Bijlage 2 Jaarverslag TAC 2025.pdf
Tekst van het document
Jaarverslag TAC 2025 Technische Adviescommissie Hoofdgroenstructuur (TAC) Maart 2026 1
Voorwoord
750 jaar groen Amsterdam In het middeleeuwse Amsterdam vormden de kloostertuinen van de 21 kloosters gelegen aan de oost- en zuidkant van de toenmalige stad een vijfde van het stedelijk oppervlak. Ze waren met hun nutsfunctie ook contemplatieve en groene oases. Met de Alteratie van 1578 stonden de kloosters onder druk en kregen gebouwen en tuinen een andere functie. De welvaart van Amsterdam leidde in 1613 tot het Grachtenplan, waarin de bomen langs de grachten en de keurtuinen essentiële elementen waren in de Renaissancistische Ideale Stad. De bomen waren een ‘cieraet’ en ‘plaisantie’ en bevorderden ook de ‘soete lucht’. In 1631 werd in Amsterdam het openbaar groen een overheidstaak en werden er stadsgaardeniers aangesteld. In de directe omgeving werden vele Buitens aangelegd voor een zomers verblijf van de rijken in een lommerrijke omgeving. Stedenschoon en gezondheid gingen voor hen hand in hand, maar de arme Jordanezen moesten de frisse lucht buiten de stadswallen zoeken. Na een periode van economische achteruitgang in de achttiende eeuw, kende Amsterdam een nieuwe bloeiperiode vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw. Iedere stedelijke uitbreiding kreeg ook een stadspark, te beginnen met het Vondelpark, dat aanvankelijk alleen toegankelijk was voor de rijken, maar al gauw voor alle Amsterdammers.
Ook Amsterdam raakte rond 1900 in de ban van de Engelse Garden City Movement van Ebenezer Howard, met als gevolg de bouw van tuindorpen, voornamelijk ten noorden van het IJ, en na de oorlog de tuinsteden in Nieuw-West en Buitenveldert. En een nu discutabel hoogtepunt vormde de bouw van de groene Bijlmermeer waar de nachtegalen eeuwig zongen. Rond 1970 kwam de hernieuwde aandacht voor de binnenstad en de 19e eeuwse wijken. Buurten en panden werden gerenoveerd of vervangen door nieuwbouw. Het zeer schaarse groen 2
werd waar mogelijk versterkt door geveltuinen en binnentuinen. De aandacht voor natuur en groen groeide met het rapport van de Club van Rome wereldwijd en zo ook in Amsterdam. Actiegroepen streden voor versterking van groen in hun straat of buurt en de overheid was daarin uiteindelijk volgend.
toetsen aan het beleidskader Hoofdgroenstructuur, maar ook bij de adviesverzoeken in overleg mee te werken aan vergroting van de kwaliteit van de adviesaanvragen, met als doel behoud en versterking van de kwantiteit en van de kwaliteitseisen van het groen in Amsterdam.
Kijken we naar Amsterdam nu, dan valt te constateren dat het belang van groen niet meer is weg te denken. Niet bij de bevolking en niet bij de stedelijke overheid. Verkeerswegen zoals de Wibautstraat, de Haarlemmerweg en de Singelgracht worden vergroend. Er liggen gebiedsgerichte groen/blauwvisies en de Hoofdgroenstructuur biedt sinds 2003 planologisch-juridische bescherming van de belangrijkste groengebieden. Recent is het vierde Grote Groenonderzoek verschenen, waaruit blijkt dat de Amsterdammers genieten van al het groen, maar dat het soms ook nog wat beter kan. Het burgerberaad Groene Stad van het afgelopen jaar versterkt de inbreng van de Amsterdammers. Het belang van groen is inmiddels verbreed. Van ‘cieraet’ en ‘plaisantie’ is er een verschuiving in het groen van ‘leuk’ naar ‘levensbelangrijk’ gaande met de structurele bijdrage die het natuurlijk functioneren van groen levert aan gezondheid, biodiversiteit en klimaatadaptatie en daarmee aan bestaanszekerheid van het Amsterdam voor de komende 750 jaar. En hoe dat dan beter kan, daar wordt de afgelopen jaren steeds meer aan gewerkt in de eigen assets, zo blijkt uit de groeiende inzet van de gemeente als aanjager in het groen-blauw-stedelijke domein in meerdere onderzoeks- en innovatieprojecten. Ter gelegenheid van de viering van 750 jaar Amsterdam zijn er in het najaar van 2025 750 grote bomen en 7500 kleine bomen geplant.
Marijke van Schendelen Voorzitter TAC
De Technische Adviescommissie (TAC) voelt zich vereerd dat zij haar steentje kan bijdragen door niet alleen de ontwikkelingen in Amsterdam te 3
Inhoudsopgave Samenvatting 6 1.
Interview met voorzitter Marijke van Schendelen
2.
Aanbevelingen 11
3.
De Hoofdgroenstructuur en de TAC
27
4.
TAC adviezen in 2025
31
5.
Bijlagen 36
Informatie: secretariaatTAC@amsterdam.nl 06 48487365 / 06 53878566 / 06 23457013 www.amsterdam.nl/TAC
Fotoverantwoording: Fotobank Gemeente Amsterdam / Joris Voeten
4 Kadoelenscheg
8
Samenvatting Adviezen In 2025 zijn in totaal 47 (pre)adviezen door de TAC gegeven. Dat aantal ligt lager dan in voorgaande jaren, toen er in verband met dubbele toetsing aan het geactualiseerde beleidskader Hoofdgroenstructuur een recordaantal adviezen werd verstrekt. De adviesstrekking was iets vaker negatief of positief onder voorwaarden. Als nieuwe adviescategorie is het ‘nee tenzij’ advies geïntroduceerd. De meeste aanvragen voor een (pre)advies hadden betrekking op Amsterdam Noord (17), Oost (10) en NieuwWest (7).
Evaluatie van adviezen Op grond van de evaluatie van de 27 (pre)adviezen die in 2025 een ‘negatief’ of ‘positief onder voorwaarden’ advies hebben gekregen en toe waren aan evaluatie kan worden geconcludeerd dat:
14 initiatieven nog lopen. Hierover kan pas in de opeenvolgende jaren gerapporteerd worden; In 1 geval het negatieve advies van de TAC mede heeft geleid tot intrekking van het plan; In 3 gevallen het plan is aangepast en in gewijzigde vorm opnieuw is voorgelegd voor advies; In 6 gevallen de voorwaarden die de TAC heeft verbonden aan haar advies zijn op gevolgd; In 3 gevallen B&W en Gemeenteraad contrair zijn gegaan. Dat geldt voor een tijdelijke bouwweg door een weiland bij Ransdorp voor de bouw van een schoolgebouw, een uitbreiding van woonwagen standplaatsen bij de Ringvaartdijk en woningbouwontwikkeling in de Nelson Mandelabuurt.
In aanvulling hierop is er gekeken naar voor 2025 afgegeven adviezen die in relatie tot eerdere jaarverslagen nog niet waren afgerond, en waarvoor het advies negatief was of positief onder voorwaarden. Er liepen in dat kader nog 43 unieke casussen. Ten aanzien van deze plannen kan het volgende terug gemeld worden:
15 initiatieven lopen nog; In 3 gevallen is het plan stop gezet. In 5 gevallen is het plan aangepast en in gewijzigde vorm opnieuw voorgelegd voor advies; In 15 gevallen is het advies van de TAC opgevolgd; In 5 gevallen zijn de voorwaarden van de TAC niet opgevolgd of is de TAC niet of onvoldoende betrokken bij de planvorming (Tuinhuis Ouderkerkerdijk 215; Herinrichting 2e Weteringsplantsoen; Tentdoek Tolhuistuin; Padelbanen op Tennispark Rieteiland Oost; container Erasmuspark). Het betreffen alle 5 casussen die al een lange looptijd hebben, waarbij hetzij voorwaarden destijds onvoldoende zijn door vertaald in het bestemmingsplan/omgevingsplan, hetzij geen navolging hebben gekregen vanwege personeelswisselingen of gebrek aan bestuurlijke prioriteit. Kortom, voorvallen die niet makkelijk met een bestuurlijke actie te voorkomen zijn, maar hopelijk richting toekomst wel beperkt blijven tot een incident.
