bijlage 2 TAM-omgevingsplan H22L Zuidas-Vivaldi kavel 4 (regels en toelichting.pdf
Tekst van het document
Inzamelen en transporteren van stedelijk afvalwater; 2. Inzamelen en verwerken van afvloeiend hemelwater; 3. Nemen van grondwatermaatregelen in openbaar gebied. In het OPR staat hoe deze drie zorgplichten de komende periode door de gemeente Amsterdam worden ingevuld. Een belangrijke doelstelling is de inrichting van de openbare ruimte met hemelwaterverwerkende voorzieningen zodat het de extreme neerslag die eens per 100 jaar voorkomt, zonder schade kan verwerken. In de programmaperiode gaat Amsterdam ervan uit dat geen schade mag voorkomen bij een bui van 70 mm in één uur. Daarnaast moet de inrichting waarborgen dat vitale infrastructuur blijft functioneren bij een hoosbui die eens per 250 jaar voorkomt, wat nu overeenkomt met
Gemeente Amsterdam
blz. 84
een bui van 90 mm in één uur. Met betrekking tot het grondwater is in het OPR een ontwateringsnorm van 90 cm opgenomen voor nieuwbouw- en transformatiegebied. Het uitgangspunt voor bestaand stedelijk gebied is ook een ontwateringdiepte van 90 cm, indien mogelijk. Het betreft hier een inspanningsverplichting. Deze 90 cm ontwateringsdiepte is voldoende voor het realiseren van bomen, wegen en bebouwing. In gebieden met te hoge grondwaterstanden kunnen duurzame ontwateringsmiddelen worden aangelegd in openbaar gebied om overtollig grondwater af te voeren en structurele grondwateroverlast te voorkomen. Dit gebeurt alleen als deze aanleg doelmatig is, er geen andere maatregelen (bouwkundig, maaiveldverhoging) mogelijk zijn en als dit niet nadelig is voor nabijgelegen houten funderingen of een zettingsgevoelige bodem of objecten. Strategie klimaatadaptatie Amsterdam Met de strategie klimaatadaptatie zet de gemeente Amsterdam samen met de drie Waterschappen Amstel, Gooi en Vecht, Hollands Noorderkwartier en Rijnland, een stip op de horizon voor een klimaatbestendige stad. Het doel is om in 2050 zo goed mogelijk voorbereid te zijn op het veranderende klimaat. Hierbij wordt een iteratieve aanpak gehanteerd, zodat nieuwe informatie over het veranderende klimaat kan worden verwerkt en daarop kan worden gereageerd.
In deze strategie worden nog geen nieuwe plannen vastgesteld, maar vormt wel een eerste stap hiertoe. De strategie klimaatadaptatie is een opmaat voor een gesprek met de stad. Klimaatadaptatie gaat namelijk de hele stad aan. Het doel is om gezamenlijk een uitvoeringsagenda voor de komende jaren op te stellen met concrete plannen om Amsterdam klimaatbestendig te maken. De uitvoering van deze onderdelen gaat door, parallel aan het ontwikkelen van een brede aanpak. Visie Zuidas 2016 De Visie Zuidas 2016 is vastgesteld op 5 oktober 2016 door de Amsterdamse Gemeenteraad. Hierin staan de volgende doelen beschreven op het gebied van water en groen: Groen en water in en rondom Zuidas toevoegen en verbeteren voor divers en intensief gebruik Groen en water in en rondom Zuidas beter verbinden en toegankelijk maken Groen en water in de openbare en privéruimte dragen bij aan een Zuidas die leefbaar, robuust en regenbestendig is Groen en water in de Zuidas is verder uitgewerkt in het document Plan voor een groene Zuidas 2017.
13.2
Plangebied
De activiteiten vallen binnen het beheersgebied van het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht, en zijn gelegen in de Binnendijkse Buitenveldertse polder. Oppervlaktewatersysteem Kavel 4 is gelegen in de Binnendijkse Buitenveldertse polder. Het streefpeil is NAP -2,0 m. De Legger van het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht (AGV) is verouderd. De Spoorslagsloot is in 2017/2018 naar het noorden is verplaats, en de Ravelgracht is gegraven in 2024. Tussen 2034 en 2037 wordt de Vivaldigracht aangelegd als noord-zuidverbinding tussen de Ravelgracht en de Boelegracht. Rond 2036 wordt de Boelegracht bij Ravel verbreed. Mogelijk wordt ook de De Boelegracht tussen de Antonio Vivaldistraat en de Tomasso Albinonistraat verbreed. Bij de afwerking van de watergang dienen de taluds of kadeconstructies waterdoorlatend te zijn zodat het oppervlaktewater in contact staat met het grondwater. bestemmingsplan_TAM-omgevingsplan H22L Zuidas-Vivaldi kavel 4 (vastgesteld)
blz. 85
Op Zuidas wordt gewerkt met de Actuele Waterbalans Zuidas conform het Protocol Waterbalans Zuidas. Kavel 4 is in de huidige situatie een verhard parkeerterrein met enkele groenvakken. De verhardingstoename voor kavel 4 is gelijk aan het groenoppervlak dat verdwijnt ten opzichte van de bestaande situatie. De verhardingstoename moet worden opgenomen in de Waterbergingsboekhouding Zuidas. De verharding moet gecompenseerd worden met 15% nieuw oppervlaktewater. Alleen als dit niet mogelijk is, kan een alternatieve waterberging worden ingezet als compensatie voor de verhardingstoename. Een alternatieve berging is maatwerk en moet altijd afgestemd worden met het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht. Om verontreiniging van afstromend hemelwater, oppervlaktewater, grondwater en de waterbodem tegen te gaan, dienen de richtlijnen van Waterschap AGV te worden gevolgd, waarin onder andere het gebruik van uitlogende materialen (PAK, lood, zink en koper) voorkomen dient te worden. Waterveiligheid Uit de Legger van het Waterschap AGV blijkt dat ten noorden van deelgebied Vivaldi zich een secundaire directe verholen waterkering bevindt. Kavel 4 valt ruim buiten de verschillende beschermingszones van de waterkering. In de toekomstige situatie wordt de waterkering enkele meters verplaatst naar de noordzijde van de nieuw aan te leggen tunnel van het Zuidasdok, naar verwachting gebeurt dit in 2036.
