CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2b. TAM-omgevingsplan H22J De Houthaven 2013 1e wijziging_Toelichting.pdf

RAAD 19 februari 2026, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Vaststellen van het TAM-omgevingsplan H22J De Houthaven 2013 1e wijziging (VN2025-018682)11.978 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

71 alinea's met “omgevingsplan”: 3 17 37 45 50 55 56 58 59 62 65 69 75 78 81 84 85 87 90 100 103 104 107 118 126 132 137 141 151 159 161 166 167 173 177 178 179 182 187 192 …

Bestemmingsplan TAMOmgevingsplan H22J De Houthaven 2013 1e Wijziging

Vastgesteld

Gemeente Amsterdam Ruimte en Duurzaamheid bestemmingsplan TAM-omgevingsplan H22J De Houthaven 2013 1e wijziging

Colofon

Opdrachtgever Opdrachtnemer

Ruimte en Duurzaamheid

IMRO_idn

NL.IMRO.0363.E2410OPGST-VG01

Datum print

9 December 2025

Planstatus

vastgesteld

blz. 3

Inhoudsopgave Toelichting Hoofdstuk 1 1.1 1.2 1.3 1.4 Hoofdstuk 2 2.1 2.2 2.3 Hoofdstuk 3 3.1 3.2 3.3 Hoofdstuk 4 4.1 Hoofdstuk 5 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6 5.7 5.8 5.9 5.10 Hoofdstuk 6 6.1 6.2 Hoofdstuk 7 7.1 7.2

5 Inleiding

7

Aanleiding Doel wijziging omgevingsplan Bevoegdheden Leeswijzer

7 7 8 8

Het plankader

9

Ligging en begrenzing besluitgebied Beschrijving huidige situatie Geldend juridisch planologisch kader

9 10 10

Beleid en regelgeving

13

Rijksbeleid Provinciaal beleid Gemeentelijk beleid - Stedelijke kaders

13 15 16

Het ruimtelijke kader

19

Stedenbouwkundige aspecten

19

Omgevingsaspecten

21

Milieueffectrapportage Verkeer en vervoer Geluid Luchtkwaliteit Omgevingsveiligheid Bodem en ondergrond Water Ecologie Cultuurhistorie en archeologie Duurzaamheid en klimaatadaptatie

21 22 22 27 28 30 32 35 38 39

Juridische toelichting

41

Omgevingsplan Artikelsgewijze toelichting

41 41

Uitvoerbaarheid

43

Economische uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid

43 43

Gemeente Amsterdam

blz. 4

bestemmingsplan_TAM-omgevingsplan H22J De Houthaven 2013 1e wijziging (vastgesteld)

blz. 5

Toelichting

Gemeente Amsterdam

blz. 6

bestemmingsplan_TAM-omgevingsplan H22J De Houthaven 2013 1e wijziging (vastgesteld)

blz. 7

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding

Al sinds de jaren ‘90 van de vorige eeuw is er gewerkt aan plannen voor de woonwijk Houthaven. Om de woonwijk te kunnen realiseren was het nodig om de woonschepen die al in het gebied lagen tijdelijk te verplaatsen. Deze woonschepen zijn destijds veelal op tijdelijke basis verplaatst naar de Haparandasteiger, Haparandadam en de Oude Houthaven, met de toezegging dat zij konden terugkeren naar de Houthaven als daar nieuwe steigers gebouwd zijn. Inmiddels zijn er ook plannen om de tijdelijke steigers in de Oude Houthaven te vernieuwen en vele woonschipeigenaren hebben aangegeven graag daar te blijven. Er is echter niet voor alle woonschipeigenaren ruimte in de Oude Houthaven, en er zal een aantal woonschepen terugkeren naar de Houthaven. In 2023 is een vergunning voor de bouw van de steigers (Wiborg- en Narvasteiger) aangevraagd en daarop zijn zienswijzen binnengekomen. Deze zijn beantwoord en halverwege 2024 is de omgevingsvergunning voor de bouw verleend. Tegen deze omgevingsvergunning is beroep aangetekend bij de rechtbank. Naar aanleiding van de beroepen heeft de gemeente beoordeeld dat het beoogde gebruik van de steigers deels in strijd is met het omgevingsplan (bestemmingsplan De Houthaven 2013) en heeft het college van burgemeester en wethouders de omgevingsvergunning ingetrokken.

De gemeente vindt het belangrijk om de woonwijk Houthaven af te kunnen bouwen, zoals altijd is bedacht en gecommuniceerd. Dit betekent een woonwijk met woonschepen. Zij maken een essentieel onderdeel uit van dit Amsterdamse woongebied. Een “reparatie” van het omgevingsplan (bestemmingsplan De Houthaven 2013) is nodig om straks de steigers te kunnen bouwen en te kunnen gebruiken, zoals altijd de bedoeling is geweest en zoals onder meer is vastgelegd in het stedenbouwkundig plan Houthaven en het Plan Openbare Ruimte Houthaven. De “reparatie” kan via een TAM-imro procedure. Dat staat voor Tijdelijke Alternatieve Maatregelen Informatie Model Ruimtelijke Ordening en is een procedure om urgente gebiedsontwikkeling te kunnen faciliteren.

1.2

Doel wijziging omgevingsplan

De voorliggende wijziging van het omgevingsplan gemeente Amsterdam (bestemmingsplan De Houthaven 2013) heeft als doel het herstellen van enkele omissies, het realiseren van voldoende ruimte voor ligplaatsen met de juiste afmetingen en de bouw van de Narva- en Wiborgsteiger mogelijk te maken. Op hoofdlijnen gaat het om de volgende aanpassingen: De term “ligplaats” is nu zo gedefinieerd dat woonschepen alleen aan de walkant ligplaats mogen innemen. Woonschepen moeten ook aan de steigers ligplaats kunnen innemen. Het aantal ligplaatsen voor woonschepen is nu op een verkeerde manier gekoppeld aan het maximum aantal woningen, inclusief drijvende woningen en woonschepen, in de Houthaven. Daarom kunnen er nu geen woonschepen meer bijkomen in de Houthaven. Dat is nooit de bedoeling geweest en wordt gerepareerd. Het omgevingsplan gemeente Amsterdam (bestemmingsplan De Houthaven 2013) staat een steigeroppervlak per woonschip van 75 vierkante meter toe. Vanwege verscherpte brandweereisen bij nieuwbouw moeten woonschepen in de nieuwe situatie verder uit elkaar liggen, waardoor het steigeroppervlak per woonschip vergroot wordt naar maximaal 115 vierkante meter per ligplaats. Volgens het omgevingsplan gemeente Amsterdam (bestemmingsplan De Houthaven 2013) mogen er op de plek van de Wiborg- en Narvasteiger, Haparandasteiger en - dam woonschepen liggen met

Gemeente Amsterdam

blz. 8

de volgende afmetingen: lengte maximaal 35 m, breedte maximaal 6 m en hoogte maximaal 4,50 m waarbij de stuurhut 5,50 meter hoog mag zijn. Een aantal woonschepen in zowel de Oude Houthaven als Houthaven (aan de Haparandadam en - steiger) heeft een afwijkende maatvoering ten opzichte van het omgevingsplan. Alle woonschepen hebben voor hun huidige plek de benodigde vergunningen en ontheffingen, al dan niet met een afwijking van het omgevingsplan. De komende periode zullen de woonschepen na een zorgvuldig te doorlopen verdeelproces hun definitieve ligplaats innemen. Om te voorkomen dat de hiervoor benodigde vergunningen en ontheffingen niet passen in het omgevingsplan, wordt de afwijkende maatvoering van deze woonschepen meegenomen bij de reparatie van het omgevingsplan.

1.3

Bevoegdheden

Op grond van de Omgevingswet wordt het omgevingsplan door de gemeenteraad gewijzigd. De gemeenteraad kan deze bevoegdheid delegeren aan het college van burgemeester en wethouders. Daar is in deze situatie geen sprake van. Het besluitgebied is gelegen binnen de grenzen van het stadsdeel West. Het projectgebied valt bestuurlijk rechtstreeks onder de centrale stad. De Verordening op de stadsdelen en het stadsgebied Amsterdam 2022 verdeelt de taken en bevoegdheden tussen de centrale stad en stadsdelen (en het stadsgebied Weesp). Het plangebied is op de kaart in bijlage 1 behorende bij de Verordening aangewezen als stedelijk gebied of project. De voorbereiding van de wijziging van het omgevingsplan tot de vrijgave van het ontwerpbesluit tot wijziging van het omgevingsplan ligt bij het college.

