Bijlage 2b. TAM-Omgevingsplan H22K Oude Houthaven 1e wijziging_Toelichting.pdf
Tekst van het document
bestemmingsplan_TAM-Omgevingsplan H22K Oude Houthaven 1e wijziging (vastgesteld)
blz. 35
Besluitgebied De projectlocatie is op de bommenkaart gemeente Amsterdam aangewezen als verdacht gebied voor afwerpmunitie.
Afbeelding 5.6.2: uitsnede bommenkaart Amsterdam (bron: data.amsterdam.nl) In verband met de mogelijke aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten (er kan afwerpmunitie met een gewicht van 250 of 500 lbs in de waterbodem voorkomen) heeft T&A Survey B.V., in opdracht van de gemeente Amsterdam, een Notitie Explosieven opgesteld. Geconcludeerd wordt dat werkzaamheden regulier uitgevoerd kunnen worden bij de delen waar tijdens WOII een waterkolom van minimaal 8 m aanwezig was en waar de waterbodem naoorlogs 1.5 m is afgegraven. Waar de waterhoogte minder dan 4 m bedroeg tijdens WOII wordt aanbevolen nader onderzoek uit te laten voeren door een gecertificeerd opsporingsbedrijf.
Gemeente Amsterdam
blz. 36
Afbeelding 5.6.3: nader te onderzoeken gebied Het verdachte gebied met een diepte van minder dan 4 meter is in bovenstaande afbeelding aangegeven met een arcering. De volledige notitie is opgenomen als Bijlage 6. Het nader onderzoek zal voorafgaand aan de daadwerkelijke bouwwerkzaamheden uitgevoerd moeten worden.
5.7
Water
5.7.1
Regelgeving
Instructieregels Besluit kwaliteit leefomgeving Artikel 5.37 van het Besluit kwaliteit leefomgeving schrijft voor dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Daarbij worden, voor een duiding van die gevolgen, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Op grond van dit artikel dient afstemming plaats te vinden met de waterbeheerder (Rijk, provincie, waterschap of gemeente). De verplichte weging van waterbelangen in afstemming met de waterbeheerder wordt ook 'watertoets' genoemd. In verband met de waterveiligheid bepaalt artikel 5.38 van het Besluit kwaliteit leefomgeving dat een bestemmingsplan_TAM-Omgevingsplan H22K Oude Houthaven 1e wijziging (vastgesteld)
blz. 37
omgevingsplan moet waarborgen dat er geen belemmeringen ontstaan voor de instandhouding, het onderhoud of de versterking van de primaire waterkering. Omgevingsverordening provincie Noord-Holland De provincie heeft als taak de kwaliteit van het grondwater te beschermen in grondwaterbeschermingsgebieden (artikel 2.18 Omgevingswet). In de omgevingsverordening moet de provincie daarom regels opnemen voor het beschermen van de kwaliteit van het grondwater. De grondwaterbeschermingsgebieden liggen buiten het grondgebied van de gemeente Amsterdam. Op grond van artikel 6.84 van de Omgevingsverordening NH2022 moet het omgevingsplan voorzien in regels die waterkerende activiteiten beschermen. In principe zijn in het werkingsgebied van de regionale waterkeringen – de beschermingszone - op grond van artikel 6.85 geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk. Alleen in overeenstemming met de waterbeheerder en de provincie is dit mogelijk. Onderstaande afbeelding geeft de regionale waterkeringen aan. Het TAM-omgevingsplan maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk binnen werkingsgebieden van regionale waterkeringen dan wel de beschermingszone van dergelijke keringen.