In juli 2025 heeft de raad motie 2025-251 aangenomen, welke voor het TAC secretariaat aanleiding was om adviesaanvragen vanaf dan erop te checken. Complete informatie hierover geldt als ingangseis om een casus te agenderen. De betreffende motie vraagt om:
Bij toekomstige verzoeken tot afwijken van de Hoofdgroenstructuur het voor de raad inzichtelijk te maken welke alternatieven zijn overwogen waarbij de Hoofdgroenstructuur wel in tact blijft en de voor- en nadelen en het draagvlak van de verschillende varianten daarbij inzichtelijk te maken; Aan de stadsdelen te verzoeken zo vroeg mogelijk de TAC te betrekken om te zorgen dat al in de beginfase van het onderzoeken van oplossingen, varianten alternatieven en participatie duidelijk is welke schade aan de Hoofdgroenstructuur moet worden voorkomen en wat daarvoor nodig is.
5
Evaluatie van verlopen tijdelijke ontheffingen In 2025 zijn er 3 tijdelijke ontheffingen verlopen, waarvan de TAC op 2 verzoeken positief heeft geadviseerd op verlenging ervan, te weten:
een jaar verlenging tot eind 2026 voor een TEO-installatie bij de Sloterplas; en een verlenging tot 2029 voor een tijdelijk opslagdepot bij de Nieuwe Gouw in landelijk Noord. De tijdelijke zendmast bij de ingang van het Oosterpark is verwijderd en de openbare ruimte ter plaatse vergroend.
Actief informeren Om zich actief te informeren over het Grote Groen Onderzoek en de bredere (groene) stadsontwikkelingen heeft de TAC zich laten informeren over het naderende proces van tranches wijziging Omgevingsplan, waarbij de komende jaren stapsgewijs gebieden worden door vertaald en ook de Hoofdgroenstructuurgebieden en verbindingen geïntegreerd worden. Werkbezoeken bracht ze aan de Landtong Nieuwe Meer, Artis, Tolhuistuin en Singelgracht.
6
Aanbevelingen Op basis van wat de TAC aan casussen in 2025 de revue heeft zien passeren, geven de TAC leden op thematische en beschouwende wijze graag een aantal aanbevelingen mee aan het gemeentebestuur, te weten: 1. Plaats nieuwe objecten in stadsparken zorgvuldig, met oog voor ruimtelijke, natuurlijke en historische kwaliteiten. 2. Neem bij het vergroten van de recreatieve waarde van groen de natuurwaarde als uitgangspunt en houd bij het vergroten van de natuurwaarde altijd rekening met de recreatieve waarde. 3. Neem bestuurlijk en financieel de regie voor de renovatie en rigoureuze vergroening van de Jaap Edenbaan.
11. Stel een ruimtelijke visie op voor sportparken die naast de ambitie op sport en bewegen de groenambitie per sportpark inzichtelijk maakt, waar initiatieven op sportparken aan getoetst kunnen worden en welke door vertaald kunnen worden in het te actualiseren Hoofdgroenstructuurbeleid. 12. Presenteer een stedelijke visie op de toepassing van blaashallen op sportparken die inzicht biedt in waar en onder welke ruimtelijke randvoorwaarden deze al dan niet in de Hoofdgroenstructuur zijn toegestaan.
4. Neem herstel van biodiversiteit als uitgangspunt bij alle ontwerpopgaven in Amsterdam. 5. Blijf als stad investeren in brede samenwerking en innovatieve oplossingen voor klimaatbestendige en natuurinclusieve steden. 6. Geef prioriteit aan een groenvisie voor de Tolhuistuin en stel middelen beschikbaar om deze groene parel duurzaam in te bedden in de veranderende omgeving. 7. Organiseer stadsbrede regie en helderheid op waar en onder welke kwalitatieve vestigingsvereisten zendmasten geplaatst kunnen worden. 8. Schrijf een structureel andere werkwijze en bouwtechniek voor in het landelijk gebied voor bouwprojecten als deze negatieve gevolgen hebben voor de bodemstructuur. 9. Onderzoek in welke mate vergunningsvrije bouwrechten aan de orde zijn op erven in Waterland en op welke wijze deze alsnog ingeperkt kunnen worden, danwel het beleids- en toetskader Stadsrandpolder Waterland hierop bijgesteld kan worden. 10. Beslecht het gesignaleerde spanningsveld tussen de beleidsambities van groen en sport op sportparken.
7
1. Interview met voorzitter Marijke van Schendelen Na ruim twaalf jaar voorzitterschap zwaait voorzitter Marijke van Schendelen af bij de Technische Adviescommissie Hoofdgroenstructuur (TAC). Reden voor een goed gesprek over haar tijd bij deze onafhankelijke adviescommissie, de staat van het groen in de stad en aandachtspunten voor de toekomst. Met welke motivatie begon je twaalf jaar geleden als voorzitter bij de TAC? Het leek mij allereerst gewoon hartstikke interessant. Wat het precies behelsde, had ik toen nog niet zo scherp. Toen ik bij de TAC aantrad, kreeg ik in mijn buurt eerst scherpe reacties. Er speelden toen net twee kwesties hier in Amsterdam-Noord, waarbij de TAC heel streng was geweest. De commissie had blijkbaar een negatieve bijsmaak opgebouwd. Begrijpelijk vanuit de opstartperiode vanaf 2003, waarbij de commissie haar bestaansrecht als beschermer van het groen nog moest bewijzen. Maar tegelijkertijd een imago waar ik graag verandering in wilde brengen. Als planoloog vind ik dat er bij het toetsingskader een rondetafelgesprek hoort, om zo de plannen beter te maken. Een voorbeeld hiervan is het stimuleren om meer in 3D te denken, waarbij er gestapeld wordt in plaats van uit te breiden in het groen. Natuurlijk zijn er wettelijke kaders en verordeningen, maar je moet er vooral samen uitkomen.
Hoe zou je de commissie bij je aantreden beschrijven, en hoe zie je haar rol vandaag de dag? Toen ik begon, was de commissie nog best strak en formeel. De focus lag altijd of iets volgens het toetsingskader paste in het kader van de Hoofdgroenstructuur of niet. En als het niet paste, dan was het klaar. Dat gaf duidelijkheid, maar leidde over het algemeen ook tot onbegrip bij initiatiefnemers. Dat snap ik wel. Je hebt dan een heel plantraject gehad en aan het eind vertelde de TAC dat het niet kan en mag vanuit het Hoofdgroenstructuur beleid. De TAC had daardoor geen goede reputatie. Nu is dat echt anders. Ik weet niet meer wie het heeft bedacht, maar ik heb veel waarde gehecht aan de introductie van een preadvies. Hierdoor schuiven behandelend ambtenaren veel eerder 8
in het planproces bij ons aan, kunnen we met ze overleggen en eerder meedenken. Daardoor kunnen plannen aan kwaliteit winnen voordat er een definitief advies wordt gegeven. Tegelijkertijd bood het de mogelijkheid om al in een vroeg stadium duidelijkheid te geven als een plan niet inpasbaar was. Dat gaf mij als voorzitter meer bewegingsvrijheid. Daarnaast zijn we ook inhoudelijk veel breder gaan kijken naar de verschillende groenwaarden zoals: biodiversiteit, klimaatadaptatie en duurzaamheid. Met meer focus op de kwaliteit van het groen, in plaats van op het aantal vierkante meters. Het is meer afwegen, minder afvinken. De commissie is nu veel meer een gesprekspartner dan een politieagent. Dat vind ik een verbetering. De TAC is een gerespecteerde adviescommissie als boodschapper en vertegenwoordiger van het Hoofdgroenstructuur beleid van de gemeente. Welke adviesverzoeken in de Hoofdgroenstructuur zijn je in het bijzonder bijgebleven? Er zijn er een paar die me altijd bijblijven. Eentje is bijvoorbeeld het voorstel om twee kantoorblokken neer te zetten op een sportpark in Amsterdam Noord. De projectontwikkelaar kwam bij ons te laat in de vergadering, nam het woord en deelde mee dat hij dit plan al had besproken met de wethouder en dat het daarmee al zo goed als rond was.
