CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 NRD planMER windenergie Amsterdam.pdf

Raadscommissie Duurzaamheid en Circulaire economie 7 september 2023, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Kennisnemen van de Nota van Beantwoording (NvB) van zienswijzen en adviezen over de Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) voor het ‘PlanMER Programma Windenergie Amsterdam.’ (VN2023-016736)25.830 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

3.4

Leefomgeving: slagschaduw Slagschaduw van een windturbine is de bewegende schaduw van de draaiende wieken. Wanneer slagschaduw op een raam van een woning of kantoor valt, kan dat als hinderlijk worden ervaren.

3.4.1

Toetsingskader Sinds een uitspraak13 van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) kunnen de landelijke normen voor windturbines (vastgelegd in Activiteitenbesluit milieubeheer en de Activiteitenregeling milieubeheer) op het gebied van geluid, slagschaduw, lichtschittering en externe veiligheid niet langer worden toegepast op windparken van 3 of meer windturbines. Voor opstellingen van 3 of meer windturbines is er op dit moment, gebaseerd op de uitspraak van de RvS geen landelijke norm. In de uitspraak wordt expliciet genoemd dat een bevoegd gezag ervoor kan kiezen om eigen normen te hanteren en op te nemen in het bestemmingsplan. Deze normen dienen te zijn voorzien van een actuele, deugdelijke, op zichzelf staande en op lokale situatie toegesneden motivering. NB. Expertgroep Advies Gezondheid adviseert voor slagschaduw een grenswaarde van maximaal 17 dagen per jaar 20 minuten op gevoelige objecten, ook wel vereenvoudigd naar een maximale slagschaduwbelasting van 17 x 20 minuten oftewel 340 minuten per jaar. Daarnaast wordt aanbevolen om slagschaduw zoveel mogelijk te reduceren. Het advies van de expertgroep is bedoeld voor de tijdelijke situatie dat er geen algemene landelijke milieunormen voor nieuwe windturbineparken van toepassing zijn.

3.4.2

Beoordelingscriterium en effectbeoordeling Voor de locatiealternatieven wordt eerst berekend wat de slagschaduwduur is die jaarlijks gemiddeld wordt veroorzaakt. Vervolgens toont het MER hoe vaak de windturbines moeten worden stilgezet om aan de geadviseerde grenswaarde van 17 da-

13

Effectbeoordeling

(ECLI:NL:RVS:2021:1395)

27

gen x 20 minuten = 340 minuten per jaar te komen. Deze stilstand en de bijbehorende opbrengstderving is een beoordelingscriterium. Daarbij telt ook de slagschaduw van bestaande windturbines mee. Dus als een woning al 300 minuten slagschaduw per jaar van een bestaand windpark ondervindt mogen nieuwe windturbines hier nog maar 40 minuten aan toevoegen. Ook bij toepassing van een strenge norm van minder dan 6 uur slagschaduw per woning per jaar zullen woningen enige slagschaduw ondervinden. Naast de hoeveelheid stilstand is daarom het aantal woningen waar als gevolg van de nieuwe windturbines tenminste 30 minuten slagschaduw per jaar optreedt14 (zonder toepassing van een stilstandvoorziening) ook een beoordelingscriterium. Ook voor slagschaduw geldt dat deze beoordelingscriteria vervolgens ook in relatie tot de hoeveelheid opgewekte energie worden weergegeven (relatief). Tabel 6

Beoordelingscriterium slagschaduw.

Thema

Slagschaduw

3.5

Beoordelingscriterium Percentage stilstand benodigd om te voldoen aan de grenswaarde van 340 minuten per jaar (inclusief bestaande windturbines). Aantal gevoelige objecten binnen de 30 minuten slagschaduwcontour. Totale slagschaduwduur op nabijgelegen overige terreinen (volkstuinen en andere recreatiegebieden).*

Methode Kwantitatief, zowel absoluut als relatief. Kwantitatief, zowel absoluut als relatief. Kwantitatief, zowel absoluut als relatief

Externe veiligheid De aanwezigheid van windturbines kan een verhoogd risico opleveren voor de omgeving. Mogelijke risico’s zijn afbreken van de mast, afbreken van de gondel en de afworp van een wiek. De hoogte van het risico is afhankelijk van verschillende factoren zoals afstand tot de windturbine, faalkans van de windturbine, aantal mensen aanwezig etc..

3.5.1

Toetsingskader Sinds een uitspraak15 van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) kunnen de landelijke normen voor windturbines (vastgelegd in Activiteitenbesluit milieubeheer en de Activiteitenregeling milieubeheer) op het gebied van geluid, slagschaduw, lichtschittering en externe veiligheid niet langer worden toegepast op windparken van 3 of meer windturbines. Minder dan 3 windturbines gelden niet als windturbinepark voor het besluit m.e.r.. Voor één of twee windturbines blijven de windturbinebepalingen uit het Activiteitenbesluit en -regeling gelden.

14

15

Effectbeoordeling

Deze 30 minuten volgt uit het feit dat windturbines enige tijd nodig hebben om tot stilstand te komen als er plotseling slagschaduw optreedt (bijvoorbeeld wanneer de zon van achter bewolking tevoorschijn komt). Dat betekent dat ook bij een norm die voorschrijft dat windturbines moeten worden stilgezet zodra slagschaduw op kan treden enige minuten op jaarbasis niet voorkomen kunnen worden. (ECLI:NL:RVS:2021:1395)

28

Voor opstellingen van 3 of meer windturbines is er op dit moment, gebaseerd op de uitspraak van de RvS geen landelijke norm. In de uitspraak wordt expliciet genoemd dat een bevoegd gezag ervoor kan kiezen om eigen normen te hanteren en op te nemen in het bestemmingsplan. Deze normen dienen te zijn voorzien van een actuele, deugdelijke, op zichzelf staande en op de lokale situatie toegesneden motivering. Overheidsbeleid in Nederland heeft als doel een zeker basisbeschermingsniveau voor personen te garanderen maar gelijktijdig voldoende ruimte aan risicovolle activiteiten te bieden. Aan risicobronnen worden daarom normen gesteld, die tot uitdrukking komen in het plaatsgebonden risico. Met het plaatsgebonden risico (PR) wordt de kans beschreven dat een persoon die zich onafgebroken op een vaste locatie in de omgeving van de risicobron begeeft, als gevolg van een ongeval bij de risicobron zal komen te overlijden. Locaties waar zich personen bevinden, onderverdeeld in kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare objecten, kennen een beschermingsniveau ten aanzien van het PR. Dit beschermingsniveau was niet alleen in het Activiteitenbesluit milieubeheer geregeld, maar ook in diverse andere externe veiligheidsbesluiten zoals het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt).

De afweging tussen het bieden van een zeker basisbeschermingsniveau en voldoende ruimte voor risicovolle activiteiten leidt in deze besluiten telkens tot eenzelfde grenswaarde voor het PR bij (geprojecteerd) kwetsbare objecten van 10-6 per jaar. Voor (geprojecteerd) beperkt kwetsbare objecten is enkel een richtwaarde voor het PR van 10-6 per jaar opgenomen. In de praktijk wordt bij (geprojecteerd) beperkt kwetsbare objecten doorgaans een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar gehanteerd. Omdat er geen aanleiding is de aanvaardbaarheid van risico’s ten gevolge van windturbines anders te beoordelen dan de risico’s ten gevolge van alle andere risicobronnen, is er in de NRD voor gekozen bij bovengenoemde normen aan te sluiten. De gemeente Amsterdam volgt de landelijke ontwikkelingen ten aanzien van de normen voor risico’s van windturbines nauwgezet.

3.5.2

Beoordelingscriterium en effectbeoordeling De milieueffecten voor externe veiligheid worden voor windenergie in kaart gebracht door het aantal objecten met een extern veiligheidsrisico binnen de maximale werpafstand van de windturbine te bepalen. De maximale werpafstand van de windturbine wordt berekend aan de hand van het gekozen referentie windturbinetype. De afstanden m.b.t. de objecten relevant voor een extern veiligheidsrisico worden bepaald conform Handreiking Risicozonering Windturbines. Relevante objecten zijn o.a. kwetsbare objecten (zoals woningen), beperkt kwetsbare objecten (zoals kantoren), hoogspanning- en buisleidinginfrastructuur, risicovolle installaties, autowegen en spoorwegen voor gevaarlijk transport. Daarnaast beschouwt het MER de ligging ten opzichte van waterkeringen.

