CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2b. TAM-Omgevingsplan H22K Oude Houthaven 1e wijziging_Toelichting.pdf

Raadscommissie Ruimtelijke ordening 4 februari 2026, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Vaststellen van het TAM-omgevingsplan H22K Oude Houthaven 1e wijziging (VN2025-018693)12.738 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Bestemmingsplan TAMOmgevingsplan H22K Oude Houthaven 1e Wijziging

Vastgesteld

Gemeente Amsterdam Ruimte en Duurzaamheid bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan H22K Oude Houthaven 1e wijziging

Colofon

Opdrachtgever Opdrachtnemer

Ruimte en Duurzaamheid

IMRO_idn

NL.IMRO.0363.E2411OPSTD-VG01

Datum print

9 December 2025

Planstatus

vastgesteld

blz. 3

Inhoudsopgave Toelichting Hoofdstuk 1 1.1 1.2 1.3 1.4 Hoofdstuk 2 2.1 2.2 2.3 Hoofdstuk 3 3.1 3.2 3.3 Hoofdstuk 4 4.1 Hoofdstuk 5 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6 5.7 5.8 5.9 5.10 Hoofdstuk 6 6.1 6.2 Hoofdstuk 7 7.1 7.2

5 Inleiding

7

Aanleiding Doel wijziging omgevingsplan Bevoegdheden Leeswijzer

7 7 8 8

Het plankader

9

Ligging en begrenzing besluitgebied Beschrijving huidige situatie Geldend juridisch planologisch kader

9 10 11

Beleid en regelgeving

13

Rijksbeleid Provinciaal beleid Gemeentelijk beleid - Stedelijke kaders

13 15 16

Het ruimtelijke kader

19

Stedenbouwkundige aspecten

19

Omgevingsaspecten

21

Milieueffectrapportage Verkeer en vervoer Geluid Luchtkwaliteit Omgevingsveiligheid Bodem en ondergrond Water Ecologie Cultuurhistorie en archeologie Duurzaamheid en klimaatadaptatie

21 22 22 30 31 33 36 39 43 44

Juridische toelichting

45

Omgevingsplan Artikelsgewijze toelichting

45 45

Uitvoerbaarheid

47

Economische uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid

47 47

Gemeente Amsterdam

blz. 4

bestemmingsplan_TAM-Omgevingsplan H22K Oude Houthaven 1e wijziging (vastgesteld)

blz. 5

Toelichting

Gemeente Amsterdam

blz. 6

bestemmingsplan_TAM-Omgevingsplan H22K Oude Houthaven 1e wijziging (vastgesteld)

blz. 7

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding

In het kader van de gebiedsontwikkeling Houthaven zijn de destijds aanwezige woonschepen in de Houthaven in 2010 en 2011 grotendeels tijdelijk verplaatst. Om deze schepen een ligplaats te bieden werden o.a. in de Oude Houthaven extra tijdelijke ligplaatsen gecreëerd. Dit gebeurde door: de bestaande steiger met tijdelijke steigerdelen te verlengen. twee extra drijvende steigers te plaatsen. een aantal schepen tussen de al aanwezige woonschepen af te meren. Deze tijdelijke situatie heeft inmiddels veel langer geduurd dan oorspronkelijk voorzien. De huidige voorzieningen vertonen steeds vaker gebreken zoals lekkage en uitval van openbare verlichting, waardoor vervanging noodzakelijk is. Met de vaststelling van het bestemmingsplan 'Oude Houthaven' op 25 januari 2018 zijn de tijdelijke steigers juridisch planologisch permanent mogelijk gemaakt. De gemeente heeft een ontwerp gemaakt voor nieuwe steigers in de Oude Houthaven. Het ontwerp is uitvoerig met de woonschipeigenaren en de omgeving besproken en in december 2024 heeft het Dagelijks Bestuur van stadsdeel West het definitief ontwerp voor de nieuwe steigers vastgesteld, waarbij minder ligplaatsen worden gerealiseerd dan in de huidige situatie. De ligging van de nieuwe steigers en de maximale afmetingen van enkele woonschepen (die daar nu liggen met vergunning) passen niet in het huidige omgevingsplan ‘’Oude Houthaven”.

Daarom wil de gemeente het omgevingsplan wijzigen. Zo'n wijziging kan via een TAM-imro procedure. Dat staat voor Tijdelijke Alternatieve Maatregelen Informatie Model Ruimtelijke Ordening en is een procedure om urgente gebiedsontwikkeling te kunnen faciliteren.

1.2

Doel wijziging omgevingsplan

De voorliggende wijziging van het omgevingsplan gemeente Amsterdam heeft als doel de nieuwe steigers in de Oude Houthaven mogelijk te maken. Op hoofdlijnen gaat het om de volgende aanpassingen: Het omgevingsplan gemeente Amsterdam staat steigers alleen toe binnen de functieaanduiding op de verbeelding. Dit is gebaseerd op de huidige ligging van de steigers. Vanwege verscherpte brandweereisen bij nieuwbouw waarbij woonschepen in de nieuwe situatie verder uit elkaar moeten liggen en vanwege benodigde nautische ruimte passen de nieuwe steigers niet binnen de functieaanduiding. Volgens het omgevingsplan gemeente Amsterdam mogen er in de Oude Houthaven woonschepen liggen met de volgende afmetingen: lengte maximaal 35 m, breedte maximaal 6 m en hoogte maximaal 4,50 m waarbij de stuurhut 5,50 meter hoog mag zijn. Een aantal woonschepen in zowel de Oude Houthaven als Houthaven (aan de Haparandadam en -steiger) heeft een afwijkende maatvoering ten opzichte van het omgevingsplan. Alle woonschepen hebben voor hun huidige plek de benodigde vergunningen en ontheffingen, al dan niet met een afwijking van het omgevingsplan. De komende periode zullen de woonschepen na een zorgvuldig te doorlopen verdeelproces hun

Gemeente Amsterdam

blz. 8

definitieve ligplaats innemen. Om te voorkomen dat de hiervoor benodigde vergunningen en ontheffingen niet passen in het omgevingsplan, wordt de afwijkende maatvoering van deze woonschepen meegenomen in de reparatie van het omgevingsplan.

1.3

Bevoegdheden

Op grond van de Omgevingswet wordt het omgevingsplan door de raad gewijzigd. De raad kan deze bevoegdheid delegeren aan het college van burgemeester en wethouders. Daar is in deze situatie geen sprake van. Het besluitgebied is gelegen binnen de grenzen van het stadsdeel West. De Verordening op de stadsdelen en het stadsgebied Amsterdam 2022 verdeelt de taken en bevoegdheden tussen de centrale stad en stadsdelen (en het stadsgebied Weesp). Het plangebied is op de kaart in bijlage 1 behorende bij de Verordening niet aangewezen als stedelijk gebied of project. De voorbereiding van de wijziging van het omgevingsplan tot de vrijgave van het ontwerpbesluit tot wijziging van het omgevingsplan ligt bij stadsdeel West.

1.4

Leeswijzer

Na dit hoofdstuk volgt in hoofdstuk 2 een beschrijving van het plankader. Er wordt onder meer ingegaan op de ligging van het besluitgebied. In hoofdstuk 3 volgt een beschrijving van het relevante ruimtelijk beleid afkomstig van het Rijk, de provincie en de gemeente. In hoofdstuk 4 wordt het stedenbouwkundige kader toegelicht. In hoofdstuk 5 worden diverse omgevingsaspecten beschreven. In hoofdstuk 6 wordt uitgelegd op welke wijze dit is vertaald in juridische zin. In hoofdstuk 7 wordt ingegaan op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid (inclusief participatie). In elk hoofdstuk wordt eerst het beleid toegelicht, daarna wordt uitgelegd hoe het beleid wordt toegepast in het besluitgebied.

bestemmingsplan_TAM-Omgevingsplan H22K Oude Houthaven 1e wijziging (vastgesteld)

blz. 9

Hoofdstuk 2 2.1

Het plankader

Ligging en begrenzing besluitgebied

De Oude Houthaven ligt in het noordwestelijk deel van de historische binnenstad van Amsterdam, oostelijk van het havengebied en zuidelijk van het IJ. Op de afbeelding 2.1 is de ligging van de Oude Houthaven in Amsterdam weergegeven.