Waterschapsverordening In de Waterschapsverordening zijn regels gesteld over onder meer de compensatie van verhard oppervlak in verband met het verlies aan waterberging in de bodem en de verhoogde afvoer van hemelwater op het oppervlaktewater. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient voldoende waterberging te worden aangelegd, zodat dit niet afgewenteld wordt op de omgeving. Daarom dient waterneutraal te worden gebouwd. Voldoende compenserende maatregelen dienen hiertoe getroffen te worden. Een maatwerkberekening is vereist waar het om een aanzienlijke verharding gaat, om de benodigde waterbergingscapaciteit te kwantificeren. Standaard wordt gecompenseerd in vergroting van het wateroppervlak. Maar als gevolg van verdere verstedelijking neemt de druk op de openbare ruimte toe waardoor de openbare ruimte vaak multifunctioneel wordt benut. Hierdoor is de ruimte beperkt om waterberging te realiseren. Er zijn vormen van waterberging ontwikkeld die een alternatief kunnen vormen voor het realiseren van extra oppervlaktewater. De beleidsregels van het hoogheemraadschap geven ruimte aan de toepassing van deze andere vormen van waterberging. In de Waterschapsverordening Amstel, Gooi en Vecht, artikel 2.4 lid 1, is bepaald dat het verboden is zonder omgevingsvergunning het verhard oppervlak in stedelijk gebied uit te breiden met meer dan 1.000m2.
In artikel 2.5 lid 1 van de verordening is bepaald dat de toename van de afvoer van hemelwater vanaf verhard oppervlak op het watersysteem wordt gecompenseerd door open water met een omvang van 10% van de uitbreiding van het verhard oppervlak. Voorliggend TAM-omgevingsplan leidt niet tot een toename van verhard oppervlak, dan wel een toename van de afvoer van hemelwater vanaf verhard oppervlak. Overige vergunningplichtige activiteiten Voor activiteiten in en rondom beperkingengebieden zoals bijvoorbeeld een oppervlaktewaterlichaam,
Gemeente Amsterdam
blz. 38
een waterkering of dijklichaam, het aanleggen van een bouwwerk, maar ook het onttrekken van grondwater is een omgevingsvergunning van het waterschap vereist. 5.7.2
Besluitgebied
Onderstaande afbeelding geeft de grens van het beheersgebied van Waterschap AGV weer.
Afbeelding 5.7.1: beheersgebied waterschap AGV (bron: waterschap AGV) Het besluitgebied valt buiten het beheersgebied van het waterschap Amstel Gooi en Vecht (AGV). Het Havenbedrijf (Nautisch beheer) voert namens Rijkswaterstaat het beheer uit. Waterkeringen Het TAM-omgevingsplan maakt het niet mogelijk dat activiteiten worden uitgeoefend binnen – of in een gebied nabij een waterkering. De nieuwe steigers worden in de Oude Houthaven gerealiseerd. Waterberging Het TAM-omgevingsplan leidt niet tot een toename van verharding. Compensatie is niet noodzakelijk. Gebruik materialen
bestemmingsplan_TAM-Omgevingsplan H22K Oude Houthaven 1e wijziging (vastgesteld)
blz. 39
Voor de bouw van de steigers worden geen materialen gebruikt die de kwaliteit van het regen- en oppervlaktewater negatief beïnvloeden, zoals uitloogbare materialen als koper, zink, lood of geïmpregneerd hout.
Grondwater Er is geen sprake van onderkeldering van gebouwen of bouwwerken. Het laten uitvoeren van geohydrologisch onderzoek is niet aan de orde. Ondergrondse gebouwen Het TAM-omgevingsplan maakt geen ondergrondse bebouwing mogelijk. Waterkwaliteit Het TAM-omgevingsplan leidt niet tot een verslechtering van de waterkwaliteit. Bij de realisatie van de steigers worden niet uitlogende materialen gebruikt.
