CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2. Verborgen-armoede-in-Nederland_2023.pdf

Raadscommissie Onderwijs, Zorg en Armoedebestrijding 21 juni 2023, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Brede monitor armoederegelingen en stopzetten Stadspas voor AOW’ers die niet tot de minima behoren. (VN2023-014241)23.687 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Wanneer wordt uitgegaan van arme huishoudens met betaald werk in 2014, dan was een (nog) groter aandeel onbekend bij de gemeente, namelijk 82 procent.

69

Hoofdstuk 5. Samenvatting Hoe heeft het aandeel huishoudens en personen met een inkomen onder verschillende armoedegrenzen (per jaar en langdurig) zich ontwikkeld tussen 2011 en 2018? En in hoeverre zijn zij verborgen voor gemeenten? Bevolkingsgroepen worden niet in gelijke mate getroffen door (verborgen) armoede: welke sociaaleconomische en demografische groepen lopen het meeste risico op (verborgen) armoede? En welke ontwikkelingen zijn daarin waarneembaar? In dit rapport hebben we aan de hand van microdata van het CBS antwoord proberen te geven op dergelijke vragen. In deze rapportage hebben we daarbij de focus gelegd op de beleidsmatige grens, of het sociaal minimum (101% en 120%), omdat gemeentelijk armoedebeleid veelal op het beleidsmatig of sociaal minimum geënt is. Op hoofdlijnen hebben we deze grens ook met andere armoedegrenzen vergeleken. Het beleidsmatig minimum van 101% (b)lijkt daarbij de meest ‘strikte’ opvatting van (langdurige) armoede te vormen – strikter dan de lageinkomensgrens van het CBS en de Europese armoedegrens. Ook hebben we de focus gelegd op personen tot 65 jaar, huishoudens met een hoofdkostwinner tot 65 jaar en werkenden tussen de 15 en 65 jaar. Basisanalyse van verborgen armoede in Nederland In 2018 heeft dan 6,9 procent van de huishoudens een inkomen op of onder het sociaal minimum van 101% (11,8 procent bij 120%).

Een aandeel van 2,7 procent van de huishoudens had een inkomen op of onder het sociaal minimum van 101% én was onbekend bij gemeenten (respectievelijk 6,0 procent bij 120%). Als we de trends over de tijd bekijken tussen 2011-2018, dan valt op dat armoede de piek bereikt in 2013-2014 en daarna afneemt. Ongeacht de gekozen armoedegrens piekt verborgen armoede net iets eerder, namelijk in 2012-2013. Het langdurig armoederisico neemt in recente jaren overigens juist toe, en het langdurig verborgen armoederisico is redelijk constant. Uit de analyses naar sociaaleconomische kenmerken komt naar voren dat bijstandsontvangers het meeste risico lopen op (langdurige) armoede. Ook is dit risico gestegen voor bijstandsontvangers, maar ook voor huishoudens met uitkeringen uit overige sociale voorzieningen en arbeidsongeschiktheid. De grootste groep verborgen arme huishoudens ontvangt echter vooral inkomen uit werk. Gekeken naar opleiding dan is te zien dat het armoederisico relatief laag is bij huishoudens met een hoogopgeleide hoofdkostwinner. Arme huishoudens met een hoogopgeleide hoofdkostwinner zijn echter wel relatief vaak verborgen. In absolute aantallen blijkt dan – opvallend genoeg - dat huishoudens met een middelbaar opgeleide hoofdkostwinner de meest omvangrijke groep verborgen armen vormen.

Uit analyses naar demografische kenmerken (zoals huishoudenssamenstelling, leeftijd, migratieachtergrond) van armoede en verborgen armoede komen een aantal ‘usual suspects’ naar voren. Er komt bijvoorbeeld naar voren dat (verborgen) armoede relatief hoog is onder eenoudergezinnen met uitsluitend minderjarige kinderen en eenpersoonshuishoudens. Eenpersoonshuishoudens blijken daarbij de meest omvangrijke groep verborgen armen. Het risico op armoede blijkt het grootst voor kinderen en ouderen. 70

