Bijlage 2g – 7. Natuur (flora en fauna).pdf
Tekst van het document
Rapport Projectnummer: 369502 Referentienummer: SWNL0254278 Datum: 19-12-2019
Verkennend natuuronderzoek tijdelijke pontverbinding Sluisbuurt te Amsterdam Oriënterend onderzoek in het kader van de Wet- en regelgeving voor natuur
Definitief
Opdrachtgever: Gemeente Amsterdam Postbus 202 1000 AE AMSTERDAM
Sweco Robijnstraat 11 1812 RB Alkmaar Postbus 214 1800 AE Alkmaar
T +31 88 811 66 00 www.sweco.nl
Sweco Nederland B.V. Alkmaar Handelsregister 30129769 Statutair gevestigd te De Bilt
Raisja Spijker Junior adviseur ecologie
Verantwoording Titel
Verkennend natuuronderzoek tijdelijke pontverbinding Sluisbuurt te
Amsterdam Subtitel
Oriënterend onderzoek in het kader van de Wet- en regelgeving voor natuur
Projectnummer
369502
Referentienummer
SWNL0254278
Revisie
D1.0
Datum
19-12-2019
Auteur
Raisja Spijker en Daisy de Vries
E-mailadres
Gecontroleerd door
Maikell Verkade
Paraaf gecontroleerd
Goedgekeurd door
Maarten Mouissie
Paraaf goedgekeurd
2 (29)
Inhoudsopgave Samenvatting ....................................................................................................................4 1
Inleiding .............................................................................................................6
1.1
Aanleiding ...........................................................................................................6
1.2
Kader van het onderzoek .....................................................................................6
1.3
Doelstelling..........................................................................................................6
1.4
Ligging plangebied...............................................................................................7
1.5
Voorgenomen activiteiten.....................................................................................7
2
Wet natuurbescherming: Natura 2000-gebieden ..............................................9
2.1
Toetsingskader ....................................................................................................9
2.2
Inventarisatie ..................................................................................................... 10
2.3
Analyse van de mogelijke effecten ..................................................................... 10
3
Wet natuurbescherming: soortenbescherming.............................................. 11
3.1
Toetsingskader .................................................................................................. 11
3.2
Methode ............................................................................................................ 11
3.3
Voorkomende ecotopen ..................................................................................... 12
3.4
Planten .............................................................................................................. 15
3.5
Vleermuizen ...................................................................................................... 16
3.6
Grondgebonden zoogdieren .............................................................................. 17
3.7
Vogels ............................................................................................................... 18
3.8
Amfibieën en Reptielen ...................................................................................... 19
3.9
Vissen ............................................................................................................... 20
3.10
Ongewervelden ................................................................................................. 20
4
Natuurbeleidskaders ....................................................................................... 21
4.1
Toetsingskader .................................................................................................. 21
4.2
Natuurnetwerk Nederland ..................................................................................21
4.3
Gebieden buiten het NNN .................................................................................. 23
4.4
Gemeentelijk beleid ........................................................................................... 24
5
Conclusies ....................................................................................................... 27
5.1
Wet natuurbescherming ..................................................................................... 27
5.2
Natuurbeleidskaders .......................................................................................... 28
Referenties ...................................................................................................................... 29 Bijlage 1 Wet natuurbescherming: soortenbescherming Bijlage 2 Gemeentelijk beleid Bijlage 3 Onderzoek vleermuizen Bijlage 4 Protocol Japanse duizendknoop gemeente Amsterdam
3 (29)
Samenvatting Onderstaand is een samenvattende tabel opgenomen met daarin mogelijke effecten of overtredingen van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming, ook wordt aangegeven of aanvullend onderzoek noodzakelijk is. Samenvattende tabel Gebied/Soortgroep
Natura 2000-gebieden
(Mogelijke)
Vergunning/
Actie/
overtreding
ontheffing
Maatregelen
verbodsbepalingen
noodzakelijk?
Stikstofdepositie
Artikel 2.7 Wnb
Mogelijk
Aerius-berekening
Geen
Geen
Nee
Geen
Ecologische verbinding
Versnippering
Artikel 19 vPRV
Mogelijk
Nee, tenzij-toets
Hoofdgroenstructuur en
Versnippering
Geen
Ja, toestemming
Ontsnipperingsmaatregelen zoals bijv.
TAC en bevoegd
robuuste groenverbinding
Gebied(en)/Soort(en)
Markermeer & IJmeer (meest
Effecten
nabijgelegen; ook van toepassing voor gebieden op grotere afstand) Natuurnetwerk Nederland
Buiten IJ (meest nabijgelegen; ook van toepassing voor gebieden op grotere afstand)
Gemeentelijk beleid
ecologische structuur
stadsecoloog Vogels
Huismus (enkel bij locatie 2)
Vernietiging leefgebied
Artikel 3.1 Wnb
Ja
Activiteitenplan, mogelijk aansluiten bij gehele Baaibuurt.
Broedvogels
Planten
(Jaarrond beschermde)
Vernietiging en/of
broedvogels
verstoring nesten
Muurplanten
Vernietiging en/of
Artikel 3.1 Wnb
Nee
Werken buiten broedseizoen algemene indicatie: 15 maart – 15 augustus
Geen
Nee
Gedragscode flora en fauna gemeente
aantasting standplaats
Amsterdam volgen, groeiplaatsen inpassen in ontwerp waar mogelijk
4 (29)
Vervolg samenvattende tabel Gebied/Soortgroep
Vleermuizen
Gebied(en)/Soort(en)
Jaarrond beschermde
Effecten
Geen
(Mogelijke)
Vergunning/
Actie/
overtreding
ontheffing
Maatregelen
verbodsbepalingen
noodzakelijk?
Geen
Geen
Beperken uitstraling van licht vanaf de
verblijfplaatsen, foerageergebied,
aanlegplaatsen
vliegroute Grondgebonden zoogdieren
Egel en vos
Verstoring of
Artikel 1.11
Nee
Melden vrijgestelde soorten bij bevoegd
vernietiging
gezag (Omgevingsdienst NHN)
verblijfplaatsen of leefgebied Amfibieën
Gewone pad, bastaardkikker,
Verstoring of
bruine kikker, kleine
vernietiging
watersalamander
verblijfplaatsen of
Artikel 1.11
Nee
Melden vrijgestelde soorten bij bevoegd gezag (Omgevingsdienst NHN)
leefgebied Vissen
Meerval en rivierdonderpad
Verstoring of
Geen
Nee
Gedragscode flora en fauna gemeente
vernietiging
Amsterdam volgen (niet werken in
verblijfplaatsen of
voortplantingsseizoen van 1 maart tot 1
leefgebied
september) Werkzaamheden langzaam opstarten
Overige soorten
N.v.t.
Verstoring of
Artikel 1.11
Nee
Zorgplicht
vernietiging verblijfplaatsen of leefgebied
5 (29)
1
Inleiding
1.1 Aanleiding De gemeente Amsterdam is voornemens om een tijdelijke pontverbinding (tijdelijke locatie) aan te leggen tussen Zeeburgereiland en het Oostelijk havengebied. Het plan zit in de voorlopig ontwerp fase, voor de aanmeerplaats zijn meerdere locaties mogelijk. Wanneer bij dergelijke ontwikkelingen beschermde gebieden en/of beschermde plant- of diersoorten in het geding kunnen zijn, dienen deze te worden getoetst aan de wet- en regelgeving voor natuur. Om inzichtelijk te maken of de kans bestaat dat dit het geval is bij de voorgenomen plannen is dit verkennende natuuronderzoek uitgevoerd. 1.2 Kader van het onderzoek We toetsen projecten of handelingen aan de wet- en regelgeving voor natuur. De natuurbescherming in Nederland bestaat uit de volgende kaders: ∑ Wet natuurbescherming: ∞ Natura 2000-gebieden; ∞ Soortenbescherming; ∞ Houtopstanden; ∑ Provinciaal beleid: ∞ Natuurnetwerk Nederland (NNN); ∞ Andere gebieden (buiten het NNN), waaronder: - weidevogelleefgebieden; - ganzenfoerageergebieden; - Ecologische verbindingszone ∑ Gemeentelijk beleid Houtopstanden zijn in het onderzoek niet meegenomen en maken dan ook geen onderdeel uit van het voorliggende rapport, omdat er geen bomen gekapt hoeven te worden voor het voorgenomen plan.
