bijlage 2. Segregatiemonitor povo 2020_21.pdf
Tekst van het document
Segregatiemonitor primair en voortgezet onderwijs 2020/’21 Onderzoek, Informatie en Statistiek
1
In opdracht van: Onderwijs, Jeugd en Zorg (OJZ) Projectnummer: 21158 Auteurs: Frederique van Spijker, Sara Rubingh, Merel van der Wouden E-mailadres: F.van.Spijker@amsterdam.nl Bezoekadres: Weesperstraat 113-117 Telefoon: 020 251 0333 Postbus 658, 1000 AR Amsterdam data.amsterdam.nl Amsterdam, november 2021 Foto voorzijde: OBS de Achterhoek, fotograaf Edwin van Eis (2013)
2
Inhoud
Samenvatting en conclusie
4
Inleiding
7
1 Primair onderwijs
8
1.1 Diversiteit 8 1.1.1 Aandeel leerlingen met hoogopgeleide ouders blijft stijgen 8 1.1.2 Vier op de tien leerlingen hebben een hoge sociaaleconomische score 9 1.1.3 Zes op de tien leerlingen in Amsterdam hebben een migratieachtergrond 10 1.1.4 Onder leerlingen met een migratieachtergrond is het aandeel met hoogopgeleide ouders gestegen 11 1.2 Segregatie 11 1.2.1 Toename aandeel leerlingen op gemengde scholen naar opleidingsniveau ouders 11 1.2.2 Schoolsegregatie naar migratieachtergrond hangt samen met het opleidingsniveau van ouders 12 1.2.3 Spreiding leerlingen met hoogopgeleide ouders niet gelijk verdeeld over de stad 13 1.2.4 Aandeel po-scholen dat een afspiegeling is van de wijk is al jaren stabiel 14 2 Voortgezet onderwijs
16
2.1 Diversiteit 16 2.1.1 Meer dan de helft leerlingen heeft hoogopgeleide ouders 16 2.1.2 Vier op de tien leerlingen hebben een hoge sociaaleconomische score 17 2.1.3 Zes op de tien middelbare scholieren in Amsterdam hebben een migratieachtergrond 18 2.1.4 Onder alle leerlingen is het aandeel met hoogopgeleide ouders gestegen 19 2.2 Segregatie 19 2.2.1 Het aandeel leerlingen op sterk gesegregeerde scholen naar opleidingsniveau van ouders neemt toe 20 2.2.2 Schoolsegregatie naar migratieachtergrond hangt samen met het opleidingsniveau van ouders 20 2.2.3 Segregatie bestaat vooral tussen verschillende type scholen 21 2.2.4 Spreiding leerlingen met hoogopgeleide ouders niet gelijk verdeeld over de stad 23 2.3 Leerlingen op sterk gesegregeerde basisscholen gaan ook vaak naar sterk gesegregeerde middelbare scholen 23 2.3.1 Het schooladvies is bepalend in de overgang naar een gemengde of gesegregeerde middelbare school 24 Bijlage 1: onderwijssegregatie po en vo naar aandeel kinderen met een migratieachtergrond
26
Bijlage 2: toelichting data en methodes
27
3
Samenvatting en conclusie
De gemeente Amsterdam vindt het belangrijk dat kinderen van diverse achtergronden elkaar ontmoeten op school.1 In opdracht van Onderwijs, Jeugd, Zorg en Diversiteit maakt Onderzoek, Informatie en Statistiek de segregatiemonitor voor het primair en voortgezet onderwijs. In deze monitor wordt de stand van zaken omtrent onderwijssegregatie en de ontwikkeling hierin in het Amsterdamse onderwijs in kaart gebracht. De volgende onderzoeksvragen staan centraal: 1. Wat is de huidige stand van zaken wat betreft de diversiteit naar sociaaleconomische kenmerken en herkomst onder leerlingen in het Amsterdamse primair en voortgezet onderwijs en hoe verhoudt zich dit tot de afgelopen acht jaar? 2. Wat is de huidige stand van zaken wat betreft onderwijssegregatie naar het opleidingsniveau van ouders in het Amsterdamse primair en voortgezet onderwijs en hoe verhoudt zich dit tot de afgelopen acht jaar? 3. Hangt de samenstelling van leerlingen hun basisschool (wat betreft het opleidingsniveau van ouders) samen met de samenstelling van hun middelbare school? Aandeel leerlingen met hoogopgeleide ouders blijft stijgen In schooljaar 2020/’21 gingen er in totaal ruim 62.300 leerlingen in Amsterdam naar een basisschool voor het regulier of speciaal basisonderwijs (primair onderwijs, po) en 42.800 leerlingen naar een middelbare school (voortgezet onderwijs, vo).
Zowel in het po als vo zien we het aandeel leerlingen met hoogopgeleide ouders (hbo of wo opgeleid) al geruime tijd stijgen. In schooljaar 2020/’21 heeft ruim de helft van de leerlingen in het po en vo hoogopgeleide ouders. Zowel in het po als vo hebben zes van de tien leerlingen een migratieachtergrond. De grootste groep leerlingen met een migratieachtergrond bestaat uit leerlingen met een Turkse en Marokkaanse migratieachtergrond. Leerlingen zonder migratieachtergrond en leerlingen met een West-Europese migratieachtergrond hebben vaker hoogopgeleide ouders dan leerlingen met een andere migratieachtergrond, dit zien we zowel in het po als in het vo. In het po is het opleidingsniveau onder alle leerlingen met een migratieachtergrond gestegen, terwijl we bij leerlingen zonder migratieachtergrond een stabilisering zien. In het vo zien we het opleidingsniveau van alle groepen stijgen. Po-scholen steeds gemengder, maar segregatie in het vo neemt toe De stijging van het aandeel leerlingen met hoogopgeleide ouders in Amsterdam zien we terug in de samenstelling van de scholen. Er zijn steeds minder scholen met heel weinig leerlingen met hoogopgeleide ouders (20% of minder). Hierdoor zien we dat het totaal aantal leerlingen dat naar dit type gesegregeerde school gaat ook is gedaald, zowel in het po als in het vo.2 Kinderen 1 Beleidsbrief Onderwijsvisie 2019-2025. Maart 2019.
2 Om te meten in hoeverre leerlingen met verschillend opgeleide ouders gesegregeerd naar school gaan is een absolute
segregatiemaat berekend. Hiervoor zijn Amsterdamse scholen ingedeeld in groepen op basis van het aandeel leerlingen met hoogopgeleide ouders. Vervolgens is gekeken hoe de leerlingenpopulatie over deze scholen is verdeeld.