Toen moesten we hem toch wel teleurstellen en wijzen op de rol van de TAC en de regels vanuit het Hoofdgroenstructuur beleid, die een dergelijke functie op een sportpark niet mogelijk maken. Iets vergelijkbaars maakten we mee tijdens een werkbezoek aan een stadspark in Amsterdam Zuid. We zouden bijgepraat worden over de renovatie van het park en de transformatie van een kloostergebouw naar een kantoor. Toen er echter kaartmateriaal, witte wijn en zalm op tafel kwamen werden we alert. Beide smaakten
overigens goed, maar waren geen aanleiding voor ons om mee te gaan in het voorstel om een grote toren in het park te plaatsen, die het halve park in de schaduw zou zetten. Een recentere casus is het voorstel voor de inpassing van het theater De Nieuwe Meervaart in de oksel van het Sloterpark. Dat vind ik een typisch voorbeeld. Het gaat om een klein stuk groen, overgroeid met wat er is aan komen waaien. Er was weerstand van de Vrienden van de Sloterplas, die zich met hart en ziel inzetten voor een groene omgeving. Alles afwegende vonden wij een Nieuwe Meervaart waar vele Amsterdammers in Nieuw-West profijt van hebben van groot belang. We hebben ingezet op een kwaliteitsverbetering van dit gedeelte van het park, in plaats van te veel te focussen op de groenkwantiteit. Ik ben blij dat er op de gedeeltelijke land variant wordt door geëxerceerd. Als TAC hebben we hiervoor groene kwalitatieve randvoorwaarden meegegeven, welke zijn overgenomen. Ook over de uitbreiding van het sportpark in het Diemerpark op IJburg hebben we heel lang en vaak gepraat, en ook meegedacht over hoe het plan kwalitatief beter kon. Meerdere versies zijn door ons af geserveerd. Uiteindelijk kwam er een ruimte efficiënt plan op tafel, waarbij
9
iedereen water bij de wijn had gedaan: minder sportoppervlak erbij dan wenselijk, uitbreiding van het parkeeraanbod en landschappelijk beter ingepast. Resulterend in een in onze ogen acceptabel evenwicht tussen wat het oplevert en wat het kost binnen de Hoofdgroenstructuur. Je moet bij dit soort kwesties immers naast het groen ook stedelijke belangen meewegen: de kinderen van IJburg moeten in redelijke nabijheid kunnen sporten. Ook hierbij is er nog steeds sprake van een strijdbare actiegroep, die zich daar niet bij neerlegt. Het leven en laten leven is iets wat ik wel eens mis bij actiegroepen, die op zich op vrijwillige basis ook heel veel goeds voor het groen in de stad doen. Het gaat niet om een atoombom in het Vondelpark. Met een stukje inleving in het belang van de ander kom je verder. Ook kwesties waar spanningen op zaten vanuit projectorganisaties binnen de gemeente konden op basis van deze instelling op de langere termijn beslecht worden. De ruimtelijk groenvisie die uiteindelijk opgesteld is voor de renovatie van het Jaap Eden schaatscomplex vind ik daar een mooi voorbeeld van. En bij een casus als de renovatie van het noordelijk deel van het Rembrandtpark werd vanuit de openbare ruimte ontwerper zelf al proactief
Vergroening aan de Weesperstraat
nagedacht over mogelijkheden om de mate van verharding in het park terug te dringen. Op zo een moment lijkt de TAC zelfs even overbodig. Al zijn er helaas ook ‘boeven met dollartekens in hun ogen’ die het onderste uit de kan willen. Die heeft de TAC snel genoeg door. Wat zie jij als de grote uitdagingen of opgaven voor de Hoofdgroenstructuur in de komende jaren? Wat ik heel duidelijk zie, is dat biodiversiteit veel belangrijker is geworden. Ook binnen de toetscommissie zelf. Dat vind ik een goede en belangrijke ontwikkeling, evenals het voorstel om de Amsterdamse Ecologische Structuur te integreren in de Hoofdgroenstructuur. De opgave van klimaatadaptatie komt daar nog eens bovenop. Dat brengt een heel nieuw type afwegingen met zich mee, ook buiten de Hoofdgroenstructuur. Want ja, het gaat niet alleen om parken, maar ook om daken, balkons, gevels en de onlosmakelijke link tussen groen en water. De energietransitie is ook zo een opgave: heel omvangrijk en een weinig fraai uiterlijk. Overal moeten gebouwtjes en kasten komen en die worden dan vaak maar in het groen gezet. Terwijl ik me afvraag: waarom niet gewoon inpassen in en tussen de bebouwing? Het beleidskader uit 2011 roept op deze punten echt om actualisatie.
En dan ook nog de vraag welk groen moet worden toegevoegd om er een echte Hoofdgroen-’structuur’ van te maken? Je ziet overal vergroening in de stad, zoals aan de Weesperstraat, Wibautstraat en Haarlemmerweg. Dat zijn mooie voorbeelden, maar dergelijke verbindingen en geheel nieuwe parken zoals het Brasapark vallen nu (nog) niet onder het Hoofdgroenstructuur. Evenals nieuwe gebieden als het waardevolle groen van Weesp en de uitbreidingen van IJburg. Ook de rol van veiligheid in het groen staat recentelijk helaas weer stevig op de agenda. Aandachtspunt hierbij is dat verlichting in de Hoofdgroenstructuur prominenter wenselijk zal staan en dit op gespannen voet staat met de wens vanuit ecologie om ’s nachts donkerte na te streven.
10
Wat zou je het gemeentebestuur in het bijzonder willen meegeven? Plan maatschappelijke voorzieningen mee in de gebiedsontwikkeling in plaats van achteraf in het groen. Pas ze veel meer in in de plinten, niet als losstaande voorzieningen. En kapitaliseer het groen. Op dit moment wordt in Amsterdam groen vooral in ‘zachte’ waardes uitgedrukt, maar het heeft ook een grote economische waarde voor de stad. Naast vele redenen waarom Amsterdam zo duur is geworden, denk ik ook omdat de stad heel groen is. Dat vind ik zelf, maar ik hoor het ook altijd van mensen uit het buitenland, hoe groen de stad wel niet is. Groen waar we trots op mogen zijn maar wat we nog onvoldoende uitdragen. Groen verbetert de gezondheid, het draagt bij aan klimaat, leefbaarheid en recreatiemogelijkheden, én het verhoogt de waarde van de grond. Dat moet je als gemeente gewoon in geld uitdrukken en meetellen in je grondexploitatie, net zoals iedere stedenbouwkundige dat doet met diens “gouden randje” langs een park. De relatie kapitaal en groen was al een constante bij de aanleg van de grachten, Van Eeghen maakte er gebruik van bij de aanleg van het Vondelpark. Ga dus vooral met de directie Grond & Ontwikkeling om tafel, gebruik de Groenmonitor met haar groenwaarde benadering om deze te kapitaliseren en laat iedereen beseffen dat groen ook een groot financieel belang vertegenwoordigt voor de stad.
2. Aanbevelingen 2.1
Thematische bijdrages van leden
Op basis van wat de Technische Adviescommissie Hoofdgroenstructuur (TAC) aan casussen in 2025 de revue heeft zien passeren, geven de leden op thematische en beschouwende wijze graag een aantal aanbevelingen mee aan het gemeentebestuur.
Vergroten van gebruiksmogelijkheden van parken vraagt om zorgvuldige landschappelijke inpassing
Aanbeveling 1 Plaats nieuwe objecten in stadsparken zorgvuldig, met oog voor ruimtelijke, natuurlijke en historische kwaliteiten De Amsterdamse parken zijn ontworpen als een gecondenseerde ‘natuur- of buitenervaring’, die ruimte biedt aan uiteenlopende vormen van gebruik. Ruimtelijk zijn de parken zorgvuldig gecomponeerd met een afwisseling van beplanting, water, open ruimtes en doorzichten om een maximale ruimtelijke beleving te creëren. Het inpassen van nieuwe objecten vraagt daarom om een zorgvuldige studie, om te voorkomen dat bestaande kwaliteiten worden aangetast.