Dit heeft geen invloed op kavel 4. Het plangebied ligt binnen dijkring 14. Voor dijkring 14 is, in het kader van de Waterwet, een overstromingskans vanuit de rivieren en de zee bepaalt van 1/10.000 jaar met maximale waterdieptes van 20-50 cm. Mogelijke maatregelen bij kavel 4 hebben vooral betrekking op gevolgbeperking (Laag 2 van de vijf veiligheidslagen), zoals het verhoogd aanleggen van kwetsbare infrastructuur zoals elektriciteitsvoorzieningen. Kavel 4 wordt opgehoogd met 20-50 cm naar NAP -0,5 m, waardoor ook gevolgen van een overstroming worden verkleind. Grondwater De gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) en de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) in de huidige situatie zijn berekend op basis van de peilbuisgegevens van Waternet. Nabij kavel 4 is de GHG NAP -1,36 m en de GLG NAP -2,1 m. Vanuit het OPR van de gemeente geldt een norm/richtlijn van minimaal 0,9 m-mv ontwatering (afstand tussen GHG en maaiveld) voor nieuwbouw- en transformatiegebied. De maaiveldhoogte op basis van de AHN5 (2023) ligt tussen NAP -0,7 m en -1,0 m. De ontwatering is dus 0,35 tot 0,65 m-mv, en voldoet daarmee niet aan de ontwateringsnorm van 0,9 m-mv. In 2024 is voor het gebied Zuidas een grondwatermodel opgesteld, waarmee de toekomstige klimaatverandering (KNMI’14 WH 2100), ruimtelijke veranderingen (watergangen, kelders, verharding), en Zuidasdok zijn doorgerekend.
De resultaten van deze modellering zijn gebruikt om een inschatting te maken van de toekomstige grondwatersituatie nabij kavel 4. De GHG ten westen van kavel 4 daalt door de aanleg Vivaldigracht en de verbreding van de Boelegracht. Deze daling is ook nog zichtbaar binnen de grenzen van kavel 4 met gemiddeld -0,05 m. In de noordwesthoek van de kavel ter hoogte van peilbuis F05290 is de daling -0,12 m. Dat resulteert in een toekomstige GHG van NAP -1,5 m. De toekomstige maaiveldhoogte van de Antonio Vivaldistraat en de Barbara Strozzilaan wordt NAP -0,50 m. Dit resulteert in een ontwatering van 1,0 m-mv, en voldoet dus aan de norm voor nieuwbouw- en transformatiegebied. De kelder bij kavel 4 is niet meegenomen in het grondwatermodel. Voor het realiseren van de kelder moet voldaan worden aan het (paraplu)bestemmingsplan Grondwaterneutrale Kelders (7 oktober 2021), die beleidsneutraal is overgenomen in subparagraaf 4.2.4.8 van het Omgevingsplan Amsterdam. Voor Gemeente Amsterdam
blz. 86
kelders groter dan 300 m2 of dieper dan 4 m dient met een geohydrologisch onderzoek te worden aangetoond dat deze grondwaterneutraal worden gebouwd (inclusief onderbouwing van eventuele maatregelen). Maatregelen voor het grondwaterneutraal maken van de kelder zijn onderdeel van de kelderconstructie, en dienen binnen de kavelgrenzen te liggen. Daarvoor is minimaal 50 cm rondom de kelder nodig. Bovendien kunnen de werkzaamheden niet dieper dan NAP -9,5 m (1,5 m boven de onderkant van de deklaag op NAP -11 m) zijn. Deze maximale diepte is opgenomen in de planregels (waarbij 0,5 meter is behouden ten behoeve van overige werkzaamheden). Hemelwateroverlast Voor de openbare ruimte geldt het Omgevingsprogramma Riolering (OPR). Deze stelt dat bij een bui van 70 mm in één uur (1x per 100 jaar), geen schade ontstaat aan huizen en (vitale) infrastructuur. Voor vitale infra geldt dat deze moet blijven functioneren bij een bui van 90 mm in één uur (1x per 250 jaar). Bij een bui van 70 mm/uur blijft het hemelwater in het westelijk deel van de Barbara Strozzilaan (ter hoogte van kavel 4) tussen de trottoirbanden staan, en staat er geen water tegen de gevel. In het oostelijk deel van de Barbara Strozzilaan komt het hemelwater wel tegen de gevel. Binnen het gebied Vivaldi zijn/worden groenvakken aangelegd voor hemelwaterberging.
In het gebied Vivaldi zijn groenstroken voor hemelwaterberging en -infiltratie aangelegd in de Domenico Scarlattilaan en Tomasso Albinonistraat. In de Barbara Strozzilaan worden deze aangelegd in een latere fase. Voor deelgebied Vivaldi is een Rainproofoplossingenkaart opgesteld. Bij iedere aanpassing van de openbare ruimte dient naar dit wensbeeld te worden toegewerkt. De Barbara Strozzilaan naast kavel 4 is aangewezen als waterbergende straat, hier kan water bijvoorbeeld in groenstroken of tussen de stoepbanden tijdelijk worden geborgen. De Antonio Vivaldistraat is aangewezen als waterspreidende straat, hier wordt het water over het maaiveld verspreid richting de watergang, waterbergende of waterafvoerende straat. Het is van belang dat de kavel niet verder bijdraagt aan de hemelwateroverlast. Het gebouw dient te voldoen aan de regels over hemelwaterberging bij bouwwerken uit het Paragraaf 4.4.2 van het Omgevingsplan Amsterdam (voorheen Hemelwaterverordening). Deze regels zijn specifiek van toepassing verklaart in het TAM IMRO-plan. Het is verboden om vanaf een gebouw hemelwater in het openbaar riool of op de openbare ruimte, anders dan het oppervlaktewater, te lozen, tenzij een hemelwaterberging is aangebracht en in stand wordt gehouden. De hemelwaterberging dient minimaal 60 mm per m2 gebouw te kunnen bergen.