5.8
Ecologie
5.8.1
Algemeen
Bij ruimtelijke ontwikkelingen en projecten moet rekening worden gehouden met (beschermde) natuurwaarden in de omgeving. Het toegelaten gebruik mag er namelijk niet toe leiden dat hierdoor te beschermen waarden van een bepaald gebied of bepaalde planten- en diersoorten worden aangetast. Het wijzigen van het omgevingsplan kan gevolgen hebben voor natuurgebieden waarvoor op grond van nationale of internationale regelgeving of nationaal of gemeentelijk beleid een speciaal beschermingsregime geldt. Dit noemen we gebiedsbescherming. Deze gebieden hoeven overigens niet in het besluitgebied zelf te liggen. Activiteiten in een besluitgebied kunnen namelijk negatieve gevolgen op een gebied (ver) daarbuiten hebben. Dit heet externe werking. Bij alle plannen/projecten in parken, groengebieden, de Hoofdgroenstructuur en NNN wordt in een vroegtijdig stadium een ecoloog geraadpleegd. Daarnaast kunnen individuele dier- en plantensoorten bescherming genieten ongeacht waar zij voorkomen (soortenbescherming). Zowel met gebieds- als soortenbescherming moet rekening worden gehouden bij de vaststelling van het omgevingsplan. 5.8.2
Beleid en regelgeving
Natura 2000 Op grond van de Vogel- en van de Habitatrichtlijn zijn door de Europese lidstaten gebieden aangewezen die onderdeel uitmaken van de Europese ecologische hoofdstructuur, ook wel Natura 2000-gebieden genoemd. Voor die gebieden geldt een zware bescherming en zijn doelstellingen voor de daar voorkomende beschermde planten- of diersoorten vastgesteld. Indien een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt, moet worden onderzocht of de ontwikkeling significante negatieve effecten heeft op de soorten en/of habitattypen waar doelstellingen voor zijn. Sommige negatieve effecten, zoals die van stikstof, kunnen ver reiken. De natuurbeschermingswetgeving vereist dat het zeker moet zijn dat significant nadelige effecten op Natura 2000-gebieden als gevolg van het plan of project uitgesloten zijn, voordat toestemming verleend wordt voor dat plan of project. Als het niet op voorhand zeker is dat dergelijke effecten uitgesloten zijn,
Gemeente Amsterdam
blz. 40
moet een zogenoemde passende beoordeling opgesteld worden en bij Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Holland (namens deze: de Omgevingsdienst Noord-Holland-Noord) een omgevingsvergunning worden aangevraagd voor een Natura2000-activiteit. Als uit de passende beoordeling blijkt dat die effecten ook niet met te treffen maatregelen kunnen worden uitgesloten, dan moet de zogenoemde ADC-toets worden doorlopen: er zijn geen Alternatieven, er is sprake van Dwingende redenen van openbaar belang en er vindt Compensatie plaats. Dit moet in het te nemen besluit gemotiveerd worden. Natuurnetwerk Nederland Voor heel Nederland zijn natuurgebieden met verbindingszones vastgelegd. Dit Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een belangrijk middel om de hoofddoelstelling van het natuurbeleid te bereiken: natuur en landschap behouden, versterken en ontwikkelen, als essentiële bijdrage aan een leefbaar Nederland en een duurzame samenleving. Het NNN moet er onder meer toe bijdragen dat afspraken over het behoud en het herstel van biodiversiteit worden nagekomen. De verbindingen zijn grensoverschrijdend, als je uitzoomt zie je dat de verbindingen in Europa met elkaar zijn verbonden, zodat diersoorten zich vrij kunnen bewegen en vermengen over Europa en de grote natuurgebieden kunnen bereiken.
Provinciale Staten van Noord-Holland hebben op grond van artikel 7.6 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in de provincie Noord-Holland gebieden aangewezen als NNN en als natuurverbindingen die onmisbaar zijn voor het volwaardig functioneren van het NNN. Beschermde soorten Vrijwel alle in Nederland in de vrije natuur voorkomende flora en fauna is beschermd. Soortenbescherming is een onderdeel van de Omgevingswet en Besluit activiteiten leefomgeving. De soortenbescherming geldt zowel binnen als buiten speciaal beschermde natuurgebieden. Met verschillende wetsinstrumenten is het mogelijk om te zorgen voor de bescherming van flora en fauna. Dit voorkomt achteruitgang van de biodiversiteit. Dit betekent onder meer dat het verboden is om vogels, zoogdieren, amfibieën, reptielen en een aantal vissoorten te verstoren, te vangen of te doden en dat het verboden is om hun rust-, verblijfs-, en nestplaatsen uit te halen of te vernielen. Wilde planten mogen niet worden uitgestoken. Hoofdgroenstructuur De Hoofdgroenstructuur bevat de minimaal benodigde hoeveelheid stedelijk groen en bijbehorende waterstructuren. Het gaat om bestaand groen met een wijkoverstijgende functie. Daarnaast kan de waarde van een groengebied een reden zijn om het aan de Hoofdgroenstructuur toe te voegen. Denk hierbij aan waarde voor een klimaatbestendige stad, voor de gezondheid of voor de natuur.
