bijlage 2 Nader verkennend onderzoek ultrafijnstof rond Schiphol.pdf
Tekst van het document
Voorwaarde is dat de blootstellingscontouren representatief moeten zijn voor een langere periode. Daar is een aanvullend ultrafijnstofmeetprogramma voor nodig. De hiermee verkregen meetgegevens kunnen tevens worden benut om het nu gebruikte model te valideren en zo nodig te verbeteren.
Pagina 55 van 71
RIVM Rapport 2015-0110
De doorlooptijd die verbonden is aan deze onderzoeken wordt op tenminste twee jaar per onderwerp geschat. Wij achten het zinvol om een vervolgonderzoek in samenspraak met (inter)nationale collega’s te formuleren om zoveel mogelijk gebruik te maken van kennis die nu in ontwikkeling is. In een (inter)nationale workshop (met Los Angeles, betrokken GGD’en, en Nederlandse en internationale universiteiten en kennisinstellingen) wordt samenwerking en afstemming gezocht om zo efficiënt en effectief mogelijk tot een gedragen voorstel te komen. 4.7
Referenties Bakand, S., A. Hayes F. Dechsakulthorn, Nanoparticles: a review of particle toxicology following inhalation exposure. Inhal Toxicol. 2012;24(2):125-35. Cahill, T.A., D.E. Barnes, N.J. Spada, J.A. Lawton, T.M. Cahill. 2011. Very fine and ultrafine metals and ischemic heart disease in the California Central Valley 1: 2003–2007. Aerosol Sci Technol 45:1123–1134. U.S. EPA. Integrated Science Assessment for Particulate Matter (Final Report). U.S. Environmental Protection Agency, Washington, DC, EPA/600/R-08/139F, 2009. Frampton, M.W., M.J. Utell, W. Zareba, G. Oberdörster, C. Cox, L.S. Huang.et al. Effects of exposure to ultrafine carbon particles in healthy subjects and subjects with asthma. Res Rep Health Eff Inst. 2004 Dec;(126):1-47. Frampton, M.W. Systemic and cardiovascular effects of airway injury and inflammation: ultrafine particle exposure in humans. Environ Health Perspect. 2001 Aug;109 Suppl 4:529-32 Gezondheidsraad. Grote luchthavens en gezondheid. Den Haag: Gezondheidsraad. 1999. Rapport 1999/14. Houthuijs, D.J.M. en C.M.A.G. van Wiechen. Monitoring van gezondheid en beleving rondom de luchthaven Schiphol. Bilthoven: RIVM. 2006. Rapport 630100003. Harder, V., P. Gilmour, B. Lentner, . Karg, S. Takenaka, A. Ziesenis et al. Cardiovascular responses in unrestrained WKY rats to inhaled ultrafine carbon particles. Inhal Toxicol. 2005 Jan;17(1):29-42.
HEI Review Panel on Ultrafine Particles. 2013. Understanding the Health Effects of Ambient Ultrafine Particles. HEI Perspectives 3. Health Effects Institute, Boston, MA. Keuken, M., M. Moerman, P. Zandveld, B. Henzing, B. Brunekreef, G. Hoek. Ultrafijnstof rondom Schiphol. Tijdschrift Lucht 2014, nr. 6. Kim, J.L., L. Elfman, G. Wieslander, M. Ferm, K. Toren, D. Norback. 2011. Respiratory health among Korean pupils in relation to home, school and outdoor environment. J Korean Med Sci 26:166–173. Knol, A.B., J.J. de Hartog, H. Boogaard, P. Slottje, J.P. van der Sluijs, E. Lebret et al. 2009. Expert elicitation on ultrafine particles: Likelihood of health effects and causal pathways. Particle and fibre toxicology 6:19. Langrish, J.P., N.L. Mills, J.K. Chan, D.L. Leseman, R.J Aitken, P.H. Fokkens et al. Beneficial cardiovascular effects of reducing exposure to particulate air pollution with a simple facemask.Part Fibre Toxicol. 2009 Mar 13;6:8. doi: 10.1186/1743-8977-6-8. Pagina 56 van 71
RIVM Rapport 2015-0110
Lucking, A.J., M. Lundbäck, S.L. Barath, N.L. Mills, M.K. Sidhu, J.P. Langrish et al. Particle traps prevent adverse vascular and prothrombotic effects of diesel engine exhaust inhalation in men. Circulation. 2011 Apr 26;123(16):1721-8. Lwebuga-Mukasa, J.S., T.J. Oyana, C. Johnson C. 2005. Local ecological factors, ultrafine particulate concentrations, and asthma prevalence rates in Buffalo, New York, neighborhoods. J Asthma 42:337–348. Milieudefensie: https://milieudefensie.nl/publicaties/factsheets/factsheetultrafijnstof-door-schiphol Mills, N.L., M.R. MillerR, A.J. Lucking, J. Beveridge, L. Flint, A.J. Boere et al. Combustion-derived nanoparticulate induces the adverse vascular effects of diesel exhaust inhalation. Eur Heart J. 2011 Nov;32(21):2660-71. Oberdörster, G., Z. Sharp, V. Atudorei et al., ‘Extrapulmonary translocation of ultrafine carbon particles following wholebody inhalation exposure of rats,’ Journal of Toxicology and Environmental Health A, vol. 65, no. 20, pp. 1531–1543, 2002. Peters, A., R. Hampel, J. Cyrys, S. Breitner, U. Geruschkat, U. Kraus et al. 2015. Elevated particle number concentrations induce immediate changes in heart rate variability: A panel study in individuals with impaired glucose metabolism or diabetes. Particle and fibre toxicology 12:7. Pieters, Nn, G. Koppen, M. van Poppel, S. de Prins, B. Cox, E. Dons et al. 2015.