Opvallend is dat tussen de 15 en 34 jaar het aandeel armen in de bevolking weliswaar relatief laag is, maar het aandeel verborgen armen in deze groep relatief groot. Als het gaat om migratieachtergrond dan valt bijvoorbeeld op dat het aandeel verborgen armen relatief groot is bij huishoudens met Oost-Europese herkomst. Hoewel armoede relatief groot is onder huishoudens van wie de hoofdkostwinner een migratieachtergrond heeft vanuit de zogenaamde vluchtelingengroepen, zijn deze groepen in zeer geringe mate verborgen voor gemeenten. In de analyses op gemeenteniveau is te zien dat het armoederisico het hoogst is in de gemeenten Rotterdam, Groningen en Heerlen; deze drie steden maken – ongeacht de meetwijze - in de regel deel uit van de ‘top 3’. Verder komt een groot aandeel huishoudens of personen met een inkomen op of onder het beleidsmatig minimum (101% en 120%) niet alleen voor in de grote gemeenten, maar ook in kleineren gemeenten in met name het noordoosten van het land en (Zuid-)Limburg. Dit armoederisico loopt niet altijd parallel met het verborgen armoederisico. Als we het aantal verborgen armen afzetten tegen het totaal aantal armen binnen gemeenten, dan zien we dat in genoemde plaatsen als Rotterdam, Groningen en Heerlen een relatief groot deel van de armen bekend is bij de gemeente (ca. 30 procent is verborgen bij een beleidsmatig minimum van 101%).

Ook armen in gemeenten in het noordoosten van het land zijn bovengemiddeld vaak bekend bij de desbetreffende gemeente. In andere plaatsen is daarentegen meer dan 70 procent van de arme huishoudens onbekend bij de gemeente. In gemeenten waar het armoederisico relatief laag is, is soms juist een relatief groot deel verborgen (zoals bijvoorbeeld op de Waddeneilanden). Van de gemeenten waarin zich de 10 grootste steden van Nederland bevinden, lijkt vooral Utrecht een bovengemiddeld aandeel verborgen armen te hebben (zowel wanneer een beleidsmatig minimum van 101% als 120% wordt gehanteerd en ongeacht het niveau van het huishouden of personen). Ook Eindhoven heeft een bovengemiddeld aandeel verborgen arme huishoudens/ personen. Tenslotte kunnen we door de koppeling van de gegevens van gemeenten over ingezetenen die gebruik maken van gemeentelijke voorzieningen voor armen vaststellen welk deel van de armen (ook) niet bekend is bij gemeenten en dus in striktere zin ‘verborgen’ is; strikter dan enkel door middel van enkel CBS gegevens kan worden vastgesteld. Uit de analyses onder deelnemende gemeenten komt naar voren dat armoederegelingen en kwijtschelding niet alleen huishoudens bereiken die al bekend zijn bij gemeenten, maar ook verborgen huishoudens.

Armoederegelingen en kwijtschelding lijken vooral terecht te komen bij arme huishoudens die al een (andere) vorm van overdrachtsinkomen ontvangen. In dit hoofdstuk zagen we dat de grootste groep verborgen arme huishoudens vooral inkomen uit werk ontvangt. Ook zagen we dat de correctie voor gemeentelijke armoederegelingen en kwijtschelding dit beeld nog verder onderstreept; dergelijke regelingen komen vooral terecht bij huishoudens met een vorm van overdrachtsinkomen, en (dus) niet bij huishoudens met inkomen uit betaald werk. In het volgende hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de arbeidsmarktpositie van verborgen armen.

71

De arbeidsmarktpositie van verborgen armen Van de werkende bevolking maakte in 2018 1,5 procent (110 duizend personen) deel uit van een huishouden met een inkomen op of onder het sociaal minimum (101%). Wanneer een sociaal minimum van 120% wordt aangehouden, dan is te zien dat in 2018 2,7 procent van alle werkenden tot 65 jaar deel uitmaakte van een huishouden met een inkomen onder het sociaal minimum. De analyses over de tijd voor de periode 2011-2018 tonen dat het (verborgen) armoederisico onder werkenden een piek bereikt in 2012-2013. Ook zien we dat, ongeacht de gehanteerde armoedegrens, een groot deel van de arme werkenden (84-90 procent) verborgen is voor gemeenten. Uit de analyses naar arbeidsmarktpositie komt naar voren dat het armoederisico en verborgen armoede risico relatief hoog is onder zelfstandigen (met name zelfstandigen zonder personeel); dit geldt ook voor langdurig (verborgen) armoede. De analyses voor de periode 2011-2018 tonen dat het aandeel verborgen armen onder werknemers is gedaald gedurende deze periode, maar onverminderd hoog blijft onder zelfstandigen.

