CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2b. TAM-omgevingsplan H22A Sciencepark Kavel 12A_Toelichting.pdf

RAAD 19 februari 2026, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Vaststellen van het TAM-omgevingsplan H22A Sciencepark Kavel 12A (VN2025-018704)31.236 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

In dit afwegingskader is onder meer een gebiedsanalyse opgenomen waarin wordt aangegeven welke maatregelen per buurt nodig zijn en daarnaast technische eisen aan de aanleg van een kelder om de stroom van het grondwater in stand te houden. Beleidsregel Grondwaterneutrale Kelders Amsterdam

Gemeente Amsterdam

blz. 84

In de Beleidsregel Grondwaterneutrale Kelders Amsterdam, laatstelijk vastgesteld d.d. 7 februari 2022, door het college van burgemeester en wethouders zijn de criteria opgenomen waar aanvragen omgevingsvergunning voor kelders aan worden getoetst. Alleen een kelder die grondwaterneutraal kan worden aangelegd komt voor vergunningverlening in aanmerking. Deze beleidsregel is gedestilleerd uit het Afwegingskader dat op 20 januari 2021 door de gemeenteraad is vastgesteld. Hemelwaterverordening De Hemelwaterverordening Amsterdam regelt een verplichting voor nieuwe gebouwen en voor bestaande gebouwen die ingrijpend worden gerenoveerd, waaraan één of meer bouwlagen worden toegevoegd, of waarvan het bebouwde oppervlak wordt uitgebreid, om per m² minimaal 60 liter hemelwater te bergen en dit hemelwater over de opvolgende 60 uur af te voeren. Doel van deze verordening is om bij grote regenbuien, die steeds vaker voorkomen, waterschade in de stad zoveel mogelijk te voorkomen en daarmee een bijdrage te leveren aan een klimaatbestendige stad. De waterbergingseisen zijn het volgende. Vanaf gebouwen mag hemelwater op het riool of op de openbare ruimte geloosd worden nadat hemelwaterberging is aangebracht die in stand wordt gehouden. Een waterberging heeft een minimale capaciteit nodig van 60 liter per m2.

De berging dient binnen 60 uur weer leeg te zijn, zodat de capaciteit beschikbaar is voor de volgende bui. Voor hergebruiksystemen en centrale besturingssystemen gelden afwijkende eisen. Vergunningsvrij gebouwen voldoen aan de eisen als ze zijn voorzien van een groen dak, met minimaal 30 liter waterberging per m2. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet maakt de Hemelwaterverordening van rechtswege onderdeel uit van het tijdelijk deel van het Omgevingsplan. Aanvragen om een omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken worden aan de waterbergingseisen getoetst. Omgevingsprogramma Riolering 2022 – 2027 De gemeente Amsterdam heeft de wettelijke verantwoordelijkheid (zorgplicht) voor een aantal watertaken. De ambitie voor de taken op het gebied van stedelijk afvalwater, hemelwater en grondwater is vastgelegd in de Omgevingsvisie Amsterdam 2050, vastgesteld op 8 juli 2021. Deze ambitie is in het Omgevingsprogramma Riolering 2022 – 2027 (OPR) verder uitgewerkt, dat op 15 februari 2022 door het college van burgemeester en wethouders (onder voorbehoud van wensen en bedenkingen van de gemeenteraad) is vastgesteld. Hemelwaterberging Conform het OPR moet de capaciteit voor hemelwaterberging op publiek terrein minimaal 70 mm/uur zijn door bijv. hergebruik van hemelwater of verwerking op de eigen kavel.

De norm is daarbij in het OPR van 60 mm naar 70 mm verhoogd, op basis van het KNMI Klimaatsignaal '21. Ontwateringsdiepte In het OPR wordt ook ingezet op zorg dragen voor een ontwateringsdiepte die is afgestemd op de benodigde functies in het gebied, zoals wonen, transport en groen ten behoeve van een klimaatbestendige stad. Hierbij is een ontwateringdiepte van minimaal 90 cm de norm. De ontwateringsdiepte is het verschil tussen het maaiveldniveau en de gemiddeld hoogste grondwaterstand. Zowel het maaiveldniveau als de grondwaterstand kunnen binnen een relatief korte afstand toch variëren. bestemmingsplan_TAM-omgevingsplan H22A Sciencepark Kavel 12A (vastgesteld)

blz. 85

Vandaar dat de ontwateringsdiepte in praktijk ook van locatie tot locatie kan verschillen. Voldoende ontwateringsdiepte is essentieel voor stedelijke functies zoals bebouwing, wegen, bomen en hemelwaterinfiltratie. Een belangrijk aspect daarbij is het voorkomen van (grond)wateroverlast, nu en in de toekomst anticiperend op klimaatverandering. Een ontwateringsdiepte van 90 cm wordt daarbij gezien als duurzame norm voor een robuuste maaiveldhoogte.

11.2

Besluitgebied

De activiteiten vallen binnen het beheersgebied van het hoogheemraadschap Amstel Gooi en Vecht (Agv) Waterkeringen In de directe omgeving van de te realiseren woningen zijn geen waterkeringen. Zie ook onderstaande uitsnede van de legger van Waterschap AGV.

