CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2b. TAM-omgevingsplan H22J De Houthaven 2013 1e wijziging_Toelichting.pdf

RAAD 18 februari 2026, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Vaststellen van het TAM-omgevingsplan H22J De Houthaven 2013 1e wijziging (VN2025-018682)11.978 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Besluitgebied

Onderstaande afbeelding geeft de grens van het beheersgebied van Waterschap AGV weer.

Gemeente Amsterdam

blz. 34

Het besluitgebied valt binnen het beheersgebied van het waterschap Amstel Gooi en Vecht (Agv). Waterkeringen Het TAM-omgevingsplan maakt het niet mogelijk dat activiteiten worden uitgeoefend binnen – of in een gebied nabij een waterkering. Waterberging Het TAM-omgevingsplan leidt niet tot een toename van verharding. Compensatie is niet noodzakelijk. Gebruik materialen Voor de bouw van de steigers worden geen materialen gebruikt die de kwaliteit van het regen- en oppervlaktewater negatief beïnvloeden, zoals uitloogbare materialen als koper, zink, lood of geïmpregneerd hout. Grondwater Er is geen sprake van onderkeldering van gebouwen of bouwwerken. Het laten uitvoeren van geohydrologisch onderzoek is niet aan de orde. Ondergrondse gebouwen Het TAM-omgevingsplan H22J De Houthaven 2013 1e wijziging maakt geen ondergrondse bebouwing mogelijk. bestemmingsplan_TAM-omgevingsplan H22J De Houthaven 2013 1e wijziging (vastgesteld)

blz. 35

Waterkwaliteit Het TAM-omgevingsplan leidt niet tot een verslechtering van de waterkwaliteit. Bij de realisatie van de steigers worden niet uitlogende materialen gebruikt.

5.8

Ecologie

5.8.1

Algemeen

Bij ruimtelijke ontwikkelingen en projecten moet rekening worden gehouden met (beschermde) natuurwaarden in de omgeving. Het toegelaten gebruik mag er namelijk niet toe leiden dat hierdoor te beschermen waarden van een bepaald gebied of bepaalde planten- en diersoorten worden aangetast. Het wijzigen van het omgevingsplan kan gevolgen hebben voor natuurgebieden waarvoor op grond van nationale of internationale regelgeving of nationaal of gemeentelijk beleid een speciaal beschermingsregime geldt. Dit noemen we gebiedsbescherming. Deze gebieden hoeven overigens niet in het besluitgebied zelf te liggen. Activiteiten in een besluitgebied kunnen namelijk negatieve gevolgen op een gebied (ver) daarbuiten hebben. Dit heet externe werking. Bij alle plannen/projecten in parken, groengebieden, de Hoofdgroenstructuur en NNN wordt in een vroegtijdig stadium een ecoloog geraadpleegd. Daarnaast kunnen individuele dier- en plantensoorten bescherming genieten ongeacht waar zij voorkomen (soortenbescherming). Zowel met gebieds- als soortenbescherming moet rekening worden gehouden bij de vaststelling van het omgevingsplan. 5.8.2

Beleid en regelgeving

Natura 2000 Op grond van de Vogel- en van de Habitatrichtlijn zijn door de Europese lidstaten gebieden aangewezen die onderdeel uitmaken van de Europese ecologische hoofdstructuur, ook wel Natura 2000-gebieden genoemd. Voor die gebieden geldt een zware bescherming en zijn doelstellingen voor de daar voorkomende beschermde planten- of diersoorten vastgesteld. Indien een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt, moet worden onderzocht of de ontwikkeling significante negatieve effecten heeft op de soorten en/of habitattypen waar doelstellingen voor zijn. Sommige negatieve effecten, zoals die van stikstof, kunnen verreiken. De natuurbeschermingswetgeving vereist dat het zeker moet zijn dat significant nadelige effecten op Natura 2000-gebieden als gevolg van het plan of project uitgesloten zijn, voordat toestemming verleend wordt voor dat plan of project. Als het niet op voorhand zeker is dat dergelijke effecten uitgesloten zijn, moet een zogenoemde passende beoordeling opgesteld worden en een omgevingsvergunning bij Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Holland (namens deze: de Omgevingsdienst Noord-Holland-Noord) worden aangevraagd voor een Natura2000-activiteit.