1.4

Leeswijzer

Na dit hoofdstuk volgt in hoofdstuk 2 een beschrijving van het plankader. Er wordt onder meer ingegaan op de ligging van het besluitgebied. In hoofdstuk 3 volgt een beschrijving van het relevante ruimtelijk beleid afkomstig van het Rijk, de provincie en de gemeente. In hoofdstuk 4 wordt het ruimtelijke (stedenbouwkundige kader) toegelicht. In hoofdstuk 5 worden diverse omgevingsaspecten beschreven. In hoofdstuk 6 wordt uitgelegd op welke wijze dit is vertaald in juridische zin. In hoofdstuk 7 wordt ingegaan op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid (inclusief participatie). In elk hoofdstuk wordt eerst het beleid toegelicht, daarna wordt uitgelegd hoe het beleid wordt toegepast in het besluitgebied.

bestemmingsplan_TAM-omgevingsplan H22J De Houthaven 2013 1e wijziging (vastgesteld)

blz. 9

Hoofdstuk 2 2.1

Het plankader

Ligging en begrenzing besluitgebied

De Houthaven ligt in het noordwestelijk deel van de historische binnenstad van Amsterdam, oostelijk van de haven en zuidelijk van het IJ. Op de afbeelding 2.1 is de ligging van de Houthaven in Amsterdam weergegeven.

Afbeelding 2.1: Ligging van de Houthaven in Amsterdam (bron: gemeente Amsterdam) De Houthaven grenst aan de Minervahaven (aan de westzijde) en de Oude Houthaven (aan de oostzijde). In het zuiden wordt de Houthaven begrensd door de Spaarndammerbuurt. Het besluitgebied van voorliggend TAM-omgevingsplan omvat het plangebied van het (voormalige) bestemmingsplan De Houthaven 2013, zie ook onderstaande afbeelding.

Gemeente Amsterdam

blz. 10

Afbeelding 2.2: plankaart voormalig bestemmingsplan De Houthaven 2013, met Wiborgsteiger en Narvasteiger met elk negen ligplaatsen ingetekend (bron: gemeente Amsterdam) Het besluitgebied beslaat het voormalig bedrijventerrein Houthaven vanaf de oostelijk gelegen Pontsteiger (Tasmankade) tot en met de Haparandaweg en het verlengde daarvan, ook wel de grens van het Westelijk Havengebied. De Spaarndammerdijk en de Tasmanstraat, aan de zuidzijde van het besluitgebied, maken beide deel uit van het plangebied. In het water wordt het plangebied begrensd door de aan de binnenzijde van de strekdam gelegen binnenvaartroute. Dit TAM-omgevingsplan wordt mede opgesteld om de Wiborgsteiger en Narvasteiger te kunnen realiseren. De toekomstige ligging van beide steigers is zodoende ook aangegeven.

2.2

Beschrijving huidige situatie

In de huidige situatie kunnen er geen steigers met het gewenste oppervlak worden gebouwd in de bestemming Water-2 om deze te gebruiken voor het aanmeren van woonschepen. Omdat het aantal ligplaatsen voor woonschepen en drijvende woningen in de bestemming Water-2, Water-4 en Water-5 in het omgevingsplan op een verkeerde manier is gekoppeld aan het maximum aantal woningen, inclusief drijvende woningen en woonschepen kunnen de ligplaatsen voor woonschepen en drijvende woningen nu niet worden gerealiseerd. Daarnaast liggen er nu schepen in de Houthaven waarvan de afmetingen niet voldoen aan de maximaal toegestane scheepsafmetingen onder het geldend juridisch planologisch kader.

2.3

Geldend juridisch planologisch kader

Ter plaatse van het besluitgebied van TAM-omgevingsplan H22J De Houthaven 2013 1e wijziging gelden de regels uit het tijdelijke deel van het omgevingsplan gemeente Amsterdam, bestemmingsplan De Houthaven 2013. De gemeenteraad heeft dit plan op 18 februari 2014 vastgesteld.

bestemmingsplan_TAM-omgevingsplan H22J De Houthaven 2013 1e wijziging (vastgesteld)

blz. 11

Ook gelden er de regels uit het Omgevingsplan gemeente Amsterdam, en de volgende regels uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan gemeente Amsterdam (voor zover deze regels nog niet zijn opgegaan in het Omgevingsplan gemeente Amsterdam): Drijvende bouwwerken partiële herziening; Drijvende bouwwerken; Darkstores; Grondwaterneutrale kelders; Gerechtelijke uitspraak Grondwaterneutrale kelders; Paraplubestemmingsplan Kiosken.

Gemeente Amsterdam

blz. 12

bestemmingsplan_TAM-omgevingsplan H22J De Houthaven 2013 1e wijziging (vastgesteld)

blz. 13

Hoofdstuk 3

Beleid en regelgeving

3.1

Rijksbeleid

3.1.1

Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. In de NOVI zijn de kaders van het nieuwe rijksbeleid opgenomen en deze vervangt de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012). De NOVI is ontwikkeld in nauwe samenwerking met provincies, gemeenten, waterschappen, maatschappelijke instellingen en burgers. De NOVI bestaat uit een visie, toelichting en uitvoeringsagenda. De Visie De NOVI bevat de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Nederland staat voor een groot aantal opgaven, op het gebied van klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. De NOVI biedt daarbij een perspectief om deze grote opgaven aan te pakken. Omgevingskwaliteit is daarbij het kernbegrip. De NOVI staat voor een nieuwe aanpak waarbij overheden en maatschappelijke organisaties met regie vanuit het Rijk integrale afwegingen maken. Toelichting In de toelichting worden 21 nationale belangen in de fysieke leefomgeving beschreven en de daarbij horende opgaven waarvoor het Rijk zich gesteld ziet. Steeds wordt per belang het huidige beleid gekoppeld en wordt de opgave gesteld die met het belang samenhangt. Besluitgebied Ter plaatse van het besluitgebied is geen strijd met de NOVI. 3.1.2

Instructieregels Rijk via Besluit kwaliteit leefomgeving

Een instructieregel is een algemene regel waarmee een bestuursorgaan aan een ander bestuursorgaan aangeeft hoe dat orgaan een taak of bevoegdheid moet uitoefenen. Het Rijk heeft de instructieregels in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) opgenomen. Behalve het Rijk stelt ook de provincie Noord-Holland instructieregels in de omgevingsverordening, zie paragraaf 3.2.2. In hoofdstuk 5 van het Bkl staan de instructieregels voor omgevingsplannen per onderwerp. De meeste instructieregels hebben betrekking op omgevingsaspecten en worden in de hierna volgende hoofdstukken beschreven. Hieronder worden algemene planologische instructieregels beschreven. Ladder voor duurzame verstedelijking De Ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel met het oog op zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand. Het is terug te vinden in artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De instructieregel houdt in dat bij het toelaten van een nieuwe stedelijke ontwikkeling er rekening moet worden gehouden met: de behoefte aan die ontwikkeling; en Gemeente Amsterdam

blz. 14

bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen buiten stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: met de mogelijkheden om binnen het stedelijk gebied of stedelijk groen in de behoefte te voorzien. Daarbij is van belang dat het gaat om een afweging van de ontwikkelingsbehoefte met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en de ontwikkeling van de omgeving waarin het gebied ligt. Besluitgebied Stedelijke functies met een ruimtebeslag van minder dan 500m2 worden niet aangemerkt als een stedelijk ontwikkeling. De Laddertoets geldt alleen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Beoordeeld moet dan worden of er een nieuw of groter beslag op de ruimte is. Of, als er alleen een wijziging van de gebruiksfunctie is, op een andere manier wezenlijke ruimtelijke effecten heeft. Van belang is hierbij dus in hoeverre het plan: in vergelijking met het vorige plan, voorziet in een functiewijziging en welk planologische beslag op de ruimte het plan mogelijk maakt in vergelijking met het vorige plan Een combinatie van een ontwikkeling met een nieuw of groter planologisch ruimtebeslag en een functiewijziging is natuurlijk ook mogelijk.