11
De TAC heeft het afgelopen jaar meerdere initiatieven besproken waarbij nieuwe functies een plek vragen in een park. Denk aan plannen voor sanitaire units, een informatiekiosk, uitbreiding van horeca, vergroting van speeltuinen, uitbreiding van wandel- en fietsroutes, een pierenbadje, trafokasten en zelfs zendmasten. Al deze initiatieven hebben een maatschappelijke meerwaarde en zijn begrijpelijk vanuit het oogpunt van gebruik en comfort. Toch heeft elke toevoeging invloed op het groen oppervlak en de ruimtelijke beleving. Ook tijdens onze werkbezoeken – waaronder die aan de Tolhuistuin – is een trend zichtbaar van het intensieve gebruik van de Amsterdamse parken. Een veelheid aan gebouwde en ongebouwde voorzieningen, in combinatie met meer verharding, laat zien dat de behoefte aan ontspanning en ontmoeting in een groene omgeving groot is. Daar staat tegenover dat het samenhangende parkbeeld onder druk komt te staan en dreigt te versnipperen. Het zijn gevoelige ingrepen en hebben altijd invloed op de ruimtelijke ervaring. Bij historische parken met een monumentale status is zorgvuldigheid des te belangrijker. De aanvragen voor de nieuw ontworpen sanitaire units in het Vondelpark en Sarphatipark zijn een goed voorbeeld hoe gedegen onderzoek
Artist impression van toiletvoorziening in Vondelpark
Locatiestudie van toiletvoorziening in Sarphatipark kan leiden tot een overtuigende oplossing. De landschapsarchitecten van de gemeente hebben verschillende locaties onderzocht waarbij gekeken is naar de invloed op de mate van verharding, de groen- en natuurkwaliteiten, gebruiksintensiteit, historische kwaliteit en de beleving. Dit is vastgelegd in een rapportage waarin de voor- en nadelen aan bod komen en ook de monumentale waarden nadrukkelijk zijn meegenomen. De locaties zijn inzichtelijk gemaakt met 3D-verbeeldingen, waarmee de ruimtelijke invloed van de ingreep goed in beeld gebracht is. Deze zorgvuldige benadering gaf de TAC een helder beeld en een gedegen basis om de plannen te beoordelen. De TAC heeft hierin nadrukkelijk meegedacht, waardoor bomen behouden konden blijven en zichtlijnen niet werden aangetast. De aanvraag voor een pierenbadje met toiletvoorziening en technische ruimte in het Mandelapark illustreert hoe complex het is om nieuwe elementen in een bestaand park te integreren. Verzoeken van de TAC om voorzieningen zo veel mogelijk te combineren met bestaande gebouwen bleken (beheer)technisch op korte termijn helaas niet uitvoerbaar. Bram Breedveld (landschapsarchitect) 12
Groen voor mens én natuur
Aanbeveling 2 Neem bij het vergroten van de recreatieve waarde van groen de natuurwaarde als uitgangspunt en houd bij het vergroten van de natuurwaarde altijd rekening met de recreatieve waarde Een groene leefomgeving draagt bij aan gezondheid en welzijn. Groen bevordert ontspanning en stimuleert tot buitenactiviteiten als wandelen, fietsen en sporten. In een verdichtende stad neemt het belang van groene gebieden voor zowel natuur en stilte als voor bewegen en ontmoetingen alleen maar toe. De groentypen in de Hoofdgroenstructuur hebben natuurwaarden en sociale waarden. Stadsparken zijn levendige plekken met voorzieningen, maar kunnen ook worden ervaren als rustige gebieden om de natuur te ervaren. Een terugkerende vraag voor de TAC is of en hoe er in het groen meer recreatieve elementen kunnen worden toegestaan, als daar vanuit de samenleving om gevraagd wordt.
De eisen die bewoners stellen aan het gebruik van het groen zijn aan veranderingen onderhevig. Door individuele vormen van sportbeoefening neemt bijvoorbeeld de behoefte aan laagdrempelige beweegplekken in de openbare ruimte toe. Het gebruik en de betrokkenheid van verschillende gebruikersgroepen bij de groene openbare ruimte kan vergroot worden, door een inrichting die meer inspeelt op diverse wijzen van vrijetijdsbesteding en natuurbeleving. Bezoekers kunnen vragen om meer zitplaatsen, verbetering van verlichting en faciliteiten om parken aantrekkelijker te maken. Bijvoorbeeld door een uitspanning met terras en betere speelgelegenheden. Ook aan sanitaire voorzieningen in druk bezochte stadsparken is behoefte. De zonering in parken helpt daarbij voor ieder wat wils te bieden. Belangrijk is het wegnemen van drempels in het gebruik voor verschillende doelgroepen. Het gebruik van groen is niet voor alle bewoners vanzelfsprekend of even aantrekkelijk. Uit het laatste Grote Groenonderzoek blijkt dat bepaalde groepen Amsterdammers (zoals bewoners met een laag inkomen en een lage opleiding) minder gebruik maken van groenvoorzieningen. Herinrichting en kleine toevoegingen gericht op spelen, sporten en ontmoeten kunnen de recreatiewaarde en daarmee de sociale betekenis voor de omliggende wijken vergroten. Aan de beurt
13
zijn nu onder andere het Gerbrandypark, het Kasterleepark en het Nelson Mandelapark, waar op verzoek van bewoners een pierenbadje zal worden aangelegd. Recreatie en natuurwaarden hoeven elkaar niet te bijten. In stadsparken vinden recreatieve activiteiten plaats op paden en grasvelden, zoals wandelen, hardlopen, bootcampclubjes en pick nicks. Een uitbreiding van een horecapaviljoen, een spelcontainer of nieuwe toestellen voor urban sports kunnen echter leiden tot aantasting van het groen. Bij het maken van afwegingen zijn voor de TAC de maximale percentages voor verharding/bebouwing in de groentypen ‘stadspark’ en ‘sportpark’ leidend; de groentypen waar relatief gezien de meeste initiatieven op afkomen. Helaas constateren we dat die informatie bij een adviesaanvraag veelal ontbreekt. Voorkomen moet worden dat verharding en gebouwde elementen ten koste gaan van groen. Bovendien kan niet alles overal. De TAC kan over kleine toevoegingen positief oordelen als dit de toegankelijkheid, het gebruik en de beleving van een park ten goede komt en als ze ondergeschikt blijven aan de groenfunctie. Belangrijk is dat kleine elementen en voorzieningen geclusterd worden, dat groen behouden blijft en dat in geval van overschrijding van het toegestane percentage verharding/bebouwing er elders verharding omgezet wordt in kwalitatief groen. Daarnaast is een overkoepelende visie op een
Kasterleepark
gebied nodig. Die ontbreekt soms, zoals voor horeca in het Oosterpark waar de druk op dit park steeds groter wordt. In de groentypen ‘ruigtegebied/struinnatuur’, ‘stadsrandpolder’ en ‘corridor’ van de Hoofdgroenstructuur staan natuurbeleving en rust voorop. Bij de planvorming voor de herinrichting van het Kasterleepark en een nieuw Oeverpark langs de Schinkel signaleert de TAC een spanningsveld bij de groenopgave, tussen versterking van de natuurwaarde en de gewenste recreatieve waarde. In dit groentype ‘corridor’, die voor beide locaties geldt, staat de versterking van de natuurwaarde voorop en zijn er grenzen aan de gebruikswaarde voor recreatie. Vanuit toetsing vraagt dit de programmering te beperken tot kleinschalige zitgelegenheden en sport- en speelaanleidingen die verenigbaar zijn met de natuurdoelstellingen in deze parken. Tenzij het wenselijk is om het groentype hier bij te stellen naar een meer stedelijk groentype conform de wijzigende omgeving. Het is van grote waarde dat de Hoofdgroenstructuur bijdraagt aan ontspanning, welzijn, bewegen en sporten. Voor nieuwe sport- en recreatieve elementen moet wel ruimte blijven binnen de groentypen. Dat betekent het beperken van verharding tot een minimum en het tegengaan van versnippering van groen. Ivan Nio (sociaal geograaf en stadssocioloog)
Impressie vergroening Jaap Edenbaan
Een groenvisie als essentieel onderdeel van de renovatie van het Jaap Edencomplex
Aanbeveling 3 Neem bestuurlijk en financieel de regie voor de renovatie en rigoureuze vergroening van de Jaap Edenbaan De Jaap Edenbaan moet worden vernieuwd en verduurzaamd. Er liggen stevige bouwplannen voor een nieuwe ijshal en voor een aantal ondersteunende gebouwen. Aan de TAC is in 2021 door het projectteam Jaap Edenbaan advies gevraagd omdat de Jaap Edenbaan valt onder het groentype sportpark van de Hoofdgroenstructuur. Het maakt deel uit van Sportpark Middenmeer. De TAC constateert dat de bouwplannen alle aandacht krijgen, maar het aanwezige groen niet tot nauwelijks, terwijl de schaatsbaan omzoomd wordt door een stevige groene rand. Bij bezoek van de TAC aan de Jaap Edenbaan in oktober 2024 blijkt dat de groene omzoming lijdt aan verwaarlozing en her en der dient als opslag van afgedankt materiaal. De entree van de Jaap Edenbaan is ook in het herinrichtingsvoorstel sterk versteend, op een enkele plantenbak na. De TAC ziet genoeg groene kansen en adviseert aan het projectteam om een landschapsarchitect te betrekken bij de ontwikkeling.
