Bijlage 3 - Analyse mogelijkheden referentienorm voor maatschappelijke initiatieven.docx
Tekst van het document
Analyse mogelijkheden referentienorm voor maatschappelijke initiatieven Inhoud Aanleiding:..............................................................................................................................................1 Wat zijn maatschappelijke initiatieven...................................................................................................1 Wat doet de gemeente al om de huisvesting van maatschappelijke initiatieven te faciliteren?...........3 Behoefte aan ruimte voor maatschappelijke initiatieven ......................................................................4 Waar zit de spanning ..........................................................................................................................4 Het maken van een referentienorm voor maatschappelijke initiatieven...............................................7 Randvoorwaarden opnemen referentienorm ....................................................................................7 Is een norm een oplossing? ................................................................................................................7 Zijn er alternatieve oplossingen?........................................................................................................9 Conclusie, Ja
mits?............................................................................................................................10
Aanleiding: De Amsterdamse referentienormen voor maatschappelijke voorzieningen worden geactualiseerd. De referentienormen zijn een instrument dat wordt gebruikt in de gebiedsontwikkeling. De referentienormen vertalen beleidsopgave naar ruimte (m2) en zijn een hulpmiddel om te bepalen hoeveel vierkante meters van welke voorzieningen er nodig zijn bij realisatie van x-aantal nieuwe woningen. Deze actualisatie is een goed moment om te bepalen of er voor nieuwe voorzieningen een referentienorm moet worden opgenomen. Deze analyse gaat over de vraag of ruimte voor maatschappelijke initiatieven opgenomen zouden moeten worden in de Amsterdamse referentienormen.
Wat zijn maatschappelijke initiatieven Maatschappelijke initiatieven is een breed begrip waar veel verschillende groepen onder kunnen vallen. Een definitie van een maatschappelijk initiatief is: een groep die het heft in handen neemt om een maatschappelijk doel na te streven en zelf de uitvoering ter hand neemt. Dit maatschappelijk doel kan betrekking hebben op verschillende beleidsterreinen1. Initiatiefnemers stimuleren bijvoorbeeld ontmoeting tussen bewoners, dragen bij aan de vergroening in de stad, of zetten zich in voor de acceptatie van minderheden. Ze weten daarbij bewoners te betrekken die de gemeente minder goed bereikt. Maatschappelijk initiatief begint vaak klein, maar kan zich uiteindelijk ontwikkelen tot een gevestigde organisatie met veel slagkracht. Deze ontwikkeling is op te delen in 1) pioniersinitiatieven, 2) basisorganisaties en 3) duurzame organisaties.2 Elke stap komt met een eigen ruimtebehoefte. Een
1 bron: uit subsidieregeling “regeling integrale maatschappelijke initiatieven”
2 bron: uit Van Capacity Building naar Funding Plus (Suzanne Kooij & Deny de Jong), p.11-14.
1
pioniersinitiatief heeft over het algemeen genoeg aan een laagdrempelig toegankelijke ruimte om te starten, terwijl meer gevestigde initiatieven specifiekere eisen stellen aan hun huisvesting. Binnen de gemeenteraad zien we aanzienlijke aandacht voor maatschappelijke initiatieven en andere partijen die, soms als gevolg van gebiedsontwikkeling, hun huisvesting dreigen te verliezen. Enkele voorbeelden hiervan zijn de Speelgoedbank, geloofsinstellingen in Zuidoost, Dress for Success in Nieuw West en recent werd in de raad het Afvalpaleis in Oost besproken. Binnen deze analyse gaat het om initiatieven die bijdragen aan de realisatie van een gemeentelijke ambities en een binnenruimte nodig hebben. De gemeente heeft geen wettelijke taak om deze initiatieven te faciliteren, maar heeft vanuit de democratiseringsagenda en vanuit de bredere ambities om samen te willen werken met de stad en opgavegericht werken, wel de ambitie om deze te versterken. Ook passen maatschappelijke initiatieven binnen de strategisch keuze in de omgevingsvisie voor Samen stadmaken: Met Samen stadmaken onderzoekt Amsterdam de mogelijkheden voor meer maatschappelijk initiatief. We willen ruimte bieden aan zeggenschap en eigenaarschap over de eigen leefomgeving.
Daarbij heeft de gemeente een duidelijke rol bij het stellen van de kaders, maar nemen we tegelijk een open houding aan naar stad en samenleving, zijn we nieuwsgierig en maken we ruimte voor experimenten. Samenwerking met de stad, marktpartijen en onze partners in de regio staat voorop.3 In deze analyse wordt gekeken naar wat de gemeente al doet m.b.t. het huisvesten van maatschappelijke initiatieven. Ook wordt gekeken waar het vastloopt. Er wordt onderzocht of een referentienorm voor maatschappelijke initiatieven een oplossing zou zijn voor het huisvesten van maatschappelijke initiatieven. Tot slot wordt er gekeken welke andere oplossingen er mogelijk zijn voor de gemeente om de huisvesting van maatschappelijke initiatieven te faciliteren. Omdat maatschappelijke initiatieven een breed scala aan vormen kent is het niet mogelijk om deze vragen voor al deze verschillende initiatieven apart te beantwoorden. Er is daarom voor gekozen om bij iedere vraag te kijken naar drie dimensies waarop de initiatieven variëren, die van invloed zijn op de vraag en het aanbod van ruimtes. Dit zijn de dimensies ruimte, geld en doelgroep: - Ruimte: het verschilt per initiatief of zij een eigen ruimte zoeken of incidenteel gebruik willen maken van een ruimte van een ander. Ook verschilt het type ruimte dat wordt gevraagd.