Laddertoets De voorgenomen ontwikkeling die TAM-omgevingsplan H22J De Houthaven 2013 1e wijziging mogelijk maakt (met name de Wiborgsteiger en de Narvasteiger) voorziet in een ruimtebeslag groter dan 500m2 op gronden waar geen bebouwing is toegestaan. Gelet hierop is er sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de zin van de ladder duurzame verstedelijking. Beschrijving behoefte Om de woonwijk Houthaven te kunnen realiseren was het nodig om woonschepen tijdelijk te verplaatsen. Er is de toezegging gedaan dat de woonschepen konden terugkeren naar de Houthaven als daar de nieuwe steigers gebouwd zijn. Om woonschepen terug te kunnen laten keren is het nodig dat Wiborgsteiger en de Narvasteiger aangelegd worden. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling is getoetst aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Daaruit volgt dat de beoogde ontwikkeling voorziet in een behoefte. De ruimtevraag kan geheel worden opgevangen in bestaand stedelijk gebied. Behoud van ruimte voor toekomstige functies

Paragraaf 5.1.6 van het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat instructieregels over het behoud van ruimte voor toekomstige functies. De paragraaf bevat instructieregels met betrekking tot aangewezen reserveringsgebieden. Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties vereist in bepaalde gevallen dat gebieden worden vrijgehouden voor toekomstige ontwikkelingen die alleen op bepaalde locaties kunnen plaatsvinden. Het Besluit kwaliteit leefomgeving kent in navolging van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening bestemmingsplan_TAM-omgevingsplan H22J De Houthaven 2013 1e wijziging (vastgesteld)

blz. 15

(Barro) een aantal reserveringsgebieden, waar vanwege de voorzienbare toekomstige aanleg van werken of objecten regels gelden over activiteiten die een dergelijke aanleg zouden bemoeilijken. Het gaat onder meer om gebiedsreserveringen voor de lange termijn voor gebieden rond autowegen, autosnelwegen en hoofdspoorwegen of gebieden voor de aanleg van buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen. Binnen Amsterdam zijn reserveringsgebieden aangewezen voor de uitbreiding of aanleg van een autoweg of autosnelweg.

Besluitgebied Het besluitgebied van voorliggend omgevingsplan ligt buiten aangewezen reserveringsgebieden.

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1

Omgevingsvisie Noord-Holland

Op 19 november 2018 hebben de Provinciale Staten van Noord-Holland de Omgevingsvisie NH2050 vastgesteld. Hierin staat de visie op de fysieke leefomgeving beschreven. Doel en hoofdambitie Klimaatverandering, energietransitie, veranderende economieën, grote woningbehoeftes, bodemdaling, verminderde biodiversiteit. Het is een greep uit de vele grote onderwerpen waar opgaven in schuil gaan. De Omgevingsvisie geeft koers hoe de provincie Noord-Holland met deze onderwerpen moeten omgaan richting de toekomst. Daarin hanteert de Omgevingsvisie het uitgangspunt om in samenhang te kijken naar de opties. In de Omgevingsvisie wordt de ambitie geschetst een relatief hoog welvaarts- en welzijnsniveau vast te houden. Daarvoor moet een goede balans gezocht worden tussen economische groei en leefbaarheid. Zodanig dat bij veranderingen in het gebruik van de fysieke leefomgeving de doelen voor een gezonde en veilige leefomgeving overeind blijven. De provincie heeft vijf samenhangende bewegingen beschreven die richting geven aan de ontwikkeling van de leefomgeving. De samenhangende bewegingen zijn: Dynamisch schiereiland: de provincie Noord-Holland is aan drie zijden omgeven door water. Het benutten van deze unieke ligging is leidend, waarbij de kustverdediging voorop staat en waar toeristische en recreatieve kansen benut kunnen worden en natuurwaarden worden toegevoegd.

Metropool in ontwikkeling. Hierin wordt beschreven hoe de Metropoolregio Amsterdam steeds meer als één stad functioneert. Sterke kernen, sterke regio's, gaat over de ontwikkeling van centrumgemeenten die de gehele regio waarin ze liggen vitaal houden en waarin de kernen de herkenbare identiteit behouden. Nieuwe energie, benut de economische kansen van de energietransitie en circulaire economie. Natuurlijk en vitaal landelijke omgeving; centraal staat het ontwikkelen van natuurwaarden en een economisch duurzame agrarische sector. Besluitgebied De binnen het besluitgebied voorgenomen ontwikkeling is in overeenstemming met de doelen en hoofdambities uit de Omgevingsvisie NH2050.

Gemeente Amsterdam

blz. 16

3.2.2

Omgevingsverordening Noord-Holland

De Omgevingsverordening NH2022 bevat instructieregels die van belang zijn om het provinciale beleid of het provinciale belang te laten doorwerken in de uitoefening van taken of bevoegdheden door andere bestuursorganen dan provinciale staten, zoals gemeenten. Er zijn onder andere instructieregels opgenomen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen, woningbouw, detailhandel, duurzame energie, beschermd landelijk gebied en cultureel erfgoed. Voor dit TAM-omgevingsplan is met name artikel 6.75 'Klimaatadaptatie' van de Omgevingsverordening NH2022 van belang. Artikel 6.75 lid 1 Omgevingsverordening NH2022 bepaalt dat de motivering van een omgevingsplan dat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt een beschrijving bevat van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de risico's van klimaatverandering. In paragraaf 5.7 Water en paragraaf 5.10 Duurzaamheid en klimaatadaptatie wordt hier nader op ingegaan. Conclusie In de Omgevingsverordening NH2022 zijn geen regels opgenomen die aan voorliggende wijziging van het omgevingsplan Amsterdam in de weg staan.

3.3

Gemeentelijk beleid - Stedelijke kaders

3.3.1

Omgevingsvisie Amsterdam 2050

Van Structuurvisie Amsterdam 2040 naar Omgevingsvisie Amsterdam 2050

De Omgevingsvisie Amsterdam 2050 is een langetermijnvisie op de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving, die elke overheid opstelt in het kader van de Omgevingswet. De omgevingsvisie is samen met het Omgevingseffectrapport (OER) op 8 juli 2021 door de gemeenteraad vastgesteld. De omgevingsvisie vervangt de Structuurvisie Amsterdam 2040. Met de vaststelling van de Omgevingsvisie Amsterdam 2050 door de gemeenteraad is de Structuurvisie Amsterdam 2040 vervangen. Hierop zijn twee uitzonderingen, de Hoofdgroenstructuur en het hoogbouwbeleid, die integraal opgenomen waren in de structuurvisie. Deze blijven van kracht tot vervangend beleid is vastgesteld. De Gemeente Amsterdam wil met een brede blik sturen. Deze omgevingsvisie heeft daarbij een drieledige functie: richting geven aan groei; versnellen van transities; ruimte bieden aan initiatieven. De omgevingsvisie bouwt voort op eerder geformuleerde beleidsinzetten. In sommige paragrafen wordt derhalve nog verwezen naar de Structuurvisie Amsterdam 2040. Op een aantal punten formuleert de omgevingsvisie een aangepaste ruimtelijke koers. Die is gericht op het tegengaan van negatieve effecten op kansengelijkheid en leefbaarheid, op het verduurzamen van de stad en op herstel en vernieuwing van de economie. Wereldwijd groeien steden.