Tabel 7

Beoordelingscriterium externe veiligheid.

Thema Externe veiligheid

Effectbeoordeling

Beoordelingscriterium Aanwezigheid relevante objecten en structuren binnen adviesafstand (per deelthema).

Methode Kwantitatief

29

3.6

Ecologie De realisatie van een windpark kan effecten op beschermde gebieden, soorten en aanwezige natuurwaarden hebben. Voor het aspect ecologie wordt onderscheid gemaakt tussen effecten op gebieden (onderdeel gebiedsbescherming) en effecten op beschermde soorten (onderdeel soortenbescherming).

3.6.1

Toetsingskader In de Wet natuurbescherming (Wnb) heeft het Rijk alle verplichtingen uit de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn verwerkt. Hoofdstuk 2 van de Wnb gaat in op de bescherming van Natura 2000-gebieden. Dit zijn speciale beschermingszones op grond van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Het ‘beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn’ staat in § 3.1, het ‘beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn’ in § 3.2 en het ‘beschermingsregime andere soorten’ in § 3.3, Hoofdstuk 4 bevat regels voor het verwijderen van bomen in houtopstanden. Daarnaast geldt een algemene zorgplicht op basis van art. 1.11 voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationaal natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten.

3.6.1.1

Gebiedsbescherming

Natura 2000-gebieden Het onderdeel gebiedsbescherming vormt de invulling van de gebiedsbescherming van de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn en heeft als doel het beschermen en in stand houden van bijzondere gebieden in Nederland. Een belangrijk onderdeel zijn de Natura 2000-gebieden en beschermde natuurmonumenten. Op basis van artikel 2.7 lid 2 Wnb is het verboden zonder vergunning (van Gedeputeerde Staten) een project te realiseren dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante effecten kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Zie Figuur 6 voor de Natura 2000-gebieden nabij gemeente Amsterdam.

Effectbeoordeling

30

Figuur 6

Natura 2000-gebieden in/rondom gemeente Amsterdam.

Natuurnetwerk Nederland (NNN) Met het Natuurnetwerk Nederland (NNN) wordt beoogd om van bestaande en nieuwe natuur een goed functionerend netwerk te maken. Het ruimtelijk beleid voor het NNN is gericht op ‘behoud, herstel en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden’ van het NNN. Op plannen, projecten of handelingen binnen het NNN is het ’nee, tenzij’- regime van toepassing. Vanaf 1 oktober 2012 is het ‘nee, tenzij’-regime vastgelegd in het Besluit algemene regelingen ruimtelijke ordening (Barro). Plannen in NNN moeten voldoen aan de gestelde regels van de vigerende provinciale omgevingsverordening, waarin de wezenlijke waarden en kenmerken van het Natuurnetwerk zijn uitgewerkt. De provincie Noord-Holland kent geen externe werking voor Natuurnetwerk Nederland, wel dient een gemeente vanuit een goede ruimtelijke ordening de effecten van de voorgenomen activiteit ook buiten het werkingsgebied van NNN te beoordelen. Wanneer een project leidt tot verlies van natuurwaarden binnen NNN, dient de initiatiefnemer compensatiemaatregelen te nemen. Zie Figuur 7 voor de NNN-gebieden in/nabij de gemeente Amsterdam.

Effectbeoordeling

31

Figuur 7

Natuurnetwerk Nederland in/nabij gemeente Amsterdam.

Overig provinciale aangewezen gebieden Artikel 6.59 van de Omgevingsverordening Noord-Holland 2022 ( OVNH2022) heeft het doel om het Bijzonder provinciaal landschap (BPL) in Noord-Holland te beschermen en waar nodig te versterken en ontwikkelen. Het BPL bevat gebieden die landschappelijk, aardkundig, ecologisch of cultuurhistorisch van bijzondere waarde zijn. Binnen de provincie zijn weidevogelgebieden aangewezen. De weidevogelkerngebieden die binnen NNN liggen, vallen nog steeds onder het NNN regime. De weidevogelgebieden die buiten NNN gelegen zijn, vallen vanwege de ecologische waarde en kwaliteit onder het Bijzonder provinciaal landschap met de kernkwaliteit ‘habitat voor weidevogels’. Plannen in BPL moeten voldoen aan de regels van de vigerende provinciale verordening, waarin de kernkwaliteiten (waaronder het habitat) voor weidevogels) zijn uitgewerkt. De provincie Noord-Holland kent geen externe werking voor het BPL, wel dient een gemeente vanuit een goede ruimtelijke ordening de effecten van de voorgenomen activiteit ook buiten het werkingsgebied van BPL te boordelen. Wanneer schade/aantasting plaatsvindt door een activiteit binnen BPL, dient de initiatiefnemer compensatiemaatregelen te nemen. Figuur 8 geeft de weidevogelgebieden weer in/nabij de gemeente Amsterdam.

Effectbeoordeling

32

Figuur 8

Weidevogelgebieden in/nabij gemeente Amsterdam (vallend onder zowel NNN als BPL).

Gedeputeerde Staten heeft naast bovengenoemde weidevogelgebieden binnen BPL ook ganzenfoerageergebieden aangewezen. Met de aanwijzing van deze foerageergebieden wordt bescherming en voedsel geboden aan trekganzen. Figuur 9

Ganzenfoerageergebieden. Bron: provincie Noord-Holland

Ecologische structuur Amsterdam De gemeente Amsterdam heeft een Ecologische structuur opgenomen, ter versterking en aanvulling op provinciaal beleid. De bijbehorende Ecologische Visie (2012) is vastgesteld als onderdeel van de Structuurvisie Amsterdam 2040. De Amsterdamse ecologische structuur is geactualiseerd en integraal onderdeel geworden in Effectbeoordeling

33

de Hoofdgroenstructuur onder de naam ‘stadsnatuur’. De Ecologische visie (2012) zal vervallen na vaststelling van het nieuwe Beleidskader Hoofdgroenstructuur. Naar verwachting wordt dit beleidskader op medio 2023 vastgesteld door de gemeenteraad. Figuur 10

3.6.1.2

Ecologische structuur binnen de gemeente Amsterdam.

Soortenbescherming

Naast het onderdeel gebiedsbescherming wordt tevens gekeken naar het onderdeel soortenbescherming. Windturbines kunnen namelijk effecten op beschermde soorten hebben, waarvan de effecten verschillen tussen de aanlegfase en de gebruiksfase. Effecten in de aanlegfase zijn voornamelijk effecten van tijdelijke aard, zoals vermijding of verstoring van voedselgebieden of nesten. In de gebruiksfase kunnen beschermde soorten effecten van windturbines ondervinden door o.a. verlies aan leefgebied door areaalverlies van de windturbine, door afname van de kwaliteit van het leefgebied (verstoring), door barrièrewerking, vermijding of door sterfte als gevolg van aanvaringen met de rotorbladen. Bij de realisatie van windturbines dient te worden getoetst of de voorgenomen ingreep leidt tot het overtreden van verbodsbepalingen van betreffende beschermde soorten. Hierbij dienen de effecten in kaart te worden gebracht en onderzocht te worden of er sprake is van een effect op de gunstige Staat van instandhouding (SvI) van de betrokken soorten. Toetsing aan de SvI past niet bij het detailniveau van een planMER en zal derhalve worden meegenomen in toekomstige projectMERren. Wel brengt het planMER in beeld of het aannemelijk is dat te zijner tijd een flora- en faunatoestemming verleend kan worden.

Effectbeoordeling

34

De bescherming van dier- en plantensoorten in hun natuurlijke leefgebied is geborgd in de Wnb hoofdstuk 3 Soorten. De Wnb bevat onder meer verbodsbepalingen met betrekking tot het opzettelijk doden of vangen, en het aantasten, verontrusten of verstoren van beschermde dier- en plantensoorten, hun nesten, holen en andere voortplantings- of vaste rust- en verblijfsplaatsen. De Wnb onderscheidt hierbij drie beschermingsregimes: 1. Wnb § 3.1 beschermingsregime soorten ‘Vogelrichtlijn’ 2. Wnb §3.2 beschermingsregime soorten ‘Habitatrichtlijn’ 3. Wnb §3.3 beschermingsregime ‘andere soorten’. Gedeputeerde Staten kunnen vrijstelling en ontheffing verlenen van verboden indien er voor het project geen alternatief is, het project nodig is ter bescherming van een specifiek (per regime bepaald) algemeen belang en de maatregelen niet leiden tot verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort. Voor soorten vallend onder §3.3 kan de provincie vrijstelling bij ruimtelijke ingrepen verlenen op basis van artikel 3.10 lid 2a, Wnb. Amsterdamse gedragscode flora & fauna De Amsterdamse gedragscode flora fauna (versie april 2022)16 is een aanvulling op de sectorale gedragscode soortbescherming voor gemeenten en de (inter)nationale bescherming van soorten middels de Wet natuurbescherming.

