijk kantoorruimten en ook technische ruimten.
•
ZONE 4: ‘Security zone’: een beveiligde zone waar collectie aanwezig is. De zone is alleen toegankelijk voor bevoegde medewerkers en betalende bezoekers tijdens openingstijden.
•
ZONE 5: ‘High security zone’: deze zone is alleen toegankelijk voor bevoegde medewerkers. Binnen de high security zone kunnen verschillende zones aanwezig zijn met dezelfde beveiligingseisen, die echter voor verschillende personen toegankelijk zijn (depotruimten, ruimten met hoge collectiedichtheid).
Er dient te worden bepaald welke bouwkundige maatregelen nodig zijn, bijvoorbeeld een deur of rolluik dat WK 3 weerstand kan bieden. Ook wordt aan de hand daarvan bepaald welke installatietechnische maatregelen nodig zijn, zoals waar camera’s van de CCTV nodig zijn en andere vormen van detectie, toegangscontrole, alsook de wijze waarop deze installatiesystemen onderling
69
gekoppeld zijn. Koppeling houdt in dat bij detectie van aanwezigheid er een camera aangestuurd wordt opdat visuele verificatie kan plaatsvinden vanuit de meldkamer of PAC. Bij het ontwerpen van de plattegronden en vervolgens ook de zoneringstekeningen dient, kijkende vanuit de nachtsituatie, te worden bepaald welke eisen aan welke zone worden gesteld. Gelet op kostenefficiency wordt daarbij eerst gekeken naar bouwkundige maatregelen: hoe beter de schillen bepaald worden, hoe meer beperkt de installatietechnische maatregelen gehouden kunnen worden. Aan die onderdelen zitten immers hogere instandhoudingskosten en exploitatiekosten vast. In het ontwerp zal te zijner tijd een bijpassend zoneringsplan gemaakt worden waarbij per ruimte wordt bepaald welk type zone van toepassing is. Daarbij gaat het om een logische volgorde c.q. opeenvolging van buiten naar binnen redenerend. De overgangen tussen de zones zijn ook van belang: dit zijn de beveiligingsschillen. Afhankelijk van het type schil (van zone 1 naar 2 of bijvoorbeeld van zone 1 naar 4) dient de schil daarop te worden afgestemd. Hoe groter het verschil in zone hoe meer maatregelen op de overgang nodig zijn. Er is bepaald welke bouwkundige maatregelen nodig zijn – bijvoorbeeld een deur of rolluik dat WK3 weerstand kan bieden.
Aan de hand daarvan dient bepaald te worden welke installatietechnische maatregelen nodig zijn, zoals waar camera’s van de CCTV nodig zijn en andere vormen van detectie, toegangscontrole, alsook de wijze waarop deze installatiesystemen op een goede wijze onderling gekoppeld zijn.
6.6
Bouwkundige eisen Oppervlakte en hoogte Het oppervlak en de vrije hoogte van een enkele ruimte wordt gemeten in (vierkante) meters volgens NEN 2580. Conform NEN 2580 bestaat het Functioneel nuttig oppervlak (FNO) uit het nuttig oppervlak (NO) samen met het oppervlak voor installaties en voor verkeersruimte. Ontwerpafwijkingen naar beneden doen afbreuk aan de bruikbaarheid van de ruimte. Ontwerpafwijkingen naar boven leiden tot hogere bouwkosten. In de ruimtestaat is voor elke ruimte het FNO aangegeven. Dit zijn minimumeisen per ruimte. De opgegeven minimum vrije hoogte is een taakstellende minimumeis. Onder deze hoogte mogen zich geen obstakels in welke vorm dan ook bevinden. Het gebouw en de daarin aanwezige collectie en personen moeten door middel van bouwkundige en installatietechnische maatregelen beschermd worden tegen de volgende bedreigingen, met maatregelen die mogelijk strenger zijn dan de minimumeisen van het Bouwbesluit. NB Indien in het ontwerp verschillende bouwlagen worden voorzien, dan dient elke bouwlaag bereikbaar te zijn met een zeer energiezuinige personenlift. De personenlift is vooral bedoeld voor mindervalide bezoekers en medewerkers en heeft een minimumcapaciteit van 10 personen. Er dient tevens een goederenlift te zijn, die met een logistieke route verbonden is met de zalen, de depots en dergelijke.