Om een groen netwerk te realiseren zijn verbindingen nodig. Daarom vallen ook die onder de Hoofdgroenstructuur. Op de toetskaart in het beleidskader staan alle bestaande groengebieden ingetekend die tot de Hoofdgroenstructuur behoren. Om de diversiteit van het groen te bewaken wordt gewerkt met zogenaamde 'groentypen'. In het ene groentype kan meer dan in het andere groentype. Zo biedt een stadspark gericht ruimte aan voorzieningen om te wandelen, fietsen, sporten en spelen of elkaar te ontmoeten, naast groene attracties zoals een natuurpad, bloemweide, rosarium of kruidentuin. In een natuurpark draait het juist om beleving van natuur en stilte. Beschermen en bevorderen van de natuurwaarden en biodiversiteit zijn hier het meest belangrijk. De groenfunctie van de Hoofdgroenstructuur wordt streng 'bewaakt': alleen plannen of initiatieven die zorgen voor een verbetering van de Hoofdgroenstructuur zijn toegestaan. Initiatieven die daarentegen een aantasting ervan vormen niet.
bestemmingsplan_TAM-Omgevingsplan H22K Oude Houthaven 1e wijziging (vastgesteld)
blz. 41
5.8.3
Besluitgebied
5.8.3.1 Ecologie Staro BV heeft in opdracht van de gemeente Amsterdam een Quickscan natuur uitgevoerd. In deze paragraaf is een samenvatting van de onderzoeksresultaten opgenomen. Het volledige onderzoek is opgenomen als Bijlage 4.
Natura 2000-gebieden Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt op ongeveer 5 km afstand. Het besluitgebied ligt buiten Natura 2000-gebied. Effecten kunnen uitsluitend optreden als gevolg van externe werking. Via een AERIUS-berekening zijn eventuele effecten berekend. Voor de uitkomst van deze berekening wordt verwezen naar subparagraaf 5.8.3.1 Uitkomsten Stikstofdepositieonderzoek.
Natuurnetwerk Nederland Het besluitgebied maakt geen onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Gezien de relatief grote afstand tussen het projectgebied en het NNN en de aard van de voorgenomen werkzaamheden is het uit te sluiten dat de voorgenomen werkzaamheden een negatief effect hebben op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN.
Hoofdgroenstructuur Het besluitgebied maakt geen onderdeel van de Hoofdgroenstructuur. Het dichtstbijzijnde gebied dat deel uitmaakt van de hoofdgroenstructuur ligt op circa 350 meter afstand ten oosten van het projectgebied. Dit betreft het Stenenhoofd. Het projectgebied behoort niet tot de hoofdgroenstructuur van gemeente Amsterdam. Het is daarom uit te sluiten dat de voorgenomen werkzaamheden een negatief effect hebben op de op de hoofdgroenstructuur van gemeente Amsterdam.
Ecologische structuur Het besluitgebied maakt geen onderdeel uit van de Ecologische structuur. Het is daarom uit te sluiten dat de werkzaamheden een negatief effect hebben op de ecologische structuur van gemeente Amsterdam. De werkzaamheden zorgen niet voor het ontstaan van knelpunten. Bij dit project zijn geen mogelijkheden om bestaande knelpunten op te heffen.