4
van hoogopgeleide ouders zijn daarentegen steeds meer gaan clusteren op scholen. Het aantal scholen in het po en vo waar heel veel leerlingen hoogopgeleide ouders hebben (meer dan 80%) is toegenomen in de loop van de tijd. Figuur S.1 Verdeling leerlingen over scholen naar aandeel kinderen met hoogopgeleide ouders (hbo of wo opgeleid) op school, schooljaar 2012/’13-2020/’21 (procenten)
primair onderwijs scholen naar aandeel leerlingen met hoogopgeleide ouders meer dan 80% (gesegregeerde scholen)
% leerlingen 100 80 60 40
26%
18%
20 0
27%
61-80% (gemengdere scholen)
16%
41-60% (gemengde scholen)
24%
21-40% (gemengdere scholen)
12%
2012/'13 2013/'14 2014/'15 2015/'16 2016/'17 2017/'18 2018/'19 2019/'20 2020/'21
20% of minder (gesegregeerde scholen)
voortgezet onderwijs 100
% leerlingen 2% 22%
80 60 40 20
29% 15%
0
2012/'13 2013/'14 2014/'15 2015/'16 2016/'17 2017/'18 2018/'19 2019/'20 2020/'21
scholen naar aandeel leerlingen met hoogopgeleide ouders meer dan 80% (gesegregeerde scholen) 61-80% (gemengdere scholen) 41-60% (gemengde scholen) 21-40% (gemengdere scholen) 20% of minder (gesegregeerde scholen)
bron: CBS/OJZ, bewerking OIS
Deze twee ontwikkelingen laten in het po en vo toch een andere uitkomst zien. Terwijl Amsterdamse po-scholen gemengder lijken te worden, zien we in het voortgezet onderwijs dat de segregatie juist toeneemt. Het aandeel leerlingen op een gemengde(re) school nam in de loop van de tijd toe als het gaat om po-scholen, terwijl dit in het vo juist afnam vanwege een forse toename in het aantal scholen met heel veel leerlingen met hoogopgeleide ouders (meer dan 80%). Het aandeel leerlingen op deze gesegregeerde vo-scholen is in acht jaar tijd met 20%-punt toegenomen: in 2012/’13 zat 2% van de leerlingen op een middelbare school met deze populatie, in 2020/’21 ging het om 22%. De segregatie in het vo hangt sterk samen met de niveaus die op de scholen worden aangeboden. Met name op categorale gymnasia zijn leerlingen met hoogopgeleide ouders meer gaan clusteren in de afgelopen acht jaar. Wat betreft segregatie op basis van migratieachtergrond zien we veel overlap met het opleidingsniveau van ouders. Leerlingen met een migratieachtergrond die vaak geen hoogopgeleide ouders hebben zijn meer gaan mengen. Aan de andere kant zijn leerlingen met een migratieachtergrond waarvan de 5
ouders relatief vaak hoogopgeleid zijn, zijn, net als leerlingen zonder migratieachtergrond, meer gaan clusteren op scholen. De ontwikkeling in het po ligt meer dan de ontwikkeling in het vo in lijn met het streven van het college dat het van belang is voor de stad dat kinderen van diverse achtergronden elkaar ontmoeten, ook binnen de school. Leerlingen op sterk gesegregeerde basisscholen gaan ook vaak naar sterk gesegregeerde middelbare scholen Leerlingen die op een sterk gesegregeerde reguliere basisschool hebben gezeten gaan hierna relatief vaak naar een sterk gesegregeerde middelbare school. Eén op de zes Amsterdamse leerlingen gaat zowel in het basisonderwijs als in het voortgezet onderwijs naar een sterk gesegregeerde school. Vier op de tien leerlingen (41%) die op een basisschool met heel weinig hoogopgeleide ouders hebben gezeten stromen hierna in op een middelbare school met dezelfde leerlingenpopulatie, en vier op de tien leerlingen van basisscholen met heel veel hoogopgeleide ouders (37%) vervolgen hun onderwijs op een middelbare school met heel veel hoogopgeleide ouders. Leerlingen die op gemengdere basisscholen hebben gezeten gaan juist vaak naar een gemengdere middelbare school. Het schooladvies speelt een belangrijke rol in de overgang naar een gesegregeerde of gemengdere middelbare school.
Leerlingen met een vmbo basis tot en met vmbo theoretisch/havo advies kunnen namelijk niet naar een gesegregeerde school waar meer dan tachtig procent van de ouders hoogopgeleid is, omdat er geen scholen bestaan die deze niveaus aanbieden met deze populatie. Zij kunnen wel naar een gesegregeerde school waar minder dan twintig procent van de leerlingen hoogopgeleide ouders heeft, maar hier gaan zij minder vaak naartoe als ze van een gemengdere basisschool vandaan komen. Leerlingen met een havo t/m vwo advies kunnen wel kiezen voor middelbare scholen met heel veel hoogopgeleide ouders en komen juist sporadisch terecht op het type gesegregeerde middelbare school waar heel weinig leerlingen hoogopgeleide ouders hebben. Net als leerlingen met een vmbo basis t/m vmbo theoretisch/havo advies kiezen leerlingen met een havo t/m vwo advies vaker voor een gemengdere middelbare school als ze van een gemengdere basisschool afkomen. Figuur S.2 Samenhang samenstelling basisschool en middelbare school naar aandeel kinderen met hoogopgeleide ouders (hbo of wo opgeleid), groep 8 leerlingen uit schooljaar 2016/’17 t/m 2018/’19 (procenten) heel veel hoogopgeleid (>80%) 1
basisschool
gemengder (61-80%)
7
gemengd (41-60%)
73 31
heel weinig hoogopgeleid (<20%)
12 64
41 0
20
57 40
heel weinig hoogopgeleid (<20%) gemengder (21-40%)
23
70 15
gemengder (21-40%)
middelbare school
37
62
60
80
gemengd (41-60%) 5
gemengder (61-80%)
2
heel veel hoogopgeleid (>80%)
100 %
bron: CBS/OJZ, bewerking OIS
6
Inleiding
De gemeente Amsterdam vindt het belangrijk dat kinderen van diverse achtergronden elkaar ontmoeten op school.3 In opdracht van Onderwijs, Jeugd, Zorg en Diversiteit maakt Onderzoek, Informatie en Statistiek de segregatiemonitor voor het primair en voortgezet onderwijs. In deze monitor wordt de stand van zaken omtrent onderwijssegregatie en de ontwikkeling hierin in het Amsterdamse onderwijs in kaart gebracht. Onderwijssegregatie betreft de ongelijke verdeling van leerlingen over scholen op basis van ongelijkheden in termen van sociaaleconomische kenmerken, op basis van de migratieachtergrond van leerlingen of andere kenmerken.4 Ten eerste wordt naar de diversiteit onder leerlingen gekeken naar sociaaleconomische kenmerken en herkomst. Hoe ziet de leerlingenpopulatie in Amsterdam eruit wat betreft het opleidingsniveau van ouders, hun sociaaleconomische status en migratieachtergrond? Daarnaast wordt gekeken naar de mate van segregatie op scholen op basis van het opleidingsniveau van de ouders en op basis van de migratieachtergrond van leerlingen. Hoeveel leerlingen gaan er naar een gesegregeerde school en wat is de ontwikkeling hierin? Extra in deze monitor is een nadere analyse van de overgang van het primair naar het voortgezet onderwijs.
Hoeveel leerlingen gaan er naar een gesegregeerde basisschool en starten vervolgens ook op een gesegregeerde middelbare school? En hoeveel leerlingen van gemengde basisscholen gaan vervolgens naar gemengde middelbare scholen? Hiervoor wordt gekeken naar het opleidingsniveau van ouders. Samengevat staan de volgende onderzoeksvragen centraal: 1. Wat is de huidige stand van zaken wat betreft de diversiteit naar sociaaleconomische kenmerken en herkomst onder leerlingen in het Amsterdamse primair en voortgezet onderwijs en hoe verhoudt zich dit tot de afgelopen acht jaar? 2. Wat is de huidige stand van zaken wat betreft onderwijssegregatie naar het opleidingsniveau van ouders en de migratieachtergrond van leerlingen in het Amsterdamse primair en voortgezet onderwijs en hoe verhoudt zich dit tot de afgelopen acht jaar? 3. Hangt de samenstelling van leerlingen hun basisschool (wat betreft het opleidingsniveau van ouders) samen met de samenstelling van hun middelbare school? Leeswijzer Voorheen werden de ontwikkelingen in het primair en voortgezet onderwijs in aparte rapportages besproken. Dit jaar zijn de resultaten gebundeld zodat de trends makkelijker met elkaar vergeleken kunnen worden. In hoofdstuk 1 staan de resultaten voor het primair onderwijs centraal. In hoofdstuk 2 worden de resultaten voor het voortgezet onderwijs besproken.
In hoofdstuk 2 wordt ook gekeken naar de overgang van het primair naar voortgezet onderwijs en wordt de vraag beantwoord of de samenstelling van leerlingen hun basisschool samenhangt met de samenstelling van hun middelbare school.
3 Beleidsbrief Onderwijsvisie 2019-2025. Maart 2019. 4 Ball, S.J.: Class Strategies and the Education Market: The Middle Classes and Social Advantage. Routledge. New York,
2003.
7
1 Primair onderwijs
In dit hoofdstuk wordt gekeken naar de diversiteit onder leerlingen en de segregatie in het Amsterdamse primair onderwijs. Om de diversiteit in beeld te brengen wordt gekeken naar het opleidingsniveau van de ouders en de sociaaleconomische score van de leerlingen. Daarnaast brengen we de migratieachtergrond van leerlingen in beeld. Vervolgens wordt de segregatie op po-scholen getoond op basis van het opleidingsniveau van ouders en naar migratieachtergrond van de leerlingen. Tot slot wordt de woonsegregatie in de stad in beeld gebracht en hoeveel scholen een afspiegeling vormen van de wijk waarin zij staan.