In de gedragscode staan aanvullende voorwaarden geformuleerd voor het specifieke lokale karakter van de gemeente Amsterdam. In de gedragscode zijn 29 Amsterdamse beleidssoorten (ABS) benoemd, waarvan 26 soorten flora en 3 soorten fauna. Voor deze soorten zijn voorwaarden en waar mogelijk/noodzakelijk maatregelen uitgewerkt in aanwijzingen voor zorgvuldig handelen. Het uitgangspunt hierbij is dat wordt ingezet op zoveel mogelijk handhaven van bestaande natuurwaarden.

3.6.2

Beoordelingscriterium en effectbeoordeling Voor de effecten op Natura 2000-gebieden wordt in eerste instantie onderzocht of het optreden van significant negatieve effecten kan worden uitgesloten in zowel de aanlegfase als de exploitatiefase. Er is sprake van significant negatieve effecten wanneer de voorgenomen activiteit afbreuk doet aan de instandhoudingsdoelstelling van een Natura 2000-gebied. Hiervoor wordt de ligging van de zoekgebieden t.o.v. Natura 2000-gebieden bepaald. Het beschermingsregime van Natura2000-gebieden kent ‘externe werking’, waardoor ook ingrepen die buiten de aangewezen gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken. Het effect van de externe werking van de ingreep dient getoetst te worden op de in het Natura2000-gebied voorkomende soorten en habitats. Eventuele significante effecten op aangewezen doelsoorten van de Natura 2000-gebieden (incl. externe werking) worden hierbij in kaart gebracht (op basis van nader te bepalen verstoring- en effectafstanden). De effecten op Natuurnetwerk Nederland worden inzichtelijk gemaakt voor zowel de aanlegfase als de exploitatiefase, waarbij onderscheidt wordt gemaakt tussen directe en indirecte aantasting. De ligging t.o.v. de Ecologische Structuur Amsterdam wordt in kaart gebracht.

Verder wordt voor de overige provinciale aangewezen gebieden, in dit geval Bijzonder provinciaal landschap, in het ecologische onderzoek de ligging van de weidevogelgebieden in kaart gebracht. 16

Effectbeoordeling

https://openresearch.amsterdam/nl/page/84515/amsterdamse-gedragscode-flora-fauna

35

Voor de effecten op soorten wordt zowel gekeken naar de effecten in de aanlegfase en de exploitatiefase. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen 1) effecten op vogels, 2) effecten op vleermuizen en 3) effecten op overige soorten (waaronder ABS soorten). Op basis van de (tijdens het onderzoek beschikbare) volgende bronnen;  de nieuwe Vogelatlas Amsterdam;  data vanuit fietstransecttellingen en batloggers voor vleermuizen;  de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF);  vogeldichtheidskaarten SOVON; vogeltrek en gevoeligheidskaarten (niet)broedvogels. wordt in kaart gebracht welke beschermde soorten binnen het plangebied aanwezig zijn. Bovenstaande gegevens geven o.a. inzicht in de verspreidingsgegevens van de soortgroepen, (gestuwde) vogeltrek, vliegbewegingen en risico’s om slachtoffer te worden door aanvaringen met de windturbines. Door gebruik te maken van de beschikbare informatie worden de effecten in de aanlegfase en gebruiksfase door verstoring, vermijding, barrièrewerking en verlies leefgebied voor de drie soortgroepen in kaart gebracht. In de effectbeoordeling worden Rode Lijstsoorten van vogels ook meegenomen, waarbij de focus wordt gelegd op kwetsbare soorten. Voor wat betreft vleermuizen wordt geen onderscheid gemaakt in Rode Lijst-status, omdat alle in Nederland voorkomende vleermuizen reeds zwaar beschermd zijn. Tabel 8

Beoordelingscriterium ecologie.

Thema Ecologie

3.7

Beoordelingscriterium - Effecten op beschermde gebieden (Natura 2000, NNN, weidevogelgebieden, ganzenfoerageergebieden en Ecologische structuur) - Effecten op beschermde soorten

Methode Kwalitatief & kwantitatief

Bodem en water De realisatie van windturbines heeft mogelijke effecten op de bodemkwaliteit en waterhuishouding.

3.7.1

Toetsingskader Bodem Bij de aanleg van de windturbines zullen bodemwerkzaamheden plaatsvinden. De verankering van de windturbines vindt plaats met een betonnen voet (het fundament). Daardoor zal een hoeveelheid grond ontgraven moeten worden. Op grond van de Wet bodembescherming dient, in verband met de uitvoerbaarheid van een plan of project, rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid. Het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) en de bijbehorende Regeling bodemkwaliteit zijn in 2008 in werking getreden. Het Bbk bevat de regels voor duurzaam bodembeheer om een balans tussen bescherming van de bodemkwaliteit voor mens en milieu en gebruik van de bodem voor maatschappelijke ontwikkelingen te waarborgen. Op 7

Effectbeoordeling

36

november 2019 is het gemeentelijke bodembeleid conform de Bbk vastgelegd door de gemeente Amsterdam in de Nota bodembeheer17 in combinatie met de bijbehorende bodemkwaliteitskaart, waarin het toetsingskader van de gemeente Amsterdam is opgenomen. Water Op grond van de Wro moet bij een ruimtelijke ontwikkeling inzicht worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding. In de Waterwet is de waterhuishouding, veiligheidsnormering voor primaire waterkeringen, het beheer van oppervlaktewater en grondwater geregeld. Waterschap Amstel, Gooi en Vecht draagt in de gemeente Amsterdam zorg voor het functioneren van het watersysteem. Daarnaast functioneert in Amsterdam het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier. In de Keur van Waterschap AGV staan de regels voor het beheer van de oppervlaktewateren, waterkeringen en bergingsgebieden, grondwater en ondersteunende waterstaatkundige kunstwerken. Daarnaast heeft de provincie Noord-Holland beschermingsgebieden aangewezen voor drinkwaterwinning, namelijk waterwingebied en grondwaterbeschermingsgebied.

3.7.2

Beoordelingscriterium en effectbeoordeling Bodem Om een inschatting te maken van de effecten op de bodem binnen de zoekgebieden wordt gekeken naar de bodemkwaliteitskaart van de gemeente Amsterdam. De bodemkwaliteitskaart geeft informatie over de diffuse bodemkwaliteit in zeven zones (bodemfuncties), met elk een specifiek beschermingsniveau. Binnen één zone is de gemiddelde kwaliteit ongeveer gelijk, maar tussen de zones kunnen duidelijke verschillen in kwaliteit aanwezig zijn. Water Op basis van de Legger van Waterschap Amstel, Gooi en Vecht wordt in kaart gebracht of de zoekgebieden nabij primaire of secundaire waterkeringen gelegen zijn. Verder wordt voor elk zoekgebied in kaart gebracht of het gelegen is in oppervlaktewater, in een waterwingebied of grondwaterbeschermingsgebied.

Tabel 9

Beoordelingscriteria Bodem en Water.

Thema

Beoordelingscriterium

Methode

Bodem

Ligging t.o.v. zones in de bodemkwaliteitskaart Ligging t.o.v. waterkeringen Ligging t.o.v. oppervlaktewateren, waterwin-, en grondwaterbeschermingsgebieden

Kwantitatief

Water

3.8

Kwantitatief

Archeologie De realisatie van windturbines heeft mogelijke effecten op archeologische waarden. 17

Effectbeoordeling

Nota Bodembeheer gemeente Amsterdam (2019), Omgevingsdienst Noorzeekanaalgebied

37

3.8.1

Toetsingskader Archeologie Het in 1992 door Nederland ondertekende Verdrag van Malta regelt archeologisch erfgoed op Europees niveau, met als belangrijkste doel het behoud van dit erfgoed in situ. Dit is verder uitgewerkt in de Monumentenwet, Ontgrondingwet, de Wet milieubeheer en de Woningwet. Bij een activiteit dient rekening te worden gehouden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Ook staat hierin opgenomen in welke gevallen onderzoek en/of behoud noodzakelijk is. De Monumentenwet blijft van kracht na inwerktreding van de Omgevingswet.