Hoofdbomenstructuur Binnen het besluitgebied komen geen bomen voor die onderdeel zijn van de Hoofdbomenstructuur. Negatieve effecten door uitvoering van de werkzaamheden ten aanzien van de Hoofdbomenstructuur zijn uitgesloten.
KRW Oppervlaktewaterlichamen Het water in het besluitgebied is aangewezen als KRW-oppervlaktewaterlichaam. Het project dat met voorliggend TAM-plan mogelijk wordt gemaakt, kan invloed hebben op de kwaliteit van het oppervlaktewater en de ecologische toestand. Door de werkzaamheden en de verwijdering van de oude Gemeente Amsterdam
blz. 42
steigers zal waterflora met daaraan verbonden waterfauna worden vernietigd en mogelijk grond worden omgewoeld. Hierdoor zal ook habitat van de voorkomende vissen veranderen en tijdelijk verdwijnen. Door het plaatsen van de nieuwe steigers zal grond worden omgewoeld, waardoor vertroebeling van het water zal ontstaan. Na afronding van de werkzaamheden zal de situatie herstellen en vergelijkbaar zijn met de huidige situatie.
Beschermde soorten In het besluitgebied komen mogelijk verschillende soorten voor die zijn beschermd. Voor verschillende beschermde vaatplanten (muurflora) is er geschikte habitat. De muurflora groeit op en uit de kademuur. Mogelijk gaat beschermde habitat verloren op de plekken waar de nieuwe steigers aan de kademuur worden bevestigd. Zodra duidelijk is op welke wijze de werkzaamheden uitgevoerd zullen worden en in hoeverre mogelijk beschermde muurflora verloren gaat, zal een ecologisch deskundige de kademuur inspecteren op aanwezige beschermde muurflora. Indien beschermde muurflora verloren gaat, zal deze gespaard moeten worden of verplant worden naar een geschikte locatie. Het water in het projectgebied kan als foerageergebied gebruikt worden door vleermuizen. De geplande werkzaamheden zullen een tijdelijk negatief effect hebben op het foerageergebied. In de directe omgeving is echter genoeg ander geschikt foerageergebied. Na afronding van de werkzaamheden is het projectgebied weer geschikt als foerageergebied. Tevens kan verstoring van foeragerende vleermuizen binnen het projectgebied plaatsvinden door gebruik van (extra) kunstlicht bij uitvoering van de werkzaamheden en wanneer in de nieuwe situatie extra verlichting wordt geplaatst. Tijdens de werkzaamheden kunnen er geschikte omstandigheden ontstaan voor rugstreeppadden.
Van belang is dat dit wordt vermeden door zandhopen af te dekken en geen ondiepe waterplassen in het terrein te laten liggen. Deze maatregel dient te worden geborgd in een Ecologisch Werkprotocol. Zodra de werkzaamheden concreet zijn, is een nader onderzoek naar de aanwezigheid van muurflora noodzakelijk. Middels dit onderzoek kunnen de mogelijk negatieve effecten op beschermde muurflora in kaart worden gebracht. Indien uit het nader onderzoek blijkt dat voorafgaand aan de werkzaamheden een vergunning van de Omgevingswet moet worden verkregen, dient een aanvraag voor een omgevingsvergunning bij het Omgevingsloket te worden ingediend. Bij de aanvraag dient ook een mitigatieplan/activiteitenplan ingediend te worden. Hierin staat onder andere welke mitigerende en compenserende maatregelen genomen zullen worden. Het TAM-omgevingsplan staat het uitvoeren van mitigerende en compenserende maatregelen niet in de weg. 5.8.3.2 Stikstofdepositieonderzoek Els & Linde heeft in opdracht van de gemeente Amsterdam stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd (zie Bijlage 5). Het onderzoek is uitgevoerd voor de Natura 2000-gebieden Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld en Twiske (afstand 4,5 km) en Polder Westzaam (afstand 7,1 km). Overige Natura 2000-gebieden liggen op grotere afstand van het perceel.
bestemmingsplan_TAM-Omgevingsplan H22K Oude Houthaven 1e wijziging (vastgesteld)
blz. 43
Zowel de bouwfase als de gebruiksfase zijn onderzocht. Uit de berekeningen volgt dat er zowel tijdens de bouwfase als de gebruiksfase geen verhoogde depositie ontstaat op Natura 2000-gebieden. Een vergunning is niet nodig.