1.3 Doelstelling Het verkennend natuuronderzoek is er op gericht om een eerste inzicht te krijgen in de mogelijke effecten op beschermde natuurwaarden in en om het projectgebied. Er wordt zowel aan de aanlegfase als aan de gebruiksfase getoetst. Toetsing heeft plaatsgevonden op beschermde Natura 2000-gebieden, beschermde soorten en op de natuurbeleidskaders. In het rapport worden de mogelijke vervolgstappen besproken die moeten worden genomen met betrekking tot aanvullend veldonderzoek, nader effectonderzoek en nadere procedures.
6 (29)
1.4 Ligging plangebied De diverse zoekgebieden zijn gelegen in de buurten KNSM-eiland, sporenburg, Borneoeiland, Cruquiuseiland en sluisbuurt (Zeeburgereiland en/of Baaibuurten (extra optie)) in Amsterdam, zie figuur 1..1
Figuur 1.1
Ligging van het plangebied (rood) en de onderzochte zoekgebieden (blauw).
1.5 Voorgenomen activiteiten Aangezien het plan in de voorlopige ontwerp fase zit zijn nog niet alle details bekend. De gegevens die gebruikt zijn voor de beoordeling (zowel aanleg- als gebruiksfase) worden hieronder vermeld. Een schematische weergave van de aanlanding is weergegeven in figuur 2. Er wordt gebruikt gemaakt van een ponton. Het ponton wordt met een aantal palen (buispalen) vastgezet. Deze stalen buispalen houden het ponton op zijn plaats en dienen tevens voor het overbrengen van de horizontale afmeerkrachten van de pont naar de ondergrond. Daarnaast wordt een remmingswerk van buispalen en wrijfgordingen vervaardigd om de veerpont op de juiste plek aan te laten aanmeren. Passagiers kunnen zich opstellen op het ponton. Het ponton is verbonden met de vaste wal via een loopbrug. Er wordt een voet/fietspad aangelegd vanuit de wijk richting de aanlandplaats. In figuur 3 staan de mogelijke vaarroutes en aanlandplaatsen van de tijdelijke pontverbinding weergegeven.
Figuur 1.2
Principe oplossing van een aanlandlocatie. 7 (29)
Figuur 1.3
Analysekaart pontverbinding Zeeburgereiland.
8 (29)
2
Wet natuurbescherming: Natura 2000-gebieden
2.1 Toetsingskader Hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming (Wnb) heeft als doel het beschermen van Natura 2000-gebieden, welke op grond van de Europese Vogelrichtlijn en/of Habitatrichtlijn zijn aangewezen. Plannen, projecten of andere handelingen met negatieve effecten op deze beschermde gebieden, zijn in beginsel niet toegestaan. De essentie van het beschermingsregime voor deze gebieden is dat de duurzame instandhouding van soorten en habitats binnen de Europese Unie wordt gewaarborgd. Daarbij zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor natuurlijke habitats en/of soorten. Dit kunnen behoudsdoelstellingen zijn voor habitats en leefgebieden van soorten die zich al op het gewenste niveau (kwalitatief en kwantitatief) bevinden of uitbreidings- respectievelijk verbeterdoelstellingen voor habitats en leefgebieden van soorten die zich nog niet op het gewenste niveau bevinden. Om dit toetsbaar te maken kent de Wet natuurbescherming een goedkeuringsvereiste voor plannen die significante gevolgen voor de betreffende gebieden zouden kunnen hebben (artikel 2.7, eerste lid, Wnb), en een vergunningplicht voor projecten en andere handelingen die (significant) negatieve gevolgen voor de betreffende gebieden zouden kunnen hebben (artikel 2.7, tweede lid, Wnb).
De goedkeuring of de vergunning wordt alleen verleend wanneer voldoende zeker is dat de instandhoudingsdoelstellingen voor het betreffende Natura 2000-gebied niet in het geding zijn. De voorliggende natuurtoets geeft een eerste inzicht in de mogelijke effecten van het project op Natura 2000-gebieden en de gevolgen daarvoor voor verder onderzoek of vergunningprocedures. De natuurtoets kan de volgende mogelijke conclusies hebben: ∑ Geen nader onderzoek: effecten kunnen op voorhand worden uitgesloten, bijvoorbeeld omdat er geen Natura 2000-gebieden in de omgeving aanwezig zijn en het voornemen geen verreikende effecten heeft. ∑ Effecten kunnen niet op voorhand worden uitgesloten; er is een voortoets nodig om een betere inschatting te krijgen. Als significante effecten op grond van een voortoets niet zijn uit te sluiten, is een passende beoordeling nodig. ∑ Indien met de natuurtoets direct duidelijk is, dat zonder mitigatie significante effecten niet zijn uit te sluiten, kan ook direct een passende beoordeling uitgevoerd worden. Indien significantie van effecten op basis van de passende beoordeling niet kan worden uitgesloten volgt een ADC-toets. Aangetoond dient te worden dat er geen alternatieven zijn met minder effecten, er sprake is dwingende redenen van groot openbaar belang en in compensatie is voorzien.
Op 29 mei 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) uitspraak gedaan over het Programma Aanpak Stikstof (PAS). De Afdeling heeft geoordeeld dat het PAS niet aan alle eisen van de Habitatrichtlijn voldoet. Het PAS geeft onvoldoende zekerheid dat met de uitgifte van ontwikkelingsruimte, significante gevolgen voor Natura 2000 zijn uitgesloten. De consequentie is dat het PAS niet als basis voor toestemming voor projecten of andere activiteiten kan worden gebruikt. Er zal daarom een eigenstandige projectspecifieke ecologische beoordeling in de vorm van een voortoets en eventueel een passende beoordeling moeten worden gemaakt. Voor het uitvoeren van de stikstofberekening wordt gebruik gemaakt van de (aangepaste) Aerius calculator (versie 2019).
9 (29)
2.2 Inventarisatie Voor de inventarisatie van Natura 2000-gebieden is gebruik gemaakt van de Natura 2000kaart van het Nationaal Georegister. Hieruit blijkt dat het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Markermeer & IJmeer’ op circa 1,4 km van het plangebied is gelegen, zie figuur 4.
Figuur 2.1
Ligging van het plangebied (rood) ten opzichte van het Natura 2000-gebied ‘Markermeer & IJmeer’ (oranje).
2.3 Analyse van de mogelijke effecten Geluid en beweging die met de aanleg en gebruiksfase gepaard gaan, reiken tot enkele honderden meters ver. Gezien de ligging van het plangebied ten opzichte van het Natura 2000-gebied en het huidige gebruik voor de scheepsvaart zijn negatieve effecten van geluid en beweging op de instandhoudingsdoelstellingen uitgesloten. De werkzaamheden in het plangebied resulteren niet in een oppervlakteverlies van het Natura 2000-gebied, evenmin veroorzaakt het versnippering voor aangewezen soorten, verontreiniging en verdroging. De werkzaamheden leiden niet tot verstoring door verlichting en door mechanische effecten. De werkzaamheden en gebruiksfase kunnen gepaard gaan met emissie van stikstof. Om de werkzaamheden uit te kunnen voeren, wordt gebruik gemaakt van verschillend materieel. Deze machines kunnen mogelijk onder andere stikstof uitstoten wat uiteindelijk neer zal dalen (stikstofdepositie). Daarnaast kunnen ook de ponten stikstof uitstoten indien er niet voor een elektrische pont wordt gekozen. Deze emissie kan zich vrij gemakkelijk over grotere afstand verplaatsen en zodoende van invloed zijn op het Natura 2000-gebieden met stikstofgevoelige habitattypen met instandhoudingsdoelstelling. Om de hoeveelheid en de locatie van de stikstofdepositie te bepalen, dient een AERIUS-berekening te worden uitgevoerd.
Hieruit kan naar voren komen dat het uitvoeren van een projectspecifieke beoordeling noodzakelijk is.