14
Dit werkbezoek en het vele overleg tussen het projectteam Jaap Edenbaan en de TAC leiden uiteindelijk tot een positief resultaat voor de verschillende partijen. In totaal gaf de TAC 15 formele adviezen vanaf 2021, waarvan 12 over de totale herontwikkeling en allerlei noodzakelijke bijgebouwen zoals vervanging van het techniekgebouw en renovatie en uitbreiding van het horecagebouw. Het grote aantal adviezen is het gevolg van de noodgedwongen stap voor stap ontwikkeling van de vernieuwing van het Jaap Edencomplex. Regelmatig vroeg de TAC om een overkoepelende visie, wat uiteindelijk leidde tot een groenvisie voor de buitenruimte. In 2025 werd dit complexe proces afgerond met een formeel advies over de nieuwe ijshal en (op dringend verzoek van de TAC) een 3e advies op de groenvisie van de Jaap Edenbaan. De reactie van de TAC op deze groenvisie is positief. Er ligt inmiddels een goed uitwerkte visie. Maar de TAC verbindt ook voorwaarden aan haar positieve advies, omdat de uitvoeringsgelden voor een groot deel van de groenvisie ontbreken. De nadruk ligt naast het sportprogramma met recht op een groene uitwerking van het entreegebied. Maar ook met beheermaatregelen van de groene omzoming, die nog moeten worden uitgewerkt, valt winst te behalen. Ook het bijbehorende watersysteem kan verbeterd worden
met het beginnen van het uitbaggeren van de sloten en het doorspoelen van de duikers. De TAC heeft al met al veel aandacht besteed aan de advisering over de Jaap Edenbaan. De commissie werd geconfronteerd met een versnipperde aanpak van de herontwikkeling en het ontbreken van aandacht voor het belang van groen. Met alle goede wil van de projectgroep ontbrak het hier aan een duidelijke regie van de gemeente in bestuurlijke en financiële zin inzake de Jaap Edenbaan zelf en de publieke ruimte eromheen. Als oudste ijsbaan van Nederland en als één van de meest gebruikte ijsbanen verdient de Jaap Edenbaan extra politieke aandacht en de noodzakelijke investeringsruimte om het tot één van de parels in de Amsterdamse sportwereld te transformeren. Dankzij de constructieve opstelling van het projectteam Jaap Edenbaan en met steun van de TAC ligt er nu een goed ruimtelijk plan met aandacht voor groen en duurzaamheid. Nu nog de ruimtelijke uitwerking en uitvoering van het complex en van de directe omgeving en last but not least: stevige politieke en bestuurlijke commitment van de gemeente. Marijke van Schendelen (planoloog, sociaal geograaf en voorzitter)
Groenvisie Jaap Edenbaan
15
Biodiversiteit als uitgangspunt bij ontwerpopgaven
Aanbeveling 4 Neem herstel van biodiversiteit als uitgangspunt bij alle ontwerpopgaven in Amsterdam Wat is de waarde van een weiland voor weidevogels als er bijna geen weidevogels meer zijn? Die vraag kwam naar voren bij meerdere vragen over activiteiten in graslanden rondom Durgerdam, waar de meeste weidevogels verdwenen waren, maar wat in potentie geschikt zou kunnen zijn voor weidevogels. Een paar generaties geleden was Waterland, waar Durgerdam onderdeel van uitmaakt, een walhalla voor allerlei soorten vogels van het agrarisch gebied. Op een fietstocht in mei zag en hoorde je overal grutto’s achter elkaar aanvliegen, druk hun naam roepend. Tureluurs en kieviten vlogen gezamenlijk omhoog om blauwe reigers en andere verdachte predatoren te verjagen, en veldleeuweriken en gele kwikstaarten leverden de soundtrack voor een prachtige lentedag. Hoe anders is dat nu. Als je in mei vanuit Amsterdam Noord over de Durgerdammerdijk langs Durgerdam naar Polder IJdoorn fietst, dan zul je merken dat alleen ter hoogte van Kinsel en Polder IJdoorn de weidevogels zich nog laten horen. Daarbuiten zijn de weilanden stil. Gestilde graslanden. En dat is een probleem.
Grutto in landelijk Noord
Soorten komen en gaan, dat is een vast onderdeel van evolutie. Alleen verdwijnen op dit moment soorten veel sneller dan normaal en spreken we over een biodiversiteitscrisis. Biodiversiteit is de optelsom van al het leven op aarde en hoe alle soorten met elkaar samenwerken. Vallen er soorten weg, dan kan het kaartenhuis instorten. Dat heeft niet alleen flinke gevolgen voor de natuur, maar ook voor ons. Bijvoorbeeld, zonder bijen worden planten niet bestoven en is er dus geen voedsel. En zonder bomen, belangrijke zuurstofproducenten, wordt het ook lastiger om te overleven. We staan aan de vooravond van een zesde uitsterfgolf, een periode waarin zeker 75 procent van alles wat leeft gaat verdwijnen. In de vogelwereld hebben weidevogels de dubieuze eer om de bekendste vaandeldragers van deze ecologische vrije val te zijn. Bijna overal vliegen de aantallen achteruit of worden gebieden verlaten, een paar weidevogelreservaten daargelaten. Rondom Amsterdam is het niet anders. Als broedvogel is de kemphaan hier weggevaagd, staat de watersnip op omvallen, en zijn de populaties kievit, grutto en scholekster gehalveerd. In Waterland is het zelfs nog een tandje erger. In De Gierzwaluw (jaargang 58, nr 1, 2020) schrijft Frank van Groen in het artikel Weidevogels in de Amsterdamse regio het volgende over Waterland: “Sinds begin jaren negentig is de stand van de Scholekster ruim gehalveerd.
In dezelfde periode nam de Kievit met 68% af. Ook Watersnip (-88%), Grutto (-73%) en in mindere mate Tureluur (-25%) en Gele
16
Kwikstaart (-37%) deden het slecht.” Oftewel, het weidevogelprobleem is hier nog urgenter in vergelijking met het algehele beeld. Soms komen vogels zelf met surrealistisch aandoende noodoplossingen. Een klassieke weidevogel als de scholekster heeft op platte daken in de stad een hoger broedsucces dan hun soortgenoten in het boerenland. Het klinkt als symptoombestrijding richting een onontkoombaar einde. Maar toch is er een beetje hoop. In de, nabij Durgerdam gelegen, Polder IJdoorn en Kinsel gaat het, mede dankzij de inspanningen van Staatsbosbeheer en Natuurmonumenten, wèl goed met de grutto en andere weidevogels. Juist voor een soortgroep onder druk zijn dit soort gebieden van levensbelang, omdat deze als bron fungeren om weilanden die nu nog verlaten zijn weer opnieuw te koloniseren. Maar dat gaat alleen lukken als daar wordt voldaan aan de randvoorwaarden die weidevogels aan hun omgeving stellen. De aanleg van verstorende elementen zoals een weg dwars door grasland behoort daar niet toe, evenals de ruime mogelijkheden van vergunningsvrij te mogen bouwen op de erven in het landelijk gebied (zie verder uitgelichte casussen). Laten we daarom herstel van biodiversiteit voortaan als uitgangspunt nemen bij alle ontwerpopgaven in Amsterdam. Daar helpen we niet alleen de weidevogels rondom Durgerdam mee.
Een groen, natuurlijk Amsterdam is goed voor al haar bewoners, voor plant, dier èn mens.