- Geld: Het verschilt per initiatief hoeveel geld er beschikbaar is voor de huur van een ruimte. Een deel van de initiatieven heeft een subsidierelatie met de gemeente. Dit kan gaat veelal om incidentele subsidies. Daarnaast kunnen initiatieven ook andere inkomstenbronnen hebben. Doelgroep: Er is ook een verschil in de focus van de initiatieven. Een deel van de initiatieven richt zich op specifieke doelen of doelgroepen, zoals een BOOST Amsterdam. Andere hebben een nog meer openbaar karakter. Ook zien we verschil in verzorgingsgebied, sommige initiatieven een zeer lokale binding andere hebben juist een wijk overstijgende, stedelijk of zelfs regio functie. Dit heeft impact op de (her)huisvesting mogelijkheden. - Een specifieke groep zijn de religieuze groepen. We zien dat deze organisaties / initiatieven een belangrijke rol in de samenleven vervullen in het zorgen voor zingeving, ondersteunen van kwetsbare en overbruggen van verschillende sociale klasse. Omdat deze instellingen in dezelfde situatie zitten als veel maatschappelijke initiatieven, ze zijn geen beleidsdoel, de overheid heeft geen formele rol in het herhuisvesten, maar ze vervullen wel een sociaal maatschappelijke meerwaarde worden ze in deze notitie meegenomen onder de noemer maatschappelijk initiatief.
3 Omgevingsvisie 2050, P49 de 5 strategische keuzes
2
Wat doet de gemeente al om de huisvesting van maatschappelijke initiatieven te faciliteren? De gemeente ondersteunt maatschappelijke initiatieven al op verschillende manieren bij een zoektocht naar ruimte. - Maatschappelijke initiatieven kunnen een ruimte huren in de bestaande basisvoorzieningen en broedplaatsen. o Bij de basisvoorzieningen kunnen ruimtes voor een dagdeel worden gehuurd, in de bestaande buurthuizen of huizen van de wijk. De huurprijs is afhankelijk van het type gebruiker. Het beleid voor het huren van ruimtes verschilt per stadsdeel. Initiatieven geven aan dat de context van een basisvoorziening (Huis van de Wijk, buurtkamer) niet altijd aansluit sluit bij de uitstraling die zij als initiatieven zoeken en nodig hebben. o Ook binnen de broedplaatsen is het mogelijk om een ruimte te huren voor maatschappelijke initiatieven. De gemeente heeft op dit moment 75 broedplaatsen. Deze worden niet door de gemeente zelf beheerd. Per locatie moet 40% van de ruimtes beschikbaar worden gesteld aan CAWA (Commissie voor Ateliers en (Woon)Werkpanden Amsterdam) positief getoetste kunstenaars. De overige 60% van de ruimte kan vrijer worden ingevuld door de beheerder. Het is hierbij vooral belangrijk dat de huurder past binnen het concept van de broedplaats en dat de exploitatie van de broedplaats sluitend is.
De broedplaats moet wel een plan indienen, waar ze in moeten aangeven hoe ze de relatie met de buurt zien. Dit wordt door de CAWA getoetst. Ruimtes kunnen zowel voor een dagdeel als permanent worden verhuurd. Hierbij moet wel opmerkt worden dat broedplaatsen een focus hebben op kunst & cultuur en dat de kunstenaar die de broedplaats exploiteert in de lead is. - Leegstand gemeentelijke panden: Wanneer gemeentelijke panden tijdelijk leeg staan worden deze beschikbaar gesteld voor tijdelijk gebruik. Maatschappelijke initiatieven kunnen soms gebruik maken van deze mogelijkheid. Het gaat hierbij wel om een tijdelijk aanbod. Op dit moment wordt het leegstandbeleid geactualiseerd en aangestuurd op meer ruimte voor maatschappelijke initiatieven en economisch daklozen. - Stadsloods: De gemeente kan faciliteren bij het zoeken van een eigen ruimte voor maatschappelijke initiatieven. Dit gebeurt via de stadsloods. De stadsloods helpt bedrijven en organisaties bij het matchen van vraag en aanbod van bedrijfsruimte en maatschappelijke ruimte. - Referentienormen: In de nieuwe gebieden van de stad wordt er ruimte gereserveerd op basis van de referentienormen maatschappelijke voorzieningen. Basisvoorzieningen en broedplaatsen zijn een onderdeel van deze referentienormen. Maatschappelijke initiatieven kunnen ruimtes huren in deze voorzieningen, maar kennen nu geen eigen referentienorm.