De omvang van deze lift wordt afgestemd op de verwachting ten aanzien van collectiestukken. Idealiter sluiten de afmetingen in alle dimensies aan op de inhoud van het grootste type vrachtwagen dat in het truckdock past.
70
Programma van Eisen
Indien in het ontwerp van het deel met de publieksfunctie verschillende verdiepingen worden voorzien, dan dient elke verdieping bereikbaar te zijn met een goede trap die de bezoekers uitnodigt om daar gebruik van te maken. De trappen zijn ‘lui’, dat wil zeggen dat de hellingshoek kleiner is dan 30° ten opzichte van het vloervlak en dat de aantrede minstens 26 cm diep is. Indien in het ontwerp van het overige deel van het programma verschillende verdiepingen worden voorzien, dan dient elke verdieping bereikbaar te zijn met een normale trap die voldoet aan het bouwbesluit en die de gebruikers uitnodigt om daar gebruik van te maken.
Constructieve eisen Ten aanzien van de constructies zijn in de ruimtestaat twee eisen uitgewerkt: of een ruimte maximaal kolomvrij dient te zijn en wat de minimale vloerbelasting moet zijn. Indien geen eisen zijn gesteld, dan gelden de eisen overeenkomstig het Bouwbesluit. Voor de brandwerendheid van de vloeren geldt het Bouwbesluit als minimumeis.
Afwerkingen In de ruimtestaat is van ruimten de verschillende soorten vloer-, wand-, en plafondafwerking gegeven. Voor de uitleg wordt verwezen naar de legenda. VLOERAFWERKING Ten aanzien van vloerafwerkingen geldt dat de vlakheid van de vloeren dient te voldoen aan klasse 5 conform de NEN 2747. Overal waar collectietransport plaatsvindt, dienen vloeren drempelvrij te zijn. Wanneer in een ruimte een hygiënische vloerafwerking wordt geëist, dan heeft deze een stroefheid van R10. De vloeren dienen slijtvast en antistatisch te zijn. Ze dienen eenvoudig te reinigen te zijn waarbij het indringen van (vochtig) vuil voorkomen moet worden. Vloeren in de depotruimten moeten zonder vocht of voor de objecten schadelijke chemicaliën gereinigd kunnen worden. De overgang van de vloer naar de wanden moet goed bereikbaar zijn voor schoonmaak. Vloeren met een afvoerput/schrobput moeten onder het juiste afschot (percentage en richting) worden gelegd. WANDAFWERKING De wandafwerking dient stootvast te zijn en eenvoudig te reinigen. Indien wanden zonder plinten worden toegepast, dan dienen andere bouwkundige maatregelen te worden getroffen om beschadigingen als gevolg van schoonmaak te voorkomen. Wanneer in een ruimte een hygiënische wandafwerking wordt geëist, dan heeft deze een stroefheid van ten hoogste R10.
Wanneer in een ruimte een stofarme wandafwerking wordt geëist, dan dient eventueel stof afkomstig van constructie van de binnenwanden te worden gebonden. De afwerking moet zodanig zijn dat de vochtbufferende werking van de binnenwanden niet wordt verstoord. De wandafwerking in de tentoonstellingsruimten dient geschikt te zijn voor museale presentaties waarbij objecten met uiteenlopende formaten en gewichten op de wanden moeten kunnen worden bevestigd; daarbij dienen de wanden geschikt te zijn voor periodieke wisselingen van objecten. Het uitgangspunt voor de afwerking is een voorzetwand van dubbele 12 mm Fermacell gipsvezelplaat of een equivalente oplossing. De voorzetwanden in de tentoonstellingsruimten dienen op voldoende afstand van de bouwkundige c.q. van de constructieve wand te worden gehouden om een gelijkmatig klimaat tussen deze wanden te bewerkstelligen en microklimaat te voorkomen. Bij het ontwerp van de verkeersruimten naar donkere ruimten moet
71
rekening worden gehouden met aanpassing van het oog, bijvoorbeeld door het licht geleidelijk te verminderen. Dit geldt ook andersom vanuit een donkere ruimte naar een lichte ruimte. PLAFONDAFWERKING Wanneer er in een ruimte een hygiënische plafondafwerking wordt geëist, dan heeft deze een stroefheid van ten hoogste R9. Wanneer er in een ruimte een stofarme plafondafwerking wordt geëist, dan dient eventueel stof afkomstig van constructie van de vloeren en daken te worden gebonden. De plafondafwerking in de niet-tentoonstellingsruimtes is zodanig dat de erboven geplaatste installaties goed bereikbaar zijn voor onderhoudswerkzaamheden zonder dat het plafond niet meer goed teruggeplaatst kan worden (scheefhangend of met kieren). De plafondafwerking in de niettentoonstellingsruimten maakt het mogelijk om eenvoudig objecten op te hangen of apparatuur te bevestigen en aan te sluiten.