3.8.2

Beoordelingscriterium en effectbeoordeling Archeologie De effecten op archeologische waarden worden kwalitatief beschreven. Hierbij wordt gekeken naar de ligging van het archeologisch erfgoed ten opzichte van de locatiealternatieven. Om de ligging van de archeologische waarden te bepalen, wordt gebruik gemaakt van webkaart van de gemeente Amsterdam: Archeologische vindplaatsen en historische kaarten en bebouwing.

Tabel 10

Beoordelingscriteria bodem, water en archeologie.

3.9

Thema

Beoordelingscriterium

Methode

Archeologie

Ligging t.o.v van gebieden met archeologische waarden

Kwalitatief

Landschap en cultuurhistorie Windparken hebben impact op het landschap. Er kunnen nieuwe kwaliteiten worden toegevoegd, maar bestaande kwaliteiten kunnen ook worden aangetast.

3.9.1

Toetsingskader In de vastgestelde OVNH2020 is aangegeven dat op basis van Artikel 6.27a ‘Windturbines in RES zoekgebieden’, de windturbine zorgvuldig ruimtelijk wordt ingepast. Dit geldt eveneens onder de Omgevingsverordening NH2022 volgens Artikel 6.36 Windturbines in RES Zoekgebieden. Voor kleine windturbines in landelijk gebied, niet groter dan 15 meter, (artikel 6.27b OVNH2020 en artikel 6.37 OVNH2022) geldt dat de windturbine in landschappelijk opzicht moet aansluiten op de bijbehorende bebouwing én zorgvuldig moet worden ingepast. Bij de ruimtelijk inpassing als bedoeld in de verordening wordt door bevoegd gezag in elk geval betrokken: a. de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie; b. de Ruimtelijke handreiking wind op land door GS vastgesteld op 31 augustus 2021 en gewijzigd vastgesteld op 11 januari 2022. Daarnaast is door Gedeputeerde Staten de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie 201818 vastgesteld (april 2018), die de provinciale belangen beschrijft ten aanzien van landschappelijke en cultuurhistorische waarden. Deze Leidraad in combinatie met de Ruimtelijke handreiking Wind op Land OV NH2022 gaat in op het inpassen 18

Effectbeoordeling

Prachtlandschap Noord-Holland! Leidraad Landschap & Cultuurhistorie 2018.

38

van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in het landschap, zoals bebouwing, agrarische bedrijven, infrastructuur en vormen van duurzame energieopwekking. Hierin is aangegeven dat grote windturbines de voorkeur genieten, om verrommeling van het landschap te voorkomen, mits dit passend is bij de ruimtelijke context van de ontwikkellocatie. Bij het inpassen van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in het landelijk gebied moet rekening worden gehouden met de ambities en ontwikkelprincipes van de Noord-Hollandse ensembles (gebieden) en structuren. Deze staan beschreven in de L&C, waarbij de landschappelijk inpassing afhankelijk is van de kernwaarden en landschappelijke karakteristiek van het gebied. Provincie Noord-Holland heeft 32 waardevolle en kwetsbare landschappen aangewezen als 'Bijzonder Provinciaal Landschap’ (BPL). Dit zijn landschappen die vanwege de bijzondere eigenschappen van waarde zijn voor mens en dier. Het beschermingsregime van het BPL is vastgelegd in artikel 6.59 van de OVNH2022 en artikel 6.46 van de OVNH2020 waarin de kernkwaliteiten van het landschap zijn beschreven. Deze kernkwaliteiten zijn beschreven aan de hand van drie provinciale kernwaarden; landschappelijke karakteristiek, openheid en ruimtebeleving en ruimtelijke dragers. Plannen in BPL moeten voldoen aan de gestelde regels van de vigerende provinciale omgevingsverordening.

Globaal betekent dit dat ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder duurzame energievoorzieningen mogelijk zijn in het BPL, mits de kernkwaliteiten niet worden aangetast óf sprake is van groot openbaar belang én geen reële alternatieven én gecompenseerd wordt. De provincie Noord-Holland kent geen externe werking voor het BPL, wel dient een gemeente vanuit een goede ruimtelijke ordening de effecten van de voorgenomen activiteit ook buiten het werkingsgebied van BPL te beoordelen. Figuur 11

Effectbeoordeling

Bijzonder provinciaal Landschap (BPL) in/nabij gemeente Amsterdam.

39

UNESCO UNESCO is de culturele organisatie van de Verenigde Naties, die als doel heeft om cultureel- en natuurlijk erfgoed van unieke en universele waarde te behouden voor de toekomst. Binnen Nederland liggen 10 werelderfgoederen. Artikel 6.49 van de OVNH2020 en paragraaf 6.2.5 van de OVNH2022 beschrijven vast hoe met UNESCO-werelderfgoed gebied dient te worden omgegaan bij nieuwe ruimtelijke plannen. Een nieuw ruimtelijk plan mag alleen ontwikkelingen opnemen die de kernkwaliteiten niet aantasten. Plaatsing van windturbines is op basis van dit artikel niet toegestaan binnen UNESCO-werelderfgoederen. Voor het Unesco werelderfgoed is een afwegingskader energietransitie Hollandse Waterlinie in samenwerking met de vier provincies gemaakt waarin gekeken is waar en onder welke voorwaarden ruimte geboden kan worden aan wind en zon. De Stelling van Amsterdam is aangewezen als UNESCO-werelderfgoed, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen Stellingzones, Kernzones en Monumentenzones. Voor de Stelling van Amsterdam gelden naast de ‘Leidraad Landschap en Cultuurhistorie 2018’ ook ‘Het Provinciaal Beeldkwaliteitsplan Stelling van Amsterdam 2008’ en ‘Het Ruimtelijk Beleidskader Stelling van Amsterdam 2008’. De provincie hanteert voor duurzame energie binnen de Hollandse Waterlinie het afwegingskader Energietransitie Hollandse Waterlinie.

Hierin wordt aangegeven waar al dan niet ruimte is voor energiewinning. Hierbij worden gebieden aangewezen waarbij energiewinning kan worden gerealiseerd zonder een negatief effect op de kernkwaliteiten van het Werelderfgoed. NB. Naast het provinciale kader heeft de Expertgroep Windturbines en Natuur een advies uitgebracht m.b.t. landschap. Hierbij wordt aangegeven dat gemeenten ook de effecten van plannen buiten het werkingsgebied van UNESCO dienen te beoordelen. Daarnaast moet bij ruimtelijke plannen worden aangetoond dat de kernkwaliteiten van de Stelling van Amsterdam niet worden aangetast. Ook adviseert de Expertgroep dat visualisaties van mogelijke opstellingen nodig zijn voor de beoordeling in hoeverre de kernkwaliteiten van het landschap worden aangetast. Deze aanbevelingen worden meegenomen in het MER.

3.9.2

Beoordelingscriterium en effectbeoordeling Voor het milieuaspect landschap en cultuurhistorie wordt getoetst of windturbines passen in het landschap. Ten behoeve hiervan wordt een landschappelijke analyse uitgevoerd, waarin een uitgebreide kwantitatieve beoordeling wordt gedaan van de landschappelijke criteria die volgen uit bovengenoemde vigerende beleidskaders, afwegingskaders, Ruimtelijke handreiking Wind op Land en de Omgevingsverordening NH2020/NH2022. Daarnaast worden aanvullende criteria kwalitatief beoordeeld op basis van expert judgement, om een zo volledig mogelijk beeld te creeren van de effecten op het landschap. Ook worden visualisaties gemaakt om een goed beeld te schetsen van de toekomstige landschappelijke situatie. De beoordeling wordt uitgevoerd aan de hand van de volgende beoordelingscriteria:

40 Effectbeoordeling

Beoordelingscriteria landschap en cultuurhistorie 19.