- Usespace: De gemeente werkt samen met Usespace om meervoudig gebruik van kantoorruimte te stimuleren. Dit betekent dat kantooreigenaren en huurders benaderd worden om hun (algemene) ruimtes ook beschikbaar te maken voor maatschappelijke organisaties, met name na kantooruren. - Vrijkomend vastgoed: Soms komen gemeentelijke panden vrij voor de verhuur. In eerste instantie is gemeentelijk vastgoed beschikbaar voor het huisvesten van gemeentelijke doelen die bijdragen aan een wettelijke taak, bestuursopdracht of een beleidsdoel van de gemeente. Wanneer vrijkomende panden niet nodig zijn voor een van deze doelen kunnen deze verhuurd worden aan initiatieven met een (semi) maatschappelijk doel. De panden die
3
vrij komen worden aangeboden via amsterdam.nl/aanbodvastgoed. Dit gebeurt conform het proces (Didam) wat hiervoor geldt. Naast het faciliteren bij het zoeken naar ruimte ondersteunt de gemeente maatschappelijke initiatieven met subsidies voor activiteiten. Bij een deel van deze subsidies kan een deel van het geld besteed worden aan huisvesting. Een voorbeeld hiervan is de ‘Regeling integraal Maatschappelijk Initiatief (Rimi)’. Deze regeling is bedoeld om meer financiële ruimte te bieden aan initiatieven met meerdere doelstellingen, op verschillende thema’s. Initiatieven die meerdere ‘vliegen in één klap’ slaan. Ze zijn bijvoorbeeld goed voor het milieu, scheppen banen en brengen buren bij elkaar. Voor de uitvoering van de regeling is er één loket waar initiatiefnemers en maatschappelijke organisaties terecht kunnen. Het maximale subsidiebedrag per initiatief is € 100.000,- en het gaat om eenmalige middelen. Voor 2025 moeten er ook nog middelen worden gevonden voor de RIMI. Er zijn ook subsidies waarbij het geld niet besteed mag worden aan de huur van een ruimte. Als deze subsidies zijn op dit moment nog incidenteel. Als we kijken naar de drie dimensies (ruimte, geld en doelgroep) dan is te zien voor welk type maatschappelijke voorzieningen de gemeente al een faciliterende rol pakt m.b.t. de huisvesting.
Behoefte aan ruimte voor maatschappelijke initiatieven Waar zit de spanning Er komen steeds meer signalen uit de stad, de media en de gemeenteraad dat maatschappelijke initiatieven moeite hebben met het vinden van een (betaalbare) ruimte. In het jaarverslag van de Stadsloods wordt benoemd dat er een steeds grotere druk is op de voorraad bedrijfsruimte en maatschappelijke ruimtes. Daarbij is er een schaarste aan panden met een maatschappelijke bestemming. De vraag lijkt alleen maar toe te nemen aangezien de stad steeds duurder wordt en veel betaalbare plekken op voormalige bedrijventerreinen verdwijnen door woningbouw. Er is geen kwantitatief inzicht in hoe groot de vraag naar ruimte voor maatschappelijke initiatieven is. Dit heeft een aantal oorzaken. Zo zijn er veel verschillende definities van maatschappelijke initiatieven, wat leidt tot een verschillende aantallen. Daarbij is maatschappelijke initiatieven een breed begrip. Hierdoor komen signalen over maatschappelijke initiatieven op veel verschillende plekken bij de gemeente terecht. Er is daarbij geen centrale administratie waar de vraag naar ruimte wordt bijgehouden. De vraag is bovendien soms volatiel: niet al het maatschappelijk initiatief is langdurig. Tot slot komen lang niet alle signalen bij de gemeente terecht omdat niet ieder initiatief zich tot de gemeente richt bij een zoektocht naar ruimte.
Er zijn wel signalen dat de vraag stijgt. Zo nam het aantal aanvragen bij de stadsloods toe van 430 in 2020 naar 552 in 2021. Dit gaat om alle ruimtevragers bij de Stadsloods en niet enkel om maatschappelijke initiatieven. In het jaarverslag en een aanvullende verdiepende analyse van MAEX, een organisatie die voor Amsterdam de maatschappelijke impact van maatschappelijke initiatieven in beeld brengt, is het volgende beeld op te maken. Van de 653 geregistreerde maatschappelijke initiatieven, in 2023 geven er 258 (40%) aan een behoefte te hebben aan uitbreiding of verandering van locatie. Verder uitgesplitst ontstaat dit beeld: - Winkelruimtes 4 - Een grotere ruimte 35 - Een vaste eigen locatie 74 - Een gedeelde / tijdelijke ruimte 51 - Productieruimte 16 - Overige zaken zoals grond, verbouwing, opslag 78 Totaal 258 4
Hierbij moet opgemerkt worden dat we niet weten hoe de 653 partijen zich verhouden tot het totaal in de stad. En in welke mate de vragen en wensen van deze partijen reëel zijn. We lopen de drie dimensies langs om te zien waar de vraag en het aanbod van ruimte het meest uit elkaar ligt. Dimensie ruimte De zoektocht naar een ruimte is met name lastig voor initiatieven die een eigen ruimte zoeken. Het aanbod aan eigen (betaalbare) ruimte is beperkt en wordt steeds kleiner. De bedrijfsruimte markt waar ook de maatschappelijke ruimten onder vallen is in handen van particuliere eigenaren en daar heeft de overheid nagenoeg weinig tot geen invloed op. Daarbij komt naar voren dat veel initiatieven graag een eigen ruimte willen zodat zij dit naar eigen inzicht kunnen inrichten en gebruiken. Ook initiatieven die de ruimte niet constant nodig hebben zoeken vaak wel een eigen ruimte. Ook zien we weinig partijen die risicodragend de exploitatie van dergelijke ruimte op zich willen en kunnen nemen. De ruimtes binnen de basisvoorzieningen die voor een dagdeel kunnen worden gehuurd voldoen qua functionaliteiten en uitstraling lang niet altijd aan de wensen van een initiatief. En ook daar is de ruimte beperkt. Hierbij valt wel op de er geen goed zicht is op de bezettingsgraad van de basisvoorzieningen, die in opdracht van de gemeente geëxploiteerd worden.