10 (29)
3
Wet natuurbescherming: soortenbescherming
3.1 Toetsingskader In de Wet natuurbescherming is de soortenbescherming in Nederland geregeld. Hierbij onderscheiden we drie verschillende beschermingsregimes waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld, zie ook bijlage 1. Voor Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijnsoorten geldt dat voortplantingsplaatsen en rustplaatsen (inclusief functionele leefomgeving) van beschermde soorten niet opzettelijk verstoord of vernietigd mogen worden en dat exemplaren van beschermde soorten niet opzettelijk mogen worden gedood of verwond. Onderzoeken naar het voorkomen vanuit de Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijn hebben een geldigheidsduur van drie jaar. Na deze termijn dient het onderzoek te worden geactualiseerd. Voor Andere beschermde soorten geldt dat voortplantingsplaatsen en rustplaatsen (inclusief functionele leefomgeving) van beschermde soorten niet (opzettelijk) vernietigd mogen worden en dat exemplaren van beschermde soorten niet (opzettelijk) mogen worden gedood of verwond. Verbodsbepalingen ten aanzien van de verstoring zijn niet van toepassing op deze soorten. Ten aanzien van de Andere beschermde soorten geldt dat het bevoegd gezag (provincies c.q. ministerie van LNV) de vrijheid heeft om soorten binnen deze categorie onder voorwaarden vrij te stellen van de verbodsbepalingen uit artikel 3.10 Wet natuurbescherming.
Onderzoeken naar het voorkomen van Andere beschermde soorten hebben een geldigheidsduur van vijf jaar. Na deze termijn dient het onderzoek te worden geactualiseerd. Voor beschermde soorten die niet zijn vrijgesteld en de voorgenomen activiteiten strijdig zijn met de bepalingen in de wet, geldt een ontheffingsplicht. Deze kan alleen worden verleend, indien de gunstige staat van instandhouding niet in het geding is. Voor vogels geldt in afwijking hierop dat voor verstoring geen ontheffing nodig is, indien de gunstige staat van instandhouding niet in het geding is. Het is ook mogelijk om voor beide categorieën soorten te werken volgens een goedgekeurde gedragscode die is afgestemd op de wet. Er is dan geen ontheffing nodig. Naast bovengenoemde verbodsartikelen bevat de Wnb een algemeen geldende zorgplicht. Deze zorgplicht is te allen tijde van toepassing en geldt ook voor niet beschermde flora en fauna: 3.2 Methode Om effecten op de voorkomende beschermde soorten te kunnen bepalen en om te bepalen of nader onderzoek nodig is, zijn de volgende onderzoeken uitgevoerd: ∑ bronnenonderzoek; ∑ habitatgeschiktheidsbeoordeling. 3.2.1 Bronnenonderzoek Het bronnenonderzoek heeft als doel een overzicht te verkrijgen van de beschikbare informatie met betrekking tot het voorkomen van beschermde soorten in het plangebied en omgeving.
11 (29)
Hiervoor zijn de volgende bronnen gebruikt: ∑ Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF), periode 2014 – 2019. ∑ NDFF Verspreidingsatlas. ∑ SOVON (www.sovon.nl). ∑ EIS Nederland (www.eis-nederland.nl). ∑ Vlinderstichting (www.vlinderstichting.nl). ∑ RAVON (www.ravon.nl). ∑ Zoogdiervereniging (www.zoogdiervereniging.nl) ∑ Interactieve kaarten gemeente Amsterdam1. ∑ Emond et al. (2015). ∑ van Meurs, (2017). ∑ Verkade (in voorbereiding). 3.2.2 Habitatgeschiktheidsbeoordeling Op basis van een oriënterend veldbezoek is de geschiktheid van biotopen voor beschermde soorten beoordeeld. Deze beoordeling brengt samen met het bronnenonderzoek de beschermde soorten(groepen) in beeld die in het plangebied (kunnen) voorkomen. Het veldbezoek heeft plaats gevonden op 26 november 2019 door twee deskundige ecologen 2 van Sweco (Raisja Spijker en Daisy de Vries). 3.2.3 Analyse en toetsing van mogelijke effecten Op basis van het bronnenonderzoek en de habitatgeschiktheidsbeoordeling wordt een inschatting gemaakt in hoeverre de te verwachten soort(groep)en en/of het geschikte biotoop beïnvloed kunnen worden door de voorgenomen activiteit. Op basis van deze analyse wordt geconcludeerd voor welke soort(groepen) er nader (veld)onderzoek en eventueel ontheffingsplicht in kader van Wet natuurbescherming van toepassing is.
Het onderzoek kijkt naar de Wet natuurbescherming beschermde planten- en diersoorten en vanwege het beleid van de gemeente Amsterdam ook naar Rode lijstsoorten die in het plangebied (kunnen) voorkomen, zoals diverse soorten vaatplanten. 3.3 Voorkomende ecotopen Zoekgebied nr. 1 en 2 (extra optie) liggen op het Zeeburgeiland aan de westzijde van de weg en de Zuider IJdijk. Bij zoekgebied nr. 1 (figuur 3.1) zijn meerdere ‘kikkerpoelen’ aangelegd waarvan er vier binnen het zoekgebied vallen. In deze poelen staat water, daaromheen riet en het is opgebouwd uit zwarte stortstenen. Tussen de kikkerpoelen liggen hopen van dezelfde stenen. Richting het water is de oever begroeid met bramenstruiken en riet. Bij gebied nr. 2 (figuur 3.2) zijn deze kikkerpoelen niet aanwezig, maar is de oever bedekt met een brede strook bramenstruiken en wat riet.
1
Gemeente Amsterdam heeft de beschikking over een interactieve kaart met beschermde flora en fauna, dit betreft middels Flora- en faunawet beschermde soorten. Deze wet is inmiddels vervangen door de Wet natuurbescherming met deels andere beschermde soorten). 2 Onder een ecologisch deskundige wordt een persoon verstaan die aantoonbare kennis en ervaring heeft op het gebied van soort specifieke ecologie doordat deze: op HBO- of universitair niveau een opleiding heeft genoten met als zwaartepunt (Nederlandse) ecologie, en/of als ecoloog werkzaam is voor een ecologisch adviesbureau dat is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus en/of werkzaam is voor een terrein beherende organisatie zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenbescherming en is aangesloten bij en werkzaam voor de daarvoor in Nederland bestaande organisaties, en/of zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenmonitoring en/of -bescherming 12 (29)
Figuur 3.1
Impressie van de ‘kikkerpoelen’ en steenhopen gebied nr. 1
Figuur 3.2
Impressie van zoekgebied nr. 2.
Locatie nr. 3 (figuur 3.3) is een bouwterrein en konden we niet bezoeken. Vanaf de overkant was zichtbaar dat de kade is afgezet met platen en op het terrein zelf wordt de huidige bebouwing gesloopt. Hier groeien geen planten aan de kade, op het terrein zelf staat hier en daar nog wat struweel. Een aanvullend veldbezoek is niet nodig.
Figuur 3.3
Impressie van zoekgebied nr. 3
Locatie nr. 4 (figuur 3.4) betreft een bestaande houten vlonder die ‘los’ langs de bestaande kademuur is gelegd. Aan deze kademuur groeien muurplanten zoals de muurvaren en muurleeuwenbek.
Figuur 3.4
Impressie van zoekgebied nr. 4.
13 (29)
Locatie nr. 5 (figuur 3.5) betreft een bestaande houten vlonder die tijdens de zomermaanden als halte dient voor een pontje die onder andere naar het Vuurtoreneiland vaart. Het plein (waaraan de vlonder ligt) ligt lager dan de achterliggende kademuur. De oever is beschoeid met in het water stenen. Langs de oever groeit onder andere riet, grassen en wat struweel.
Figuur 3.5
Impressie van zoekgebied nr. 5.
Locatie nr. 6 (figuur 3.6) is een recent aangelegde vlonder die op palen staat. Er groeien geen planten aan en/of op deze vlonder. De aanwezigheid van muurplanten in de directe omgeving was niet vast te stellen gezien er een bouwhek om de vlonder heen stond die toegang niet mogelijk maakte. Indien voor locatie 6 gekozen wordt, dient een aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar het voorkomen van muurplanten in de directe omgeving van de locatie.
. Figuur 3.6
Impressie van zoekgebied nr. 6.
Locatie nr. 7 (figuur 3.7) betreft kademuren, een lager gelegen kademuur en een hogere kademuur. De kademuren op deze locatie zijn rijk begroeid met muurplanten zoals steenbreekvaren en muurleeuwenbek.
Figuur 3.7
Impressie van zoekgebied nr. 7
Locatie nr. 8 (figuur 3.8) is een reeds bestaande aanmeerlocatie voor de pontverbinding van Azartplein naar Zamenhofstraat. Deze aanmeerlocatie is aangelegd op palen vanaf de
14 (29)
kade. Op de palen en het poton zijn geen planten aanwezig. Langs de kaden groeit steenbreekvaren.
Figuur 3.8
Impressie van zoekgebied nr. 8.