Steden hebben aantrekkingskracht omdat ze bedrijvigheid, wetenschap en creativiteit dicht bijeenbrengen en zo innovatie stimuleren en kansen bieden aan individuen. De stad moet kansen bieden aan iedereen. Om die reden omarmt Amsterdam zowel nieuwe inwoners als nieuwe banen. Economische groei is gewenst, niet in de laatste plaats vanwege de inkomsten. Maar

bestemmingsplan_TAM-omgevingsplan H22J De Houthaven 2013 1e wijziging (vastgesteld)

blz. 17

Amsterdam wil ook ruimte bieden aan vernieuwing en een meer circulaire economie. Groei een plek geven in de stad is daarmee ook een verantwoordelijkheid. Om volledig profijt te trekken moet die groei richting gegeven worden. Gezien de ambities en de schaarste van ruimte en financiën maakt het bestuur vijf strategische keuzes: Meerkernige ontwikkeling: Amsterdam is uit balans met één centrum waar alles op is gericht is. Een van de hoofddoelen van deze visie is een stad te worden met meer stedelijke centra. Ook in de regio willen we de kernen meer stedelijke kwaliteit geven. Groeien binnen grenzen: duurzame, compacte stedelijke ontwikkeling en intensief ruimtegebruik. Daarmee maken we sociaal sterke buurten, met veel ruimte voor ondernemerschap en beperken we de ecologische voetafdruk van de stad. Duurzaam en gezond bewegen: in een compacte stad staan ontmoeten en bewegen in de openbare ruimte voorop. In de hele stad krijgen lopen, fietsen en openbaar vervoer ruim baan. Rigoureus vergroenen: nieuwe parken en meer groen in de openbare ruimte en op en aan gebouwen houdt de stad klimaatbestendig en leefbaar voor mens, dier en plant. Samen stadmaken: meer mogelijkheden voor maatschappelijk initiatief. Samen met Amsterdammers, corporaties en private partijen bouwen we aan de stad. Daarbij maken we meer ruimte voor experimenten en verantwoordelijk en eigenaarschap voor onze inwoners.

Het voorliggende plan is niet in strijd met dit gemeentelijk beleid.

Gemeente Amsterdam

blz. 18

bestemmingsplan_TAM-omgevingsplan H22J De Houthaven 2013 1e wijziging (vastgesteld)

blz. 19

Hoofdstuk 4 4.1

Het ruimtelijke kader

Stedenbouwkundige aspecten

Voorliggend TAM-omgevingsplan maakt het mogelijk om de Wiborg- en Narvasteiger te bouwen, zoals aangegeven op onderstaande afbeelding.

Daarnaast zorgt het plan voor een juiste koppeling tussen ligplaatsen voor woonschepen en het maximum aantal woningen, een steigeroppervlak van 115m2 per ligplaats en de mogelijkheid dat woonschepen met een afwijkende (iets grotere maat) met een terugkeergarantie, alsnog een ligplaats in de Houthaven kunnen innemen.

Gemeente Amsterdam

blz. 20

bestemmingsplan_TAM-omgevingsplan H22J De Houthaven 2013 1e wijziging (vastgesteld)

blz. 21

Hoofdstuk 5

Omgevingsaspecten

5.1

Milieueffectrapportage

5.1.1

Wetgeving

Het instrument milieueffectrapportage (m.e.r.) is ontwikkeld om het milieubelang een volwaardige plaats in bepaalde plan- en besluitvormingsprocessen te geven. Enerzijds maakt het opstellen van een milieueffectrapport (MER) de initiatiefnemer bewust van de milieugevolgen en anderzijds kan de overheid diverse milieugevolgen in samenhang met elkaar en op een voor de burger transparante wijze bij de besluitvorming betrekken. De regelgeving met betrekking tot de milieueffectrapportage is opgenomen in afdeling 1.64 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Voor sommige plannen of activiteiten geldt direct de verplichting om een MER op te stellen, maar er zijn ook plannen waarvoor het bevoegd gezag moet beoordelen of zij het nodig vindt om ter voorbereiding van een besluit een MER te laten maken (m.e.r.-beoordeling). In het Omgevingsbesluit opgenomen voor welke activiteiten de m.e.r.-(beoordelings)plicht bestaat. Het gaat dan met name om activiteiten die aanzienlijke nadelige effecten op het milieu kunnen hebben. Tot slot kan er sprake zijn van een zogenoemde vormvrije-beoordeling. Dit geldt voor activiteiten die wel worden genoemd in het Omgevingsbesluit, maar vanwege de omvang van de activiteit (onder de drempelwaarde) geen m.e.r.(beoordelings)plicht kent.

Bij besluiten die grote gevolgen voor het milieu kunnen hebben, moet het onderwerp 'milieu' goed en op tijd worden onderzocht. De regels die hiervoor gelden staan in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 van het Omgevingsbesluit. In bijlage V bij het Omgevingsbesluit (kolom 1, nummer J11) staat dat wanneer een activiteit de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen omvat, er sprake is van een m.e.r.(beoordeling)-plicht. Voor projecten die aangemerkt kunnen worden als een stedelijk ontwikkelingsproject neemt het bevoegd gezag de beslissing of een mer moet worden doorlopen. Het bevoegd gezag neemt de mer-beoordelingsbeslissing binnen zes weken, nadat initiatiefnemer de schriftelijke melding van het voornemen om een mer-beoordelingsplichtig project heeft ingediend bij het bevoegd gezag. De mededeling en het indienen van een aanvraag omgevingsvergunning kan tegelijkertijd. Het verzoek om de mer-beoordelingsbeslissing is dan onderdeel van de aanvraag omgevingsvergunning. Het is ook mogelijk om eerst te verzoeken om een mer-beoordelingsbeslissing.

Volgens jurisprudentie van de Raad van State hangt het antwoord op de vraag of er sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject af van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer de aspecten als de aard en de omvang van de voorziene ontwikkeling een rol spelen. Een voorzichtige lijn die aangehouden kan worden bij de bepaling of er al dan niet sprake is van een stedelijke ontwikkeling is dat naar mate functies worden gewijzigd, de omvang van het project en de toename van bebouwing groter en de wijziging van de ruimtelijke inrichting significanter is, de kans dat een bouwproject wordt aangemerkt als stedelijk ontwikkelingsproject toeneemt. De gronden waarop de steigers (en ligplaatsen) worden gerealiseerd zijn in het omgevingsplan gemeente Amsterdam (bestemmingsplan De Houthaven 2013) aangewezen voor Water. Ligplaatsen en steigers zijn toegestaan. Met voorliggende wijziging van het omgevingsplan wordt het mogelijk gemaakt het steigeroppervlak per woonschip iets te vergroten en steigers te realiseren ter plaatse van de functieaanduiding steiger (ste). Tevens wordt toegestaan enkele ligplaatsen ten behoeve van woonschepen te realiseren met een afwijkende maatvoering. Er is geen sprake van een (substiantiële)

Gemeente Amsterdam

blz. 22

uitbreiding van bebouwing. Op basis van Bijlage V van het Omgevingsbesluit (nr. J11 aanleg, wijziging of uitbreiding van stedelijke ontwikkelingsprojecten) en gelet op de jurisprudentie is er geen sprake van een kans dat dat de voorgenomen ontwikkelingen wordt aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject.

5.2

Verkeer en vervoer

5.2.1

Bereikbaarheid

5.2.1.1 Verkeersafwikkeling in het besluitgebied Voorliggend TAM-omgevingsplan maakt binnen het gebruiksdoel Water de realisatie van de Wiborgsteiger en de Narvasteigers mogelijk. Ook maakt voorliggend TAM-omgevingsplan het mogelijk dat er een beperkt aantal woonschepen met een afwijkende maatvoering toegestaan worden. Er is echter geen toename van het aantal ligplaatsen en woonschepen voorzien, waardoor voorliggend TAM-omgevingsplan geen effect heeft op de verkeersafwikkeling in en nabij het besluitgebied. 5.2.1.2 Verkeersveiligheid in het besluitgebied Voorliggend TAM-omgevingsplan heeft geen effect op de verkeersveiligheid in en nabij het besluitgebied, omdat er als gevolg van het plan geen veranderingen in de verkeersafwikkelingen zijn. 5.2.2

Parkeren

Voorliggend TAM-omgevingsplan maakt binnen het gebruiksdoel Water de realisatie van de Wiborgsteiger en de Narvasteigers mogelijk. Ook maakt dit plan een beperkt aantal ligplaatsen met een afwijkende maatvoering mogelijk. Het aantal ligplaatsen en woonschepen neemt niet toe, waardoor het plan geen gevolgen heeft voor het aspect parkeren.