Uitsnede legger AGV (bron:waternet) Waterberging Door de activiteit is sprake van toename van verharding. Compensatie is noodzakelijk.

Gemeente Amsterdam

blz. 86

In de huidige situatie is er echter geen verharding aanwezig. Na realisatie van het bouwplan zal er ongeveer 2.000 m2 verharding aanwezig zijn. Netto toename verharding In de nieuwe situatie is er een totaal van 2.000 m2 aan oppervlakte verharding. In de huidige situatie is er een totaal van 0 m2 aan oppervlakte verharding. Na realisatie van het project is er sprake van een toename van 2.000 m2 oppervlakte verharding ten opzichte van de huidige situatie. Daarmee overschrijdt het project de ondergrens van een toename van 1.000 m2 oppervlakte verharding, waardoor compensatie aan de orde is. De compensatienorm voor Sciencepark stelt dat de toename van hemelwater vanaf het verhard oppervlak op het watersysteem wordt gecompenseerd door open water met een omvang van 15% van de uitbreiding van het verhard oppervlak. Ook geldt dat 15% van nieuw aan te brengen oppervlak in wateroppervlak (dempen van water) moet worden gecompenseerd. Vooralsnog is er echter geen sprake van het dempen van water. De benodigde watercompensatie zal worden opgelost binnen het huidige watersysteem van het Sciencepark. Hemelwaterberging Bij nieuwbouw dient een hemelwaterberging te worden aangebracht en in stand gehouden. De Hemelwaterverordening schrijft een hemelwaterberging voor die ten minste een capaciteit heeft van 60 liter per m2 bebouwd oppervlak.

In het geval van een gebouw met een footprint van 2.000 m2 betekent dit een hemelwaterafvoer van ten minste 120 m3. Daarnaast gelden de volgende voorschriften: Een hemelwaterbering loost maximaal 1 liter per m2 bebouwd oppervlak per uur op een openbaar riool en is na 60 uur leeg. Indien er een hemelwaterberging met hergebruik systeem wordt toegepast dat is de capaciteit 90 liter per m2 bebouwd oppervlak (in plaats van 60 liter per m2 bebouwd oppervlak), loost de hemelwaterafvoer maximaal 1 liter per m2 bebouwd oppervlak per uur op een openbaar riool, is de hemelwaterafvoer na 60 uur voor ten minste 33% leeg en na 14 dagen voor ten minste 66% en leegt het systeem het restant op basis van het gebruik van het hergebruiksysteem. Gebruik materialen Voor de nieuwbouw worden geen materialen gebruikt die de kwaliteit van het regen- en oppervlaktewater negatief beïnvloeden, zoals uitloogbare materialen als koper, zink, lood of geïmpregneerd hout. Grondwater bestemmingsplan_TAM-omgevingsplan H22A Sciencepark Kavel 12A (vastgesteld)

blz. 87

De bebouwing wordt niet onderkelderd. Het aspect grondwater is niet aan de orde. Ondergrondse gebouwen Het realiseren van ondergrondse gebouwen is niet aan de orde. Conclusie Op grond van bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het aspect water een aandachtspunt is maar geen belemmering vormt.

Gemeente Amsterdam

blz. 88

bestemmingsplan_TAM-omgevingsplan H22A Sciencepark Kavel 12A (vastgesteld)

blz. 89

Hoofdstuk 12

Ecologie

Bij ruimtelijke ontwikkelingen en projecten moet rekening worden gehouden met (beschermde) natuurwaarden in de omgeving. Het toegelaten gebruik mag er namelijk niet toe leiden dat hierdoor te beschermen waarden van een bepaald gebied of bepaalde planten- en diersoorten worden aangetast. Het wijzigen van het omgevingsplan kan gevolgen hebben voor natuurgebieden waarvoor op grond van nationale of internationale regelgeving of nationaal of gemeentelijk beleid een speciaal beschermingsregime geldt. Dit noemen we gebiedsbescherming. Deze gebieden hoeven overigens niet in het besluitgebied zelf te liggen. Activiteiten in een besluitgebied kunnen namelijk negatieve gevolgen op een gebied (ver) daarbuiten hebben. Dit heet externe werking. Bij alle plannen/projecten in parken, groengebieden, de Hoofdgroenstructuur en NNN wordt in een vroegtijdig stadium een ecoloog geraadpleegd. Daarnaast kunnen individuele dier- en plantensoorten bescherming genieten ongeacht waar zij voorkomen (soortenbescherming). Zowel met gebieds- als soortenbescherming moet rekening worden gehouden bij de vaststelling van het omgevingsplan.