De kelder wordt gezien als onderdeel van het gebouw, en kan worden aangelegd onder de gehele kavel. Kavel 4 heeft een oppervlak van 2.482 m2, dus de waterbergingseis is minimaal 149 m3. In de huidige situatie ligt er geen hemelwaterberging op het terrein, en stroomt het hemelwater af naar het hemelwaterriool. In de toekomstige situatie zal er minder hemelwater van de kavel naar de openbare ruimte afstromen doordat het hemelwater van het gebouw wordt opgevangen en vertraagd wordt afgevoerd. Hierdoor neemt ook het risico op hemelwaterwateroverlast in de openbare ruimte af. Hittestress Het risico op hittestress wordt bepaald aan de hand van de gemiddelde gevoelstemperatuur op 1 juli 2015 tussen 12.00 en 18.00 (hittedag van 1x in de 5,5 jaar). De gevoelstemperatuur op kavel 4 en in de Barbara Strozzilaan loopt op tot 45 °C. Er is geen beleid voor hittestress, maar er zijn wel regionale richtlijnen. Koele plekken hebben een gevoelstemperatuur van <35 °C, zijn minimaal 200 m2, en zijn binnen 300 m bereikbaar. Binnen Vivaldi is de afstand-tot-koelte minder dan 300 m, maar het aantal koele plekken is beperkt. Daarnaast bevinden beide koele plekken zich op het trottoir langs de weg, waardoor deze minder geschikt zijn als koele verblijfsplekken (zoals pleinen, parken of openbare
bestemmingsplan_TAM-omgevingsplan H22L Zuidas-Vivaldi kavel 4 (vastgesteld)
blz. 87
binnentuinen). In de toekomstige situatie worden bomen gepland in de Barbara Strozzilaan, waardoor de gevoelstemperatuur naar verwachting afneemt. In het gebied Vivaldi staan/komen de bomen vooral langs straten. Dit zorgt voor verkoeling op looproutes, maar het aantal koele verblijfsplekken blijft beperkt. Op kavel 4 komt een pocketpark van minimaal 100 m2. Afhankelijk van de hoeveelheid en soort bomen die daar komen, kan dit functioneren als koele plek. WKO's Er zijn in de huidige situatie WKO’s aanwezig aan de noordzijde en de oostzijde van kavel 4. De thermische bel van het noordelijk WKO overlapt voor een klein deel met kavel 4. Voor het gebied is het Masterplan Warmte Koude Opslag Zuidas Ravel-Vivaldi opgesteld. Het Masterplan geeft ruimte aan voor de aanleg van een WKO nabij kavel 4. Of dit mogelijk is zal nog beoordeeld worden. De inpassing, bronontwerp en –posities dienen te worden afgestemd met Zuidas Amsterdam.
Gemeente Amsterdam
blz. 88
bestemmingsplan_TAM-omgevingsplan H22L Zuidas-Vivaldi kavel 4 (vastgesteld)
blz. 89
Hoofdstuk 14
Natuur, landschap, flora en fauna
Bij ruimtelijke ontwikkelingen en projecten moet rekening worden gehouden met (beschermde) natuurwaarden in de omgeving. Het toegelaten gebruik mag er namelijk niet toe leiden dat hierdoor te beschermen waarden van een bepaald gebied of bepaalde planten- en diersoorten worden aangetast. Het wijzigen van het omgevingsplan kan gevolgen hebben voor natuurgebieden waarvoor op grond van nationale of internationale regelgeving of nationaal of gemeentelijk beleid een speciaal beschermingsregime geldt. Dit noemen we gebiedsbescherming. Deze gebieden hoeven overigens niet in het plangebied zelf te liggen. Activiteiten in een plangebied kunnen namelijk negatieve gevolgen op een gebied (ver) daarbuiten hebben. Dit wordt externe werking genoemd. Daarnaast kunnen individuele dier- en plantensoorten bescherming genieten ongeacht waar zij voorkomen (soortenbescherming). Zowel met gebieds- als soortenbescherming moet rekening worden gehouden bij de vaststelling van het omgevingsplan. Bij alle plannen/projecten in parken en andere groengebieden, in de hoofdgroenstructuur en in het NNN wordt in een vroegtijdig stadium een ecoloog geraadpleegd. Voor de opgaven van de groenvisie, de groennorm en natuurinclusief ontwerpen, zie paragraaf .3.4.5; voor de natuurlijke waterkwaliteit -die nauw samenhangt met de ecologische kwaliteit en de Kaderrichtlijn Water- zie hoofdstuk 13.
14.1
Beleid en regelgeving
Het archeologisch erfgoed bestaat uit voorwerpen en structuren die in de bodem bewaard zijn. Ook landschappelijke of infrastructurele elementen kunnen een archeologische waarde hebben. Deze materiële overblijfselen vormen een onderdeel van onze leefomgeving, waarvan het behoud of de ontsluiting op maat gesneden maatregelen vergt. Het archeologisch bodemarchief levert een bijdrage aan de cultuurhistorie van Amsterdam en maakt de beleving van het verleden bovendien tastbaar. Vanwege het ruimtelijke karakter van het bodemarchief vertoont het archeologisch beleid raakvlakken met dat van de ruimtelijke ordening. Een essentieel uitgangspunt van de wetgeving (Erfgoedwet) is dat het erfgoed in de bodem wordt beschermd. Dit betekent onder andere dat bij ruimtelijke planontwikkeling vroegtijdig rekening wordt gehouden met archeologisch erfgoed. Als behoud in de bodem geen optie is, dan is, voorafgaand aan de bodemverstoring, onderzoek nodig om archeologische overblijfselen te documenteren en de informatie en vondsten te behouden. In de dicht bebouwde stedelijke omgeving is in de praktijk doorgaans sprake van deze laatste optie. 14.1.1 Gebiedsbescherming: Natura 2000 Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. In 1979 is de Vogelrichtlijn opgesteld en in 1992 de Habitatrichtlijn. Deze richtlijnen bestaan uit twee delen: soortenbescherming en gebiedsbescherming.