Dimensie geld Initiatieven hebben regelmatig weinig geld te besteden aan huisvesting. Hierdoor is zelfs de maatschappelijke huur niet voor alle initiatieven te betalen. Daarbij wordt het aanbod aan betaalbare ruimte steeds schaarser, omdat de stad duurder wordt en de druk op de ruimte toeneemt. De gemeente subsidieert een deel van de initiatieven, maar het is lang niet altijd toegestaan om (een substantieel deel) van de subsidie te besteden aan huur. Wanneer een initiatief een huurcontract wil aangaan, is een stabiele inkomstenbron of eigen vermogen nodig. Tegelijkertijd is het lastiger voor een initiatief om aan financiering te komen wanneer er geen zekerheid bestaat dat er daadwerkelijk een plek is om de activiteiten uit te voeren. Interne gemeentelijke spanning Veel subsidies zijn van korte duur waarbij de subsidietermijn niet altijd aansluit op de termijn van een huurcontract. Financieren via de stenen door gemeentelijke panden tegen gereduceerd tarief beschikbaar te stellen kan op dit moment niet. De wet markt en overheid schrijft voor dat minimaal een kostprijs dekkende huur gevraagd moet worden. Hier kan vanaf geweken worden middels een algemeen belang besluit. In de actualisatie van het kostprijs dekkende huurbeleid wordt hier naar gekeken. Hier zitten namelijk ook diverse nadelen aan.
Om geld van de gemeente te krijgen moet er dus een subsidie worden aangevraagd en moet het initiatief aan de eisen van de subsidieregeling voldoen. Dit is soms complex en vanuit Stadsdelen, Masterplan gebieden en maatschappelijke initiatieven zelf wordt aangegeven dat dit voor lang niet alle partijen haalbaar is. Tegelijktijdig vergroot de gemeente ook zelf de vraag naar betaalbare ruimtes door subsidieregeling op te zetten die niet gekoppeld zijn aan een ruimte. Door activiteiten te subsidiëren zonder dat er (voldoende) geld is voor een ruimte wordt een extra vraag naar huisvesting gecreëerd.
5
Dimensie doelgroep (Geen) regie op de vraag Initiatieven hebben diverse plekken binnen de gemeente (bij beleidsdirecties, de Stadsloods en of Bureau Integrale Maatschappelijke Initiatieven) waar ze aankloppen voor hulp rondom huisvesting. Er is dan ook niet één overzicht van alle kansen en mogelijkheden voor initiatieven. Dit is ook een onhaalbare ambitie omdat de vraag en aanbod in de stad constant verandert en de gemeente maar een kleine deel van het aanbod in eigen beheer heeft. Tegelijkertijd zijn maatschappelijke initiatieven als geheel geen beleidsdoel van de gemeente en is er niet één organisatieonderdeel voor verantwoordelijk: door de hele organisatie wordt gewerkt met initiatiefnemers. Het kan wel zijn dat specifieke initiatieven wel onder een van de beleidsdoelen en directies van de gemeente vallen. Maatschappelijke initiatieven kunnen uiteraard ook nog bij plekken buiten de gemeente terecht met hun huisvestingsbehoefte, denk aan corporaties, makelaars en maatschappelijke instellingen, hiervan heeft de gemeente geen inzicht. Verzorgingsgebied Een ander aspect dat dat we tegenkomen is dat het verzorgingsgebied van initiatieven erg uiteenlopend is. De plek waar ze impact willen maken kan verschillen: in Nederland, de regio, de stad, de wijk of de buurt.