Als uit de passende beoordeling blijkt dat die effecten ook niet met te treffen maatregelen kunnen worden uitgesloten, dan moet de zogenoemde ADC-toets worden doorlopen: er zijn geen Alternatieven, er is sprake van Dwingende redenen van openbaar belang en er vindt Compensatie plaats. Dit moet in het te nemen besluit gemotiveerd worden. Natuurnetwerk Nederland Voor heel Nederland zijn natuurgebieden met verbindingszones vastgelegd. Dit Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een belangrijk middel om de hoofddoelstelling van het natuurbeleid te bereiken:

Gemeente Amsterdam

blz. 36

natuur en landschap behouden, versterken en ontwikkelen, als essentiële bijdrage aan een leefbaar Nederland en een duurzame samenleving. Het NNN moet er onder meer toe bijdragen dat afspraken over het behoud en het herstel van biodiversiteit worden nagekomen. De verbindingen zijn grensoverschrijdend, als je uitzoomt zie je dat de verbindingen in Europa met elkaar zijn verbonden, zodat diersoorten zich vrij kunnen bewegen en vermengen over Europa en de grote natuurgebieden kunnen bereiken. Provinciale Staten van Noord-Holland hebben op grond van artikel 7.6 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in de provincie Noord-Holland gebieden aangewezen als NNN en als natuurverbindingen die onmisbaar zijn voor het volwaardig functioneren van het NNN. Beschermde soorten Vrijwel alle in Nederland in de vrije natuur voorkomende flora en fauna is beschermd. Soortenbescherming is een onderdeel van de Omgevingswet en Besluit activiteiten leefomgeving. De soortenbescherming geldt zowel binnen als buiten speciaal beschermde natuurgebieden. Met verschillende wetsinstrumenten is het mogelijk om te zorgen voor de bescherming van flora en fauna. Dit voorkomt achteruitgang van de biodiversiteit.

Dit betekent onder meer dat het verboden is om vogels, zoogdieren, amfibieën, reptielen en een aantal vissoorten te verstoren, te vangen of te doden en dat het verboden is om hun rust-, verblijfs-, en nestplaatsen uit te halen of te vernielen. Wilde planten mogen niet worden uitgestoken. Hoofdgroenstructuur De Hoofdgroenstructuur bevat de minimaal benodigde hoeveelheid stedelijk groen en bijbehorende waterstructuren. Het gaat om bestaand groen met een wijkoverstijgende functie. Daarnaast kan de waarde van een groengebied een reden zijn om het aan de Hoofdgroenstructuur toe te voegen. Denk hierbij aan waarde voor een klimaatbestendige stad, voor de gezondheid of voor de natuur. Om een groen netwerk te realiseren zijn verbindingen nodig. Daarom vallen ook die onder de Hoofdgroenstructuur. Op de toetskaart in het beleidskader staan alle bestaande groengebieden ingetekend die tot de Hoofdgroenstructuur behoren. Om de diversiteit van het groen te bewaken wordt gewerkt met zogenaamde 'groentypen'. In het ene groentype kan meer dan in het andere groentype. Zo biedt een stadspark gericht ruimte aan voorzieningen om te wandelen, fietsen, sporten en spelen of elkaar te ontmoeten, naast groene attracties zoals een natuurpad, bloemweide, rosarium of kruidentuin. In een natuurpark draait het juist om beleving van natuur en stilte.

Beschermen en bevorderen van de natuurwaarde en biodiversiteit zijn hier het meest belangrijk. De groenfunctie van de Hoofdgroenstructuur wordt streng 'bewaakt': alleen plannen of initiatieven die zorgen voor een verbetering van de Hoofdgroenstructuur zijn toegestaan. Initiatieven die daarentegen een aantasting ervan vormen niet. 5.8.3