Verder komt uit de analyses naar voren dat er sprake is van een grote diversiteit binnen de groep werknemers en dat het (verborgen) armoederisico bijvoorbeeld relatief hoog is onder werknemers met tijdelijke contracten (tot een jaar) met vaste uren en werknemers met tijdelijke contracten en zonder vaste uren. Opvallend is dat het aandeel verborgen armen binnen de groep armen juist relatief hoog is onder werknemers met een vast contract. Met andere woorden: werknemers met een vast contract hebben een relatief klein risico op armoede, maar als ze arm zijn, zijn ze wel vaak verborgen voor gemeenten. In absolute aantallen blijken werknemers met een vast contract overigens na de zzp’ers ook de meest omvangrijke groep verborgen armen. Ook is het (verborgen) armoederisico relatief hoog onder werkenden die meerdere banen combineren. Analyses onder werkende armen laat verder zien dat het armoederisico en het verborgen armoederisico relatief hoog is onder werkenden in de sectoren ‘Horeca’ en ‘Cultuur, recreatie en overige dienstverlening’. Dit geldt voor zowel werknemers als zelfstandigen. Onder zelfstandigen is ook het aandeel (verborgen) armen in de sectoren ‘handel en vervoer’, ‘onderwijs’, en ‘landbouw, bosbouw en visserij’ relatief hoog.

Wanneer gekeken wordt naar de aantallen verborgen armen binnen de verschillende sectoren, dan verdient het aanbeveling om de aandacht ook te richten op sectoren als ‘Handel en vervoer’ en ‘Financiële en zakelijke dienstverlening’, omdat binnen deze sectoren in absolute zin veel verborgen armen voorkomen; zeker onder zelfstandigen maar ook onder werknemers. Stabiliteit en dynamiek in verborgen armoede Als we kijken naar de dynamiek in armoede, dan zien we dat huishoudens vaak meerdere jaren onder de armoedegrens leven. Van de huishoudens met een inkomen op of onder het sociaal minimum (101%) in 2014 had 35 procent in alle opeenvolgende jaren, dat wil zeggen tot en met 2018, een inkomen onder deze armoedegrens. Wanneer een beleidsmatig minimum van 120% wordt gehanteerd, had zelfs 52 procent van alle arme huishoudens vijf opeenvolgende jaren een inkomen onder de armoedegrens. Verder had 44 procent van de huishoudens binnen vijf jaar soms wel, en soms niet (namelijk 2 tot 4 van de 5 jaar), een inkomen op of onder het sociaal minimum (101%). De meeste arme huishoudens zijn meestal óf bekend, óf 72

onbekend in alle jaren dat ze arm zijn. Arme huishoudens hebben daarbij meestal voornamelijk inkomen uit overdrachtsinkomens in alle jaren, maar verborgen arme huishoudens hebben juist vaker inkomen uit betaald werk in één of meerdere jaren. Wanneer we huishoudens selecteren met een inkomen onder de armoedegrens in 2014 en met voornamelijk inkomen uit betaald werk in tenminste één van de vijf jaar, dan zie we dat 71 procent van deze huishoudens alle jaren voornamelijk inkomen uit betaald werk heeft. Wanneer we hoofdkostwinners selecteren met voornamelijk betaald werk in 2014, dan heeft zelfs 78 procent alle jaren voornamelijk inkomen uit betaald werk. Arme huishoudens met inkomen uit betaald werk zijn echter doorgaans niet alle jaren arm. Wanneer wordt uitgegaan van een beleidsmatig minimum van 101%, dan is te zien dat 11 procent in alle jaren arm is. Opvallend is dat de verdeling wel behoorlijk schuift wanneer wordt uitgegaan van een beleidsmatig minimum van 120%. Daarmee stijgt het aandeel dat in alle jaren arm is naar 20 procent. Met andere woorden: arme huishoudens met voornamelijk inkomen uit betaald werk lijken soms net boven de strikte armoedegrens van 101% te komen, maar zijn volgens het criteria van 120% nog wel arm. Arme huishoudens met inkomen uit betaald werk die verborgen zijn, zijn dat meestal wel in alle jaren dat zij arm zijn.

Van de huishoudens met een inkomen op of onder het sociaal minimum (101%) met betaald werk in tenminste één van de jaren was 74 procent in alle jaren dat zij arm waren, onbekend bij gemeenten. Wanneer wordt uitgegaan van arme huishoudens met betaald werk in 2014, dan was een (nog) groter aandeel onbekend bij de gemeente, namelijk 82 procent. Tot besluit De urgentie van het in beeld krijgen van verborgen armoede in Nederland lijkt tegen de achtergrond van de huidige oplopende inflatie en opkomst van het fenomeen ‘energiearmoede’ in de afgelopen periode alleen maar toegenomen. Hoewel de analyses in dit rapport betrekking hebben op de voorgaande periode (tussen 2011 en 2018), kan het inzicht bieden in potentiële doelgroepen die in de regel, of in toenemende mate, relatief moeilijk door gemeenten bereikt worden. Gemeenten zullen door de coronacrisis (TOZO) en de energietoeslag tussen 2018-2023 waarschijnlijk wel nieuwe groepen hebben bereikt die in 2018 nog verborgen waren. Het is interessant om hier in vervolgonderzoek expliciet aandacht aan te besteden.