3.4 Planten De NDFF toont waarnemingen van beschermde plantensoorten in de omgeving van zoekgebied 7. Het betreft hier de soorten wilde ridderspoor en karthuizer anjer. De interactieve kaart beschermde flora en fauna van de gemeente Amsterdam toont waarnemingen van zwartsteel, tongvaren, steenbreekvaren, rietorchis en blaasvaren in de periode 2002-2008. Op de interactieve kaart muurplanten van de gemeente Amsterdam die recentere data bevat staat enkel de steenbreekvaren aangegeven binnen het plangebied. In de directe omgeving komen daar tongvaren en zwartsteel bij. Bij de zoeklocaties 4, 7 en 8 zijn tijdens het veldbezoek muurplanten aan de kademuur waargenomen, deze zijn weliswaar niet beschermd onder de Wnb, maar zijn soorten die zich niet eenvoudig vestigen op andere plaatsen (zie figuur 3.9). De kademuren van zoeklocaties 1, 2, 3 en 5 zijn niet geschikt voor muurplanten door het ontbreken van stenen of een kademuur. Steenbreekvaren was beschermd onder de flora en faunawet maar is niet langer beschermd onder de Wet natuurbescherming. De overige waargenomen soorten zijn ook niet beschermd onder de Wet natuurbescherming en staan niet op de Rode lijst. De gemeente Amsterdam hanteert de gedragscode die onder de Flora en Faunawet is opgesteld voor soorten die onder de Flora en Faunawet beschermd waren.
De gemeente bereid aanvullend beleid voor, voor een aantal bijzondere niet (meer) beschermde muurplanten (en orchideeën), gekoppeld aan de nieuwe gedragscode. Het betreft drie soorten (zwartsteel, steenbreekvaren en tongvaren ) die eerder onder de Flora- en faunawet beschermd waren en twee nieuwe soorten (steenhavikskruid en lancetbladige streepvaren) waarvoor aanvullend bescherming gewenst is. De gemeente Amsterdam behoudt de bescherming voor deze bijzondere muurplanten. De bescherming van deze muurplanten verloopt via een aangepast regiem, gekoppeld aan de zorgplicht, waarbij de inzet is om ‘waar dat bij onderhoud en beheer inpasbaar is deze soorten te handhaven’. Het verplaatsen van deze soorten en/of compensatie van deze soorten (bij ruimtelijke ingrepen) wordt niet langer voorgeschreven. Nader onderzoek naar beschermde vaatplanten is niet noodzakelijk en een ontheffing Wet natuurbescherming is niet nodig. Wel dient onder het beleid van Amsterdam op de zoeklocaties 4, 7 en 8 (en mogelijk 6) rekening gehouden te worden met de aanwezigheid van de steenbeekvaren en dienen deze soorten indien inpasbaar gehandhaafd te blijven. De waterdiepte in het voormalige havengebied is direct meer dan 2 meter diep op de zoeklocaties 4,5,6, 7 en 8. Op de overige locaties neemt de diepte van het water binnen 1 meter van de kade toe naar minstens 2 meter en liggen basaltblokken op de bodem.
Het Amsterdamrijnkanaal heeft een diepe vaargeul in verband met de grote (container)schepen die langsvaren, de bodem ligt daarom al snel dieper dan 4 meter, bovendien zorgen de zware schepen voor flinke golfslag. Tijdens het veldbezoek zijn geen waterplanten waargenomen. Deze aspecten gecombineerd maken de kans op waterplanten zeer klein en
15 (29)
de kans op beschermde of gevoelige waterplanten zelfs uitgesloten. Deze soorten groeien op maximaal vier á vijf meter diep, op zandige bodems en kunnen niet goed tegen verstoring. Nader onderzoek naar beschermde waterplanten is niet noodzakelijk en een ontheffing Wet natuurbescherming is niet nodig.
Figuur 3.9
Impressie van de aangetroffen muurplanten: steenbreekvaren, muurleeuwenbek en muurvaren.
3.5 Vleermuizen De NDFF toont waarnemingen van gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger in de omgeving van de plangebieden. De interactieve kaart beschermde flora en fauna van Amsterdam toont waarnemingen van laatvlieger, gewone dwergvleermuis, meervleermuis, ruige dwergvleermuis en grootoorvleermuis in de periode 2002-2008. Vleermuizen zijn op basis van de keuze in verblijfplaatsen in twee soorten te verdelen: soorten die in gebouwen hun verblijfplaats hebben en vleermuizen die hun verblijfplaats in bomen hebben. In het plangebied zijn geen gebouwen aanwezig. De werkzaamheden hebben hierom geen negatief effect op verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen. Boombewonende vleermuizen hebben hun verblijfplaats onder ander in holtes en achter loszittende bast in bomen. In het plangebied zijn geen bomen aanwezig. De werkzaamheden hebben geen negatief effect op verblijfplaatsen van deze soorten. Aanvullend onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen is niet noodzakelijk. Een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is niet nodig. Naast de verblijfplaatsen zijn ook de foerageergebieden en vliegroutes van vleermuizen beschermd indien deze van essentieel belang zijn voor het functioneren van een lokale populatie.
Verschillende soorten vleermuizen maken gebruik van lijnvormige elementen zoals bomenrijen, watergangen en houtwallen om te navigeren en ter beschutting tegen wind. Routes die door meerdere individuen gebruikt wordt noemen we een vliegroute. Vliegroutes zijn nodig om zich te kunnen verplaatsen van verblijfplaats naar foerageergebied en vice versa. In het plangebied en de omgeving van het plangebied zijn watergangen/vaargeulen aanwezig die als vliegroute gebruikt kunnen worden door de watervleermuis en meervleermuis. Het plangebied betreft geen essentieel foerageergebied, er zijn voldoende uitwijkmogelijkheden langs de overige kades. Uit in 2017 uitgevoerd vleermuisonderzoek 16 (29)
[onderzoeksbureau onbekend, zie bijlage 3] bleek dat er een vliegroute van de meervleermuis aanwezig is over de Nieuwevaart richting het IJmeer. Deze vliegroute ligt circa 500 meter ten zuiden van het plangebied. Een eventuele vliegroute in het plangebied zijn hierdoor niet essentieel. De watervleermuis foerageert/ vliegt vaker over vaarten heen zonder hinder te ondervinden van het vaarverkeer. Indien uitstraling van licht vanaf de aanmeersteigers wordt voorkomen is er geen negatief effect op deze soorten. Aanvullend onderzoek naar foerageergebieden en vliegroutes van vleermuizen is niet noodzakelijk indien mitigerende maatregelen worden getroffen. Een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is niet nodig. 3.6 Grondgebonden zoogdieren De NDFF toont waarnemingen van vos, egel en huisspitsmuis in de omgeving van de plangebieden. De interactieve kaart beschermde flora en fauna van Amsterdam toont waarnemingen van de eekhoorn in de periode 2002-2008. Voor deze soorten geldt in de provincie Noord-Holland (behalve voor de eekhoorn) een vrijstelling in combinatie met een meldplicht. Deze melding dient gedaan te worden bij het bevoegd gezag (Omgevingsdienst Noord-Holland Noord). Op basis van potentie-inschatting, habitatbeoordeling en soortenkennis kunnen de volgende door de provincie Noord-Holland vrijgestelde soorten in het plangebied voorkomen, zie tabel 3.1.
De eekhoorn komt voor in loofbos, naaldbos of gemengd bos maar ook in tuinen, parken en houtwallen in de buurt van bos. Mits er voldoende voedsel beschikbaar is, komen ze ook in bebouwd gebied. De omgeving van de plangebieden is niet geschikt als leefgebied voor de eekhoorn vanwege het ontbreken van bomen/bosjes en bomen met noten en/of bessen. Er is hierdoor niet voldoende voedsel aanwezig en/of nestgelegenheid aanwezig. De NDFF toont geen waarnemingen van de hermelijn, wezel en bunzing in het plangebied en omgeving. Uit aanvullend onderzoek uitgevoerd door Ecoresult in 2017 naar de aanwezigheid van kleine marterachtigen in Sluisbuurt bleek dat er geen kleine marterachtigen aanwezig zijn in het gebied. Op dit moment is het plangebied en de omgeving ongeschikt habitat voor kleine marterachtigen vanwege het ontbreken van kleinschalige landschappen (Sluisbuurt wordt momenteel voorbelast), schuilmogelijkheden en een groot genoeg jachtgebied. Nader onderzoek naar beschermde grondgebonden zoogdieren is niet noodzakelijk. Vernietiging van leefgebied treed op door het verwijderen van de vegetatie die het leefgebied vormt voor diverse kleine niet beschermde zoogdieren, wel geldt voor deze kleine zoogdieren de zorgplicht. De reikwijdte is gelijk aan de omvang van de vernietiging. De relevantie van de effecten is afhankelijk van de uitwijkmogelijkheden.