Afbeelding 2.1: Ligging van de Oude Houthaven in Amsterdam (bron: gemeente Amsterdam)

De Oude Houthaven grenst aan de Houthavens. In het zuiden wordt de Oude Houthaven begrensd door de Van Diemenstraat. Het besluitgebied van voorliggend TAM-omgevingsplan omvat het plangebied van het (voormalige) bestemmingsplan Oude Houthaven, zie ook onderstaande afbeelding.

Gemeente Amsterdam

blz. 10

Afbeelding 2.2: plankaart bestemmingsplan Oude Houthaven (bron: gemeente Amsterdam)

2.2

Beschrijving huidige situatie

In het kader van de gebiedsontwikkeling Houthaven zijn de destijds aanwezige woonschepen in de Houthaven in 2010 en 2011 grotendeels tijdelijk verplaatst. Om deze schepen een ligplaats te bieden werden o.a. in de Oude Houthaven extra tijdelijke ligplaatsen gecreëerd. Dit gebeurde door: de bestaande steiger met tijdelijke steigerdelen te verlengen. twee extra drijvende steigers te plaatsen. een aantal schepen tussen de al aanwezige woonschepen af te meren. Deze tijdelijke situatie heeft inmiddels veel langer geduurd dan oorspronkelijk voorzien. De huidige voorzieningen vertonen steeds vaker gebreken zoals lekkage en uitval van openbare verlichting, waardoor vervanging noodzakelijk is. Er worden daarom nieuwe toekomstbestendige steigerdelen gerealiseerd in de Oude Houthaven. De nieuwe steigers zullen voldoen aan de nieuwbouweisen en worden gebouwd voor een referentieperiode

bestemmingsplan_TAM-Omgevingsplan H22K Oude Houthaven 1e wijziging (vastgesteld)

blz. 11

van tenminste 100 jaar. De komende jaren biedt een goed moment voor nieuwbouw van de steigers. Met de nieuwbouw van de steigers wordt voldaan aan de actuele regelgeving en eisen. Voor nieuwbouw gelden strengere eisen dan voor de bestaande steigers. De nieuw te bouwen steigers in de Oude Houthaven passen niet binnen het omgevingsplan gemeente Amsterdam. Op de plankaart van het omgevingsplan worden de steigers op exact de huidige locatie weergegeven, maar door brandweereisen en benodigde nautische ruimte krijgen de nieuw te bouwen steigers een iets andere ligging. Daarnaast liggen er nu schepen in de Oude Houthaven waarvan de afmetingen niet voldoen aan de maximaal toegestane scheepsafmetingen onder het geldend juridisch planologisch kader.

2.3

Geldend juridisch planologisch kader

Ter plaatse van het besluitgebied van TAM-Omgevingsplan H22K Oude Houthaven 1e wijziging gelden de regels uit het tijdelijke deel van het omgevingsplan gemeente Amsterdam, bestemmingsplan Oude Houthaven. De gemeenteraad heeft dit plan op 25 januari 2018 vastgesteld. Ook gelden er de regels uit het Omgevingsplan gemeente Amsterdam, en de volgende regels uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan gemeente Amsterdam (voor zover deze regels nog niet zijn opgegaan in het Omgevingsplan gemeente Amsterdam): Drijvende bouwwerken partiële herziening; Drijvende bouwwerken; Darkstores; Grondwaterneutrale kelders; Gerechtelijke uitspraak Grondwaterneutrale kelders; Paraplubestemmingsplan Kiosken.

Gemeente Amsterdam

blz. 12

bestemmingsplan_TAM-Omgevingsplan H22K Oude Houthaven 1e wijziging (vastgesteld)

blz. 13

Hoofdstuk 3

Beleid en regelgeving

3.1

Rijksbeleid

3.1.1

Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. In de NOVI zijn de kaders van het nieuwe rijksbeleid opgenomen en deze vervangt de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012). De NOVI is ontwikkeld in nauwe samenwerking met provincies, gemeenten, waterschappen, maatschappelijke instellingen en burgers. De NOVI bestaat uit een visie, toelichting en uitvoeringsagenda. De Visie De NOVI bevat de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Nederland staat voor een groot aantal opgaven, op het gebied van klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. De NOVI biedt daarbij een perspectief om deze grote opgaven aan te pakken. Omgevingskwaliteit is daarbij het kernbegrip. De NOVI staat voor een nieuwe aanpak waarbij overheden en maatschappelijke organisaties met regie vanuit het Rijk integrale afwegingen maken. Toelichting In de toelichting worden 21 nationale belangen in de fysieke leefomgeving beschreven en de daarbij horende opgaven waarvoor het Rijk zich gesteld ziet. Steeds wordt per belang het huidige beleid gekoppeld en wordt de opgave gesteld die met het belang samenhangt. Besluitgebied Ter plaatse van het besluitgebied is geen strijd met de NOVI. 3.1.2

Instructieregels Rijk via Besluit kwaliteit leefomgeving

Een instructieregel is een algemene regel waarmee een bestuursorgaan aan een ander bestuursorgaan aangeeft hoe dat orgaan een taak of bevoegdheid moet uitoefenen. Het Rijk heeft de instructieregels in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) opgenomen. Behalve het Rijk stelt ook de provincie Noord-Holland instructieregels in de omgevingsverordening, zie paragraaf 3.2.2. In hoofdstuk 5 van het Bkl staan de instructieregels voor omgevingsplannen per onderwerp. De meeste instructieregels hebben betrekking op omgevingsaspecten en worden in de hierna volgende hoofdstukken beschreven. Hieronder worden algemene planologische instructieregels beschreven. Ladder voor duurzame verstedelijking De Ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel met het oog op zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand. Het is terug te vinden in artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De instructieregel houdt in dat bij het toelaten van een nieuwe stedelijke ontwikkeling er rekening moet worden gehouden met: de behoefte aan die ontwikkeling; en Gemeente Amsterdam

blz. 14

bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen buiten stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: met de mogelijkheden om binnen het stedelijk gebied of stedelijk groen in de behoefte te voorzien. Daarbij is van belang dat het gaat om een afweging van de ontwikkelingsbehoefte met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en de ontwikkeling van de omgeving waarin het gebied ligt. Besluitgebied Stedelijke functies met een ruimtebeslag van minder dan 500m2 worden niet aangemerkt als een stedelijk ontwikkeling. De Laddertoets geldt alleen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Beoordeeld moet dan worden of er een nieuw of groter beslag op de ruimte is. Of, als er alleen een wijziging van de gebruiksfunctie is, op een andere manier wezenlijke ruimtelijke effecten heeft. Van belang is hierbij dus in hoeverre het plan: in vergelijking met het vorige plan, voorziet in een functiewijziging en welk planologische beslag op de ruimte het plan mogelijk maakt in vergelijking met het vorige plan Een combinatie van een ontwikkeling met een nieuw of groter planologisch ruimtebeslag en een functiewijziging is natuurlijk ook mogelijk. Laddertoets De voorgenomen ontwikkeling die TAM-Omgevingsplan H22K Oude Houthaven 1e wijziging mogelijk maakt voorziet in een ruimtebeslag groter dan 500m2 op gronden waar geen bebouwing is toegestaan.

Gelet hierop is er sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de zin van de ladder duurzame verstedelijking. Beschrijving behoefte Sinds de verhuizing van de woonschepen van de Houthaven naar de Oude Houthaven was het plan dat deze woonschepen terug konden keren naar nieuwe steigers in de Houthaven. Door vertragingen in de bouwplannen van de Houthaven is de terugkeer fors vertraagd. Inmiddels zijn de huidige (tijdelijke) steigers in de Oude Houthaven aan vervanging toe en wil de gemeente nieuwe toekomstbestendige steigers realiseren. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling is getoetst aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Daaruit volgt dat de beoogde ontwikkeling voorziet in een behoefte. De ruimtevraag kan geheel worden opgevangen in bestaand stedelijk gebied. Behoud van ruimte voor toekomstige functies Paragraaf 5.1.6 van het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat instructieregels over het behoud van ruimte voor toekomstige functies. De paragraaf bevat instructieregels met betrekking tot aangewezen reserveringsgebieden. Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties vereist in bepaalde gevallen dat gebieden worden vrijgehouden voor toekomstige ontwikkelingen die alleen op bepaalde locaties kunnen plaatsvinden.