73

Literatuur Caminada, K., Jongen, E., Bos, W., Brakel, M., & Otten, F. (2021). Inkomen verdeeld, trends 1977-2019. Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS)/Universiteit Leiden. CBS (2019). Armoede en sociale uitsluiting 2019. Den Haag/Heerlen/Bonaire: Centraal Bureau voor de Statistiek. CBS (2021). Armoede en sociale uitsluiting 2021. Den Haag/Heerlen/Bonaire: Centraal Bureau voor de Statistiek. Conen, W. S. (2020). Multiple jobholding in Europe: Structure and dynamics. WSI Study, No. 20. Düssseldorf: Hans-Bockler-Stiftung. Conen, W.S. en de Beer, P.T. (2022). Kwaliteit van combinatiebanen: Nederlandse multijobbers in Europees perspectief. Tijdschrift voor HRM, 25(2), 43-58 Lohmann, H. en Marx, I. (Eds.). (2018). Handbook on in-work poverty. Cheltenham: Edward Elgar Publishing. Peña-Casas R., Ghailani D., Spasova S. en Vanhercke B. (2019). In-work poverty in Europe. A study of national policies, European Social Policy Network (ESPN), Brussels: European Commission SCP (2019). Armoede in kaart 2019. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. SER (2021). Werken zonder armoede. Verkenning 21/10. Den Haag: Sociaal Economische Raad. Van den Berg, H., Erkens, J., Hoekema, L., Kösters, L., Muller, H., Nieuweboer, J., ... & Van der Zwan, J. (2016). Werknemers en zelfstandigen: overeenkomsten en verschillen tussen CBScijfers, Sociaaleconomische trends, 2016/01.

Den Haag/Heerlen/Bonaire: Centraal Bureau voor de Statistiek. Vrooman, C., Josten, E., Hoff, S., Putman, L. & Schut, J.M.W. (2018). Als werk weinig opbrengt. Den Haag: SCP

74

Bijlagen A. Toelichting bij de gekozen leeftijdsgrens Figuur A1.

(Verborgen) armoederisico per leeftijdscategorie, totale bevolking, in procenten en ratio (aandeel verborgen arme personen ten opzichte van het totaal aantal arme personen), 2018 a. Op of onder beleidsmatig minimum, 101%

b. Onder beleidsmatig minimum, 120%

Bron: CBS, Inkomensstatistiek, 2018

75

B. Aanvullende analyses Tabel B1.

Armoederisico onder personen (15-65 jaar) met overdrachtsinkomen als belangrijkste bron van inkomen (zwaartepunttypering) a. Op of onder beleidsmatig minimum, 101%

Begrip Armoederisico

Uitkering Werkloosheid Bijstand Overige sociale voorzieningen Arbeidsongeschiktheid Langdurig armoederisico Werkloosheid Bijstand Overige sociale voorzieningen Arbeidsongeschiktheid Verborgen armoede Werkloosheid Bijstand Overige sociale voorzieningen Arbeidsongeschiktheid Langdurig verborgen armoede Werkloosheid Bijstand Overige sociale voorzieningen Arbeidsongeschiktheid

2011 6,9 54,8 9,8 7,0

2012 7,2 57,8 9,9 7,5

2013 6,6 58,7 10,6 8,0

5,7 8,9 6,2

5,9 9,1 6,7

5,4 9,6 7,0

2014 6,5 58,7 12,0 7,9 0,4 25,7 2,3 2,4 5,3 11,0 6,9 0,3 2,1 2,1

2015 5,5 59,3 11,3 7,4 0,4 27,5 2,3 2,5 4,5 10,6 6,4 0,3 2,1 2,1

2016 5,5 60,9 12,1 7,5 0,3 29,8 2,6 2,7 4,6 11,2 6,5 0,3 2,5 2,4

2017 5,3 60,0 11,9 7,3 0,3 31,5 3,2 2,8 4,4 11,1 6,3 0,2 3,1 2,4

2018 5,1 59,8 12,7 7,2 0,3 33,7 3,8 2,8 4,4 11,9 6,2 0,2 3,6 2,5

b. Onder beleidsmatig minimum, 120% Begrip Armoederisico

Uitkering Werkloosheid Bijstand Overige sociale voorzieningen Arbeidsongeschiktheid Langdurig armoederisico Werkloosheid Bijstand Overige sociale voorzieningen Arbeidsongeschiktheid Verborgen armoede Werkloosheid Bijstand Overige sociale voorzieningen Arbeidsongeschiktheid Langdurig verborgen armoede Werkloosheid Bijstand Overige sociale voorzieningen Arbeidsongeschiktheid Bron: CBS, Inkomensstatistiek (2011-2018)