Aangezien het in het algemeen om weinig kritische soorten gaat zullen de uitwijkmogelijkheden groot zijn. De duur van de effecten is vooral afhankelijk van het herstel van de vegetatie. In de regel moet rekening worden gehouden met 1 groeiseizoen. Verstoring tijdens de gebruiksfase zal geen negatief effect hebben op diverse kleine zoogdieren, gezien de meeste dieren ’s avonds actief zijn en er voldoende uitwijkmogelijkheid is. Tabel 3.1 Vrijgestelde grondgebonden zoogdieren provincie Noord-Holland. Soort (NL) Soort (wetenschappelijk) Aardmuis Mictotus agretis Bosmuis Apodemus sylvaticus Dwergmuis Micromys minutus Egel Erinaceus europaeus Gewone bosspitsmuis Sorex araneus Huisspitsmuis Crocidura russula Konijn Oryctolagus cuniculus Rosse woelmuis Clethriunomys glareolus 17 (29)
Tweekleurige bosspitsmuis Veldmuis Vos Woelrat
Sorex coronatus Microtus arvalis Vulpes vulpes Arvicola terrestris
3.7 Vogels De NDFF toont waarnemingen van de volgende vogels met jaarrond beschermde nesten: huismus (cat. 2) en gierzwaluw (cat. 2) in het plangebied. De interactieve kaart beschermde flora en fauna van Amsterdam toont waarnemingen van gierzwaluw (cat. 2), huismus (cat. 2), huiszwaluw (cat. 5) en boerenzwaluw (cat. 5) in de periode 2002-2008. De kaart ‘Broedplaatsen van zwaluwen, mussen en spreeuwen’ toont recentere nestplaatsen van deze soorten in de omgeving van diverse zoekgebieden. De huismus, gierzwaluw en boerenzwaluw zijn gebouwbewonende soorten. In de plangebieden zijn geen gebouwen aanwezig. Soms nest de huismus in holtes van bomen of dichte struiken. Dit gebeurd alleen als er geen vijanden in de omgeving voorkomen en nestgelegenheid beperkt is. Boomnesten worden in Nederland zelden waargenomen (BIJ12, 2017). Effecten door het vernietigen van verblijfplaatsen van de huismus, gierzwaluw en boerenzwaluw zijn dan ook uitgesloten. Voor de huismus zijn ook essentiële leefgebieden beschermd. De bramenstruik in zoekgebied nr. 2 is een aantal meter breed en daarmee zeer geschikt als schuilmogelijkheid en foerageergebied voor de huismus. In een aanvullend onderzoek naar huismussen in Baaibuurt eerder dit jaar (Verkade, 2019) wordt aangegeven dat de baaibuurt essentieel leefgebied van de soort bevat.
De bramenstruik is onderdeel van het onderzoeksgebied van dit aanvullende onderzoek. In dit onderzoek wordt het volgende beschreven: “Het projectgebied is daarmee essentieel leefgebied voor de huismus en in die hoedanigheid dan ook beschermd vanuit de Wet natuurbescherming. Het is daarom noodzakelijk om een ontheffing Wet natuurbescherming aan te vragen, en te verkrijgen, voorafgaand aan de werkzaamheden. Een activiteitenplan dient te worden opgesteld waarin de noodzaak van de werkzaamheden wordt uitgelegd en mitigerende en compenserende maatregelen worden uitgewerkt. Met dat document kan een ontheffing Wet natuurbescherming worden aangevraagd bij het bevoegd gezag (RUD NHN).” Dit activiteitenplan is nog niet opgesteld. Indien gekozen wordt voor locatie 2 zal wellicht aangesloten kunnen worden bij het activiteitenplan voor de Baaibuurt. Er mag op locatie 2 niet gewerkt worden voordat een ontheffing is aangevraagd en verkregen.
De NDFF toont dat de oeverzwaluw ten noordoosten van Zeeburgereiland voorkomt. De oeverzwaluw (cat. 5) komt voor in gebieden met grote open wateren en rivieren, waarlangs steilranden zijn om de nestgangen (tot wel 120 cm diep) te graven. Maar zij broeden ook in steilranden die door mensen zijn gemaakt, zoals afgravingen en zanddepots op bouwlocaties. Er wordt tijdens de aanleg van de aanlandlocatie geen gebruik gemaakt van afgravingen en zanddepots en natuurlijke steilranden zijn niet aanwezig in het zoekgebied. Tijdens het veldbezoek zijn de stormmeeuw, kokmeeuw, aalscholver, meerkoet en fuut in het plangebied waargenomen. In het riet langs de oever bij zoekgebied nr. 5 kunnen algemene broedvogels zoals de meerkoet broeden. De rietkraag en bramenstruiken bij zoekgebieden nr. 1 en 2 kunnen door algemene broedvogels gebruikt worden. Alle in Nederland broedende vogels zijn beschermd gedurende het broeden. De werkzaamheden dienen bij voorkeur buiten het broedseizoen 3 plaats te vinden, voorafgaand van de werkzaamheden dient eerst een broedvogelcontrole uitgevoerd te worden. Wanneer 3
De Wet natuurbescherming erkend geen broedseizoen. Alle in Nederland broedende vogels zijn beschermd
ongeacht tijd van het jaar. 18 (29)
er zich geen nesten binnen de invloedsfeer bevinden kunnen de werkzaamheden uitgevoerd worden. Tekstbox 1. Vogels met jaarrond beschermde nesten. Vogels met jaarrond beschermde nesten categorie 1 t/m 4 en vogels met jaarrond beschermde nesten als er sprake is van ecologisch zwaarwegende redenen (categorie 5). Categorie 1: Categorie 2: Categorie 3: Categorie 4: Categorie 5:
Jaarrond gebruikte nesten (steenuil) Zeer honkvaste koloniebroeders of afhankelijk bebouwing Zeer honkvaste broeders of afhankelijk bebouwing (geen kolonie) Vogels die ieder jaar terugkeren naar specifiek nest Honkvaste broeders, maar voldoende flexibel
3.8 Amfibieën en Reptielen De NDFF toont waarnemingen van de bastaardkikker en gewone pad. Daarnaast worden op basis van verspreiding en habitatgeschiktheid ook andere algemene soorten verwacht, zie tabel 3.2. Voor deze soorten geldt in de provincie Noord-Holland een vrijstelling in combinatie met een meldplicht bij de Omgevingsdienst Noord-Holland Noord. De interactieve kaart beschermde flora en fauna van Amsterdam toont waarnemingen van ringslang en rugstreeppad in de periode 2002-2008. De ringslang is voor het laatst voor 2002 waargenomen en de rugstreeppad is waargenomen tussen 2002 en 2008 op Zeeburgereiland. Bij zoeklocatie nr. 1 zijn kikkerpoelen aangelegd voor amfibieën (en de ringslang). Naast waterbiotoop is er overwintermogelijkheid aangebracht. Broedhopen voor de ringslang waren tijdens het veldbezoek niet aanwezig. In de afgelopen vijf jaar zijn bovendien geen waarnemingen van de ringslang in het plangebied bekend. Aanwezigheid van de ringslang wordt uitgesloten vanwege het ontbreken van broedhopen in de directe omgeving. Het plangebied is niet geschikt voor de rugstreeppad, de rugstreeppad komt onder andere voor op open terreinen met zandige bodem. Zodra dergelijke terreinen meer begroeid raken (zoals in het plangebied) worden ze minder geschikt voor de rugstreeppad.
Het water in de kuilen is niet geschikt als voortplantingswater vanwege de stenen en dichte begroeiing langs de oever. De groenstrook is ongeschikt habitat (zowel landbiotoop als overwinterlocatie) voor de rugstreeppad, vanwege het ontbreken van vorstvrije verstopplaatsen en schuilplekken. Ook ontbreken recente waarnemingen van de rugstreeppad in het plangebied en omgeving. Deze redenen samen zorgen ervoor dat de aanwezigheid van de rugstreeppad kan worden uitgesloten. De rugstreeppad kan snel geschikte gebieden betrekken. De werkzaamheden zullen niet leiden tot een significante toename van zanderige gebieden. Dit in combinatie met het ontbreken van waarnemingen in de directe omgeving zorgt ervoor dat de kans op kolonisatie is uitgesloten. Aanvullend onderzoek naar beschermde amfibieën en reptielen is niet nodig, een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is niet noodzakelijk. Algemene amfibieën kunnen gebruik maken van de poelen om zich in voort te planten, het gaat hier onder andere om een aantal vrijgestelde soorten met een meldplicht (tabel 3.2). Deze melding dient gedaan te worden bij het bevoegd gezag (Omgevingsdienst NoordHolland Noord).
