CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2. Verkenning Brede Welvaart. Amsterdam. Onderzoeksrapport Baanbrekers.pdf

RAAD 26 juni 2024, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Kennisnemen van de raadsinformatiebrief over brede welvaart in Amsterdam (VN2024-007578)12.103 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Gemeente Amsterdam

Verkenning Brede Welvaart Mei 2023

Colofon Gemeente Amsterdam Amstel 1, 1011PN Amsterdam Auteurs: Opdrachtgever: Datum:

Team Baanbrekers (baanbrekers@amsterdam.nl) Directie Digitalisering en Innovatie Mei 2023

2

Inhoud Samenvatting

4

Inleiding

5

Deel 1. Literatuurstudie

7

1. Wat is Brede Welvaart?

7

1.1 Korte geschiedenis welvaartsmeting

7

1.2 Brede welvaart thema’s

9

2. Brede Welvaart in Nederland

11

2.1 Planbureaus

11

2.2 Andere gemeenten

14

3. Een Vergelijking met Aanverwante Modellen

16

3.1 Sustainable Development Goals

16

3.2 De Donuteconomie

17

3.3 Circulaire Economie

19

3.4 Cradle to Cradle

20

3.5 Verschillen & Overeenkomsten

21

4. Wat kan brede welvaart toevoegen?

24

Deel 2. Brede welvaart in de organisatie

26

Hoofdstuk 5. Wat kan brede welvaart toevoegen voor de gemeente Amsterdam?

26

5.1 Kennisniveau brede welvaart

27

5.2 Toegevoegde waarde brede welvaart

29

5.3 Toepassing brede welvaart binnen de gemeente

31

5.4 Conclusie

33

Bijlage 1. Tijdlijn ontwikkelingen welvaartsmeting en andere modellen

35

3

Samenvatting Deze verkenning bestaat uit een literatuuronderzoek naar brede welvaart en een verslag van een intern onderzoek binnen de gemeente Amsterdam. Hieronder worden de belangrijkste inzichten hieruit opgesomd. • Brede welvaart is een nieuw hoofdstuk in de geschiedenis van het meten van welvaart en kan gezien worden als een alternatief op het bbp als maatstaf van welvaart. Brede welvaart werd al in 1990 geïntroduceerd maar heeft recent momentum gekregen, onder andere door de ontwikkeling van verschillende meetinstrumenten en monitors. • De focus ligt tot nu toe op meten ‘achteraf’, en nog niet op de toepassing van brede welvaart aan de ‘voorkant’ van beleid. Er zijn nog nauwelijks voorbeelden van kaders, richtlijnen of tools om brede welvaart te gebruiken als richtinggevend instrument bij de ontwikkeling van beleid. • In theorie is brede welvaart inzetbaar op verschillende schaalniveaus. Het PBL bepleit de keuze voor een regionale aanpak van brede welvaart, omdat de onderliggende verschillen tussen regio’s verloren gaan bij een nationale aanpak. Hierdoor lijkt het gemeenteniveau een geschikt schaalniveau om brede welvaart te implementeren. Daarbij is het goed om de Amsterdamse context mee te nemen in de uitwerking.

• Brede welvaart toont veel overeenkomsten met aanverwante modellen die de gemeente (deels) omarmd heeft, zoals de SDG’s, de Donuteconomie, de Circulaire Economie en Cradle-to-Cradle. De belangrijkste overeenkomst is dat alle modellen een nieuwe kijk op welvaart beogen. Er wordt niet uitgegaan van een hoofdindicator (zoals het bbp) of algemene focus, maar welvaart wordt gezien als een concept met meerdere dimensies, waarin economische, sociale en ecologische thema’s een plek hebben.

• De toegevoegde waarde van brede welvaart wordt vooral gezien in de brede blik die het heeft, mede door toevoeging van een subjectief element (subjectief welzijn), inzicht in samenhang en onderlinge effecten, de flexibiliteit en het realistische karakter van het model en de inzetbaarheid op gemeentelijk niveau. Maar, omdat er nog geen instrumenten ontwikkeld zijn, moet nog blijken of deze toegevoegde waarde ook benut kan worden.

• Wetenschappers en ambtenaren kunnen geen weging maken tussen de verschillende

•

thema’s en de waarde die ze hebben, omdat dit een politieke en normatief geladen keuze inhoudt. Voor de gemeenteambtenaar lijkt daarom vooral een taak weggelegd in het meegeven van overwegingen aan politici middels een overwegingskader. Voor een toepassing van brede welvaart binnen de organisatie is er concreet handelingsperspectief nodig en moet het Amsterdam eigen gemaakt worden. De waarden van brede welvaart voor Amsterdam moeten worden vastgesteld en dienen voor een lange termijn te gelden, minstens voor een coalitie overstijgende periode. Daarbij moeten keuzes gemaakt worden over hoe thema’s en waarde bepaald worden en de omvang van de invloed van brede welvaart op beleid. 4

Inleiding Het bruto binnenlands product (bbp) is van oudsher altijd de maatstaf geweest om te meten hoe het met een land gaat. Met een hoog bbp, in vergelijking met andere landen, regio’s of zelfs steden, wordt de conclusie getrokken dat het goed gaat met ons land, regio of stad. Tenminste, dat is altijd de graadmeter geweest voor de situatie van een land, maar het zegt niet per sé iets over welzijn, duurzaamheid of ongelijkheid in de samenleving. Het begrip 'brede welvaart' is het onderzoeks- en beleidsveld dat zich bezighoudt met alle aspecten van welvaart en dus niet alleen de economische aspecten. Van onderwijs tot inkomen en van milieu tot veiligheid. De afgelopen jaren is de bekendheid van het begrip toegenomen. Een belangrijke reden hiervoor is de introductie van de 'Monitor Brede Welvaart en de Sustainable Development Goals' van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Deze monitor meet hoe het ervoor staat in Nederland met brede welvaart. Op rijksniveau zijn er ook ontwikkelingen te zien op het gebied van brede welvaart, zoals de ontwikkeling van een denkkaderi, een onderzoek naar indicatoren in het mobiliteitsdomeinii en oproepen van de Algemene Rekenkamer en de Raad van State (RvS) om aandacht te besteden aan brede welvaart.

Ook werd er in 2022 een motie ingediend (motie-Hammelburg c.s.) om brede welvaartsindicatoren een centrale positie te geven in Miljoenennota, begrotingen en jaarverslagen. In een kamerbrief als reactie hierop vanuit het kabinet staat dat ze de toegevoegde waarde van brede welvaart als integrerend denkkader en instrument voor beleid onderschrijft, dat ze deze adviezen ter harte neemt en dat ze concrete stappen zet op dit gebied.iii Deze landelijke ontwikkelingen gaan gepaard met lokale ontwikkelingen op gemeenteniveau. De gemeente Amsterdam onderneemt al veel om het welzijn van haar inwoners te vergroten. Denk aan het ondersteunen van sociale ondernemers en buurtprojecten, het stimuleren van lokale maakindustrie, het verbeteren van arbeidsomstandigheden en het bestrijden van de negatieve gevolgen van de platformeconomie. Daarnaast heeft de afdeling Onderzoek & Statistiek (O&S) van de gemeente Amsterdam een aantal jaar geleden meegewerkt aan een brede welvaartsmonitor voor de metropoolregio Amsterdam en voor de gemeente, in samenwerking met het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Ook heeft brede welvaart een plek gekregen in het Amsterdams Akkoord 2022-2026 (zie het kader hieronder), wat het bestuurlijk belang van het begrip onderstreept. De passages omschrijven brede welvaart als uitgangspunt en als doel.

