CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2_Hoofdlijnen isolatie- en sociaal-maatschappelijke opgaven_15.06.docx

Raadscommissie Duurzaamheid en Circulaire economie 6 juli 2023, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Kennisnemen van de raadsinformatiebrief over de voortgang en de uitgangspunten voor de sturing van het isolatieoffensief (VN2023-014312)3.210 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Kleine Koppel 26 3812 PH Amersfoort +31 (0)33 3036800 info@overmorgen.nl overmorgen.nl IBAN NL48RABO0145534111 BIC RABONL2U BTW 8145.82.035.B01 KVK 27243218

Memo AAN

:

Gemeente Amsterdam

VAN

:

Over Morgen, CE Delft

KOPIE

:

[CC]

DATUM

:

01-06-2023

ONDERWERP

:

Hoofdlijnen isolatieopgave en sociaal-maatschappelijke urgentie tbv Isolatieoffensief

Inleiding Amsterdam heeft aan de combinatie Over Morgen – CE Delft gevraagd om inzicht te bieden in de isolatieopgave in Amsterdam. Een deelvraag binnen deze opdracht is om in kaart te brengen waar de woningen het slechtst geïsoleerd zijn en waar dit een overlap kent met buurten met sociaal-maatschappelijke opgaven. Om invulling te geven aan ongelijk investeren voor gelijke kansen, wil het college de projecten voor de korte en middellange termijn meer gaan richten op woningen en complexen waar de isolatieopgave groot is en die staan in buurten waar sociaal-maatschappelijke opgaven spelen. Deze notitie behandelt de volgende deelaspecten van de isolatieopgave: 

Huidige isolatiegraad: dit aspect geeft een beeld van de technische component van de opgave: hoeveel woningen zijn er uiteindelijk te isoleren, waar in de stad en in welke mate?

Sociaal-maatschappelijke urgentie: dit aspect geeft een beeld waar er op basis landelijke en gemeentelijke indicatoren sprake is van sociaal-maatschappelijke opgaven.

Uitspraken doen over de isolatieopgave betekent uitspraken doen over woningen. Daarom zijn zoveel mogelijk gegevens geaggregeerd vanuit het niveau van individuele woningen. Vaak zijn gegevens echter niet op dat niveau beschikbaar, en moet worden volstaan met geaggregeerde gegevens op het niveau van statistische eenheden zoals postcodes, vierkanten of buurten (bijvoorbeeld energieverbruik). Anderzijds, sommige gegevens zijn wel beschikbaar op individueel woningniveau, maar hebben kwalitatieve gebreken waardoor de isolatieopgave er niet feilloos uit is af te leiden (bijvoorbeeld energielabels). Ook werken we met modellen om de werkelijkheid te kunnen benaderen. De onderzoeksresultaten kunnen niet op woningniveau gebruikt worden omdat deze resultaten significant kunnen afwijken van de werkelijke situatie. Op complexniveau geven de resultaten een redelijk signalement voor de isolatieopgave, maar is het wel wenselijk om de werkelijke situatie te schouwen voor een plan wordt gemaakt. Op buurtniveau geeft het een redelijk betrouwbare inschatting, waarbij in grensgevallen een vertekend beeld kan zijn met de werkelijke situatie. In het algemeen geldt voor dit onderzoek: hoe hoger het schaalniveau, des te betrouwbaarder de resultaten.

Huidige isolatiegraad Voor het bepalen van de huidige isolatiegraad zijn drie gangbare methodes onderzocht. Alle drie methodes hebben voor- en nadelen en zijn uiteindelijk een benadering van de werkelijkheid. 1. Op basis van afgemelde (of: geregistreerde) energielabels. Deze methode probeert een uitspraak te doen over de theoretische energiezuinigheid van een woningschil aan de hand van het energielabel. De methode houdt geen rekening met werkelijk energie- en warmteverbruik. 2. De absolute warmtevraag voor ruimteverwarming van woningen, uitgedrukt in GJ/jaar. Voor deze methode is een model van PBL1 (april 2023) gebruikt dat de warmtebehoefte en het energieverbruik van woningen inschat op basis van gemiddelde praktijkwaarden van woningen met dezelfde bouwtechnische kenmerken. 3. De relatieve warmtevraag voor ruimteverwarming, uitgedrukt in kWh/m2/jaar.2 Deze methode gebruikt hetzelfde model als methode 2 maar corrigeert de warmtevraag voor woningoppervlakte (grotere woningen verbruiken in de regel meer energie).