Die verscheidenheid maakt ook dat er onderscheid gemaakt kan worden in de mate waarin ondersteuning nodig en wenselijk is. En dat huisvestingsknelpunten makkelijker of moeilijker op te lossen zijn. Religieuze instellingen Zoals al eerder in deze wordt het belang van de religieuze instellingen zeker gezien en erkent. Echter door hun specifieke karakter is het zoeken hoe hier mee om te gaan. In de grondwet is de scheiding tussen kerk en staat vastgelegd. Dit betekent dat we als overheid niet het ene geloof mogen voortrekken ten opzichten van het andere geloof. Dit sluit echter niet uit dat de gemeente en rol kan spelen bij herhuisvesting van religieuze instellingen, als ze hier meer transparant en alle partijen gelijk behandeld. Dat begint bij het maken van een afweging in de gebiedsontwikkeling of een specifieke religieuze instellingen behouden moet blijven of niet. We moeten echter ook erkennen dat bij de afweging om iets te behouden ook vervolgvragen komen over hoe dit te regelen. Hoe dit kan waarbij een goede balans tussen gelijke behandeling, gezonde afstand tot de inhoud en het faciliteren nader onderzocht zou moeten worden. Vanuit het Rijk zijn hier verschillende handreikingen voor geschreven. Dit zijn de Bouwstenen voor een kerkvisie (2019) en het Tweeluik religie en publiek domein (2019). Die helpen bij dit vraagstuk maar nemen de complexiteit niet weg.
Conclusie: We zien veel en een toenemende behoefte aan ruimte voor maatschappelijke initiatieven. Vooral initiatieven met weinig geld én een behoefte aan een eigen plek hebben het moeilijk. Door steeds meer initiatieven te subsidiëren op programma, maar minder op huisvesting groeit deze groep. Omdat het aantal betaalbare plekken in de stad afneemt zal de druk op maatschappelijke initiatieven, zeker aan de randen van de stad toenemen. Omdat maatschappelijke initiatieven een breed scala aan initiatieven bestrijken vallen deze niet altijd onder de verantwoordelijkheid van een van de beleidsdirecties van de gemeente en worden deze bij een gebiedsontwikkeling niet actief meegenomen. Daarnaast zijn de mogelijkheden voor initiatieven die zich richten op een specifiek culturele of religieuze doelgroep beperkt.
6
Het maken van een referentienorm voor maatschappelijke initiatieven Randvoorwaarden opnemen referentienorm Een van de mogelijkheden die de gemeente heeft om ruimte te regelen voor een specifiek doel is een referentienorm voor maatschappelijke voorzieningen. Met behulp van deze normen wordt er ruimte gereserveerd voor een voorziening met een maatschappelijke bestemming. Dit gebeurt in opdracht van een organisatieonderdeel binnen de gemeente. Wanneer er ruimte wordt gereserveerd voor maatschappelijke voorzieningen neemt het projectteam van grond en ontwikkeling deze mee in het bestemmingsplan en het stedenbouwkundig plan. Referentienormen worden alleen gebruikt in de gebiedsontwikkeling (incl. transformatie en verdichting) en niet in de bestaande stad. Met het opnemen van een referentienorm is het echter nog niet geregeld dat er ruimtes komen voor maatschappelijke initiatieven. Naast de norm zijn er nog een aantal randvoorwaarden noodzakelijk, zoals:. -
-
-
Verantwoordelijkheid gemeente: De gemeente neemt een actieve rol en verwachting op zich, om ruimte te regelen voor partijen. Organisatieonderdeel (directie/stadsdeel) met inzicht in markt: Bij het opnemen van een norm is het noodzakelijk dat er een organisatieonderdeel is met inzicht in vraag en aanbod van “de markt” om te kunnen bepalen of en hoeveel ruimte nodig is. Dit vraagt dus ook om inzicht en enige vorm van regie op de huisvesting in een vroeg stadium van de planontwikkeling. En wat er dan ruimtelijk nodig is, zoals een Programma van Eisen (PvE). Ook is het nodig dat er kaders worden opgesteld om te bepalen wat een maatschappelijk initiatief is en hoe er wordt gewogen tussen maatschappelijke initiatieven wanneer de vraag naar ruimte groter is dan het aanbod. Wanneer er een referentienorm wordt opgenomen vraagt dit om extra capaciteit binnen de ambtelijke organisatie. Toekomstig gebruiker met inzicht in ruimtevraag: Het is noodzakelijk om in een vroeg stadium van de gebiedsontwikkeling aan te geven wat er ruimtelijk nodig is via een Programma van Eisen. Dis is vaak jaren voordat het gebouw daadwerkelijk wordt opgeleverd. Het opstellen van een Programma van Eisen gebeurt bij voorkeur door de toekomstige gebruiker. Wanneer er geen partij is die dit kan doen is er ook een mogelijkheid om een generiek programma van eisen op te stellen.
Hierin kunnen randvoorwaarden worden meegegeven voor de te bouwen ruimte, bijvoorbeeld de grootte, hoogte, of behoefte aan specifieke ruimtes (keuken /theaterzaal) en ligging in de buurt. Wanneer er enkel een generiek casco(+) PVE kan worden opgesteld wordt de toekomstige ruimte niet gebouwd op basis van de specifieke eisen van een gebruiker. Financiering van de ruimte: Een ruimtelijke reservering in de planontwikkeling staat niet gelijk aan een gemeentelijke financiering, dus als we ruimte reserveren moeten we wel weten dat een partij ook instaat is om een pand aan te kopen / huren. Wanneer een partij niet zelf in staat is om een pand aan te kopen (of een langdurig huurcontract aan te gaan) kan de gemeente ervoor kiezen om het pand zelf te kopen of te huren. Dit betekent wel dat daar geld beschikbaar voor moet worden gesteld. Anders bouwen we voor leegstand. Dit vraagt of om extra investeringsruimte, meer middelen voor subsidie of om een lagere opbrengst uit de grondexploitatie (GREX).