5.3

Geluid

5.3.1

Algemeen

Bij het toelaten van een activiteit, (spoor)weg, industrieterrein of geluidgevoelig gebouw moet het geluid op de geluidgevoelige gebouwen beoordeeld worden. Hiertoe zijn in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) instructieregels opgenomen. De instructieregels hebben tot doel de gezondheid en het milieu te beschermen tegen te veel geluid. Hiervoor zijn in het Besluit kwaliteit leefomgeving eisen gesteld aan het geluid op geluidgevoelige gebouwen. Een geluidgevoelig gebouw is volgens de begripsbepalingen in bijlage 1, Bkl, een (deel van een) gebouw met een woonfunctie, een gebouw met een onderwijsfunctie, een gebouw voor kinderopvang met bedden, een gebouw voor gezondheidszorg met bedden. Ook ligplaatsen voor woonschepen en standplaatsen voor woonwagens zijn aangewezen als geluidgevoelig. Een geluidaandachtsgebied is een gebied langs een (spoor)weg of rond een industrieterrein waarbinnen het geluid vanwege de betreffende bron hoger kan zijn dan de standaardwaarde. De grootte van het gebied is afhankelijk van de bron. De standaardwaarde is in het algemeen een aanvaardbaar geluidniveau. In het omgevingsplan kan op basis van het type gebied een hogere of lagere standaardwaarde worden vastgesteld. Het omgevingsplan voorziet in een aanvaardbaar geluidsniveau van verkeer en industrie op een geluidgevoelig gebouw.

Hiervoor zijn in het omgevingsplan regels opgenomen over het toelaten van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied en over het toelaten of wijzigen van nieuwe of bestemmingsplan_TAM-omgevingsplan H22J De Houthaven 2013 1e wijziging (vastgesteld)

blz. 23

bestaande (spoor)wegen en industrieterreinen. In deze paragraaf wordt ingegaan op het beschermen van de gezondheid en het milieu tegen het geluid van wegen, spoorwegen en industrieterreinen met geluidproductieplafonds (paragraaf 5.1.4.2a, Bkl). 5.3.2

Veel gebruikte begrippen

In het Besluit kwaliteit leefomgeving worden verschillende begrippen gebruikt om geluidsemissies en geluidwaarden te beschrijven. Hieronder volgt een kort overzicht.

Geluidproductieplafond (gpp) Voor geluid vanwege rijkswegen, provinciale wegen, (hoofd)spoorwegen en industrieterreinen geldt een systeem dat gebaseerd is geluidproductieplafonds. Een geluidproductieplafond is de maximaal toegelaten hoeveelheid geluid vanwege de betreffende bron op een bepaald punt nabij deze geluidbron (bijvoorbeeld een rijksweg). De rijksoverheid is verplicht de gpp's van rijkswegen en hoofdspoorwegen te bewaken en te monitoren en neemt maatregelen om een overschrijding van een gpp te voorkomen. Voor provinciale (spoor)wegen en industrieterreinen van provinciaal belang is de provincie verantwoordelijk en voor gemeentelijke industrieterreinen de gemeente. De gegevens over de waarde van het gpp's, de ligging van een geluidreferentiepunt en het geluidaandachtsgebied zijn opgenomen in het geluidregister (artikel 11.52, Bkl). De waarden van de gpp's en de ligging van de geluidaandachtsgebieden, zijn een gegeven. Basisgeluidemissie (bge) De basisgeluidemissie is het referentieniveau van het geluid van gemeentewegen, waterschapswegen en lokale spoorwegen. Wegen met een verkeersintensiteit van meer dan 1000 motorvoertuigen per etmaal zijn relevant voor het bepalen van de basisgeluidemissie. De gemeente bewaakt de toename van geluid ten opzichte van de vastgestelde basisgeluidemissie. De bge wordt vastgelegd in het geluidregister en vijfjaarlijks gemonitord.

Bij een toename van 1,5dB of meer ten opzichte van de bge worden maatregelen overwogen. De monitoringsverplichting over de bge lopen synchroon met de bestaande vijfjaarlijkse verplichting vanuit de EU-richtlijn omgevingslawaai. De verplichtingen van de monitoring van geluid worden geïntegreerd met de uitvoering van de Europese richtlijn. In het actieplan geluid zal ingegaan worden op de afweging (artikel 3.26 Bkl) of maatregelen moeten worden genomen en de verplichting tot naleving van de binnenwaarde (artikel 3.49, eerste lid, onder c, Bkl). De basisgeluidemissie of het actieplan geluid maakt geen deel uit van het omgevingsplan. Standaardwaarden en grenswaarden Geluidwaarden worden uitgedrukt in standaardwaarden en grenswaarden. De standaardwaarde is een aanvaardbaar geluidniveau waarvan gemotiveerd kan worden afgeweken. Een standaardwaarde kan bij omgevingsplan hoger of lager worden vastgesteld. Zo kan bijvoorbeeld in het omgevingsplan de standaardwaarde voor een bedrijventerrein verhogen en in het buitengebied verlagen. Als aan de standaardwaarde wordt voldaan, is geen nadere afweging of besluitvorming nodig. Een grenswaarde is een uiterste grens waar niet van mag worden afgeweken. Een overschrijding van de grenswaarde op een geluidgevoelig gebouw is alleen bij uitzondering en in de in het Bkl genoemde gevallen mogelijk. Gecumuleerd geluid en gezamenlijk geluid

Gemeente Amsterdam

blz. 24

Het gecumuleerd geluid is het geluid door de geluidbronsoorten en andere activiteiten tegelijk, opgeteld met een correctie voor de verschillen in hinderlijkheid. Het gezamenlijk geluid is het geluid door geluidbronsoorten en andere activiteiten tegelijk, opgeteld zonder correctie voor de verschillen in hinderlijkheid. Bij zowel het bepalen het gecumuleerd geluid en het gezamenlijk geluid moet in ieder geval het geluid afkomstig van (spoor)wegen, industrieterreinen, luchtvaartverkeer, windturbines en schietbanen worden betrokken. 5.3.3

Beoordeling geluid in het omgevingsplan

De regels voor geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen gelden alleen voor geluidgevoelige gebouwen die binnen een geluidaandachtsgebied liggen en voor bronnen met een geluidaandachtsgebied. Bij het toelaten van een nieuw geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied of het wijzigen of aanleggen van een geluidbron met een geluidsaandachtsgebied moet de geluidbelasting worden getoetst. Wanneer een overschrijding van de norm wordt geconstateerd, moeten maatregelen worden getroffen om de geluidbelasting zoveel mogelijk terug te brengen. Indien uit onderzoek volgt dat de standaardwaarde wordt overschreden bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw dan wordt het gezamenlijke geluid op de gevel vastgelegd in het omgevingsplan of in de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsactiviteit. Het gecumuleerd geluid op de gevel wordt beoordeeld als het geluid van een geluidbronsoort op de gevel hoger is dan de standaardwaarde en toeneemt ten opzichte van het geluid in de bestaande situatie.

De beoordeling van het gecumuleerd geluid vindt plaats bij de wijziging van het omgevingsplan of bij een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsactiviteit in de volgende situaties: Het wijzigen of toelaten van een weg, spoorweg of industrieterrein met gpp (artikel 3.38 Bkl); Verhoging van gpp (zonder wijziging) van een weg, spoorweg of industrieterrein (artikel 3.38 Bkl); Het wijzigen of toelaten van een weg of lokale spoorweg zonder gpp (artikel 5.78 Bkl) Het toelaten van een geluidgevoelig gebouw bij een industrieterrein met gpp, een weg of een spoorweg (artikel 5.78ac Bkl). 5.3.4

Waarden voor geluid

Het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat standaardwaarden en grenswaarden voor geluid door een geluidbronsoort op een geluidgevoelig gebouw. Deze waarden zijn van toepassing op het geluid door alle geluidbronnen van een geluidbronsoort en gelden voor een geluidgevoelig gebouw dat langer dan 10 jaar is toegelaten (artikel 5.78, tweede lid, Bkl). De waarden die bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw voor de 7 geluidbronsoorten gelden, staan in de onderstaande tabel.