Sociaal-maatschappelijke opgaven Ongelijkheid werkt door op elk terrein en is hardnekkig om te bestrijden. Vanuit de gemeente is meegegeven dat er naar verschillende terreinen gekeken moet worden. Een gelijker Amsterdam gaat over een goede gezondheid, goed onderwijs, een inkomen om van te leven, goed werk, een fijn huis en een veilige buurt. Deze ongelijkheid kan niet worden opgelost door één van deze onderdelen te verbeteren. Wel kan het zo zijn dat het verbeteren van één onderdeel, bijvoorbeeld de woning, een positief effect heeft op andere onderdelen. Vanuit de gemeente is daarom meegegeven dat er in dit onderzoek niet alleen gekeken moet worden naar de technische staat van woningen, maar ook naar de sociaal-maatschappelijke opgaven in Amsterdam. Dit zijn gegevens over de hierboven genoemde factoren. Om een volledig beeld te krijgen van de opgaven zijn verschillende onderzoeken gebruikt. Voor het bepalen van de sociaal-maatschappelijke opgaven is breed gekeken naar verschillende onderzoeken die hier betrekking op hebben. Er zijn twee onderzoeken gebruikt die op buurtniveau zijn uitgedrukt (518 buurten in Amsterdam) en een op wijkniveau.

De drie methodes zijn: a) Energiearmoede, zoals onderzocht door TNO.3 In dit onderzoek is gekeken hoeveel huishoudens per wijk voldoen aan minstens één van twee gangbare definities van energiearmoede, te weten ‘laag inkomen, hoge energierekening’ (LIHE) en ‘laag inkomen, lage energetische kwaliteit’ (LILEK). Dit onderzoek wordt door het Rijk gebruikt in het beleid rondom energiearmoede. Ook de gemeente gebruikt dit onderzoek om bijvoorbeeld de inzet van de Energiebespaarservice te sturen. b) Leefbaarometer, een landelijke indicator voor leefbaarheid van een buurt. De Leefbaarometer maakt gebruik van vijf dimensies om de leefbaarheid te meten: woningvoorraad, fysieke omgeving, voorzieningen, sociale samenhang en overlast en onveiligheid.4 De Leefbaarometer wordt door het Rijk gebruikt in het programma Leefbaarheid en Veiligheid. Op basis van het onderzoek zijn landelijk focusgebieden (in Amsterdam Zuidoost en Nieuw-West) bepaald waar via het Volkshuisvestingsfonds middelen aan worden toegekend.

1PBL: https://www.pbl.nl/gemeentebestand-referentieverbruik-warmte-woningen. Meest recent gepubliceerde studie betreft absolute warmtevraag. 2 Warmtevraag uitgedrukt in kilowattuur per vierkante meter woonoppervlak (kWh/m2) per jaar. Een kilowattuur (symbool kWh) is een

hoeveelheid energie. De meeste mensen associëren kWh met elektriciteit. Als je een lamp met een vermogen van 1 kW één uur laat werken heeft hij een energie van 1 kWh stroom gebruikt. De afspraak is om Europees zoveel als mogelijk alle vormen van energie uit te drukken in kWh, zodat verschillende soorten energie beter met elkaar vergelijkbaar worden. Zo ook de warmtevraag. Door deze uit te drukken in kWh per vierkante meter woonoppervlak (kWh/m2) per jaar kan de warmtevraag van verschillende woningtypes en woninggroottes goed met elkaar vergeleken worden, of ze nu verwarmd worden met een gasketel, middels een warmtenet of met een warmtepomp 3 TNO: https://www.tno.nl/nl/newsroom/2023/01/energiearmoede-onderzoek-2022/ 4 Rijksoverheid: https://www.leefbaarometer.nl/home.php

2

c) Het dashboard ‘Buurtfocus’. Dit is een Amsterdamse methode die inzicht geeft in de stapeling van opgaven op twee thema’s: sociale en ruimtelijke opgaves. Voor dit onderzoek zijn de gegevens over de sociale thema’s meegenomen. Binnen dit thema zijn scores over de onderwerpen jeugd, meest kwetsbare bewoners, ouderen, gezondheid en welbevinden van inwoners en werk en inkomen meegenomen. De scores per buurt worden relatief ten opzichte van het stedelijk gemiddelde uitgedrukt als zeer gunstig tot zeer ongunstig. Het onderzoek is uitgevoerd door het team onderzoek stadsdelen om een holistisch beeld te geven van gebiedsgerichte opgaven en dient als aanvulling op Gebied in beeld. Het maakt hiervoor gebruik van gegevens uit het Basisbestand Gemeente Amsterdam.