12.1

Beleid en regelgeving

12.1.1 Gebiedsbescherming: Natura 2000 Op grond van de Vogel- en van de Habitatrichtlijn zijn door de Europese lidstaten gebieden aangewezen die onderdeel uitmaken van de Europese ecologische hoofdstructuur, ook wel Natura 2000-gebieden genoemd. Voor die gebieden geldt een zware bescherming en zijn doelstellingen voor de daar voorkomende beschermde planten- of diersoorten vastgesteld. Indien een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt, moet worden onderzocht of de ontwikkeling significante negatieve effecten heeft op de soorten en/of habitattypen waar doelstellingen voor zijn. Sommige negatieve effecten, zoals die van stikstof, kunnen verreiken. De natuurbeschermingswetgeving vereist dat het zeker moet zijn dat significant nadelige effecten op Natura 2000-gebieden als gevolg van het plan of project uitgesloten zijn, voordat toestemming verleend wordt voor dat plan of project. Als het niet op voorhand zeker is dat dergelijke effecten uitgesloten zijn, moet een zogenoemde passende beoordeling opgesteld worden en een omgevingsvergunning bij Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Holland (namens deze: de Omgevingsdienst Noord-Holland-Noord) worden aangevraagd voor een Natura2000-activiteit.

Als uit de passende beoordeling blijkt dat die effecten ook niet met te treffen maatregelen kunnen worden uitgesloten, dan moet de zogenoemde ADC-toets worden doorlopen: er zijn geen Alternatieven, er is sprake van Dwingende redenen van openbaar belang en er vindt Compensatie plaats. Dit moet in het te nemen besluit gemotiveerd worden. De voormalige Wet natuurbescherming is via het aanvullingsspoor beleidsneutraal omgezet in de Omgevingswet en het Besluit activiteiten leefomgeving (hfd. 11), zie Aanvullingswet natuur Omgevingswet (Stb. 2020, 310) en Aanvullingsbesluit natuur Omgevingswet (Stb. 2021, 22). Ook de Spoedwet aanpak stikstof (Stb. 2019,517), Verzamelwet LNV 2021 (Stb. 2021, 27) en de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Stb. 2021, 140) zijn opgegaan in de Omgevingswet.

Gemeente Amsterdam

blz. 90

12.1.2 Natuurnetwerk Nederland Voor heel Nederland zijn natuurgebieden met verbindingszones vastgelegd. Dit Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een belangrijk middel om de hoofddoelstelling van het natuurbeleid te bereiken: natuur en landschap behouden, versterken en ontwikkelen, als essentiële bijdrage aan een leefbaar Nederland en een duurzame samenleving. Het NNN moet er onder meer toe bijdragen dat afspraken over het behoud en het herstel van biodiversiteit worden nagekomen. De verbindingen zijn grensoverschrijdend, als je uitzoomt zie je dat de verbindingen in Europa met elkaar zijn verbonden, zodat diersoorten zich vrij kunnen bewegen en vermengen over Europa en de grote natuurgebieden kunnen bereiken. Provinciale Staten van Noord-Holland hebben op grond van artikel 7.6 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in de provincie Noord-Holland gebieden aangewezen als NNN en als natuurverbindingen die onmisbaar zijn voor het volwaardig functioneren van het NNN. 12.1.3 Beschermde soorten Vrijwel alle in Nederland in de vrije natuur voorkomende flora en fauna is beschermd. Soortenbescherming is een onderdeel van de Omgevingswet en Besluit activiteiten leefomgeving. De soortenbescherming geldt zowel binnen als buiten speciaal beschermde natuurgebieden. Met verschillende wetsinstrumenten is het mogelijk om te zorgen voor de bescherming van flora en fauna.

Dit voorkomt achteruitgang van de biodiversiteit. Dit betekent onder meer dat het verboden is om vogels, zoogdieren, amfibieën, reptielen en een aantal vissoorten te verstoren, te vangen of te doden en dat het verboden is om hun rust-, verblijfs-, en nestplaatsen uit te halen of te vernielen. Wilde planten mogen niet worden uitgestoken. 12.1.4 Bomenverordening De Bomenverordening is sinds 1 oktober 2016 van kracht en geldt voor de hele gemeente. Met behulp van de bomenverordening zorgt de gemeente ervoor dat het volume van het bomenbestand in de stad behouden blijft en dat er zorgvuldig wordt omgesprongen met de bomen. In de verordening staan regels over bijvoorbeeld kap, behoud, bescherming, handhaving en compensatie van bomen. In artikel 7 staat de Herplantplicht, waarbij het mogelijk is om bomen fysiek (één op één) te compenseren of als dat niet mogelijk is dat de monetaire waarde wordt gestort in het gemeentelijk herplantfonds. In de nota Compensatie en herplant van bomen wordt dit verder uitgewerkt. 12.1.5 Hoofdgroenstructuur In de Omgevingsvisie Amsterdam 2050 (vastgesteld in 2021) is de hoofdgroenstructuur opgenomen. De Hoofdgroenstructuur bevat de minimaal benodigde hoeveelheid stedelijk groen en bijbehorende waterstructuren. Het gaat om bestaand groen met een wijkoverstijgende functie.