1.1 Diversiteit De diversiteit van de leerlingen in het primair onderwijs wordt in beeld gebracht aan de hand van het opleidingsniveau van de ouders, de sociaaleconomische score van de leerlingen en de migratieachtergrond van leerlingen, ook in combinatie met het opleidingsniveau van de ouders.
1.1.1 Aandeel leerlingen met hoogopgeleide ouders blijft stijgen In schooljaar 2020/’21 gingen er ruim 62.300 leerlingen in Amsterdam naar een basisschool voor het regulier of speciaal onderwijs. Het aandeel leerlingen met hoogopgeleide ouders (minstens één van de ouders is hbo of wo opgeleid) blijft stijgen en betreft nu ruim de helft van de leerlingenpopulatie. Ten opzichte van schooljaar 2012/’13 is dit met 9%-punt toegenomen, van 44% naar 53%. Het aandeel leerlingen met laagopgeleide ouders (geen startkwalificatie, dus maximaal een vmbo of mbo-1-diploma) daalt in de stad en is in dezelfde periode afgenomen met 9%-punt, van 27% naar 18%. Ongeveer drie op de tien leerlingen hebben middelbaar opgeleide ouders (met een mbo, havo of vwo-diploma). Dit aandeel is in de afgelopen acht jaar nauwelijks veranderd.
8
Figuur 1.1 Opleidingsniveau ouders van kinderen in het primair onderwijs in Amsterdam, schooljaar 2012/’13-2020/’21 (procenten) 53%
2020/'21 2019/'20 2018/'19 2017/'18 2016/'17 2015/'16
2014/'15 2013/'14 44%
2012/'13 0
20
basisschool
vmbo/onderbouw h/v
laagopgeleid
40
60
80
100 %
mbo-2 en 3/havo
mbo 4/vwo
hbo
wo en hbo-master
middelbaar opgeleid
hoogopgeleid
bron: CBS/OJZ, bewerking OIS
1.1.2 Vier op de tien leerlingen hebben een hoge sociaaleconomische score Het opleidingsniveau van ouders is een belangrijke indicator voor de sociaaleconomische status (SES) van leerlingen. Hiernaast wordt vaak naar inkomen gekeken. Met de score op SES, de sociaaleconomische score kijkt OIS naar beide indicatoren tegelijkertijd. Omdat deze statistiek nieuw is kan iets minder lang worden teruggekeken in de tijd dan voor ouderlijk opleidingsniveau (vanaf schooljaar 2016/’17).5 Er wordt onderscheid gemaakt tussen een lage, midden en hoge sociaaleconomische score. In schooljaar 2020/’21 hadden vier op de tien leerlingen een hoge sociaaleconomische score. Dit zijn kinderen met hoogopgeleide ouders uit de middelste tot hoogste inkomensgroepen en kinderen met middelbaar opgeleide ouders uit de hoogste inkomensgroep. Iets meer dan een kwart van de leerlingen viel in de middelste groep en bijna drie op de tien leerlingen hadden een lage sociaaleconomische score. In deze laatste groep vallen kinderen met laagopgeleide ouders uit de laagste tot middelste inkomensgroepen en kinderen met middelbaar opgeleide ouders met een minima inkomen. Het aandeel kinderen met een lage sociaaleconomische score is in de afgelopen jaren iets gedaald, van 30% in schooljaar 2016/’17 naar 27% in schooljaar 2020/’21.
5 OIS berekent sinds 2019 voor iedere Amsterdammer een sociaaleconomische score op basis van opleidingsniveau en
inkomen en is beschikbaar vanaf 2016. Deze maat wordt ook gebruikt om het aantal kinderen met een potentiële onderwijsachterstand in de stad te berekenen, dat gebruikt wordt bij het verdelen van subsidies over de scholen. Zie voor meer informatie: https://data.amsterdam.nl/publicaties/publicatie/achtergronddocument-berekening-potenti%C3%ABleonderwijsachterstanden-2019-20/2b79ba37-cbd8-46e8-b68e-cb25e045b027/
9
Figuur 1.2 Sociaaleconomische score (opleidingsniveau ouders en inkomen) van kinderen in het primair onderwijs in Amsterdam, schooljaar 2016/’17-2020/’21 (procenten) 2020/'21
42%
2019/'20 2018/'19 2017/'18 2016/'17
41% 0
20 laag
40 midden
60
80
hoog
100 %
onbekend
De sociaaleconomische score is tot en met 2019 bekend. Hierdoor loopt deze score voor schooljaar 2020/’21 een jaar achter en is een groter aandeel onbekend. Deze groep onbekenden bestaat uit leerlingen die na 01-01-2019 naar Nederland zijn verhuisd.
bron: CBS/OJZ, bewerking OIS
1.1.3 Zes op de tien leerlingen in Amsterdam hebben een migratieachtergrond Wanneer we de diversiteit onder leerlingen naar migratieachtergrond in beeld brengen, zien we dat zes op de tien kinderen in Amsterdam een migratieachtergrond hebben. Vier op de tien leerlingen hebben geen migratieachtergrond, dit aandeel is in de afgelopen acht jaar licht gestegen. Het aandeel kinderen met een Marokkaanse of Turkse migratieachtergrond is in de afgelopen acht jaar gedaald. Ten opzichte van schooljaar 2012/’13 is dit afgenomen, van 27% naar 21% in schooljaar 2020/’21. Het aandeel leerlingen met een Amerikaanse, Aziatische, Oceanische en overig Europese (niet-Europese unie) migratieachtergrond is ten opzichte van acht jaar geleden gegroeid, van 8% naar 11%. Figuur 1.3 Migratieachtergrond kinderen in het primair onderwijs in Amsterdam, schooljaar 2012/’132020/’21 (procenten) 2020/'21
21%
2019/'20 2018/'19 2017/'18 2016/'17 2015/'16 2014/'15 2013/'14
2012/'13
27% 0
20
40
60
% 80
geen migratieachtergrond
West-Europees
Oost-Europees
Amerika, Azie, Oceanie en overig Europa
Midden-Oosten en Afrika
Marokko, Turkije
Indonesie, Suriname, Antillen
onbekend
Overig Europa zijn landen in Europa die geen lid zijn van de Europese Unie. In schooljaar 2014/’15 en 2015/’16 ontbreekt van een klein aandeel leerlingen de migratieachtergrond in de registraties.
100
bron: CBS/OJZ, bewerking OIS
10
1.1.4 Onder leerlingen met een migratieachtergrond is het aandeel met hoogopgeleide ouders gestegen Het opleidingsniveau van ouders verschilt per migratieachtergrond. Onder alle leerlingen met een migratieachtergrond is het aandeel leerlingen met hoogopgeleide ouders gestegen. Leerlingen met een West-Europese migratieachtergrond hebben het vaakst hoogopgeleide ouders, gevolgd door leerlingen zonder migratieachtergrond (respectievelijk 75% en 72%). Leerlingen met een migratieachtergrond uit het Midden-Oosten en Afrika hebben relatief vaak laagopgeleide ouders (40%). Wanneer we kijken naar de afgelopen jaren zien we dat het aandeel leerlingen met hoogopgeleide ouders onder leerlingen met een Oost-Europese migratieachtergrond het sterkst is gestegen, namelijk met 13%-punt. Figuur 1.4 Aandeel leerlingen met hoogopgeleide ouders (hbo of wo opgeleid) in het primair onderwijs in Amsterdam naar migratieachtergrond, schooljaren 2012/’13, 2016/’17, 2020/’21 (procenten) %
80 70 60 50 40 30 20 10 0
69% 72%
75%
66% 57%
63%
52%
44%
27%
2012/'13 2016/'17 2020/'21 Overig Europa zijn landen in Europa die geen lid zijn van de Europese Unie.