De onder beide richtlijnen aangewezen beschermde gebieden vormen het Natura 2000-netwerk. In deze Natura 2000-gebieden worden bepaalde dieren, planten en hun natuurlijke leefomgeving beschermd om de biodiversiteit (soortenrijkdom) te behouden. Er zijn activiteiten die nadelige gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied. Onder ‘nadelig gevolg’ vallen verslechterende of verstorende gevolgen voor het Natura 2000-gebied. Zo’n gevolg hoeft niet significant te zijn. In dat geval is sprake van een ‘activiteit die nadelige (maar zeker geen significante) gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied’. Zo’n activiteit is niet dezelfde als een Natura 2000-activiteit.
Gemeente Amsterdam
blz. 90
Bij een Natura 2000-activiteit zijn de mogelijk nadelige gevolgen namelijk wel significant. Verschillende factoren bepalen samen of sprake is van ‘significant’ of niet. Factoren zijn bijvoorbeeld: afname van de oppervlakte van een habitat in relatie tot de zeldzaamheid van die habitat; afname van een populatie in relatie tot de zeldzaamheid van planten- of diersoorten in die populatie; algemene condities van het gebied voor behoud en herstel van de habitat of soorten. Het komt neer op de vraag of de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied in gevaar komen door de activiteit. Voor elke ruimtelijke ontwikkeling of activiteit is het verplicht (significante) negatieve effecten op specifieke natuurwaarden van een Natura 2000-gebied in beeld te brengen of om ze al dan niet met zekerheid uit te sluiten. Voor de effectbepaling is het uitvoeren van de voortoets de eerste stap. Er zijn drie mogelijke uitkomsten: i) het plan of project heeft met zekerheid geen negatief effect; ii) negatieve effecten van het plan of project zijn niet uitgesloten, maar deze effecten zijn niet significant negatief, hetgeen betekent dat de activiteiten het behalen van de instandhoudingsdoelen niet schaden; iii) het plan of project heeft negatieve effecten én deze zijn significant: één of meer van de instandhoudingsdoelen worden mogelijk geschaad.
In het laatste geval is een verdiepend onderzoek nodig in de vorm van een zogenaamde ‘Passende Beoordeling’, voor projecten eventueel gevolgd door een vergunningprocedure. Die beoordeling moet zekerheid geven dat het project de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zal aantasten. In dat geval kan vergunningverlening plaatsvinden (artikel 8.74b, Bkl). Geeft die beoordeling deze zekerheid niet, dan kan vergunningverlening alleen plaatsvinden als aan de drie voorwaarden van de ADC-toets is voldaan (artikel 10.24, Bkl). Dit zijn: er zijn geen alternatieven; er is sprake van dwingende redenen van groot openbaar belang en de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft. De voormalige Wet natuurbescherming is via het aanvullingsspoor beleidsneutraal omgezet in de Omgevingswet en het Besluit activiteiten leefomgeving (Hoofdstuk 11 ‘activiteiten die de natuur betreffen’), zie Aanvullingswet natuur Omgevingswet (Stb. 2020, 310) en Aanvullingsbesluit natuur Omgevingswet (Stb. 2021, 22). Ook de Spoedwet aanpak stikstof (Stb. 2019,517), Verzamelwet LNV 2021 (Stb. 2021, 27) en de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Stb. 2021, 140) zijn opgegaan in de Omgevingswet. 14.1.2 Natuurnetwerk Nederland Het NNN is een Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden.
Het doel van het NNN is de achteruitgang van het areaal aan natuur en van de biodiversiteit te stoppen door een samenhangend netwerk van natuurgebieden te creëren. Dit wordt gedaan door natuurgebieden te vergroten en met elkaar te verbinden door verwerving, inrichting en beheer van aangrenzende en tussenliggende landbouwgronden. De provincies zijn verantwoordelijk voor het realiseren van dit netwerk. Het Bkl bepaalt dat in een omgevingsverordening regels gesteld dienen te worden die verzekeren dat de kwaliteit en het oppervlak van het NNN niet achteruitgaan (artikel 7.8 lid 2 Bkl). Net als bij Natura 2000-gebieden zorgt de aanwijzing van een gebied als NNN voor een beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden in dat gebied. Provinciale Staten van Noord-Holland hebben op grond van artikel 7.6 van het Bkl in de provincie Noord-Holland gebieden aangewezen als NNN en als natuurverbindingen die onmisbaar zijn voor het volwaardig functioneren van het NNN.
bestemmingsplan_TAM-omgevingsplan H22L Zuidas-Vivaldi kavel 4 (vastgesteld)
blz. 91
14.1.3 Beschermde soorten Vrijwel alle in Nederland in de vrije natuur voorkomende flora en fauna is beschermd. Soortenbescherming is een onderdeel van de Omgevingswet en Besluit activiteiten leefomgeving. De soortenbescherming geldt zowel binnen als buiten speciaal beschermde natuurgebieden. Met verschillende wetsinstrumenten is het mogelijk om te zorgen voor de bescherming van flora en fauna. Dit voorkomt achteruitgang van de biodiversiteit. Dit betekent onder meer dat het verboden is om vogels, zoogdieren, amfibieën, reptielen en een aantal vissoorten te verstoren, te vangen of te doden en dat het verboden is om hun rust-, verblijfs-, en nestplaatsen uit te halen of te vernielen. Wilde planten mogen niet worden uitgestoken. 14.1.4 Bomenverordening De Bomenverordening is sinds 1 oktober 2016 van kracht en geldt voor de hele gemeente. Met behulp van de bomenverordening zorgt de gemeente ervoor dat het volume van het bomenbestand in de stad behouden blijft en dat er zorgvuldig wordt omgesprongen met de bomen. In de verordening staan regels over bijvoorbeeld kap, behoud, bescherming, handhaving en compensatie van bomen. In artikel 7 staat de herplantplicht, waarbij het mogelijk is om bomen fysiek (één op één) te compenseren of als dat niet mogelijk is dat de monetaire waarde wordt gestort in het gemeentelijk herplantfonds.