Urgentie van klimaatbestendige en natuurinclusieve steden
Aanbeveling 5 Blijf als stad investeren in brede samenwerking en innovatieve oplossingen voor klimaatbestendige en natuurinclusieve steden In de groene stad van de toekomst verschuift de rol van groene stedelijke ruimte van ‘leuk’ naar ‘levensbelangrijk’. Groen is niet langer aankleding of mooi, maar vervult belangrijke functies in het kader van verkoeling in de zomer, sponswerking bij regenval, het ondersteunen van biodiversiteit en het verbeteren van de gezondheid van de bewoners. Functies die onmisbaar zijn en steeds belangrijker worden om schade door klimaatverandering te reduceren en daarmee bij te dragen aan de bestaanszekerheid van Amsterdam. Groenwaarden die bij een actualisatie van het beleidskader Hoofdgroenstructuur meer aandacht vragen. De afweging ‘moeten we groen doen of niet’ is geen afweging meer; het is een noodzaak, net zo goed als dat verhardingen en riolen dat zijn. Van het riool vragen we ons ook niet af ‘of we dat wel of niet moeten doen’. Hoe precies we al die functies bij elkaar kunnen brengen, daar wordt in Amsterdam veel onderzoek aan gedaan. Zo wordt er al jaren in consortiumprojecten samengewerkt aan klimaatadaptieve en
Luc Hoogenstein (bioloog)
17
Het dak van appartementencomplex Mannoury (Foto: Joris Voeten)
natuurinclusieve innovaties die bijdragen aan toekomstbestendigheid en leefbaarheid door zogenaamde TKI’s (Topsectoren voor Kennis en Innovatie). Dit gebeurt vanuit een co-financieringsprogramma van het Ministerie van Economische zaken en Klimaat waarbij afdelingen binnen de Gemeente Amsterdam samenwerken met innovatieve marktpartijen, wetenschappers en lokale stakeholders. Ze zijn overtuigd van het feit dat het in het licht van klimaat en biodiversiteit in de stad anders moet, en in de praktijk ook al echt anders kan. We noemen een paar voorbeelden. Natuurinclusief en watercirculair bouwen Zo kan een gebouw bijdragen aan biodiversiteit, het regenwaterriool ontlasten en tegelijkertijd meer energie opwekken, zonder daarvoor drinkwater te gebruiken. In het ‘TKI Project Urban PhotoSynthesis’ werd een appartementencomplex in het fashion-district aan de West-as in Amsterdam ontwikkeld, een voorbeeld van natuurinclusieve en watercirculaire bouw. Het complex kenmerkt zich door de biodiverse daktuinen en groene balkons op alle etages. De bloeiende blauw-groene daken zijn ingericht met zonnepanelen die door de koelende werking van die beplanting ieder jaar 4,4% meer energie opleveren, zo blijkt uit het onderzoek. En om die biodiversiteit en koeling
Nieuw trainingsveld (Foto: Joris Voeten)
te behouden wordt het douche-afvalwater uit de appartementen bij droogte via een centraal, natuurlijk, begroeid filter op het hoogste dak, ingezet als bewezen veilig irrigatiewater. Wonen, natuurinclusiviteit, klimaatadaptatie en de energietransitie versterken elkaar hier. Klimaatadaptief en energiebewust sporten Ook op sportparken wordt geïnnoveerd door de gemeente Amsterdam. De groeiende vraag naar speelcapaciteit op sportvelden leidde eerder al tot het ‘TKI project CitySports’ waar een regenwater-bergend en zichzelf verkoelend kunstgrasveld is ontwikkeld, dat het oververhitten van de speler (en de stad) in de zomer voorkomt en waarin het rubber is vervangen door natuurlijk zand. En dat op basis van natuurlijke verdamping van regenwater, zonder gebruik van energie. Maar daar bleef het niet bij: op sportparken blijft de vraag naar natuurgras hoog, wat voor Sport en Bos en de marktpartijen aanleiding was voor het ‘TKI Project EnergyGrass’. Het doel hiervan is tweeledig: meer speeluren op natuurgras door een vezel-versterkte sportbodem en minder watergebruik door regenwateropvang en natuurlijke capillaire irrigatie vanuit de waterbergende holle Permavoid fundering. Innovatief en uniek zijn dat het hele veld ook
18
als warmtegenerator ingezet wordt, met de nieuwste warmtewisseltechniek om het clubhuis en beheerderskantoor mee te verwarmen. Een manier om als eerste in de wereld te werken aan het ‘van het gas af’ van de gebouwen op de sportparken. Het wetenschappelijk onderzoek wordt uitgevoerd op testvelden bij Sportpark Ookmeer. Het eerste full-scale EnergyGrass veld is recentelijk op Sportpark ’t Loopveld in Amstelveen in gebruik genomen. Hier slechts drie voorbeelden noemen doet Amsterdam eigenlijk tekort: op wereldwijde schaal blinkt Amsterdam uit in vooruitzien en in samenwerking innoveren. Daar zijn ook het project aan de Kattenburgerstraat, het AMS instituut en niet te vergeten de bijdrage aan het Nationaal Groeifondsprogramma Toekomstbestendige Leefomgeving belangrijke voorbeelden van. Het advies is dan ook om dergelijke samenwerkingsprojecten met bedrijven en de wetenschap mogelijk te blijven maken, om daarmee invulling te geven aan de noodzaak van innovatie in het blauw-groen stedelijke domein. Zo draagt Amsterdam oprecht bij aan betere oplossingen voor klimaatbestendige steden over de hele wereld. Joris Voeten (onderzoeker Urban Nature-based Solutions)
2.2
Uitgelichte casussen
Het waken over de Hoofdgroenstructuur is de kerntaak van de TAC. In elke fase van de planvorming en ongeacht de omvang van het initiatief vraagt dat om het vinden van de juiste balans tussen de wens om het bestaande te behouden, of juist te versterken of vernieuwen. Het vraagt ook om een zorgvuldige planvoorbereiding en uitwerking. Een goed inpasbaar plan is daarmee soms een ingewikkelde puzzel. Omdat de kwaliteit van de aanvragen die de TAC voorgelegd krijgt voor advies nogal uiteenloopt, licht de TAC hieronder graag enkele adviesaanvragen uit 2025 uit. Ter inspiratie voor adviesaanvragers, maar ook omdat ze een compliment dan wel beterschap verdienen.
Natuurgebieden Kinsel en De Munt: investeringen in watermanagement Binnen de gemeente Amsterdam zijn goede weidevogelgebieden zeldzaam. Waterland Oost is zo een regio waar grutto’s, kieviten, tureluurs en andere weidevogels het relatief goed doen, zoals in de twee natuurgebieden Kinsel en De Munt. Dat wil echter niet zeggen dat het de vogels daar voor de wind gaat. Hoewel de terreinen onderdeel zijn van het Natuur Netwerk Nederland en ingericht zijn als weidevogelgebied gaan de broedvogelpopulaties in aantal achteruit. Een trend die niet alleen in Waterland Oost is waar te nemen, maar in heel Nederland. Die achteruitgang heeft onder andere te maken met een vermindering van de kwaliteit van het broedgebied. Om het broedgebied te versterken is een geoptimaliseerd, op weidevogelhabitat gericht peilbeheer en vegetatiebeheer noodzakelijk. Het gaat daarbij niet alleen om goede broedlocaties, maar ook om kuikengraslanden waar jonge vogels voedsel kunnen vinden. Een op weidevogels afgestemd waterpeil is van cruciaal belang om het leefgebied van weidevogels te optimaliseren. In zowel Kinsel als De Munt functioneert het watersysteem niet naar behoren. Ook kan het beheer worden verbeterd. Daartoe heeft Staatsbosbeheer een aantal voorstellen tot maatregelen gedaan, die door de TAC positief beoordeeld zijn.
Het gaat om een reeks zorgvuldig in het landschap ingepaste maatregelen zoals het realiseren van natuurlijke, flauw gedimensioneerde oeverprofielen, het verstevigen van beheerpaden, het graven van
Bosmanmolentje
19
Tolhuistuin tentdoek
smalle een nieuwe watergang en het aanleggen van schelpeneilandjes. Daarnaast wordt een aantal bouwkundige werken aangebracht voor het uit- en inlaten van water zoals dammen, keerwandjes, stuwtjes en een faunapomp zijn bescheiden en uitgevoerd met Europees hardhout en combihout. Het toepassen van een klassiek Bosmanmolentje is kenmerkend voor de polder. Een slimme, zelf bedienende oplossing voor het eeuwenoude probleem van waterbeheer in laaggelegen gebieden. Het is een iconisch symbool van de Nederlandse waterbeheersing, wat nu gebruikt gaat worden om een van Amsterdams belangrijkste weidevogelgebieden te behouden.