bestemmingsplan_TAM-omgevingsplan H22J De Houthaven 2013 1e wijziging (vastgesteld)

blz. 25

Bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied wordt de geluidwaarde op het gebouw berekend en beoordeeld. Het uitgangspunt is dat het geluid op een geluidgevoelig gebouw niet hoger is dan de standaardwaarde. Het geluid is dan in ieder geval aanvaardbaar en de kans op gezondheidsschade is klein. Meer geluid dan de standaardwaarde kan echter als aanvaardbaar beoordeeld worden. 5.3.5

Amsterdams geluidbeleid

Amsterdam kent een eigen geluidbeleid gericht op het beschermen van geluidgevoelige gebouwen tegen geluid. Het gaat om geluidbeleid voor het bouwen op geluidbelaste locaties en om Amsterdams geluidbeleid dat uitvoering geeft aan de verplichtingen van de Europese richtlijn omgevingslawaai. Amsterdam stelt als agglomeratiegemeente elke vijf jaar een geluidskaart en een Actieplan geluid vast. Dit Actieplan geluid is vooral gericht op de beperking van overlast van het (weg)verkeerlawaai. Het college van burgemeester en wethouders heeft op 17 oktober 2023 het Interim geluidbeleid Amsterdam 2024 vastgesteld met het oog op de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Hiermee beoogt het college zoveel mogelijk te voorzien in een beleidsneutrale overgang van het Amsterdams geluidbeleid 2016 (gewijzigd) en de geluidsnota Weesp 2007. Het Amsterdams geluidbeleid richt zich op het realiseren van geluidgevoelige gebouwen op geluidbelaste locaties. In de stedelijke omgeving van Amsterdam is op veel plaatsen een hoge geluidbelasting. Ondanks deze hoge geluidbelasting moeten stedelijke ontwikkelingen mogelijk blijven. In het Amsterdams geluidbeleid is opgenomen dat in geval geen maatregelen mogelijk zijn om het geluidniveau te beperken, hogere waarde volgens de Wet geluidhinder verleend konden worden.

Een aanvaardbaar woon- en leefklimaat werd bereikt door ervoor te zorgen dat een woning over een stille zijde beschikt. De stille zijde bevindt zich bij voorkeur bij de slaapkamer zodat de bewoner rustig met open raam kan slapen. In uitzonderlijke situaties kon gemotiveerd van dit principe worden afgeweken. In geval van een zogenaamde dove gevel was een stille zijde een verplichting. Het Amsterdams geluidbeleid is vertaald in de regels van het Omgevingsplan en in beleidsregels geluid (vastgesteld op 17 oktober 2023). Bij overschrijding van de standaardwaarde moet een woning in principe beschikken over een stille zijde, de stille zijde bevindt zich bij voorkeur bij de slaapkamer. Woningen met een niet geluidgevoelige gevel moeten altijd een stille zijde krijgen, behoudens zeer uitzonderlijke gevallen, zoals tijdelijke bewoning door bijzondere doelgroepen. Bij de beoordeling van geluid moet rekening worden gehouden met de cumulatie van de geluidbelasting van verschillende bronnen. Volgens Amsterdams geluidbeleid is sprake van een onaanvaardbare

Gemeente Amsterdam

blz. 26

geluidbelasting als de gecumuleerde geluidbelasting meer dan 3dB hoger is dan ten hoogste de maximaal toelaatbare grenswaarde. 5.3.6

Besluitgebied

Ten behoeve van voorliggend TAM-omgevingsplan is door Cauberg-Huygen, in opdracht van de gemeente Amsterdam, akoestisch onderzoek uitgevoerd. In deze paragraaf is een samenvatting van de reseltaten van dit onderzoekopgenomen. Het volledige onderzoek is opgenomen als Bijlage 1. 5.3.6.1 Algemeen Locaties voor woonschepen vallen volgens het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) onder woonfuncties. Woonfuncties zijn geluidgevoelig. Woonschepen zijn geluidgevoelige gebouwen. Het plangebied is gelegen binnen de geluidaandachtsgebieden van de volgende geluidbronnen: gemeentewegen, hoofdspoorwegen en industrieterrein Westpoort. Om die reden is voor de ligplaatsen voor woonschepen een onderzoek van het geluid van deze geluidbronnen noodzakelijk. Daarnaast zijn de ligplaatsen voor woonschepen gelegen nabij de vaarroute op het IJ en een overnachtingsplaats voor binnenvaartschepen. In het akoestisch onderzoek is onderzocht of de geluidwaarden die de geluidbronnen produceren voldoen aan de in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) gestelde standaardwaarden, of hogere geluidwaarden (dan de standaardwaarden) moeten worden toegestaan en of gebouwmaatregelen moeten en kunnen worden getroffen. Tevens is getoetst aan het gemeentelijk geluidbeleid.

Hierbij wordt opgemerkt dat bij woonschepen de geluidnormering niet geldt ter plaatse van gevels of binnen geluidgevoelige ruimten, maar ter plaatse van de begrenzing van de ligplaats voor een woonschip (Bkl, artikel 3.23, onder b). Het geluid als gevolg van de overnachting van binnenvaartschepen wordt aangemerkt als geluid door activiteiten (bedrijfsgeluid) en is daarom onderzocht en beoordeeld aan de normstelling voor geluid door activiteiten volgens het Bkl. Er zijn geen wettelijke eisen ten aanzien van het geluid van doorgaand scheepvaartverkeer. Dit geluid is echter wel betrokken in het onderzoek, zie paragraaf 4.2.1 en paragraaf 5.4 uit het onderzoeksrapport. 5.3.6.2 Conclusie De standaardwaarde voor gemeentewegen wordt met ten hoogste 3 dB overschreden, ter plaatse van twee ligplaatsen voor woonschepen. Het is mogelijk een hogere waarde (56 Lden) toe te staan. De voorkeursgeluidwaarde voor industrie wordt met 5 dB overschreden. Er kunnen door middel van een hogere waarden besluit Wet geluidhinder (industriegeluid valt onder het overgangsrecht) hogere waarden van 55 dB(A) etmaalwaarde worden vastgesteld, zie ook Bijlage 2 De voorkeursgrenswaarde voor scheepvaart op het IJ wordt met 5 dB in de nachtperiode overschreden. Het verschil is aanvaardbaar.

De langtijdgemiddelde en het maximale geluidniveau ten gevolge van de overnachtingsplaats voor vrachtschepen voldoet overal aan de standaardwaarden, gesteld in het Bkl. Gemeentwegen Omdat verschillende geluidreducerende maatregelen bezwaren met zich meebrengen, wordt geluid door

bestemmingsplan_TAM-omgevingsplan H22J De Houthaven 2013 1e wijziging (vastgesteld)

blz. 27

gemeentewegen, ter plaatse van twee ligplaatsen voor woonschepen in de Houthavengracht (Water-4) een hogere waarde van 56 Lden aanvaardbaar geacht. Niet alle ligplaatsen voor woonschepen beschikken over een geluidluwe zijde ten gevolge van industrieof wegverkeersgeluid. Het is niet mogelijk voor woonschepen om een geluidluwe zijde te realiseren. Elke ligplaats heeft ten minste 1 gevel met een overschrijding van de standaardwaard van ten hoogste 3 dB. Deze gevels worden overeenkomstig het Interim geluidbeleid 2024 aangemerkt als een bijna-geluidluwe gevel. Gezien de geringe overschrijding, de kwaliteiten van de woonomgeving, en het belang van bewoners om een ligplaats te kunnen innemen in de Houthaven. Is de overschrijding van de standaardwaarde aanvaardbaar en conform voornoemde beleid.is het mogelijk af te wijken van het geluidbeleid. Industrie Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 is de geluidregelgeving veranderd. Maar doordat er voor industrieterrein Westpoort nog geen geluidproductieplafond onder de Omgevingswet is vastgesteld blijft voor het gezoneerd industrieterrein Westpoort het oude recht, zoals dat gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet uit de Wet geluidhinder van toepassing. Voor industrielawaai wordt een separaat besluit hogere waarden Wet geluidhinder genomen.

Uit het akoestisch onderzoek volgt dat het geluid door industrieterrein Westpoort ten hoogste 55 dB(A) bedraagt. Voor de ontwikkeling van dit project worden hogere waarden verleend.