Het Besluit kwaliteit leefomgeving kent in navolging van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening bestemmingsplan_TAM-Omgevingsplan H22K Oude Houthaven 1e wijziging (vastgesteld)

blz. 15

(Barro) een aantal reserveringsgebieden, waar vanwege de voorzienbare toekomstige aanleg van werken of objecten regels gelden over activiteiten die een dergelijke aanleg zouden bemoeilijken. Het gaat onder meer om gebiedsreserveringen voor de lange termijn voor gebieden rond autowegen, autosnelwegen en hoofdspoorwegen of gebieden voor de aanleg van buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen. Binnen Amsterdam zijn reserveringsgebieden aangewezen voor de uitbreiding of aanleg van een autoweg of autosnelweg.

Besluitgebied Het besluitgebied van voorliggende wijziging van het omgevingsplan ligt buiten aangewezen reserveringsgebieden.

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1

Omgevingsvisie Noord-Holland

Op 19 november 2018 hebben de Provinciale Staten van Noord-Holland de Omgevingsvisie NH2050 vastgesteld. Hierin staat de visie op de fysieke leefomgeving beschreven. Doel en hoofdambitie Klimaatverandering, energietransitie, veranderende economieën, grote woningbehoeftes, bodemdaling, verminderde biodiversiteit. Het is een greep uit de vele grote onderwerpen waar opgaven in schuil gaan. De Omgevingsvisie geeft koers hoe de provincie Noord-Holland met deze onderwerpen moet omgaan richting de toekomst. Daarin hanteert de Omgevingsvisie het uitgangspunt om in samenhang te kijken naar de opties. In de Omgevingsvisie wordt de ambitie geschetst een relatief hoog welvaarts- en welzijnsniveau vast te houden. Daarvoor moet een goede balans gezocht worden tussen economische groei en leefbaarheid. Zodanig dat bij veranderingen in het gebruik van de fysieke leefomgeving de doelen voor een gezonde en veilige leefomgeving overeind blijven. De provincie heeft vijf samenhangende bewegingen beschreven die richting geven aan de ontwikkeling van de leefomgeving. De samenhangende bewegingen zijn: Dynamisch schiereiland: de provincie Noord-Holland is aan drie zijden omgeven door water. Het benutten van deze unieke ligging is leidend, waarbij de kustverdediging voorop staat en waar toeristische en recreatieve kansen benut kunnen worden en natuurwaarden worden toegevoegd. Metropool in ontwikkeling.

Hierin wordt beschreven hoe de Metropoolregio Amsterdam steeds meer als één stad functioneert. Sterke kernen, sterke regio's, gaat over de ontwikkeling van centrumgemeenten die de gehele regio waarin ze liggen vitaal houden en waarin de kernen de herkenbare identiteit behouden. Nieuwe energie, benut de economische kansen van de energietransitie en circulaire economie. Natuurlijk en vitaal landelijke omgeving; centraal staat het ontwikkelen van natuurwaarden en een economisch duurzame agrarische sector. Besluitgebied De binnen het besluitgebied voorgenomen ontwikkeling is in overeenstemming met de doelen en hoofdambities uit de Omgevingsvisie NH2050.

Gemeente Amsterdam

blz. 16

3.2.2

Omgevingsverordening Noord-Holland

De Omgevingsverordening NH2022 bevat instructieregels die van belang zijn om het provinciale beleid of het provinciale belang te laten doorwerken in de uitoefening van taken of bevoegdheden door andere bestuursorganen dan provinciale staten, zoals gemeenten. Er zijn onder andere instructieregels opgenomen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen, woningbouw, detailhandel, duurzame energie, beschermd landelijk gebied en cultureel erfgoed. Voor dit TAM-omgevingsplan is met name artikel 6.75 Klimaatadaptatie van de Omgevingsverordening NH2022 belang. In artikel 6.75 lid 1 van de Omgevingsverordening NH2022 is bepaald dat de motivering van een omgevingsplan dat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt een beschrijving bevat van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de risico's van klimaatverandering. In paragraaf Water en paragraaf 5.10 Duurzaamheid en klimaatadaptatie van de toelichting wordt hier nader op ingegaan. Conclusie In de Omgevingsverordening NH2022 zijn geen regels opgenomen die aan voorliggende wijziging van het omgevingsplan Amsterdam in de weg staan.

3.3

Gemeentelijk beleid - Stedelijke kaders

3.3.1

Omgevingsvisie Amsterdam 2050

Van Structuurvisie Amsterdam 2040 naar Omgevingsvisie Amsterdam 2050 De Omgevingsvisie Amsterdam 2050 is een langetermijnvisie op de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving, die elke overheid opstelt in het kader van de Omgevingswet. De omgevingsvisie is samen met het Omgevingseffectrapport (OER) op 8 juli 2021 door de gemeenteraad vastgesteld. De omgevingsvisie vervangt de Structuurvisie Amsterdam 2040. Met vaststelling van de Omgevingsvisie Amsterdam 2050 door de gemeenteraad is de Structuurvisie Amsterdam 2040 vervangen. Hierop zijn twee uitzonderingen, de Hoofdgroenstructuur en het hoogbouwbeleid, die integraal opgenomen waren in de structuurvisie. Deze blijven van kracht tot vervangend beleid is vastgesteld. De Gemeente Amsterdam wil met een brede blik sturen. Deze omgevingsvisie heeft daarbij een drieledige functie: richting geven aan groei; versnellen van transities; ruimte bieden aan initiatieven. De omgevingsvisie bouwt voort op eerder geformuleerde beleidsinzetten. In sommige paragrafen wordt derhalve nog verwezen naar de Structuurvisie Amsterdam 2040. Op een aantal punten formuleert de omgevingsvisie een aangepaste ruimtelijke koers. Die is gericht op het tegengaan van negatieve effecten op kansengelijkheid en leefbaarheid, op het verduurzamen van de stad en op herstel en vernieuwing van de economie. Wereldwijd groeien steden.

Steden hebben aantrekkingskracht omdat ze bedrijvigheid, wetenschap en creativiteit dicht bijeenbrengen en zo innovatie stimuleren en kansen bieden aan individuen. De stad moet kansen bieden aan iedereen. Om die reden omarmt Amsterdam zowel nieuwe inwoners als nieuwe banen. Economische groei is gewenst, niet in de laatste plaats vanwege de inkomsten. Maar Amsterdam wil ook ruimte bieden aan vernieuwing en een meer circulaire economie. Groei een plek

bestemmingsplan_TAM-Omgevingsplan H22K Oude Houthaven 1e wijziging (vastgesteld)

blz. 17

geven in de stad is daarmee ook een verantwoordelijkheid. Om volledig profijt te trekken moet die groei richting gegeven worden. Gezien de ambities en de schaarste van ruimte en financiën maakt het bestuur vijf strategische keuzes: Meerkernige ontwikkeling: Amsterdam is uit balans met één centrum waar alles op is gericht. Een van de hoofddoelen van deze visie is een stad te worden met meer stedelijke centra. Ook in de regio willen we de kernen meer stedelijke kwaliteit geven. Groeien binnen grenzen: duurzame, compacte stedelijke ontwikkeling en intensief ruimtegebruik. Daarmee maken we sociaal sterke buurten, met veel ruimte voor ondernemerschap en beperken we de ecologische voetafdruk van de stad. Duurzaam en gezond bewegen: in een compacte stad staan ontmoeten en bewegen in de openbare ruimte voorop. In de hele stad krijgen lopen, fietsen en openbaar vervoer ruim baan. Rigoureus vergroenen: nieuwe parken en meer groen in de openbare ruimte en op en aan gebouwen houdt de stad klimaatbestendig en leefbaar voor mens, dier en plant. Samen stadmaken: meer mogelijkheden voor maatschappelijk initiatief. Samen met Amsterdammers, corporaties en private partijen bouwen we aan de stad. Daarbij maken we meer ruimte voor experimenten, verantwoordelijkheid en eigenaarschap voor onze inwoners. Het voorliggende plan is niet in strijd met dit gemeentelijk beleid.