5.9
Cultuurhistorie en archeologie
5.9.1
Algemeen
Cultureel erfgoed is overal in onze samenleving aanwezig. In musea, historische binnensteden en in het landelijk gebied. Maar ook in de bodem en onder water. En als immaterieel erfgoed in tradities, rituelen en verhalen. Het vertelt over waar we vandaan komen, wie wij zijn en hoe we ons ontwikkelen. Cultureel erfgoed is als onderdeel van de fysieke leefomgeving medebepalend voor de kwaliteit van die leefomgeving. Het gaat hierbij om bekende of aantoonbaar te verwachten overblijfselen, voorwerpen of andere sporen van menselijke aanwezigheid in het verleden en de terreinen waarin of waarop deze zich bevinden (archeologische monumenten) en andere door de mens tot stand gebrachte of in wisselwerking tussen de mens en omgeving ontstane objecten, ensembles, patronen en structuren (gebouwde en aangelegde monumenten, stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen), die onderdeel uitmaken van onze fysieke leefomgeving en een beeld geven van een historische situatie of ontwikkeling. Cultureel erfgoed bepaalt in hoge mate de identiteit en de omgevingskwaliteit van Amsterdam en biedt aanknopingspunten voor toekomstige ontwikkelingen. De cultuurhistorisch rijke en bijzondere woonomgeving is bepalend voor hoe bewoners en bezoekers de stad beleven.
Door de eeuwen heen zijn unieke plekken ontstaan die ieder op eigen wijze bijdragen aan de kwaliteit van de stad en waarmee mensen zich verbonden voelen. Niet alleen de beschermde stadsgezichten zoals de grachtengordel. Plan Zuid van H.P. Berlage, een deel van de Westelijke Tuinsteden, de tuin- en dijkdorpen en de vele gebouwde monumenten in de stad hebben cultuurhistorische waarde. Ook historische landschappelijke structuren en elementen zoals waterwegen, dijken en archeologische resten in de bodem zijn waardevol. Hetzelfde geldt voor de ruimtelijke opbouw van Amsterdam als lobbenstad, gelegen te midden van waardevolle cultuurlandschappen. Ten slotte is ook de rijke traditie van integraal stedenbouwkundig ontwerpen in Amsterdam een vorm van (immaterieel) erfgoed. 5.9.2
Regelgeving
De Omgevingswet en de uitvoeringsregels (AMvB's en Omgevingsregeling) regelen waar het gaat om het behoud van cultureel erfgoed bepaalde zaken landelijk, maar de toepassing en uitvoering van de regelgeving vinden veelal lokaal plaats, in het omgevingsplan. Het omgevingsplan beziet alle aspecten van de fysieke leefomgeving op integrale wijze, inclusief cultureel erfgoed en is daarmee het eerst aangewezen instrument om uitvoering te geven aan behoud van cultureel erfgoed. De vrijheid om daar op lokaal niveau een eigen invulling aan te geven, wordt ingekaderd door de Omgevingswet en de AmvB's (bijvoorbeeld het daarin gehanteerde begrippenkader en de instructieregels), provinciale instructieregels en instructiebesluiten van het Rijk of de provincie. Artikel 5.130 van het Bkl bepaalt dat in een omgevingsplan rekening moet worden gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. Het rekening houden met cultureel erfgoed betekent dat het bevoegd gezag een analyse moet maken van het aanwezige cultureel erfgoed en de conclusies daarvan moet vertalen in het omgevingsplan. Het bevoegd gezag moet daartoe een toereikend beschermingsregime instellen. Dit vertaalt zich over het
Gemeente Amsterdam
blz. 44
algemeen in regels in het omgevingsplan die ertoe kunnen leiden dat bepaalde activiteiten in het geheel niet kunnen plaatsvinden of dat activiteiten slechts onder beperkingen kunnen plaatsvinden. Die beperkingen kunnen in de vorm van voorschriften aan een in het omgevingsplan opgenomen omgevingsvergunning worden verbonden. 5.9.3