2011 15,1 79,2 44,0 17,6

2012 15,2 80,5 44,7 18,0

2013 14,2 81,0 45,8 18,3

12,2 41,4 16,1

12,2 42,3 16,5

11,3 43,1 16,7

77

2014 13,8 80,3 43,7 18,3 2,0 55,1 23,6 9,5 11,1 40,9 16,6 1,4 22,4 8,6

2015 12,6 80,1 44,0 17,9 2,1 56,0 23,8 9,6 10,1 41,8 16,2 1,4 22,8 8,6

2016 12,0 82,0 45,8 18,0 2,0 58,4 25,3 10,0 9,8 43,6 16,2 1,4 24,3 9,0

2017 11,6 81,7 48,0 17,7 1,9 59,8 27,6 10,0 9,6 45,8 16,0 1,3 26,6 9,0

2018 11,2 81,4 49,3 17,8 1,8 61,3 30,1 10,1 9,3 47,2 16,0 1,3 29,0 9,0

Tabel B2.

Armoederisico onder personen (15-65 jaar) die overdrachtsinkomen ontvangen, naar type uitkering a. Op of onder beleidsmatig minimum, 101%

Begrip Armoederisico

Langdurig armoederisico

Verborgen armoede

Langdurig verborgen armoede

Uitkering Werkloosheid Bijstand Arbeidsongeschiktheid Werkloosheid Bijstand Arbeidsongeschiktheid Werkloosheid Bijstand Arbeidsongeschiktheid Werkloosheid Bijstand Arbeidsongeschiktheid

2011 4,8 47,5 6,6

2012 5,0 51,0 7,1

2013 4,9 51,6 7,6

3,3 5,5

3,6 6,0

3,4 6,3

2011 10,8 71,9 15,5

2012 10,7 74,3 15,9

2013 10,5 74,4 16,4

7,3 13,6

7,5 14,0

7,2 14,4

2014 4,8 51,3 7,8 0,4 21,3 2,6 3,2 6,4 0,2 2,0

2015 4,1 51,1 7,5 0,4 22,7 2,7 2,8 6,1 0,2 2,1

2016 4,0 52,8 7,6 0,3 24,7 2,9 2,7 6,2 0,2 2,3

2017 3,5 52,1 7,4 0,3 26,2 3,0 2,4 6,1 0,2 2,4

2018 3,2 52,1 7,3 0,3 28,2 3,0 2,2 5,9 0,1 2,4

2014 10,3 73,5 16,9 2,0 48,0 9,3 7,0 14,7 1,0 7,9

2015 9,3 72,8 16,8 2,1 48,8 9,5 6,3 14,6 1,0 8,1

2016 9,0 74,8 16,8 2,1 51,4 9,8 6,0 14,6 1,0 8,3

2017 8,5 74,6 16,6 2,1 53,0 9,8 5,5 14,3 0,9 8,3

2018 7,7 74,7 16,5 1,9 55,0 9,8 5,3 14,2 0,9 8,3

b. Onder beleidsmatig minimum, 120% Begrip Armoederisico

Uitkering Werkloosheid Bijstand Arbeidsongeschiktheid Langdurig armoederisico Werkloosheid Bijstand Arbeidsongeschiktheid Verborgen armoede Werkloosheid Bijstand Arbeidsongeschiktheid Langdurig verborgen armoede Werkloosheid Bijstand Arbeidsongeschiktheid Bron: CBS, Inkomensstatistiek (2011-2018)

78

Tabel B3

(Verborgen) armoede in eenpersoonshuishoudens, naar verschillende achtergrondkenmerken, 2018, in procenten en absolute aantallen a. Op of onder beleidsmatig minimum, 101%

% 20-34 35-44 45-54 55-64 Totaal

Armoederisico Totaal Man 9,1 9,5 11,9 11,9 16,2 14,7 20,0 17,8 14,1 13,2

Absoluut 20-34 35-44 45-54 55-64 Totaal

Totaal Man Vrouw 46796 28026 18770 36222 24501 11721 58313 33560 24753 84576 37443 47133 225907 123530 102377

Verborgen armoederisico

Vrouw 8,6 11,9 18,9 22,2 15,5

Verborgen armoederisico Armoederisico Totaal Man Vrouw Totaal Werknemers Zmp'er Zzp'er 4,2 3,8 4,7 20-34 4,2 2,9 11,8 17,8 3,9 3,6 4,8 35-44 3,5 1,6 10,1 15,8 4,9 4,1 6,2 45-54 4,2 1,9 10,2 17,6 7,7 7,0 8,4 55-64 4,6 2,1 9,1 20,9 5,2 4,6 6,2 Totaal 4,1 2,2 10,3 18,0