7
Is een norm een oplossing? Een referentienorm is voor de maatschappelijke initiatieven die nu een ruimte zoeken geen directe oplossing. Een referentienorm wordt gebruikt in de gebiedsontwikkeling. Het realiseren van voorzieningen op basis van de normen is een proces dat in de regel jaren duurt. Daardoor is het geen oplossing voor maatschappelijke initiatieven die nu een ruimte zoeken. Een norm kan worden gebruikt om over een aantal jaar een ruimte te realiseren. Een norm kan wel helpen bij gebieden die nog in ontwikkeling komen om aan de voorkant te kijken wat/wie daar nu zitten en of en zo ja hoe deze meegenomen worden bij een toekomstige ontwikkeling We lopen bovenstaande randvoorwaarden af om te beoordelen of het wel zinvol is om een referentienorm op te nemen om op de lange termijn als gemeente specifiek ruimte te creëren voor maatschappelijke initiatieven. Verantwoordelijkheid gemeente: het huisvesten van maatschappelijke initiatieven is geen wettelijke of beleidsmatige taak van de gemeente. Echter dragen (een deel van de) initiatieven wel bij aan de ambities en doelstellingen van de gemeente. Het is een bestuurlijke keuze of de gemeente een grotere rol wil pakken in het faciliteren van huisvesting d.m.v. een referentienorm.
Organisatieonderdeel met inzicht in de vraag Omdat maatschappelijke initiatieven een breed palet heeft aan doelen valt dit ook niet onder één beleidsdirectie. Er is daarmee niet één afdeling aanspreekbaar die kan bepalen welk type ruimte er nodig is op welke plek. Er is geen gemeentebrede visie c.q. aanpak op maatschappelijke initiatieven: initiatief laat zich beleidsmatig ook niet sturen. Daarbij is er ook geen eenduidig afwegingkader voor welke initiatieven de gemeente wel en niet een verantwoordelijkheid neemt. Er zijn echter wel een hoop verschillende organisatieonderdelen die bezig zijn met maatschappelijke initiatieven. Dit zijn o.a. het stadsdeel, de stadsloods, verschillende beleidsdirecties en het Bureau Integrale Maatschappelijke Initiatieven. Geen van deze organisatieonderdelen heeft op dit moment de taak om huisvesting te realiseren in de gebiedsontwikkeling voor maatschappelijke initiatieven. Het is wel mogelijk om een van deze organisatieonderdelen deze opdracht te geven. Er moet dan wel extra ambtelijke capaciteit worden geregeld. Ook kan er in plaats van uit te gaan van de complete vraag een afweging gemaakt worden op projectniveau. Dit betekent dat per project in de gebiedsontwikkeling gekeken kan worden naar wat er al zit en een actieve afweging gemaakt worden over wat er behouden moet worden en wat niet.
Hiermee worden dus partijen die nog geen ruimte hebben maar wel iets willen buiten beschouwing gelaten. Toekomstige gebruiker met inzicht in ruimtevraag: Veel initiatieven die op zoek zijn naar ruimte hebben die ruimte op korte termijn nodig. Referentienormen kunnen een oplossing zijn over de lange termijn. Op dit moment is het onmogelijk om te bepalen hoe de ruimtebehoefte van maatschappelijke initiatieven er over een paar jaar uit zal zien en wie de partijen zijn die op dat moment een ruimte nodig hebben. Dit maakt dat er vooral ruimtes kunnen worden gerealiseerd volgens een generiek programma van eisen. Het wordt dan lastig om aan de specifieke behoefte van een initiatief te voldoen, zeker als zij zeer specifieke eisen aan de ruimte of locatie hebben. Dit hoeft echter geen belemmering te zijn voor het opnemen van een referentienorm voor maatschappelijke initiatieven. Het is mogelijk dat de gemeente in samenwerking met maatschappelijke initiatieven een generiek programma van eisen opstelt. Ook is het mogelijk om binnen een specifiek gebied een inschatting te maken van de specifieke eisen die een potentiële toekomstige gebruiker zal hebben. Dit kan door een inschatting te maken van de toekomstige bewoners van het gebied en de maatschappelijke initiatieven die zich al in (de omgeving van) het gebied bevinden. 8
Financiering van de ruimte De belangrijkste voorwaarden voor het opnemen van een referentienorm is dat de toekomstige ruimte ook moet worden gefinancierd. De ontwikkelaar/eigenaar van een ruimte biedt de ruimte vaak aan door deze te verkopen aan een gebruiker of door een (langdurig) huurcontract aan te bieden. De meeste maatschappelijk initiatieven hebben geen structurele financiering die het mogelijk maakt om zelf een langdurig huurcontract aan te gaan of een ruimte te kopen. Mocht de gemeente toch een norm willen opnemen dan moet er ook geld beschikbaar worden gesteld om de ruimte te kunnen realiseren. Er zijn op hoofdlijnen een aantal mogelijkheden om geld beschikbaar te stellen. Dit kan door: - de investeringsruimte te vergroten en als gemeente eigenaar te worden van de ruimte en vervolgens om-niet beschikbaar te stellen (algemeen belang besluit). - Een structurele subsidie beschikbaar te stellen, zodat er ruimte gehuurd kan worden. - De ruimte tegen een lage prijs mee laten ontwikkelen door een externe partij. Hierdoor drukt deze op de businesscase van ontwikkelaar waardoor andere ambities onder druk komen te staan, werkwijze broedplaatsen). Hierbij is nog steeds een incidentele subsidie nodig voor het afbouwen. Wanneer er gekozen wordt om een norm op te nemen moet er ook actief gewerkt worden aan een financieringsmodel.