Gemeente Amsterdam

blz. 18

bestemmingsplan_TAM-Omgevingsplan H22K Oude Houthaven 1e wijziging (vastgesteld)

blz. 19

Hoofdstuk 4 4.1

Het ruimtelijke kader

Stedenbouwkundige aspecten

Voorliggend TAM-omgevingsplan maakt het mogelijk de nieuwe steigers in de Oude Houthaven te bouwen, zoals aangegeven op onderstaande afbeelding.

Afbeelding 4.1: Ligging nieuwe steigers (zwart) in de Oude Houthaven ten opzichte van de huidige situatie (bron: gemeente Amsterdam)

Gemeente Amsterdam

blz. 20

bestemmingsplan_TAM-Omgevingsplan H22K Oude Houthaven 1e wijziging (vastgesteld)

blz. 21

Hoofdstuk 5

Omgevingsaspecten

5.1

Milieueffectrapportage

5.1.1

Wetgeving

Het instrument milieueffectrapportage (m.e.r.) is ontwikkeld om het milieubelang een volwaardige plaats in bepaalde plan- en besluitvormingsprocessen te geven. Enerzijds maakt het opstellen van een milieueffectrapport (MER) de initiatiefnemer bewust van de milieugevolgen en anderzijds kan de overheid diverse milieugevolgen in samenhang met elkaar en op een voor de burger transparante wijze bij de besluitvorming betrekken. De regelgeving met betrekking tot de milieueffectrapportage is opgenomen in afdeling 1.64 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Voor sommige plannen of activiteiten geldt direct de verplichting om een MER op te stellen, maar er zijn ook plannen waarvoor het bevoegd gezag moet beoordelen of zij het nodig vindt om ter voorbereiding van een besluit een MER te laten maken (m.e.r.-beoordeling). In het Omgevingsbesluit is opgenomen voor welke activiteiten de m.e.r.-(beoordelings)plicht bestaat. Het gaat dan met name om activiteiten die aanzienlijke nadelige effecten op het milieu kunnen hebben. Tot slot kan er sprake zijn van een zogenoemde vormvrije-beoordeling. Dit geldt voor activiteiten die wel worden genoemd in het Omgevingsbesluit, maar vanwege de omvang van de activiteit (onder de drempelwaarde) geen m.e.r.(beoordelings)plicht kent.

Bij besluiten die grote gevolgen voor het milieu kunnen hebben, moet het onderwerp 'milieu' goed en op tijd worden onderzocht. De regels die hiervoor gelden staan in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 van het Omgevingsbesluit. In bijlage V bij het Omgevingsbesluit (kolom 1, nummer J11) staat dat wanneer een activiteit de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen omvat, er sprake is van een m.e.r.(beoordeling)-plicht. Voor projecten die aangemerkt kunnen worden als een stedelijk ontwikkelingsproject neemt het bevoegd gezag de beslissing of een mer moet worden doorlopen. Het bevoegd gezag neemt de mer-beoordelingsbeslissing binnen zes weken, nadat initiatiefnemer de schriftelijke melding van het voornemen om een mer-beoordelingsplichtig project heeft ingediend bij het bevoegd gezag. De mededeling en het indienen van een aanvraag omgevingsvergunning kan tegelijkertijd. Het verzoek om de mer-beoordelingsbeslissing is dan onderdeel van de aanvraag omgevingsvergunning. Het is ook mogelijk om eerst te verzoeken om een mer-beoordelingsbeslissing.

Volgens jurisprudentie van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State hangt het antwoord op de vraag of er sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject af van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer de aspecten als de aard en de omvang van de voorziene ontwikkeling een rol spelen. Een voorzichtige lijn die aangehouden kan worden bij de bepaling of al dan niet sprake is van een stedelijke ontwikkeling is de volgende. Naar mate functies worden gewijzigd, de omvang van het project en de toename van bebouwing groter is en de wijziging van de ruimtelijke inrichting significanter, dan neemt de kans dat een bouwproject wordt aangemerkt als stedelijk ontwikkelingsproject toe. De gronden waarop de steigers (en ligplaatsen) worden gerealiseerd zijn in het omgevingsplan gemeente Amsterdam aangewezen voor Water. Ligplaatsen en steigers zijn hier toegestaan. Met voorliggende wijziging van het omgevingsplan wordt het mogelijk gemaakt steigers op een afwijkende locatie te realiseren en kunnen enkele woonschepen met een afwijkende maatvoering een ligplaats innemen. Er is geen sprake van een (substantiële) uitbreiding van bebouwing.

Gemeente Amsterdam

blz. 22

Op basis van Bijlage V van het Omgevingsbesluit (nr. J11 aanleg, wijziging of uitbreiding van stedelijke ontwikkelingsprojecten) en gelet op de jurisprudentie worden de voorgenomen ontwikkelingen niet aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject. Het uitvoeren van een MER/ MER-beoordeling is niet aan de orde.

5.2

Verkeer en vervoer

5.2.1

Bereikbaarheid

5.2.1.1 Verkeersafwikkeling in het besluitgebied Voorliggend TAM-omgevingsplan maakt de realisatie van steigers mogelijk op een iets andere plek dan op basis van de vigerende regeling uit het Omgevingsplan gemeente Amsterdam. Daarnaast maakt voorliggend TAM-omgevingsplan het mogelijk dat er een beperkt aantal woonschepen met een afwijkende maatvoering toegestaan wordt. Er is echter geen toename van het aantal ligplaatsen en woonschepen voorzien, waardoor voorliggend TAM-omgevingsplan geen effect heeft op de verkeersafwikkeling in en nabij het besluitgebied. 5.2.1.2 Verkeersveiligheid in het besluitgebied Voorliggend TAM-omgevingsplan heeft geen effect op de verkeersveiligheid in en nabij het besluitgebied, omdat er als gevolg van het plan geen veranderingen in de verkeersafwikkelingen zijn. 5.2.2

Parkeren

Voorliggend TAM-omgevingsplan voorziet in het realiseren van steigers op een afwijkende plek ten opzichte van de vigerende regeling uit het Omgevingsplan gemeente Amsterdam. Ook maakt dit plan een beperkt aantal ligplaatsen met een afwijkende maatvoering mogelijk. Het aantal ligplaatsen en woonschepen neemt niet toe, waardoor het plan geen gevolgen heeft voor het aspect parkeren.

5.3

Geluid

5.3.1

Algemeen

Bij het toelaten van een activiteit, (spoor)weg, industrieterrein of geluidgevoelig gebouw moet het geluid op de geluidgevoelige gebouwen beoordeeld worden. Hiertoe zijn in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) instructieregels opgenomen. De instructieregels hebben tot doel de gezondheid en het milieu te beschermen tegen te veel geluid. Hiervoor zijn in het Besluit kwaliteit leefomgeving eisen gesteld aan het geluid op geluidgevoelige gebouwen. Een geluidgevoelig gebouw is volgens de begripsbepalingen in bijlage 1, Bkl, een (deel van een) gebouw met een woonfunctie, een gebouw met een onderwijsfunctie, een gebouw voor kinderopvang met bedden, een gebouw voor gezondheidszorg met bedden. Ook ligplaatsen voor woonschepen en standplaatsen voor woonwagens zijn aangewezen als geluidgevoelig.

Een geluidaandachtsgebied is een gebied langs een (spoor)weg of rond een industrieterrein waarbinnen het geluid vanwege de betreffende bron hoger kan zijn dan de standaardwaarde. De grootte van het gebied is afhankelijk van de bron. De standaardwaarde is in het algemeen een aanvaardbaar

bestemmingsplan_TAM-Omgevingsplan H22K Oude Houthaven 1e wijziging (vastgesteld)

blz. 23

geluidniveau. In het omgevingsplan kan op basis van het type gebied een hogere of lagere standaardwaarde worden vastgesteld.

Het omgevingsplan voorziet in een aanvaardbaar geluidsniveau van verkeer en industrie op een geluidgevoelig gebouw. Hiervoor zijn in het omgevingsplan regels opgenomen over het toelaten van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied en over het toelaten of wijzigen van nieuwe of bestaande (spoor)wegen en industrieterreinen. In deze paragraaf wordt ingegaan op het beschermen van de gezondheid en het milieu tegen het geluid van wegen, spoorwegen en industrieterreinen met geluidproductieplafonds (paragraaf 5.1.4.2a, Bkl). 5.3.2

Veel gebruikte begrippen

In het Besluit kwaliteit leefomgeving worden verschillende begrippen gebruikt om geluidsemissies en geluidwaarden te beschrijven. Hieronder volgt een kort overzicht.