Blood pressure and same-day exposure to air pollution at school: Associations with nano-sized to coarse pm in children. Environmental health perspectives. http://dx.doi.org/10.1289/ehp.1408121 Staatsen, B.A.M., E.A.M. Franssen, G. Doornbos, F. Abbink, A.A. van der Veen, S.H. Heisterkamp et al. Gezondheidskundige Evaluatie Schiphol. Bilthoven: RIVM. 1993. Rapport 441520001. Sun, Y., X. Song, Y. Han, Y. Ji, S. Gao, Y. ShangY et al. Size-fractioned ultrafine particles and black carbon associated with autonomic dysfunction in subjects with diabetes or impaired glucose tolerance in Shanghai, China. Part Fibre Toxicol. 2015 Mar 25;12(1):8. Tunnicliffe, W.S., S.P. O'Hickey, T.J. Fletcher, J.F. Miles, P.S. Burge, J.G. Ayres. Pulmonary function and respiratory symptoms in a population of airport workers. Occup Environ Med1999;56:118123. Upadhyay, S., T. Stoeger, V. Harder, R.F. Thomas, M.C. Schladweiler, M. Semmler-Behnke et al. Exposure to ultrafine carbon particles at levels below detectable pulmonary inflammation affects cardiovascular performance in spontaneously hypertensive rats. Part Fibre Toxicol. 2008 Dec 4;5:19. Vliet, P.H.N. van, F.J.H. Aarts, N.A.H. Janssen, B. Brunekreef, P.H. Fischer, C.M.A.G. van Wiechen. Luchtwegaandoeningen bij kinderen in de omgeving van de luchthaven Schiphol. Bilthoven: RIVM. 1999. Rapport 441520014. Vora, R., W. Zareba, M.J. Utell, A.P.
Pietropaoli, D. Chalupa, E.L. Little et al. Inhalation of ultrafine carbon particles alters heart rate and heart rate variability in people with type 2 diabetes.Part Fibre Toxicol. 2014 Jul 16;11:31. Pagina 57 van 71
RIVM Rapport 2015-0110
Weichenthal, S., M. Hatzopoulou, M.S. Goldberg. Exposure to trafficrelated air pollution during physical activity and acute changes in blood pressure, autonomic and micro-vascular function in women: a cross-over study.Part Fibre Toxicol. 2014 Dec 9;11(1):70. WHO. Review of evidence on health aspects of air pollution – REVIHAAP project: final technical report. World Health Organization Regional Office for Europe, Copenhagen; 2013
Pagina 58 van 71
RIVM Rapport 2015-0110
5
Conclusies en aanbevelingen
In dit hoofdstuk zijn de belangrijkste conclusies en aanbevelingen uit het onderzoek samengevat. Luchtverontreiniging rond luchthavens, emissies en concentraties (hoofdstuk 2): Luchtvaart vormt lokaal een belangrijke bron van ultrafijnstofemissies (opstijgen, dalen). Vliegtuigemissies zijn op het totaal aan ultrafijnstofemissies in Nederland laag in vergelijking met de uitstoot van wegverkeer, huishoudens en scheepvaart. De ultrafijnstofconcentratie die gemeten is in Nederlandse steden (achtergrond en op verkeerspunten) wijkt niet af van de concentratie in andere Europese steden Uit verschillende internationale studies blijkt dat de invloed van vliegtuigemissies duidelijk waarneembaar is op afstanden tot circa één km; de bijdrage van vliegverkeer aan ultrafijnstof op grotere afstanden is onzeker. Metingen en berekeningen van ultrafijnstof rond Schiphol (hoofdstuk 3): De metingen op verschillende locaties rond Schiphol laten verhoogde concentraties zien van ultrafijnstof. De hoogste concentraties zijn te zien naast de start- en landingsbanen. Gemeten piekwaarden (gemiddeld over 10 seconden) bedragen 200.000 tot 300.000 deeltjes per cm3. Bij toenemende afstand neemt de deeltjesconcentratie sterk af. In het gebied dat grofweg wordt afgebakend door de A9, N232, N201 en N205 komen jaargemiddelde-concentraties ultrafijnstof voor van ca 15.000 deeltjes per cm3.