Indien de werkzaamheden in het voortplantingsseizoen plaatsvinden dienen er mitigerende maatregelen te worden getroffen (in het kader van de zorgplicht), zoals het wegvangen van individuen en verplaatsen van eistrengen (door een ecoloog). Amfibieën en reptielen zijn weinig verstoringgevoelig. De effecten beperken zich dan ook met name tot vernietiging van leefgebieden ter plaatse van de werkzaamheden van de aanleg van de aanlandlocatie en omliggende infrastructuur. De duur van deze effecten is afhankelijk van regeneratietijd van het leefgebied en beslaat minimaal 1 jaar. 19 (29)
Tabel 3.2 Vrijgestelde amfibieën provincie Noord-Holland. Soort (NL) Soort (wetenschapelijk) Bruine kikker Rana temporaria Gewone pad Bufo bufo Kleine watersalamander Triturus vulgaris Meerkikker Rana ridibunda Middelste groene kikker/ bastaardkikker Rana esculenta
3.9 Vissen De NDFF toont geen waarnemingen van beschermde soorten in en in de omgeving van het plangebied. De interactieve kaart beschermde flora en fauna van Amsterdam toont waarnemingen van kleine modderkruiper, rivierdonderpad, bittervoorn en meerval in de periode 2002-2008. Deze soorten zijn onder de Wet natuurbescherming niet beschermd. Ook andere beschermde soorten worden op basis van de leefomgeving niet verwacht. Een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is niet noodzakelijk. De gemeente Amsterdam hanteert nog de gedragscode die onder de Flora en Faunawet is opgesteld voor soorten die onder de Flora en Faunawet beschermd waren. Onder deze wet waren de vier bovengenoemde soorten wel beschermd. De NDFF toont geen waarnemingen van deze soorten in het plangebied in de laatste vijf jaar. Op het deel waar werkzaamheden zullen plaatsvinden bestaat de bodem uit basaltblokken. Dit is geen geschikt leefgebied voor de kleine modderkruiper en de bittervoorn die voorkeur hebben voor stilstaand tot langzaam stromend water met een zandige of sliblaag bedekte bodem en begroeide oevers (RAVON). Voor de meerval en de rivierdonderpad is het plangebied wel geschikt. Voor beide soorten is in de omgeving van het plangebied voldoende alternatief leefgebied beschikbaar.
Daarom wordt aangeraden op mitigerende maatregelen te treffen voorafgaand aan de werkzaamheden, om de soorten te verstoren zodat deze het werkgebied verlaten. Hierbij kan gedacht worden aan het langzaam opstarten van de werkzaamheden. De mogelijke effecten op vissen in de aanlegfase en gebruiksfase bestaan uit verstoring en vertroebeling. De effecten door geluid doen zich voor binnen 100 meter. Aangezien vissen zeer mobiel zijn en hun leefgebied in de betreffende wateren zeer groot is dit effect te verwaarlozen. Vissen zijn slechts beperkt gevoelig voor vertroebeling, deze effecten zijn daarbij lokaal. In samenhang met de uitwijkmogelijkheden en de grootte van het leefgebied van vissen zijn er geen ecologisch relevante effecten te verwachten. Wel dienen op basis van de gedragscode Amsterdam werkzaamheden uitgevoerd te worden buiten het voortplantingsseizoen van 1 maart tot 1 september. 3.10 Ongewervelden De NDFF toont geen waarnemingen van beschermde soorten in en in de omgeving van het plangebied. Beschermde insectensoorten en andere beschermde ongewervelden eisen een zeer specifiek habitat. Beschermde ongewervelde soorten zijn op basis van het aanwezige habitat en aanwezige planten uit te sluiten. Een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is niet noodzakelijk. Ongewervelden zijn weinig verstoringsgevoelig.
De effecten beperken zich dat ook met name tot de vernietiging van leefgebieden ter plaatse van de werkzaamheden van de aanleg van de aanlandlocatie en omliggende infrastructuur. De duur van deze effecten is afhankelijk van regeneratietijd van het leefgebied en beslaat minimaal 1 jaar.
20 (29)
4
Natuurbeleidskaders
4.1 Toetsingskader Het beleidskader van de overheid dat niet in wetgeving is vastgelegd, bestaat uit: ∑ Provinciaal beleid: ∞ Natuurnetwerk Nederland (NNN); ∞ gebieden buiten het NNN; - weidevogelleefgebieden; - ganzenfoerageergebieden; ∑ Gemeentelijk beleid: 4.2 Natuurnetwerk Nederland Toetsingskader De wettelijke bescherming (Wro) van het NNN is geregeld via het bestemmingsplan. Het NNN voor de provincie Noord-Holland is vastgelegd in Artikel 19 van de PRV (Provinciale Ruimtelijke Verordening). Naast de bescherming van het NNN is ook de bescherming van de natuurverbindingen vastgelegd in Artikel 19 van de PRV. De afweging voor ingrepen in het NNN gaat volgens het “nee, tenzij-beginsel”. In onderstaand schema is dit stapsgewijs weergegeven. Ingrepen met een significant negatieve invloed op de wezenlijke kenmerken en waarden mogen niet plaatsvinden, tenzij er sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang en indien er geen alternatieven zijn. Indien bij een ingreep schade wordt aangericht aan een NNN-gebied, dan dient dit in ieder geval gemitigeerd te worden. De resteffecten aan verlies van kwaliteit en/of oppervlakte dient te worden gecompenseerd. Daarnaast kan salderen van positieve en negatieve effecten op het NNN uitkomst bieden om projecten in het NNN te realiseren.
Het verkennend natuuronderzoek geeft inzicht in de ligging van NNN gebieden in de omgeving van het plangebied en de noodzaak voor het doorlopen van ‘nee, tenzij, procedure’. In de provincie Noord-Holland is de externe werking van het NNN niet van toepassing.
Schema: Het ”nee, tenzij"-principe van het compensatiebeginsel.
Inventarisatie, analyse en toetsing De plangebieden liggen op een afstand tussen de circa 1,2 en 2,5 km van het dichtstbijzijnde NNN gebied, zie figuur 4.1. De werkzaamheden vallen buiten de begrenzing van het NNN en hebben geen negatief effect op het NNN. Het doorlopen van een Nee, tenzij procedure voor het NNN is niet nodig. Zoeklocaties 1 en 2 liggen langs en deels in een Natuurverbinding (ecologische verbinding), zie figuur 4.2. De werkzaamheden kunnen leiden tot versnippering binnen de ecologische verbindingszone. Het doorlopen van een Nee, tenzij procedure is noodzakelijk wanneer de 21 (29)
bestemming van het plangebied gewijzigd wordt. Door het nemen van natuur inclusieve maatregelen kunnen negatieve effecten worden geminimaliseerd (zie 4.4.4). In gebieden waar het Nee, tenzij-beginsel van kracht is, zijn geen ingrepen toegestaan die de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied significant aantasten, tenzij er sprake is van een groot openbaar belang, er geen reële alternatieven zijn, de negatieve effecten zoveel mogelijk worden beperkt en de overblijvende effecten worden gecompenseerd. Dit dient te worden onderbouwd doormiddel van een nee-tenzij toets.
Figuur 4.1
Ligging van het plangebied (rood) ten opzichte van het meest nabijgelegen NNN (groen) en Natuurverbinding (roze).
22 (29)
Figuur 4.2
Ligging van het zoekgebieden nr. 1 en 2 ten opzichte van de ecologische verbindingszone.