Geluidproductieplafond (gpp) Voor geluid vanwege rijkswegen, provinciale wegen, (hoofd)spoorwegen en industrieterreinen geldt een systeem dat gebaseerd is geluidproductieplafonds. Een geluidproductieplafond is de maximaal toegelaten hoeveelheid geluid vanwege de betreffende bron op een bepaald punt nabij deze geluidbron (bijvoorbeeld een rijksweg). De rijksoverheid is verplicht de gpp's van rijkswegen en hoofdspoorwegen te bewaken en te monitoren en neemt maatregelen om een overschrijding van een gpp te voorkomen. Voor provinciale (spoor)wegen en industrieterreinen van provinciaal belang is de provincie verantwoordelijk en voor gemeentelijke industrieterreinen de gemeente. De gegevens over de waarde van het gpp's, de ligging van een geluidreferentiepunt en het geluidaandachtsgebied zijn opgenomen in het geluidregister (artikel 11.52, Bkl). De waarden van de gpp's en de ligging van de geluidaandachtsgebieden, zijn een gegeven. Basisgeluidemissie (bge) De basisgeluidemissie is het referentieniveau van het geluid van gemeentewegen, waterschapswegen en lokale spoorwegen. Wegen met een verkeersintensiteit van meer dan 1000 motorvoertuigen per etmaal zijn relevant voor het bepalen van de basisgeluidemissie. De gemeente bewaakt de toename van geluid ten opzichte van de vastgestelde basisgeluidemissie. De bge wordt vastgelegd in het geluidregister en vijfjaarlijks gemonitord.

Bij een toename van 1,5dB of meer ten opzichte van de bge worden maatregelen overwogen. De monitoringsverplichting over de bge lopen synchroon met de bestaande vijfjaarlijkse verplichting vanuit de EU-richtlijn omgevingslawaai. De verplichtingen van de monitoring van geluid worden geïntegreerd met de uitvoering van de Europese richtlijn. In het actieplan geluid zal ingegaan worden op de afweging (artikel 3.26 Bkl) of maatregelen moeten worden genomen en de verplichting tot naleving van de binnenwaarde (artikel 3.49, eerste lid, onder c, Bkl). De basisgeluidemissie of het actieplan geluid maakt geen deel uit van het omgevingsplan. Standaardwaarden en grenswaarden Geluidwaarden worden uitgedrukt in standaardwaarden en grenswaarden. De standaardwaarde is een aanvaardbaar geluidniveau waarvan gemotiveerd kan worden afgeweken. Een standaardwaarde kan bij omgevingsplan hoger of lager worden vastgesteld. Zo kan bijvoorbeeld in het omgevingsplan de standaardwaarde voor een bedrijventerrein verhogen en in het buitengebied verlagen. Als aan de standaardwaarde wordt voldaan, is geen nadere afweging of besluitvorming nodig.

Gemeente Amsterdam

blz. 24

Een grenswaarde is een uiterste grens waar niet van mag worden afgeweken. Een overschrijding van de grenswaarde op een geluidgevoelig gebouw is alleen bij uitzondering en in de in het Bkl genoemde gevallen mogelijk. Gecumuleerd geluid en gezamenlijk geluid Het gecumuleerd geluid is het geluid door de geluidbronsoorten en andere activiteiten tegelijk, opgeteld met een correctie voor de verschillen in hinderlijkheid. Het gezamenlijk geluid is het geluid door geluidbronsoorten en andere activiteiten tegelijk, opgeteld zonder correctie voor de verschillen in hinderlijkheid. Bij zowel het bepalen het gecumuleerd geluid en het gezamenlijk geluid moet in ieder geval het geluid afkomstig van (spoor)wegen, industrieterreinen, luchtvaartverkeer, windturbines en schietbanen worden betrokken. 5.3.3

Beoordeling geluid in het omgevingsplan

De regels voor geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen gelden alleen voor geluidgevoelige gebouwen die binnen een geluidaandachtsgebied liggen en voor bronnen met een geluidaandachtsgebied. Bij het toelaten van een nieuw geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied of het wijzigen of aanleggen van een geluidbron met een geluidsaandachtsgebied moet de geluidbelasting worden getoetst. Wanneer een overschrijding van de norm wordt geconstateerd, moeten maatregelen worden getroffen om de geluidbelasting zoveel mogelijk terug te brengen. Indien uit onderzoek volgt dat de standaardwaarde wordt overschreden bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw dan wordt het gezamenlijke geluid op de gevel vastgelegd in het omgevingsplan of in de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsactiviteit. Het gecumuleerd geluid op de gevel wordt beoordeeld als het geluid van een geluidbronsoort op de gevel hoger is dan de standaardwaarde en toeneemt ten opzichte van het geluid in de bestaande situatie.

De beoordeling van het gecumuleerd geluid vindt plaats bij de wijziging van het omgevingsplan of bij een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsactiviteit in de volgende situaties: Het wijzigen of toelaten van een weg, spoorweg of industrieterrein met gpp (artikel 3.38 Bkl); Verhoging van gpp (zonder wijziging) van een weg, spoorweg of industrieterrein (artikel 3.38 Bkl); Het wijzigen of toelaten van een weg of lokale spoorweg zonder gpp (artikel 5.78 Bkl) Het toelaten van een geluidgevoelig gebouw bij een industrieterrein met gpp, een weg of een spoorweg (artikel 5.78ac Bkl). 5.3.4

Waarden voor geluid

Het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat standaardwaarden en grenswaarden voor geluid door een geluidbronsoort op een geluidgevoelig gebouw. Deze waarden zijn van toepassing op het geluid door alle geluidbronnen van een geluidbronsoort en gelden voor een geluidgevoelig gebouw dat langer dan 10 jaar is toegelaten (artikel 5.78, tweede lid, Bkl). De waarden die bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw voor de 7 geluidbronsoorten gelden, staan in de onderstaande tabel.

bestemmingsplan_TAM-Omgevingsplan H22K Oude Houthaven 1e wijziging (vastgesteld)

blz. 25

Bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied wordt de geluidwaarde op het gebouw berekend en beoordeeld. Het uitgangspunt is dat het geluid op een geluidgevoelig gebouw niet hoger is dan de standaardwaarde. Het geluid is dan in ieder geval aanvaardbaar en de kans op gezondheidsschade is klein. Meer geluid dan de standaardwaarde kan echter als aanvaardbaar beoordeeld worden. 5.3.5

Amsterdams geluidbeleid

Amsterdam kent een eigen geluidbeleid gericht op het beschermen van geluidgevoelige gebouwen tegen geluid. Het gaat om geluidbeleid voor het bouwen op geluidbelaste locaties en om Amsterdams geluidbeleid dat uitvoering geeft aan de verplichtingen van de Europese richtlijn omgevingslawaai. Amsterdam stelt als agglomeratiegemeente elke vijf jaar een geluidskaart en een Actieplan geluid vast. Dit Actieplan geluid is vooral gericht op de beperking van overlast van het (weg)verkeerlawaai. Het college van burgemeester en wethouders heeft op 17 oktober 2023 het Interim geluidbeleid Amsterdam 2024 vastgesteld met het oog op de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Hiermee beoogt het college zoveel mogelijk te voorzien in een beleidsneutrale overgang van het Amsterdams geluidbeleid 2016 (gewijzigd) en de geluidsnota Weesp 2007. Het Amsterdams geluidbeleid richt zich op het realiseren van geluidgevoelige gebouwen op geluidbelaste locaties. In de stedelijke omgeving van Amsterdam is op veel plaatsen een hoge geluidbelasting. Ondanks deze hoge geluidbelasting moeten stedelijke ontwikkelingen mogelijk blijven. In het Amsterdams geluidbeleid is opgenomen dat in geval geen maatregelen mogelijk zijn om het geluidniveau te beperken, hogere waarde volgens de Wet geluidhinder verleend konden worden.