Er is dus momentum om brede welvaart een plek te geven binnen de gemeente Amsterdam. Daarbij gaat het niet alleen om instrumenten om te meten en monitoren, maar ook om toepassingen die aan de voorkant van beleid gebruikt kunnen worden. Toepassingen die het mogelijk maken overwegingen te maken aan de hand van brede welvaart. Deze verkenning is

5

een eerste aanzet om te kijken wat brede welvaart voor Amsterdam zou kunnen betekenen en hoe een dergelijke toepassing eruit zou kunnen zien. Dit rapport onderzoekt daarvoor eerst welke verschillende definities, voorbeelden en verwante modellen er zijn. Modellen als de Donuteconomie, de Circulaire Economie, de Sustainable Development Goals en Cradle-to-Cradle zijn al (deels) door de gemeente omarmt en bieden aanknopingspunten voor brede welvaart. Dit onderzoek legt deze modellen naast elkaar en gaat op zoek of en waar brede welvaart toegevoegde waarde heeft. Hiervoor is een literatuuronderzoek gedaan, waarvan de resultaten in deel 1 te lezen zijn. Daarnaast is een inventarisatie gedaan binnen de gemeentelijke organisatie aan de hand van een aantal interviews. Deel 2 gaat hierop in. Dit rapport eindigt met een aantal aanbevelingen over de toepassing van brede welvaart in de gemeentelijke organisatie. Dit onderzoek hoopt zo een basis te leggen voor de zoektocht naar een Amsterdamse invulling van brede welvaart. Kader 1. Brede welvaart in het Amsterdamse Coalitieakkoord 2022-2026 Brede welvaart komt een aantal keer voor in het ‘Amsterdams Akkoord’, het coalitieakkoord voor de periode 2022-2026, zoals: • ‘Brede welvaart is het uitgangspunt waar een toekomstbestendige economische structuur in dienst van staat’.

(pagina 47) • ‘Er komt een nieuwe visie op onze lokale economie met brede welvaart als doel. Deze ontwikkelen we samen met het bedrijfsleven, ondernemers, sociale firma’s, en lokale initiatieven die werken aan een sociaal en duurzaam Amsterdam.’ (pagina 47) • ‘We gaan uit van brede welvaart. In overleg met de Amsterdam Economic Board gaan we onderzoeken hoe we dat nader kunnen uitwerken en verbreden met vertegenwoordiging van ondernemers, maatschappelijke organisaties, kennisinstellingen en culturele instellingen.’ (pagina 47)

6

Deel 1. Literatuurstudie

Hoofdstuk 1. Wat is Brede Welvaart? In dit hoofdstuk wordt een kort overzicht gegeven van de geschiedenis van het meten van welvaart en de aanloop naar brede welvaart. Daarna volgen de verschillende thema’s die onder brede welvaart vallen, evenals hoe het concept in de praktijk wordt gebracht.

1.1 Korte geschiedenis welvaartsmeting Het meten van welvaart is een uitdaging waar men zich al honderden jaren mee bezighoudt. Dit onderzoek neemt het jaar 1776 als startpunt, toen de econoom Adam Smith zijn werk Wealth of Nations publiceerde.iv In dit werk stond het begrip van ‘productieve arbeid’ als belangrijke bron van welvaart centraal. Productie van goederen en diensten was de centrale factor voor het bepalen van de rijkdom – en daarmee de welvaart - van een land. Een belangrijke drijfveer voor het meten van deze welvaart was 0orlog. Het gaf namelijk ook een indicatie van de sterkte van een natie. Ongeveer 150 jaar later, in de eerste helft van de vorige eeuw, werden wereldwijd initiatieven genomen om de economische condities van landen in kaart te brengen. Het meest prominente instrument was de Harvard Barometer, die een drietal economische factoren in kaart bracht. Deze barometer vond ook navolging in Nederland, want al in 1927 bracht het CBS de economische condities voor Nederland in kaart middels een soortgelijke barometer.v In de jaren dertig nam het belang van een dergelijk systeem toe, met name om te kunnen bepalen wat de overheid moest doen om de recessie en de groeiende werkeloosheid te bestrijden.

Ook nam internationaal de noodzaak toe om landen met elkaar te kunnen vergelijken, bijvoorbeeld bij de distributie van goederen uit het Marshallplan, dat drie jaar na de Tweede Wereldoorlog in werking trad. Voor die vergelijk moest men eerst inzichtelijk maken hoe de ontvangers van de goederen er economisch voor stonden. Bruto Binnenlands Product Dit inzicht werd verkregen door een handige indicator, het bbp. Het bbp is de totale toegevoegde waarde van jaarlijks geproduceerde goederen en diensten in een land. Dit gaf snel en makkelijk inzicht in hoe de economische situatie in een land veranderde en hoe een land economisch presteerde ten opzichte van andere landen. Hierdoor werd het bbp al snel gezien als een meting van de welvaart in een land, met als gevolg dat het vergroten van de 7

productie gelijk stond aan het verhogen van de welvaart in een land. In 2013 concludeerde de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) dat ook in Nederland het bbp de laatste vijftig jaar steeds meer gelijkgesteld is aan (materiële) welvaart of met vooruitgang.vi Omslagpunt Vanaf de jaren zeventig kwamen er ook tegengeluiden op de focus van economische groei als indicator voor welvaart. In 1972 publiceerde de Club van Rome het rapport ‘Grenzen aan de groei’, met als kernboodschap dat economische groei niet oneindig kan zijn en ten koste gaat van natuurlijke bronnen.vii Ook kwam er langzaamaan kritiek op de betekenis die aan het bbp gegeven werd. In deze maatstaf zijn bepalende factoren voor welvaart namelijk niet meegenomen, zoals sociale factoren, ecologische factoren, de grootte van de bevolking, inkomensongelijkheid, et cetera. Ondanks deze kritieken bleef het bbp een belangrijke status houden, ook als maatstaf voor welvaart. Wel ontpopte zich een nieuwe stroming die op zoek ging naar nieuwe manieren van welvaart meten. Een nieuwe manier van welvaart meten Vanwege de beperkingen van het bbp als indicator van welvaart gingen de Verenigde Naties (VN) op zoek naar een nieuwe manier van welvaart meten.

Hieruit volgde de Human Development Index (HDI), een index gericht op mensen en hun mogelijkheden als criteria voor de ontwikkeling van een land, naast economische groei. Het meet de prestaties van een land op drie kernthema’s: 1) een lang en gezond leven, 2) kennis kunnen vergaren en 3) een redelijke levensstandaard. Deze drie thema’s meet men met drie indicatoren, die een gelijk gewicht hebben: a) levensverwachting bij de geboorte, b) (gemiddeld) aantal doorlopen schooljaren en 3) bbp per hoofd van de bevolking. Richting brede welvaart Aan het begin van de jaren ’90 introduceerde de Sociaal-Economische Raad (SER) de term ‘brede welvaart’. Achterliggend gedachtengoed was het bovengenoemde rapport ‘Grenzen aan groei’ en het Brundtland rapport uit 1987, waarin het verband gelegd werd tussen economische groei en ecologische achteruitgang.viii Ook was er het inzicht dat welvaart meer inhield dan alleen economische aspecten. De term ‘brede welvaart’ heeft volgens het SER drie dimensies, overeenkomstig met de drie doelstellingen van de SER: • Evenwichtige economische groei, passend bij een duurzame ontwikkeling; • Een zo groot mogelijke arbeidsparticipatie; • Een redelijke inkomensverdeling. Het begrip en beleidsveld ‘brede welvaart’ is in die zin niet nieuw. Wel is er pas het afgelopen decennium, na de kredietcrisis, momentum opgebouwd.

Dit momentum werd in 2009 ook versterkt door een rapport van onder meer de Nobelprijswinnaars Stiglitz en Senix. Wereldwijd zijn honderden uiteenlopende initiatieven ondernomen om brede welvaart te meten.x Sinds

8

2019 wordt brede welvaart in kaart gebracht middels verschillende monitoringssystemen, die hieronder aan bod komen. Kader 2. Waarden, thema’s en doelen In dit rapport komen termen als ‘doelen’, ‘thema’s en ‘waarde(n)’ aan bod. Doordat het verschillende modellen met elkaar vergelijkt kan het zijn dat er verschillende betekenissen achter deze termen liggen. Het is belangrijk om hier stil te staan bij wat er in dit rapport bedoeld wordt met deze termen. •

•

•

Met doelen wordt datgene bedoelt dat men wilt realiseren. In het geval van de SDG’s (zie hoofdstuk 3) is dat heel duidelijk, want dat zijn 17 concrete doelen die men wilt realiseren. Bij de andere modellen zijn de doelen minder concreet. Sommige modellen zijn een doel op zich, zoals de Circulaire Economie (Amsterdam wil in 2050 een circulaire stad zijn). Met thema’s wordt verwezen naar overkoepelende onderwerpen die in een model aan bod komen (zie hoofdstuk voor de thema’s in brede welvaart 2.2). Denk daarbij bijvoorbeeld aan gezondheid, wonen of veiligheid. Met waarde wordt de weging bedoeld die aan de verschillende thema’s gegeven kan worden. Brede welvaart gaat onder andere over het maken van overwegingen en keuzes. Voor deze overwegingen is het nodig om aan verschillende thema’s een waarde te geven.