4.3 Gebieden buiten het NNN Toetsingskader De weidevogelleefgebieden en ganzenfoerageergebieden in de provincie Noord-Holland zijn vastgelegd in Artikel 25 van de PRV (Provinciale Ruimtelijke Verordening). De afweging voor ingrepen in deze gebieden gaat volgens het “Nee, tenzij-principe”. Ingrepen met een significant negatieve invloed op de wezenlijke kenmerken en waarden mogen niet plaatsvinden, tenzij er sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang en indien er geen alternatieven zijn. Indien bij een ingreep schade wordt aangericht aan een weidevogelgebied, dan dient dit in ieder geval gemitigeerd te worden. De resteffecten aan verlies van kwaliteit en/of oppervlakte dient te worden gecompenseerd. Het verkennend natuuronderzoek geeft inzicht in de ligging van weidevogelleefgebieden in de omgeving van het plangebied en de noodzaak voor het doorlopen van aanvullende procedures. Inventarisatie, analyse en toetsing effecten Het plangebied is gelegen op circa 900 meter van het dichtstbijzijnde weidevogelleefgebied en circa 1,9 km van het dichtstbijzijnde gebieden buiten het NNN (figuur 4.3). Externe werking is niet van toepassing op deze gebieden. Het doorlopen van een nadere procedure is niet noodzakelijk.
23 (29)
Figuur 4.3
Ligging van het plangebied ten opzichte van de gebieden buiten het NNN.
4.4 Gemeentelijk beleid Door gemeente Amsterdam is in 2011 een structuurvisie4 vastgesteld. Om invulling te geven aan de structuurvisie zijn diverse agenda’s en visies ontwikkeld. Navolgend worden de relevante agenda’s en visies verder toegelicht. Dit zijn: 1) Hoofdgroenstructuur 2) Agenda duurzaamheid. 3) Agenda Groen. 4) Ecologische Visie. 5) Handboek Natuurinclusief bouwen en ontwerpen in twintig ideeën. 6) Beleidskader Verlichting. Een uitgebreide toelichting op bovenstaande punten is te vinden in de bijlage 2. 4.4.1 Hoofdgroenstructuur gemeente Amsterdam Uit de interactieve kaart van gemeente Amsterdam blijkt dat de zoeklocatie 1 en 2 zijn gelegen in een gebied dat behoort tot de hoofdgroenstructuur. Door aanleg van een tijdelijke pontverbinding en omliggende infrastructuur (zoals het fietspad) wordt de hoofdgroenstructuur aangetast. Door het nemen van natuur inclusieve maatregelen kunnen negatieve effecten worden geminimaliseerd (zie paragraaf 4.4.4). Plannen in de Hoofdgroenstructuur worden getoetst door de TAC (Technische Adviescommissie Hoofdgroenstructuur). De TAC is een commissie die specifiek betrekking heeft op de inpasbaarheid van een initiatief. 4.4.2 Ecologische structuur gemeente Amsterdam Uit de interactieve kaart van gemeente Amsterdam blijkt dat dat de zoeklocatie 1 en 2 zijn gelegen in een gebied dat behoort tot de ecologische structuur.
Door aanleg van een tijdelijke pontverbinding en omliggende infrastructuur (zoals het fietspad) wordt de
4
Structuurvisie Amsterdam 2040: Economisch sterk en duurzaam. 24 (29)
ecologische structuur aangetast. Door het nemen van natuur inclusieve maatregelen kunnen negatieve effecten worden geminimaliseerd. Deze maatregelen dienen te worden voorgelegd en goedgekeurd door een bevoegd stadsecoloog van R&D. 4.4.3 Ecologische passages Bij zoeklocatie 1 en 2 zijn in het kader van de ecologische structuur rietland in de oever en poelen op de dijk aangelegd. De poelen bij locatie 2 (eerder in het rapport slangenkuilen genoemd) zijn in 2016 gerealiseerd. Deze maatregelen moesten het knelpunt ‘geen dekking en leefgebied’ oplossen voor amfibieën, grote zoogdieren, kleine zoogdieren en reptielen. Door aanleg van een tijdelijke pontverbinding en omliggende infrastructuur (zoals het fietspad) wordt de ecologische passage doorsneden. De steiger kan tussen de gerealiseerde maatregelen in worden aangelegd op palen. Door het nemen van natuur inclusieve maatregelen kunnen negatieve effecten worden geminimaliseerd. 4.4.4 Projectkansen t.a.v. biodiversiteit Bij het ontwerpen van de aanlegplaats en het fietspad dient rekening te worden gehouden met de huidige aanmerking van het gebied als ecologische verbindingszone. Door het plaatsen van de aanmeersteiger op palen of het plaatsen van een faunatunnel kunnen de dieren (landzoogdieren, amfibieën en reptielen) onder de steiger door.
Bij het fietspad kan er gebruik gemaakt worden van amfibieëntunnels in combinatie met een geleidingswand om een veilige oversteek voor amfibieën te faciliteren. Naast de reeds aangelegde maatregelen de zogenoemde ‘slangenkuilen’ en steenhopen is het mogelijk om broeihopen aan te leggen voor de ringslang. Om het gebied geschikt te maken voor de rugstreeppad dienen er andere poelen aangelegd te worden (of de bestaande te worden aangepast). De rugstreeppad heeft de oevers en bodem van het voortplantingswater graag zanderig en onbegroeid en dus niet zoals in de huidige situatie stenig en begroeid met riet. Het behouden van een pionier habitat, zoals de rugstreeppad nodig heeft, betekend dat intensief beheer noodzakelijk is om het habitat in het gewenste stadium te houden. Om de ecologische verbindingszone voor meerdere soorten geschikt te maken kunnen verschillende typen poelen (stenig/zanderig en begroeid/onbegroeid) aangelegd worden. 4.4.5 Invasieve exoten De NDFF en interactieve kaarten van Amsterdam tonen waarnemingen van de Japanse duizendknoop in het plangebied, in de directe omgeving van het zoekgebied nr. 1 en 5. Tijdens het veldbezoek is enkel in zoekgebied nr. 5 is de Japanse duizendknoop tijdens het veldbezoek waargenomen. Het betrof hier een jonge spruit van de plant (zie figuur 4.4). In zoekgebied nr. 1 is de Japanse duizendknoop niet waargenomen.
Gezien er wel waarnemingen bekend zijn van de Japanse duizendknoop dient hier rekening mee te worden gehouden bij het uitvoeren van de werkzaamheden, net zoals op zoeklocatie nr. 5. Binnen de gemeente Amsterdam is het protocol Japanse duizendknoop opgesteld. Dit betekent dat de aanwezigheid van Japanse duizendknoop gemeld moet worden bij de gemeente, zie bijlage 4. Bij onjuist hanteren van het protocol kan de gemeente het werk stilleggen en de aannemer verantwoordelijk stellen voor de kosten. Voor start van werkzaamheden dienen de besmette stukken grond duidelijk gemarkeerd te worden inclusief een zone van drie meter rond de groeiplaats.
25 (29)
Figuur 4.4
Aangetroffen Japanse duizendknoop in zoekgebied nr. 5
26 (29)
5
Conclusies
5.1 Wet natuurbescherming Natura 2000-gebieden Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Markermeer & IJmeer’ ligt op een afstand van tussen de 1,5 tot 2,8 km. De werkzaamheden in het plangebied en het gebruik resulteren niet in een oppervlakteverlies van het Natura 2000-gebied, evenmin veroorzaakt het versnippering voor aangewezen soorten, verontreiniging, verdroging, verstoring door verlichting, verstoring door mechanische effecten. Om de werkzaamheden te kunnen uitvoeren, wordt gebruik gemaakt van verschillend materieel. Deze machines kunnen mogelijk onder andere stikstof uitstoten wat uiteindelijk neer zal dalen (stikstofdepositie). Daarnaast kunnen ook de ponten stikstof uitstoten indien er niet voor een elektrische pont wordt gekozen. Om de hoeveelheid en locatie van de stikstofdepositie te bepalen, dient een AERIUS-berekening te worden uitgevoerd. Hieruit kan naar voren komen dat het uitvoeren van een eigenstandige projectspecifieke ecologische beoordeling noodzakelijk is. Soortenbescherming De voorgenomen werkzaamheden hebben effect op de huismus als gekozen wordt voor zoeklocatie nr. 2, aangezien die locatie onderdeel is van het onderzoeksgebied Baaibuurt waarvoor bevonden is dat zich daar essentieel leefgebied voor de huismus bevindt. Het activiteitenplan is hier nog niet voor opgesteld.