Een aanvaardbaar woon- en leefklimaat werd bereikt door ervoor te zorgen dat een woning over een stille zijde beschikt. De stille zijde bevindt zich bij voorkeur bij de slaapkamer zodat de bewoner rustig met open raam kan slapen. In uitzonderlijke situaties kon gemotiveerd van dit principe worden afgeweken. In geval van een zogenaamde dove gevel was een stille zijde een verplichting. Het Amsterdams geluidbeleid is vertaald in de regels van het Omgevingsplan en in beleidsregels geluid (vastgesteld op 17 oktober 2023). Bij overschrijding van de standaardwaarde moet een woning in principe beschikken over een stille zijde, de stille zijde bevindt zich bij voorkeur bij de slaapkamer. Woningen met een niet geluidgevoelige gevel moeten altijd een stille zijde krijgen, behoudens zeer uitzonderlijke gevallen, zoals tijdelijke bewoning door bijzondere doelgroepen. Bij de beoordeling van geluid moet rekening worden gehouden met de cumulatie van de geluidbelasting van verschillende bronnen. Volgens Amsterdams geluidbeleid is sprake van een onaanvaardbare

Gemeente Amsterdam

blz. 26

geluidbelasting als de gecumuleerde geluidbelasting meer dan 3dB hoger is dan ten hoogste de maximaal toelaatbare grenswaarde. 5.3.6

Besluitgebied

5.3.6.1 Onderzoek 2017 DPA Cauberg-Huygen heeft, in 2017, voor het bestemmingsplan Oude Houthaven akoestisch onderzoek uitgevoerd (zie ook Bijlage 1). Akoestisch onderzoek was nodig, omdat het bestemmingsplan 33 ligplaatsen voor woonschepen en 1 ligplaats voor een charter/ woonschip mogelijk maakt (geluidgevoelige bestemmingen). De ligplaatsen bevinden zich binnen de geluidzones van de Tasmanstraat/Van Diemenstraat/Westerdoksdijk, de Houtmankade en de industrieterreinen Westpoort en Johan van Hasseltkanaal West. Uit de berekeningen blijkt: Ten gevolge van de Tasmanstraat/Van Diemenstraat/Westerdoksdijk vinden overschrijdingen van de voorkeursgrenswaarde van 48 dB plaats, en op één locatie (meest zuidwestelijke hoek plangebied) ook van de maximale ontheffingswaarde van 53 dB. De geluidbelasting bedraagt maximaal 55 dB Lden. Ten gevolge van de Houtmankade wordt overal voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Ten gevolge van industrieterrein Westpoort vinden overschrijdingen van de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) plaats, maar niet van de maximale ontheffingswaarde van 55 dB(A). De geluidbelasting bedraagt maximaal 55 dB(A) etmaalwaarde. Ten gevolge van industrieterrein Johan van Hasseltkanaal West vindt een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) plaats, maar niet van de maximale ontheffingswaarde van 55 dB(A).

De geluidbelasting bedraagt maximaal 51 dB(A) etmaalwaarde. De maximaal optredende gecumuleerde geluidbelasting LIL,cum bedraagt 57 dB(A). Nergens geldt dat de gecumuleerde geluidbelasting LIL,cum meer dan 3 dB hoger is dan de hoogste van de maximaal toelaatbare ontheffingswaarde (55 dB(A) bij industrielawaai). Omdat verschillende geluidreducerende maatregelen aan de bron of in het geluidoverdrachtsgebied bezwaren met zich meebrengen, het realistisch om hogere waarden aan te vragen voor de geluidbelastingen ten gevolge van industrielawaai afkomstig van industrieterreinen Westpoort en Johan van Hasseltkanaal West en wegverkeerslawaai afkomstig van de Tasmanstraat/Van Diemenstraat/Westerdoksdijk. Besluit hogere waarden Wet geluidhinder Burgemeester en wethouders van Amsterdam hebben besloten de volgende hogere waarden Wet geluidhinder te verlenen (zie ook Bijlage 2): Wegverkeerslawaai: 1. Vanwege de Tasmanstraat/Van Diemenstraat/Westerdoksdijk: 53 dB voor ten hoogste 34 ligplaatsen. Industrielawaai: 1. Vanwege Westpoort: 55 dB(A) voor voor ten hoogste 34 ligplaatsen. 2. Vanwege Johan van Hasseltkanaal West: 51 dB(A) voor ten hoogste 34 ligplaatsen.

bestemmingsplan_TAM-Omgevingsplan H22K Oude Houthaven 1e wijziging (vastgesteld)

blz. 27

5.3.6.2 Onderzoek 2025 Vanwege de wijziging van de steigerlocaties is door Cauberg Huygen een herberekening van de geluidwaarden gemaakt (zie Bijlage 3). Uit de herberekening volgt dat ter plaatse van een aantal nieuwe ligplaatsen voor woonschepen de eerder vastgestelde hogere waarde voor wegverkeerslawaai van 53 Lden wordt overschreden. De standaardwaarde van, eveneens 53 Lden wordt ook overschreden. Nergens wordt de grenswaarde van 70 Lden overschreden. Onderstaande afbeelding geeft de herberekende geluidwaarden voor wegverkeer weer. Ter plaatse van het geel gemarkeerde gebied vindt overschreiding van de eerder berekende geluidwaarden weer.

Voor een aantal ligplaatsen voor woonschepen moet een hogere geluidwaarde tot en met 55 Lden worden toegestaan. Verder is het volgende berekend: Het geluid door industrieterrein Westpoort bedraagt ter plaatse van de te wijzigen steigerlocaties maximaal 53 dB(A) (etmaal). Er wordt voldaan aan de eerder vastgestelde hogere waarde van 55 dB(A) etmaalwaarde. Met betrekking tot industriegeluid door industrieterrein Westpoort hoeven geen nieuwe hogere geluidwaarden te worden vastgesteld. Gemeente Amsterdam

blz. 28

Het geluid door industrieterrein Johan van Hasseltkanaal West bedraagt ter plaatse van de te wijzigen steigerlocaties maximaal 36 dB(A) (etmaal). Er wordt voldaan aan de eerder vastgestelde hogere waarde van 51 dB(A) etmaalwaarde. Met betrekking tot industriegeluid door industrieterrein Johan van Hasseltkanaal hoeven geen nieuwe hogere geluidwaarden te worden vastgesteld. Het geluid ten gevolge van de doorgaande scheepvaart bedraagt ten hoogste 44 dB(A) nachtwaarde. Ter hoogte van de ligplaatsen voor woonschepen is er sprake van een overschrijding van de toetswaarde voor geluidluwe gevels van 40 dB(A) nachtwaarde. Het gecumuleerde geluid Lcum bedraagt ten hoogste 59 Lden. De op het weggeluid (gemeentewegen) afgestemde toetswaarde van Lcum = 73 Lden (70+3) wordt nergens overschreden. Het gecumuleerde geluid is aanvaardbaar. Het gezamenlijk geluid Lg bedraagt ten hoogste 57 Lden. Het gezamenlijk geluid zal de basis zijn voor de berekeningen van de gevelgeluidwering, in het kader van het Besluit Bouwwerken Leefomgeving. 5.3.7

Hogere geluidswaarden

De eerder vastgestelde hogere waarde van 53 Lden én de standaardwaarde voor gemeentewegen (53 Lden)wordt overschreden. De maatgevende overschrijding van de standaardwaarde bedraagt 2 dB. 5.3.7.1 Afweging maatregelen en aanvraag hogere waarden Hogere geluidwaarden kunnen worden toegestaan wanneer is vastgesteld dat maatregelen onvoldoende doelmatig zijn: Allereerst dient te worden nagegaan welke maatregelen noodzakelijk zijn om het geluid te reduceren tot maximaal de standaardwaarde. Tevens dient beoordeeld te worden of deze maatregelen al dan niet doelmatig zijn. Indien deze maatregelen niet doelmatig zijn, dient te worden nagegaan welke maatregelen wel doelmatig zijn om het geluid zoveel mogelijk te reduceren. Indien er geen maatregelen denkbaar zijn die als doelmatig kunnen worden aangemerkt kunnen hogere geluidwaarden worden toegestaan. Bij het bepalen van benodigde maatregelen is onderscheid gemaakt tussen: maatregelen aan de bron; maatregelen in het overdrachtsgebied; maatregelen aan de ontvangzijde. Maatregelen aan de bron Geluidreducerend asfalt Door het toepassen van een geluidreducerend asfalt kunnen overschrijdingen van de standaardwaarde tot circa 4 dB worden weggenomen. Bij toepassing van een stil type asfalt zal met betrekking tot de woonschepen overal aan de standaardwaarde worden voldaan.