Verborgen armoederisico Totaal Werknemers Zmp'er Zzp'er 3,8 2,5 11,4 17,2 3,1 1,2 9,7 15,2 3,6 1,4 9,9 16,8 4,1 1,7 9,0 20,2 3,7 1,8 10,0 17,3

Totaal Man Vrouw 21586 11261 10325 11981 7312 4669 17493 9436 8057 32552 14716 17836 83612 42725 40887

Totaal Werknemers Zmp'er Zzp'er 16852 10052 515 5344 7424 2473 407 3836 9353 3022 517 4821 9738 3320 386 4796 43367 18867 1825 18797

Totaal Werknemers Zmp'er Zzp'er 20-34 18555 11496 533 5550 35-44 8375 3227 422 3991 45-54 10711 4065 535 5065 55-64 10825 4185 392 4959 Totaal 48466 22973 1882 19565

Opleidingsniveau Laag Midden Hoog

% 6,8% 4,9% 4,1%

Absoluut 27186 31550 22827

Belangrijkste inkomensbron Inkomen uit werk in loondienst Inkomen uit werk als zelfstandige Uitkering ziekte/arbeidsongeschiktheid Uitkering overige sociale voorziening Overig

1,8% 17,5% 14,6% 18,0% 4,6%

18904 23590 17549 12839 10745

b. Onder beleidsmatig minimum, 120% % 20-34 35-44 45-54 55-64 Totaal

Armoederisico Totaal Man 18,8 19,1 20,4 19,8 25,0 22,0 29,3 25,0 23,3 21,3

Vrouw 18,5 21,7 30,3 33,5 26,1

Verborgen armoederisico Totaal Man Vrouw 12,1 11,2 13,2 10,4 9,5 12,5 11,4 9,6 14,6 15,0 12,8 17,1 12,4 10,8 14,6

Absoluut 20-34 35-44 45-54 55-64 Totaal

Totaal Man Vrouw 96377 56160 40217 61883 40621 21262 90038 50319 39719 123627 52613 71014 371925 199713 172212

Totaal Man Vrouw 61824 33135 28689 31681 19429 12252 41063 21922 19141 63270 26962 36308 197838 101448 96390

Verborgen armoederisico

Armoederisico Totaal Werknemers Zmp'er Zzp'er 20-34 8,3 6,8 14,6 23,6 35-44 5,7 3,6 11,7 19,7 45-54 6,9 4,4 12,3 21,6 55-64 7,6 4,9 11,2 25,7 Totaal 7,3 5,3 12,5 22,6

Verborgen armoederisico Totaal Werknemers Zmp'er Zzp'er 7,4 5,9 14,0 22,8 4,8 2,6 11,3 19,0 5,6 3,1 11,9 20,6 6,6 3,9 11,0 24,9 6,3 4,3 12,1 21,8

Totaal Werknemers Zmp'er Zzp'er 20-34 36797 27497 658 7353 35-44 13856 7495 489 4974 45-54 17658 9512 642 6200 55-64 18102 9934 480 6103 Totaal 86413 54438 2269 24630

Totaal Werknemers Zmp'er Zzp'er 32704 23732 632 7106 11507 5378 473 4794 14476 6696 622 5921 15723 7827 470 5911 74410 43633 2197 23732

Opleidingsniveau Laag Midden Hoog

% 20,1% 11,5% 7,1%

Absoluut 80547 74284 39465

Belangrijkste inkomensbron Inkomen uit werk in loondienst Inkomen uit werk als zelfstandige Uitkering ziekte/arbeidsongeschiktheid Uitkering overige sociale voorziening Overig

4,2% 21,9% 37,7% 86,4% 7,7%

43692 29621 45227 61576 17740

Bron: CBS, Inkomensstatistiek, 2018 80

Tabel B4

(Verborgen) armoede onder jongeren tussen de 20 en 34 jaar, naar verschillende achtergrondkenmerken, 2018, in procenten en absolute aantallen a. Op of onder beleidsmatig minimum, 101%

% 20-24 25-29 30-34 35-39 40-44 45-49 50-54 55-59 60-64

Armoederisico Totaal Man Vrouw 2,9 2,7 3,1 4,1 3,5 4,6 4,9 4,0 5,7 5,1 4,5 5,7 4,7 4,5 4,8 4,4 4,3 4,5 4,6 4,5 4,7 5,2 4,8 5,6 6,0 5,4 6,7