Tabel 11

Thema

Landschap en cultuurhistorie

Beoordelingscriterium - Ligging t.o.v Bijzonder Provinciaal Landschap - Ligging t.o.v UNESCO werelderfgoed - Ligging t.o.v. wandel-, sport- en hondenuitlaatgebieden* - Interferentie bestaande windturbines/hoogspanningsmasten - Impact op landschappelijke waarden - Impact op scheggenstructuur - Mate van aansluiting bij bestaande (lijn)structuren - Herkenbaarheid van cluster, lijn en/of grid opstelling - Mate verhouding maatvoering/dimensie tot landschap - Lichthinder (door knipperlichten)*

Methode Kwantitatief

Kwalitatief

Naast bovengenoemde beoordeling worden visualisaties gemaakt als onderdeel van het planMER. Deze dienen ter onderbouwing van de effectbeoordeling op bepaalde criteria.

3.10

Recreatie Hoewel er geen toetsingskader is voor het beoordelen van de effecten van windparken op recreatie zal het planMER wel inzicht bieden in het effect op recreatie door de locatiealternatieven te beoordelen op hun ligging ten opzichte van recreatie-bestemmingen, zoals (stads)parken, volkstuinen en wandel- fiets- en gebieden voor waterrecreatie. Tevens kijkt het MER in hoeverre de plaatsing van windturbines in of nabij recreatiegebieden het effectieve oppervlak van dat gebied aantast. Zo zal een windturbine in een kitesurfgebied een grotere impact hebben dan een windturbine in een hondenuitlaatgebied (waar, buiten de fundering, nog steeds prima gebruik van kan worden gemaakt). Hoofdgroenstructuur In de Hoofdgroenstructuur zijn gebieden aangewezen door de gemeente Amsterdam waarbinnen de functies groen en groene recreatie dienen te worden behouden ten behoeve van biodiversiteit, milieu en leefbaarheid. De beleidsregels voor deze gebieden zijn vastgelegd in de Structuurvisie 2040. Het geactualiseerde beleidskader voor de nieuwe Hoofdgroenstructuur zal naar verwachting medio 2023 worden vastgesteld door de gemeenteraad. Momenteel gelden de regels in de Structuurvisie 2020.

19

Effectbeoordeling

beoordelingscriteria met een * zijn overgenomen uit het document ‘Signalen uit de Stad’

41

Figuur 12

Hoofdgroenstructuur in de gemeente Amsterdam.

Tabel 12

Beoordelingscriterium recreatie.

3.11

Thema

Beoordelingscriterium

Methode

Ligging t.o.v. recreatiebestemmingen. Aantasting van oppervlak recreatiegebieden (incl. water)* Ligging t.o.v. Hoofdgroenstructuur

Kwantitatief

Recreatie

Energieopbrengst en vermeden emissies Wanneer windturbines elektriciteit produceren, wordt op dat moment minder ‘grijze’ stroom door kolen- en (vooral) gascentrales geproduceerd. Hierdoor wordt de uitstoot van CO2-, fijnstof en emissies verminderd.

3.11.1

Beoordelingscriterium en effectbeoordeling Per locatiealternatief wordt een inschatting gemaakt van de energieopbrengst en opbrengstverlies als gevolg van maatregelen. Per opgewekte GWh wordt in Nederland gemiddeld 526 g CO2 uitgestoten20. Deze emissies worden verminderd door de opbrengst van energie opgewekt door de windturbines. Daarnaast wordt beschreven wat de bijdrage is van de windturbines aan het doelbereik van de gemeente Amsterdam. Van de optimalisatiealternatieven worden ook de milieugevolgen na mitigatie afgezet tegen de energieopbrengst.

20

Effectbeoordeling

Otten en Afman, Emissiekentallen elektriciteit, kentallen voor grijze en ‘niet-geoormerkte stroom’ inclusief upstream-emissies, CE Delft, januari 2015.

42

Tabel 13

Beoordelingscriteria energieopbrengst en vermeden emissies.

Thema Energieopbrengst

3.12

Beoordelingscriterium

Methode

Elektriciteitsproductie (incl. mitigatieverliezen)

Kwantitatief

Reductie uitstoot broeikasgassen en luchtverontreiniging

Kwantitatief

Netinpassing Het Nederlandse elektriciteitsnet staat onder druk door de snelgroeiende vraag naar transportcapaciteit. Netinpassing is daarom een belangrijk onderdeel van de energietransitie.

3.12.1

Beoordelingscriterium en effectbeoordeling De zoekgebieden worden beoordeeld op de afstand tot de dichtstbijzijnde mogelijkheid voor netinpassing (hoogspanning infrastructuur). Hierbij wordt ook expliciet de beschikbare ruimte meegewogen, waarvoor overleg met de netbeheerder wordt gevoerd. In het overleg zullen ook de volgende onderwerpen aan bod komen:  Capaciteit van de kabels  Vrije ruimte op voedende kabel  Capaciteit op het station  Vrije velden op het station  Locatie ten opzichte van nabijgelegen stations en kabels.

Tabel 14

3.13

Beoordelingscriterium netinpassing

Thema

Beoordelingscriterium

Methode

Netinpassing

Ligging t.o.v. netinpassing

Kwantitatief

Leemten in kennis Het MER zal een hoofdstuk bevatten waarin leemten in kennis worden geïdentificeerd. Het gaat daarbij voornamelijk om zaken die wel bekend zijn voor windturbines, maar die niet passen bij het detailniveau van een planMER, omdat ze niet relevant zijn voor de locatiekeuze en beleidsontwikkeling.

3.14

Mitigerende maatregelen Mitigerende maatregelen zijn maatregelen die genomen kunnen worden om effecten te beperken (verminderen) dan wel geheel te voorkomen. Bijvoorbeeld de geluidsbelasting kan beperkt worden door windturbines verder weg te plaatsen van gevoelige objecten of door stillere windturbines te kiezen. In het MER wordt met behulp van de twee Optimalisatiealternatieven onderzocht of eventuele milieuknelpunten op het gebied van geluid en ecologie oplosbaar zijn met mitigerende maatregelen, waar mogelijk worden hierbij aanbevelingen gedaan voor onderzoek bij nadere planuitwerking. Mitigerende maatregelen voor wat betreft slagschaduw zijn meegenomen bij de effectbeoordeling (uitgangspunt is maximale slagschaduwbelasting van 17 x 20 minuten per gevoelig object per jaar).

Effectbeoordeling

43

Mitigerende maatregelen voor andere milieuthema’s vallen buiten het detailniveau van dit planMER en kunnen worden meegenomen bij het projectMER van concrete windenergieprojecten.

3.15

Monitoringsmaatregelen In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan regels opgenomen over monitoring. Deze monitoring heeft als doel om te beoordelen of doelstellingen en/of verplichtingen vanuit de Europese richtlijnen en internationale verdragen worden behaald en de correcte werking van de windturbine te garanderen. Op grond van artikel 11.5 (monitoring planMER) van het Omgevingsbesluit geldt het volgende: 1. Het bevoegd gezag monitort de aanzienlijke milieueffecten van de uitvoering van het plan of programma, waarvoor bij de voorbereiding een milieueffectrapport moet worden gemaakt. 2. Het bevoegd gezag kan hiervoor gebruik maken van bestaande monitoring. 3. Het bevoegd gezag stelt de resultaten van de monitoring elektronisch beschikbaar. 4. Het bevoegd gezag neemt, als dat naar zijn oordeel nodig is, passende maatregelen om de onvoorziene nadelige milieueffecten zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken. Op basis van de resultaten van het planMER worden aanbevelingen voor de wijze van monitoring en passende maatregelen opgenomen in het PWA..

Effectbeoordeling

44

Hoofdstuk 4 Participatieproces Deze notitie Reikwijdte en Detailniveau beschrijft niet alleen de onderzoeksopzet, maar dient ook om eenieder mee te nemen in het te doorlopen (planologische) proces. Daarmee heeft de NRD ook een communicatieve functie. Dit hoofdstuk beschrijft welk proces tot op heden is doorlopen (4.1), hoe de opgehaalde reacties worden verwerkt in het MER-proces (4.2 t/m 4.4) en hoe het verdere traject er uit ziet (4.5).