Besluitgebied

5.8.3.1 Ecologie Staro BV heeft in opdracht van de gemeente Amsterdam een Quickscan natuur uitgevoerd. In deze paragraaf is een samenvatting van de onderzoeksresultaten opgenomen. Het volledige onderzoek is opgenomen als Bijlage 3. Natura 2000-gebieden

bestemmingsplan_TAM-omgevingsplan H22J De Houthaven 2013 1e wijziging (vastgesteld)

blz. 37

Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt op ongeveer 4,4 km afstand. Het besluitgebied ligt buiten Natura 2000-gebied. Effecten kunnen uitsluitend optreden als gevolg van externe factoren. Via een AERIUS-berekening zijn eventuele effecten berekend. Voor de uitkomst van deze berekening wordt verwezen naar subparagraaf 5.8.3.1 Uitkomsten Stikstofonderzoek. Natuurnetwerk Nederland Het besluitgebied maakt geen onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) Hoofdgroenstructuur Het besluitgebied maakt geen onderdeel van de Hoofdgroenstructuur. Ecologische structuur Het besluitgebied maakt geen onderdeel uit van de Ecologische structuur Hoofdbomenstructuur Binnen het besluitgebied komen geen bomen voor die onderdeel zijn van de Hoofdbomenstructuur. KRW Oppervlaktewaterlichamen Het water in het besluitgebied is aangewezen als KRW-oppervlaktewaterlichaam. Beschermde soorten In het besluitgebied komen mogelijk verschillende soorten voor die zijn beschermd. Er komen mogelijk huismussen en gierzwaluwen voor, maar die worden niet direct door de werkzaamheden gedeerd. Voor sommige soorten geldt wel dat maatregelen moeten worden uitgevoerd. Het TAM-omgevingsplan staat het uitvoeren van maatregelen niet in de weg. 5.8.3.2 Stikstofdepositie Els en Linde B.V.heeft in opdracht van de gemeente Amsterdam stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd (zie Bijlage 4).

Het onderzoek is uitgevoerd voor de Natura 2000-gebieden Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld en Twiske (afstand ca. 4,5 km) en Polder Westzaan (afstand ca. 7,1 km). Overige Natura 2000-gebieden liggen op grotere afstand van het perceel. Zowel de bouwfase als de gebruiksfase zijn onderzocht. Uit de berekeningen volgt dat er tijdens de bouwfase geen sprake is van een significante verhoging van depositie. Berekend is dat bij de gebruiksfase geen sprake van significantie verhoging van depositie is, als 12 of minder woonschepen uit de Oude Houthaven en Haparandam en Haparandasteiger een nieuwe plek innemen in de Houthaven en niet worden aangesloten op het warmtenet. Als er meer dan 12 terugkerende woonschepen niet op het warmtenet komen - dus een individuele, niet elektrische verwarming hebben - dan is wel sprake van depositie (een toename van 0,01 mol/ha). Met een aanvullende beoordeling (zie Bijlage 5) heeft Els en Linde inzichtelijk gemaakt of de toename van depositie wel of niet significante invloed heeft op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Gemeente Amsterdam

blz. 38

Geconcludeerd is dat dit niet het geval is. De zeer geringe depositie vindt plaats in habitattype veenmosrietland en hoogveenbos. De ontwikkeling van de totale depositie binnen het habitattype veenmosrietland laat een dalende trend zien. Binnen hoogveenrietland komt de depositie niet boven de Kritische Depositie Waarde uit.

5.9

Cultuurhistorie en archeologie

5.9.1

Algemeen

Cultureel erfgoed is overal in onze samenleving aanwezig. In musea, historische binnensteden en in het landelijk gebied. Maar ook in de bodem en onder water. En als immaterieel erfgoed in tradities, rituelen en verhalen. Het vertelt over waar we vandaan komen, wie wij zijn en hoe we ons ontwikkelen. Cultureel erfgoed is als onderdeel van de fysieke leefomgeving medebepalend voor de kwaliteit van die leefomgeving. Het gaat hierbij om bekende of aantoonbaar te verwachten overblijfselen, voorwerpen of andere sporen van menselijke aanwezigheid in het verleden en de terreinen waarin of waarop deze zich bevinden (archeologische monumenten) en andere door de mens tot stand gebrachte of in wisselwerking tussen de mens en omgeving ontstane objecten, ensembles, patronen en structuren (gebouwde en aangelegde monumenten, stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen), die onderdeel uitmaken van onze fysieke leefomgeving en een beeld geven van een historische situatie of ontwikkeling. Cultureel erfgoed bepaalt in hoge mate de identiteit en de omgevingskwaliteit van Amsterdam en biedt aanknopingspunten voor toekomstige ontwikkelingen. De cultuurhistorisch rijke en bijzondere woonomgeving is bepalend voor hoe bewoners en bezoekers de stad beleven.