32%
23%
26%
33%
14%
bron: CBS/OJZ, bewerking OIS
1.2 Segregatie Segregatie op scholen wordt beschreven op basis van het opleidingsniveau van ouders en migratieachtergrond. Op wijkniveau wordt ook gekeken in hoeverre leerlingen met hoogopgeleide ouders verspreid wonen over de stad. Tot slot wordt in kaart gebracht hoeveel scholen een afspiegeling zijn van de wijk waarin zij staan.
1.2.1 Toename aandeel leerlingen op gemengde scholen naar opleidingsniveau ouders De stijging van het aandeel leerlingen met hoogopgeleide ouders in Amsterdam zien we terug in de samenstelling van de scholen. Er zijn steeds minder scholen met heel weinig leerlingen met hoogopgeleide ouders (20% of minder). Hierdoor zien we dat het totaal aantal leerlingen dat naar dit type gesegregeerde school gaat ook is gedaald.6 In schooljaar 2012/’13 ging nog bijna
6 Om te meten in hoeverre leerlingen met verschillend opgeleide ouders gesegregeerd naar school gaan is een absolute
segregatiemaat berekend. Hiervoor zijn Amsterdamse po-scholen ingedeeld in groepen op basis van het aandeel
11
een derde van alle leerlingen naar deze scholen (32%), in schooljaar 2020/’21 betrof dit 12%. Kinderen van hoogopgeleide ouders zijn daarentegen steeds meer gaan clusteren op scholen. Het aantal scholen waar heel veel leerlingen hoogopgeleide ouders hebben (meer dan 80%) is toegenomen in de afgelopen acht jaar. Dit zien we ook terug in het aandeel leerlingen op deze scholen. In schooljaar 2012/’13 ging 12% van alle leerlingen naar dit type gesegregeerde school en in schooljaar 2020/’21 betrof dit een vijfde van de leerlingen. Deze toename heeft vooral in eerdere jaren plaatsgevonden, sinds schooljaar 2017/’18 is het aandeel kinderen op deze scholen stabiel. Het aandeel leerlingen op een gemengde(re) school nam in de loop van de tijd toe. De helft van alle kinderen ging in schooljaar 2020/’21 naar gemengdere scholen (met 21-40% of 6180% leerlingen met hoogopgeleide ouders) en 16% ging naar een gemengde school waar het aandeel leerlingen met hoogopgeleide ouders rond het stedelijk gemiddelde ligt (41-60%). Figuur 1.5 Verdeling leerlingen over po-scholen naar aandeel kinderen met hoogopgeleide ouders (hbo of wo opgeleid), schooljaar 2012/’13-2020/’217 (procenten) scholen naar aandeel leerlingen met hoogopgeleide ouders meer dan 80% (gesegregeerde scholen)
% leerlingen 100 80 60 40 20 0
26% 27%
61-80% (gemengdere scholen)
16%
41-60% (gemengde scholen)
24%
21-40% (gemengdere scholen)
12% 18%
2012/'13 2013/'14 2014/'15 2015/'16 2016/'17 2017/'18 2018/'19 2019/'20 2020/'21
20% of minder (gesegregeerde scholen)
bron: CBS/OJZ, bewerking OIS
1.2.2 Schoolsegregatie naar migratieachtergrond hangt samen met het opleidingsniveau van ouders De diversiteit onder leerlingen naar migratieachtergrond wordt in toenemende mate weerspiegeld op de scholen. Wanneer we naar de verdeling kijken van de leerlingen met een migratieachtergrond over po-scholen dan zien we dat het aandeel gemengde scholen dat rond het stedelijk gemiddelde8 ligt (met 41-60% en 61-80% kinderen met een migratieachtergrond) is toegenomen over de tijd. In schooljaar 2020/’21 gaat ruim de helft van alle leerlingen in het po (55%) naar deze gemengde scholen, in schooljaar 2012/’13 ging het nog om 39%.9 Wanneer we onderscheid maken naar migratieachtergrond zien we echter een wat ander beeld ontstaan. Leerlingen met bepaalde migratieachtergronden clusteren vaker op scholen. Hierbij zien we een grote samenhang met het opleidingsniveau van ouders. In de vorige paragraaf is te zien dat onder alle groepen het opleidingsniveau van ouders is gestegen. De verschillen blijven leerlingen met hoogopgeleide ouders. Vervolgens is gekeken hoe de leerlingenpopulatie over deze scholen is verdeeld. 7 Sinds 2017/’18 zijn een aantal scholen administratief onder één brin-nummer komen te vallen in de data in plaats van gesplitst. Hierdoor telt voor deze scholen de gemiddelde leerlingenpopulatie naar opleidingsniveau van de ouders.
8 Gemiddeld heeft 60% van de Amsterdamse kinderen een migratieachtergrond 9 De resultaten hiervan kunnen worden teruggevonden in de bijlage.
12
desalniettemin groot. Leerlingen met een Marokkaanse, Turkse, Indonesische, Surinaamse, Antilliaanse, Midden-Oosterse of Afrikaanse migratieachtergrond hebben het minst vaak hoogopgeleide ouders. Zij zijn in de afgelopen acht jaar meer gaan mengen op scholen. Sinds 2012/’13 is het aandeel leerlingen dat naar scholen gaat met heel veel kinderen met deze migratieachtergronden (meer dan 80%) gedaald van 17% naar 4% in schooljaar 2020/’21.10 Leerlingen zonder migratieachtergrond en met een Europese, Amerikaanse, Aziatische en Oceanische migratieachtergrond hebben het vaakst hoogopgeleide ouders. Zij zijn in de afgelopen acht jaar meer gaan clusteren op scholen. Figuur 1.6 Verdeling leerlingen over po-scholen naar aandeel kinderen met een Turkse, Marokkaanse, Indonesische, Surinaamse, Antilliaanse, Midden-Oosterse of Afrikaanse migratieachtergrond, schooljaar 2012/’13-2020/’2111 (procenten) scholen naar aandeel leerlingen met specifieke migratieachtergrond 20% of minder (gesegregeerde scholen)
% leerlingen 100 25% 80
33%
60
21-40% (gemengdere scholen)
40
41-60% (gemengde scholen)
20
61-80% (gemengdere scholen) 17%
0
4%
2012/'13 2013/'14 2014/'15 2015/'16 2016/'17 2017/'18 2018/'19 2019/'20 2020/'21
meer dan 80% (gesegregeerde scholen)
bron: CBS/OJZ, bewerking OIS
1.2.3 Spreiding leerlingen met hoogopgeleide ouders niet gelijk verdeeld over de stad Gemiddeld heeft 53% van de Amsterdamse leerlingen in het primair onderwijs hoogopgeleide ouders. Deze leerlingen wonen niet verspreid over de stad, maar concentreren zich voornamelijk in de woonwijken in stadsdeel Zuid en Centrum. De woonwijken met relatief weinig leerlingen met hoogopgeleide ouders liggen voornamelijk buiten de ring in de stadsdelen Zuidoost, Noord en Nieuw-West. In deze woonwijken was veel ruimte voor een toename, maar dit heeft vooral in stadsdeel Nieuw-West en Noord plaatsgevonden. In stadsdeel Zuidoost is het aandeel leerlingen met hoogopgeleide ouders nauwelijks veranderd. In de meeste van de woonwijken in NieuwWest en Noord zien we een gemiddelde toename van het aandeel leerlingen met hoogopgeleide ouders en in een aantal ook een bovengemiddelde groei. Dit is vooral het geval in stadsdeel Noord. Ook in West valt de zeer grote toename van leerlingen met hoogopgeleide ouders in veel woonwijken op.
10 Dit kan deels worden verklaard doordat het aantal leerlingen met een Marokkaanse, Turkse, Indonesische,
Surinaamse en Antilliaanse migratieachtergrond is gedaald. 11 Sinds 2017/’18 zijn een aantal scholen administratief onder één brin-nummer komen te vallen in de data in plaats van
gesplitst. Hierdoor telt voor deze scholen de gemiddelde leerlingenpopulatie naar migratieachtergrond.