De meetresultaten laten eveneens zien dat waar sprake is van een verhoogde bijdrage, de toename vooral wordt veroorzaakt door deeltjes met een grootte van 10-20 nanometer. Uit de generalisatie van de metingen met behulp van berekeningen kan worden afgeleid dat een bijdrage aan de concentraties ultrafijnstof door luchtvaart van circa 3.000 deeltjes per cm3 tot op een afstand van vijftien kilometer van Schiphol mogelijk is. Bij woonlocaties die het dichtst bij Schiphol zijn gelegen kan de jaargemiddelde-bijdrage oplopen tot circa 15.000 per cm3. Ultrafijnstof en mogelijke implicaties voor gezondheid (hoofdstuk 4): Er zijn geen studies gepubliceerd over de gezondheidseffecten van blootstelling aan ultrafijnstof in relatie tot het wonen rondom een luchthaven. Er zijn ook geen studies gepubliceerd over gezondheidseffecten van langetermijnblootstelling aan ultrafijnstof afkomstig van andere bronnen dan vliegverkeer. Er is wel literatuur gepubliceerd over veranderingen in de mate van gezondheid na een kortdurende, hoge blootstelling aan ultrafijnstof. Deze literatuur is niet consistent met betrekking tot Pagina 59 van 71
RIVM Rapport 2015-0110
de duiding van de oorzakelijkheid van ultrafijnstof voor het optreden van gezondheidseffecten. Op basis van de literatuur kunnen acute veranderingen in de mate van gezondheid bij de in de buitenlucht voorkomende uurniveaus rondom Schiphol niet worden uitgesloten. De bijdrage aan de ultrafijnstofniveaus door Schiphol kan, afhankelijk van de afstand ten opzichte van Schiphol, oplopen tot enkele tientallen procenten. Bij gebrek aan studies over de gezondheidseffecten door ultrafijnstof bij zowel omwonenden van vliegvelden als andere blootstellingssituaties, is het niet mogelijk om aan te geven of, en zo ja in welke mate, een langetermijnblootstelling aan deze bijdrage van ultrafijnstofnadelige effecten zal hebben op de gezondheid van omwonenden. De mate waarin effecten op de gezondheid van omwonenden eventueel optreden kan alleen via nader onderzoek worden vastgesteld: Het is niet zinvol om met onderzoek dat in het kader van de Gezondheidskundige Evaluatie Schiphol (GES) is uitgevoerd een nieuwe statistische analyse uit te voeren met de nu verkregen blootstellingsgegevens voor ultrafijnstof. Het is namelijk aannemelijk dat de huidige blootstelling teveel afwijkt van die ten tijde van het GES-monitoringsprogramma (bijvoorbeeld door ingebruikname van de Polderbaan).
Aanbevelingen voor mogelijk nader onderzoek: Het wordt aanbevolen nader onderzoek uit te laten voeren die gericht is op de mogelijke acute en langetermijngezondheidseffecten van ultrafijnstof die afkomstig is van luchthavens. Het effect van kortetermijnblootstelling kan worden onderzocht door bijvoorbeeld gezondheidsparameters enkele malen herhaald bij een beperkte groep mensen die aan relatief hoge niveaus kunnen worden blootgesteld (bijvoorbeeld dicht bij een in gebruikzijnde baan) te meten. Het effect van langetermijnblootstelling kan worden onderzocht door bijvoorbeeld sterftestatistieken of medicatiegebruik (als maat voor specifieke aandoeningen) in de regio-Schiphol te koppelen aan de berekende ultrafijnstofbijdrage op adresniveau.
Pagina 60 van 71
RIVM Rapport 2015-0110
6
Dankwoord
Voor het uitvoeren van de metingen is naast apparatuur van de direct betrokken onderzoeksinstituten ook gebruik gemaakt van meetapparatuur van VITO (België) en van IUTA (Duitsland). Hierdoor was het mogelijk om op een groter aantal locaties metingen te doen. De meetlocaties Amstelveen, Hoofddorp, Vijfhuizen en Badhoevedorp bevonden zich in tuinen en op balkons bij bevriende relaties. De meetlocaties Polderbaan Zuid (NH1) en Oude Meer (NH2) zijn beschikbaar gesteld door de provincie Noord-Holland met medewerking van de GGD Amsterdam. Ook Kwekerij Pruissen VOF, de Firma Gomes en Connexxion Taxi Services B.V. hebben hun terrein voor de metingen beschikbaar gesteld. We bedanken graag al deze partijen hartelijk voor de geboden mogelijkheden en medewerking.
Pagina 61 van 71
RIVM Rapport 2015-0110
Bijlagen
Bijlage A. Metingen aan ultrafijn stof rondom Schiphol, Juli 2015, rapport ECN-E—15-038 Voor deze bijlage wordt verwezen naar de apart bijgeleverde pdf-file. Bijlage B. Ultrafijn stof rondom Schiphol – mei 2015, rapport TNO 2015 R10822 Voor deze bijlage wordt verwezen naar de apart bijgeleverde pdf-file. Bijlage C. Modelberekeningen aan ultra fine particles rond Schiphol, rapport ESC 2015R001 Voor deze bijlage wordt verwezen naar de apart bijgeleverde pdf-file.
Pagina 62 van 71
RIVM Rapport 2015-0110
Bijlage D. Samenvatting GES en Luchtonderzoek, rapport RIVM, D. Houthuijs, P. Fischer
1 Inleiding De Gezondheidskundige Evaluatie Schiphol (GES) startte begin jaren ’90 in het kader van de integrale Milieu Effect Rapportage Schiphol in opdracht van de Ministeries van VenW, VROM en VWS. Destijds werd gesignaleerd dat luchtwegaandoeningen een onderwerp van zorg onder de bevolking vormden (Staatsen et al., 1993). Anderzijds waren er toen geen redenen om te veronderstellen dat het vliegverkeer effecten op de luchtwegen zou kunnen veroorzaken. Deze conclusie was gebaseerd op de uitkomsten van literatuuronderzoek en op basis van informatie over de bijdrage van de luchtvaart aan de luchtverontreiniging in de directe omgeving van de luchthaven. Kanttekening daarbij is dat toen over PM10, PM2,5 geen informatie beschikbaar was. Naar aanleiding van publiciteit over mogelijk nadelige effecten van vliegverkeer op de luchtwegen, en daaropvolgende Kamervragen is in 1997 in opdracht van de Minister van VWS een aanvullend gezondheidskundig onderzoek onder basisschoolkinderen uitgevoerd (Van Vliet et al., 1999). Vanwege terugkerende bezorgdheid over de mogelijke gezondheidseffecten door luchtverontreiniging is er ook voor gekozen luchtwegaandoeningen als indicator in het monitoringprogramma van GES op te nemen.
