CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2b. TAM-omgevingsplan H22A Sciencepark Kavel 12A_Toelichting.pdf

Raadscommissie Ruimtelijke ordening 4 februari 2026, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Vaststellen van het TAM-omgevingsplan H22 Sciencepark Kavel 12A (VN2025-018706)31.236 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Bestemmingsplan TAMOmgevingsplan H22A Sciencepark Kavel 12A

Vastgesteld

Gemeente Amsterdam Ruimte en Duurzaamheid bestemmingsplan TAM-omgevingsplan H22A Sciencepark Kavel 12A

Colofon

Opdrachtgever Opdrachtnemer

Ruimte en Duurzaamheid

IMRO_idn

NL.IMRO.0363.M2401OPSTD-VG01

Datum print

11 December 2025

Planstatus

vastgesteld

blz. 3

Inhoudsopgave Toelichting Hoofdstuk 1

5 Inleiding

7

Aanleiding Doel wijziging omgevingsplan Bevoegdheden Leeswijzer

7 7 7 8

Het plankader

9

Ligging besluitgebied Science Park Amsterdam Beschrijving huidige situatie Geldend juridisch planologisch kader

9 9 11 12

Beleid en regelgeving

15

Rijksbeleid Provinciaal beleid Regionaal beleid - Metropoolregio Gemeentelijk beleid - Stedelijke kaders

15 24 27 27

Het ruimtelijke kader

33

Ruimtelijk functionele aspecten Stedenbouwkundige aspecten

33 35

Milieueffectrapportage

37

5.1 5.2

Wetgeving Mer/ MER beoordeling

37 38

Hoofdstuk 6

Verkeer- en vervoer

39

Bereikbaarheid auto, OV en fiets Verkeersveiligheid Parkeren

39 44 46

Geluid

51

Geluid vanwege wegen, spoorwegen en industrieterreinen Geluid vanwege milieubelastende activiteiten

51 58

Luchtkwaliteit

63

Regeling en beleid

63

Omgevingsveiligheid (externe veiligheid)

69

Algemeen Regelgeving Gemeentelijk beleid Besluitgebied

69 70 71 73

Bodem en ondergrond

75

Bodemkwaliteit

75

1.1 1.2 1.3 1.4 Hoofdstuk 2 2.1 2.2 2.3 2.4 Hoofdstuk 3 3.1 3.2 3.3 3.4 Hoofdstuk 4 4.1 4.2 Hoofdstuk 5

6.1 6.2 6.3 Hoofdstuk 7 7.1 7.2 Hoofdstuk 8 8.1 Hoofdstuk 9 9.1 9.2 9.3 9.4 Hoofdstuk 10 10.1

Gemeente Amsterdam

blz. 4

10.2 10.3 Hoofdstuk 11 11.1 11.2 Hoofdstuk 12 12.1 12.2 12.3 Hoofdstuk 13 13.1 13.2 13.3 Hoofdstuk 14 14.1 14.2 Hoofdstuk 15 15.1 15.2 15.3 Hoofdstuk 16 16.1 16.2 Hoofdstuk 17 17.1 17.2 17.3 17.4

Besluitgebied Niet gesprongen explosieven

76 78

Water

79

Beleid en regelgeving Besluitgebied

79 85

Ecologie

89

Beleid en regelgeving Besluitgebied Stikstofdepositie

89 91 96

Cultuurhistorie en archeologie

97

Wet- en regelgeving - algemeen Te beoordelen aspecten Besluitgebied

97 104 114

Hoogbouw (effecten)

115

Wet- en regelgeving en beleid Besluitgebied

115 119

Duurzaamheid en klimaatadaptatie

135

Algemeen Wet- en regelgeving en beleid Besluitgebied

135 135 142

Juridische toelichting

143

Algemeen 143 Toelichting op regels TAM-omgevingsplan Amsterdam Science Park Kavel 12A 148 Uitvoerbaarheid

151

Eigendomsverhoudingen en gemeentelijke grondexploitatie Kostenverhaal Nadeelcompensatie Participatie en maatschappelijke uitvoerbaarheid

151 151 151 152

bestemmingsplan_TAM-omgevingsplan H22A Sciencepark Kavel 12A (vastgesteld)

blz. 5

Toelichting

Gemeente Amsterdam

blz. 6

bestemmingsplan_TAM-omgevingsplan H22A Sciencepark Kavel 12A (vastgesteld)

blz. 7

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding

Er is in Amsterdam een groot tekort aan staf- en studentenhuisvesting. De groei van het aantal studenten en de internationalisering zorgen daarnaast voor een oplopend tekort. Vanuit de lokale analyse van de landelijke monitor studentenhuisvesting blijkt dat het tekort in de MRA stijgt naar 21.700 studentenwoningen in 2028 als er niet bijgebouwd wordt. In het genoemde tekort van studentenhuisvesting (21.700 in 2028) zijn de PhD-studenten (2020: 3525 inclusief AMC), die voor een groot deel ook op betaalbare woningen zijn aangewezen, niet meegenomen. Ook voor postdocs, assistant- en associate professors en docenten die in een groeiende mate uit het buitenland komen en regelmatig een tijdelijk verblijf zoeken (tot 3 jaar) speelt een vraag. Zij zoeken een 2 of 3 kamerwoning en komen gezien hun functie niet in aanmerking voor een studentenwoning en zijn op het middenhuur segment aangewezen. Deze groep valt voor een groot deel tussen wal en schip ook omdat commerciële verhuurders vrijwel niets aanbieden in het segment waarin deze groep kan en wil wonen in verband met geboden salaris en contracturen en de samenstelling van het huishouden. Het toevoegen van woningen op Amsterdam Science Park ter plaatse van Kavel 12A biedt de UvA de mogelijkheid om promovendi en (jonge) onderzoekers een betaalbare woning te bieden in Amsterdam.

Het toevoegen van woningen op het Amsterdam Science Park wordt tevens als een kans gezien om de levendigheid en de aantrekkelijkheid van het Amsterdam Science Park te vergroten. Het toevoegen van de functie wonen versterkt de interactie tussen de hoofdfunctie onderwijs, ondernemen en onderzoeken. Het op kavel 12A bouwen van woningen en het gebruiken van de gronden voor wonen past echter niet in het Omgevingsplan gemeente Amsterdam. Om hier medewerking aan te kunnen verlenen dient het omgevingsplan te worden gewijzigd. Voorliggend plan voorziet hier in.

1.2

Doel wijziging omgevingsplan

De voorliggende wijziging van het omgevingsplan gemeente Amsterdam heeft als doel de gewenste woningbouwontwikkeling op de locatie kavel 12A Amsterdam Science Park mogelijk te maken.

1.3

Bevoegdheden

Op grond van de Omgevingswet wordt het omgevingsplan door de raad gewijzigd. De raad kan deze bevoegdheid delegeren aan het college van burgemeester en wethouders. Daar is in deze situatie geen sprake van. Het besluitgebied is gelegen binnen de grenzen van het stadsdeel Oost. Het projectgebied valt bestuurlijk rechtstreeks onder de centrale stad. De Verordening op de stadsdelen en het stadsgebied Amsterdam 2022 verdeelt de taken (bijlage 2) en bevoegdheden (bijlage 3) tussen de centrale stad en stadsdelen (en het stadsgebied Weesp). Het plangebied is op de kaart in bijlage 1 behorende bij de Verordening aangewezen als stedelijk gebied of project. De voorbereiding van de wijziging van het omgevingsplan tot de vrijgave van het ontwerpbesluit tot wijziging van het omgevingsplan ligt bij het college.