Zijn er alternatieve oplossingen? Naast een referentienorm zijn er andere opties voor de gemeente om ruimte voor maatschappelijke initiatieven te faciliteren. Subsidie aansluiten op huisvestingaanbod De gemeente subsidieert een deel van de maatschappelijke initiatieven. De hoogte van de subsidie en de subsidietermijn sluit echter niet altijd aan op de huisvestingmogelijkheden die er zijn. Door partijen een lang lopende subsidie te geven, waarbij een substantieel deel mag worden uitgegeven aan huur maakt het makkelijker voor initiatieven om een ruimte te huren. Het aanbod aan ruimtes neemt hiermee niet toe, maar de mogelijkheid voor gesubsidieerde initiatieven om iets te huren wel. Tegelijk moeten we ook realistisch zijn: dit zal voor maar een heel beperkt aantal initiatieven een oplossing zijn. De gemeente kan lang niet alle initiatieven op deze manier structureel ondersteunen. Dit is echter geen oplossing voor de teruglopende beschikbare m2 voor maatschappelijk initiatief die de verdichting met zich meebrengt. Zet meer in op meervoudig gebruik Om meer ruimte te creëren voor maatschappelijke initiatieven kan ook gekeken worden naar meervoudig gebruik van ruimte. De gemeente kan niet alles zelf op lossen, de vraag is dan ook of we de mogelijkheden uit de markt beter benut kunnen worden. Bedrijven kunnen veel meer betrokken worden bij de zoektocht naar ruimte.
Vanuit het ESG regelgeving worden bedrijven gestimuleerd om meer te doen voor de maatschappij. Dit kan bijvoorbeeld het huisvesten van een initiatief zijn. Ruimte die na kantoortijd niet gebruikt wordt kan ingezet worden voor onder andere maatschappelijke initiatieven. De gemeente kan hier zelf een voorbeeldfunctie in hebben. Met Usespace worden hier eerste stappen in gezet. Ook kan gedacht worden aan het stimuleren van meervoudig gebruik bij onderwijsinstellingen en restaurants. Dit kan een oplossing zijn voor initiatieven die geen eigen ruimte nodig hebben. Er is hier nog geen stedelijke aanpak voor.
9
Al eerder is genoemd dat er nu binnen de voorzieningen van de Sociale Basis geen goed inzicht is in de bezettingsgraad en dat hier mogelijk nog een slag te slaan is. In het eigen gemeentelijke vastgoed wordt al ingezet op het beter benutten van ruimtes die tijdelijk leegstaan voor onder andere maatschappelijke initiatieven. Ondanks dat met meervoudig gebruik extra ruimte voor maatschappelijke initiatieven gecreëerd kan worden, is dit niet hetzelfde als ruimte middels de referentienorm. Het gaat bij meervoudig gebruik immers altijd om ruimte die gedeeld moet worden met een andere / hoofdgebruiker. Dit is dus geen oplossing voor partijen die een eigen ruimte (zeggen) nodig hebben. Ook zijn maatschappelijke initiatieven soms lokaal gebonden en daarmee minder in staat om te verhuizen naar een plek waar een kantoor toevallig ruimte aanbied. Maak gebruik van tussenpartijen Op andere terreinen is uitgebreid ervaring opgedaan met de inzet van tussenpartijen als schakel tussen ruimte en ruimtezoekers. Voor Broedplaatsen zijn dit bijvoorbeeld Stichting Urban Resort en Stichting LOLA. Middels kwartiermakers die zijn ingebed in de buurt brengen zij vraag en aanbod bij elkaar. Het Sociaal Domein kent een dergelijke constructie bij de invulling van de Huizen van de Wijk.