1.2 Brede welvaart thema’s Zowel het CBS als de Universiteit van Utrecht (UU)/Rabobank ontwikkelden een monitoringssysteem om brede welvaart in kaart te brengen. Het CBS brengt jaarlijks de ‘Monitor Brede Welvaart en de Sustainable Development Goals’ uit. De afdeling O&S van de gemeente Amsterdam heeft in het begin van deze monitor ook een bijdrage geleverd bij het in kaart brengen van brede welvaart in de Metropoolregio Amsterdam. De UU en de Rabobank ontwikkelden de ‘Brede Welvaartsindicator’ (BWI), wat naar eigen zeggen ‘een initiatief is om een alternatieve welvaartsmaat te bieden voor het bbp’. Het CBS heeft voor het ‘hier en nu’ acht thema’s om brede welvaart in kaart te brengen, terwijl de Brede Welvaartindicator bestaat uit 11 thema’s. De thema’s van de twee modellen zijn in onderstaande tabel opgenomen, waarbij de eerste zeven rijen overeenkomen. De drie rijen onder de streep geven de thema’s aan die uniek zijn voor dat model. Thema’s monitor Brede Welvaart (CBS)

Thema’s Brede Welvaartsindicator (UU/Rabo)

Veiligheid

Veiligheid

Welzijn

Subjectief welzijn 9

Milieu

Milieu

Arbeid en vrije tijd

Balans tussen werk en privé Werk Inkomen

Gezondheid

Gezondheid

Wonen

Woontevredenheid

Samenleving

Maatschappelijke betrokkenheid

Materiele welvaart

Onderwijs Sociale contacten

Tabel 1. Thema’s brede welvaart volgens het CBS en de UU/Rabo. Bovenstaande tabel geeft de overkoepelende thema’s weer die samen brede welvaart in kaart brengen. Een score op een thema wordt berekend aan de hand van een set aan indicatoren. De monitor van het CBS gaat naast de categorie ‘hier en nu’ ook in op de impact die dit heeft op volgende generaties in Nederland (brede welvaart later) en op plekken elders in de wereld (brede welvaart elders). Bij de categorie ‘brede welvaart later’ wordt gekeken naar vier soorten kapitaal: menselijk, sociaal, natuurlijk en economisch. Bij de categorie ‘brede welvaart elders’ wordt gekeken naar twee elementen: milieu & grondstoffen en handel & hulp.

Figuur 1. Bbp-groei en welvaartsgroei geplot. Bron: CBS. Het verschil tussen het bbp en brede welvaartsindicatoren gebaseerd op verschillende thema’s wordt goed duidelijk wanneer deze naast elkaar geplot worden zoals in figuur 1. In 10

deze figuur heeft het CBS een welvaartsindicator genomen op basis van de volgende thema’s: 1) consumptieve bestedingen, 2) inkomensongelijkheid, 3) werkgelegenheid, 4) onderwijs, 5) gezondheid, 6) CO2, 7) SO2, 8) biodiversiteit, 9) criminaliteit en 10) institutionele kwaliteit. De grafiek laat zien dat het bbp in Nederland de afgelopen decennia sterk gestegen is, maar welvaart niet. Voor het achterblijven van de welvaartsgroei bij de inkomensgroei worden een aantal redenen genoemd, zoals de negatieve trend van milieu-indicatoren (CO2, SO2, biodiversiteit), de toenemende inkomensongelijkheid en het uiteenvallen van sociale verbanden, samenhangend met ontzuiling.xi Kritiek op brede welvaartsmonitors Er is ook kritiek op de huidige manieren om brede welvaart in kaart te brengen. Zo verscheen er in 2021 een artikel van hoogleraar Bas Jacobs van de Erasmus Universiteit in het tijdschrift Economisch Statistische Berichten (ESB).xii Zijn belangrijkste punt is dat de recente bijdragen die gedaan zijn, zoals de monitors van het CBS en de UU/Rabobank, losstaan van de theoretische kennis die er al is over welvaartstheorie. Een van de belangrijkste conclusies in dit artikel is dat de samenvoeging van de gebruikte variabelen in een monitor een politieke en normatief geladen keuze inhoudt.

Er vindt namelijk een weging plaats van het belang van ieder thema voor de overkoepelende brede welvaart. Wat is bijvoorbeeld het maatschappelijke belang van veiligheid ten opzichte van zorg of onderwijs? Wetenschappers kunnen die weging niet maken, aldus Bas Jacobs. Dit rapport gaat in hoofdstuk 4 en 5 verder in op dit punt.

Hoofdstuk 2. Brede Welvaart in Nederland Dit hoofdstuk beschrijft hoe brede welvaart onderzocht en gebruikt wordt in het land, om te inventariseren of er al toepassingsvormen bestaan. Daarbij kijken we vooral naar de planbureaus en naar andere gemeenten.

2.1 Planbureaus Er zijn drie planbureaus in Nederland: het Centraal Planbureau (CPB), het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) en het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL). Hoewel elk planbureau een (gedeeltelijk) eigen focus heeft, komt de term brede welvaart ook breed terug in de rapporten van deze organisaties. Het SCP heeft een onderzoeksprogramma getiteld Schaarste, welvaart en welbevindenxiii ontwikkeld om “de samenhang van de verschillende facetten van brede welvaart” te onderzoeken. De focus van dit programma ligt op schaarste in en verdeling van werk en inkomen en het bekijkt zowel het heden als potentiële toekomstige ontwikkelingen. Het onderzoeksprogramma vormt een belangrijke pijler van het Meerjarenplan 2021-2025. Het SCP vergelijkt brede welvaart met de eigen gehanteerde term “kwaliteit van de samenleving”, waarbij men grote overeenkomsten ziet tussen beiden begrippen maar ook verschillen. “Kwaliteit van de samenleving” meet volgens het SCP ook het effect van beleid op de gehele 11

samenleving en “de mate van maatschappelijke samenhang”. Hierin neemt men ook de kwaliteit van leven van mensen elders in de wereld én in de toekomst mee. De focus van de onderzoeken hangende onder dit onderzoeksprogramma lijkt met name schaarste te zijn. De verdeling van welvaart en welzijn (materieel en immaterieel) onder verschillende groepen mensen staat centraal. Het stipt het belang aan van technologie en technologische oplossingen voor toekomstige vraagstukken, maar specifieert niet om welke oplossingen het gaat. Het CPB is in 2022 eveneens een programma rondom brede welvaart gestart, na al meerdere publicaties rondom dit thema uit te hebben gebracht in de jaren daarvoor. Bij de onderzoeken van het CPB staan financieel-economische analyses centraal, waarbij bijvoorbeeld wordt gekeken naar de arbeidsmarkt. Het CPB spreekt de ambitie uit om zich in de nabije toekomst meer te richten op “de effecten van beleid op de brede welvaart in Nederland”. Het PBL heeft tussen 2018 en 2022 grootschalig en uiteenlopend onderzoek gedaan naar brede welvaart in regionale context, als onderdeel van het onderzoeksprogramma Regiodeals voor brede welvaart. Brede welvaart wordt als volgt gedefinieerd: “Brede welvaart kan worden omschreven als het welzijn van inwoners in brede zin (vergelijkbaar met de Engelse term ‘well-being’).

Het betreft alles wat mensen van waarde vinden (PBL/SCP/CPB 2017). Wat van waarde is, wordt daarbij breed opgevat: het gaat bijvoorbeeld om het kunnen voorzien in het levensonderhoud, gezondheid, veiligheid, persoonlijke ontplooiing en sociale contacten, maar ook om zaken waar om ideologische redenen waarde aan wordt gehecht zoals het behoud van biodiversiteit of rechten voor groepen inwoners waar iemand zelf niet toebehoort. Ook is er bij brede welvaart oog voor hoe het huidig welzijn van inwoners van een land of regio samenhangt met het welzijn van mensen buiten de regio (‘elders’) en het toekomstig welzijn binnen en buiten de regio (‘later’). Brede welvaart biedt dus een breed raamwerk, waarbij alle aspecten die belangrijk zijn voor het welzijn van mensen, alsook de impact van het vergroten van welzijn ‘hier en nu’ op ‘elders’ en ‘later’, in samenhang worden bekeken.”. De focus van de onderzoeken van het PBL ligt in het verlengde van de RegioDeals. RegioDeals zijn samenwerkingsverbanden tussen het Rijk en specifieke regio’s, waarbij regio’s plannen kunnen indienen om de leefbaarheid te verbeteren en, indien verkozen, een bijdrage in de financiering vanuit het Rijk ontvangen. Bij het selecteren van de deals zijn “brede welvaartseffecten” ook meegenomen.