13
Figuur 1.7 Aandeel hoogopgeleide ouders (hbo of wo opgeleid) van Amsterdamse leerlingen in het primair onderwijs per woonwijk in schooljaar 2020/’21 en de verandering hierin sinds schooljaar 2012/’13
bron: CBS/OJZ, bewerking OIS
1.2.4 Aandeel po-scholen dat een afspiegeling is van de wijk is al jaren stabiel Het aandeel scholen dat een afspiegeling vormt van de wijk wat betreft het aandeel leerlingen met hoogopgeleide ouders is al jaren redelijk stabiel. Ruim driekwart van de scholen heeft 20%punt meer of minder leerlingen met hoogopgeleide ouders dan dat er in de wijk wonen. In andere onderzoeken wordt vaak ook onderscheiden hoeveel scholen in samenstelling 10%-punt meer of minder afwijken van de wijk. Deze definitie wordt bijvoorbeeld ook gebruikt in het toelatingsbeleid van Boston in de Verenigde Staten, waarin wordt nagestreefd dat scholen maximaal 10%-punt afwijken van het stedelijk gemiddelde. Wanneer we deze definitie op Amsterdam toepassen zien we dat de helft van de scholen een afspiegeling is van de wijk. Op 17% van de scholen zitten veel minder leerlingen met hoogopgeleide ouders dan dat er in de wijk wonen (<-20%) en op acht procent van de scholen veel meer dan dat er in de wijk wonen (>+20%).
14
Figuur 1.8 Amsterdamse po-scholen met minimaal 100 leerlingen die al dan niet een afspiegeling van de wijk zijn naar opleidingsniveau ouders, 2012/’13-2020/’21 (procenten) 76%
2020/'21
aandeel kinderen van hoogopgeleide ouders op scholen t.o.v. de wijk
2019/'20 2018/'19
veel minder (<-20%)
2017/'18
afspiegeling (-11% tot -20%)
2016-'17 -10% tot +10%
2015/'16
afspiegeling (+11 tot +20%)
2014/'15
veel meer (>+20%)
2013/'14 79%
2012/'13 0
20
40
60
% 80
100
bron: CBS/OJZ, bewerking OIS
15
2 Voortgezet onderwijs
In dit hoofdstuk wordt gekeken naar de diversiteit onder leerlingen en de segregatie in het Amsterdamse voortgezet onderwijs. Om de diversiteit in beeld te brengen wordt gekeken naar het opleidingsniveau van de ouders en de sociaaleconomische score van de leerlingen. Daarnaast brengen we de migratieachtergrond van leerlingen in beeld. Vervolgens wordt de segregatie op middelbare scholen getoond op basis van het opleidingsniveau van ouders en migratieachtergrond. Daarnaast wordt per schooltype het aandeel leerlingen met hoogopgeleide ouders in kaart gebracht en wordt gekeken in hoeverre deze leerlingen verspreid wonen over de stad. Tot slot staat de vraag centraal of de samenstelling van de basisschool samenhangt met de samenstelling van de middelbare school.
2.1 Diversiteit De diversiteit van de leerlingen in het voortgezet onderwijs wordt in beeld gebracht aan de hand van het opleidingsniveau van de ouders, de sociaaleconomische score van de leerlingen en de migratieachtergrond van leerlingen, ook in combinatie met het opleidingsniveau van de ouders.
2.1.1 Meer dan de helft leerlingen heeft hoogopgeleide ouders In acht jaar tijd is het aandeel leerlingen in het voortgezet onderwijs met hoogopgeleide ouders (minstens één van de ouders is hbo of wo opgeleid) toegenomen. In schooljaar 2020/’21 heeft 53% van de 42.800 leerlingen hoogopgeleide ouders, terwijl dit in 2012/’13 nog 38% was. Deze stijging is vooral terug te zien bij de ouders die universitair of hbo-master opgeleid zijn. Het aandeel leerlingen met middelbaar opgeleide ouders (maximaal een mbo, havo of vwo-diploma) is in dezelfde periode licht gedaald van 30% naar 26%. Ongeveer een vijfde van de leerlingen heeft laagopgeleide ouders (geen startkwalificatie, dus maximaal een vmbo of mbo-1-diploma). Dit aandeel is in de afgelopen zes jaar flink gedaald, van 32% naar 22%.
16
Figuur 2.1 Opleidingsniveau ouders van leerlingen in het voortgezet onderwijs in Amsterdam, 2012/’132020/’21 (procenten) 51%
2020/'21 2019/'20 2018/'19 2017/'18 2016/'17 2015/'16
2014/'15 2013/'14 38%
2012/'13 0
20
basisschool
vmbo/onderbouw h/v
laagopgeleid
40
60
80
100 %
mbo-2 en 3/havo
mbo 4/vwo
hbo
wo en hbo-master
middelbaar opgeleid
hoogopgeleid
bron: CBS/OJZ, bewerking OIS
2.1.2 Vier op de tien leerlingen hebben een hoge sociaaleconomische score Het opleidingsniveau van ouders is een belangrijke indicator voor de sociaaleconomische status (SES) van leerlingen. Hiernaast wordt vaak naar inkomen gekeken. Met de score op SES, de sociaaleconomische score kijkt OIS naar beide indicatoren tegelijkertijd. Omdat deze statistiek nieuw is kan iets minder lang worden teruggekeken in de tijd dan voor ouderlijk opleidingsniveau (vanaf schooljaar 2016/’17).12 Er wordt onderscheid gemaakt tussen een lage, midden en hoge sociaaleconomische score. Vergelijkbaar met het primair onderwijs, hadden in schooljaar 2020/’21 vier op de tien leerlingen (43%) een hoge sociaaleconomische score. Dit zijn kinderen met hoogopgeleide ouders uit de middelste tot hoogste inkomensgroepen en kinderen met middelbaar opgeleide ouders uit de hoogste inkomensgroep. Iets meer dan een kwart van de leerlingen (28%) viel in de middelste groep en een even grote groep leerlingen (27%) had een lage sociaaleconomische score. In deze laatste groep vallen kinderen met laagopgeleide ouders uit de laagste tot middelste inkomensgroepen en kinderen met middelbaar opgeleide ouders met een minima inkomen.
Net als we in het primair onderwijs zien is het aandeel kinderen met een lage sociaaleconomische score in het voortgezet onderwijs in de afgelopen jaren iets gedaald, van 31% in schooljaar 2016/’17 naar 27% in schooljaar 2020/’21. Het aandeel middelbare scholieren met een hoge sociaaleconomische score steeg in dezelfde periode van 39% naar 43%.
12 OIS berekent sinds 2019 voor iedere Asterdammer een sociaaleconomische score op basis van opleidingsniveau en
inkomen en is beschikbaar vanaf 2016. Deze maat wordt ook gebruikt om het aantal kinderen met een potentiële onderwijsachterstand in de stad te berekenen, dat gebruikt wordt bij het verdelen van subsidies over de scholen. Zie voor meer informatie: https://data.amsterdam.nl/publicaties/publicatie/achtergronddocument-berekening-potenti%C3%ABleonderwijsachterstanden-2019-20/2b79ba37-cbd8-46e8-b68e-cb25e045b027/
17
Figuur 2.2 Sociaaleconomische score van kinderen in het voortgezet onderwijs in Amsterdam, schooljaar 2016/’17-2020/’21 (procenten) 2020/'21
43%
2019/'20 2018/'19 2017/'18 2016/'17
39% 0
20 laag
40 midden
60
80
hoog
De sociaaleconomische score is tot en met 2019 bekend. Hierdoor loopt deze score voor schooljaar 2020/’21 een jaar achter en is een groter aandeel onbekend. Deze groep onbekenden bestaat uit leerlingen die na 01-01-2019 naar Nederland zijn verhuisd.