Met het monitoringsprogramma GES werd de ontwikkeling in kaart gebracht van de milieubelasting en indicatoren van gezondheid en beleving van omwonenden in de regio Schiphol in de periode 1995-2005 (Houthuijs en van Wiechen, 2006). Hieronder gaan we in op de belangrijkste bevindingen uit het onderzoek naar luchtwegaandoeningen rond Schiphol. Aan de blootstelling aan ultrafine deeltjes is in de GES nooit aandacht geschonken, omdat mogelijke gezondheidsrisico’s van ultrafine deeltjes in relatie tot vliegverkeer ten tijde van dit programma nog onbekend waren. Destijds zijn daarom andere blootstellingsindicatoren gebruikt.
2 Onderzoek onder basisschoolkinderen in 1997 en 1998 Het onderzoek onder basisschoolkinderen (Van Vliet et al., 1999) kende drie doelen: 1) zijn er tussen woonkernen binnen de regio Schiphol verschillen in luchtwegklachten of aandoeningen onder schoolkinderen, 2) is er in woonkernen dichtbij Schiphol een hogere blootstelling aan binnen- en buitenluchtverontreiniging door vlieg- respectievelijk wegverkeer dan in verder afgelegen woonkernen, en 3) is er sprake is van een verhoogd risico op effecten op luchtwegaandoeningen door blootstelling aan verhoogde (binnen)luchtverontreiniging door de luchtvaart of het wegverkeer? Aanleiding voor het onderzoek waren de resultaten van een onderzoek door de GGD Amstelland-de Meerlanden (1995) naar de frequentie van huisartsconsultaties voor luchtwegaandoeningen waaruit aanwijzingen naar voren kwamen dat in sommige woonkernen nabij Schiphol huisartsen vaker kinderen met luchtwegaandoeningen registreerden dan in woonkernen verder weg. Daarnaast bleek uit een onderzoek onder apothekers dat er sprake was van een verhoogde uitgifte van luchtwegmedicatie in de nabijheid van Schiphol (van Willigenburg, Pagina 63 van 71
RIVM Rapport 2015-0110
1996). In beide gevallen betrof het onderzoek op basis van groepsgegevens waarbij niet of in beperkte mate kon worden gecorrigeerd voor mogelijk verstorende variabelen (bijv. leeftijd, rookgewoonten, etc.). Het onderzoek onder basisschoolkinderen werd uitgevoerd bij ca. 2.500 kinderen woonachtig op 30 basisscholen in de omgeving van Schiphol (Aalsmeer, Amstelveen, Amsterdam, Badhoevedorp, Hoofddorp, NieuwVennep en Zwanenburg). Het gezondheidsonderzoek omvatte een vragenlijst over luchtwegsymptomen en allergie; een longfunctietest, een bloedtest en een huidpriktest. De blootstelling aan luchtverontreiniging werd in beeld gebracht aan de hand van metingen (PM2,5, roet, vluchtige organische verbindingen, NO2 en in beperkte mate naar PM10 en Polycyclische Aromatische Koolwaterstoffen), modellen (PM10, NO2, benzeen en Benzo(a)Pyreen) en informatie uit GIS (afstand tot centrum en tot hek van Schiphol, afstand tot (snel)weg). Het onderzoek liet ziet dat in de regio Schiphol ongeveer evenveel luchtwegsymptomen worden gerapporteerd als onder kinderen wonend nabij drukke snelwegen, en iets vaker symptomen worden gerapporteerd dan bij kinderen die noch in de Schiphol regio, noch bij drukke snelwegen wonen. Er bestonden tussen de woonkernen verschillen in prevalentie van luchtwegsymptomen, verlaagde longfunctie en de hoeveelheid antilichamen (IgE) in het bloed.
De prevalenties zijn echter niet groter in woonkernen die dicht bij Schiphol liggen, in vergelijking met woonkernen die verder weg liggen. De niveaus van de componenten NO2, roet en benzeen namen af met toenemende afstand tot de Schiphol; voor PM2.5 en hogere alkanen was dit niet het geval. Dit verband werd gevonden na correctie voor adressendichtheid. De componenten, waarvoor de relatie met afstand werd gevonden, hingen meer samen met de bron wegverkeer dan met de bron vliegverkeer. Er was in zijn algemeen geen verband tussen de verschillende blootstellingsmaten (gemeten en gemodelleerde luchtverontreiniging in en nabij de scholen, het woonadres van het kind, of de afstand van de school of het woonadres tot Schiphol) en gemeten gezondheidsindicatoren. Het enige luchtwegsymptoom dat een statistisch significant verband met de (in dit geval gemodelleerde) luchtverontreiniging liet zien was droge hoest. Voor de prevalentie van de overige symptomen, een verlaagde longfunctie of een verhoogde concentratie antilichamen tegen allergenen in het bloed werd geen verband gevonden. Gezien het grote aantal uitgevoerde berekeningen, werd in het onderzoek aan de bevinding voor droge hoest geen grote betekenis toegekend.