Daarnaast kan de waarde van een groengebied een reden zijn om het aan de Hoofdgroenstructuur toe te voegen. Denk hierbij aan waarde voor een klimaatbestendige stad, voor de gezondheid of voor de natuur. Om een groen netwerk te realiseren zijn verbindingen nodig. Daarom vallen ook die onder de Hoofdgroenstructuur. Op de toetskaart in het beleidskader staan alle bestaande groengebieden ingetekend die tot de Hoofdgroenstructuur behoren.

bestemmingsplan_TAM-omgevingsplan H22A Sciencepark Kavel 12A (vastgesteld)

blz. 91

Toetskaart Hoofdgroenstructuur ter plaatse van het Sciencepark en omgeving Om de diversiteit van het groen te bewaken wordt gewerkt met zogenaamde 'groentypen'. In het ene groentype kan meer dan in het andere groentype. Zo biedt een stadspark gericht ruimte aan voorzieningen om te wandelen, fietsen, sporten en spelen of elkaar te ontmoeten, naast groene attracties zoals een natuurpad, bloemweide, rosarium of kruidentuin. In een natuurpark draait het juist om beleving van natuur en stilte. Beschermen en bevorderen van de natuurwaarde en biodiversiteit zijn hier het meest belangrijk. De groenfunctie van de Hoofdgroenstructuur wordt streng 'bewaakt': alleen plannen of initiatieven die zorgen voor een verbetering van de Hoofdgroenstructuur zijn toegestaan. Initiatieven die daarentegen een aantasting ervan vormen niet.

12.2

Besluitgebied

12.2.1 Onderzoek NWCadvies.nl heeft in opdracht van de gemeente Amsterdam onderzoek uitgevoerd naar de aanwezige natuurwaarden. In deze paragraaf wordt een samenvatting van de resultaten van de onderzoeken weergegeven. De volledige onderzoeken zijn opgenomen als Bijlage 5. Het onderzoeksgebied betreft kavel 12A op het Science Park Amsterdam. De ligging van het onderzoeksgebied is aangegeven in onderstaande afbeelding.

Gemeente Amsterdam

blz. 92

Onderzoek sgebied (bron: NWCadvies.nl) Natura 2000 Het projectgebied ligt op ongeveer 2,5 kilometer afstand van het Natura 2000-gebied Markeermeer & IJmeer.

Ligging projectgebied ten opzichte van Natura 2000-gebieden (bron: NWCadvies.nl) Doordat het plangebied buiten Natura 2000-gebieden ligt kunnen alleen effecten optreden als gevolg van

bestemmingsplan_TAM-omgevingsplan H22A Sciencepark Kavel 12A (vastgesteld)

blz. 93

externe werking. Effecten als gevolg van verdroging, versnippering, optische en mechanische verstoring door licht, geluid en trilling als gevolg van voorgenomen plannen zijn uit te sluiten. De uitstoot van stikstof gedurende de gebruiksfase als de bouwfase kan negatieve effecten hebben op Natura 2000-gebied. Dit dient te worden berekend middels een AERIUS-berekening. In paragraaf 12.3 wordt hier nader op ingegaan. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het projectgebied maakt geen onderdeel uit van de NNN. Op onderstaande afbeelding is de ligging van de NNN in de omgeving van het projectgebied weergegeven.

Ligging projectgebied ten opzichte van Natura NNN-gebieden (bron: NWCadvies.nl) Doordat het projectgebied geen onderdeel uitmaakt van de NNN en de relatief grote afstand is het uit te sluiten dat de voorgenomen plannen een negatief effect hebben op de wezenlijke kenmerken en waarden van NNN. Hoofdgroenstructuur gemeente Amsterdam Het projectgebied maakt geen onderdeel uit van de gemeentelijke hoofdgroenstructuur. Ecologische structuur Amsterdam De ecologische structuur maakt geen onderdeel uit van het projectgebied. Beschermde soorten Per soortgroep is beschreven welke soorten worden verwacht, wat de mogelijke effecten van de voorgenomen plannen zijn en of het nemen van mitigerende maatregelen nodig is. Flora

Gemeente Amsterdam

blz. 94

Het plangebied bestaat uit een grasveld van vermoedelijk Engels raaigras (Lolium perenne) (pas ingezaaid op moment van meten en dus niet goed te determineren) met hier en daar een Akkerdistel (Cirsium arvense). Op de westoever van de sloot staat Riet (Phragmites australis) met Grote brandnetel (Urtica dioica). De oostoever is niet begroeid. Naast het plangebied aan de westzijde van de sloot is een rij bomen aanwezig. Er zijn geen beschermde, kwetsbare of waardplanten aangetroffen binnen het plangebied. Daarom worden er geen negatieve effecten verwacht op de flora binnen het plangebied. Vleermuizen Alle vleermuissoorten worden volgens de Wet natuurbescherming beschermd. Daaronder vallen de verblijfplaatsen, foerageergebieden en vliegroutes. Er zijn geen geschikte openingen en ruimtes in de bebouwing aangetroffen die door vleermuizen als verblijfplaats gebruikt kunnen worden. Vlak langs het plangebied, langs de weg, is een bomenrij aanwezig die gezien kan worden als essentiële vliegroute. Verder zijn er geen essentiële foerageergebieden aanwezig binnen het plangebied. Ook zijn er geen verblijfplaatsen gevonden binnen het plangebied. Binnen het plangebied zijn geen geschikte locaties aangetroffen die door vleermuizen gebruikt kunnen worden als verblijfplaatsen. Het plangebied is niet geschikt als foerageergebied voor vleermuizen.