4.1

Het proces tot nu toe

4.1.1

Voorjaar 2019 – december 2020 In de aanloop naar de RES 1.0 (mei 2021) heeft een participatieproces plaatsgevonden om input op te halen voor de verdere besluitvorming van het onderdeel wind binnen de RES. Hiervoor zijn tussen voorjaar 2019 en december 2020 verschillende activiteiten georganiseerd:  Stakeholder ateliers  Scenario ateliers met stakeholders om gezamenlijk uiteenlopende scenario’s voor energieopwekking in Amsterdam in beeld te brengen  Lokale ateliers met bewoners en belangstellenden om mee te praten over de opgestelde scenario’s voor duurzame opwek van zon en wind in verschillende gebieden en de verschillende maatregelen.  Informatieavonden om Amsterdammers te informeren over de zoekgebieden en het RES-proces en de momenten van invloed  Startbijeenkomsten voor het lokale participatieproces RES-zoekgebied 2 (Noorder IJ-plas) van initiatiefnemers en gemeente  Interactieve online avonden om argumenten voor/tegen wind in bepaalde zoekgebieden te verzamelen  Terugkoppelingsavond over de interactieve participatieavonden om de opgehaalde argumenten voor/tegen wind in zoekgebieden te delen en uit te leggen hoe de argumenten worden meegenomen in de afweging voor het verder concretiseren van de zoekgebieden.

4.1.2

Evaluatie Universiteit Leiden (2021) In februari 2021 heeft de gemeenteraad 2 moties aangenomen, één over de evaluatie en verbetering van het participatieproces en één over een evaluatie van de informatievoorziening rond de Regionale Energiestrategie (RES). Daarom heeft Universiteit Leiden van de gemeente Amsterdam de opdracht gekregen om het participatieproces tot vaststelling van de RES 1.0 (juli 2021) onafhankelijk te evalueren. Deze evaluatie is in januari 2022 afgerond. Lessen vanuit deze evaluatie zijn meegenomen in het opstellen van het participatieplan voor de planMER-fase

Participatieproces

45

4.1.3

Reflectiefase (zomer 2021 – voorjaar 2022) Op 27 mei 2021 is de RES 1.0 van Noord-Holland Zuid (RES 1.0 NHZ) vastgesteld door de gemeenteraad van Amsterdam. Na vaststelling van de RES 1.0 vond t/m het voorjaar van 2022 de zogenaamde 'reflectiefase' plaats. Tijdens deze fase zijn nog een keer breed de zorgen en behoeften ten aanzien van windenergie geïnventariseerd. Samen met bewoners, stadsdelen, buurgemeenten en andere belanghebbenden is er een overzicht gemaakt van alles wat meegewogen moet worden om een goede plek voor de windmolens te kiezen. Hiervoor is gebruik gemaakt van breed uitgezette online vragenlijst onder Amsterdammers en bewoners van buurgemeenten en workshops over de leefomgeving om informatie op te halen over de buurt. Daarnaast hebben experts en klankbordgroepen geadviseerd hoe de zorgen over gezondheid en de natuur in het vervolgproces zorgvuldig kunnen worden meegenomen bij de concretisering van specifieke windturbinelocaties. Tijdens de reflectiefase zijn Amsterdammers, inwoners van buurgemeenten en andere belanghebbenden uitgenodigd om input te leveren voor de verdere besluitvorming over windturbines. Hiervoor zijn de volgende activiteiten georganiseerd:  Online vragenlijsten zijn breed uitgezet onder bewoners van Amsterdam en verspreid via de communicatiekanalen van buurgemeenten.

Hierin werden deelnemers op de stoel van bestuurders gezet, doordat zij keuzes konden invullen voor windmolens in Amsterdam. Hierna kregen zij de gevolgen van de verschillende keuzes te zien.  Workshops over de leefomgeving om informatie op te halen over de buurt waar deelnemers wonen en/of recreëren. Hierbij konden deelnemers aangeven op welke manier het plaatsen van een windturbine hun ervaring zou kunnen beïnvloeden.  Vertegenwoordiging klankbord- en expertgroepen: bewoners, experts of belanghebbenden konden zich hiervoor aanmelden om aan te geven wat zij belangrijk vinden in het plaatsingsproces van windturbines. Ook heeft in stadsdeel Oost de Maakbank Wind plaatsgevonden. De klankbordgroepen hebben adviezen gegeven of input geleverd voor het document ‘Signalen uit de stad’. De input die tijdens het besluitvormingsproces rondom de RES 1.0 en tijdens de reflectiefase vanuit de samenleving is opgehaald, is samengebracht in het document ‘Signalen uit de stad’. Daarnaast hebben de aparte expert groepen adviezen beargumenteerd over de thema’s gezondheid en natuur. In 2022 hebben zij een advies opgeleverd, waarna de reflectiefase is afgerond. Onderstaande paragrafen gaan nader in op de gevraagde adviezen (omdat deze volgen uit opdrachten van de gemeenteraad) en beschrijven in hoeverre deze aspecten in het planMER (of elders in het proces) kunnen worden meegenomen.

Alle ongevraagde adviezen zijn ook betrokken bij de totstandkoming van de NRD, maar daarin niet expliciet geciteerd.

4.2

Input uit document ‘Signalen uit de Stad’ Het document bevat informatie op stedelijk en lokaal niveau dat bij besluitvorming over concrete locaties een rol moet spelen. De zorgen, wensen en behoeften vanuit

Participatieproces

46

de omgeving maken hier deel van uit. Het document is op basis van de systematiek van de Landelijke handreiking RES 2.0 verdeeld in vier hoofdthema’s:  leefomgeving,  maatschappelijke betrokkenheid en democratische legitimatie,  samenhangend & betaalbaar energiesysteem  CO2-doelstelling. Binnen deze aspecten hebben de Amsterdamse signalen een plek gekregen. Het gebundelde document ‘Signalen uit de Stad’ is op 1 maart 2022 vastgesteld door de gemeenteraad van Amsterdam. Het document Signalen uit de Stad bevat belangrijke input voor het proces om te komen tot het planMER en het Programma Wind Amsterdam. Van alle opgehaalde onderwerpen is in de volgende tabel in de kolom ‘Reactie’ benoemd of het aspect; 1. een plaats heeft of krijgt in het planMER, of; 2. niet bij de fase of het detailniveau van een planMER past maar onderzocht moet worden in het vervolgtraject op individueel projectniveau (projectMER), of; 3. niet thuishoort in het planMER, maar wel terugkomt in het Programma Wind Amsterdam, of; 4. niet nader wordt onderzocht en waarom niet, of anders; 5. te maken heeft met het participatieproces en aldaar wordt opgepakt. Naast het document ‘Signalen uit de Stad’ zijn ook de ongevraagde adviezen indirect gebruikt bij de totstandkoming van de NRD.

Participatieproces

47

Tabel 15 Input m.b.t. het hoofdthema ‘Leefomgeving’ Signaal/wens uit de stad Vragen over (lange termijn) effecten van geluid op geS1 zondheid. Zorgen over gezondheidseffecten van laagfrequent S2 geluid en infrageluid.

Reactie 4 1

S3

Zorgen over trillingshinder door windmolens.

2

S4

Behoefte om gevoel te krijgen bij te verwachte geluidshinder door windmolens.

1

S5 S6 S7

Zorgen over invloed van verschillende geluidsbronnen op elkaar (cumulatie en maskering). De invloed van (tip)hoogte van windturbines op gezondheidseffecten. Vragen over vergelijking verschillende windturbines (o.a. geluidsproductie).

1 4 2

S11

Vragen over onderbouwing zoekgebieden (gehanteerde afstandsnorm). Zorgen over hinder door slagschaduw. Vraag over neveneffecten slagschaduw op verkeersveiligheid. Zorgen over lichthinder (door knipperlichten).

S12

Zorgen over gezondheidseffecten door lichthinder.

4

S13

Zorgen over effecten lichthinder op fauna (o.a. migratieroutes vleermuizen).

2

S14

Zorgen over vrijkomen schadelijke stoffen door eroderen wieken.

3

S15

Zorgen over verspreiding fijnstof door windturbines.

4

S16

Zorgen over vermindering belevingswaarde wandel/sport/hondenuitlaatgebied.

1

S8 S9 S10

S17 S18

Zorgen over verlies oppervlak recreatiewater (activiteit: surfen, roeien, zwemmen, suppen, varen etc). Zorgen over verlies (groen) recreatie- en sportoppervlak (activiteit: fietsen, wandelen, hardlopen, spelen, ontspannen etc).