Verborgen armoederisico Totaal Man Vrouw 1,5 1,4 1,6 1,9 1,7 2,0 1,9 1,7 2,1 1,9 1,7 2,2 1,9 1,7 2,0 1,8 1,7 1,9 1,8 1,7 2,0 2,2 2,1 2,3 3,0 2,8 3,2

Armoederisico Totaal Werknemers Zmp'er Zzp'er 1,8 1,6 3,8 5,4 1,7 1,2 5,8 7,2 1,5 0,9 5,5 6,5 1,5 0,8 4,9 5,9 1,5 0,8 4,5 5,5 1,4 0,7 4,0 5,3 1,3 0,6 3,6 5,4 1,3 0,6 3,4 5,8 1,5 0,6 3,6 7,1

Verborgen armoederisico Totaal Werknemers Zmp'er Zzp'er 1,5 1,3 3,4 5,0 1,5 1,0 5,5 6,8 1,3 0,7 5,4 6,1 1,3 0,7 4,8 5,5 1,3 0,6 4,4 5,2 1,2 0,5 3,8 5,0 1,2 0,5 3,5 5,2 1,2 0,5 3,3 5,6 1,4 0,5 3,5 6,8

Absoluut 20-24 25-29 30-34 35-39 40-44 45-49 50-54 55-59 60-64

Totaal 24372 40006 49292 50258 46204 52932 57447 62797 65297

Totaal 12364 18433 18878 19181 18510 21584 22935 26711 32232

Totaal Werknemers Zmp'er Zzp'er 7752 6403 94 1018 13922 8956 518 3723 13182 6609 920 4662 12765 5932 1070 4746 12282 5312 1127 4736 13826 5446 1347 5695 13583 5113 1275 5839 12123 4325 989 5390 9977 3263 702 4737

Totaal Werknemers Zmp'er Zzp'er 6371 5154 85 930 12345 7639 494 3526 11424 5200 895 4391 11126 4688 1039 4450 10730 4127 1090 4462 12292 4305 1298 5410 12098 4023 1238 5538 11050 3526 967 5193 9264 2760 690 4585

Man 11990 17310 20436 21960 21946 25924 27978 29219 28844

Vrouw 12382 22696 28856 28298 24258 27008 29469 33578 36453

Man 6043 8454 8395 8464 8392 10038 10765 12553 14780

Vrouw 6321 9979 10483 10717 10118 11546 12170 14158 17452

81

a. Op of onder beleidsmatig minimum, 101% (vervolg) Opleidingsniveau* Laag Midden Hoog

Nederland als geheel % Absoluut 2,8% 75457 1,7% 76056 1,4% 44604

Jongeren 20-34 jaar % Absoluut 3,3% 13919 1,6% 22708 1,2% 11203

% Absoluut 25,9% 35940 29,5% 40983 19,6% 27203 13,3% 18468 11,8% 16421

% 41,5% 29,9% 9,8% 11,4% 7,4%

*Persoonsniveau

Belangrijkste inkomensbron (verdeling) Inkomen uit werk in loondienst Inkomen uit werk als zelfstandige Uitkering ziekte/arbeidsongeschiktheid Uitkering overige sociale voorziening Overig

Absoluut 20623 14834 4874 5669 3675

b. Onder beleidsmatig minimum, 120% % 20-24 25-29 30-34 35-39 40-44 45-49 50-54 55-59 60-64

Armoederisico Totaal Man Vrouw 6,2 5,7 6,6 7,9 7,0 8,8 8,6 7,3 10,0 8,9 7,5 10,3 8,3 7,4 9,2 7,7 7,1 8,3 7,6 7,1 8,2 8,4 7,5 9,3 9,8 8,3 11,3

Verborgen armoederisico Totaal Man Vrouw 3,2 2,9 3,5 4,7 4,3 5,0 4,4 3,9 4,9 4,3 3,8 4,8 4,1 3,6 4,5 3,8 3,4 4,1 3,7 3,4 4,0 4,4 3,9 4,8 5,8 5,0 6,5

Armoederisico Totaal Werknemers Zmp'er Zzp'er 3,8 3,5 5,1 7,7 3,4 2,8 7,2 9,9 2,9 2,2 6,8 8,7 2,9 2,1 6,2 7,9 2,8 2,0 5,6 7,4 2,5 1,7 5,0 7,0 2,3 1,5 4,5 7,1 2,2 1,4 4,3 7,6 2,5 1,4 4,5 9,1