Naast het plangebied is een bomenrij aanwezig die als mogelijke vliegroute kan dienen. Wanneer de bomenrij intact blijft worden er geen verdere negatieve effecten op deze soortgroep verwacht. De toekomstige werkzaamheden hebben geen negatieve effecten op de functionele leefomgeving van vleermuizen. Er zijn daarom geen extra verplichtingen ten aanzien van deze groep, behalve de algemene zorgplicht. De zorgplicht is altijd van toepassing Grondgebonden zoogdieren In het plangebied zijn geen sporen gevonden die wijzen op de aanwezigheid van beschermde grondgebonden zoogdieren. De afwezigheid van geschikte vegetatie sluit de aanwezigheid van grondgebonden zoogdieren, zoals marterachtigen (Mustelidae) uit. Binnen het plangebied zijn geen geschikte verblijfplaatsen gevonden die door grondgebonden zoogdieren gebruikt kunnen worden. Er zijn geen sporen die op deaanwezigheid van deze soorten duiden aangetroffen. Er wordt daarom geen negatief effect op deze soortgroep verwacht door de voorgenomen plannen Vogels met een vaste verblijfplaats Nesten van vogels met een vaste verblijfplaats zijn jaarrond beschermd. Ook nesten van kraaiachtigen zijn jaarrond beschermd als ze in gebruik zijn door een vogelsoort met een vaste verblijfplaats. In en rond het plangebied zijn geen vogelsoorten met een vaste verblijfplaats aangetroffen.

Daarnaast zijn binnen het plangebied geen nesten aangetroffen voor vogels met een vaste verblijfplaats. Ook bij de omliggende bomen en gebouwen zijn geen nesten aangetroffen. De omliggende gebouwen zijn niet geschikt voor verblijfplaatsen. Het zijn grote, hoge kantoorgebouwen zonder dakpannen, een plat dak en met grote glazen wanden. Binnen het plangebied zijn geen geschikte locaties gevonden waar vogels met vaste verblijfplaatsen een nest zouden kunnen maken. Er worden dan ook geen negatieve effecten op deze soortgroep verwacht. Er gelden geen aanvullende verplichtingen voor deze soortgroep omdat er tijdens het veldbezoek geen bestemmingsplan_TAM-omgevingsplan H22A Sciencepark Kavel 12A (vastgesteld)

blz. 95

aanwijzingen zijn gevonden die kunnen wijzen op de aanwezigheid van vogels met vaste verblijfplaats. Voor de bestemmingswisseling geldt voor vogels met een vaste verblijfplaats volgens de Wet natuurbescherming de zorgplicht. Algemene broedvogels Er is één soort broedvogel waargenomen ten tijde van het veldbezoek. Dit betreft een Waterhoen (Gallinula chloropus) tussen het Riet (Phragmites australis) aan de noordwestzijde de sloot. Tijdens het bezoek zijn geen bestaande nesten van broedvogels aangetroffen in of rond het plangebied. Algemene broedvogels zijn beschermd tijdens het broedseizoen wanneer deze een nest met eieren en/of jongen hebben. Er zijn in het plangebied geen nesten aangetroffen van algemene broedvogels ten tijde van het veldbezoek. Er is maar een enkele soort aangetroffen in het plangebied. De westoever met Riet is geschikt voor onder andere Waterhoen en Meerkoet. De werkzaamheden kunnen tijdens het broedseizoen mogelijk negatieve effecten hebben op broedvogels binnen het gebied. Buiten die periode worden geen negatieve effecten verwacht door de beoogde plannen. Voor broedvogels geldt de zorgplicht volgens de Wet natuurbescherming. De voorgenomen plannen hebben binnen het broedseizoen mogelijk negatieve effecten. Daarom dient er zoveel mogelijk buiten dat seizoen gewerkt te worden. Deze periode loopt globaal van 15 maart tot en met 15 augustus.

Voorafgaand aan de start van de werkzaamheden dient een broedvogelcheck uitgevoerd te worden om het gebruik van het plangebied vast te stellen. Met name de aan of afwezigheid van nesten in het Riet langs de sloot. Reptielen en amfibieën Tijdens het veldbezoek zijn er geen amfibieën gezien of gehoord. De vegetatie in de sloot is niet geschikt voor amfibieën, zoals bijvoorbeeld de Rugstreeppad (Epidalea calamita) of Kamsalamander (Triturus cristatus). Tijdens het veldbezoek zijn geen geschikte plaatsen gevonden voor reptielen en amfibieën. Het water stroomt niet en er drijft veel roest. Het bodemsubstraat bestaat uit slib. Tevens zijn de oevers niet geschikt door de afwezigheid van oeverbeplanting aan de oostoever. Aan de westoever is Riet aanwezig met een kale, drassige bodem. Er worden daarom door de voorgenomen werkzaamheden geen negatieve effecten op deze soortengroep verwacht. Gebiedsbescherming Het plangebied bevindt zich op 2,5 kilometer van Natura 2000 gebied 'Markermeer & IJsselmeer'. Door de afstand en de schaal van de voorgenomen werkzaamheden in het plangebied is het mogelijk dat de beoogde plannen een (tijdelijke) bijdrage hebben op de totale stikstofdepositie, doordat er gebruik gemaakt zal worden van zware machines op fossiele brandstof.