Gemeente Amsterdam

blz. 8

1.4

Leeswijzer

Na dit hoofdstuk volgt in hoofdstuk 2 een beschrijving van het plankader. Er wordt onder meer ingegaan op de ligging van het besluitgebied. In hoofdstuk 3 volgt een beschrijving van het relevante ruimtelijk beleid afkomstig van het Rijk, de provincie, de regio en de gemeente. In hoofdstuk 4 wordt het ruimtelijke (planologische en stedenbouwkundige kader) toegelicht. In hoofdstuk 5 tot en met 15 worden diverse omgevingsaspecten beschreven. In hoofdstuk 16 wordt uitgelegd op welke wijze dit is vertaald in juridische zin. In hoofdstuk 17 wordt ingegaan op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid (inclusief participatie). In elk hoofdstuk wordt eerst het beleid toegelicht, daarna wordt uitgelegd hoe het beleid wordt toegepast in het besluitgebied.

bestemmingsplan_TAM-omgevingsplan H22A Sciencepark Kavel 12A (vastgesteld)

blz. 9

Hoofdstuk 2 2.1

Het plankader

Ligging besluitgebied

Kavel 12A maakt onderdeel uit van hetAmsterdam Science Park en is gelegen in Amsterdam-Oost.

Afbeelding 2. Ligging van kavel 12A in de omgeving (bron: googlemaps) Het gehele terrein is in eigendom van de Universiteit van Amsterdam.

2.2

Science Park Amsterdam

De Watergraafsmeer is in 1629 drooggelegd en werd eind zeventiende, begin achttiende eeuw een aantrekkelijke woonplek voor rentenierende Amsterdammers, die er hofsteden lieten bouwen. De Anna Hoeve herinnert daar nog aan. Deze voormalige boerderij is in het begin van de twintigste eeuw op de plek van één van de oorspronkelijke hofsteden gebouwd. Kenmerkend voor de inpoldering is het rechthoekige wegenpatroon, dat ook tot uitdrukking komt in de straatnamen (bijvoorbeeld 'Kruislaan' en 'Middenweg') en de haakse verkaveling. In Science Park Amsterdam is de oorspronkelijke wegstructuur en verkaveling herkenbaar aan de Kruislaan en het weiland rondom de Anna Hoeve. De universiteitsgebouwen hebben zich onttrokken aan het verkavelingspatroon. Zij hebben een eigen bouwrichting en zelfs een eigen polderpeil. De daarbij behorende ringsloot markeert het ooit geplande eindpunt van de rijksweg A1 en geldt tevens als eigendomsgrens van het terrein van de UvA. Het noordwestelijke deel van het gebied was decennialang in gebruik als volkstuinencomplex.

In 1946 werd het eerste wetenschappelijke instituut in het gebied gevestigd: het Instituut voor Kernfysisch Onderzoek (IKO), later onderdeel van het Nationaal Instituut voor subatomaire fysica Gemeente Amsterdam

blz. 10

(Nikhef). In de daarop volgende jaren volgden het instituut voor Atoom- en Moleculaire Fysica (AMOLF), het Centrum voor Wiskunde en Informatica (CWI), SARA Reken- en Netwerkdiensten en de biologiefaculteit van de UvA. Zo ontstond aan de oostrand van Amsterdam een grote concentratie van nationaal en internationaal opererende onderzoeks- en onderwijsinstellingen op het gebied van natuurwetenschappen en technologie. Begin jaren negentig vestigden zich er de eerste bedrijven in het eerste matrixgebouw van ASP. Deze publiek- private samenwerking tussen gemeente Amsterdam, Rabobank, NWO en UvA biedt huisvesting en diensten aan (startende) ondernemers in de ICT en biotechnologie. Amsterdam Internet Exchange (AMS-IX) vestigde zich in 1996 in het gebied en Twinning Center Amsterdam in 1998. Inmiddels is het aantal bedrijven gestegen tot 75 en staan er vijf matrixgebouwen.

NWO is één van de drie grondeigenaren van Science Park Amsterdam. De andere twee zijn de Universiteit van Amsterdam (UvA) en de gemeente Amsterdam. Zij willen Science Park Amsterdam gezamenlijk verder ontwikkelen tot een internationaal kenniscentrum binnen de disciplines wiskunde, informatica en natuurwetenschappen. De infrastructuur zal bestaan uit geavanceerde computersystemen en snelle netwerken die kennisintensieve bedrijven met elkaar verbinden. In dit milieu kunnen wetenschappelijke instellingen en bedrijfsleven samenwerken en kennis uitwisselen. Deze gezamenlijke aanpak versterkt de kennisinfrastructuur en levert kennisintensieve producten en nieuwe bedrijvigheid op. Om dit mogelijk te maken heeft de gemeente Amsterdam in 1996 besloten om Science Park Amsterdam aan te wijzen als grootstedelijk gebied. Onderzoek Zoals hierboven vermeld huisvest het westelijk deel van het gebied drie onderzoeksinstituten van NWO: AMOLF, NWI en Nikhef. De kennisinstituten op Science Park Amsterdam doen voornamelijk fundamenteel onderzoek dat bouwstenen ontwikkelt voor innovatieve producten en diensten en zo een bijdrage levert aan oplossingen voor maatschappelijke vraagstukken, zoals op het gebied van gezondheid en energie. AMOLF is een Nederlands onderzoeksinstituut voor natuurkundig onderzoek.

Het instituut doet toonaangevend onderzoek op het gebied van fysica van biomoleculaire systemen en nanofotonica. Nanotechnologie wordt tegenwoordig steeds meer in dagelijkse producten toegepast, zoals in zonnecellen. CWI is het nationale onderzoeksinstituut voor wiskunde en informatica. Bij het CWI ontdekt en ontwikkelt men nieuwe ideeen die bruikbaar zijn in andere wetenschapsgebieden, de maatschappij, handel en industrie. Nikhef doet onderzoek op het gebied van deeltjes- en astrodeeltjesfysica. Wetenschappers en technici werken samen aan onderzoek naar de kleinste bouwstenen van materie en hun onderlinge krachtenspel. Deze elementaire deeltjes bestuderen zij zowel in botsingsprocessen bij de grote deeltjesversnellers van bijvoorbeeld CERN bij Geneve, maar ook in interacties van hoog-energetische deeltjes van kosmische afkomst in bijvoorbeeld de atmosfeer of het zeewater. SARA is een geavanceerd ICT-dienstencentrum dat onderzoekers ondersteunt met diensten, voorzieningen en infrastructuur (expertise en faciliteiten op het gebied van het weer, klimaat, milieu, energie etc). FNWI: naast haar onderwijsfunctie heeft de faculteit tien onderzoeksinstituten die op verschillende terreinen onderzoek verrichten. Onderwijs Op het Amsterdam Science Park is de Faculteit der Natuurwetenschappen, Wiskunde en Informatica (FNWI) van de UvA gevestigd.

De faculteit telt 2500 studenten die onder meer studeren in de richtingen Biologie, Informatica, Sterrenkunde, Scheikunde, Wiskunde, Natuurkunde en Fysische Geografie. In 2012 vestigt ook het Amsterdam University College (AUC) zich hier. Het AUC biedt dan onderwijs aan

bestemmingsplan_TAM-omgevingsplan H22A Sciencepark Kavel 12A (vastgesteld)

blz. 11

600 tot 900 (inter)nationale topstudenten. Het plangebied functioneert als campus. Naast studeren, kunnen de studenten hier wonen, sporten (Universitair Sportcentrum is in 2010 opgeleverd), en gebruik maken van horeca-activiteiten. Ondernemen In het midden van het gebied, naast de rondweg Science Park zijn diverse ICT en Life Sciences bedrijven actief. De ICTbedrijven richten zich op verschillende onderwerpen: van dataverkeer tot het beheer en hosting van websites en de ontwikkeling van software. Ook zijn tal van telecombedrijven evenals dienstverlenende bedrijven in de ICTsector hier gevestigd. Onder invloed van vergrijzing, het stijgend aantal chronisch zieken en besparingen in de gezondheidszorg ontwikkelt de LifeScience sector zich razendsnel. Onderzoek en ontwikkeling zijn in deze wetenschappelijke disciplines zeer belangrijk. Bedrijven die op dit gebied gespecialiseerd zijn, vestigen zich daarom ook graag in de buurt van belangrijke wetenschappelijke instituten, universiteiten/hogescholen en medische instellingen. Het Life Science Centrum Amsterdam en Life Science Fund zijn op het Amsterdam Science Park gevestigd. Wonen In de westelijke punt van Science Park Amsterdam, daar waar het gebied grenst aan de Indische Buurt staan wooncomplexen. De wooncomplexen zijn gesitueerd in een parkachtige setting en vormen gezamenlijk een 'eilandenrijk'.