Verborgen armoederisico Totaal Werknemers Zmp'er Zzp'er 3,1 2,8 4,6 6,9 2,9 2,3 6,8 9,4 2,4 1,6 6,6 8,2 2,4 1,6 6,0 7,4 2,3 1,5 5,4 7,0 2,1 1,3 4,8 6,7 1,9 1,1 4,3 6,8 2,0 1,1 4,2 7,3 2,3 1,2 4,4 8,8

Absoluut 20-24 25-29 30-34 35-39 40-44 45-49 50-54 55-59 60-64

Totaal Man Vrouw 51589 25057 26532 77550 34706 42844 87372 36810 50562 88095 36987 51108 82811 36552 46259 92972 42452 50520 95404 44294 51110 101429 45345 56084 105636 44334 61302

Totaal 26816 45908 44342 42505 40405 45476 45758 52856 62250

Totaal Werknemers Zmp'er Zzp'er 16095 14189 127 1435 27878 21086 649 5120 25510 16727 1132 6244 24617 15430 1347 6368 23300 14057 1405 6350 25009 13872 1691 7597 23228 12152 1564 7668 20440 10283 1245 7010 16306 7530 867 6144

Totaal Werknemers Zmp'er Zzp'er 13022 11321 115 1297 23916 17470 614 4869 20748 12450 1096 5886 19968 11329 1303 5976 19198 10436 1363 5995 20972 10363 1627 7225 19553 8993 1522 7281 17864 8077 1215 6756 14773 6282 853 5936

Man 12768 21312 19573 18451 17849 20539 20975 23683 26778

Vrouw 14048 24596 24769 24054 22556 24937 24783 29173 35472

b. Onder beleidsmatig minimum, 120% (vervolg) Opleidingsniveau* Laag Midden Hoog

Nederland als geheel Jongeren 20-34 jaar % Absoluut % Absoluut 7,0% 186714 9,6% 40247 3,6% 160049 3,6% 52686 2,3% 75084 2,4% 23502

*Persoonsniveau

Belangrijkste inkomensbron (verdeling) Inkomen uit werk in loondienst Inkomen uit werk als zelfstandige Uitkering ziekte/arbeidsongeschiktheid Uitkering overige sociale voorziening Overig

% Absoluut 27,3% 85249 17,0% 53051 22,3% 69514 24,6% 76707 8,8% 27474

% 40,6% 17,0% 8,7% 28,5% 5,2%

Absoluut 47524 19868 10185 33348 6141

Figuur B5.

a . Werkenden (15-65 jaar) in huishoudens onder armoedegrens, naar arbeidsrelatie HKW (zwaartepunttypering, op basis van belangrijkste bron van inkomen), 2011-2018 (beleidsmatig minimum, 101% en 120%, en ratio)

Bron: CBS, Inkomensstatistiek (2011-2018) 85

b. Werkenden (15-65 jaar) in huishoudens onder armoedegrens, naar arbeidsrelatie (zwaartepunttypering, op basis van hoofdbaan/ de baan waarin meeste uren gewerkt worden), 2011-2018 (beleidsmatig minimum, 101% en 120%, en ratio)

Bron: CBS, EBB (2011-2018) 86

c. Werkenden (15-65 jaar) in huishoudens onder armoedegrens, naar arbeidsrelatie HKW (zwaartepunttypering, op basis van hoofdbaan/ de baan waarin meeste uren gewerkt worden), 2011-2018 (beleidsmatig minimum, 101% en 120%, en ratio)

Bron: CBS, EBB (2011-2018) 87

AIAS-HSI Working Paper Series The AIAS-HSI working paper series consists of several publications of AIAS-HSI staff and AIAS-HSI guests on a wide variety of subjects in the fields of labour economics, sociology of work, labour law, and health and safety.

Information on AIAS-HSI AIAS-HSI is a merger of two research institutes: The Amsterdam Institute for Advanced Labour Studies (AIAS) and the Hugo Sinzheimer Institute (HSI). AIAS-HSI is an institute for multidisciplinary research and teaching at the University of Amsterdam (UvA), the largest university in the Netherlands. AIAS-HSI has as its objective the coordination, implementation and stimulation of interdisciplinary research into the practice of labour law and social security law. Therefore it combines insights from the social sciences, legal dogmas and legal theories in its research. To put the multidisciplinary objectives of the institute into practice, AIAS-HSI initiates and conducts research, gives advice and organises meetings, conferences, courses, etc. See for more information our website www.aias-hsi.uva.nl

Postal address

Visiting address

PO Box 15966 1001 NL Amsterdam The Netherlands

Nieuwe Achtergracht 166 1018 WV Amsterdam The Netherlands

+31 20 525 3400

aias-hsi@uva.nl

aias-hsi.uva.nl

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12852042/1