Het is mogelijk dat de werkzaamheden een bijdrage leveren aan de totale stikstofdepositie in Natura 2000 gebied 'Markermeer & IJsselmeer'. Er worden naast dit effect geen andere verstorende factoren verwacht door de werkzaamheden binnen het plangebied.

Gemeente Amsterdam

blz. 96

12.3

Stikstofdepositie

In opdracht van de gemeente Amsterdam heeft KP adviseurs onderzoek naar stikstofdepositie uitgevoerd. Hieronder zijn de resultaten en conclusies van het onderzoek samengevat. Het volledige onderzoek is als Bijlage 6 opgenomen. In het onderzoek van de stikstofdepositie berekenen zijn de volgende resultaten berekend: In de bouwfase ontstaat geen relevante stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. In de gebruiksfase ontstaat geen relevante stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden.

bestemmingsplan_TAM-omgevingsplan H22A Sciencepark Kavel 12A (vastgesteld)

blz. 97

Hoofdstuk 13 13.1

Cultuurhistorie en archeologie

Wet- en regelgeving - algemeen

Cultureel erfgoed is overal in onze samenleving aanwezig. In musea, historische binnensteden en in het landelijk gebied. Maar ook in de bodem en onder water. En als immaterieel erfgoed in tradities, rituelen en verhalen. Het vertelt over waar we vandaan komen, wie wij zijn en hoe we ons ontwikkelen. Cultureel erfgoed is als onderdeel van de fysieke leefomgeving medebepalend voor de kwaliteit van die leefomgeving. Het gaat hierbij om bekende of aantoonbaar te verwachten overblijfselen, voorwerpen of andere sporen van menselijke aanwezigheid in het verleden en de terreinen waarin of waarop deze zich bevinden (archeologische monumenten) en andere door de mens tot stand gebrachte of in wisselwerking tussen de mens en omgeving ontstane objecten, ensembles, patronen en structuren (gebouwde en aangelegde monumenten, stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen), die onderdeel uitmaken van onze fysieke leefomgeving en een beeld geven van een historische situatie of ontwikkeling. Cultureel erfgoed bepaalt in hoge mate de identiteit en de omgevingskwaliteit van Amsterdam en biedt aanknopingspunten voor toekomstige ontwikkelingen. De cultuurhistorisch rijke en bijzondere woonomgeving is bepalend voor hoe bewoners en bezoekers de stad beleven.

Door de eeuwen heen zijn unieke plekken ontstaan die ieder op eigen wijze bijdragen aan de kwaliteit van de stad en waarmee mensen zich verbonden voelen. Niet alleen de beschermde stadsgezichten zoals de grachtengordel, Plan Zuid van H.P. Berlage, een deel van de Westelijke Tuinsteden, de tuin- en dijkdorpen en de vele gebouwde monumenten in de stad hebben cultuurhistorische waarde. Ook historische landschappelijke structuren en elementen zoals waterwegen, dijken en archeologische resten in de bodem zijn waardevol. Hetzelfde geldt voor de ruimtelijke opbouw van Amsterdam als lobbenstad, gelegen te midden van waardevolle cultuurlandschappen. Ten slotte is ook de rijke traditie van integraal stedenbouwkundig ontwerpen in Amsterdam een vorm van (immaterieel) erfgoed. 13.1.1 Internationale verdragen Verdrag van Granada Op de tweede ministerconferentie van de Raad van Europa, gehouden in Granada, werd op 3 oktober 1985 een overeenkomst bereikt inzake het behoud van het architectonische erfgoed van Europa. In 1994 is Nederland toegetreden tot het Verdrag van Granada, waarin staat de bescherming van het architectonische erfgoed een essentieel doel is van de ruimtelijke ordening: niet alleen bij de planologische uitwerking, maar ook het vormgeven aan ontwikkelingen.

Dit verdrag geeft een bredere definitie van erfgoed, waardoor bijvoorbeeld ook industrieel erfgoed, cultuurlandschappen, ensembles en roerend erfgoed binnen de term erfgoed kunnen worden opgenomen. Het verdrag bevat verder bepalingen betreffende inventarisatie, documentatie, bescherming en restauratie. De ruimtelijke ordening wordt hier voor het eerst aangegeven als middel voor instandhouding. Naast het voorkomen van achteruitgang heeft het opwaarderen van de directe omgeving van een beschermd monument een positieve invloed op de waardering en beleving ervan. Artikel 7 van het verdrag van Granada verplicht daarom tot maatregelen om de kwaliteit van de openbare ruimte rond beschermde monumenten, in beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen te verbeteren. In de Omgevingswet en de bijbehorende AMvB's is de regelgeving ten aanzien van de omgeving van monumenten geactualiseerd en in lijn gebracht met de bedoelingen van het Verdrag van Granada. Verdrag van Malta