Kenmerkend voor het woongebied is het autoluwe karakter, de openbare ruimte met pleinen en binnenplaatsen en de groene en waterrijke uitstraling. Het woningaanbod varieert van eengezinswoningen, appartementen, maisonnettes, studentenwoningen tot woon/werkwoningen. Gezamenlijk zijn dit circa 1900 woningen (waarvan circa 1300 studenteneenheden).

2.3

Beschrijving huidige situatie

2.3.1

Amsterdam Science Park

Het Amsterdam Science Park (ASP) is een concentratiegebied voor onderzoek. Het is een gebied van 70 hectare met als belangrijkste functie het leveren van voorzieningen voor natuurwetenschappelijk onderzoek, exacte wetenschap, ICT en biologie. Het gebied, gelegen in de Watergraafsmeer in het oosten van Amsterdam, wordt ontwikkeld tot internationaal kenniscomplex, waar samenwerking tussen wetenschappelijk onderwijs, onderzoek en kennisintensieve bedrijvigheid gestimuleerd wordt. Het ASP is gezamenlijk ontwikkeld door de Gemeente Amsterdam, NWO en de Universiteit van Amsterdam. Op het ASP zijn de beste onderzoeksinstituten, een bètafaculteit, een University College en ruim 120 bedrijven gevestigd. ASP biedt uitgelezen kansen voor datatechnologie, fundamenteel en toegepast onderzoek, inzet van geavanceerde instrumenten en bedrijven die zich richten op duurzaamheid. Op ASP bevinden zich woningen, ruim 90 bedrijven gespecialiseerd in ICT en biologie, de bètafaculteit van de Universiteit van Amsterdam en wetenschappelijke instituten. Daarnaast zijn er meerdere horecagelegenheden en een sportaccommodatie. In het gebied zijn verschillende onderzoeksinstituten gevestigd, waaronder Nikhef, AMOLF en het CWI. Ook SARA Nationaal HPC Centrum heeft er zijn hoofdlocatie. SARA en Nikhef herbergen elk een van de acht knooppunten van de Amsterdam Internet Exchange.

Het ASP biedt onderdak aan acht onderzoeksinstituten van de Faculteit der Natuurwetenschappen, Wiskunde en Informatica (FNWI): Institute for Logic, Language and Computation, Institute of Physics, Instituut voor Biodiversiteit en Ecosysteem Dynamica, Instituut voor Informatica, Korteweg-de Vries Instituut voor Wiskunde, Sterrenkundig Instituut 'Anton Pannekoek', Swammerdam Institute for Life Sciences en Van 't Hoff Institute for Molecular Sciences.

Gemeente Amsterdam

blz. 12

2.3.2

Kavel 12A

Kavel 12A bestaat uit braakliggend terrein met vers ingezaaid gras.

Aan de noordoost- en oostzijde grenst de kavel aan bestaande bebouwing. Aan de noordwest zijde grenst de kavel aan Science Park (het verlengde van de Kruislaan) en aan de zuidwest zijde aan het terrein van café restaurant Polder.

2.4

Geldend juridisch planologisch kader

Op kavel 12A is het bestemmingsplan 'Science Park Amsterdam' uit 2013 van toepassing. De kavel heeft hierin de enkelbestemming 'Gemengd' en de dubbelbestemming Waarde - Archeologie.

bestemmingsplan_TAM-omgevingsplan H22A Sciencepark Kavel 12A (vastgesteld)

blz. 13

Afbeelding 3. Uitsnede verbeelding bestemmingsplan Science Park Amsterdam. De voor Gemengd aangewezen gronden zijn bestemd voor: instellingen voor hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek; bedrijven in categorieën 1 tot en met 3.2 van de bij de regels deel uitmakende Staat van inrichtingen (inclusief de aan de bedrijfsactiviteiten ondergeschikte en daarmee samenhangende kantoorruimte); kantoor; centrumvoorzieningen; sportvoorzieningen; nutsvoorzieningen; al dan niet gebouwde parkeervoorzieningen. Bouwregels bestemming Gemengd Ter plaatse van kavel 12A geldt een minimum bouwhoogte van 16 meter en een maximum bouwhoogte van 26 meter. Er is één hoogte accent toegestaan met een minimale bouwhoogte van 45 meter en een maximale bouwhoogte van 72 meter. Voor hoogbouwaccenten geldt per hoogbouwaccent een maximale bebouwingsoppervlakte van 875m2. Voor bouwwerken geen gebouwen zijnde geldt een maximale bouwhoogte van 10 meter. Strijdigheden Het gebruik van de gronden voor wonen is in strijd met de bestemming Gemengd.

Gemeente Amsterdam

blz. 14

Waarde - Archeologie 1 Gronden met de dubbelbestemming Waarde - Archeologie 1 zijn mede bestemd voor doeleinden ter bescherming en veiligstelling van archeologische waarden. Voor zover er op deze gronden sprake is van bodemverstoring, dient een archeologisch rapport overlegd te worden. Dit is niet van toepassing op een bodemverstoring met een kleiner oppervlak dan 10.000 m2 of een kleinere diepte dan 0,5 meter onder maaiveld.

bestemmingsplan_TAM-omgevingsplan H22A Sciencepark Kavel 12A (vastgesteld)

blz. 15

Hoofdstuk 3

Beleid en regelgeving

3.1

Rijksbeleid

3.1.1

Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. In de NOVI zijn de kaders van het nieuwe rijksbeleid opgenomen en deze vervangt de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012). De NOVI is ontwikkeld in nauwe samenwerking met provincies, gemeenten, waterschappen, maatschappelijke instellingen en burgers. De NOVI bestaat uit een visie, toelichting en uitvoeringsagenda. De Visie De NOVI bevat de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Nederland staat voor een groot aantal opgaven, op het gebied van klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. De NOVI biedt daarbij een perspectief om deze grote opgaven aan te pakken. Omgevingskwaliteit is daarbij het kernbegrip. De NOVI staat voor een nieuwe aanpak waarbij overheden en maatschappelijke organisaties met regie vanuit het Rijk integrale afwegingen maken. Toelichting In de toelichting worden 21 nationale belangen in de fysieke leefomgeving beschreven en de daarbij horende opgaven waarvoor het Rijk zich gesteld ziet. Steeds wordt per belang het huidige beleid gekoppeld en wordt de opgave gesteld die met het belang samenhangt. Uitvoeringsagenda In de uitvoeringsagenda staat aangegeven hoe het Rijk invulling geeft aan zijn rol bij de uitvoering van de NOVI.

In de Uitvoeringsagenda is onder andere een overzicht van instrumenten en (gebiedsgerichte) programma's op de verschillende beleidsterreinen opgenomen. De Uitvoeringsagenda zal, indien nodig, jaarlijks worden geactualiseerd. Het Rijk wijst in zijn Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vier prioriteiten aan: ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie, een duurzaam en (circulair) economisch groeipotentieel, sterke en gezonde steden en regio's, en een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. De kracht van Nederland ligt in een poly centrische netwerkstructuur. Stedelijke en landelijke regio's werken door het transporten mobiliteitsnetwerk complementair als één systeem. De vier metropoolregio's (Amsterdam, Rotterdam Den Haag, Utrecht en Eindhoven) hebben daarbinnen de grootste aantrekkingskracht op internationale kennis, arbeid en kapitaal. De Amsterdamse metropoolregio is herkenbaar als internationaal zakencentrum en toeristische trekpleister, met Schiphol als schakel naar alle continenten. Deze regio kent een complexe verstedelijkingsopgave die samenvalt met meerdere nationale belangen. Het havengebied van Amsterdam is bijvoorbeeld essentieel voor de omslag naar een niet-fossiele, circulaire economie. De NOVI benoemt de volgende nationale belangen: 1.

Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving. 2. Realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit. Gemeente Amsterdam

blz. 16

3. Waarborgen en versterken van grensoverschrijdende en internationale relaties. 4. Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving. 5. Zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften. 6. Waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem. 7. In stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit. 8. Waarborgen van een goede toegankelijkheid van de leefomgeving. 9. Zorg dragen voor nationale veiligheid en ruimte bieden voor militaire activiteiten. 10. Beperken van klimaatverandering. 11. Realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening, die in 2050 CO2-arm is, en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur. 12. Waarborgen van de hoofdinfrastructuur voor transport van stoffen via (buis)leidingen. 13. Realiseren van een toekomstbestendige, circulaire economie. 14. Waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit). 15. Waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater. 16. Waarborgen en versterken van een aantrekkelijk ruimtelijk-economisch vestigingsklimaat. 17. Realiseren en behouden van een kwalitatief hoogwaardige digitale connectiviteit. 18. Ontwikkelen van een duurzame voedsel- en agroproductie. 19.

Behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang. 20. Verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit. 21. Ontwikkelen van een duurzame visserij. De eerste drie nationale belangen zijn van een ander, meer overkoepelend karakter, dan de overige. De nationale belangen staan in willekeurige volgorde. De nationale belangen gelden daar waar nodig onverkort in de ondergrond.

Er zijn vier prioriteiten: 1. 2. 3. 4.

Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie. Een duurzaam en (circulair) economisch groeipotentieel. Sterke en gezonde steden en regio's. Een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Voor de vier bovengenoemde NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn, die in de praktijk voortdurend op elkaar inspelen.

Werkingsgebied Ter plaatse van het besluitgebied is geen strijd met de NOVI. 3.1.2

Instructieregels Rijk via Besluit kwaliteit leefomgeving

Een instructieregel is een algemene regel waarmee een bestuursorgaan aan een ander bestuursorgaan aangeeft hoe dat orgaan een taak of bevoegdheid moet uitoefenen. Het Rijk heeft de instructieregels in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) opgenomen. Behalve het Rijk stelt ook de provincie Noord-Holland instructieregels in de omgevingsverordening, zie paraagraaf 3.2.2.

In hoofdstuk 5 van het Bkl staan de instructieregels voor omgevingsplannen per onderwerp. De meeste instructieregels hebben betrekking op omgevingsaspecten en worden in de hierna volgende

bestemmingsplan_TAM-omgevingsplan H22A Sciencepark Kavel 12A (vastgesteld)

blz. 17

hoofdstukken beschreven. Hieronder worden algemene planologische instructieregels beschreven. Ladder voor duurzame verstedelijking De Ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel met het oog op zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand. Het is terug te vinden in artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De instructieregel houdt in dat bij het toelaten van een nieuwe stedelijke ontwikkeling er rekening moet worden gehouden met: de behoefte aan die ontwikkeling; en bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen buiten stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: met de mogelijkheden om binnen het stedelijk gebied of stedelijk groen in de behoefte te voorzien. Hierbij gaat het om een inhoudelijke sturing op de uit te voeren belangenafweging. De formulering 'rekening houden met' betekent dat het bestuursorgaan beoordelingsvrijheid heeft. Andere belangen dan het belang dat gediend wordt met de instructieregel kunnen de doorslag geven. Daarbij is van belang dat het gaat om een afweging van de ontwikkelingsbehoefte met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en de ontwikkeling van de omgeving waarin het gebied ligt. Zowel kwantitatieve aspecten als ook kwalitatieve aspecten kunnen een rol spelen bij de beschrijving van de behoefte.

Begrip stedelijke ontwikkeling Dit artikel is van toepassing op een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van bedrijventerreinen, zeehaventerreinen, woningbouwlocaties, kantoren, detailhandelvoorzieningen of andere stedelijke voorzieningen. De aard en omvang van de stedelijke ontwikkeling in relatie met de omgeving bepaalt of het plan voldoende substantieel is. Er zijn geen ondergrenzen aangegeven, maar in uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn hiervoor de volgende lijnen uitgezet: Bij woningbouw is vanaf twaalf woningen sprake van een stedelijke ontwikkeling; Bij nieuwbouw en uitbreiding van winkels, kantoren en bedrijven ligt de ondergrens in beginsel bij een bruto-vloeroppervlakte van 500 m2; Bij nieuwbouw en uitbreiding van overige stedelijke functies ligt de ondergrens in beginsel bij een ruimtebeslag van 500 m2. Onder het begrip 'andere stedelijke voorzieningen' worden onder meer maatschappelijke, religieuze, culturele en ontspanning en vermaak gerelateerde voorzieningen als stedelijke ontwikkeling aangemerkt. De Laddertoets moet alleen worden uitgevoerd wanneer de stedelijke ontwikkeling 'nieuw' is. Of een stedelijke ontwikkeling nieuw is, wordt bepaald in vergelijking met de regels in het omgevingsplan die daarvoor golden.

Dit is inclusief de (in het verleden) verleende omgevingsvergunningen voor een omgevingsplanactiviteit waarbij wordt afgeweken van het omgevingsplan. Het gaat daarbij om een stedelijke ontwikkeling die een nieuw of groter planologisch beslag legt op de ruimte, of, als alleen sprake is van een wijziging van een gebruiksfunctie, op een andere manier wezenlijke ruimtelijke effecten heeft. Van belang is dus in hoeverre het plan, in vergelijking met het voorgaande plan, voorziet in een functiewijziging en welk planologisch beslag op de ruimte het plan mogelijk maakt in vergelijking met het voorgaande plan. Begrip stedelijk gebied Een stedelijk gebied is het samenstel van bebouwing voor wonen, dienstverlening, bedrijvigheid,

Gemeente Amsterdam

blz. 18

detailhandel en horeca, en de daarbij behorende openbare of sociaal-culturele voorzieningen en infrastructuur, met uitzondering van stedelijk groen aan de rand van die bebouwing en lintbebouwing langs wegen, waterwegen of waterkeringen. Het betreft het samenstel van bebouwing dat in een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is toegelaten. Reikwijdte onderzoek De aard en omvang van de ontwikkeling bepalen het schaalniveau en de uitgebreidheid waarop de ruimtebehoefte wordt afgewogen. Bij elk plan hoort derhalve een passende onderbouwing. Provinciale of regionale visies en afspraken kunnen als basis dienen voor de onderbouwing, als dergelijke documenten concreet en voldoende onderbouwd zijn. Bij ontwikkelingen met een ruimtelijk effect op het grondgebied van andere gemeenten of provincies is bovengemeentelijke of zelfs bovenprovinciale afstemming noodzakelijk. Vestiging van een dienst Gelet op het vierde lid van artikel 5.129g Bkl heeft een onderzoek naar de actuele behoefte waar dat betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de beoordeling van de mogelijke of actuele economische gevolgen van de vestiging van een dienst slechts tot doel om na te gaan of die vestiging in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Onder het begrip 'dienst' wordt een economische activiteit, anders dan in loondienst, die gewoonlijk tegen vergoeding geschiedt verstaan. Met die bepaling wordt beoogd om strijd met de Dienstenrichtlijn (Richtlijn nr. 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 12 december 2006 betreffende de diensten op de interne markt, PbEU 2006, L 376) te voorkomen. Die richtlijn geeft beperkingen aan het stellen van regels in een omgevingsplan met een economisch motief. Werkingsgebied In beginsel' is een plan met meer dan 11 woningen een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Voor wonen is dus de lijn dat er vanaf 12 woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling. De Laddertoets geldt alleen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Beoordeeld moet dan worden of er een nieuw of groter beslag op de ruimte is. Of, als er alleen een wijziging van de gebruiksfunctie is, op een andere manier wezenlijke ruimtelijke effecten heeft. Van belang is hierbij dus in hoeverre het plan: in vergelijking met het vorige plan, voorziet in een functiewijziging en welk planologische beslag op de ruimte het plan mogelijk maakt in vergelijking met het vorige plan Een combinatie van een ontwikkeling met een nieuw of groter planologisch ruimtebeslag en een functiewijziging is natuurlijk ook mogelijk.