Het lijkt tot nu toe ook het enige middel om met het rijk breed aan brede welvaart te werken en gezamenlijke financiering te organiseren. Samenwerking planbureaus Naast de eigen onderzoek agenda’s werken de planbureaus ook gezamenlijk aan opgaven rondom brede welvaart. De multidisciplinaire en complexe aard van brede welvaart wordt als 12

aanleiding genoemd. Zo hebben het CPB en het PBL in 2022 een gezamenlijk onderzoek naar Maatschappelijke Kosten en Baten Analyses gepubliceerd.xiv De MKBA’s fungeren als een instrument om de effecten van (voorgenomen) beleidsvoornemens te beschouwen, waarbij verder wordt gekeken dan louter financiële opbrengsten of verliezen. Ecologische aspecten (zoals het milieu) komen hierin terug, maar brede maatschappelijke effecten minder. Ook wegen effecten buiten Nederland of in de toekomst minder mee. Dit onderzoek, wat specifiek bedoeld was om te onderzoeken of brede welvaartsaspecten mee kunnen worden genomen in dit al bestaande instrument, leidde tot een twintigtal aanbevelingen. Een aantal van de aanbevelingen zijn voorstellen om immateriële (niet-financiële) zaken te meten en mee te wegen in de toekomst. Zo wordt voorgesteld om met volumes of natuurpunten te werken. Ook zijn de drie planbureaus in 2021 een gezamenlijk meerjarenplan gestart, op verzoek van de Tweede Kamer. Dit leidde in 2022 tot een voortgangsrapportage getiteld Verankering van brede welvaart in de begrotingssystematiek.xv Het voorname doel van deze meerjarige samenwerking is het ontwikkelen van een analyse-instrumentarium om (toekomstig) beleid integraal te kunnen toetsen langs de thema’s van brede welvaart. De volgende acht thema’s zijn hieronder gerekend: 1. Subjectief welzijn 2. Gezondheid 3.

Consumptie en inkomen 4. Onderwijs en opleiding 5. Ruimtelijke samenhang en -kwaliteit 6. Economisch kapitaal 7. Natuurlijk kapitaal 8. Sociaal kapitaal Opvallend is dat deze thema’s voor een groot deel afwijken van de thema’s die gedefinieerd zijn door het CBS zelf en de UU/Rabobank (zie tabel 1). Vergelijking De verschillende planbureaus en onderzoeksprogramma’s lijken veel overeenkomsten te hebben. De grootste verschillen zijn de gekozen invalshoeken en richtingen, gestoeld op de verschillende missies en insteken van de bureaus. Hoewel vrijwel alle rapporten de ‘elders’ en ‘later’ belangen noemen, richten de verschillende onderzoeken zich toch met name op het ‘nu’, en op Nederland. Brede welvaart wordt ingezet als een middel om te monitoren, om te vergelijken. De in meerdere rapporten uitgesproken ambitie om de effecten van beleid op brede welvaartsthema’s te meten en daarmee ook richtlijnen en handvatten voor toekomstige beleidsvorming te genereren, geeft richting aan, maar laat ook zien dat dit op dit moment nog geen praktijk is. Een relevant en terugkomend aspect is de keuze die gepaard gaat met het daadwerkelijk inzetten van brede welvaart. Het PBL benadrukt dit in haar rapport Brede welvaart bevorderen; beschouwen en keuzes maken uit 2021 als volgt: 13

“Maak keuzes expliciet in de beleidspraktijk (……) Het centraal stellen van brede welvaart heeft wel geleid tot het in ogenschouw nemen van niet-economische aspecten die ook van invloed zijn op hoe het gaat met de inwoners van de regio. Echter, het ontbreekt in het Regio Dealbeleid aan expliciete keuzes in welke aspecten van brede welvaart vooral van belang worden geacht en afwegingen over wat ten koste van wat mag gaan. Dit zijn politieke keuzes, geen wetenschappelijke of ambtelijke. De rol van beleidsonderzoekers en beleidsmakers is evenwel om de scope voor besluitvorming in beeld te brengen, waaronder de noodzakelijke keuzes, welke opties er zijn en de mogelijke consequenties zijn van de verschillende opties.” De noodzaak om een instrumentarium te ontwikkelen om die keuzes gefundeerd te kunnen nemen wordt breed gevoeld. De drie planbureaus spreken samen de ambitie uit om de komende jaren een analysekader te ontwikkelen om toekomstig beleid zowel kwalitatief als kwantitatief te kunnen ramen. Onderdeel van het operationaliseren van het brede welvaartsdenken is ook het laten opnemen van het te ontwikkelen analysekader in de begrotingscyclus. Wat opvalt aan de inzet en de focus van de verschillende planbureaus is dat brede welvaart vooralsnog kwantitatief wordt benaderd. Brede welvaart lijkt vooral gemonitord en achteraf geanalyseerd te worden.

De focus lijkt minder te liggen op het ontwikkelen van kwalitatieve kaders. Het vooruitkijken naar de stad, regio of het land van 21 de toekomst (wat en wie willen we zijn in 2050, bijvoorbeeld) en op basis dáárvan tools ontwikkelen om keuzes breed te maken staat minder centraal. Notie over toepasbaarheid op verschillende schaalniveaus Het PBL publiceerde een artikel over brede welvaart in de regio.xvi Hierin bepleitte ze een regionale aanpak van brede welvaart. De voornaamste reden is dat een nationaal beeld van brede welvaart de onderliggende verschillen tussen regio’s kan maskeren. En die verschillen zijn er wel degelijk, zo blijkt uit de Regionale Monitor Brede Welvaartxvii. Zo zijn het inkomensniveau en de verscheidenheid aan voorzieningen hoger in grote steden, maar is er ook minder groen en meer vervuiling. In kleinere gemeenten is dit over het algemeen andersom. Deze verschillen zijn van groot belang en mogen daarom niet verloren gaan in een nationale aggregatie. Het PBL adviseert daarom om op gemeentelijk niveau brede welvaart in kaart te brengen.

2.2 Andere gemeenten Hoewel Brede Welvaart als term al 30 jaar bestaat, is de interesse ervoor relatief nieuw. De afgelopen jaren is het begrip bekender geworden, waardoor het steeds vaker genoemd wordt als een richtinggevend concept voor beleid. Maar het lijkt er (nog) niet op dat het begrip ook

14

al daadwerkelijk zo gebruikt wordt. Zoals in hoofdstuk 3.1 benoemd lijkt de focus tot nu toe met name te liggen op monitoring, kennisdeling en het verder ontwikkelen van het concept. Er zijn wel een aantal ontwikkelingen die de toepassing als richtinggevend concept dichterbij brengen. Hierboven werd al genoemd dat het PBL in beeld heeft gebracht welke keuzes je kan en moet maken bij de inhoud, vormgeving en uitvoering van beleid dat gericht is op het bevorderen van de regionale brede welvaartxviii. Daarnaast hebben de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG), Platform31, Het PON & Telos en Tilburg University (Academische Werkplaats ‘Brede Welvaart in de regio’) 10 praktische stappen op een rij gezet om lokaal aan de slag te gaan met brede welvaart.xix Het ministerie van I&W ontwikkeld samen met de Argumentenfabriek een denkkader voor (of over) brede welvaart, waarin vragen staan die een ambtenaar zich kan stellen bij het formuleren van beleidxx. Onderzoeksinstituut TNO is nog een stap verder gegaan en heeft, in samenwerking met een multidisciplinaire groep van wetenschappers, met onder meer een politicoloog, gedragswetenschapper, wiskundige, ethicus en AI-expert¸ een interactief dashboard ontwikkeld. Dit dashboard, genaamd WISE Cube, maakt het mogelijk om al tijdens de beleidsvorming de effecten op het welbevinden in kaart te brengen.