In de nota Compensatie en herplant van bomen wordt dit verder uitgewerkt. 14.1.5 Hoofdgroenstructuur In 2021 is de Omgevingsvisie Amsterdam 2050 door de gemeenteraad vastgesteld. De visie vervangt daarmee de Structuurvisie Amsterdam 2020, met uitzondering van de hoofdgroenstructuur die integraal was opgenomen in de structuurvisie. De Structuurvisie blijft, voor wat betreft de hoofdgroenstructuur, van kracht tot vervangend beleid is vastgesteld. In de Structuurvisie (vastgesteld op 17 februari 2011 door de gemeenteraad) is de benodigde hoeveelheid groen die Amsterdam minimaal wil borgen, vastgelegd als de Hoofdgroenstructuur. De Hoofdgroenstructuur omvat de gebieden die waardevol zijn voor de stad en de metropool, omdat zij een onmisbare functie vervullen voor groene recreatie, verbetering leefklimaat, waterhuishouding, hittedemping, verbetering luchtkwaliteit, biodiversiteit en voedselproductie. Behoud van cultuurhistorische waarden en een gevarieerd totaalaanbod aan groen zijn belangrijke aspecten. Plannen in de Hoofdgroenstructuur vragen om een afgewogen oordeel. Om dit mogelijk te maken, is een deskundigenadvies geïntroduceerd, dat specifiek betrekking heeft op de inpasbaarheid van een initiatief. Hiertoe is de Technische Adviescommissie Hoofdgroenstructuur (TAC) ingesteld.
De TAC toetst alle plannen van de stad, die aan het college van burgemeester en wethouders ter besluitvorming of ter advisering worden voorgelegd, aan de beleidsregels voor de Hoofdgroenstructuur. Ingrepen in de Hoofdgroenstructuur worden op inpasbaarheid beoordeeld. In de structuurvisie zijn de beoordelingscriteria opgenomen. Per groentype wordt aangegeven welke ingrepen wel en niet zijn toegestaan. De verschillende groentypen zijn: curiosa, corridor, ruigtegebied of struinnatuur, stadsrandpolder, stadspark, begraafplaats, volkstuinpark of schoolwerktuin en sportpark. Bij de toetsing op inpasbaarheid worden de voor het betreffende groentype geldende richtlijnen gehanteerd.
14.2
Plangebied
Natura 2000
Gemeente Amsterdam
blz. 92
Voor de beoordeling van de stikstofdepositie is gekeken naar locaties binnen Natura-2000 gebieden waar een overbelasting van stikstofdepositie is. Dit betekent dat de heersende achtergronddepositie groter is dan de KDW van de gekarteerde habitattypen en/of leefgebieden. Uit voorzorg zijn hierbij ook locaties beoordeeld waar de achtergronddepositie tot 70 mol N/ha/jaar onder de KDW ligt (een naderende overschrijding van de KDW). onderzocht (zie bijlage 7): Uit het onderzoek is gebleken dat in de gebruiksfase geen stikstofdepositie van meer dan 0,00 mol /N/ha/jaar plaastvindt op een Natura 2000-gebied. In de aanlegfase is met het gebruik van emissieloze werktuigen met een vermogen lager dan 37 kW en het gebruik van een emissieloze torenkraan de stikstofdepositie 0,00 mol N/ha/jaar. Met gebruik van dit materieel is het aannemelijk dat in de aanlegfase geen significante negatieve gevolgen zullen optreden. Daarmee vormt de bescherming van Natura 2000-gebieden geen belemmering voor de vaststelling van het plan. NNN Het dichtstbijzijnde gebied dat behoort tot het Natuurnetwerk Nederland betreffen de Middelpolder en het Amsterdamse Bos. Zie figuur 17. Deze gebieden liggen op dusdanige afstand van het plangebied dat negatieve effecten uit te sluiten zijn.
Figuur 17: Natuurnetwerk Nederland, met plangebied in rode kader. Bron: atlasleefomgeving.nl Soortenbescherming Ten behoeve van de wijziging van het omgevingsplan is door Tauw een onderzoek gedaan naar beschermde soorten binnen het plangebied. Zie hiervoor bijlage 8. Uit het onderzoek blijkt dat geen beschermde soorten aanwezig zijn in het plangebied. Het is uitgesloten dat er grondgebonden zoogdieren, amfibieën, vissen, vlinders of libellen in het plangebied bevinden. Het plangebied beschikt niet over de juiste leefomgeving voor deze soorten. Er zijn geen boomholtes en spleten in bomen waargenomen waar zich mogelijk verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen in bevinden. Het is verder uitgesloten dat foerageergebieden of vliegroutes verloren gaan die essentieel zijn voor het behoud van lokale vleermuispopulaties. In het plangebied bevinden zich geen jaarrond beschermde vogelnesten. Ook zijn geen in gebruik zijnde nesten gevonden. Wanneer de werkzaamheden van start gaan in de periode maart - september, is het noodzakelijk om voorafgaand aan de start van de werkzaamheden te controleren of een broedende vogel aanwezig is. Het kan dan nodig zijn om de werkzaamheden uit te stellen. Met de ontwikkeling worden geen beschermde soorten geraakt. bestemmingsplan_TAM-omgevingsplan H22L Zuidas-Vivaldi kavel 4 (vastgesteld)
blz. 93
Bomenverordening Binnen het plangebied zijn enkele bomen aanwezig. Deze moet gekapt worden ten behoeve van de ontwikkeling van de woontoren. Na voltooiing van de bouw zal de openbare ruimte opnieuw ingericht worden. Daarvoor wordt onder andere een pocketpark gerealiseerd. Daarnaast zullen ook op andere wegen in of rondom het plangebied bomen geplant worden. Daardoor zullen bij voltooiing van de ontwikkeling meer bomen aanwezig zijn dan in de huidige situatie. Hoofdgroenstructuur In de nabijheid van het plangebied liggen de gebieden ‘Buitenveldert’, ‘Beatrixpark’ en ‘Amstelpark’, zie figuur 17.