Laddertoets De voorgenomen ontwikkeling voorziet in maximaal 400 woningen op gronden waar geen woningen zijn toegestaan (bestemming Gemengd). Ook voorziet de voorgenomen ontwikkeling in een bedrijven en maatschappelijke voorzieningen (op de begange grond van het te realiseren pand). Gelet hierop is er sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de zin van de ladder duurzame verstedelijking.

bestemmingsplan_TAM-omgevingsplan H22A Sciencepark Kavel 12A (vastgesteld)

blz. 19

Beschrijving behoefte De behoeftevraag naar functies als wonen en werken en overige stedelijke voorzieningen is in grote mate afhankelijk van de toekomstige demografische en economische ontwikkelingen in een gebied. Uit het rapport Demografische ontwikkelingen 2010-2040 van het Planbureau voor de Leefomgeving blijkt de Metropoolregio Amsterdam aanhoudend (tot 2040) sterk tot zeer sterk te groeien: 10 procent tot meer dan 20 procent. Ook de huishoudensontwikkeling geeft dezelfde trend met een stevige groei van 20 procent of meer. De verwachting is dat de gemeente Amsterdam in 2040 ruim 50.000 huishoudens meer heeft dan in 2010. De werkzame beroepsbevolking in de Metropoolregio Amsterdam zal toenemen. Om de concurrentie met andere economisch topregio's aan te kunnen dient het hoogstedelijk centrummilieu doorontwikkeld te worden. Intensivering van het grondgebruik in de stad is hierbij van groot belang. Een grotere mix van wonen en werken, waarbij kansrijke economische sectoren de ruimte krijgen. Meer woon- en werkruimte betekent meer draagvlak voor voorzieningen. Daarbij horen horeca, detailhandel en een diversiteit aan culturele en onderwijsinstellingen. De nieuwe economie bestaat uit een complex van functies: wonen, werken en recreëren. Wonen De woningbehoefte in de Metropoolregio Amsterdam is zeer groot en voor de komende decennia van structurele aard.

De stadsregio behoort landelijk tot één van de weinige regio's in Nederland waar het tot nu toe niet lukt om het woningtekort terug te dringen. Die woningbehoefte heeft veel te maken met de regionale economische ontwikkeling. De Amsterdamse regio is in economische termen de succesvolste van Nederland en wordt gezien als een belangrijke motor van de nationale economie. Met de partners in de Metropoolregio is afgesproken dat Amsterdam haar woningvoorraad met 50.000 woningen uitbreidt binnen het bestaande stedelijke gebied in de periode 2010-2030. In de periode tot 2050 heeft Amsterdam de ambitie de voorraad met totaal 150.000 woningen uitgebreid te hebben. De druk op de Amsterdamse woningmarkt neem toe. De schaarste zorgt voor stijgende prijzen waardoor de betaalbaarheid voor lagere en middeninkomens verder onder druk komt te staan. De vraag naar woningen in Amsterdam is onverminderd groot, met name in de stedelijke woonmilieus binnen de Ring A10. Het centrum met het aangrenzende Zuid, Oud-West en Oostelijk Havengebied vormen samen de centraal stedelijke zone. De vraag naar stedelijk wonen is hier groot en door de unieke kwaliteiten heeft dit gebied weinig concurrentie in de regio. Veel mensen willen juist hier wonen, de dichtheid van bebouwing, voorzieningen en activiteiten is hier heel hoog.

Gemeentelijke prognoses geven aan dat er 3.000 tot 7.500 woningtoevoegingen per jaar moeten plaatsvinden om in de woningbehoefte te voorzien. Er vestigen zich veel nieuwe mensen in de stad: netto circa 10.000 per jaar. De komende decennia zal het aantal ouderen in Amsterdam fors toenemen. Door het landelijk beleid zullen veel ouderen langer zelfstandig blijven wonen. In bouwplannen zal dan ook ruimte moeten zijn voor nieuwbouw die ook geschikt is voor ouderen. Ook de vraag naar studentenwoningen is in Amsterdam onverminderd groot, zodat de komende jaren de bouw van studentenhuisvesting blijvend gestimuleerd moet worden. Tot slot is behoefte aan ruimte voor zelfbouwers en bouwgroepen. Naast de woningvraag van nieuwe inwoners wordt met het mogelijk maken van nieuwe woningen ook een doorstroombeweging in de stad in gang gezet. Voor de gezinshuishoudens die nu noodgedwongen in te krappe woningen blijven wonen, ontstaan er mogelijkheden om binnen hun wensen in de stad te blijven wonen. De woningen die zij in verschillende buurten achterlaten zijn geschikt voor kleine huishoudens en starters op de woningmarkt. De middenhuur kan de sleutel vormen voor een betere Gemeente Amsterdam

blz. 20

verdeling van de schaarse woonruimte in Amsterdam. Er zit nu vaak een groot gat tussen de sociale huurprijzen tot afgerond 700 euro per maand en de huurprijzen in de vrije sector. Door veel woningen te bouwen met een middenhuur kunnen de relatief welvarende mensen in een sociale huurwoning verleid worden om te verhuizen. Er moeten meer middensegment woningen worden gebouwd. De gemeente heeft hiertoe in 2017 het Actieplan meer middeldure huur en de Woonagenda 2025 vastgesteld. De gemeente Amsterdam heeft gezien deze toenemende woningbehoefte de ambitie uitgesproken om vanaf 2018 per jaar minimaal 5.000 woningen te realiseren, waarvan 500 sociale huurwoningen. Om tegemoet te komen aan de grote vraag naar nieuwbouwwoningen is het zaak om hierop in te spelen door woningbouw planologisch mogelijk te maken: de planvoorraad moet worden vergroot. Voorzieningen/ vestiging van een dienst De beoogde voorzieningen betreffen voorzieningen met een beperkte omvang en een lokaal karakter, gericht op het Amsterdam Science Park. Ze dragen bij aan de leefbaarheid en worden niet gezien zelfstandige ontwikkeling. Gezien de kleinschaligheid van deze voorzieningen zal er voldoende draagvlak voor en behoefte aan deze voorzieningen zijn. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling is getoetst aan de ladder voor duurzame verstedelijking.

Daaruit volgt dat de beoogde ontwikkeling voorziet in een behoefte, die zich op stedelijk en lokaal niveau manifesteert. De ruimtevraag kan geheel worden opgevangen in bestaand stedelijk gebied. Behoud van ruimte voor toekomstige functies Paragraaf 5.1.6 van het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat instructieregels over het behoud van ruimte voor toekomstige functies. De paragraaf bevat instructieregels met betrekking tot aangewezen reserveringsgebieden. Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties vereist in bepaalde gevallen dat gebieden worden vrijgehouden voor toekomstige ontwikkelingen die alleen op bepaalde locaties kunnen plaatsvinden. Het Besluit kwaliteit leefomgeving kent in navolging van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) een aantal reserveringsgebieden, waar vanwege de voorzienbare toekomstige aanleg van werken of objecten regels gelden over activiteiten die een dergelijke aanleg zouden bemoeilijken. Het gaat onder meer om gebiedsreserveringen voor de lange termijn voor gebieden rond autowegen, autosnelwegen en hoofdspoorwegen of gebieden voor de aanleg van buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen.