De conclusie was dat met het onderzoek geen relatie aangetoond is tussen luchtverontreiniging nabij Schiphol en de onderzochte gezondheidsvariabelen bij de deelnemende kinderen (Van Vliet et al., 1999). 3 Gezondheidsmonitoring 1996-2005 3.1 Inleiding In 2006 is gerapporteerd over de resultaten van het monitoringprogramma van de Gezondheidskundige Evaluatie Schiphol (GES) en is een overzicht gegeven van de bevindingen uit eerdere gezondheidsonderzoeken rond Schiphol (Houthuijs en van Wiechen, Pagina 64 van 71
RIVM Rapport 2015-0110
2006). Doel van deze milieu- en gezondheidsmonitoring was het vaststellen van eventuele veranderingen in de milieukwaliteit en de (lange termijn) effecten daarvan op de gezondheid en de beleving. We gaan hieronder kort in op de bevindingen uit deze rapportage over de bijdrage van vliegverkeer aan de lokale luchtverontreiniging en op de resultaten van onderzoek naar luchtwegaandoeningen (luchtwegsymptomen, medicatiegebruik en ziekenhuisopnamen). 3.2 De bijdrage van vliegverkeer aan de luchtverontreiniging Thijsse en van Loon (2001) concludeerden op basis van meetgegevens van NO2, fijnstof en CO uit 1998 en 1999 dat de bijdrage van het vliegverkeer aan de NO2 concentraties op leefniveau procentueel het grootst is. De grootste procentuele bijdragen voor NO2 zijn gevonden in Oude Meer (5,7% van de gemiddelde concentratie, destijds circa 40 µg/m3), in Badhoevedorp 3,8 % en in Hoofddorp 1,4%. In absolute zin is de grootste bijdrage circa 2,5 µg/m3 (Oude Meer). Ook voor fijnstof en CO is de bijdrage in Oude Meer het grootst (2% van de gemiddelde concentratie). Verschillende modelberekeningen bevestigen de (grootteorde van de) bijdrage van vliegverkeer aan de lokale luchtverontreiniging (Den Boeft, 1999; ADECS Airinfra, 2005; Dassen et al., 2006).
Een voorbeeld van een gemodelleerde ruimtelijk patroon van de bijdrage van vliegverkeer aan de luchtverontreinigingsconcentraties op leefniveau is weergegeven in Figuur 1. Het betreft de NO2 concentratie in 2002 (4banenstelsel) en in 2004 (5-banenstelsel).
1,0 microgram/m3 -2004-
0,5 microgram/m3 -2004-
1,0 microgram/m3 -2002-
0,5 microgram/m3 -2002-
Figuur 1. Iso-concentratiecontouren van de gemodelleerde bijdrage van vliegverkeer aan de jaargemiddelde NO2-concentratie (μg/m3) in 2002 en in 2004 (bron: ADECS Airinfra, 2005)
De opening van de Polderbaan vond plaats in het voorjaar van 2003; verschillen tussen 2002 en 2003 in Figuur 1 zijn mede het gevolg van een veranderd vliegpatroon door de overgang naar het 5-banenstelsel. Uit het figuur blijkt dat de bijdrage van het vliegverkeer aan de NO2concentratie afneemt met toenemende afstand tot de luchthaven. Ten opzichte van 2002 is de gemodelleerde bijdrage in 2004 in Pagina 65 van 71
RIVM Rapport 2015-0110
zuidwestelijke richting iets afgenomen en in noord-noordwestelijke richting toegenomen. Een vergelijkbaar verspreidingspatroon is in het verleden ook voor andere luchtverontreinigingscomponenten en voor geur afkomstig van vliegverkeer geconstateerd. Hierboven is al beschreven dat in het onderzoek naar luchtwegaandoeningen bij basisschoolkinderen de concentraties roet, NO2 en benzeen daalden met toenemende afstand tot Schiphol (Van Vliet et al., 1999). In Figuur 2 is de bijdrage van het vliegverkeer (zowel de verbrandingsemissies als de op- en overslag van kerosine) in 2000/2001 (4-banenstelsel) aan de som van gemeten vluchtige koolwaterstoffen in de omgeving van Schiphol weergegeven (Thijsse en Van Loon, 2001). Ook voor de vluchtige koolwaterstoffen geldt dat de bijdrage van het vliegverkeer aan de concentratie in de leefomgeving afneemt bij toenemende afstand tot de luchthaven. 486000
Amsterdam 484000
482000
480000
Hoofddorp
Schiphol
478000
476000
Aalsmeer 474000
108000
110000
112000
114000
116000
118000
120000
Figuur 2. Iso-concentratiecontouren van de bijdrage van vliegverkeer (verbrandingsemissies en op- en overslag van kerosine) in 2000/2001 aan de som van 33 vluchtige koolwaterstoffen in µg/m3 (bron: Thijsse en Van Loon, 2001)
De emissie van vluchtige koolwaterstoffen is in de MER Schiphol 2003 gebruikt als indicator voor de geuremissie (Buro Blauw, 2001). In een Telefonisch Leefsituatie onderzoek in 2000 bleek dat de geurhinder duidelijk samenhangt met de afstand tot het centrum van Schiphol, de afstand tot de dichtstbijzijnde start- of landingsbaan en met de geurconcentratie (Van Arkel, 2001). Afstand en geurconcentratie zijn onderling aan elkaar gerelateerd. In een onderzoek naar de beleving van omwonenden rond Schiphol bleek in 2005 dat in de directe nabijheid van de luchthaven (tot 5 kilometer van het centrum van Schiphol) 20% van de omwonenden ernstig gehinderd was door geur door de luchthaven (RIGO en RIVM, 2005). Dit percentage daalde met de afstand. Op grotere afstand (vanaf Pagina 66 van 71