Het dashboard is zowel in de gemeente Rotterdam als in de Veiligheidsregio Rotterdam Rijnmond getoetst. Zo werd met behulp van het dashboard gekeken wat de gevolgen zouden zijn van verschillende maatregelen om een drukke en onveilige verkeerssituatie in de stad op te lossen. Dit is echter een van de weinige voorbeelden waarbij brede welvaart in de praktijk ingezet wordt om effecten van beleid aan de voorkant in kaart te brengen. Daarbij is het goed om te vermelden dat dit gebaseerd is op openbare bronnen en er geen gesprekken plaats hebben gevonden met andere overheden. Hieronder worden kort een aantal initiatieven opgesomd die genomen zijn in provincies en gemeenten in het land. Provincie Brabant De provincie Brabant heeft – als enige provincie – een uitvoeringsagenda brede welvaart. Doelstellingen van deze uitvoeringsagenda zijn: 1. Brede Welvaart als samenbindend thema verankeren in al het beleid; 2. Brede welvaart steviger op de agenda zetten en samen aan de slag gaan met partners; 3. Het vergroten van het inzicht in Brede Welvaart. Uit de uitvoeringsagenda blijkt dat brede welvaart nog niet als richtinggevend concept wordt gebruikt bij formulering van beleid van de provincie, maar dat dit wel de intentie is. De provincie Brabant zet in op het vergroten van het bewustzijn binnen de organisatie en het vergroten van inzicht in brede welvaart.

Provincie Groningen In Groningen is ook een inventarisatie geweest van brede welvaart binnen de provincie. Dit heeft geleid tot een Symposium Brede Welvaart op 1 december 2022. Op dit symposium 15

deelden mensen van onder andere het PBL, Sociaal Planbureau (SPB) Groningen, Nationaal Programma Groningen en de provincie Groningen inzichten over brede welvaart. In deze presentatie van het SPB Groningen werden een aantal inzichten gedeeld over de mate waarin brede welvaart op dit moment toegepast wordt in beleid. Zij concluderen onder andere dat a) brede welvaart nog geen structureel onderdeel is van de beleidscyclus en b) dat er meer bestuurlijk en ambtelijk draagvlak nodig is. Het Nationaal Programma Groningen geeft in een andere presentatie de volgende definitie van brede welvaart, die aangeeft dat er specifieke ambities geformuleerd zijn op basis van de regionale condities: “Brede Welvaart is een internationale maatstaf om welvaart op meer terreinen te meten dan alleen economische groei. Brede Welvaart gaat ook over gezondheid, welbevinden, veiligheid, de kwaliteit van natuur en milieu, opleidingsniveau en vertrouwen in politiek en bestuur. Om de Brede Welvaart te verbeteren, hebben we ambities geformuleerd die voor onze regio van belang zijn: economie, werken en leren, leefbaarheid, natuur en klimaat.”

Hoofdstuk 3. Een Vergelijking met Aanverwante Modellen De opkomst van brede welvaart in het afgelopen decennium loopt parallel aan de ontwikkeling van een aantal modellen die in meer of mindere mate verwant zijn aan brede welvaart. In dit hoofdstuk wordt een korte samenvatting gegeven van wat deze modellen inhouden. Het hoofdstuk gaat in op de principes van de Sustainable Development Goals (SDG’s), de Donuteconomie, de Circulaire Economie en het Cradle-to-Cradle (C2C) principe. In de laatste paragraaf volgt een vergelijk tussen de verschillende modellen en een samenvatting van wat brede welvaart toe kan voegen.

3.1 Sustainable Development Goals Een eerste concept dat veel gelijkenissen vertoond met brede welvaart zijn de SDG’s. In 2015 zijn de SDG's opgesteld door de Verenigde Naties (VN) met als doel het stimuleren van duurzame ontwikkeling wereldwijd. De SDG's volgen de Millenium Development Goals (de MDG’s) op, die tussen 2000 en 2015 liepen. Vanaf 1 januari 2016 zijn de SDG's in werking getreden en ze lopen tot 2030. De SDG's zijn ondertekend door 193 landen, waaronder Nederland. Er zijn in totaal 17 SDG's die gebaseerd zijn op de 5 p’s (people, planet, peace, prosperity en partnership). De 17 doelen vallen onder een breed scala aan thema’s, zoals voedsel, armoede en ongelijkheid, gezondheid en klimaatactie. Voor ieder doel zijn ook subdoelen en bijbehorende indicatoren opgesteld. Er zijn 196 subdoelen en 231 indicatoren. De SDG's zijn dus geen filosofisch of economisch model (zoals de andere modellen wel zijn), maar concrete doelstellingen. De 17 doelstellingen staan op zichzelf, er is geen onderliggende samenhang uitgewerkt. Omdat het een initiatief is vanuit de VN zijn de SDG's internationaal georiënteerd, en op dat niveau ook breed gedragen.

16

SDG's in Nederland en in Amsterdam Omdat de SDG's door de VN geïnitieerd zijn wordt met name op rijksniveau gewerkt met de SDG's. De Rijksoverheid brengt in kaart hoe Nederland ervoor staat bij de SDG's en wat er nog moet gebeuren, en rapporteert hierover aan de VN. Daarnaast heeft ook een aantal gemeenten stappen gezet in het vertalen van de SDG's naar gemeentelijke duurzaamheidsdoelen, zoals Deventer, Tilburg en Oss. In de gemeente Oss waren de SDG's zelfs het uitgangspunt bij de formulering van het coalitieakkoord in 2018. Vervolgens is voor alle beleidsprogramma’s nagegaan welke SDG's bij die programma’s horen, en welke activiteiten binnen die programma’s bijdragen aan het realiseren van die doelen. Amsterdam heeft als eerste gemeente in Nederland een rapport over de SDG's opgesteld.xxi Het rapport, een zogenaamde Voluntary Local Review (VLR), brengt 6 van de 17 doelen gedetailleerd in kaart op stadsniveau. De overige doelen zijn minder uitgebreid behandeld. Het onderzoek is op 27 september 2022 gepresenteerd op de SDG-Actiedag.

Figuur 2. De Duurzame Ontwikkelingsdoelen. Bron: SDG Nederland.

3.2 De Donuteconomie De donut economie is een concept dat een nieuwe economie beschrijft die gericht is op duurzame ontwikkeling en sociale welvaart, in plaats van alleen economische groei. Het concept is bedacht door econome Kate Raworth en verscheen voor het eerst in 2017 in haar boek 'Donuteconomie: In zeven stappen naar een economie voor de 21e eeuw'. De donut bestaat uit een binnenste ring en een buitenste ring. De binnenste ring vormt een sociaal fundament, die de minimale levensbehoeften van mensen beschrijft. Denk daarbij aan vrede, energie, huisvesting, voedsel, gezondheidszorg en onderwijs. De buitenste ring geeft een aantal ecologische grenzen aan, oftewel de maximale hoeveelheid belasting die de planeet kan dragen. Bijvoorbeeld luchtvervuiling, klimaatverandering of het verlies aan biodiversiteit. De donuteconomie omschrijft een systeem waarin aan het sociale fundament voldaan wordt, zonder de ecologische grenzen van de planeet te overschrijden. Oftewel, om in de donut te blijven en een balans te vinden tussen sociale en milieuvraagstukken en economische groei. 17

De Donuteconomie heeft dus op zichzelf geen concrete doelstellingen, maar het sociale fundament in de binnenste ring is wel gebaseerd op de SDG'sxxii. Deze binnenste ring met SDG's wordt aangevuld met de life supporting systems, zoals die door het Stockholm Environment Institute onder leiding van Johan Rockström zijn vastgesteldxxiii. In feite voegt het dus bestaande concepten samen tot een nieuw economisch systeem met een idealistisch karakter. Het beschrijft een ideaal scenario waar men naar zou moeten streven. Er wordt in dit model geen uitwerking gegeven van hoe men de effecten die de verschillende thema’s op elkaar hebben in beeld kan brengen. Maar, onderliggend behelst de Donuteconomie wel het idee dat je afwegingen moet maken waarin je alle aspecten van het model mee moet nemen.