Te beoordelen aspecten
5.9.3.1 Archeologie De bodem van Amsterdam zit vol met overblijfselen uit het verleden. Bijzondere schatten die verbonden zijn met het allereerste begin van Amsterdam en daardoor behoren tot het collectief geheugen van de stad en haar inwoners. De gemeente heeft de wettelijke verplichting om archeologische belangen mee te wegen in bouwprocessen en stedelijke ontwikkeling, en om onderzoek in te passen. Dit was reeds op grond van de Erfgoedwet voorgeschreven en in de Omgevingswet is dit nog een keer benadrukt, met de toevoeging dat de archeologische verwachting goed onderbouwd moet zijn.In de Omgevingswet wordt in de begripsbepalingen voor de definitie van archeologisch monument verwezen naar artikel 1.1 van de Erfgoedwet. Een archeologische toevalsvondst van algemeen belang is onder de Omgevingswet een “onverwachte vondst in of op de bodem, anders dan bij het doen van opgravingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet, voor zover evident of vermoedelijk van algemeen belang uit het oogpunt van de archeologische monumentenzorg”. Gemeenten moeten in het omgevingsplan rekening houden met bekende archeologische monumenten en met aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. Aantoonbaar te verwachten betekent dat de mogelijkheid tot het aantreffen van een archeologisch monument goed onderbouwd moet zijn.
Besluitgebied Voor het plangebied geldt uitzondering van archeologisch onderzoek bij ingrepen in de waterbodem kleiner dan 10.000 m2 (BO 09-082 Westerpark Noord, september 2009). Indien de voorgenomen bodemingreep uitsluitend bestaat uit het aanbrengen van funderingspalen voldoet het project aan dit vrijstellingscriterium. Mocht echter een aaneengesloten oppervlak groter dan 10.000 m2 worden verstoord (bijvoorbeeld door baggerwerkzaamheden), dan dient de opdrachtgever een bureauonderzoek te overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein nader wordt vastgesteld. Hiernaast geldt conform de Monumentenwet een meldingsplicht. Indien tijdens de uitvoering van werkzaamheden sporen en/of vondsten ouder dan vijftig jaar worden aangetroffen wordt dit aan Monumenten en Archeologie gemeld zodat in overleg met de opdrachtgever maatregelen getroffen worden tot documentatie en berging van de vondsten. 5.9.3.2 Cultuurhistorie Voorliggend TAM-omgevingsplan valt niet binnen beschermd stads- of dorpsgezicht. Daarnaast ziet het plan alleen op het realiseren van steigers ten behoeve van ligplaatsen voor schepen. Ook maakt dit plan mogelijk dat een beperkt aantal woonschepen met afwijkende maatvoering een ligplaats inneemt.
5.10
Duurzaamheid en klimaatadaptatie
Er wordt duurzaam gebouwd met keurmerk 100% FSC hout, dat als regulier materiaal voor steigerdek wordt gebruikt in Amsterdam.
bestemmingsplan_TAM-Omgevingsplan H22K Oude Houthaven 1e wijziging (vastgesteld)
blz. 45
Hoofdstuk 6 6.1
Juridische toelichting
Omgevingsplan
Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden en sindsdien heeft de gemeente één omgevingsplan voor het hele grondgebied. Het omgevingsplan bestaat onder andere uit alle bestemmingsplannen. Het omgevingsplan kan worden gewijzigd. Bij een wijziging van het omgevingsplan moeten de STOP-TPOD (Standaard voor officiële publicaties en Toepassingsprofielen omgevingsdocumenten) standaarden gehanteerd te worden. Omdat het vooralsnog niet mogelijk is het omgevingsplan te wijzigen middels STOP-TPOD, kan gebruik gemaakt worden van TAM-IMRO (Tijdelijke Alternatieve Maatregel - InformatieModel Ruimtelijke Ordening) om het omgevingsplan te wijzigen. De TAM-IMRO wijziging omgevingsplan maakt juridisch onderdeel uit van het omgevingsplan.