RIVM Rapport 2015-0110
ca. 10 km vanaf het centrum van de luchthaven) veroorzaakt de kerosine lucht geen ernstige hinder. Ernstige geurhinder door vliegtuigen bleek met de geluidbelasting (Lden) samen te hangen. Destijds (Houthuijs en van Wiechen, 2006) werd geconcludeerd dat de bijdrage van het vliegverkeer aan de lokale luchtverontreiniging beperkt is en voor de verschillende luchtverontreinigingscomponenten maximaal enkele procenten bedraagt. Vliegverkeer draagt relatief gezien het meeste bij aan de NO2-concentraties (gemiddeld 1,6%). De bijdrage van het wegverkeer aan de NO2-concentraties op leefniveau is aanmerkelijk groter (gemiddeld 21%). Voor de bijdrage van het vliegverkeer aan de lokale luchtverontreiniging geldt dat deze daalt met toenemende afstand tot Schiphol. 3.3 Onderzoek naar luchtwegaandoeningen in het kader van gezondheidsmonitoring 3.3.1 Inleiding Zoals in de inleiding aangegeven is primair vanwege de terugkerende bezorgdheid over luchtverontreiniging door vliegverkeer ervoor gekozen luchteraandoeningen als indicator in het monitoringprogramma op te nemen. In het monitoringsonderzoek is in 1996, 2002 en 2005 een vragenlijstonderzoek onder volwassenen in een straal van 25 kilometer rond de luchthaven uitgevoerd. Daarnaast is informatie over medicatiegebruik en over ziekenhuisopnamen door luchtwegaandoeningen verzameld in een modelleergebied voor vliegtuiggeluid (55 bij 71 km).
Afstand van het woonadres tot de luchthaven is in deze onderzoeken gebruikt als indicator voor de luchtverontreiniging afkomstig van de luchtvaart, bij gebrek aan kwantitatieve blootstellinggegevens over luchtverontreiniging van vliegverkeer in de betreffende onderzoeksgebieden. Destijds is om de zelfde reden ook niet gecorrigeerd voor luchtverontreinigingscomponenten van andere bronnen, zoals het wegverkeer. 3.3.2 Vragenlijstonderzoeken 1996, 2002 en 2005 Deze vragenlijstonderzoeken zijn zogenaamde dwarsdoorsnedeonderzoeken, waarbij gebruik is gemaakt van een schriftelijke vragenlijst. Hierin is gevraagd naar zowel kenmerken van gezondheid (waaronder luchtwegsymptomen, luchtwegaandoeningen en medicijngebruik voor astma) en als mogelijke determinanten van gezondheid, zoals leeftijd, geslacht, rookgedrag en dergelijke. De onderzoeken zijn een actualisering van de gezondheidstoestand zoals gerapporteerd door omwonenden in de regio Schiphol, in 1996 (n=11.812) en een jaar vóór (n=5.873) en twee jaar ná de in gebruik name van de Polderbaan in februari 2003 (n=6.091) . Voor verdere details over de methodiek van deze onderzoeken wordt verwezen naar TNO en RIVM (1998), Franssen et al. (2004), Breugelmans et al. (2004) en Rigo en RIVM (2005). Tussen 2002 en 2005 waren er weinig verschillen in de prevalenties van luchtwegaandoeningen in een straal van 25 km rond de luchthaven.
In de periode 1996 - 2002 was er in dit gebied nog sprake van een toename bij alle zelf-gerapporteerde luchtwegklachten en – aandoeningen. De prevalenties luchtwegaandoeningen in 2002 en 2005 hingen niet statistisch significant samen met de afstand tot Schiphol na correctie Pagina 67 van 71
RIVM Rapport 2015-0110
voor leeftijd, geslacht, etniciteit, sociaaleconomische status, rookgewoonte, vocht en/of schimmel en stedelijkheidsgraad. Uitzondering was het symptoom “kortademigheid bij inspanning” waarvan de prevalentie in het onderzoek van 2002 daalde met de afstand. In 2005 werd geen relatie met afstand gevonden. In 1996 rapporteerden binnen straal van 10 km rond de luchthaven relatief meer mensen één of meer luchtwegklachten, “chronisch hoesten, slijm opgeven en bronchitis” en allergie dan op grotere afstand van de luchthaven, na correctie voor mogelijk verstorende variabelen. Het gebruik van medicijnen tegen allergie en astma hing met de afstand van het woonadres tot Schiphol samen; op grotere afstand was de prevalentie lager. 3.3.3 Onderzoek met gegevens over ziekenhuisopnamen voor luchtwegaandoeningen Dit onderzoek uitgevoerd met registratiegegevens is een zogeheten ‘small area health’ onderzoek. Analyses gebeuren hierbij op gebiedsniveau in plaats van op individueel niveau zoals bij het vragenlijstonderzoek omdat informatie over het exacte adres in de registraties ontbreekt of uit privacy oogpunt niet beschikbaar is. Op postcodeniveau (4-positie postcodegebieden) werd in ruimte en tijd het risico op ziekte in kaart gebracht. Voor de methodiek wordt verwezen naar Heisterkamp et al. (2000).