20
Tolhuistuin: een groene parel
Aanbeveling 6 Geef prioriteit aan een groenvisie voor de Tolhuistuin en stel middelen beschikbaar om deze groene parel duurzaam in te bedden in de veranderende omgeving Een recent werkbezoek van de TAC-leden aan de Tolhuistuin onderstreepte opnieuw het belang van groen in de stad. Voor de TAC was het de (her)ontdekking van een verborgen parel. Met de torens van Overhoeks op de achtergrond biedt de Tolhuistuin een echte Central Park-beleving. Een oase van groen in contrast met de snelle, stenige stad. Aanleiding voor het werkbezoek was het uitblijven van een in 2016 gedane toezegging aan de TAC om binnen één jaar een visie op dit parkje te ontwikkelen. Dit gezien de tijdelijke objecten die hier waren verrezen in combinatie met de creatieve bottom-up activiteiten die hier plaatsvonden en sindsdien wegens succes zijn uitgebreid. De luifeltent staat er na ruim tien jaar nog. De tijd was blijkbaar nog niet rijp om hier actie op te ondernemen. Inmiddels wordt de urgentie ervan ingezien. Zowel vanuit kansen als
Weteringpark artist impression
Weteringpark: van verkeersknooppunt naar groen buurtpark bedreigingen. Zo baart het de TAC zorgen dat er aan de rand van dit stuk Hoofdgroenstructuur ter hoogte van de Buikslotermeerweg kiosken zijn verrezen waarvan recentelijk de contracten meerjarig zijn verlengd, zonder dat de TAC hierin is gehoord. De TAC vraagt dan ook met klem om middelen beschikbaar te stellen om deze groene parel in te bedden in de veranderende omgeving, zodanig dat meer mensen hier blijvend van kunnen genieten. Voor de Tolhuistuin ligt er een prachtige kans dit ‘pocketpark’ opnieuw te verbinden met de stad en het toegankelijk en beleefbaar te maken voor een breder publiek. Het verwijderen van de hoge prikkeldraadhekwerken en het herstellen van de verbinding met het oude Tolhuis zijn hierbij een belangrijke eerste stap. De oorspronkelijke relatie wordt daarmee opnieuw zichtbaar. Op oude prenten is goed te zien hoe het gebied rond het Tolhuis ooit een populaire uitgaansplek was met terrassen en muziek. Ook voor het paviljoen, dat nu met de achterkant aan het park grenst, ligt hier een kans zich richting het park te openen en gebouw en groen met elkaar te verbinden. Het park zelf vraagt om een nieuw ontwerp dat is gebaseerd op de historische kwaliteiten en het ‘DNA van de plek’.
Dat vormt de basis voor een samenhangend, lommerrijk parkbeeld: een groene bedding waarin de verschillende publieksfuncties een plek kunnen krijgen. Zo krijgt Amsterdam er opnieuw een levendig stadspark bij, een plek die gezien en beleefd mag worden.
Het Weteringcircuit en de naastgelegen Weteringplantsoenen worden omgevormd tot een groen buurtpark. De TAC heeft in respectievelijk 2021 en 2022 een preadvies (strekking positief onder voorwaarden) gegeven over de herinrichting van het oostelijke deel, het Tweede Weteringplantsoen. In oktober 2025 bleek de TAC niet benaderd voor definitief advies, terwijl een definitief ontwerp van het park inmiddels gereed was. Bij evaluatie door het secretariaat van de TAC bleek dat een aantal punten uit de preadvisering naar tevredenheid waren overgenomen. Over de inhoud was de TAC met uitzondering van de hoge mate van verharding en het buurtgerichte karakter tevreden. Over het adviesproces daarentegen minder, wat door de projectgroep werd toegeschreven aan personeelswisselingen binnen de gemeentelijke organisatie. De speeltuin wordt naar het noorden opgeschoven, zodat er meer ruimte is voor het park langs de Singelgracht. In het ontwerp van de speeltuin is gekozen voor kunstgras. Een niet erg natuurlijke oplossing, die wel invulling geeft aan de vele uren speelbehoefte in de buurt. Natuurgras zou op deze plekken binnen no-time verslijten tot uitgeholde blubberplassen. Ook leuk spelen, voor de kinderen, maar misschien niet helemaal de bedoeling van het ontwerp.
De vraag is of de gemeente ook hier het in Amsterdam ontwikkelde regenwater bergende en kwalitatief hoogwaardige zichzelf verkoelende kunstgras toepast, en zo bijdraagt aan klimaat21
adaptatie en oververhitting van het gras en de bezoekers op warme dagen weet te voorkomen. Toetsende aan de regels van de Hoofdgroenstructuur overschrijdt de gekozen inrichting van het plantsoen als geheel waarschijnlijk het maximum van 5% bebouwing en verharding. Het bekende pannenkoekenhuis De Carrousel is inmiddels afgebroken. Een mooi nieuw speeltuingebouw krijgt eenvoudige horecafaciliteiten voor de buurt en de speeltuingebruikers. Het park en de speeltuinvereniging vormen ondanks de omheining een organische natuurlijke eenheid. Ook het Van Randwijkmonument krijgt een meer zichtbare plek. In het ontwerp wordt de relatie versterkt met het westelijke deel, het Eerste Weteringplantsoen. In feite wordt met deze herinrichting recht gedaan aan Bolwerk De Wetering, waar in 1840 op het toen al verlaagde bolwerk een tuin werd aangelegd met de naam ‘Flora’. Dit park in wording sluit goed aan bij de vernieuwde wandelboulevard langs de Stadhouderskade tussen de Weteringlaan en de Museumbrug. Deze wandelboulevard is ontworpen met inbreng van omwonenden en in het bijzonder van de Stichting Green Mile, bestaande uit bedrijven en instellingen, gevestigd aan de Stadhouderskade vanaf het Rijksmuseum tot aan de Wibautstraat.
Het Weteringpark en de groene Stadhouderskade zullen in de nabije toekomst hopelijk tot inspiratie dienen voor de herinrichting van de overige voormalige bolwerken en de hele Singelgracht, vanaf de Haarlemmerpoort tot en met de Molen De Funen.
Zendmastvoorstellen in de Hoofdgroenstructuur
Aanbeveling 7 Organiseer stadsbrede regie en helderheid op waar en onder welke kwalitatieve vestigingsvereisten zendmasten geplaatst kunnen worden In 2025 kreeg de TAC wederom enkele adviesverzoeken langs om zendmasten in de Hoofdgroenstructuur te plaatsen: 1 op een sportpark, 1 bij de ingang van een centraal stadspark en 1 in het landelijk gebied. Dit terwijl het een ‘niet inpasbare voorziening’ vanuit het Hoofdgroenstructuur beleid is. 22
De TAC ziet helaas nog vaak dat het idee ‘waar groen en/of (semi) openbare ruimte is, de opvatting bestaat dat er ‘ruimte’ over is. Zij ziet het als haar taak te voorkomen dat dergelijke voorzieningen op basis daarvan in de Hoofdgroenstructuur terechtkomen, zowel vergunningsvrij als op vergunning plichtige basis. In plaats van te reageren op locatievoorstellen die voortkomen uit wensen vanuit de telecommunicatie-aanbieders (technische haalbaarheid, een lage prijs en geringe weerstand), is er stadsbrede regie en helderheid gewenst op waar en onder welk kwalitatieve vestigingsvereisten dergelijke voorzieningen geplaatst kunnen worden. De TAC vraagt aandacht voor agendering hiervan.
Tijdelijke bouwwegen in het veenweidegebied In 2025 kreeg de TAC wederom enkele ad-
Aanbeveling 8 Schrijf een structureel andere werkwijze en bouwtechniek voor in het landelijk gebied voor bouwprojecten als deze negatieve gevolgen hebben voor de bodemstructuur viesverzoeken langs om tijdelijke bouwwegen door het veenweidegebied aan te leggen, benodigd voor bouwactiviteiten of onderhoud aan infrastructuur elders in het gebied. Twee aanvragen hadden betrekking op een routing ter hoogte van de Liergouw, bij Zunderdorp was er behoefte om een tijdelijk bouwdepot te verlengen. Een oplossing die richting bewoners al toegezegd was om de dorpskernen en lintbebouwing te ontlasten van het zware bouwverkeer. Dat dit tot onomkeerbare schade aan dit cultuurhistorisch unieke veenweidelandschap, de bodem en de natuurwaarden leidde, leek daaraan ondergeschikt. Een dergelijke risico inschatting ten tijde van de vergunningverlening voor de sloop-nieuwbouw had al ingecalculeerd moeten worden. Het vervolgens afwentelen op het landschap beschouwt de TAC als een niet acceptabel alternatief vanuit de landschappelijke doelstellingen voor dit gebied. Bovendien schept het een precedent richting een groeiend aantal tijdelijke bouwweg- en depot aanvragen
in Landelijk Noord, waar krappe infrastructuur en kwetsbare bebouwing en landschap overal spelen. De TAC heeft in haar adviezen aangegeven behoefte te hebben aan een bestuurlijke standpunt inzake deze principiële kwestie. De weg van de minste weerstand is de makkelijkste, maar gaat in tegen de wens van duurzaam landschapsbehoud. Een vereiste om het bouwverkeer met lichtere of kleinere voertuigen uit te voeren is wellicht kostbaarder, maar vanuit de doelstellingen van landschapsbehoud voor de hand liggend. Een werkwijze en materieeltoepassing op maat, die op andere kwetsbare plekken in de historische binnenstad van Amsterdam en in dorpskernen in het land al jaar en dag gangbaar is, vraagt om navolging in het landelijk gebied.