5.4

Luchtkwaliteit

5.4.1

Besluit kwaliteit leefomgeving

De gemeente moet bij het toelaten van activiteiten in het omgevingsplan in een aantal situaties toetsen aan omgevingswaarden voor lucht. De Omgevingswet bepaalt dat bij evenwichtige toedeling van functies aan locaties de gemeente in ieder geval rekening houdt met het belang van het beschermen van de gezondheid, zo bepaalt artikel 2.1 lid 4 van de Omgevingswet (Ow). Hierbij houdt de gemeente rekening met de lokale specifieke omstandigheden en de gevolgen van de activiteiten voor de gezondheid van haar burgers (art. 2.1 en 2.4 Ow). In paragraaf 5.1.4.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan instructieregels die de gemeente bij het opstellen van een omgevingsplan moet hanteren om de luchtkwaliteit te beschermen. De gemeente moet voor een aantal activiteiten de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) in acht nemen. Behalve als een activiteit niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging. NIBM houdt in dat toegelaten activiteiten niet leiden tot een verhoging van de kalenderjaargemiddelde concentratie in de buitenlucht van zowel stikstofdioxide als PM10 van 1,2 ug/m3 of meer. 5.4.2

Besluitgebied

Met dit plan wordt het mogelijk voor woonschepen om ook een ligplaats in te nemen aan de steigers. Tevens worden enkele drijvende woningen gerealiseerd. Voorliggend TAM-omgevingsplan zorgt niet voor een toename van het aantal ligplaatsen en woonschepen. In artikel 5.54 lid b onder 1 Bkl is bepaald dat meer dan 1.500 woningen in ieder geval leidt tot een verhoging van de kalenderjaargemiddelde concentratie stikstofdioxide en PM10. Doordat er als gevolg van dit plan geen toename is van het aantal woningen, inclusief woonschepen en Gemeente Amsterdam

blz. 28

drijvende waterwoningen, is er geen sprake van verslechtering van de luchtkwaliteit.

5.5

Omgevingsveiligheid

5.5.1

Algemeen

Een van de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Bij externe veiligheid gaat het om het binnen aanvaardbare grenzen houden van risico's voor de omgeving in relatie tot het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen bij bedrijven met risicovolle milieubelastende activiteiten, het transport van gevaarlijke stoffen via openbare wegen, water- en spoorwegen en buisleidingen, het gebruik van luchthavens en het gebruik van windmolens. Een viertal begrippen is van belang: het plaatsgebonden risico (PR), brand-, explosie- en gifwolkaandachtsgebieden (BAG, EAG en GAG), voorschriftengebieden en het groepsrisico (GR). Deze begrippen vullen elkaar aan en leiden gecombineerd met elkaar tot een voldoende (en afgewogen) beschermingsniveau per functie en locatie. 5.5.2

Regelgeving

De Omgevingswet geeft aan welke instructieregels worden gesteld over met het oog het waarborgen van de veiligheid, het beschermen van de gezondheid en het beschermen van het milieu, met betrekking tot de externe veiligheidsrisico's van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen, in ieder geval ter uitvoering van de Seveso-richtlijn. Deze instructieregels zijn opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. De instructieregels gaan in op het plaatsgebonden risico, aandachtsgebieden, voorschriftengebieden en het groepsrisico in relatie tot beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Wat er onder beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties valt, is opgenomen in Bijlage VI van het Bkl. In de bijlagen VII, VIII, IX en X van het Bkl staan de risicovolle activiteiten genoemd. 5.5.3

Gemeentelijk beleid

Uitvoeringsbeleid Externe veiligheid Amsterdam 2012 Het Uitvoeringsbeleid Externe veiligheid Amsterdam (vastgesteld op 8 juni 2012 door burgemeester en wethouders) gaat nader in op de manier waarop Amsterdam omgaat met externe veiligheid in de besluitvorming. Het doel van Amsterdam is om risico's zoveel mogelijk te beperken. Dit kan via bronmaatregelen en ruimtelijke maatregelen. Bronmaatregelen zijn de meest effectieve maatregelen die kunnen worden genomen om het risico te beperken. Amsterdam continueert via dit uitvoeringsbeleid door in te zetten op clustering van risicobedrijven in het havengebied. Dit betekent dat in nieuwe ruimtelijke besluiten buiten het westelijk havengebied geen ruimte wordt gegeven aan nieuwe risicobedrijven. Ook wordt gekeken of er alternatieven zijn voor transport van gevaarlijke stoffen door dicht bevolkt gebied. Hierbij kan gedacht worden aan vervoer per water of door buisleidingen in plaats van vervoer per spoor door de stad. Het uitvoeringsbeleid hanteert de lijn dat nieuwe overschrijdingen van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico slechts met expliciete toestemming van het bevoegd gezag kan worden toegestaan. Reeds bekende overschrijdingen langs de A10 Zuid en West worden vooralsnog verantwoord geacht omdat er met het Rijk maatregelen zijn overeengekomen ter reductie van de risico´s.

Om de risico's voor kwetsbare, minder zelfredzame groepen (kinderen, ouderen, zieken) te verminderen bestemmingsplan_TAM-omgevingsplan H22J De Houthaven 2013 1e wijziging (vastgesteld)

blz. 29

is het niet wenselijk dat deze groepen te dichtbij risicobronnen verblijven. Deze groepen zijn minder zelfredzaam in geval van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Concreet betekent dit dat in nieuwe ruimtelijke plannen een strook langs transportassen met structureel vervoer van gevaarlijke stoffen (rijkswegen 80 meter, enkele spoortrajecten 100 meter, hogedruk aardgasleidingen circa 25 tot 175 meter) en rond risicobedrijven wordt vrijgehouden van nieuwe kwetsbare, minder zelfredzame groepen. Afwijking is mogelijk mits door het bevoegd gezag expliciet is toegestaan. 5.5.4

Besluitgebied

De nieuwe steigers blijven buiten explosieaandachtsgebied, maar één van de nieuwe steigers komt deels binnen gifwolkaandachtsgebied te liggen. Onderstaande afbeelding geeft de ligging van (een deel van) het plangebied weer ten opzichte van nabij gelegen risicobronnen. Alleen de bestaande steigers zijn in onderstaande afbeelding weergegeven.

Afbeelding 5.5.1: Uitsnede risicok aart en ligging plangebied (bron: risicokaart.nl) De nieuw te realiseren steigers (de Wiborgsteiger en de Narvasteiger) en de Haparandasteiger liggen (deels) binnen en deels buiten het gifwolkaandachtgebied (GAG). Officieel geldt het GAG echter nog niet, deze gaat waarschijnlijk vanaf januari 2026 gelden. Voor bouwwerken in het GAG geldt de bouwmaatregel dat het pand voorzien is van handmatig afsluitbare ventilatie. De handmatig afsluitbare ventilatie is een standaard bouwmaatregel. Ook bouwwerken buiten het GAG moeten hierover beschikken. Conclusie Het aspect omgevingsveiligheid staat de uitvoerbaarheid van voorliggend TAM-omgevingsplan niet in de weg.

Gemeente Amsterdam

blz. 30

5.6

Bodem en ondergrond

5.6.1

Wettelijk kader

In het kader van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties dient voorkomen te worden dat bodemgevoelige activiteiten op verontreinigde grond plaats vinden. Gelet hierop bevat paragraaf 5.1.4.5.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) instructieregels voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie. Een bodemgevoelige locatie is: 1. een locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit; 2. een onmiddellijk aan een bodemgevoelig gebouw grenzende aaneengesloten tuin of een daaraan grenzend aaneengesloten terrein. Een bodemgevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn of een woonschip of woonwagen, met uitzondering van een bijbehorend bouwwerk van ten hoogste 50 m2. Gelet op artikel 5.89j van het Bkl moeten bij het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie de waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit in acht genomen worden. Bij overschrijding van die waarden mag alleen gebouwd worden als sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen.