Ramen, deuren en daglicht In de ruimtestaat is per ruimte aangegeven waar daglicht geëist en waar daglicht gewenst is. Verder is aangegeven in welke ruimten lichtwering noodzakelijk is. Er wordt onderscheid gemaakt tussen zonwering en verduistering. Beperking van de daglichttoetreding in de tentoonstellingsruimten mag niet ten koste gaan van het uitzicht. Externe zonwering is niet toegestaan als die niet goed van buiten bereikt kan worden voor onderhoud en daarbij gevoelig is voor vandalisme. Alle beglazing en de kozijnen moeten worden uitgevoerd met een weerstandklasse overeenkomstig de gevel waarin de buitenwandopening zich bevindt, tenzij anders aangegeven in dit PvE. De beglazing van de koekoek dient te worden uitgevoerd met slagvaste beglazing in de klasse P5A conform de NEN-EN 356. Alle toe te passen glas in tentoonstellingsruimten is uv-werend. Alle toe te passen glas in kantoorruimten dient een CRI / Rawaarde > 90 te hebben. Hang-en-sluitwerk van buitenwandopeningen voldoet aan het keurmerk SKG risicoklasse 3. Deuren mogen geen aangrijppunten hebben, die faciliterend (kunnen) zijn om de betreffende deuren te forceren. Alle buitendeuren dienen zelfsluitend te zijn. Alle openingen in de gevel (voegen, dilataties, enz.) dienen voorzien te worden van ongediertewering. Elke raam- of deuropening in de buitenwand is voorzien van openstand- en slotsignalering.
Het signaal komt binnen in de meldkamer. In de ruimtestaat is aangegeven waar te openen ramen moeten komen. De capaciteit van de spuiventilatie is ten minste 6 dm³/s per m² verblijfsgebied respectievelijk 3 dm³/s per m² verblijfsruimte, zoals omschreven in het Bouwbesluit. Voor de optimale waarneming van objecten door het menselijk oog gelden de volgende aanwijzingen:
72
•
egale verdeling van licht, vaak bereikt door diffuse verlichting en het aanlichten van een schilderij met een zo klein mogelijk verschil in lichtsterkte;
•
beperken van het contrast binnen het blikveld;
•
geen reflecties en glans;
•
toepassen van licht met een goede kleurweergave.
Programma van Eisen
6.7
Bouwfysische eisen Klimaat Voor het klimaat is in de ruimtestaat aangegeven welke regeling voorzien wordt. De luchtkwaliteit wordt beïnvloed door het aantal bezoekers en gebruikers die aanwezig zijn in een bepaalde ruimte. In bepaalde ruimten wordt de toevoer van verse lucht tijdens openingstijden bepaald op basis van de gemeten CO2concentratie. De maximale buitenluchthoeveelheid is te baseren op de te verwachten maximale bezetting. Door het meten van de aanwezige CO2-concentratie in de lucht kan bepaald worden of verse luchttoevoer nodig is. ’s Nachts kan er een volledige recirculatie plaatsvinden. De capaciteit van de voorzieningen voor luchtverversing dient te voldoen aan de vigerende wet- en regelgeving, bepaald conform de NEN 1087. In de ruimtestaat is per verblijfsruimte de minimale ventilatievoud per persoon aangegeven, conform de eisen in het Bouwbesluit. Voor overige ruimten is aangegeven wat het uitgangspunt is. In de ruimtestaat is voorts aangegeven in welke ruimten CO2-meting plaats dient te vinden. Het klimaat in kantoorruimten voldoet aan de eisen ten aanzien van de temperatuur, zoals aangegeven in de ruimtestaat. Voor de kantoorfunctie zijn maximaal 100 overschrijdingsuren toegestaan conform NEN-ISO 7730:2005 categorie B of ISSO 74:2014 klasse A.
Isolatiewaarden en luchtdichtheid De eisen voor de isolatiewaarden van de gebouwschil zijn als volgt: daken gevels vloeren