100 %
onbekend
bron: CBS/OJZ, bewerking OIS
2.1.3 Zes op de tien middelbare scholieren in Amsterdam hebben een migratieachtergrond Wanneer we de diversiteit onder leerlingen naar migratieachtergrond in beeld brengen zien we dat, net als in het primair onderwijs, zes op de tien leerlingen in het voortgezet onderwijs een migratieachtergrond hebben. Vier op de tien leerlingen hebben geen migratieachtergrond. De grootste verandering door de jaren heen zien we bij het aandeel middelbare scholieren met een Indonesische, Surinaamse en Antilliaanse achtergrond, met een daling van 14% in 2012/’13 tot 9% in 2020/’21. Figuur 2.3 Migratieachtergrond kinderen in het voortgezet onderwijs in Amsterdam, schooljaar 2012/’132020/’21 (procenten) 2020/'21
9%
2019/'20 2018/'19 2017/'18 2016/'17 2015/'16 2014/'15 2013/'14
2012/'13
14% 0
20
40
60
80
% 100
geen migratieachtergrond
West-Europees
Oost-Europees
Amerika, Azie, Oceanie en overig Europa
Midden-Oosten en Afrika
Marokko, Turkije
Indonesie, Suriname, Antillen
onbekend Overig Europa zijn landen in Europa die geen lid zijn van de Europese Unie. In schooljaar 2014/’15 en 2015/’16 ontbreekt van een klein aandeel leerlingen de migratieachtergrond in de registraties.
bron: CBS/OJZ, bewerking OIS
18
2.1.4 Onder alle leerlingen is het aandeel met hoogopgeleide ouders gestegen Het opleidingsniveau van ouders verschilt per migratieachtergrond. Leerlingen zonder migratieachtergrond hebben het vaakst hoogopgeleide ouders (76%), gevolgd door leerlingen met een West-Europese migratieachtergrond (71%). Leerlingen met een Turkse of Marokkaanse migratieachtergrond hebben relatief vaak laagopgeleide ouders (46%). Wanneer we kijken naar de afgelopen jaren zien we dat het aandeel leerlingen met hoogopgeleide ouders onder alle groepen leerlingen is gestegen. Figuur 2.4 Aandeel leerlingen met hoogopgeleide ouders (hbo of wo opgeleid) in het voortgezet onderwijs in Amsterdam naar migratieachtergrond, schooljaren 2012/’13, 2016/’17, 2020/’21 (procenten) %
90 80 70 60 50 40 30 20 10 0
76% 62%
71% 60%
59%
54%
41%
41%
34%
33%
24%
2012/'13 2016/'17 2020/'21 Overig Europa zijn landen in Europa die geen lid zijn van de Europese Unie.
18%
25%
9%
bron: CBS/OJZ, bewerking OIS
2.2 Segregatie De ontwikkeling wat betreft de segregatie op Amsterdamse middelbare scholen wordt beschreven op basis van het opleidingsniveau van ouders en migratieachtergrond.13 Daarnaast wordt per schooltype het aandeel leerlingen met hoogopgeleide ouders in kaart gebracht en wordt gekeken in hoeverre deze leerlingen verspreid wonen over de stad.
13 In tegenstelling tot de monitoring van de segregatie in het primair onderwijs, wordt er voor het voortgezet onderwijs
niet gekeken in hoeverre scholen een afspiegeling zijn van de wijk waarin ze staan. De reden is dat de verdeling van de middelbare scholen over de stad anders is (veel scholen zijn in Zuid te vinden), en er maar weinig leerlingen zijn die naar een school in eigen wijk gaan
19
2.2.1 Het aandeel leerlingen op sterk gesegregeerde scholen naar opleidingsniveau van ouders neemt toe De stijging van het aandeel leerlingen met hoogopgeleide ouders in Amsterdam zien we terug in de samenstelling van de scholen.14 Er zijn steeds meer scholen bijgekomen in de stad met heel veel leerlingen met hoogopgeleide ouders (meer dan 80%). In 2012/’13 zat 2% van de leerlingen op een school met deze populatie, in 2020/’21 ging het om 22%. Het andere uiterste zijn de scholen met maximaal 20% leerlingen met hoogopgeleide ouders. Het aantal leerlingen op scholen met deze samenstelling is gedaald van 29% in 2012/’13 naar 15% in 2020/’21. Het aandeel leerlingen op gemengdere (21-40% en 61-80% leerlingen met hoogopgeleide ouders) tot meest gemengde scholen (41-60% leerlingen met hoogopgeleide ouders) daalde ook in die periode van 69% naar 64%. Figuur 2.5 Verdeling leerlingen over middelbare scholen naar aandeel kinderen met hoogopgeleide ouders (hbo of wo opgeleid), schooljaar 2012/’13-2020/’21 (procenten) 100
% leerlingen 2% 22%
80 60 40 20
29% 15%
0
2012/'13 2013/'14 2014/'15 2015/'16 2016/'17 2017/'18 2018/'19 2019/'20 2020/'21
scholen naar aandeel leerlingen met hoogopgeleide ouders meer dan 80% (gesegregeerde scholen) 61-80% (gemengdere scholen) 41-60% (gemengde scholen) 21-40% (gemengdere scholen) 20% of minder (gesegregeerde scholen)
bron: CBS/OJZ, bewerking OIS
2.2.2 Schoolsegregatie naar migratieachtergrond hangt samen met het opleidingsniveau van ouders De diversiteit naar migratieachtergrond van leerlingen op middelbare scholen geeft een vergelijkbaar beeld als naar het opleidingsniveau van ouders.15 De segregatie op scholen naar migratieachtergrond hangt voor een groot deel samen met het opleidingsniveau van de ouders. In de vorige paragraaf is te zien dat onder alle migratieachtergronden het opleidingsniveau van ouders is gestegen. De verschillen blijven desalniettemin groot. Leerlingen met een Marokkaanse, Turkse, Indonesische, Surinaamse, Antilliaanse, Midden-Oosterse of Afrikaanse migratieachtergrond hebben het minst vaak hoogopgeleide ouders. Zij zijn in de afgelopen acht jaar meer gaan mengen op middelbare scholen. Sinds 2012/’13 is het aandeel leerlingen dat naar scholen gaat met heel veel kinderen van deze migratieachtergronden (meer dan 80%) gedaald
14 Om te meten in hoeverre leerlingen met verschillend opgeleide ouders gesegregeerd naar school gaan is een
absolute segregatiemaat berekend. Hiervoor zijn Amsterdamse vo-scholen ingedeeld in groepen op basis van het aandeel leerlingen met hoogopgeleide ouders. Vervolgens is gekeken hoe de leerlingenpopulatie over deze scholen is verdeeld. 15 De resultaten hiervan kunnen worden teruggevonden in de bijlage.
20
van 19% naar 9% in schooljaar 2020/’21.16 Leerlingen zonder migratieachtergrond en met een Europese, Amerikaanse, Aziatische en Oceanische migratieachtergrond hebben het vaakst hoogopgeleide ouders. Zij zijn in de afgelopen acht jaar meer gaan clusteren op scholen. Figuur 2.6 Verdeling leerlingen over vo-scholen naar aandeel kinderen met een Turkse, Marokkaanse, Indonesische, Surinaamse, Antilliaanse, Midden-Oosterse of Afrikaanse migratieachtergrond, schooljaar 2012/’13-2020/’2117 (procenten) scholen naar aandeel leerlingen met specifieke migratieachtergrond 20% of minder (gesegregeerde scholen)
% leerlingen 100 80
26%
38%
60
21-40% (gemengdere scholen)
40
41-60% (gemengde scholen)
20
61-80% (gemengdere scholen)
19% 0
9%
2012/'13 2013/'14 2014/'15 2015/'16 2016/'17 2017/'18 2018/'19 2019/'20 2020/'21
meer dan 80% (gesegregeerde scholen)
bron: CBS/OJZ, bewerking OIS
2.2.3 Segregatie bestaat vooral tussen verschillende type scholen Er bestaat in het voortgezet onderwijs een duidelijk verband tussen de leerlingenpopulatie op een school en het onderwijsniveau dat wordt aangeboden. In schooljaar 2020/’21 hadden scholen waarop enkel praktijkonderwijs of vmbo wordt aangeboden gemiddeld 22% of minder leerlingen met hoogopgeleide ouders, tegenover 70% van de leerlingen op havo/vwo scholen en 86% van de leerlingen op categorale vwo scholen. De leerlingenpopulatie op deze laatste groep scholen is relatief groot: 37% van de Amsterdamse middelbare scholieren zit op een havo/vwo of vwo school.
16 Dit kan deels worden verklaard doordat het aantal leerlingen uit klassieke migratielanden (Marokko, Turkije,
Indonesië, Suriname en de Antillen) is gedaald. 17 Sinds 2017/’18 zijn een aantal scholen administratief onder één brin-nummer komen te vallen in de data in plaats van
gesplitst. Hierdoor telt voor deze scholen de gemiddelde leerlingenpopulatie naar migratieachtergrond.