Figuur 18: Uitsnede Hoofdgroenstructuur, met plangebied in rood. Bron: maps.amsterdam.nl Conclusie Natuur, landschap, flora en fauna vormen geen belemmering voor de wijziging van het omgevingsplan.
Gemeente Amsterdam
blz. 94
bestemmingsplan_TAM-omgevingsplan H22L Zuidas-Vivaldi kavel 4 (vastgesteld)
blz. 95
Hoofdstuk 15 15.1
Cultuurhistorie en archeologie
Wet- en regelgeving - algemeen
Cultureel erfgoed is overal in onze samenleving aanwezig. In musea, historische binnensteden en in het landelijk gebied. Maar ook in de bodem en onder water. En als immaterieel erfgoed in tradities, rituelen en verhalen. Het vertelt over waar we vandaan komen, wie wij zijn en hoe we ons ontwikkelen. Cultureel erfgoed is als onderdeel van de fysieke leefomgeving medebepalend voor de kwaliteit van die leefomgeving. Het gaat hierbij om bekende of aantoonbaar te verwachten overblijfselen, voorwerpen of andere sporen van menselijke aanwezigheid in het verleden en de terreinen waarin of waarop deze zich bevinden (archeologische monumenten) en andere door de mens tot stand gebrachte of in wisselwerking tussen de mens en omgeving ontstane objecten, ensembles, patronen en structuren (gebouwde en aangelegde monumenten, stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen), die onderdeel uitmaken van onze fysieke leefomgeving en een beeld geven van een historische situatie of ontwikkeling. Het aspect duurzaamheid speelt de laatste jaren steeds meer een rol bij gebiedsontwikkelingen. Dit begint bij het formuleren van het kader en de ambities voor een plangebied. Een bestemmingsplan kan ten aanzien van het aspect duurzaamheid alleen datgene regelen wat een direct verband houdt met de bestemming die aan de gronden wordt toegekend.
De planregels moeten rechtstreeks betrekking hebben op het ruimtebeslag van de gronden zelf of effect hebben op het ruimtegebruik van nabijgelegen gronden. Cultureel erfgoed bepaalt in hoge mate de identiteit en de omgevingskwaliteit van Amsterdam en biedt aanknopingspunten voor toekomstige ontwikkelingen. De cultuurhistorisch rijke en bijzondere woonomgeving is bepalend voor hoe bewoners en bezoekers de stad beleven. Door de eeuwen heen zijn unieke plekken ontstaan die ieder op eigen wijze bijdragen aan de kwaliteit van de stad en waarmee mensen zich verbonden voelen. Niet alleen de beschermde stadsgezichten zoals de grachtengordel, Plan Zuid van H.P. Berlage, een deel van de Westelijke Tuinsteden, de tuin- en dijkdorpen en de vele gebouwde monumenten in de stad hebben cultuurhistorische waarde. Ook historische landschappelijke structuren en elementen zoals waterwegen, dijken en archeologische resten in de bodem zijn waardevol. Hetzelfde geldt voor de ruimtelijke opbouw van Amsterdam als lobbenstad, gelegen te midden van waardevolle cultuurlandschappen. Ten slotte is ook de rijke traditie van integraal stedenbouwkundig ontwerpen in Amsterdam een vorm van (immaterieel) erfgoed. 15.1.1 Erfgoedwet De regelgeving over het behoud en beheer van cultureel erfgoed is sinds 2016 ondergebracht in de Erfgoedwet. De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 komen te vervallen.
Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Dit betreft de aanwijzing van gebouwde en archeologische rijksmonumenten en de daarbij behorende subsidiebepalingen, de regelgeving over opgravingen, meldingen van archeologische toevalsvondsten, eigendom van archeologische vondsten en archeologische depots. De definitie van cultureel erfgoed is opgenomen in artikel 1.1 van de Erfgoedwet en luidt als volgt: “uit het verleden geërfde materiële en immateriële bronnen, in de loop van de tijd tot stand gebracht door de mens of ontstaan uit de wisselwerking tussen mens en omgeving, die mensen, onafhankelijk van het bezit ervan, identificeren als een weerspiegeling en uitdrukking van zich voortdurend ontwikkelende waarden, overtuigingen, kennis en tradities, en die aan hen en toekomstige generaties een referentiekader bieden."
Gemeente Amsterdam
blz. 96
15.1.2 Omgevingswet Het deel van de Monumentenwet 1988 dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving is overgegaan naar de Omgevingswet. Voor gebouwde of aangelegde monumenten betekent dit dat de vergunningverlening voor het wijzigen van rijksmonumenten is geregeld in de Omgevingswet. Ook aanwijzing en omgang met beschermde stads- en dorpsgezichten vindt plaats op grond van de Omgevingswet. Datzelfde geldt voor de omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving waaronder vergunningverlening en integratie in de planvorming. In hoofdstuk 2 van de Omgevingswet zijn de wettelijke grondslagen opgenomen die zien op het behoud van cultureel erfgoed en werelderfgoed. De instructies houden met name verband met de verplichtingen uit het verdrag van Granada, het verdrag van Malta (Valletta), het Werelderfgoedverdrag en het Europees landschapsverdrag. De Omgevingswet definieert werelderfgoed als op het grondgebied van Nederland gelegen cultureel en natuurlijk erfgoed dat op grond van het werelderfgoedverdrag is opgenomen in de Lijst van het Werelderfgoed (Unesco). 15.1.3 Rijksinstructieregelsen -besluiten De Omgevingswet en de uitvoeringsregels (AMvB’s en Omgevingsregeling) regelen waar het gaat om het behoud van cultureel erfgoed bepaalde zaken landelijk, maar de toepassing en uitvoering van de regelgeving vinden veelal lokaal plaats, in het omgevingsplan.