Voor een binnenstedelijke situatie wordt een stil asfalttype vaak niet wenselijk geacht. Deze asfalttypes vergen een hoge mate van onderhoud en worden bij optrekkend en afremmend verkeer snel kapot gereden. Het is de vraag of een stil asfalt vanuit de wegbeheerder (gemeente Amsterdam) gewenst is gezien de snellere slijtage en frequenter onderhoud. Naast dit aspect spelen ook de kosten een belangrijke rol. Het aanbrengen van een stil asfalttype wordt verkeerskundig en financieel niet doelmatig geacht. bestemmingsplan_TAM-Omgevingsplan H22K Oude Houthaven 1e wijziging (vastgesteld)

blz. 29

Snelheidsbeperking Het beperken van de snelheid is een mogelijkheid om het verkeerslawaai te beperken. Reeds in 2023 is door de gemeente op een groot aantal wegen in de stad verlaagd van 50 km/u naar 30 km/u om de stad verkeersveiliger, stiller en leefbaarder te maken. Terugdringen verkeersintensiteiten Het terugdringen van het verkeer leidt tot een geluidreductie. Voor een geluidreductie van 2 dB bijvoorbeeld zou het verkeer met ongeveer 35-40% van de oorspronkelijke verkeersintensiteiten moeten worden verminderd. Verkeersplannen van de gemeente voorzien hier niet in. Maatregelen in het overdrachtsgebied Door het toepassen van geluidschermen langs de binnenstedelijke wegen kunnen extra geluidreducties worden behaald. Het plaatsen van schermen langs stedelijke wegen is stedenbouwkundig niet gewenst vanwege onder meer de sociale veiligheid. Maatregelen aan de ontvangzijde Bij geluidgevoelige functies waar niet de grenswaarde maar wel de standaardwaarde wordt overschreden, kan een niet-geluidgevoelige gevel (met bouwkundige maatregelen, een dove gevel) alleen worden ingezet bij overschrijding van de grenswaarde. Nu de grenswaarde voor verkeersgeluid nergens wordt overschreden, kan voor de woonschepen geen dove gevel worden ingezet.

5.3.7.2 Conclusie ten aanzien van hogere geluidwaarden Omdat verschillende geluidreducerende maatregelen bezwaren met zich meebrengen, wordt voorgesteld om voor het geluid door gemeentewegen hogere geluidwaarden toe te staan tot ten hoogste 55 Lden. 5.3.7.3 Geluidluwe zijde Bij het verlenen van een hogere waarde worden de volgende aanvullende voorwaarden gesteld door de gemeente Amsterdam (Interim geluidbeleid 2024): Woningen waarvoor een hogere geluidwaarde wordt vastgesteld, moeten beschikken over tenminste één geluidluwe gevel. Er is geen sprake van een onaanvaardbare geluidbelasting (toetsing gecumuleerde geluid). Deze bovenstaande gestelde voorwaarden gelden ook voor woonschepen. Een geluidluwe gevel heeft een per bronsoort gesommeerde geluidwaarde van ten hoogste de standaardwaarde (53 dB(A) voor geluid door gemeentewegen en 50 dB(A) voor industriegeluid), of van ten hoogste 40 dB(A) nachtwaarde bij milieubelastende activiteiten en scheepvaart. Verblijfsruimten, vooral de slaapkamers, moeten grenzen aan de geluidluwe zijde. De eisen ten aanzien van het geluid op woonschepen worden gesteld aan de ligplaats voor een woonschip, niet aan de daadwerkelijke gevels van de woonschepen, waardoor bij woonschepen gesproken wordt over een geluidluwe zijde.

Om te beoordelen of de woonschepen potentieel een geluidluwe zijde hebben, zijn de ligplaatsen gemodelleerd als een fictief gebouw, met een gebouw-hoogte van 3 meter. In de onderstaande figuur zijn de geluidwaarden van de gemeentewegen en scheepvaart schematisch opgenomen. Hierin is door middel kleuren aangegeven welke zijde wel (groen) en niet (geel) direct aan te merken zijn als geluidluwe zijde. Gemeente Amsterdam

blz. 30

Hoewel het nieuw berekende geluid door industrieterrein Westpoort voldoet aan de eerder vastgestelde hogere waarde, is de analyse van de geluidluwe zijden ook verricht voor dit industriegeluid. Het industriegeluid door industrieterrein Johan van Hasseltkanaal West is van ondergeschikt belang en daarom verder wel buiten beschouwing gelaten.

Uit bovenstaande blijkt dat dat alle ligplaatsen voor woonschepen beschikken over een geluidluwezijde voor geluid door wegverkeer.

5.4

Luchtkwaliteit

5.4.1

Besluit kwaliteit leefomgeving

De gemeente moet bij het toelaten van activiteiten in het omgevingsplan in een aantal situaties toetsen aan omgevingswaarden voor lucht. De Omgevingswet bepaalt dat bij evenwichtige toedeling van functies aan locaties de gemeente in ieder geval rekening houdt met het belang van het beschermen van de gezondheid, zo bepaalt artikel 2.1 lid 4 van de Omgevingswet (Ow). Hierbij houdt de gemeente rekening met de lokale specifieke omstandigheden en de gevolgen van de activiteiten voor de gezondheid van haar burgers (art. 2.1 en 2.4 Ow). In paragraaf 5.1.4.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan instructieregels die de gemeente bij het opstellen van een omgevingsplan moet hanteren om de luchtkwaliteit te beschermen. De gemeente moet voor een aantal activiteiten de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) in acht nemen. Behalve als een activiteit niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging. NIBM houdt in dat toegelaten activiteiten niet leiden tot een verhoging van de kalenderjaargemiddelde concentratie in de buitenlucht van zowel stikstofdioxide als PM10 van 1,2 ìg/m3 of meer. 5.4.2

Besluitgebied

Voorliggend TAM-omgevingsplan voorziet in het realiseren van steigers op een afwijkende plek ten opzichte van de vigerende regeling uit het Omgevingsplan gemeente Amsterdam. Ook maakt dit plan mogelijk dat een beperkt aantal woonschepen met afwijkende maatvoering een ligplaats inneemt. Het aantal ligplaatsen en woonschepen neemt niet toe, waardoor het plan geen gevolgen heeft voor het aspect luchtkwaliteit.

bestemmingsplan_TAM-Omgevingsplan H22K Oude Houthaven 1e wijziging (vastgesteld)

blz. 31

5.5

Omgevingsveiligheid

5.5.1

Algemeen

Een van de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Bij externe veiligheid gaat het om het binnen aanvaardbare grenzen houden van risico's voor de omgeving in relatie tot het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen bij bedrijven met risicovolle milieubelastende activiteiten, het transport van gevaarlijke stoffen via openbare wegen, water- en spoorwegen en buisleidingen, het gebruik van luchthavens en het gebruik van windmolens. Een viertal begrippen is van belang: het plaatsgebonden risico (PR), brand-, explosie- en gifwolkaandachtsgebieden (BAG, EAG en GAG), voorschriftengebieden en het groepsrisico (GR). Deze begrippen vullen elkaar aan en leiden gecombineerd met elkaar tot een voldoende (en afgewogen) beschermingsniveau per functie en locatie. 5.5.2

Regelgeving

De Omgevingswet geeft aan welke instructieregels worden gesteld over met het oog op het waarborgen van de veiligheid, het beschermen van de gezondheid en het beschermen van het milieu, met betrekking tot de externe veiligheidsrisico's van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen, in ieder geval ter uitvoering van de Seveso-richtlijn. Deze instructieregels zijn opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. De instructieregels gaan in op het plaatsgebonden risico, aandachtsgebieden, voorschriftengebieden en het groepsrisico in relatie tot beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Wat er onder beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties valt, is opgenomen in Bijlage VI van het Bkl. In de bijlagen VII, VIII, IX en X van het Bkl staan de risicovolle activiteiten genoemd. 5.5.3