Deze beoordeling vindt plaats in het kader van de verlening van de omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken (zie hiervoor de artikelen 22.29 en 22.30 van het omgevingsplan evt aanpassen na vaststelling basisregeling). Desalniettemin dient bij de toelating van een bodemgevoelige gebouw aannemelijk te zijn dat de vergunning verleend kan worden en dat het plan financieel uitvoerbaar is. Daarom moet voorafgaand aan de vaststelling van de wijziging van het omgevingsplan (al dan niet dossier-) onderzoek worden gedaan naar de bodemkwaliteit in het besluitgebied. Bij een geconstateerde (potentiële) verontreiniging moet in verband met de uitvoerbaarheid van de wijziging van het omgevingsplan tevens in kaart worden gebracht welke maatregelen nodig zijn om het beoogde gebruik van de gronden te kunnen realiseren. 5.6.2

Bodemkwaliteitskaart gemeente Amsterdam

Op grond van de Wet bodembescherming en het Besluit bodemkwaliteit heeft de gemeenteraad de Nota bodembeheer Amsterdam en de daarbij horende bodemkwaliteitskaart vastgesteld. De Nota bodembeheer bevat onder meer het gebiedspecifiek beleid voor het toepassen van grond en baggerspecie. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is de wettelijke grondslag van die besluiten vervallen. Om een rechtsvacuüm te voorkomen voorziet artikel 22.1, onder b, van de Omgevingswet erin dat het gebiedspecifiek beleid en de bijbehorende kaarten onderdeel uitmaken van het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Op termijn worden deze kaarten en besluiten omgezet naar het nieuwe deel van het omgevingsplan. Bijlage 3A bij de Nota bodembeheer Amsterdam is de zonekaart waarin verschillende zones zijn gedefinieerd op basis van bodemkwaliteit en ophooggeschiedenis. Elke bodemkwaliteitszone heeft een bepaalde kwaliteit, die consequenties heeft voor het toegestane grondverzet en de kwaliteit van de grond die er op mag worden aangebracht, afhankelijk van de bodemfunctie.

bestemmingsplan_TAM-omgevingsplan H22J De Houthaven 2013 1e wijziging (vastgesteld)

blz. 31

Zones 1 en 2 op de bodemkwaliteitskaart hebben betrekking op locaties met een relatief schone bodem. Voorafgaand het bouwen van een bodemgevoelige gebouw is in deze zones in principe een vooronderzoek (dossieronderzoek) voldoende, tenzij dat onderzoek aanleiding geeft voor het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek. 5.6.3

Besluitgebied

De voorgenomen bouw van de steigers vindt plaats in gebied dat niet in kaart is gebracht op de Bodemkwaliteitskaart (de steigers liggen in het water). Er vinden voor het plaatsen van de steigers geen substantiële bodemingrepen plaats. Het aspect bodem hoeft daardoor niet verder inzichtelijk gemaakt te worden. 5.6.4

Niet gesprongen explosieven

Niet-gesprongen explosieven zijn ontplofbare oorlogsresten, bijvoorbeeld uit de Eerste of Tweede Wereldoorlog. Ze leveren een gevaar op als ze verplaatst of aangeraakt worden bij graaf- of baggerwerkzaamheden. In Amsterdam wordt de NGE-bodembelastingkaart bijgehouden. NGE staat voor Niet Gesprongen Explosieven. Op deze 'bommenkaart' is te zien waar mogelijk oude vliegtuigbommen (blindgangers) uit WOII in de bodem zitten. Deze informatie is van belang voor het inplannen of uitvoeren van grootschalige (grond)werkzaamheden. Wanneer een gebied als 'verdacht' is aangemerkt is een uitgebreid bodemonderzoek nodig, tenzij de grond sinds 1945 geroerd is of nieuwe grondlagen zijn aangebracht. Besluitgebied De projectlocatie is op de bommenkaart gemeente Amsterdam deels aangewezen als verdacht gebied

Gemeente Amsterdam

blz. 32

Afbeelding 5.6.2: uitsnede bommenkaart Amsterdam T&A Survey BV heeft in 2020 nader onderzoek uitgevoerd (zie ook Bijlage 7 bij deze toelichting) en concludeert dat er geen metalen objecten zijn waargenomen die duiden op de mogelijke aanwezigheid van explosieven. Het gebied is vrij van explosieven verklaard.

5.7

Water

5.7.1

Regelgeving

Instructieregels Besluit kwaliteit leefomgeving Artikel 5.37 van het Besluit kwaliteit leefomgeving schrijft voor dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Daarbij worden, voor een duiding van die gevolgen, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Op grond van dit artikel dient afstemming plaats te vinden met de waterbeheerder (Rijk, provincie, waterschap of gemeente). De verplichte weging van waterbelangen in afstemming met de waterbeheerder wordt ook 'watertoets' genoemd. In verband met de waterveiligheid bepaalt artikel 5.38 van het Besluit kwaliteit leefomgeving dat een omgevingsplan moet waarborgen dat er geen belemmeringen ontstaan voor de instandhouding, het onderhoud of de versterking van de primaire waterkering. Omgevingsverordening provincie Noord-Holland De provincie heeft als taak de kwaliteit van het grondwater te beschermen in grondwaterbeschermingsgebieden (artikel 2.18 Omgevingswet). In de omgevingsverordening moet de provincie daarom regels opnemen voor het beschermen van de kwaliteit van het grondwater. De grondwaterbeschermingsgebieden liggen buiten het grondgebied van de gemeente Amsterdam.

Op grond van artikel 6.84 van de Omgevingsverordening NH2022 moet het omgevingsplan voorzien in bestemmingsplan_TAM-omgevingsplan H22J De Houthaven 2013 1e wijziging (vastgesteld)

blz. 33

regels die waterkerende activiteiten beschermen. In principe zijn in het werkingsgebied van de regionale waterkeringen – de beschermingszone - op grond van artikel 6.85 geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk. Alleen in overeenstemming met de waterbeheerder en de provincie is dit mogelijk. Onderstaande afbeelding geeft de regionale waterkeringen aan. Het TAM-omgevingsplan maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk binnen werkingsgebieden van regionale waterkeringen dan wel de beschermingszone van dergelijke keringen. Waterschapsverordening In de Waterschapsverordening zijn regels gesteld over onder meer de compensatie van verhard oppervlak in verband met het verlies aan waterberging in de bodem en de verhoogde afvoer van hemelwater op het oppervlaktewater. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient voldoende waterberging te worden aangelegd, zodat dit niet afgewenteld wordt op de omgeving. Daarom dient waterneutraal te worden gebouwd. Voldoende compenserende maatregelen dienen hiertoe getroffen te worden. Een maatwerkberekening is vereist waar het om een aanzienlijke verharding gaat, om de benodigde waterbergingscapaciteit te kwantificeren. Standaard wordt gecompenseerd in vergroting van het wateroppervlak. Maar als gevolg van verdere verstedelijking neemt de druk op de openbare ruimte toe waardoor de openbare ruimte vaak multifunctioneel wordt benut.

Hierdoor is de ruimte beperkt om waterberging te realiseren. Er zijn vormen van waterberging ontwikkeld die een alternatief kunnen vormen voor het realiseren van extra oppervlaktewater. De beleidsregels van het hoogheemraadschap geven ruimte aan de toepassing van deze andere vormen van waterberging. In de Waterschapsverordening Amstel, Gooi en Vecht, artikel 2.4 lid 1, is bepaald dat het verboden is zonder omgevingsvergunning het verhard oppervlak in stedelijk gebied uit te breiden met meer dan 1.000m2. In artikel 2.5 lid 1 van de verordening is bepaald dat de toename van de afvoer van hemelwater vanaf verhard oppervlak op het watersysteem wordt gecompenseerd door open water met een omvang van 10% van de uitbreiding van het verhard oppervlak. Voorliggend TAM-omgevingsplan leidt niet tot een toename van verhard oppervlak, dan wel van een toename van de afvoer van hemelwater vanaf verhard oppervlak. Steigers zijn waterdoorlatend. Overige vergunningplichtige activiteiten Voor activiteiten in en rondom beperkingengebieden zoals bijvoorbeeld een oppervlaktewaterlichaam, een waterkering of dijklichaam, het aanleggen van een bouwwerk, maar ook het onttrekken van grondwater is een omgevingsvergunning van het waterschap vereist. 5.7.2

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16619462/1