6.2
Artikelsgewijze toelichting
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1 Algemeen regelt in lid 1.1 sub a dat dit TAM-omgevingsplan onderdeel is van het Omgevingsplan Amsterdam. In sub b is geregeld dat dit TAM-omgevingsplan niet het gehele onderliggende bestemmingsplan vervangt, maar slechts een beperkt aantal artikelen. De overige artikelen uit het onderliggende bestemmingsplan Oude Houthaven blijven van toepassing. Artikel 2 Begripsbepalingen bevat de begripsbepalingen, die in aanvulling op het omgevingsplan Amsterdam, van toepassing zijn. Hoofdstuk 2 Ruimtelijke regels over het gebruik van gronden en bouwwerken De regels in dit hoofdstuk zijn deels in aanvulling en deels ter vervanging van regels uit het omgevingsplan Amsterdam. De regels in dit hoofdstuk hebben betrekking op het toegestane gebruik van locaties en het gebruik van gronden en bouwwerken. De regels uit Artikel 3 Water zijn bedoeld ter vervanging van de regels over maatvoering uit het bestemmingsplan Oude Houthaven. Dit artikel maakt het mogelijk dat op een aantal ligplaatsen woonschepen met een afwijkende maatvoering zijn toegestaan (artikel 3.1 lid b). De ligplaatsen met afwijkende maatvoering die voorliggend plan mogelijk maakt zijn alleen bedoeld voor woonschepen die deel uitmaken van het verdeelproces ligplaatsen Houthavengebied.
Hoofdstuk 3 Slotbepaling, bevat in Artikel 4 Slotbepaling de bepaling hoe het TAM-omgevingsplan moet worden aangehaald.
Gemeente Amsterdam
blz. 46
bestemmingsplan_TAM-Omgevingsplan H22K Oude Houthaven 1e wijziging (vastgesteld)
blz. 47
Hoofdstuk 7 7.1
Uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid
De kosten voor het plan worden gedragen door de gemeente Amsterdam. De economische uitvoerbaarheid is hiermee verzekerd.
7.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
7.2.1
Participatie
De gemeente vindt het belangrijk om het TAM-omgevingsplan goed te laten aansluiten bij de plannen voor het bouwen van nieuwe steigers. De nieuwe steigers moeten ook gebruikt kunnen worden voor de schepen met iets grotere afmetingen die nu ook al in de Oude Houthaven liggen afgemeerd. Er is zodoende gekozen voor een vorm van participatie die gericht is op informeren over de procedure om tot wijziging van het omgevingsplan te komen. Daarnaast kan iedereen reageren met een zienswijze op het ontwerp omgevingsplan. Bijgesloten participatieplan geeft meer inzicht op de voorgenomen participatie, zie Bijlage 7. 7.2.2
Adviespartners
TAM-Omgevingsplan H22K Oude Houthaven 1e wijziging is aan verschillende adviespartners toegezonden, waaronder: Havenbedrijf Amsterdam Waterschap AGV V&OR/ stedelijk beheer Amsterdam De adviespartners hebben geen opmerkingen bij het TAM-Omgevingsplan H22K Oude Houthaven 1e wijziging. 7.2.3
Ter inzage legging en zienswijzen
Na vrijgave ligt het ontwerp TAM-Omgevingsplan H22K Oude Houthaven 1e wijziging voor zes weken ter inzage. Binnen deze zes weken kan iedereen zienswijzen indienen. Dit kan schriftelijk of mondeling.
Gemeente Amsterdam