21
Figuur 2.7 Leerlingen met hoogopgeleide ouders (hbo of wo opgeleid) per type vo-school, 2012/’132020/’21 (procenten) schoolgemeenschap (n=18)
46%
categoraal vwo (n=7)
86%
havo/vwo (n=12)
70%
vmbo t en/of havo (n=13)
44%
vmbo b/k/t (n=8)
20%
vmbo b/k (n=8)
22%
praktijkonderwijs (n=5)
14% 0
20
40
60
De rode lijn weergeeft het gemiddelde aantal leerlingen met hoogopgeleide ouders in de stad (51%).
80
100 %
bron: CBS/OJZ, bewerking OIS
De toename van het aantal sterk gesegregeerde scholen met veel kinderen met hoogopgeleide ouders kan worden verklaard doordat deze leerlingen steeds meer zijn gaan clusteren op de categorale gymnasia in de stad. Sinds schooljaar 2012/’13 is het aandeel leerlingen met hoogopgeleide ouders op dit type scholen gestegen van gemiddeld 75% naar 86% waardoor zij minder gemengd zijn geworden. Ook op de havo/vwo scholen zien we deze trend terug, daar is het aandeel leerlingen met hoogopgeleide ouders gemiddeld gestegen van 49% naar 70%. Figuur 2.8 Leerlingen met hoogopgeleide ouders (hbo of wo opgeleid) per type vo-school, 2012/’132020/’21 (procenten) % 100 90
86%
80 70%
70
75%
60
49%
50
46%
44%
40%
40
29%
30
22%
20 10
10%
14%
15%
20% 10%
0
2012/'13 2016/'17 In deze figuur staan tussen haakjes het aantal scholen per schooltype in schooljaar 2012/’13 en 2020/’21 weergeven.
2020/'21
bron: CBS/OJZ, bewerking OIS
22
2.2.4 Spreiding leerlingen met hoogopgeleide ouders niet gelijk verdeeld over de stad De helft van de Amsterdamse leerlingen in het voortgezet onderwijs heeft hoogopgeleide ouders. Deze leerlingen wonen niet verspreid over de stad, maar concentreren zich, net als we in het primair onderwijs zien, voornamelijk in de woonwijken in stadsdeel Zuid en Centrum. In de stadsdelen Zuidoost, Noord en Nieuw-West wonen juist relatief weinig vo-leerlingen met hoogopgeleide ouders. In de woonwijken in deze stadsdelen is daarom veel ruimte voor een toename, maar niet overal zien we dit terug. Vooral in delen van stadsdeel Nieuw-West en Noord heeft een toename van het aandeel leerlingen met hoogopgeleide ouders plaatsgevonden. In stadsdeel Zuidoost is het aandeel leerlingen met hoogopgeleide ouders nauwelijks veranderd, enkel in Bijlmer-Oost zien we een toename. Figuur 2.9 Aandeel hoogopgeleide ouders (hbo of wo opgeleid) van Amsterdamse leerlingen voortgezet onderwijs per woonwijk in schooljaar 2020/’21 en de verandering hierin sinds schooljaar 2012/’13
bron: CBS/OJZ, bewerking OIS
2.3 Leerlingen op sterk gesegregeerde basisscholen gaan ook vaak naar sterk gesegregeerde middelbare scholen Hoeveel leerlingen zitten zowel op een sterk gesegregeerde basisschool als middelbare school? En gaan leerlingen van gemengde basisscholen juist vaker naar gemengde middelbare scholen? Om dit te onderzoeken is gekeken naar de leerlingen die in schooljaar 2016/’17 tot en met 2018/’19 in Amsterdam in groep 8 zaten en het daaropvolgende jaar de overstap naar een Amsterdamse middelbare school hebben gemaakt. Hiervoor is alleen naar leerlingen op een reguliere basisschool gekeken, het speciaal basisonderwijs is buiten beschouwing gelaten. 23
Leerlingen die op een sterk gesegregeerde basisschool hebben gezeten gaan hierna relatief vaak naar een sterk gesegregeerde middelbare school. Vier op de tien leerlingen (41%) die op een basisschool met heel weinig hoogopgeleide ouders hebben gezeten stromen hierna in op een middelbare school met dezelfde leerlingenpopulatie. Hetzelfde geldt voor leerlingen van basisscholen met heel veel hoogopgeleide ouders, vier op de tien van deze groep (37%) vervolgen hun onderwijs op een middelbare school met heel veel hoogopgeleide ouders. 18 In totaal gaat een op de zes van de Amsterdamse leerlingen naar een sterk gesegregeerde school in hun schoolloopbaan tot en met het vo. Leerlingen die op gemengdere basisscholen hebben gezeten gaan het vaakst naar een gemengdere middelbare school, dit geldt bijvoorbeeld voor drie kwart van de leerlingen van de meest gemengde basisscholen (waar 41-60% hoogopgeleide ouders heeft) tegenover ongeveer zes op de tien leerlingen van gesegregeerde basisscholen. Figuur 2.10 Samenhang samenstelling basisschool en middelbare school naar aandeel kinderen met hoogopgeleide ouders (hbo of wo opgeleid), groep 8 leerlingen uit schooljaar 2016/’17 t/m 2018/’19 (procenten) heel veel hoogopgeleid (>80%) 1%
basisschool
gemengder (61-80%) 7% gemengd (41-60%)
73% 31%
heel weinig hoogopgeleid (<20%)
12% 64%
41% 0
20
57% 40
heel weinig hoogopgeleid (<20%) gemengder (21-40%)
23%
70%
15%
gemengder (21-40%)
middelbare school
37%
62%
60
80
gemengd (41-60%)
5%
gemengder (61-80%)
2%
heel veel hoogopgeleid (>80%)
100 %
bron: CBS/OJZ, bewerking OIS
2.3.1 Het schooladvies is bepalend in de overgang naar een gemengde of gesegregeerde middelbare school In de vorige paragraaf hebben we kunnen zien dat de populatie op middelbare scholen sterk verschilt op basis van de niveaus die er worden aangeboden. Op smalle en brede vmbo scholen is het aandeel leerlingen met hoogopgeleide ouders het kleinst en op categorale vwo scholen het hoogst. Hierdoor is het schooladvies bepalend in de overgang naar een gesegregeerde of gemengdere middelbare school. Leerlingen met een vmbo basis tot en met vmbo theoretisch/havo advies kunnen niet naar een gesegregeerde school met heel veel hoogopgeleide ouders. Zij kunnen wel naar een gesegregeerde school met heel weinig hoogopgeleide ouders. Hier gaan zij minder vaak naartoe wanneer zij op een gemengdere basisschool hebben gezeten. Leerlingen met een havo t/m vwo advies kunnen wel kiezen voor middelbare scholen met heel veel hoogopgeleide ouders en komen juist sporadisch terecht op 18 Sinds 2015 gebruikt Amsterdam een centrale loting om leerlingen die van de basisschool komen een plek te geven op
middelbare scholen. Leerlingen uit groep 8 leveren hiervoor een voorkeurslijst in waarop de middelbare scholen staan waar zij naartoe willen. De toewijzing van leerlingen aan scholen vindt vervolgens plaats op basis van een algoritme. Niet iedereen komt op zijn of haar voorkeursschool terecht. Dit heeft echter nauwelijks effect op de mate van segregatie in het Amsterdamse voortgezet onderwijs. De sociaaleconomische samenstelling van de scholen die leerlingen op hun voorkeurslijst opgeven is namelijk zeer vergelijkbaar. Zie Oosterbeek, H., Sóvágó, S. & van der Klauuw, B. (2021) Preference heterogeneity and school segregation. Journal of Public Economics, 197.
24
het type gesegregeerde school aan de andere kant van het spectrum waar heel weinig leerlingen hoogopgeleide ouders hebben. Ook deze leerlingen kiezen vaker voor een gemengdere middelbare school als ze van een gemengdere basisschool afkomen. Van de vwo leerlingen die op een basisschool met heel veel hoogopgeleide ouders hebben gezeten kiezen er bijvoorbeeld zes op de tien voor een middelbare school met dezelfde leerlingenpopulatie, tegenover vier op de tien die op een gemengdere basisschool hebben gezeten.