Door de eeuwen heen zijn unieke plekken ontstaan die ieder op eigen wijze bijdragen aan de kwaliteit van de stad en waarmee mensen zich verbonden voelen. Niet alleen de beschermde stadsgezichten zoals de grachtengordel, Plan Zuid van H.P. Berlage, een deel van de Westelijke Tuinsteden, de tuin- en dijkdorpen en de vele gebouwde monumenten in de stad hebben cultuurhistorische waarde. Ook historische landschappelijke structuren en elementen zoals waterwegen, dijken en archeologische resten in de bodem zijn waardevol. Hetzelfde geldt voor de ruimtelijke opbouw van Amsterdam als lobbenstad, gelegen te midden van waardevolle cultuurlandschappen. Ten slotte is ook de rijke traditie van integraal stedenbouwkundig ontwerpen in Amsterdam een vorm van (immaterieel) erfgoed. 5.9.2

Regelgeving

De Omgevingswet en de uitvoeringsregels (AMvB's en Omgevingsregeling) regelen waar het gaat om het behoud van cultureel erfgoed bepaalde zaken landelijk, maar de toepassing en uitvoering van de regelgeving vinden veelal lokaal plaats, in het omgevingsplan. Het omgevingsplan beziet alle aspecten van de fysieke leefomgeving op integrale wijze, inclusief cultureel erfgoed en is daarmee het eerst aangewezen instrument om uitvoering te geven aan behoud van cultureel erfgoed. De vrijheid om daar op lokaal niveau een eigen invulling aan te geven, wordt ingekaderd door de Omgevingswet en de AmvB's (bijvoorbeeld het daarin gehanteerde begrippenkader en de instructieregels), provinciale instructieregels en instructiebesluiten van het Rijk of de provincie. Artikel 5.130 van het Bkl bepaalt dat in een omgevingsplan rekening moet worden gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. Het rekening houden met cultureel erfgoed betekent dat het bevoegd gezag een analyse moet maken van het aanwezige cultureel erfgoed en de conclusies daarvan moet vertalen in het omgevingsplan. Het bevoegd gezag moet daartoe een toereikend beschermingsregime instellen. Dit vertaalt zich over het bestemmingsplan_TAM-omgevingsplan H22J De Houthaven 2013 1e wijziging (vastgesteld)

blz. 39

algemeen in regels in het omgevingsplan die ertoe kunnen leiden dat bepaalde activiteiten in het geheel niet kunnen plaatsvinden of dat activiteiten slechts onder beperkingen kunnen plaatsvinden. Die beperkingen kunnen in de vorm van voorschriften aan een in het omgevingsplan opgenomen omgevingsvergunning worden verbonden. 5.9.3

Te beoordelen aspecten

5.9.3.1 Archeologie De bodem van Amsterdam zit vol met overblijfselen uit het verleden. Bijzondere schatten die verbonden zijn met het allereerste begin van Amsterdam en daardoor behoren tot het collectief geheugen van de stad en haar inwoners. De gemeente heeft de wettelijke verplichting om archeologische belangen mee te wegen in bouwprocessen en stedelijke ontwikkeling, en onderzoek in te passen. Dit was reeds op grond van de Erfgoedwet voorgeschreven en in de Omgevingswet is dit nog een keer benadrukt, met de toevoeging dat de archeologische verwachting goed onderbouwd moet zijn.In de Omgevingswet wordt in de begripsbepalingen voor de definitie van archeologisch monument verwezen naar artikel 1.1 van de Erfgoedwet. Een archeologische toevalsvondst van algemeen belang is onder de Omgevingswet een “onverwachte vondst in of op de bodem, anders dan bij het doen van opgravingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet, voor zover evident of vermoedelijk van algemeen belang uit het oogpunt van de archeologische monumentenzorg”. Gemeenten moeten in het omgevingsplan rekening houden met bekende archeologische monumenten en met aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. Aantoonbaar te verwachten betekent dat de mogelijkheid tot het aantreffen van een archeologisch monument goed onderbouwd moet zijn.

Op basis van een archeologische Quick Scan (BMA, 27 januari 2010, zie Bijlage 6) is vast komen te staan dat binnen het besluitgebied geen archeologische overblijfselen in de bodem meer worden verwacht. Om die reden is geen archeologisch vervolgonderzoek noodzakelijk. 5.9.3.2 Cultuurhistorie Voorliggend TAM-omgevingsplan valt niet binnen beschermd stads- of dorpsgezicht.