1 1 2 1

Toelichting Inzicht bieden in de demografische samenstelling van de omgeving leidt niet tot een beter inzicht in de milieueffecten en wordt daarom niet betrokken in het planMER. Hiermee wordt het Expertadvies Gezondheid gevolgd. Opgenomen in paragraaf 3.3.5 Trillingen van windturbines in de bodem hebben een kleine effectafstand van enkele meters. Geofysisch onderzoek past niet bij het detailniveau van een planMER, maar kan wel onderdeel zijn van de vervolg-onderzoeksopgave ten behoeve van de vergunningprocedure (projectMER) bij gevoelige locaties. Het MER zal in de vorm van een gevoeligheidsanalyse inzicht bieden in de geluidsbelasting van windturbines van verschillende afmetingen. Ten behoeve van de vergelijking en beoordeling van de onderzoekslocaties rekent het MER met representatieve referentiewindturbinetypen. Zie paragraaf 3.3 Het MER gaat in op de huidige geluidssituatie en de toevoeging daaraan door de windturbines. Zie paragraaf 3.3.2 van de NRD. Er is geen relatie tussen afmetingen en gezondheid. In het geluidsonderzoek wordt kort ingegaan op de relatie tussen afmetingen en bronsterkte. Eventuele projectMERren zullen windturbines van verschillende afmetingen onderzoeken en vergelijken. In het planMER worden gebieden vergeleken. Verdiepend onderzoek naar milieueffecten van verschillende mogelijke inrichtingen per gebied vindt in een later stadium (projectMER) plaats.

Bij de bepaling van de te onderzoeken types wordt wel ingegaan op de relatie tussen afmetingen en bronsterkte van verschillende windturbinetypes. Binnen de zoekgebieden worden onderzoeksopstellingen ingetekend en onderzocht; hieruit kan nieuw inzicht over de aanvaardbaarheid van de zoekgebieden komen. Dit is nadrukkelijk een van de doelen van het planMER. Zie hoofdstuk 2. Opgenomen in paragraaf 3.5 van de NRD Effecten op verkeersveiligheid zijn sterk afhankelijk van de precieze ligging van windturbines en onderzoek naar verkeerseffecten past daarom beter bij het detailniveau van een projectMER. Aanvullend beoordelingscriterium. Opgenomen bij onderdeel landschap, zie paragraaf 3.9. De verlichting als gevolg van luchtvaartveiligheid is niet anders dan de verlichting op (bijvoorbeeld) schoorstenen. Er is geen reden om aan te nemen dat dergelijke verlichting leidt tot gezondheidseffecten. Het onderzoeken van effecten op specifieke soorten past niet bij het detailniveau van dit planMER, maar is wel iets dat bij vervolgonderzoek aan bod kan komen. Overigens is het al dan niet aanwezig zijn van verlichting wel opgenomen als beoordelingscriterium (onder het milieuthema landschap). De gemeente betrekt de resultaten van de quick scan 'Inzicht in emissies van chemische stoffen bij windturbines op zee' (augustus 2021) voor zover van toepassing bij het opstellen van het PWA.

Er zijn geen onderscheidende effecten, waardoor het betrekken van dit onderwerp in het planMER niet doelmatig is. Windturbines veroorzaken geen fijnstof. Uit onderzoek blijkt dat windturbines een verwaarloos effect hebben op fijnstofconcentraties. Daarom wordt dit thema niet in het planMER behandeld. Bron: Erbrink Stacks consult, Impact windmolens op verspreiding van luchtverontreiniging, april 2016. Antea, MER Windmolenpark Elzenburg - de Geer, Bijlage 9 Verspreiding geur en stoffen, september 2017). Het effect van windturbines op de omgeving wordt in een landschappelijke beoordeling onderzocht (zie paragraaf 3.9.2 van de NRD). Daarin is ook aandacht voor de ligging van windturbines ten opzichte van wandel-,/sport- en hondenuitlaatgebieden. Daarbij dient wel opgemerkt te worden dat windturbines de gebruiksfunctie van dergelijke gebieden niet beïnvloedt.

1

De mate waarin recreatiegebieden in oppervlak aangetast worden is een beoordelingscriterium in het planMER (zie paragraaf 3.10)

1

Zie S17.

4 8 48

S19 S20 S21 S22 S23 S24 S25 S26 S27

Signaal/wens uit de stad Zorgen over afname toegankelijkheid recreatiegebieden. Zorgen over externe veiligheid (bij bv. sport en/of recreatiegebieden). Vragen over minimale afstand voor windturbines in nabijheid van volkstuinen. Zorgen over effecten windturbines op volkstuinen (met name overlast en groene beleving). Zorgen over impact op nachtrust (bv. overnachten in volkstuinen). Niet alle betrokkenen vanuit volkstuinen voelen zich gezien als stakeholder en/of direct belanghebbende in het RES-traject. Zorgen over verlies van natuur(gebieden en biodiversiteit) door windmolens. Zorgen over beschadiging/aantasting natuur(gebieden en biodiversiteit) door windmolens. Behoefte om nodige bescherming van natuurgebieden te bieden.

Reactie 1

Zie S17.

4

Windturbines moeten voldoen aan bepaalde veiligheidseisen, waardoor er geen risico ontstaat voor sport en recreatie. Als dit betekent dat bepaalde (recreatie)gebieden in oppervlak achteruitgaan valt dit onder het beoordelingscriterium zoals beschreven in S17.

1

De ligging van windturbines t.o.v. volkstuinen wordt meegenomen in het MER (zie paragraaf 3.3.4, 3.4.2 en 3.10 van de NRD).

1

De (geluid- en slagschaduw)effecten op o.a. volkstuinen worden inzichtelijk gemaakt (paragraaf 3.3.4 en 3.4.2). De impact op de 'groene beleving' is te subjectief om een plaats te kunnen krijgen in een planMER, maar zie S16.

1

Zie S22.

1

Zie S22.

1

De impact op beschermde natuurgebieden en soorten wordt in het MER onderzocht (zie paragraaf 3.6 van de NRD).

1

Zie S25.

1

Zie S25.

S28

Zorgen over overlap zoekgebieden windmolens en (eerdere) compensatiegebieden natuur.

1

S29

Zorgen over afname toegankelijkheid natuurgebieden.

4

S30

Breng kansen in beeld voor biodiversiteit.

S31 S32 S33 S34 S35 S36 S37 S38 S39

Zorgen over impact van windturbines op vogelpopulatie (vliegroutes, foerageergebieden, rustgebieden, broedgebieden etc). Zorgen over aanvaringen vogels met windturbines. Zorgen over effecten van laagfrequent geluid op vogels. Vragen of betrekken van ecologen/stichtingen (bijv. Vogelbescherming) voldoende gebeurt. Zorgen over impact van windturbines op vleermuizen. Vragen over hoe veiligheid vleermuizen gewaarborgd kan worden als windturbines worden geplaatst? Zorgen over veiligheidsrisico windmolens. Vragen over veilige afstand tussen windturbine en activiteiten. Vragen over combinatie windmolens met ander ruimtegebruik.

Toelichting

1 en 2

1 1

Gebieden die in het kader van compensatie als natuur zijn aangerekend vallen onder het beschermingsregime van de Ecologische structuur of Hoofdgroenstructuur (na vaststelling van het geactualiseerde beleidskader Hoofdgroenstructuur zal de Ecologische structuur ook vallen onder de Hoofdgroenstructuur). In het kader van het MER wordt de ligging t.o.v. de Hoofdgroenstructuur meegenomen(zie paragraaf 3.10 van de NRD). Dit geldt echter niet voor alle compensatiegebieden, zoals de twee aangelegde mosselbanken in het IJmeer. Onder het thema natuur worden ecologische effecten beoordeeld. Toegankelijkheid van deze gebieden valt daar niet onder. Het aspect biodiversiteit past niet bij het detailniveau van een planMER, omdat dit afhankelijk is van de specifieke locaties van windturbines. Randvoorwaarden ter bescherming van biodiversiteit worden wel in het planMER meegenomen. Het in beeld brengen van kansen voor biodiversiteit zal wel onderdeel zijn van een projectMER. Hiervoor is namelijk meer gebiedspecifieke informatie benodigd, zoals bijvoorbeeld groeiplaatsen van beschermde florasoorten en/of verblijfplaatsen van grondgebonden zoogdieren. Deze gedetailleerde informatie kan verkregen worden door het uitvoeren van ecologisch veldwerk. De impact op beschermde soorten (met name kwetsbare vogel- en vleermuissoorten) wordt in het MER onderzocht (zie paragraaf 3.6 van de NRD).