Gemeente Amsterdam

blz. 98

Op 16 april 1992 hebben een aantal Europese lidstaten, w.o. Nederland, het Verdrag van Malta ondertekend. Dit verdrag wordt ook wel Conventie van Valletta genoemd. Aanleiding voor het opstellen van het verdrag was de toenemende bedreiging van het Europese archeologische erfgoed door natuurlijke processen, ondeskundig gebruik van het bodemarchief en door ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening. Uit het verdrag volgt onder meer dat bij projecten in de fysieke leefomgeving vroegtijdig rekening gehouden moet worden met bekende of te verwachten archeologische monumenten, die bij voorkeur in situ behouden moeten worden. Wanneer behoud in situ niet mogelijk is, is de verstoorder verantwoordelijk voor het doen van opgravingen en het documenteren van de archeologische waarde. Door het ondertekenen van het verdrag heeft Nederland zich verplicht tot het beschermen van het archeologisch erfgoed. De uitgangspunten van het verdrag zijn terug te vinden in de Erfgoedwet. De Omgevingswet regelt de omgang met (verwachte) archeologische waarden bij ruimtelijke plannen. Werelderfgoedverdrag Het Werelderfgoedverdrag, en de daarbij behorende Werelderfgoedlijst, uit 1972 heeft als doel om erfgoed dat van unieke en universele waarde is voor de mensheid, beter te kunnen bewaren voor toekomstige generaties.

Op de Werelderfgoedlijst van Unesco staan drie typen erfgoed: cultureel, natuurlijk of een hybride vorm van deze twee. Het verdrag bepaalt dat elk land zelf verantwoordelijk is voor behoud en bescherming van het erfgoed. Nederland ratificeerde het verdrag in 1992. Voorbeelden van werelderfgoed in Nederland zijn het molencomplex Kinderdijk-Elshout, de Stelling van Amsterdam, de Van Nellefabriek in Rotterdam en de Waddenzee. De Omgevingswet verankert voor het eerst expliciet wettelijk werelderfgoed. Instructieregels in het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.131) geven aan zowel provincies als gemeenten een taak bij het behoud van de uitzonderlijke universele waarde van werelderfgoed. Dit ter uitvoering van het Werelderfgoedverdrag. De instructieregels verplichten gemeenten om rekening te houden met het werelderfgoed in het omgevingsplan. Europees landschapsverdrag Het Europees landschapsverdrag is in het kader van de Raad van Europa in 2000 in Florence gesloten en door Nederland bekrachtigd in 2005. Het doel van dit verdrag is het bevorderen van de bescherming, het beheer en de inrichting van landschappen en het organiseren van Europese samenwerking op dit gebied.

De Europese landen hebben zich hiermee onder meer verplicht landschappen te erkennen als uitdrukking van de diversiteit van hun gezamenlijk cultureel en natuurlijk erfgoed, en een beleid te hebben gericht op de bescherming en het beheer van het landschap. Voor de uitvoering is men verplicht maatregelen te treffen ter bescherming en behoud van de belangrijke of karakteristieke kenmerken van een landschap dat vanwege zijn natuurlijke elementen en/of menselijk ingrijpen waardevol erfgoed vormt. Hoewel de reikwijdte van het Europees landschapsverdrag alle landschappen omvat, dus ook de stedelijke landschappen, wordt landschap in Nederland veelal geassocieerd met het landelijk gebied en met behoud en bescherming van natuurlijke (groen/blauw) elementen en cultureel erfgoed. In de Omgevingswet maken cultuurlandschappen onderdeel uit van het cultureel erfgoed en de instructieregels die daarop betrekking hebben.

bestemmingsplan_TAM-omgevingsplan H22A Sciencepark Kavel 12A (vastgesteld)

blz. 99

13.1.2 Erfgoedwet De regelgeving over het behoud en beheer van cultureel erfgoed is sinds 2016 ondergebracht in de Erfgoedwet. De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 komen te vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Dit betreft de aanwijzing van gebouwde en archeologische rijksmonumenten en de daarbij behorende subsidiebepalingen, de regelgeving over opgravingen, meldingen van archeologische toevalsvondsten, eigendom van archeologische vondsten en archeologische depots. De definitie van cultureel erfgoed is opgenomen in artikel 1.1 van de Erfgoedwet en luidt als volgt: “uit het verleden geërfde materiële en immateriële bronnen, in de loop van de tijd tot stand gebracht door de mens of ontstaan uit de wisselwerking tussen mens en omgeving, die mensen, onafhankelijk van het bezit ervan, identificeren als een weerspiegeling en uitdrukking van zich voortdurend ontwikkelende waarden, overtuigingen, kennis en tradities, en die aan hen en toekomstige generaties een referentiekader bieden”. 13.1.3 Omgevingswet Het deel van de Monumentenwet 1988 dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving is overgegaan naar de Omgevingswet. Voor gebouwde of aangelegde monumenten betekent dit dat de vergunningverlening voor het wijzigen van rijksmonumenten is geregeld in de Omgevingswet.