Figuur 3. De SDG's zijn verweven in de Donuteconomie. Bron: Doughnut Economics Action Lab. Donuteconomie in Nederland en in Amsterdam Amsterdam is de eerste stad ter wereld die de donuteconomie heeft omarmd via haar beleid voor een circulaire economie, met volledig hergebruik van grondstoffen in 2050. In maart 2020 werd ‘De Stadsdonut voor Amsterdam: een instrument voor verandering’ gepubliceerd. Gelijktijdig werden ook een ‘Innovatie- en Uitvoeringsprogramma Circulaire Economie’ en een ‘Monitor Amsterdam Circulair’ gepresenteerd. Hierin staat beschreven hoe deze transitie plaats kan vinden. Opmerkelijk is dat de donuteconomie wordt gezien als een kompas om richting te geven aan de transitie naar een circulaire economie. Binnen de gemeente wordt op die manier een link gelegd tussen deze modellen. In mei 2020 is de ‘Stadsdonut voor Amsterdam’ besproken bij de vaststelling van de ‘Strategie Amsterdam Circulair 2020-2025’. Hierna zijn er veel gerelateerde initiatieven ontstaan: van 18

Donut Deals door partijen in de stad tot Donut-gebiedsontwikkeling door de gemeente zelf. Bij verschillende gemeentelijke onderdelen wordt onderzocht hoe men het Donutmodel kan toepassen op bijvoorbeeld het mobiliteitsvraagstuk, voor bedrijventerreinen, circulair textiel, et cetera. Ook lag het Donutmodel aan de basis voor de ‘De Staat van de Stad Amsterdam XI, 2020-2021’. Dit was de eerste keer dat deze rapportage (opgesteld door de gemeentelijke afdeling Onderzoek & Statistiek) zich richtte op zowel de ecologische als de sociale staat van Amsterdam en daarbij ook aandacht besteedde aan de impact die elders wordt gemaakt.

Figuur 4. De Amsterdamse Donut.

3.3 Circulaire Economie Een circulaire economie (CE) is een economisch systeem van gesloten kringlopen waarin grondstoffen, onderdelen en producten hun waarde zo min mogelijk verliezen, men hernieuwbare energiebronnen gebruikt en systeemdenken centraal staat.xxiv De CE is structureel anders dan de lineaire economie die Nederland nu heeft. In een CE draait het erom grondstoffen zo lang en zo hoogwaardig mogelijk in de economie te houden en om afval te vermijden. CE wordt gezien als een middel om te komen tot een duurzamere maatschappij. De beoogde doelen van een CE zijn dan ook: • minder milieuvervuiling; • minder afval; • meer leveringszekerheid (beschikbaar houden van kritieke materialen)

19

De Circulaire Economie is gebaseerd op de idee van het sluiten van kringlopen. De noodzaak hiervan werd al in 1966 geopperd door econoom K. Bouldingxxv en door de Club van Rome met het rapport Grenzen aan Groei. Circulaire economie in Nederland en in Amsterdam Zowel op nationaal niveau als op gemeentelijk niveau zijn er grote ambities als het op circulaire economie aankomt. Eind september 2016 is het Rijksbreed Programma Circulaire Economie gelanceerd. Daarin wordt geschetst hoe Nederland een transitie kan maken naar de circulaire economie. De ambitie is dat Nederland in 2050 volledig circulair is. De ambitie van Amsterdam sluit hierop aan, want in 2050 moet het een volledig circulaire stad zijn. In 2030 moet er al een halvering van het gebruik van nieuwe grondstoffen gerealiseerd zijn.

Figuur 4. Een circulaire economie volgens de Ellen MacArthur Foundation.

3.4 Cradle to Cradle Het Cradle-to-Cradle (C2C) ontwerpprincipe heeft veel overeenkomsten met de circulaire economie. Het werd in de jaren 90 ontwikkeld door Michael Braungart, William McDonough en EPEA Hamburg. Het ontwerpprincipe beschrijft de (chemisch) veilige en (mogelijk) oneindige circulatie van materialen en voedingsstoffen in kringlopen. Ook hier gaat het er dus om dat afval, zoals we dat nu kennen, niet meer bestaat. C2C beschrijft, net als de circulaire economie, een biologische cyclus en een technische cyclus, waarin stoffen na ontwikkeling en gebruik weer terugkomen in de cirkel. De circulaire economie bevat hetzelfde kernprincipe.

20

Cradle to Cradle in Nederland en in Amsterdam Een aantal bedrijven in Nederland heeft C2C omarmd. Een van de bekendste voorbeelden is tapijtfabrikant Desso die produceert zonder schadelijke stoffen en die oude tapijten inzamelt om weer te recyclen. Een bedrijf dat de filosofie omarmd kan zich ook aanmelden voor een C2C certificaat bij de het Cradle to Cradle Products Innovation Institute. Indien het instituut een positieve beoordeling geeft kan je als bedrijf het Cradle-to-Cradle-keurmerk gebruiken. Ook buiten het bedrijfsleven om is er (beperkte) aandacht voor C2C. De regio Venlo is de eerste regio in de wereld die de C2C principes heeft omarmd. Het stadskantoor van de gemeente Venlo is gebouwd en ingericht volgens deze principes. In 2010 ontstond het idee voor een C2C bedrijventerrein in Hoofddorp, genaamd Park 20|20. Dit bedrijventerrein bestaat inmiddels en wordt omschreven als wereldwijd de eerste volledig C2C ontworpen werkomgeving.

3.5 Verschillen & Overeenkomsten Deze paragraaf geeft een overzicht van de verschillen en overeenkomsten tussen de modellen, waarbij ook brede welvaart als model wordt meegenomen. Daarbij is het goed om te benadrukken dat er weinig literatuur beschikbaar is waarin vergelijkingen worden getrokken tussen deze modellen. Onderstaande is dus met name gebaseerd op een eigen analyse van de modellen. Overeenkomsten Er lijken veel overeenkomsten te zijn tussen de vijf modellen. De belangrijkste overeenkomst is dat alle modellen een nieuwe kijk op welvaart beogen. Er wordt niet uitgegaan van een hoofdindicator (zoals het bbp) of algemene focus, maar welvaart wordt gezien als een concept met meerdere dimensies. Die nieuwe kijk is vooral gestoeld op het meenemen van ecologische en sociale aspecten, naast economische aspecten. Daardoor zit in ieder model ook een aanzet tot actie, omdat de huidige situatie op verschillende manieren te kort schiet. De SDG’s beogen duurzame ontwikkeling ten opzichte van uitputtende ontwikkeling, de donuteconomie roept op om de economie in de donut te brengen en C2C en de circulaire economie stimuleren een beweging weg van de huidige lineaire economie. Brede welvaart beoogt een nieuw welvaartssysteem weg van het bbp. Door deze bredere kijk op welvaart is er ook op het gebied van thema's veel overlap tussen de vijf modellen.

Dit blijkt ook uit de relatie die de modellen met elkaar hebben: een deel van de SDG’s vormen de middelste ring van de donuteconomie en dit laatste model wordt (door de gemeente Amsterdam) ingezet als strategie voor een circulaire economie. De circulaire economie is op haar beurt weer gestoeld op principes van het C2C principe. Ook lijkt een circulaire economie in te grijpen op een aantal SDG's, zoals SDG 8 “Waardig werk en economische groei”, SDG 11 “Duurzame steden en gemeenschappen” en SDG 12 “Verantwoorde consumptie en productie”. Soms gaat een model verder in een bepaald aspect 21

dan een ander model. Zo streven CE en de SDG's allebei naar het verminderen van energieverbruik, maar vanuit de SDG's moet het ook betaalbaar zijn voor iedereen. Als we dit visueel maken komen we grofweg tot de ranking in figuur 5. Brede welvaart heeft de breedste scope, omdat ook subjectieve factoren worden meegenomen. Daarna volgen de SDG’s en de donuteconomie, die sociale, ecologische en economische factoren meenemen. Tot slot richten de circulaire economie en C2C zich met name op ecologische en economische factoren (in mindere mate op sociale factoren).

Figuur 5. Ranking modellen van brede scope naar specifieke scope De modellen lijken elkaar op het eerste gezicht dan ook niet in de weg te zitten. Maar er is nagenoeg niks bekend over de effecten die implementatie van een van deze modellen heeft op andere modellen. Het is dus niet te zeggen of de modellen elkaar alleen versterken, of ook een negatief effect kunnen hebben op elkaar. Verschillen Er zijn ook verschillen op te merken tussen de modellen. Qua focus lijken sociale aspecten minder vertegenwoordigd bij de circulaire economie en C2C. De focus ligt daar sterk op ecologische aspecten. Bij de andere modellen spelen sociale factoren wel een belangrijke rol. Ook de organisatie achter de modellen verschilt erg. C2C en de Donuteconomie zijn door individuen bedacht en zijn daarom ook aan die individuen verbonden. Dat staat in contrast met de SDG’s, die ontwikkelt zijn door een grote internationale organisatie. Brede welvaart is daarentegen een relatief Nederlands model en meer verbonden met overheidsinstanties dan met commerciële partijen. Naast scope lopen de modellen ook qua abstractieniveau uiteen, zoals hieronder is weergegeven in figuur 6. De donuteconomie en de circulaire economie zijn economische 22

modellen met een zekere filosofische waarde. Ze beogen een nieuwe economie en schetsen daarmee ook een ideaalbeeld van hoe deze zou moeten zijn. Hierdoor zijn ze van nature ook minder geoperationaliseerd dan bijvoorbeeld de SDG’s waar al concrete doelstellingen vaststaan. Het lijkt daarmee dat de SDG’s ook minder een systeemverandering beogen, omdat de doelen behaald kunnen worden binnen het huidige systeem.