5.10

Duurzaamheid en klimaatadaptatie

Er wordt onder meer duurzaam gebouwd met keurmerk 100% FSC hout, dat als regulier materiaal voor steigerdek wordt gebruikt in Amsterdam.

Gemeente Amsterdam

blz. 40

bestemmingsplan_TAM-omgevingsplan H22J De Houthaven 2013 1e wijziging (vastgesteld)

blz. 41

Hoofdstuk 6 6.1

Juridische toelichting

Omgevingsplan

Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden en sindsdien heeft de gemeente één omgevingsplan voor het hele grondgebied. Het omgevingsplan bestaat onder andere uit alle bestemmingsplannen. Het omgevingsplan kan worden gewijzigd. Bij een wijziging van het omgevingsplan moeten de STOP-TPOD (Standaard voor officiële publicaties en Toepassingsprofielen omgevingsdocumenten) standaarden gehanteerd te worden. Omdat het vooralsnog niet mogelijk is het omgevingsplan te wijzigen middels STOP-TPOD, kan gebruik gemaakt worden van TAM-IMRO (Tijdelijke Alternatieve Maatregel - InformatieModel Ruimtelijke Ordening) om het omgevingsplan te wijzigen. De TAM-IMRO wijziging omgevingsplan maakt juridisch onderdeel uit van het omgevingsplan.

6.2

Artikelsgewijze toelichting

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1 Algemeen regelt in lid 1.1 de positie van dit TAM-omgevingsplan binnen het omgevingsplan gemeente Amsterdam (sub a), dat de regels uit dit TAM-omgevingsplan aanvullend zijn op het bestemmingsplan De Houthaven 2013 (sub b) en dat de regels uit TAM-plan H22J De Houthaven 2013 1e wijziging binnen het besluitgebied van dit tam-plan gelden. Artikel 2 Begripsbepalingen bevat een aantal begripsbepalingen Hoofdstuk 2 Ruimtelijke regels over het gebruik van gronden en bouwwerken De regels in dit hoofdstuk zijn deels algemene regels (artikel 3 Algemeen), van toepassing op het gehele besluitgebied van TAM-omgevingsplan H22J De Houthaven 2013 1e wijziging (en daarmee ook van toepassing op het gehele besluitgebied van bestemmingsplan De Houthaven 2013) en deels specifieke regels (Artikel 4 Water), van toepassing op het bij de regel horende werkingsgebied, zoals bepaald op de verbeelding. Zo zijn de regels uit artikel 3.1 Maximum aantal woningen op een groter gebied van toepassing, dan de regels uit Artikel 4 Water. Artikel 4 Water geldt uitsluitend ter plaatse van het werkingsgebied van dit artikel, zoals aangegeven op de verbeelding ter plaatse van het gebruiksdoel Water.

Arikel 3.2 Lengte bijboten bepaald dat binnen het werkingsgebied van dit artikel, bijboten bij woonschepen een maximale lengte van 10 meter mogen hebben in plaats van 12 meter, zoals bepaald in het bestemmingsplan De Houthaven 2013 (artikel 12 lid 3, onder b sub 8). Een bijboot met een lengte van maximaal 10 meter sluit aan op de regels uit de Verordening op het binnenwater 2010. Artikel 4.1 Aanvulling specifieke gebruiksregels artikel 12.3 bestemmingsplan De Houthaven 2013, bevat regels, in aanvulling op het bepaalde in artikel 12.3 lid b bestemmingsplan De Houthaven 2013. Dit artikel maakt het mogelijk dat van de 50 toegestane ligplaatsen voor woonschepen, er maximaal 9 ligplaatsen ingenomen kunnen worden door woonschepen met lengte van 40,2 meter. 2 woonschepen met een lengte van maximaal 40,2 meter zijn toegestaan aan de Wiborgsteiger, 3 woonschepen met een maximale lengte van 40,2 meter zijn toegestaan aan de Narvasteiger en maximaal 4 woonschepen met een maximale lengte van 40,2 meter zijn toegestaan aan de Harparandadam en de

Gemeente Amsterdam

blz. 42

Harparandasteiger. Op onderstaande is de locatie van de Wiborgsteiger, de Narvasteiger, de Harparandadam en Harparandasteiger te vinden