1

Zie S31. Er zijn geen onderzoeken bekend waaruit schadelijke effecten van laagfrequent geluid van windturbines op vogels blijken. Er is geen aanleiding om dergelijke effecten aan te nemen. De gemeente betrekt de stadsecologen bij het opstellen van het planMER. Het advies van de Expertgroep Natuur, waarbinnen o.a. SOVON vertegenwoordigd is, is daarbij ook meegewogen en beoordeeld door stadsecologen. Zie S31. Voor concrete projecten geldt dat borging van bescherming gebeurt via de ontheffing Wnb. Aan deze ontheffing kunnen voorwaarden gesteld worden, bijvoorbeeld op het gebied van mitigerende maatregelen. In het planMER worden aanbevelingen voor generieke mitigerende maatregelen meegegeven die nader dienen te worden uitgewerkt op een specifieker detailniveau (projectMER). Zie paragraaf 3.5 van de NRD.

1

Zie paragraaf 3.5 van de NRD.

3

De mogelijkheid tot dubbel ruimtegebruik is geen milieueffect, en geldt daarom niet als beoordelingscriterium in het planMER. Bij de keuze voor bepaalde locaties in het PWA kan de mogelijkheid 4tot dubbel ruimtegebruik echter wel een rol spelen.

4 5 1 1 en 2

9

49

S40

S41

S42 S43 S44 S45

Signaal/wens uit de stad Zorg dat nieuwbouwplannen woningen niet meer gerealiseerd kunnen worden door plannen voor windturbines. Zorgen over impact windturbines op waardebepaling (nieuwbouw) woning. Breng waardebepaling zo goed mogelijk in beeld en wat gemeente én huiseigenaar hieraan kan doen. Zorg dat 350 meter tot woningen voor bepaling zoekgebieden te weinig is. Zorgen over verrommeling van het landschap. Zorgen over verstoring oude historische karakteristieken landschap. Zorgen over mogelijke aantasting UNESCO Werelderfgoed.

Reactie 3

Toelichting Het MER houdt rekening met vastgestelde ruimtelijke plannen en biedt inzicht in de verenigbaarheid van windplannen met andere niet-vastgestelde plannen. Indien een locatie voor wind of voor woningbouw geschikt is zal het aan de politiek zijn om hierin een keuze te maken.

3

Waardedaling is geen milieueffect en wordt daarom niet direct in het planMER betrokken. Indirect wel, omdat geluid- en slagschaduwbelasting de belangrijkste oorzaken zijn van waardedaling. Mogelijk wordt ter onderbouwing van de te maken keuzes in het PWA onderzoek gedaan naar de economische effecten van de beleidskeuzes.

1

Zie S8.

1

Het planMER bevat een uitgebreide beoordeling van de landschappelijke effecten. Zie ook paragraaf 3.9 van de NRD.

1

Cultuurhistorische waarden worden betrokken in de landschappelijke effectbeoordeling. Zie paragraaf 3.9 van de NRD

1

UNESCO-werelderfgoed wordt betrokken bij de landschappelijke effectbeoordeling. Zie paragraaf 3.9 van de NRD

S46

Wensen op open polderlandschap te behouden.

1

Kernkwaliteiten van de verschillende landschapstypen in en rondom Amsterdam worden betrokken in de landschappelijke effectbeoordeling. Zie paragraaf 3.9 van de NRD

S47

Wensen om windturbines te clusteren in plaats van 1 molen, zodat verrommeling van het landschap én overlast én effecten op natuur beperkt blijft.

3

Ruimtelijke keuzes voor de plaatsing van windturbines vinden plaats in het PWA. Het MER dient ter onderbouwing van die keuze.

Tabel 16 Input m.b.t. het hoofdthema ‘Maatschappelijke betrokkenheid en democratische legitimatie’ Signaal/wens uit de stad Reactie Toelichting Verzoek om totale samenleving te betrekken (alle lagen in de wijk, van jong tot oud) én Het wettelijk- en bovenwettelijk participatieproces richt zich op het betrekken van alle AmsterS48 5 participatie voor iedereen ook toegankelijk/inclusief te maken. dammers. Probeer participatieprocessen inclusief/aantrekkelijk te maken, ook voor degene die nu Het wettelijk- en bovenwettelijk participatieproces richt zich op het betrekken van alle AmsterS49 5 beperkte interesse hebben in het onderwerp of andere prioriteiten hebben. dammers. Bewoners trekken degelijkheid onderzoek RIVM windturbinegeluid en gezondheid in twijDe opstellers van het MER en de gemeente Amsterdam zien geen reden om aan de betrouwbaarS50 4 fel. heid van de RIVM-rapporten te twijfelen. Bewoners maken zich zorgen over vergelijkbaarheid van onderzoeken omdat veel onderHet MER baseert zich ofwel op wetenschappelijke literatuur en vigerend beleid ofwel op reproS51 5 zoeken zich niet specifiek richten op Nederland en gestelde normen. duceerbare onderzoeken. Bewoners stellen dat doelstelling 35 TWh op land al gehaald is.

Nut en noodzaak windturNut en noodzaak van windenergie in de gemeente Amsterdam valt buiten de reikwijdte van het S52 3 bines in Amsterdam wordt in twijfel getrokken. planMER maar zal in het PWA opnieuw worden toegelicht. S53 Verschillende waarden: n.v.t. n.v.t. Vragen over het proces initiatieven: "Hoor ik wel op tijd wanneer jullie voornemens zijn in Procesparticipatie is een onderdeel van het PWA. Krijgt ook een plek in het participatieproces ihkv S54 3 mijn buurt en windturbine te plaatsen"? het programma. Zorgen dat het proces zo is ingericht dat bewoners geen echte inspraak hebben, maar S55 3 en 5 Zie S54 voor voldongen feiten komen te staan. Zorgen over tot stand komen van besluitvorming en hoe inspraak besluitvorming beïnS56 3 en 5 Zie S54 vloedt. Zorgen dat proces nogal snel + gehaast is, met risico dat windturbines geplaatst worden Procesparticipatie is een onderdeel van het PWA. Krijgt ook een plek in het participatieproces en S57 3 en 5 op locaties waar niet goed over is nagedacht. communicatie ihkv het programma. Vragen over waarom een zoekgebied wel of niet geschikt is, en wat daarvoor doorslaggeHet MER brengt de milieueffecten binnen de zoekgebieden in beeld. In hoeverre een zoekgebied S58 1 vend is? 'geschikt' is is deels een politieke afweging die in het PWA wordt gemaakt. Het planMER is een instrument ter onderbouwing van het PWA.

Volgens de planning zijn MER en S59 Vragen over hoelang het proces duurt van plaatsen van windturbines (van start tot einde). 4 PWA voorjaar 2024 gereed. Het daaropvolgende vergunningenproces duurt doorgaans zo'n 1,5 5 jaar, gevolgd door een beroepsfase (1 jaar) en een ontwikkel- en bouwfase (2-3 jaar).

0 50

S60

Signaal/wens uit de stad Vragen over de mogelijkheden om financieel mee te doen, lokaal eigendom etc.

Reactie 3

S61

Zorgen over het meeprofiteren van 'anderen', vooral grote partijen zoals datacenters.

3 en 5

S62

Zorgen over de verdeling lusten en lasten. Vragen over mogelijkheid om als directe omwonende van windturbine méér gecompenseerd te worden. Zorg dat samenstelling buurt verandert door komst windturbines. Zorg dat ongelijkheid in stad toeneemt en in specifieke buurt neerwaartse spiraal ontstaat. Vragen over hoe Amsterdamse zoekgebieden zich verhouden tot ambities en wensen van buurgemeenten en bewoners van buurgemeenten. Zorgen vanuit buurgemeenten over relatie/negatieve effecten op toekomstige gebiedsontwikkeling op de grens van zoekgebieden.

3 en 5

Toelichting Kaders voor financiële participatie vormen een onderdeel van het PWA. Kaders voor financiële participatie vormen een onderdeel van het PWA. Krijgt tevens een plek in het participatieproces en communicatie ihkv het programma. Zie S61.

5

Zie S61.

3

Demografische effecten vallen buiten de reikwijdte van het planMER.

3

Zie S64.

S63 S64 S65 S66 S67

Tabel 17 Input m.b.t. het hoofdthema ‘samenhangend en betaalbaar energiesysteem’ Signaal/wens uit de stad Signaal dat er veel meer aandacht moet zijn voor zon op daken. Amsterdammers zien S68 veel opwekpotentie op ongebruikte daken. S69

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13065026/1