Gemeentelijk beleid

Uitvoeringsbeleid Externe veiligheid Amsterdam 2012 Het Uitvoeringsbeleid Externe veiligheid Amsterdam (vastgesteld op 8 juni 2012 door burgemeester en wethouders) gaat nader in op de manier waarop Amsterdam omgaat met externe veiligheid in de besluitvorming. Het doel van Amsterdam is om risico's zoveel mogelijk te beperken. Dit kan via bronmaatregelen en ruimtelijke maatregelen. Bronmaatregelen zijn de meest effectieve maatregelen die kunnen worden genomen om het risico te beperken. Amsterdam continueert via dit uitvoeringsbeleid door in te zetten op clustering van risicobedrijven in het havengebied. Dit betekent dat in nieuwe ruimtelijke besluiten buiten het westelijk havengebied geen ruimte wordt gegeven aan nieuwe risicobedrijven. Ook wordt gekeken of er alternatieven zijn voor transport van gevaarlijke stoffen door dicht bevolkt gebied gaat. Hierbij kan gedacht worden aan vervoer per water of door buisleidingen in plaats van vervoer per spoor door de stad. Het uitvoeringsbeleid hanteert de lijn dat nieuwe overschrijdingen van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico slechts met expliciete toestemming van het bevoegd gezag kan worden toegestaan. Reeds bekende overschrijdingen langs de A10 Zuid en West worden vooralsnog verantwoord geacht omdat er met het Rijk maatregelen zijn overeengekomen ter reductie van de risico´s.

Om de risico's voor kwetsbare, minder zelfredzame groepen (kinderen, ouderen, zieken) te verminderen is het niet wenselijk dat deze groepen te dichtbij risicobronnen verblijven. Deze groepen zijn minder

Gemeente Amsterdam

blz. 32

zelfredzaam in geval van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Concreet betekent dit dat in nieuwe ruimtelijke plannen een strook langs transportassen met structureel vervoer van gevaarlijke stoffen (rijkswegen 80 meter, enkele spoortrajecten 100 meter, hogedruk aardgasleidingen circa 25 tot 175 meter) en rond risicobedrijven wordt vrijgehouden van nieuwe kwetsbare, minder zelfredzame groepen. Afwijking is mogelijk mits door het bevoegd gezag expliciet is toegestaan. 5.5.4

Besluitgebied

De nieuwe steigers blijven buiten het explosieaandachtsgebied, maar komen wel deels binnen het gifwolkaandachtsgebied. Onderstaande afbeelding geeft de ligging van het plangebied weer ten opzichte van nabij gelegen risicobronnen. De bestaande steigers zijn weergegeven.

Afbeelding 5.5.1: Uitsnede risicok aart en ligging plangebied (bron: risicokaart.nl) Wanneer de steigers conform de huidige regeling uit het Omgevingsplan worden gerealiseerd, liggen ongeveer 6 ligplaatsen binnen het Explosieaandachtsgebied (EAG). Door het verleggen van de steigers liggen er minder (ongeveer 2) ligplaatsen binnen het EAG. De wijziging van de steigers van de Oude Houthaven zorgt voor een afname van ligplaatsen binnen het EAG. Een deel van de ligplaatsen ligt binnen het gifwolkaandachtgebied (GAG). Officieel geldt het GAG echter nog niet, deze gaat waarschijnlijk vanaf januari 2026 gelden. Voor bouwwerken in het GAG geldt de bouwmaatregel dat het pand voorzien is van handmatig afsluitbare ventilatie. De handmatig afsluitbare ventilatie is een standaard bouwmaatregel. Ook bouwwerken buiten het GAG moeten hierover beschikken.

bestemmingsplan_TAM-Omgevingsplan H22K Oude Houthaven 1e wijziging (vastgesteld)

blz. 33

Conclusie Het TAM-omgevingsplan is uitvoerbaar op het aspect omgevingsveiligheid.

5.6

Bodem en ondergrond

5.6.1

Wettelijk kader

In het kader van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties dient voorkomen worden dat bodemgevoelige activiteiten op verontreinigde grond plaats vinden. Gelet hierop bevat paragraaf 5.1.4.5.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) instructieregels voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie. Een bodemgevoelige locatie is: 1. een locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit; 2. een onmiddellijk aan een bodemgevoelig gebouw grenzende aaneengesloten tuin of een daaraan grenzend aaneengesloten terrein. Een bodemgevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn of een woonschip of woonwagen, met uitzondering van een bijbehorend bouwwerk van ten hoogste 50 m2. Gelet op artikel 5.89j van het Bkl moeten bij het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie de waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit in acht genomen worden. Bij overschrijding van die waarden mag alleen gebouwd worden als sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen.

Deze beoordeling vindt plaats in het kader van de verlening van de omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken (zie hiervoor de artikelen 22.29 en 22.30 van het omgevingsplan evt aanpassen na vaststelling basisregeling). Desalniettemin dient bij de toelating van een bodemgevoelig gebouw aannemelijk te zijn dat de vergunning verleend kan worden en dat het plan financieel uitvoerbaar is. Daarom moet voorafgaand aan de vaststelling van de wijziging van het omgevingsplan (al dan niet dossier-) onderzoek worden gedaan naar de bodemkwaliteit in het besluitgebied. Bij een geconstateerde (potentiële) verontreiniging moet in verband met de uitvoerbaarheid van de wijziging van het omgevingsplan tevens in kaart worden gebracht welke maatregelen nodig zijn om het beoogde gebruik van de gronden te kunnen realiseren. 5.6.2

Bodemkwaliteitskaart gemeente Amsterdam

Op grond van de Wet bodembescherming en het Besluit bodemkwaliteit heeft de gemeenteraad de Nota bodembeheer Amsterdam en de daarbij horende bodemkwaliteitskaart vastgesteld. De Nota bodembeheer bevat onder meer het gebiedsspecifiek beleid voor het toepassen van grond en baggerspecie. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is de wettelijke grondslag van die besluiten vervallen. Om een rechtsvacuüm te voorkomen voorziet artikel 22.1, onder b, van de Omgevingswet erin dat het gebiedsspecifiek beleid en de bijbehorende kaarten onderdeel uitmaken van het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Op termijn worden deze kaarten en besluiten omgezet naar het nieuwe deel van het omgevingsplan. Bijlage 3A bij de Nota bodembeheer is de zonekaart waarin verschillende zones zijn gedefinieerd op basis van bodemkwaliteit en ophooggeschiedenis. Elke bodemkwaliteitszone heeft een bepaalde kwaliteit, die consequenties heeft voor het toegestane grondverzet en de kwaliteit van de grond die er op

Gemeente Amsterdam

blz. 34

mag worden aangebracht, afhankelijk van de bodemfunctie.

Afbeelding 5.6.1: uitsnede bodemk waliteitskaart gemeente Amsterdam Zones 1 en 2 op de bodemkwaliteitskaart hebben betrekking op locaties met een relatief schone bodem. Voorafgaand het bouwen van een bodemgevoelige gebouw is in deze zones in principe een vooronderzoek (dossieronderzoek) voldoende, tenzij dat onderzoek aanleiding geeft voor het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek. 5.6.3

Besluitgebied

De voorgenomen bouw van de steigers vindt plaats in gebied dat niet in kaart is gebracht op de Bodemkwaliteitskaart (de steigers liggen in het water). Er vinden voor het plaatsen van de steigers geen substantiële bodemingrepen plaats en er worden ligplaatsen mogelijk gemaakt. Het aspect bodem hoeft daardoor niet verder inzichtelijk gemaakt te worden. 5.6.4

Niet gesprongen explosieven

Niet-gesprongen explosieven zijn ontplofbare oorlogsresten, bijvoorbeeld uit de Eerste of Tweede Wereldoorlog. Ze leveren een gevaar op als ze verplaatst of aangeraakt worden bij graaf- of baggerwerkzaamheden. In Amsterdam wordt de NGE-bodembelastingskaart bijgehouden. NGE staat voor Niet Gesprongen Explosieven. Op deze 'bommenkaart' is te zien waar mogelijk oude vliegtuigbommen (blindgangers) uit WOII in de bodem zitten. Deze informatie is van belang voor het inplannen of uitvoeren van grootschalige (grond)werkzaamheden. Wanneer een gebied als 'verdacht' is aangemerkt is een uitgebreid bodemonderzoek nodig, tenzij de grond sinds 1945 geroerd is of nieuwe grondlagen zijn aangebracht.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16523755/1