25
Bijlage 1: onderwijssegregatie po en vo naar aandeel kinderen met een migratieachtergrond
De onderstaande figuren weergeven de segregatie op Amsterdamse scholen voor het primair en voortgezet onderwijs op basis van het aandeel kinderen met een migratieachtergrond. Er zijn te weinig gesegregeerde scholen in de stad waar minder dan 20% van de kinderen een migratieachtergrond heeft om dit apart uit te kunnen splitsen. Figuur B.1 Verdeling leerlingen over po-scholen naar aandeel kinderen met een migratieachtergrond, schooljaar 2012/’13-2020/’2119 (procenten) 100
scholen naar aandeel leerlingen met migratieachtergrond
80
40% of minder
% leerlingen
60
22%
32% 41-60%
40
17% 23%
61-80% 20 0
meer dan 80% 2012/'13 2013/'14 2014/'15 2015/'16 2016/'17 2017/'18 2018/'19 2019/'20 2020/'21
bron: CBS/OJZ, bewerking OIS Figuur B.2 Verdeling leerlingen over vo-scholen naar aandeel kinderen met een migratieachtergrond, schooljaar 2012/’13-2020/’2120 (procenten) scholen naar aandeel leerlingen met migratieachtergrond
% leerlingen 100 80
29%
37%
40% of minder
60 41-60% 40
61-80% 20 0
30%
26% meer dan 80%
2012/'13 2013/'14 2014/'15 2015/'16 2016/'17 2017/'18 2018/'19 2019/'20 2020/'21
bron: CBS/OJZ, bewerking OIS 19/20 Sinds 2017/’18 zijn een aantal scholen administratief onder één brin-nummer komen te vallen in de data in plaats
van gesplitst. Hierdoor telt voor deze scholen de gemiddelde leerlingenpopulatie naar migratieachtergrond.
26
Bijlage 2: toelichting data en methodes
Leerlingenbestanden 2012/’13 t/m 2017/’18 Tot en met schooljaar 2017/’18 heeft OIS als basis de registratiebestanden van leerlingen van OJZ gebruikt (Erisa). De registratie bevat alle Amsterdamse leerlingen die zowel binnen als buiten Amsterdam naar school gaan. Ook leerlingen die wonen in de stadsregio Amsterdam en in Amsterdam op school zitten zijn in dit bestand opgenomen. Er zijn zes aparte bestanden gebruikt van de schooljaren 2012/’13 t/m 2017/’18 (allen peildatum 1 oktober). Geselecteerd zijn leerlingen, met geregistreerd Burgerservicenummer, die op 1 oktober van het betreffende schooljaar op een Amsterdamse school voor het primair of voortgezet onderwijs zaten. Aan het leerlingenbestand is, waar deze informatie beschikbaar was, toegevoegd of een leerling een VVE-doelgroep leerling is of niet (op basis van gegevens van OJZ). Vervolgens is in de Microdata omgeving van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) het leerlingenbestand verrijkt met gegevens over het opleidingsniveau van de ouder(s), het huishoudinkomen en de migratieachtergrond van de leerlingen. Er zijn verschillen tussen het Erisa bestand en de Basis Registratie Personen (BRP) als het gaat om gegevens over migratieachtergrond. Tot en met schooljaar 2015/’16 is alleen het Erisa bestand hiervoor gebruikt, voor schooljaar 2016/’17 en 2017/’18 wordt het BRP-bestand als basis aangevuld met gegevens uit Erisa.
Leerlingenbestanden vanaf 2018/’19 Vanaf schooljaar 2018/’19 heeft OIS als basis het inschrijvingsbestand van leerlingen in het primair en voortgezet onderwijs van CBS Microdata gebruikt. Dit bestand heeft als belangrijkste voordeel dat het ook de leerlingen bevat die van buiten de regio komen. Geselecteerd zijn leerlingen, met geregistreerd Burgerservicenummer, die op 1 oktober van het betreffende schooljaar op een Amsterdamse (speciale) basisschool of middelbare school zaten. Vervolgens is dit leerlingenbestand verrijkt met gegevens over het opleidingsniveau van de ouder(s), het huishoudinkomen, de migratieachtergrond en het adres van de leerlingen. Beschikbare achtergrondinformatie De beschikbare informatie vanuit het CBS is voor alle kenmerken relatief hoog. Van de leerlingen was over de jaren heen tussen de 89-90% bekend wie de vader is en van 98-99% wie de moeder is. Omdat de onderwijsregistraties nog niet zo heel lang bestaan, ontbreekt deze informatie in de registers helaas over veel oudere Nederlanders. Ook particuliere opleidingen vallen buiten het bereik van de onderwijsregisters. Daarnaast is van veel Nederlanders met een migratieachtergrond en een buitenlandse opleiding onvoldoende registerinformatie beschikbaar. Deze informatie wordt met behulp van enquête informatie (EBB) aangevuld.
In de afgelopen jaren is er steeds meer informatie beschikbaar gekomen over het al dan niet zijn van een VVE-doelgroepleerling, dit is een gevolg van een betere registratie bij OJZ. Vanaf schooljaar 2018/’19 ontbreekt echter dit gegeven door de overstap van gemeentelijke leerlingenbestanden naar de CBS-inschrijvingsbestanden.
27
Tabel B.1 Beschikbare achtergrondinformatie over ouders van kinderen in het Amsterdamse PO, 2012/’132020/’21 (procenten) opleidingsniveau ouders 2012/'13 2013/'14 2014/'15 2015/'16 2016/’17 2017/’18 2018/’19 2019/’20 2020/’21
po 86 88 89 89 89 89 88 88 88
vo 78 79 80 82 83 84 85 86 87
huishoud inkomen po 99 99 98 98 98 97 97 95 96
herkomst vo 98 98 97 97 97 96 98 96 97
po 99 99 99 100 100 100 100 100 100
VVEdoelgroepleerling
vo po 100 27 100 37 100 46 100 67 100 77 100 74 100 100 100 bron: CBS/OJZ, bewerking OIS
Multipele imputatie om ontbrekende gegevens over ouderlijk opleidingsniveau te schatten OIS wil graag het gemiddeld aandeel leerlingen met hoogopgeleide ouders per school berekenen. Hiervoor zijn de missende gegevens (zoals in tabel B.1 te zien tussen de 14%-11% van de data voor het po en 22%-13% voor het vo) benaderd. OIS heeft in overleg met OJZ ervoor gekozen om deze missende variabelen te imputeren via multipele imputatie op basis van individuele gegevens over huishoudinkomen, acht herkomstgroepen en gegevens over VVEdoelgroep. Met een multipele imputatie wordt voor elke missende waarde van het opleidingsniveau van de ouders vijf keer een realistische waarde geschat op basis van de beschikbare achtergrondgegevens. Dit gebeurt in een ‘fully conditional specification’, een Markov chain Monte Carlo (MCMC) methode. Omdat opleidingsniveau van de ouders een categorische variabele is (opgedeeld in 6 categorieën van laag tot hoog opleidingsniveau), wordt hiervoor een logistische regressie gebruikt. Uiteindelijk benadert de verdeling van de nieuwe dataset de verdeling die in de originele dataset zit. Het voordeel van het hebben van vijf datasets met elke keer andere geïmputeerde gegevens is dat de variatie die in de originele dataset zit gewaarborgd blijft. Uiteindelijk gebruiken we deze vijf datasets samen om gemiddeldes en percentages per school en per buurt uit te rekenen.
We publiceren geen gegevens over individuele scholen, of over buurten met minder dan 50 leerlingen. Vanaf schooljaar 2018/’19 is VVE-doelgroep niet langer als indicator meegenomen in de multipele imputatie om het ouderlijk opleidingsniveau te schatten voor het po. Een vergelijking op basis van schooljaar 2017/’18 tussen de geïmputeerde dataset met en zonder VVE-doelgroep als indicator heeft uitgewezen dat dit geen verschil maakt in de resultaten.
28