Het aantal ziekenhuisopnamen voor een bepaalde luchtwegaandoening werd over de 10-jaarsperiode 1995-2004 in een gebied van 55 bij 71 km rond de luchthaven (ca. 3,2 miljoen inwoners) geanalyseerd, met gebruik van gegevens van de Landelijke Medische Registratie. Hierbij werden zes diagnosegroepen geanalyseerd geselecteerd overeenkomstig eerder GES-onderzoek (Staatsen et al., 1998) en luchtverontreinigingsonderzoek (Vonk en Schouten, 2002). n 2004 waren er in het gehele onderzoeksgebied 63 ziekenhuisopnamen per 10.000 inwoners voor alle luchtwegaandoeningen samen. In heel Nederland waren dit er 67. De ontwikkeling in de tijd van het aantal ziekenhuisopnamen voor luchtwegaandoeningen rond Schiphol kwam goed overeen met de landelijke trend: een daling van het aantal ziekenhuisopnamen voor COPD (Chronic Obstructive Pulmonary Disease), maar een stijging voor de infecties van onderste en bovenste luchtwegen vanaf 2000/2001. Er werd geen relatie gevonden tussen de afstand tot Schiphol en het risico op ziekenhuisopnamen voor de verschillende diagnosegroepen, na correctie voor leeftijd en geslacht (op individueel niveau) en sociaal economische status, land van herkomst, stedelijkheidsgraad, en geluid afkomstig van wegverkeer (als indicator voor de luchtverontreiniging afkomstig van wegverkeer) als kenmerken van postcodegebied.
Uitzondering was de diagnosegroep ‘acute infecties van bovenste luchtwegen’. Bij een verdubbeling van de afstand tot de luchthaven nam de kans op deze infecties met 6% af. Ruimtelijk bleek deze diagnosegroep niet duidelijk rondom Schiphol te zijn geclusterd. Nadere statistische analyses wezen uit dat deze samenhang niet binnen de eerste 25 kilometer rond de luchthaven optrad. Hierdoor werd het niet aannemelijk geacht dat deze bevinding een directe relatie met luchtverontreiniging door vliegverkeer had.
Pagina 68 van 71
RIVM Rapport 2015-0110
3.3.4 Onderzoek met gegevens over medicatiegebruik voor luchtwegaandoeningen Het medicijngebruik voor luchtwegaandoeningen werd in tijd en ruimte geanalyseerd over een periode van vijf jaar (2000-2004) in een gebied van 55 bij 71 km rond de luchthaven, met gebruik van gegevens van 299 apothekers over de uitgifte van door een arts voorgeschreven geneesmiddelen, zoals geregistreerd bij de SFK (Stichting Farmaceutische Kengetallen). Op basis van de ATC-code (Anatomisch Therapeutisch Chemisch Classificatie) van de verstrekte medicijnen werd het gebruik van medicatie voor luchtwegaandoeningen(ATC codes R03A, R03B en RO3D) in beeld gebracht. Van de gebruikers van medicijnen is niet het volledige adres maar wel de 4-positie postcode bekend, zodat de statistische analyses op geaggregeerd niveau zijn uitgevoerd, analoog aan de analyse voor ziekenhuisopnamen. De kans op het gebruik van de medicatie voor luchtwegaandoeningen bleek niet statistisch significant gerelateerd te zijn aan de afstand tot Schiphol, na correctie voor leeftijd, geslacht, sociaaleconomische status, land van herkomst, stedelijkheidsgraad, en geluid van wegverkeer.
3.4 Conclusie uit gezondheidsmonitoring Destijds (Houthuijs en van Wiechen, 2006) werd geconcludeerd dat de resultaten uit de gezondheidsmonitoringprogramma (vragenlijstonderzoeken in 2002 en 2005, het onderzoek met apotheekgegevens over 2000-2004 en de ziekenhuisopnamen uit de periode 1995-2004) geen aanwijzingen voor een relatie tussen luchtverontreiniging van vliegverkeer en luchtwegaandoeningen opleverden. De bijdrage van het vliegverkeer en activiteiten op Schiphol aan de lokale luchtverontreiniging leek destijds te gering om het risico op luchtwegaandoeningen zodanig te verhogen dat dit verhoogd risico in het ontworpen gezondheidsmonitoringsprogramma kon worden gedetecteerd. Deze conclusies waren indertijd in lijn met de conclusies die de Gezondheidsraad al in 1999 over de luchtverontreiniging rond grote luchthavens formuleerde. De niveaus van luchtverontreiniging rond grote luchthavens komen overeen met die stedelijke gebieden en vinden hun oorzaak vooral in de uitstoot door wegverkeer. Bij dergelijke concentraties zijn effecten op de gezondheid te verwachten, ook wanneer de concentraties onder de officiële richtwaarden blijven. Er werden in het onderzoek van de Gezondheidsraad destijds geen aanwijzingen gevonden dat, vergeleken met andere stedelijke gebieden, de luchtverontreiniging in de omgeving van een luchthaven een extra gezondheidsrisico met zich meebrengt.