Indien gekozen wordt voor locatie 2 zal wellicht aangesloten kunnen worden bij het activiteitenplan voor de Baaibuurt. Er mag op deze locatie 2 niet gewerkt worden voordat een ontheffing is aangevraagd en verkregen. Alle in Nederland broedende vogels zijn beschermd. De werkzaamheden dienen daarom bij voorkeur buiten het broedseizoen (circa half maart tot half augustus) 5 plaats te vinden om verstoring te voorkomen. Bovendien dient er eerst een broedvogelcontrole uitgevoerd te worden alvorens de werkzaamheden plaatsvinden. Voor vleermuizen dient uitstraling van licht vanaf de aanmeersteigers te worden voorkomen. In dat geval is er geen negatief effect op deze soorten. Steenbreekvaren was beschermd onder de flora en faunawet maar is niet langer beschermd onder de Wet natuurbescherming. Wel dient onder het beleid van Amsterdam op de zoeklocaties 4, 7 en 8 (en mogelijk 6) rekening gehouden te worden met de aanwezigheid van de steenbeekvaren en dienen deze soorten indien inpasbaar gehandhaafd te blijven. De meerval en rivierdonderpad waren beschermd onder de flora en faunawet maar zijn niet langer beschermd onder de Wet natuurbescherming. Wel wordt aangeraden om voor deze soorten mitigerende maatregelen te treffen voorafgaand aan de werkzaamheden, om de soorten te verstoren zodat deze het werkgebied verlaten.
Hierbij kan gedacht worden aan het langzaam opstarten van de werkzaamheden. Bovendien dienen op basis van de gedragscode Amsterdam werkzaamheden uitgevoerd te worden buiten het voortplantingsseizoen van 1 maart tot 1 september. Voor vrijgestelde soorten geldt in de provincie Noord-Holland een meldplicht. Deze melding dient gedaan te worden bij het bevoegd gezag (Omgevingsdienst Noord-Holland Noord). Op basis van potentie-inschatting, habitatbeoordeling en soortenkennis kunnen de volgende door de provincie Noord-Holland vrijgestelde soorten in het plangebied voorkomen, zie tabel 5.1. In het kader van de zorgplicht dient er voor deze soorten een ecologisch werkprotocol te worden opgesteld.
5
De Wet natuurbescherming erkent geen broedseizoen. Broedende vogels zijn volgens de Wnb altijd beschermd. 27 (29)
Tabel 5.1
Vrijgestelde soorten provincie Noord-Holland
Soortgroep
Soort (NL)
Soort (wetenschappelijk)
Zoogdier
Aardmuis
Mictotus agretis
Zoogdier
Bosmuis
Apodemus sylvaticus
Zoogdier
Dwergmuis
Micromys minutus
Zoogdier
Egel
Erinaceus europaeus
Zoogdier
Gewone bosspitsmuis
Sorex araneus
Zoogdier
Huisspitsmuis
Crocidura russula
Zoogdier
Konijn
Oryctolagus cuniculus
Zoogdier
Rosse woelmuis
Clethriunomys glareolus
Zoogdier
Tweekleurige bosspitsmuis
Sorex coronatus
Zoogdier
Veldmuis
Microtus arvalis
Zoogdier
Vos
Vulpes vulpes
Zoogdier
Woelrat
Arvicola terrestris
Amfibie
Bruine kikker
Rana temporaria
Amfibie
Gewone pad
Bufo bufo
Amfibie
Kleine watersalamander
Triturus vulgaris
Amfibie
Meerkikker
Rana ridibunda
Amfibie
Middelste groene kikker/
Rana esculenta
bastaardkikker
5.2 Natuurbeleidskaders Natuurnetwerk Nederland Het plangebied is gelegen op circa 4 km van het dichtstbijzijnde NNN gebied. De werkzaamheden vallen buiten de begrenzing van het NNN en hebben geen negatief effect op het NNN. Het doorlopen van een Nee, tenzij procedure is niet nodig. Zoeklocaties 1 en 2 liggen langs en deels in een Natuurverbinding (ecologische verbinding), zie figuur 4.2. De werkzaamheden kunnen leiden tot versnippering binnen de ecologische verbindingszone. Het doorlopen van een Nee, tenzij procedure is noodzakelijk wanneer de bestemming van het plangebied gewijzigd wordt. Gebieden met natuurwaarden buiten het NNN Het plangebied is gelegen op circa 4,4 km van het dichtstbijzijnde weidevogelleefgebied, circa 3 km van een ecologische verbindingszone en ligt op grote afstand (>20 km) van het dichtstbijzijnde ganzenfoerageergebied. De werkzaamheden vallen buiten de begrenzing van gebieden buiten het NNN en hebben geen negatief effect op gebieden buiten het NNN. Het doorlopen van aanvullende procedures is noodzakelijk. Gemeentelijk beleid Door aanleg van een tijdelijke pontverbinding en omliggende infrastructuur bij locatie 2 en 0 wordt een corridor in de hoofdgroenstructuur en de ecologische structuur aangetast. Bij zoeklocatie 1 en 2 is in het kader van de hoofdgroenstructuur rietland in de oever en poelen op de dijk aangelegd.
Door aanleg van een tijdelijke pontverbinding en omliggende infrastructuur wordt de ecologische passage aangetast. Door het nemen van natuur inclusieve maatregelen kunnen negatieve effecten worden geminimaliseerd. Deze maatregelen moeten worden goedgekeurd door de TAC en stadsecoloog R&D. Op locatie 5 en mogelijk locatie 1 bevindt zich de Japanse duizendknoop. Zie bijlage 4 voor het protocol hoe te handelen bij aanwezigheid Japanse duizendknoop van de Gemeente Amsterdam.
28 (29)
Referenties BIJ12 (2017). Kennisdocument Huismus, versie 1.0. Juli 2017. Ingezien van https://www.bij12.nl/assets/BIJ12-2017-009-Kennisdocument-Huismus-1.0.pdf Emond, D., F.L.A., Brekelmans, G.F.J. Smit, R.G. Verbeek, 2015. Natuurtoets MER Zeeburgereiland en bestemmingsplannen Zeeburgereiland (Sluisbuurt, Bedrijvenstrook en Baaibuurten), Amsterdam. Bureau Waardenburg Rapportnr. 15-231. Bureau Waardenburg, Culemborg. Gemeente Amsterdam. Ringslang. Ingezien van https://www.amsterdam.nl/bestuurorganisatie/volg-beleid/groen/flora-fauna/fauna/reptielen/ringslang/ op 28 november 2019 Gemeente Amsterdam. Rugstreeppad. Ingezien van https://www.amsterdam.nl/bestuurorganisatie/volg-beleid/groen/flora-fauna/fauna/amfibieen/rugstreeppad/ op 28 novermber 2019 Gemeente Amsterdam. Interactieve kaarten. Groen, Natuur & Landbouw. Beschermde Flora en Fauna. Ingezien van https://maps.amsterdam.nl/florafauna/?LANG=nl op 28 november 2019. Gemeente Amsterdam. Interactieve kaarten. Duizendknoop. Ingezien van https://maps.amsterdam.nl/duizendknoop/?LANG=nl op 13 december 2019 Gemeente Amsterdam. Interactive kaarten. Muurplanten. Ingezien van https://maps.amsterdam.nl/muurplanten/?LANG=nl op 13 december 2019 Gemeente Amsterdam. Interactieve kaarten. Vogels. Ingezien van https://maps.amsterdam.nl/vogels/?LANG=nl op 13 december 2019 Meurs, F.A. van, 2017. Aanvullend onderzoek kleine marterachtigen.
Plangebied: Sluisbuurt, Amsterdam. Kenmerk ER20170516v01. Ecoresult B.V., Dordrecht. NDFF Database voorkomende beschermde diersoorten. Ecogrid. Ingezien van https://ndff-ecogrid.nl/uitvoerportaal/secure/index.zul#0 op 27 oktober 2019. NDFF verspreidingsatlas. Ingezien van https://www.verspreidingsatlas.nl/ op 27 oktober 2019. Provincie Noord-Holland (2016). Verordening vrijstellingen soorten Noord-Holland. Provinciaal Blad Nr. 6151. RAVON. Bittervoorn, kleine modderkruiper, meerval, rivierdonderpad. Ingezien van https://www.ravon.nl/ op 18 december 2019. Verkade, M. (in voorbereiding). Aanvullend natuuronderzoek Baaibuurt Zeeburgereiland te Amsterdam. Projectnummer: 359392. Vogelbescherming. Oeverzwaluw. Ingezien van https://www.vogelbescherming.nl/ontdekvogels/kennis-over-vogels/vogelgids/vogel/oeverzwaluw op 13 december 2019 Zoogdiervereniging (2019) Eekhoorn. Ingezien van https://www.zoogdiervereniging.nl/zoogdiersoorten/eekhoorn op 28 november 2019