Door reserveringsgebieden aan te wijzen voor de uitbreiding of aanleg van hoofdinfrastructuur is verzekerd dat in die gebieden geen nieuwe ontwikkelingen plaatsvinden die een belemmering vormen voor de uitbreiding of aanleg van de infrastructuur. Hiermee wordt vooraf duidelijkheid gegeven over enerzijds het gebied dat benodigd is voor de voorziene infrastructuur en anderzijds over de ontwikkelingen die met het oog daarop niet gewenst zijn. Dat voorkomt dat er in een gebied activiteiten worden toegelaten waarvan voorzienbaar is dat deze niet verricht kunnen worden of dat bouwwerken worden gebouwd die op korte termijn weer moeten verdwijnen. Dat zou niet alleen nadelig zijn voor de initiatiefnemer, maar kan ook leiden tot vertraging van en oplopende kosten voor de beoogde infrastructuur. De reserveringsgebieden zijn aangewezen in de Omgevingsregeling. Binnen Amsterdam zijn alleen reserveringsgebieden aangewezen voor de uitbreiding of aanleg van een autoweg of autosnelweg. Besluitgebied

bestemmingsplan_TAM-omgevingsplan H22A Sciencepark Kavel 12A (vastgesteld)

blz. 21

Het besluitgebied van voorliggend omgevingsplan ligt buiten aangewezen reserveringsgebieden. Locaties voor grootschalige elektriciteitsopwekking In artikel 5.157 van het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn instructieregels opgenomen om voldoende ruimte voor grootschalige elektriciteitsopwekking van ten minste 500 MW door elektriciteitscentrales te waarborgen. Op grond van artikel 5.156 van het Besluit kwaliteit leefomgeving gaat het om locaties voor grootschalige elektriciteitsopwekking met een of meer elektriciteitsproductie-installaties met een gezamenlijk vermogen van ten minste 500 MW en de daarmee verbonden werken en infrastructuur, met uitzondering van kernenergiecentrales en elektriciteitsproductie-installaties die elektriciteit opwekken door windenergie. Elektriciteitscentrales kunnen ook bestaan uit meerdere kleine installaties, die een gezamenlijk vermogen hebben van ten minste 500 MW. Een omgevingsplan dat betrekking heeft op een locatie voor grootschalige elektriciteitsopwekking, dient op die locatie elektriciteitsopwekking met een vermogen van ten minste 500 MW toe te laten, te voorzien in voldoende ruimte daarvoor en geen beperkingen te bevatten voor installaties voor grootschalige elektriciteitsopwekking.

Het gaat hierbij zowel om voldoende ruimte in fysieke zin, als om voldoende milieugebruiksruimte voor (installaties voor) grootschalige elektriciteitsopwekking. Het toelaten van grootschalige elektriciteitsopwekking en het uitsluiten van beperkingen voor installaties houdt ook in dat de elektriciteitsproductie-eenheden op de aangewezen locaties steeds volledig gebruikt kunnen worden. Een gemeente zal daarnaast in het omgevingsplan geen beperkingen in energiepolitieke zin aan een locatie voor grootschalige elektriciteitsopwekking mogen opleggen. Op een locatie waar al een of meerdere installaties met een gezamenlijk vermogen van 500 MW of meer gerealiseerd zijn, voldoet een omgevingsplan vanzelfsprekend al aan deze instructieregel. Als een gemeente op een locatie voor grootschalige elektriciteitsopwekking het omgevingsplan wil wijzigen of een omgevingsvergunning voor een afwijkactiviteit wil verlenen, dan kan de gemeenteraad in overleg treden met het bevoegd gezag voor de omgevingsvergunning voor de milieubelastende activiteit voor de exploitatie van de elektriciteitsproductie-installatie. In dat overleg kan concreet nagegaan worden of aan de voorwaarden voor geschiktheid voor ten minste 500 MW elektrisch vermogen en exploitatie daarvan voldaan wordt en blijft worden.

In artikel 5.156 van het Besluit kwaliteit leefomgeving worden deze locaties aangewezen in de bijbehorende bijlage XV, onder A. Besluitgebied Het besluitgebied van voorliggend omgevingsplan ligt buiten aangewezen gebied voor grootschalige elektriciteitsopwekking. Waarborging hoogspanningsverbinding Artikel 5.159, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat een instructieregel over hoogspanningsverbindingen met een spanning van ten minste 220 kV. Dit artikel bepaalt dat een omgevingsplan het tracé van een hoogspanningsverbinding dient te bevatten op de locaties die op grond van artikel 5.156, derde lid zijn aangewezen als locatie voor een hoogspanningsverbinding met een spanning van ten minste 220 kV en waarvan de geometrische begrenzing bij ministeriële regeling is vastgelegd. Het tracé van een hoogspanningsverbinding bestaat uit een strook met een bepaalde afstand tot het hart van de hoogspanningsverbinding, die ook wel de zakelijk rechtstrook genoemd wordt. De breedte van deze strook grond is doorgaans tussen de 60 en 80 meter. Een omgevingsplan dient het gebruik als hoogspanningsverbinding op die locaties toe te laten. Dat geldt eveneens voor de met de hoogspanningsverbinding verbonden schakel- en transformatorstations en andere noodzakelijke hulpmiddelen, omdat die onderdeel uitmaken van de hoogspanningsverbinding.

Het gaat hier om een bevestiging van de bestaande situatie. De op grond van artikel 5.156, derde lid, aangewezen locaties voor een hoogspanningsverbinding betreffen alleen bestaande hoogspanningsverbindingen. De

Gemeente Amsterdam

blz. 22

handhaving van het tracé van de hoogspanningsverbinding in het omgevingsplan betekent dat het omgevingsplan ook de bruikbaarheid van de hoogspanningsverbinding in stand moet laten. Met bruikbaarheid wordt gedoeld op de functionaliteit van de verbinding en daarmee de leveringszekerheid en betrouwbaarheid van de elektriciteitsvoorziening. In dat verband moet het tracé van de hoogspanningsverbinding zoveel als mogelijk gevrijwaard blijven van nieuwe ontwikkelingen die aan die functionaliteit in de weg kunnen staan, zoals bouwwerken met een bepaalde hoogte of de opslag van stoffen die brandgevaarlijk zijn. In overleg met de beheerder van het landelijk hoogspanningsnet kan bekeken worden of een specifieke ontwikkeling mogelijk is en onder welke voorwaarden. De locaties van deze hoogspanningsverbindingen zijn in artikel 5.156, derde lid, Besluit kwaliteit leefomgeving aangewezen als de tracés tussen de locaties, genoemd in bijlage XV, onder C, waarvan de geometrische begrenzing in de Omgevingsregeling is vastgelegd en de tracés tussen een locatie voor grootschalige elektriciteitsopwekking en het hoogspanningsnet met een spanning van ten minste 220 kV. In Amsterdam liggen enkele bovengrondse hoogspanningsverbindingen met een spanningsniveau van 380 kV.

Besluitgebied Het besluitgebied van voorliggend omgevingsplan ligt buiten de aangewezen gebieden 'waarborging hoogspanningsverbindingen'. Rijksvaarwegen Artikel 5.161 van het Besluit kwaliteit leefomgeving bepaalt dat in een omgevingsplan dat van toepassing is op een rijksvaarweg of een vrijwaringsgebied als bedoeld in artikel 5.160 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, rekening moet worden gehouden met het belang van het veilig gebruik van de vaarweg. Het is van belang dat de navigatie van het scheepvaartverkeer niet wordt verstoord. Daarvoor is het van belang om ruimte langs de vaarweg vrij te houden van bebouwing en opgaande begroeiing. Deze kunnen de navigatie van de scheepvaart verstoren, door het belemmeren van het zicht en het verstoren van radarbeelden. In artikel 5.161 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is daarom bepaalt dat rekening moet worden gehouden met het voorkomen van belemmeringen voor de doorvaart van de scheepvaart, zichtlijnen, navigatieapparatuur, bedienings- en begeleidingsobjecten, de toegankelijkheid van de vaarweg voor hulpdiensten en beheer en onderhoud van de vaarweg. Zo nodig kan de gemeenteraad in overleg met de vaarwegbeheerder bezien of – gelet op de kenmerken van de vaarweg op een bepaalde locatie – een beoogde ontwikkeling daadwerkelijk een belemmering vormt.