Ook maatschappelijk initiatief zou geholpen kunnen zijn met een actieve tussenpartij die initiatiefnemers en passende ruimte aan elkaar verbinden. Eerder is benoemd dat maatschappelijk initiatief zich over de tijd kan ontwikkelen van een pioniersinitiatief tot een duurzame organisatie met grote slagkracht. Vooral de meer startende initiatieven zijn gebaat bij laagdrempelig beschikbare ‘rommelruimte’ om te kunnen starten met activiteiten. Deze groep stelt vaak nog minder specifieke eisen aan huisvesting. Voor hen zou een eigen ruimte in een groter pand dat wordt gedeeld met andere pioniersinitiatieven ideaal zijn. Een tussenpartij kan fungeren als schakel tussen initiatief uit de wijk en de verdeling van de vierkante meters. Voor organisaties die verder zijn in hun ontwikkeling, is dit waarschijnlijk geen oplossing. Zij zijn vaak al geworteld in een specifieke buurt en hebben meer wensen voor een gebruiksruimte. Deze groep vraagt om maatwerk. Deze werkwijze voegt geen ruimte toe, maar maakt het proces voor het vullen van ruimte gemakkelijker. Het is daarmee niet alternatief voor een referentienorm maar eerder een aanvulling.
Conclusie, Ja mits? Het huisvesten van maatschappelijke initiatieven is geen wettelijke of beleidstaak van de gemeente. Maatschappelijke initiatieven dragen wel bij aan de ambities en doelstellingen van de gemeente. Door de toenemende druk op betaalbare ruimte in de stad is de verwachting dat als de gemeente geen rol pakt het aanbod aan betaalbare ruimtes voor maatschappelijke initiatieven alleen maar zal afnemen. In deze analyse is met name onderzocht of het haalbaar is om een referentienorm op te nemen voor maatschappelijke initiatieven. Het opnemen van een norm is mogelijk, maar daar zijn wel een aantal randvoorwaarden aan verbonden. Immers met alleen een norm is er nog geen ruimte geregeld. Ondanks dat er nog huiswerk te maken is voor het komen van een ruimte reservering tot een werkelijke ruimte, wordt wel geadviseerd om nu de stap tot het benoemen van maatschappelijke initiatieven bij de referentienorm te zetten. De belangrijkste reden om wel te kiezen voor het opnemen van maatschappelijke initiatieven in de referentienorm zijn:
10
-
-
-
Het betreft hier in de regel organisaties die bijdragen aan maatschappelijke doelstellingen van de gemeente. Het sluit aan bij de afspraken in de Omgevingsvisie Amsterdam 2050, over samen stadmaken en het zorgen voor ruimte voor initiatief. In de ontwikkelstrategie 2035 wordt actief gekozen om vooral in te zetten op verdichting van bestaande gebieden, wat juist voor maatschappelijke initiatieven ook een risico is, omdat dit in de regel leidt tot afname van beschikbare betaalbare ruimte. Er ontstaat een opdracht in de gebiedsontwikkeling actiever een afweging te maken of maatschappelijke initiatieven, die anders zouden verdwijnen behouden moeten worden of niet (of letterlijk niet de ruimte hebben om te ontstaan). Het gaat hier om organisaties/ activiteiten die zonder hulp niet tot een nieuwe plek komen, omdat ze hier te kwetsbaar voor zijn. Er is door de actualisatie van de referentienorm nu momentum om voorzieningen toe te voegen.
Wel worden er nog een aantal zaken benoemd die horen bij het advies voor het benoemen van een maatschappelijk initiatief tot onderdeel van de referentienormen, te weten: - Anders dan bij andere domeinen / normen wordt geadviseerd om geen m2 te koppelen aan het aantal woningen wat we gaan ontwikkelen, maar enkel maatschappelijke initiatief te benoemen als voorziening waar ruimte voor nodig. Hierdoor worden maatschappelijke initiatieven onderdeel van het gesprek / werkproces in de gebiedsontwikkeling. Net als bij andere maatschappelijke voorzieningen zal dan gekeken worden naar wat er al in een gebied zit en wat er nodig en behouden dient te worden. - Er zal een werkwijze ontwikkeld moeten worden om per gebied op een transparante wijze te komen tot een keuze voor welke reeds bestaande maatschappelijke initiatieven ruimte gereserveerd wordt in de gebiedsontwikkeling en welke niet. Bureau Integrale Maatschappelijke Initiatieven heeft al aangeven het opstellen van deze werkwijze te kunnen ondersteunen. - Financiering is nog een knelpunt om te komen van ruimtelijke reservering tot een daadwerkelijke ontwikkeling. Tegelijkertijd zien we ontwikkeling in de ontwikkeling van de Vastgoedvisie en het nieuwe beleid rondom Kostprijsdekkende huur die hier een uitkomst voor bieden.
- Om ruimte te reserveren in de gebiedsontwikkeling moeten er ook randvoorwaarden worden meegegeven voor deze ruimte, middels een programma van eisen. In principe wordt met de beoogde werkwijze vooral inzichtelijk gemaakt voor welke partij ruimte gereserveerd wordt en kan een specifiek PvE gemaakt worden. Wanneer nog niet duidelijk is wie de toekomstige gebruiker is van deze ruimte kan dit via een generiek programma van eisen. Dit PVE kan worden opgesteld door de gemeente in samenwerking met vertegenwoordigers van maatschappelijke initiatieven
11