Ook aanwijzing en omgang met beschermde stads- en dorpsgezichten vindt plaats op grond van de Omgevingswet. Datzelfde geldt voor de omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving w.o. vergunningverlening en integratie in de planvorming. In hoofdstuk 2 van de Omgevingswet zijn de wettelijke grondslagen opgenomen die zien op het behoud van cultureel erfgoed en werelderfgoed. De instructies houden met name verband met de verplichtingen uit het verdrag van Granada, het verdrag van Malta (Valletta), het Werelderfgoedverdrag en het Europees landschapsverdrag. In de Omgevingswet is in de begripsbepalingen omschreven wat onder cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving wordt verstaan. Dat zijn monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. Dat andere cultureel erfgoed is roerend cultureel erfgoed (in de Erfgoedwet gedefinieerd als 'cultuurgoederen'), zoals historische schepen in een historische haven, of immaterieel cultureel erfgoed dat aan een specifieke plek gebonden is.

De Omgevingswet definieert werelderfgoed als op het grondgebied van Nederland gelegen cultureel en natuurlijk erfgoed dat op grond van het werelderfgoedverdrag is opgenomen in de Lijst van het Werelderfgoed (Unesco).

Gemeente Amsterdam

blz. 100

13.1.4 Rijksinstructieregels en -besluiten De Omgevingswet en de uitvoeringsregels (AMvB's en Omgevingsregeling) regelen waar het gaat om het behoud van cultureel erfgoed bepaalde zaken landelijk, maar de toepassing en uitvoering van de regelgeving vinden veelal lokaal plaats, in het omgevingsplan. Het omgevingsplan beziet alle aspecten van de fysieke leefomgeving op integrale wijze, inclusief cultureel erfgoed en is daarmee het eerst aangewezen instrument om uitvoering te geven aan behoud van cultureel erfgoed. De vrijheid om daar op lokaal niveau een eigen invulling aan te geven, wordt ingekaderd door de Omgevingswet en de AmvB's (bijvoorbeeld het daarin gehanteerde begrippenkader en de instructieregels), provinciale instructieregels en instructiebesluiten van het Rijk of de provincie. In dit verband gaat het dan met name om de instructieregels in artikel 5.130 (behoud cultureel erfgoed) en artikel 5.131 (behoud werelderfgoed) van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en om artikel 2.34, vierde lid, van de Omgevingswet (instructiebesluiten rijksbeschermde stads- of dorpsgezichten). De instructieregels komen in de plaats van regels die waren gesteld in hoofdstuk V (archeologische monumentenzorg) van de Monumentenwet 1988 en artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro).

Artikel 5.130 van het Bkl bepaalt dat in een omgevingsplan rekening moet worden gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. Het rekening houden met cultureel erfgoed betekent dat het bevoegd gezag een analyse moet maken van het aanwezige cultureel erfgoed en de conclusies daarvan moet vertalen in het omgevingsplan. Het bevoegd gezag moet daartoe een toereikend beschermingsregime instellen. Dit vertaalt zich over het algemeen in regels in het omgevingsplan die ertoe kunnen leiden dat bepaalde activiteiten in het geheel niet kunnen plaatsvinden of dat activiteiten slechts onder beperkingen kunnen plaatsvinden. Die beperkingen kunnen in de vorm van voorschriften aan een in het omgevingsplan opgenomen omgevingsvergunning worden verbonden. Bij het in beeld brengen van het cultureel erfgoed, bijvoorbeeld door middel van een cultuurhistorische waardenkaart en/of verkenning, heeft de gemeente beleidsvrijheid, behoudens de van rijkswege aangewezen monumenten en beschermde stads- en dorpsgezichten die, zoals hiervoor genoemd, zijn ingekaderd door respectievelijk instructieregels en een instructiebesluit. In het omgevingsplan zijn verschillende vormen van bescherming van cultureel erfgoed mogelijk, al naar gelang het onderdeel van het cultureel erfgoed en het beoogde behoudsdoel.

Voor monumenten varieert dit van bescherming als gemeentelijk monument tot bescherming als onderdeel van een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht, als beeldbepalend pand (of een variant daarop), of alleen ten behoeve van bouwhistorisch onderzoek. Voor archeologische monumenten geldt dat de bescherming doorgaans via de (voorschriften bij de) verschillende vergunningen (bouw-, afwijk-, ontgrondingsactiviteit) gaat en via de regels van het omgevingsplan, zo nodig door bescherming als gemeentelijk monument. Topografische eenheden die door hun schaal niet meer als monument te kwalificeren zijn, zoals gebouwde en aangelegde nederzettingsstructuren, kunnen worden beschermd als gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht. Ook (onderdelen van) cultuurlandschappen, zoals historische verkavelingsstructuren met houtsingels of landgoederen, kunnen via het omgevingsplan worden beschermd. Artikel 5.130 van het Bkl bepaalt verder dat via het omgevingsplan voorkomen moet worden dat in de omgeving van rijksmonumenten, voorbeschermde rijksmonumenten en monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd (gemeentelijke en provinciale monumenten of bijvoorbeeld beeldbepalende of karakteristieke panden) aantastingen plaatsvinden die deze beschermde monumenten ontsieren of beschadigen. Een voorbeeld is het borgen van een molenbiotoop (het

bestemmingsplan_TAM-omgevingsplan H22A Sciencepark Kavel 12A (vastgesteld)

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16619456/1