De breedte van een vrijwaringsgebied is afhankelijk van de afmetingen van het scheepvaartverkeer op de vaarweg. De breedte van een vrijwaringsgebied varieert van 10 m tot maximaal 50 m aan weerszijden van een vaarweg, op basis van verschillende CEMT-klassen. Waar de afmetingen van de vrijwaringsgebieden per CEMT-klasse voorheen waren vastgelegd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening, is de geometrische begrenzing van de vrijwaringsgebieden nu vastgelegd in de Omgevingsregeling. In gemeente Amsterdam zijn als vrijwaringsgebied aangewezen de vaarwegen en een zone aan weerszijden van het Noordzeekanaal, zijkanaal H, het IJ, en het Amsterdam-Rijnkanaal. Besluitgebied Het besluitgebied van voorliggend omgevingsplan ligt buiten de aangewezen vrijwaringsgebieden inzake Rijksvaarwegen. Landelijke fiets- en wandelroutes In artikel 5.161b van het Besluit kwaliteit leefomgeving is een instructieregel opgenomen over landelijke fiets- en wandelroutes. Dit artikel bepaalt dat als een omgevingsplan voorziet in nieuwe ontwikkelingen

bestemmingsplan_TAM-omgevingsplan H22A Sciencepark Kavel 12A (vastgesteld)

blz. 23

die bepaalde landelijke fiets - en wandelroutes kunnen doorsnijden, het belang van de instandhouding van die fiets - en wandelroutes bij de vaststelling van dat omgevingsplan wordt betrokken. De instructieregel is niet van toepassing op ontwikkelingen die op het moment van inwerkingtreden van deze bepaling al zijn toegestaan op grond van een omgevingsplan of op grond van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit (zie artikel 5.149 Besluit kwaliteit leefomgeving). De betreffende fiets - en wandelroutes zijn aangewezen in bijlage XVI bij het Besluit kwaliteit leefomgeving. Voor de betreffende fiets - en wandelroutes is in de Omgevingsregeling geen geometrische begrenzing vastgelegd. In Amsterdam gaat het om de volgende routes: Landelijke fietsroute LF1 Zuiderzeeroute; Landelijk wandelroute LAW 1-3 Floris V-pad; Landelijk wandelroute LAW 2 Trekvogelpad; Landelijke wandelroute LAW 7-1 Pelgrimspad deel 1; Landelijk wandelroute LAW 8 Zuiderzeepad; Landelijk wandelroute LAW 15 Westerborkpad. Het belang van de instandhouding van de landelijke fiets - en wandelroutes is niet absoluut. Dat wil zeggen dat het belang altijd afgewogen moet worden tegen andere maatschappelijke belangen zoals (overweg)veiligheid.

De doelstelling van de regel is dus dat de instandhouding van de aangewezen landelijke fiets - en wandelroutes een plek heeft in de besluitvorming van het omgevingsplan. Wanneer bij een toekomstige wijziging van het omgevingsplan wordt voorzien in nieuwe ontwikkelingen die een van de genoemde landelijke fiets - en wandelroutes kunnen doorsnijden, zal het belang van de instandhouding van de betreffende route in de besluitvorming moeten worden betrokken. Besluitgebied Het besluitgebied van voorliggend omgevingsplan ligt buiten de begrenzing van landelijke fiets- en wandelroutes. Bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen Paragraaf 5.1.8 van het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat instructieregels over het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen. Artikel 5.162 van het besluit bepaalt dat voor zover een omgevingsplan voorziet in nieuwe ontwikkelingen met gevolgen voor de inrichting van de openbare buitenruimte, in het omgevingsplan rekening wordt gehouden met het belang van het bevorderen van de toegankelijkheid van die openbare buitenruimte voor personen met een functiebeperking.

De instructieregel brengt mee dat bestuursorganen als zij nieuwe ontwikkelingen mogelijk maken het belang van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen met een beperking moeten afwegen tegen de overige betrokken belangen. De tekst van artikel 5.162 brengt tot uitdrukking dat gemeenten met inachtneming van, vaak al bestaand, beleid het belang van toegankelijkheid kan meewegen met het oog op een gelijkwaardige wijze van gebruikmaking van de openbare ruimte door een ieder. Besluitgebied De voorgenomen ontwikkeling heeft geen gevolgen voor de inrichting van de openbare buitenruimte. Via de bouwvoorschriften uit het Bbl wordt de toegankelijkheid voor een ieder geborgd. Daarnaast zijn op de voorgenomen ontwikkeling de thema's Veiligheid (risicobronnen in het omgevingsplan), Gezondheid en milieu (luchtkwaliteit, geluid, bodemkwaliteit) en Andere onderwerpen fysieke leefomgeving (aanwijzing categorieën woningbouw) van toepassing.

Gemeente Amsterdam

blz. 24

In de hoofdstukken 5 tot 14 wordt nader op de thema's ingegaan.

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1

Omgevingsvisie Noord-Holland

Op 19 november 2018 hebben de Provinciale Staten van Noord-Holland de Omgevingsvisie NH2050 vastgesteld. Hierin staat de visie op de fysieke leefomgeving beschreven. Doel en hoofdambitie Klimaatverandering, energietransitie, veranderende economieën, grote woningbehoeftes, bodemdaling, verminderde biodiversiteit. Het is een greep uit de vele grote onderwerpen waar opgaven in schuil gaan. De Omgevingsvisie geeft koers hoe de provincie Noord-Holland met deze onderwerpen moeten omgaan richting de toekomst. Daarin hanteert de Omgevingsvisie het uitgangspunt om in samenhang te kijken naar de opties. In de Omgevingsvisie wordt de ambitie geschetst een relatief hoog welvaarts- en welzijnsniveau vast te houden. Daarvoor moet een goede balans gezocht worden tussen economische groei en leefbaarheid. Zodanig dat bij veranderingen in het gebruik van de fysieke leefomgeving de doelen voor een gezonde en veilige leefomgeving overeind blijven. Ambitie in relatie tot (metropool) Amsterdam De provinciale visie ten aanzien van Amsterdam en de metropool rond Amsterdam is opgenomen in de Omgevingsvisie.

De metropool rond Amsterdam is een stedelijk systeem van grotere en kleinere kernen, met Amsterdam als hoog stedelijke kernstad, een landschap met hoge gebruiks- en belevingswaarde, een multimodale bereikbaarheid, een havengebied met energietransitie en circulaire economie als dragers en Schiphol als internationale hub. De ontwikkeling komt tot uiting door een snelgroeiend aantal inwoners, arbeidsplaatsen en bezoekers, leidend tot een tendens van concentraties van economische functies. Grote aantallen arbeidsplaatsen concentreren zich op een aantal locaties in een zone van de Amsterdamse binnenstad tot net ten zuiden van Schiphol. Daarbij is het wenselijk om, vanuit het beperken van woon-werkafstanden en daarbij horende mobiliteitsinvesteringen, nieuwe woningen zo dicht mogelijk bij de grote werkconcentraties te realiseren, waar mogelijk in gemengde woonwerkmilieus. De provincie heeft vijf samenhangende bewegingen beschreven die richting geven aan de ontwikkeling van de leefomgeving. De samenhangende bewegingen zijn: Dynamisch schiereiland: de provincie Noord-Holland is aan drie zijden omgeven door water. Het benutten van deze unieke ligging is leidend, waarbij de kustverdediging voorop staat en waar toeristische en recreatieve kansen benut kunnen worden en natuurwaarden worden toegevoegd. Metropool in ontwikkeling.

Hierin wordt beschreven hoe de Metropoolregio Amsterdam steeds meer als één stad functioneert. Sterke kernen, sterke regio's, gaat over de ontwikkeling van centrumgemeenten die de gehele regio waarin ze liggen vitaal houden en waarin de kernen de herkenbare identiteit behouden. Nieuwe energie, benut de economische kansen van de energietransitie en circulaire economie. Natuurlijk en vitaal landelijke omgeving; centraal staat het ontwikkelen van natuurwaarden en een economisch duurzame agrarische sector. De hoofdthema's en de samenhangende bewegingen vormen de belangrijkste maatschappelijke opgaven voor de komende jaren. Ontwikkelprincipes bieden houvast voor iedereen die iets wil doen dat raakt aan de fysieke leefomgeving. Aan de ruimtelijke beslissingen van de provincie zal daarom altijd een afweging van deze belangen voorafgaan.

bestemmingsplan_TAM-omgevingsplan H22A Sciencepark Kavel 12A (vastgesteld)

blz. 25

Metropool Amsterdam maakt onderdeel uit van de metropoolregio Amsterdam, een regio die zich uitstrekt tot Zaanstad, Almere, Zuid Kennemerland en de Gooi- en Vechtstreek. De metropool moet tot 2050 verder groeien als een belangrijke en duurzame internationale concurrerende stedelijke regio. Er moeten daarom voldoende kantoren, bedrijven en woningen zijn, die vooral binnen het binnenstedelijk gebied gerealiseerd worden. De regionale verschillen tussen de grotere en kleinere kernen binnen de metropool moeten hun sterke identiteit behouden, terwijl het geheel in sterkere mate als een systeem functioneert. Er moet functiemenging zijn, een goede bereikbaarheid en er wordt geïnvesteerd in een samenhangend netwerk van openbaar vervoer tussen woon- en werklocatie. De provincie ziet hierin niet de rol van trekker voor zichzelf, maar dit zal gezamenlijk met partners die daar mede voor verantwoordelijk zijn, worden opgepakt. Primaire waterkering Primaire waterkeringen beschermen Noord-Holland tegen overstromingen vanuit de Noordzee, Waddenzee, IJssel- en Markermeer. De provincie streeft bij dijkverbeteringen robuustheid en ruimtelijke kwaliteit na, inclusief versterking van cultuurhistorische, landschappelijke, recreatieve en ecologische waarden van waterkeringen en aangrenzende zones. Nieuwe ontwikkelingen moeten klimaatbestending en waterrobuust zijn.