23
Vergunningsvrije bouwrechten in het landelijk gebied
Aanbeveling 9 Onderzoek in welke mate vergunningsvrije bouwrechten aan de orde zijn op erven in Waterland en op welke wijze deze alsnog ingeperkt kunnen worden, danwel het beleids- en toetskader Stadsrandpolder Waterland hierop bijgesteld kan worden Bij een aantal casussen werd de TAC dit jaar geconfronteerd met het feit dat er ruime vergunningsvrij bouwrechten op kavels rusten in Landelijk Noord. Op basis van landelijke wetgeving en overname hiervan in het Omgevingsplan, mogen bij het hoofdgebouw behorende bouwwerken (aanbouwen, uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen) vergunningsvrij worden bijgebouwd afhankelijk van de grootte van de kavel. Ook op adressen waar op basis van de voormalige ‘ruimte voor ruimte’ regeling van de provincie Noord Holland agrarische erven zijn opgeruimd en waarbij vaak na een lang proces afspraken zijn bereikt over het aantal terug te bouwen woningen en de oppervlakten hiervan. De TAC heeft dit gegeven vanuit het Omgevingsplan als een voldongen feit te beschouwen. Echter niet zonder het
Waterland
gemeentebestuur erop te attenderen dat dit in gaat tegen de in de ‘beleidsvisie en toetsingskader Stadsrandpolder Waterland’ opgenomen voorwaarde voor beëindiging van agrarische erven. Deze stelt dat ‘met het verwijderen van gebouwen en het weg bestemmen van bouwmogelijkheden ruimtelijke winst wordt behaald “en extra bebouwing in de toekomst wordt voorkomen”. De landschappelijke winst blijkt in de praktijk daardoor minder vergaand dan voorzien of destijds vanuit het bestemmingsplan van Landelijk Noord voorzien. In welke mate vergunningsvrije bouwrechten aan de orde zijn op erven in Waterland en de vraag of deze alsnog ingeperkt kunnen worden vanuit het Omgevingsplan acht de TAC in dat kader het onderzoeken waard. In het geval dit doelbewust wordt toegestaan vraagt dit om bijstelling van het beleids- en toetskader Stadsrandpolder Waterland, waarvoor de TAC al langer aandacht voor actualisatie vraagt aangezien deze niet meer in lijn is met wat het provinciale beleid hier toestaat.
Knellende beleidsambities voor groen en sport op sportparken
Aanbeveling 10 Beslecht het gesignaleerde spanningsveld tussen de beleidsambities van groen en sport op sportparken Aanbeveling 11 Stel een ruimtelijke visie op voor sportparken die naast de ambitie op sport en bewegen de groenambitie per sportpark inzichtelijk maakt, waar initiatieven op sportparken aan getoetst kunnen worden en welke door vertaald kunnen worden in het te actualiseren Hoofdgroenstructuurbeleid Het afgelopen jaar heeft de TAC relatief veel adviesverzoeken binnen het groentype ‘sportpark’ ontvangen. Daarbij viel het op dat de wenselijk24
heid van dergelijke initiatieven vooral vanuit de sportambitie worden gemotiveerd. Een ruimtelijke visie en/ of groenvisie op het sportpark als geheel ontbreken veelal. De ligging in en toetsing aan de Hoofdgroenstructuur wordt daarbij als procesmatige ballast ervaren. Dit terwijl de initiatieven veelal gepaard gaan met verlies aan groen en hier veelal niks tegenover gesteld wordt. Tegelijkertijd worden de groenwaarden van sportparken wel onderstreept vanuit het sportbeleid in het algemeen: denk aan de groene belevingswaarde en de bijdrage aan biodiversiteit en klimaatadaptatie. Omgekeerd stelt het Hoofdgroenstructuur beleid grenzen aan de mate van bebouwing en verharding op sportparken, die de intensiverings- en verbredingsopgave van de sportparken beperken. Dit terwijl het Hoofdgroenstructuur beleid tegelijkertijd vraagt om de openbaarheid van sportparken in de stad te vergroten. Kortom, de TAC signaleert verschillende stedelijke beleidsambities op sportparken, die in de praktijk moeilijk verenigbaar zijn.
In hoeverre mogen er bijvoorbeeld squash-, tennis- of padelbanen worden toegevoegd aan sportparken als dit ten koste gaat van groen en groene omlijstingen op sportparken? Sportparken hebben met de introductie van kunstgras en functieverbreding de afgelopen decennia een grote transformatie doorgemaakt, waardoor de groenwaarde van sportparken steeds verder onder druk lijkt te komen staan. Richting actualisatie van het Hoofdgroenstructuurbeleid is het wenselijk om de sport- en groenambities met elkaar in overeenstemming te brengen aangezien ze onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn en elkaar versterken. De hamvraag of (bepaalde) sportparken nog langer onderdeel uit moeten maken van de Hoofdgroenstructuur maakt hier onderdeel van uit. Wat de TAC betreft wél, maar dan met veel meer focus op behoud en versterking van de groene omzomingen en minder op het sportaanbod daarbinnen. Dit is veel belangrijker dan te vervallen in een discussie of kunstgrasvelden wel of niet als m2’s groen meegeteld mogen worden. De sportparken liggen ruimtelijk gezien namelijk op dusdanig strategische plekken in de Hoofdgroenstructuur dat het algeheel schrappen ervan uit de Hoofdgroenstructuur zou resulteren in een groene gatenkaas, die van binnenuit uitnodigt om verder uitgehold
te worden door andere stedelijke functies dan groen en sport. De groene verbindingen die langs en soms over de sportparken lopen zijn essentieel om de Hoofdgroenstructuur als geheel robuust te maken en houden. Door per sportpark de groenkwaliteiten te definiëren en deze ruimtelijk in de Hoofdgroenstructuur te bestendigen, bereik je dat sportparken een duurzame groenkwaliteit waarborgen voor mens, dier en klimaat.
Tijdelijke blaashallen op sportparken
Aanbeveling 12 Presenteer een stedelijke visie op de toepassing van blaashallen op sportparken die inzicht biedt in waar en onder welke ruimtelijke randvoorwaarden deze al dan niet in de Hoofdgroenstructuur zijn toegestaan. De TAC kreeg dit jaar weer een verzoek langs om voor een aantal jaar gedurende de wintermaanden een blaashal te mogen plaatsen op een sportpark, zodat er in de wintermaanden zaalhockey gespeeld kan worden. Het Hoofdgroenstructuur beleid uit 2011 doet geen uitspraken over blaashallen, anders dan dat een dergelijke voorziening tijdelijk tot extra (grootschalige) bebouwing leidt die veelal het maximaal toegestane percentage van bebouwing plus verharding overschrijdt. Doch tegelijkertijd ook bijdraagt aan de beleidsambitie om sportparken meer intensief en jaarrond te gebruiken. De wens van de betreffende hockeyvereniging om gedurende de wintermaanden door te kunnen sporten is ons duidelijk. Normaliter
25
Sportelementen in Rembrandtpark
wordt daarvoor plek geboden in sporthallen, veelal buiten sportparken. Het feit dat er al vele jaren een structureel tekort aan ruimte voor zaalhockey is in Amsterdam gedurende de winterperiode, is aanleiding om in de vorm van een blaashal op het sportpark toch in deze behoefte te kunnen voorzien. Dit stelt de TAC voor 2 dilemma’s: een ruimtelijk afwegingskader in deze ontbreekt en plaatsing van blaashallen (en bijbehorende technische installatie en opslagcontainer) in de Hoofdgroenstructuur wordt gevraagd omdat hier ruimte en faciliteiten zijn waar deze elders ontbreken. Zeker als daarvoor tijdelijke termijnen van 15 tot 20 jaar worden opgevoerd. Tegelijkertijd kan er met blaashallen op sportparken bij aanhoudende ledengroei van verenigingen een verdergaande optimalisatie van de gebruiksmogelijkheden voor de sport behaald worden. De TAC drong er in 2019 al bij het college van B&W op aan, zich in navolging op de discussie over kunstgras te buigen over de wenselijkheid van de opmars van (tijdelijke) blaashallen op de Amsterdamse sportparken als onderdeel van de Hoofdgroenstructuur.