Figuur 6. Ranking modellen van hoog abstractieniveau naar concreet

23

Hoofdstuk 4. Wat kan brede welvaart toevoegen? Met het literatuuronderzoek is beoogd een antwoord te vinden op de vraag: wat kan brede welvaart toevoegen? Omdat er weinig vergelijkend onderzoek is, blijkt dit een uitdaging. Desalniettemin zijn een aantal inzichten ontstaan die hieronder kort worden weergegeven. Een brede blik, en een breder bewustzijn Brede welvaart kent ons inziens – niet verrassend – een hele brede blik. Een deel van de modellen lijkt te zijn ontwikkeld vanuit een vooral ecologisch perspectief. Dat onderdeel speelt dan ook een prominente rol. Dit kan een verklaring zijn waarom de implementatie van deze modellen vaak bij duurzaamheidsdirecties belegd is. Bij brede welvaart is dit ecologisch perspectief ook belangrijk, maar het speelt een minder prominente rol omdat het model niet vanuit dat perspectief ontwikkeld is. Zo neemt het – in tegenstelling tot bijvoorbeeld CE en C2C – ook sociale aspecten mee. Integraliteit is inherent aan brede welvaart. Omdat de focus niet op een specifiek thema ligt maar op alles wat men van waarde vindt, zijn er verschillende raakvlakken met verschillende beleidsterreinen en kan men het begrip bij meerdere directies onderbrengen. Het sociaal domein waarbinnen thema's zoals armoedebestrijding, onderwijs en diversiteit vallen, bevat veel indicatoren die een link hebben met brede welvaart.

Dit geldt ook voor het fysiek domein, denk hierbij aan de (her)inrichting van openbare ruimte, het bewerkstelligen van meer groen of het verhogen van de luchtkwaliteit. Ook bevat het model als enige model een subjectief element en is het in theorie mogelijk meer thema’s toe te voegen indien gewenst. De holistische benadering die ten grondslag ligt aan brede welvaart, maakt dat het begrip niet gelimiteerd is tot duurzaamheid maar juist breed in de organisatie kan landen. Een subjectief element Een groot verschil tussen het brede welvaartsmodel en de overige modellen is dat het brede welvaartsmodel geen universele waarheid kent. Met brede welvaart wordt een bredere denkwijze geïntroduceerd waarin men verschillende economische, ecologische en sociale thema’s naast elkaar kan leggen en meten. Welke waarde aan deze thema’s gegeven wordt, is in principe zelf in te vullen. Het gaat daarbij vooral om de vraag “Wat vinden wij belangrijk en wat heeft prioriteit?”. Welke thema’s men opneemt in het model, en in welke mate men deze thema’s waarde toekent, is dus subjectief en aan de gebruiker. Dit biedt de kans om van dit model een dynamisch model te maken. De gemeente kan bepalen welke thema’s een plek krijgen in het Amsterdams model, en zou de Amsterdammer hier ook bij kunnen betrekken. Dat is een wezenlijk verschil met de overige modellen.

Dat het model een subjectief karakter heeft, maakt het model concreter en persoonlijker te gebruiken, maar tegelijkertijd ook risicovol. Het vermoeilijkt het vergelijken van de brede welvaart van de ene regio met een andere regio als men niet dezelfde thema’s hanteert. Daarnaast is het essentieel om te bepalen welke 24

thema’s onomstreden zijn, en daarbij ook een focus te leggen op invloeden die keuzes hier (“nu”) in de toekomst (“later”) en buiten Amsterdam (“elders”) kunnen hebben. Inzicht in samenhang & onderlinge effecten Een belangrijk element van brede welvaart dat bij de andere modellen ondervertegenwoordigd is, is de samenhang tussen doelen en thema’s. Bij de SDG’s, de circulaire economie en C2C ligt de focus met name op het effect van één specifiek thema op een bepaald gebied. Bij de brede welvaart benadering wordt er echter ook gekeken naar de gevolgen en onderlinge effecten van keuzes. Wanneer er wordt geïnvesteerd in een bepaald beleidsterrein, gaat dit ten koste van ontwikkeling op andere thema's. Het streven naar brede welvaart vraagt dan ook om integrale en multidisciplinaire oplossingen. Goed inzetbaar op gemeentelijk niveau Daar waar de SDG's draaien om (inter)nationale doelstellingen, kan men brede welvaart inzetten op meerdere schaalniveaus. Op (inter)nationaal niveau geven de VN invulling aan de doelstellingen van de SDG's, maar deze zijn op stedelijk gebied redelijk abstract. De donuteconomie biedt in aanvulling op de SDG’s ook veel focus op sociale kanten en heeft oog voor bijvoorbeeld mensenrechten, maar lijkt nog abstracter dan brede welvaart.

Het brede welvaartsmodel maakt het mogelijk om de waarden per schaalgrootte te operationaliseren en is zodoende concreter inzetbaar op gemeentelijk niveau. Zo kan men het brede welvaartsmodel ook inzetten als bewustwordingsintrument of als gespreksmodel. Voor een stad of stedelijke regio is dit model concreter te gebruiken dan een internationaal model als de SDG's. In de operationalisering van een waarde kan men vervolgens doelstellingen opnemen, zo ook SDG-doelstellingen. Mogelijkheid tot verandering in het einddoel (flexibiliteit) Het model van brede welvaart biedt een flexibiliteit op vele fronten die de andere genoemde modellen ten dele ontberen. Het is holistisch, aan te passen aan verschuivende of veranderende prioriteiten en waarden, en inzetbaar op wisselende schaalniveaus. De andere modellen geven eigenlijk een ideaalbeeld aan. Daarmee staat het einddoel ook al vast. Bij brede welvaart kan het einddoel of de focus ook veranderen, aan de hand van ontwikkelingen in de tijd of een verandering in wat mensen belangrijk vinden. Brede welvaart biedt hiermee de mogelijkheid om continu het gesprek te blijven voeren over welke stad we willen zijn, ook in de toekomst. In praktisch opzicht maakt dit brede welvaart geschikt en bruikbaar binnen de gemeente; beleid(sdoelen) en (politieke) prioriteiten kunnen immers verschuiven.

Tegelijkertijd zou dit ook een risico kunnen vormen: een potentieel steeds wisselend einddoel kan de focus doen afnemen en het lastiger maken om langetermijneffecten mee te nemen in het concreet toepassen van brede welvaart. Dit vraagt om een heldere Amsterdamse definitie van brede welvaart, waarbij kern- of basiswaarden vooraf zijn vastgesteld en verankerd.