In artikel 4.1 is verder bepaald dat een maximum breedte van 6,7 meter voor maximaal 7 ligplaatsen voor woonschepen binnen het werkingsgebied van artikel 4 Water toegestaan is, evenals een maximum hoogte van 5,4 meter (voor maximaal 5 ligplaatsen voor woonschepen) en een maximum hoogte stuurhut van 5,6 meter, over een lengte van maximaal 20% van het woonschip, voor maximaal 3 ligplaatsen voor woonschepen. Deze afwijkende maatvoering voor woonschepen geldt uitsluitend ten behoeve van woonschepen die deelnemen aan en een ligplaats kunnen innemen via het Plan verdeelproces definitieve ligplaatsen voor woonschepen in het Houthavengebied. Artikel 4.1 lid 6 bepaalt dat er ter plaatse van de functieaanduiding 'ligplaats' het aantal ligplaatsen niet meer bedraagt dan het aangegeven aantal ligplaatsen. Dit betreft maximaal 9 ligplaatsen ter plaatsen van de Wiborgsteiger en maximaal 9 ligplaatsen ter plaatse van de Narvasteiger. Deze 18 ligplaatsen maken onderdeel uit van de totaal 50 toegestane ligplaatsen voor woonschepen binnen de bestemming Water-2 (bestemmingsplan de Houthaven). Het totaal aantal toegestane ligplaatsen voor woonschepen in het plangebied De Houthaven 2013/ het werkingsgebied TAM-omgevingsplan H22J De Houthaven 2013 1e wijziging neemt niet toe ten opzichte van wat al mogelijk was.

Wel wordt de plek waar een deel van de ligplaatsen komen, nader gespecificeerd Hoofdstuk 3 Activiteiten met betrekking tot bouwen (Omgevingsplanactiviteit Bouwactiviteit) Artikel 5 Steigers schrijft voor dat voor steigers, in afwijking van het bepaalde in artikel 12.2.3 lid b van het bestemmingsplan De Houthaven 2013, een maximum van 115m2 per ligplaats geldt. In artikel 12.2.3. lid b bestemmingsplan De Houthaven 2013 is bepaald dat steigers bij bedrijfsvaartuigen en woonschepen een maximum oppervlak van 75m2 per ligplaats hebben. Vanwege aangescherpte brandweereisen is het maximum oppervlakte vergroot. Hoofdstuk 4 Slotbepaling bevat Artikel 6 Slotbepaling, waarin bepaald is hoe het TAM-omgevingsplan moet worden aangehaald. bestemmingsplan_TAM-omgevingsplan H22J De Houthaven 2013 1e wijziging (vastgesteld)

blz. 43

Hoofdstuk 7 7.1

Uitvoerbaarheid

Economische uitvoerbaarheid

De kosten voor het plan worden gedragen door de gemeente Amsterdam. De economische uitvoerbaarheid is hiermee verzekerd.

7.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

7.2.1

Participatie

De gemeente vindt het belangrijk om het TAM-omgevingsplan goed te laten aansluiten bij de plannen voor het bouwen van nieuwe steigers om zo de terugkeer van woonschepen mogelijk te maken net als het innemen van ligplaatsen voor woonschepen in Water-4 en waterwoningen in Water-5. Er is zodoende gekozen voor een vorm van participatie die gericht is op informeren over de procedure om tot wijziging van het omgevingsplan te komen. Daarnaast kan iedereen reageren met een zienswijze op het ontwerp omgevingsplan. Bijgesloten participatieplan geeft meer inzicht op de voorgenomen participatie, zie Bijlage 8. 7.2.2

Adviespartners

TAM-omgevingsplan H22J De Houthaven 2013 1e wijziging is aan verschillende adviespartners toegezonden, waaronder: Havenbedrijf Amsterdam Waterschap AGV V&OR/ stedelijk beheer Amsterdam De adviespartners hebben geen opmerkingen bij het TAM-omgevingsplan H22J De Houthaven 2013 1e wijziging 7.2.3

Ter inzage legging en zienswijzen

Na vrijgave ligt het ontwerp TAM-omgevingsplan H22J De Houthaven 2013 1e wijziging voor zes weken ter inzage. Binnen deze zes weken kan iedereen zienswijzen indienen. Dit kan schriftelijk of mondeling.

Gemeente Amsterdam

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16590851/1