De vrijheid om daar op lokaal niveau een eigen invulling aan te geven, wordt ingekaderd door de Omgevingswet, de AmvB’s en provinciale instructieregels. In dit verband gaat het dan met name om de instructieregels in artikel 5.130 (behoud cultureel erfgoed) en artikel 5.131 (behoud werelderfgoed) van het Bkl en om artikel 2.34, vierde lid, van de Omgevingswet (instructiebesluiten rijksbeschermde stads- of dorpsgezichten). Artikel 5.130 van het Bkl bepaalt dat in een omgevingsplan rekening moet worden gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. Het rekening houden met cultureel erfgoed betekent dat het bevoegd gezag een analyse moet maken van het aanwezige cultureel erfgoed en de conclusies daarvan moet vertalen in het omgevingsplan. Het bevoegd gezag moet daartoe een toereikend beschermingsregime instellen. Dit vertaalt zich over het algemeen in regels in het omgevingsplan die ertoe kunnen leiden dat bepaalde activiteiten in het geheel niet kunnen plaatsvinden of dat activiteiten slechts onder beperkingen kunnen plaatsvinden.
Artikel 5.130 van het Bkl bepaalt verder dat via het omgevingsplan voorkomen moet worden dat in de omgeving van rijksmonumenten, voorbeschermde rijksmonumenten en monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd (gemeentelijke en provinciale monumenten of bijvoorbeeld beeldbepalende of karakteristieke panden) aantastingen plaatsvinden die deze beschermde monumenten ontsieren of beschadigen. Een voorbeeld is het borgen van een molenbiotoop (het garanderen van voldoende windvang). Dergelijke regels zijn vooral van belang voor monumenten die niet in een beschermd stads- of dorpsgezicht zijn gelegen. Artikel 5.131 van het Bkl bepaalt dat in het omgevingsplan rekening wordt gehouden met het belang van het behoud van de uitzonderlijke universele waarde van werelderfgoed. In Afdeling 7.2 van het Bkl zijn de aanwijzing en de begrenzing van de twee werelderfgoederen (de Stelling van Amsterdam en de Nieuwe Hollandse Waterlinie) opgenomen en de instructieregels met het oog op behoud van het werelderfgoed benoemd. Verder geldt de instructie dat bij omgevingsverordening in het belang van de instandhouding bestemmingsplan_TAM-omgevingsplan H22L Zuidas-Vivaldi kavel 4 (vastgesteld)
blz. 97
en versterking van de kernkwaliteiten van de werelderfgoederen regels worden gesteld aan omgevingsplannen die in ieder geval inhouden dat geen activiteiten worden toegelaten die de kernkwaliteiten aantasten. Tot slot kan op grond van artikel 2.34, vierde lid van de Omgevingswet, het Rijk een instructie aan de gemeenteraad geven tot het in het omgevingsplan voor een locatie opnemen van de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht en tot het daarbij bepalen dat wordt voorzien in het beschermen van het stads- of dorpsgezicht, als dat nodig is voor het behoud van cultureel erfgoed. 15.1.4 Erfgoedverordening Amsterdam Op 16 december 2015 is de Erfgoedverordening Amsterdam vastgesteld. Deze stedelijke verordening vervangt de erfgoedverordeningen van de stadsdelen en de centrale stad en is geldig voor heel Amsterdam. De Erfgoedverordening beschermt de boven- en ondergrondse cultuurhistorische waarden van de gemeente Amsterdam. De vergunningregels uit de Erfgoedverordening zijn overgenomen in Hoofdstuk 10 van de Hoofdregeling. Activiteiten bij een gemeentelijk monument zijn op grond van het omgevingsplan vergunningplichtig. Hoofdstuk 10 wordt nog niet toegespast, maar wordt pas toegepast op het moment dat hoofdstuk 3 van de Erfgoedverordening vervalt. De Erfgoedverordening blijft op grond van de Erfgoedwet in afgeslankte vorm bestaan.
De verordening bevat dan alleen nog regels over cultureel erfgoed die níet over de fysieke leefomgeving gaan, zoals regels voor roerend erfgoed, over een subsidieregeling of de procedure voor de aanwijzing van beschermde monumenten.
15.2
Te beoordelen aspecten
15.2.1 Archeologie In de Omgevingswet wordt in de begripsbepalingen voor de definitie van archeologisch monument verwezen naar artikel 1.1 van de Erfgoedwet. Gemeenten moeten in het omgevingsplan rekening houden met bekende archeologische monumenten en met aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. Aantoonbaar te verwachten betekent dat de mogelijkheid tot het aantreffen van een archeologisch monument goed onderbouwd moet zijn. Het voorspellen van de aanwezigheid van een archeologisch monument kan door middel van het uitvoeren van archeologisch onderzoek, maar ook een combinatie van bestaande relevante archeologische, bodemkundige of historische informatie kan voldoende zijn om de mogelijke aanwezigheid van een archeologisch monument op een locatie te onderbouwen. Dit generieke onderzoek moet verricht worden in het kader van de vaststelling van het omgevingsplan. Dit voorkomt enerzijds toedeling van ‘verkeerde’ functies op ‘verkeerde locaties’ en anderzijds onverwachte belemmeringen of kosten aan de kant van initiatiefnemers, met name omdat bij de uitvoering van een concreet initiatief alleen nog archeologisch onderzoek kan worden voorgeschreven als sprake is van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten.