Bereikbaarheid Verder vindt de provincie een goede toegankelijkheid en bereikbaarheid van natuur- en recreatiegebieden via groenblauwe verbindingen voor haar bewoners en bezoekers belangrijk, zowel voor de leefbaarheid als voor het vestigingsklimaat. De provincie stelt zich ten doel dat in het jaar 2050 de fiets een nog belangrijker rol speelt in de regionale mobiliteit van Noord-Holland. Er is dan één compleet, herkenbaar en veilig netwerk van fietspaden: op de belangrijkste regionale verbindingen tussen gemeenten, werklocaties, OV-knooppunten, onderwijsinstellingen en natuurgebieden. Verdichting De woningbouwbehoefte wordt vooral in en aansluitend op de bestaande, verstedelijkte gebieden gepland, in overeenstemming met de kwalitatieve behoeftes en trends. Er moet voldoende ruimte en budget zijn voor de ontsluiting van grote woongebieden door te verdichten op goed bereikbare plekken nabij knooppunten van openbaar vervoer. Groen en (water)recreatie Ten slotte dient er voldoende groen om de stad te zijn in het kader van recreatie. Met de provincies Utrecht en Zuid-Holland is in het kader van de Groene Hartsamenwerking het Perspectief Groene Hart 2040 vastgesteld. Daarmee hebben deze provincies zich gecommitteerd aan samenhangend beleid voor het Groene Hart, wat in uitwerkingen verder vorm zal worden gegeven.

Kern van de beweging zijn twee grote veranderprocessen die vragen om samenwerking, innovatie en gebiedsgericht maatwerk: de ontwikkeling naar een natuurinclusieve landbouw en de bodemdaling in veenweidegebied. Waterrecreatie is als belangrijk thema in Noord-Holland in een gezamenlijk met alle partners opgestelde Visie Waterrecreatie Noord-Holland 2030 benoemd. Zowel vanuit het economisch als maatschappelijk belang dient de positie van Noord-Holland als vooraanstaande waterprovincie te worden behouden en versterkt. Het Blauwe Hart (het gebied van Markermeer en IJmeer) is een belangrijke locatie voor de groeiende behoefte aan waterrecreatie. Gemeente Amsterdam

blz. 26

Besluitgebied De binnen het besluitgebied voorgenomen ontwikkeling is in overeenstemming met de kaders uit de Omgevingsvisie NH2050. Het toevoegen van studentenwoningen op Amsterdam Science Park heeft geen impact op de planvoorraad kantoren, omdat innovatiedistricten, waaronder Science Park, niet worden meegeteld in de planvoorraad voor 'reguliere' kantoren. 3.2.2

Omgevingsverordening Noord-Holland

Artikel 2.6 van de Omgevingswet bepaalt, dat Provinciale Staten één omgevingsverordening vaststellen waarin de provinciale regels over de fysieke leefomgeving zijn opgenomen. De provincie Noord-Holland wil met de Omgevingsverordening NH2022 ontwikkelingen, zoals woningbouw en de energietransitie, mogelijk maken en zet in op het beschermen van mooie en bijzondere gebieden in Noord-Holland. Gezocht wordt naar een evenwichtige balans tussen economische groei en leefbaarheid. De belangrijkste belangrijke ambities voor Noord-Holland, zoals omschreven in de Omgevingsvisie, zijn vertaald naar regels die verankerd zijn in de Omgevingsverordening Noord-Holland. De Omgevingsverordening geeft de weerslag van de afweging tussen ruimte voor ontwikkelingen en bescherming van bijvoorbeeld het landelijk gebied. De regels geven de kaders waarbinnen deze ruimte voor afweging en maatwerk mogelijk is en zijn in overeenstemming met de ontwikkelprincipes en ambities zoals verwoord in de omgevingsvisie. Deze regels zijn er onder andere op gericht om zoveel mogelijk binnenstedelijk te verdichten en het landschap te behouden en beschermen. Dat wil niet zeggen dat er niets mogelijk is in het landelijk gebied, maar het vraagt wel om een goede onderbouwing en landschappelijke inpassing.

Voor gebieden met grotere landschappelijke, ecologische, aardkundige en cultuurhistorische waarde, de bijzondere provinciale landschappen, is deze bewijslast logischerwijs zwaarder. Instructieregels Provincie via Omgevingsverordening De Omgevingsverordening bevat instructieregels die van belang zijn om het provinciale beleid of het provinciale belang te laten doorwerken in de uitoefening van taken of bevoegdheden door andere bestuursorganen dan provinciale staten, zoals gemeenten. Afdeling 6.2 bevat de instructieregels voor gemeentelijke omgevingsplannen. Deze instructieregels gelden ook als beoordelingsregels voor de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Er zijn onder andere instructieregels opgenomen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen, woningbouw, detailhandel, duurzame energie, beschermd landelijk gebied en cultureel erfgoed. Besluitgebied In de Omgevingsverordening NH2022 zijn geen regels opgenomen die aan voorliggende wijziging van het omgevingsplan in de weg staan. Voorliggende wijziging van het omgevingsplan voldoet aan de Omgevingsverordening.

bestemmingsplan_TAM-omgevingsplan H22A Sciencepark Kavel 12A (vastgesteld)

blz. 27

3.3

Regionaal beleid - Metropoolregio

De Metropoolregio Amsterdam is het samenwerkingsverband van de provincies Noord-Holland en Flevoland, 30 gemeenten en de Vervoerregio Amsterdam. De 30 gemeenten vormen 7 deelregio's; de gemeente Amsterdam is alleen een deelregio. De gemeenteraden en Provinciale Staten van de MRA-deelnemers worden door de eigen colleges geïnformeerd en betrokken bij de activiteiten van de samenwerking. Daarmee treedt de MRA-samenwerking niet in de formele relatie tussen volksvertegenwoordigers en bestuurders. De bestuurders van de colleges zijn op tal van terreinen actief binnen hun provincie of eigen deelregio. Op MRA-schaal werken wethouders namens hun deelregio binnen de drie inhoudelijke MRA-platforms Economie, Ruimte en Mobiliteit aan de uitvoering van de MRA Agenda. Door de aanpak van onderwerpen op het niveau van de deelregio's in combinatie te brengen met afstemming op het niveau van de MRA wordt de MRA Agenda uitgevoerd. MRA agenda 2020-2024 Deze agenda is de inhoudelijke basis van de samenwerking in de regio. Nieuw in deze agenda 2.0 zijn, ten opzichte van de MRA Agenda 2016-2020, de twee leidende principes 'toekomstbestendig' en 'evenwichtig'.

Dit is uitgewerkt in vier bestuurlijke opdrachten: het verder versterken van de samenwerking; het realiseren van een veerkrachtige, inclusieve en schone economie; bouwen voor de woningbehoefte, met groei de leefkwaliteit van het geheel versterken; tempo maken met het metropolitaan mobiliteitssysteem. In deze agenda is gekozen voor een programmatische benadering, met zogenoemde 'uitvoeringslijnen' die uit de bestuurlijke opdrachten voortvloeien. Voorliggende wijziging van het omgevingsplan voorziet in de bouw van maximaal 400 woningen en draagt op deze wijze bij aan de bestuurlijke opdracht 'bouwen voor de woningbehoefte, met groei de leefkwaliteit van het geheel versterken'.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16523763/1