25

Deel 2. Brede welvaart in de organisatie

Hoofdstuk 5. Wat kan brede welvaart toevoegen voor de gemeente Amsterdam? Deel 2 zoomt in op brede welvaart in de praktijk, binnen de gemeente Amsterdam. Het zoekt een antwoord op de vraag: welke toegevoegde waarde heeft brede welvaart voor de gemeente Amsterdam? Daarbij komt ook aan bod in hoeverre brede welvaart een aanvulling is naast de in deel 1 beschreven modellen (die al (deels) omarmd zijn door de gemeente) en zo ja, wat mogelijke toepassingsvormen kunnen zijn. Om deze vragen te beantwoorden zijn aanvullend op het literatuuronderzoek ook gesprekken gevoerd in de organisatie. De gesprekken geven een aantal eerste inzichten over het kennisniveau en ideeën van collega’s binnen de gemeente Amsterdam. Gesprekken in de organisatie Er zijn in totaal zeventien gesprekken (in één van de gesprekken werden twee verschillende directies gesproken) gevoerd, waarbij getracht is collega’s uit zoveel mogelijk verschillende beleidsvelden te spreken. Ook de functies van de gesproken collega’s verschillen, van beleidsmedewerker tot afdelingshoofd. Wel zijn alle geïnterviewden op een manier betrokken bij de ontwikkeling van beleid in hun veld. Tabel 2 geeft een overzicht van de beleidsvelden en de bijbehorende directies waar we iemand geïnterviewd hebben. #

Cluster

Directie

Onderwerp/Beleidsveld

1 2

Gebiedsgericht werken & stadsbeheer

Afval & Grondstoffen Community Wealth Building

3 4

Sociaal

Afval & Grondstoffen Programmateam Masterplan ZO GGD Amsterdam Onderwijs, Jeugd, Zorg & Diversiteit Onderwijs, Jeugd, Zorg & Diversiteit Onderwijs, Jeugd, Zorg & Diversiteit Werk en Participatie Inkomen

5 6 7 8

Gezondheid Kansengelijkheid Zorg Onderwijs Armoede/Schuldhulpverlening Bestaanszekerheid 26

9 10 11

Digitalisering, Innovatie en Informatie Ruimte en Economie

12 13 14 15 16 17 18

Bestuur & Organisatie

Data Democratisering Economische Zaken & Cultuur Grond & Ontwikkeling Ruimte & Duurzaamheid Ruimte & Duurzaamheid Ruimte & Duurzaamheid

Onderzoek & Statistiek Fearless City programma Strategie & Ontwikkeling

Wonen Verkeer en Openbare Ruimte Middelen & Control

Wonen Mobiliteit

Gebiedsontwikkeling Strategie Duurzaamheid Donuteconomie Circulaire economie

Sociale Zaken & Economische Zaken Tabel 2. Directies en onderwerpen van geïnterviewde ambtenaren Amsterdam. Structuur van de interviews De interviews waren semigestructureerd. Dat houdt in dat een aantal vragen als leidraad is aangehouden, maar dat ook doorgevraagd is op onderwerpen die spontaan aan bod kwamen. De volgende vragen zijn in ieder geval in ieder gesprek aan bod gekomen: • Wat betekent de term brede welvaart voor jou en kom je dit tegen in je werk? • Zie je toegevoegde waarde van brede welvaart voor de gemeente Amsterdam? • Wat is er nodig om brede welvaart toe te passen binnen de gemeente Amsterdam? De gesprekken en gegeven antwoorden en suggesties waren zeer uiteenlopend, zowel qua abstractieniveau als invalshoek. De volgende drie paragrafen geven een overzicht van enkele rode draden en algemene inzichten uit de gesprekken. Belangrijk om hier te vermelden is dat deze inzichten niet uitputtend zijn en ook geen representatief beeld geven van de genoemde directies. Wel geven ze een inkijk in hoe er in de organisatie gedacht wordt over brede welvaart. Ook bieden de inzichten handvatten wanneer ervoor gekozen wordt een toepassing van brede welvaart in te zetten in de organisatie.

5.1 Kennisniveau brede welvaart De eerste vraag, ‘wat betekent de term brede welvaart voor jou en kom je dit tegen in je werk?’, is gesteld om een indruk te krijgen van het kennisniveau van brede welvaart in de organisatie. Een ander doel was om te achterhalen of collega’s onder brede welvaart hetzelfde verstaan, of dat er verschillende definities bestaan. Deze vraag leidde tot de volgende observaties: 1. De term brede welvaart kent een redelijk grote bekendheid onder de gesproken collega’s. Vrijwel alle geïnterviewden hebben wel eens van het begrip gehoord. Opvallend is dat vaak de CBS monitor wordt genoemd als reden hiervoor. 27

2. Het woord ‘breed’ in brede welvaart wordt op twee verschillende manier geïnterpreteerd. Een deel van de gesproken collega’s interpreteert breed als zijnde ‘meer dan alleen economische factoren’. Een bredere blik betekent het meewegen van ook ecologische en sociale factoren. Een ander deel interpreteert breed als zijnde welvaart voor een groter deel van de inwoners. Breed slaat in die opvatting dus op het aantal mensen dat welvaart geniet, vanuit een kansengelijkheidsperspectief. 3. Men beschouwt brede welvaart niet als geheel nieuw. Men ziet en denkt dat brede welvaart veel overeenkomsten heeft met andere modellen, of juist voortbouwt hierop. Dit wordt door sommigen gezien als een risico: is brede welvaart niet gewoon oude wijn in nieuwe zakken? En ook: hebben we over 5 jaar met een nieuwe politieke realiteit niet weer een nieuw model? Dit kan in potentie de langer termijn waarde van BW ondermijnen.

4. Op de vraag of men al met brede welvaart werkt antwoorden veel van de gesproken collega’s ontkennend. Maar doorvragend blijkt dat sommigen weliswaar niet vanuit een kader ‘brede welvaart’ werken, of het begrip expliciet benoemen in de ontwikkeling van beleid, maar dat er wel voorbeelden zijn waarbij complexe opgaves integraal benaderd worden. Ook wordt de noodzaak tot het expliciet en bewust afwegen van belangen en keuzes benoemd en onderschreven.

25%

37,5%

37,5%

Figuur 7. Vier verschillende persona’s Als we de antwoorden op de eerste vraag plotten langs twee assen (minder tot meer kennis over brede welvaart en minder tot meer toepassing in het eigen werk) zien we grofweg vier persona's, zoals in figuur 7. De plek op de assen wordt bepaald door de input van de geïnterviewden te verwerken. 1) De expert (veel kennis over brede welvaart en past het al enigszins toe) (37,5%) 28

2) De onbewuste ambassadeur (minder kennis over brede welvaart, maar past het achterliggende idee al wel toe) (37,5%) 3) De vakspecialist (minder kennis over brede welvaart en past het niet of weinig toe. De focus ligt op eigen dossiers) 4) De zoekende visionair (veel kennis over brede welvaart, maar past het niet of weinig toe) (25%)

5.2 Toegevoegde waarde brede welvaart De vraag of collega’s toegevoegde waarde zien van brede welvaart voor de gemeente Amsterdam levert een aantal interessante observaties op. 1. Door veel geïnterviewden wordt brede welvaart gezien als een beweging weg van het rendabiliteits-denken in de organisatie. Vaak zijn beslissende factoren bij het maken van afwegingen de financiële kosten en opbrengsten. Hierdoor worden niet altijd keuzes gemaakt die het best zijn voor het welzijn van de Amsterdammer. Er wordt toegevoegde waarde gezien als brede welvaart handvatten biedt om bredere afwegingen te maken. Deze handvatten (die nog ontwikkeld moeten worden) moeten er voor zorgen dat het mogelijk wordt keuzes te maken die financieel gezien niet noodzakelijk de meeste gunstigste zijn. 2. Ook ziet men toegevoegde waarde in het inzichtelijk maken van neveneffecten van (beleids-)keuzes en in het vergroten van het bewustzijn dat keuzes die binnen één directie worden genomen een (onbedoeld) effect kunnen hebben op andere terreinen. 3. Daarbij worden wel een aantal randvoorwaarden genoemd om een toepassing van brede welvaart écht toegevoegde waarde te laten hebben, namelijk: a. Handelingsperspectieven, normen en kaders moeten heel concreet zijn, anders is er risico’s dat mensen brede welvaart anders interpreteren of dat er onduidelijkheden ontstaan hoe het begrip toe te passen. b.

Er moeten consequenties aan verbonden zijn als de afgesproken toepassing niet wordt uitgevoerd. Met andere woorden, brede welvaart moet niet een extraatje zijn, maar een uitgangspunt waar een beleidsmedewerker niet omheen kan. 4. Over de ‘elders’ lens zijn er verschillende, uiteenlopende meningen. Enerzijds wordt het door collega’s benoemd als zijnde een onmisbaar onderdeel van het model. De welvaart die we in Amsterdam genieten gaat immers deels ten kosten van welvaart elders (zoals milieuvervuiling, werkomstandigheden). Anderzijds wordt genoemd dat de elders lens brede welvaart onoverzichtelijk groot maakt, waardoor het als onmogelijk wordt gezien om alle effecten van je beleid in kaart te brengen. Daar bovenop is aangegeven dat de elders lens de potentie heeft van politieke speelbal. Elk maatschappelijk (of politiek) debat kan gegijzeld worden door de ‘elders kaart’ te spelen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14296988/1