De regels in het omgevingsplan die met het oog op archeologische waarden kunnen worden gesteld, houden in dat bij een aanvraag om omgevingsvergunning voor bijvoorbeeld een bouwactiviteit een rapport wordt overgelegd van een onderzoek naar de aanwezigheid van archeologische waarden op de te bebouwen locatie. Als volgens het onderzoek mogelijk archeologische waarden aanwezig zijn, dan kan dit betekenen dat de omgevingsvergunning voor het bouwen geweigerd wordt, of dat bepaalde Gemeente Amsterdam
blz. 98
maatregelen getroffen moeten worden. Hetzelfde geldt voor andere in het omgevingsplan via voorschriften in het belang van de archeologische monumentenzorg te reguleren activiteiten, zoals het uitvoeren van grondwerkzaamheden en sloop. 15.2.2 Monumenten Gemeentelijke monumenten zijn voor de Omgevingswet ‘monumenten die op grond van het omgevingsplan worden beschermd’. De functieaanduiding ‘gemeentelijk monument’ is het zwaarste beschermingsinstrument dat de gemeente in handen heeft. Deze functie heeft een bijzondere status, want hiermee worden de betreffende regels uit de AMvB’s van toepassing. Voor gemeentelijke monumenten geldt een registerplicht en wordt het vergunningvrij bouwen ingeperkt. De procedure voor het aanwijzen van gemeentelijke monumenten blijft onderdeel van de Erfgoedverordening, ook na invoering van het nieuwe omgevingsplan. Dit geldt ook voor het aanwijzen van archeologische monumenten. In Hoofdstuk 10 van de Hoofdregeling is een vergunningplicht opgenomen voor het verrichten van activiteiten in, aan, op of bij een (voorbeschermd) gemeentelijk monument. Het vergunningvrij bouwen is beperkt voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken die wordt verricht in, aan of op een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument.
Het vergunningvrij bouwen bij een monument is eveneens beperkt maar hier gelden uitzonderingen voor. In het omgevingsplan zijn eveneens beoordelingsregels, aanvraagvereisten en vergunningvoorschriften opgenomen. Rijksmonumenten zijn in de Omgevingswet gedefinieerd als “rijksmonument als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet”. Het is een gebouwd monument of archeologisch monument dat is ingeschreven in het rijksmonumentenregister. Aanwijzing van rijksmonumenten vindt plaats op basis van de Erfgoedwet. Het Rijk beschermt rijksmonumenten met algemene regels die het beschadigen, vernielen en verwaarlozen van rijksmonumenten verbieden. Verder zijn activiteiten met betrekking tot een rijksmonument alleen mogelijk met een omgevingsvergunning. De rijksregels voor rijksmonumenten staan in hoofdstuk 13 van het Besluit activiteiten leefomgeving. De gemeente is bijna altijd bevoegd gezag voor de handhaving van deze regels en neemt in de meeste gevallen de beslissing op een vergunningaanvraag. De beoordelingsregels voor de omgevingsvergunning bij een rijksmonumentenactiviteit staan in artikel 8.80 van het Bkl. Activiteiten in de omgeving van een monument kunnen effect hebben op de cultuurhistorische waarde van het monument. Onder de Omgevingswet krijgt de omgeving van alle beschermde monumenten extra bescherming door een instructieregel van het Rijk in het Bkl.
Het gaat om ingrepen in de omgeving die het monument ontsieren of beschadigen, en dus niet over ingrepen aan het monument of monumentale ensemble zelf.
15.3
Plangebied
Archeologie Door Bureau Monumentenzorg & Archeologie van Amsterdam is in 2014 ten behoeve van het bestemmingsplan Zuidas-Vivaldi archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd (bijlage 9). Het onderzoek had betrekking op het gehele gebied van Vivaldi, waaronder het plangebied en geeft een specificatie van eventuele archeologische waarden binnen een specifiek plangebied en een advies met betrekking tot het daarbij behorende beleid en/of te nemen maatregelen. Voor het plangebied is op grond van historisch-topografische onderzoek gebleken dat de archeologische verwachting ter plaatse laag is wat betekent dat archeologische resten een lage trefkans hebben en/of bestemmingsplan_TAM-omgevingsplan H22L Zuidas-Vivaldi kavel 4 (vastgesteld)
blz. 99
vooral losse vondsten zullen betreffen. Gelet hierop is het plangebied vrijgesteld van archeologische maatregelen. Dit betekent dat verder archeologisch veldonderzoek niet nodig is. Gelet hierop is daarom in het bestemmingsplan Zuidas-Vivaldi geen beschermende regeling in het bestemmingsplan opgenomen. Dit betekent ook dat in het kader van de wijziging van het omgevingsplan vrijstelling bestaat ten aanzien van archeologische vondsten en geen nadere regels noodzakelijk zijn. Cultuurhistorie Naast het plangebied is het ‘Turmac-gebouw’, een gemeentelijk monument, gelegen. Op 4 juni 2019 (bijlage 10) is advies gevraagd vanwege de nabije ligging van de beoogde bebouwing op kavel 4 ten opzichte van het Turmac-gebouw ten zuiden daarvan. Na beoordeling is geconcludeerd dat de geplande hoogbouw geen invloed heeft op de opzet en het interieur van het Turmac gebouw en geen aantasting oplevert van de architectonische en cultuurhistorische waarden en de stedenbouwkundige waarde intact blijft. De cultuurhistorische waarden van het naastgelegen gemeentelijk monument vormen daarom geen belemmering voor de wijziging van het omgevingsplan.
Gemeente Amsterdam
blz. 100
bestemmingsplan_TAM-omgevingsplan H22L Zuidas-Vivaldi kavel 4 (vastgesteld)