4 Referenties ADECS Airinfra. Evaluatie Schipholbeleid. Schonere lucht, schonere vliegtuigen, meer uitstoot luchtverkeer. Beoordeling beleid uitstoot vervuilende stoffen luchtverkeer en luchtkwaliteit omgeving Schiphol. Ministerie van Verkeer en Waterstaat. Den Haag, 2005. Arkel F van. Telefonisch leefsituatieonderzoek rondom luchthaven Schiphol. Wageningen: Bureau Blauw. 2001. Rapport BL2000.1815.01. Boeft, J den. Evaluatie luchtkwaliteit in de regio Schiphol. Apeldoorn: TNO-MEP. 1999. TNO-rapport R99/350. Pagina 69 van 71
RIVM Rapport 2015-0110
Breugelmans ORP, Wiechen van CMAG, Kamp van I, Heisterkamp SH, Houthuijs DJM. Gezondheid en beleving van de omgevingskwaliteit in de regio Schiphol: 2002 – Tussenrapportage Monitoring Gezondheidskundige Evaluatie Schiphol. Bilthoven: RIVM. 2004. Rapport 630100001. Buro Blauw. Geurberekeningen ten behoeve van MER Schiphol 2003. Wageningen: Bureau Blauw. 2001. Rapport BL2001.1924.01. Dassen AGM (red.), Aben JMM, Beck JP, Blom WF, Diederen HSMA, Folkert RJM, Hoen A, Jaarsveld JA van, Velze K van. De luchtkwaliteit rond Schiphol. MNP-bevindingen over het onderzoek naar de uitstoot van het vliegverkeer en de luchtkwaliteit rond Schiphol door ADECS Airinfra BV in het kader van de Evaluatie Schipholbeleid. Bilthoven 2006. MNP-publicatienummer 500133001. Franssen EAM, Wiechen CMAG van, Nagelkerke NJD, Lebret E. Aircraft noise around a large international airport and its impact on general health and medication use. Occupational and Environmental Medicine 2004; 61:405-413. Gezondheidsraad. Grote luchthavens en gezondheid. Den Haag: Gezondheidsraad. 1999. Rapport 1999/14. GGD Amstelland – de Meerlanden. Luchtwegaandoeningen. Deelrapportage Huisartsenpeilstation Amstelland – de Meerlanden, registratiejaar 1993-1994. Amstelveen: GGD Amstelland – de Meerlanden. 1995. Heisterkamp SH, Doornbos G, Nagelkerke NJD.
Assessing health impacts of environmental pollution sources using space-time models. Statistics in Medicine. 2000; 19: 2569-2578. Houthuijs DJM, Wiechen CMAG van. Monitoring van gezondheid en beleving rondom de luchthaven Schiphol. Bilthoven: RIVM. 2006. Rapport 630100003. RIGO en RIVM. Evaluatie Schipholbeleid. Schiphol beleefd door omwonenden. Ministerie van Verkeer en Waterstaat. 2005. Staatsen BAM, Franssen EAM, Doornbos G, Abbink F, Veen AA van der, Heisterkamp SH et al. Gezondheidskundige Evaluatie Schiphol. Bilthoven: RIVM. 1993. Rapport 441520001. Staatsen BAM, Doornbos G, Franssen EAM, Heisterkamp SH, Ameling CB, Lebret E. Gebruik van ziekenhuisgegevens voor het beschrijven van ruimtelijke patronen in ziekte rondom Schiphol. Bilthoven: RIVM. 1998. Rapport 441520009. Thijsse ThR, Loon M van. Nader onderzoek naar de luchtkwaliteit in de omgeving van Schiphol en de bijdrage van te onderscheiden bronnen. Apeldoorn: TNO-MEP. 2001. TNO-rapport R2001/382. TNO-PG, RIVM. Hinder, slaapverstoring, gezondheids- en belevingsaspecten in de regio Schiphol, resultaten van een Pagina 70 van 71
RIVM Rapport 2015-0110
vragenlijstonderzoek. Bilthoven/Leiden: RIVM/TNO-PG. 1998. RIVM rapport 441520010; TNO rapport 98.039. Vliet PHN van, Aarts FJH, Janssen NAH, Brunekreef B, Fischer PH, Wiechen CMAG van. Luchtwegaandoeningen bij kinderen in de omgeving van de luchthaven Schiphol. Bilthoven: RIVM. 1999. Rapport 441520014. Vonk JM, Schouten JP. Daily emergency hospital admissions and air pollution in The Netherlands 1992-1999. Groningen: Rijksuniversiteit Groningen. 2002. Willigenburg APP van, Franssen EAM, Lebret E, Herings RMC. Geneesmiddelengebruik als indicator voor de effecten van milieuverontreiniging; een studie in de regio Schiphol. Bilthoven/Utrecht: RIVM/Universiteit Utrecht. 1996 Rapport 441520006.
Pagina 71 van 71
RIVM De zorg voor morgen begint vandaag