Resultaten Technische opgave 

De eerste stap is het afbakenen van de woningen waar energiebesparing door middel van isolatie mogelijk of zinvol is. Deze afbakening is gelegd bij woningen gebouwd na 2005, woningen die beschikken over een afgemeld energielabel A of beter, of woningen met bij de gemeente bekende plannen tot sloop. Woningen die voldoen aan de eerste twee criteria voldoen al aan de landelijke isolatiestandaard voor naoorlogse woningen5, en wat in de Transitievisie Warmte het ‘hoge isolatieniveau’ is genoemd6. De relatieve warmtevraag voor ruimteverwarming die past bij dit niveau is niet hoger dan 50 kWh/m2/jaar. Zo gedefinieerd zijn er ongeveer 356.000 woningen in Amsterdam die nog niet voldoen aan dit criterium, en waar dus in meer of mindere mate een isolatieopgave is. Dit bedraagt ca. 74% van de woningvoorraad. Deze woningen komen in vrijwel de hele gemeente voor, behalve in buurten die uitsluitend uit nieuwbouwwoningen bestaan.

Op basis van de afgemelde (geregistreerde) energielabels heeft 66% van de woningen een isolatieopgave (energielabel B of slechter), en 15% een zeer grote isolatieopgave (energielabel E of slechter). Afgemelde energielabels zijn echter niet representatief voor de hele voorraad. Ongeveer één op de drie Amsterdamse woningen heeft nog geen afgemeld energielabel. Er ontstaat een onderschatting van de isolatieopgave omdat nieuwere of gerenoveerde, en dus goed geïsoleerde woningen vaker een afgemeld energielabel hebben. Bovendien ontstaat er een onderschatting van de woningen met een zeer grote isolatieopgave (energielabel E of slechter) omdat het energielabel ook wordt beïnvloed door factoren die niets met isolatie te maken hebben, zoals aansluiting op een warmtenet of zonnepanelen. Ook weten we dat de energielabelsystematiek een aantal keer is gewijzigd en de oude systematiek minder goed is dan de nieuwe. Daarnaast is gebleken dat energielabels kunnen verschillen door een verschil in opnamekwaliteit tussen bureaus. Van de bijna 46 duizend woningen met een energielabel E, F of G (zie kaart 1 in de bijlage) bevindt de helft van de opgave zich in stadsdelen Zuid (14 duizend) en West (10 duizend). De andere helft van de opgave is redelijk gelijkmatig verdeeld over de andere stadsdelen.

Hierbij valt op dat op basis van afgemelde energielabels de isolatieopgave in stadsdeel Zuidoost klein lijkt.7

Op basis van de absolute warmtevraag is vast te stellen dat een gemiddelde Amsterdamse woning 26,6 GJ warmte per jaar vraagt voor ruimteverwarming. Dit gemiddelde kent een grote spreiding tussen buurten. Bij de woningen met een sterk hogere absolute warmtevraag van meer dan 35 GJ/jaar (zie kaart 2 in de bijlage) valt op dat deze zeer geconcentreerd zijn in stadsdeel Zuid en Centrum. Het gaat in totaal om ongeveer 45 duizend woningen, waarvan een kleine 15 duizend in stadsdeel Zuid en ruim 9 duizend in stadsdeel Centrum. De gemiddelde grootte van deze woningen

5 Rijksoverheid: https://www.rvo.nl/onderwerpen/wetten-en-regels-gebouwen/standaard-streefwaarden-woningisolatie 6 Gemeente Amsterdam: https://overmorgen.nl/wp-content/uploads/2020/09/tvw-amsterdam.pdf 7 In de praktijk is gebleken dat dubbelglas in de oude energielabelsystematiek te goed werd beoordeeld waardoor er relatief veel energielabels C

zijn in Zuidoost.

3

met een warmtevraag van >35 GJ/jaar is 142 m2 en dus veel groter dan gemiddeld voor Amsterdam (77 m2). Vandaar ook dat stadsdelen Zuid en Centrum eruit springen. 

Op basis van de relatieve warmtevraag stellen we vast dat de gemiddelde Amsterdamse woning 105,8 kWh/m2/jaar verbruikt voor ruimteverwarming. Uit de analyse komt dat >130 kWh/m2/jaar telt als significante hogere warmtevraag. Dat zijn in totaal ongeveer 52 duizend woningen (zie kaart 3 in de bijlage). Deze methode laat een minder grote spreiding tussen buurten zien. Dit is te verklaren doordat deze methode corrigeert voor woningoppervlakte, een van de belangrijkste voorspellers voor warmteverbruik. Op stadsdeelniveau staat in woningaantallen met een significant hoge relatieve warmtevraag (>130 kWh/m2/jaar) Centrum (12 duizend) bovenaan gevolgd door Nieuw-West (9 duizend), West (8,5 duizend), Zuid (8,5 duizend) en daarna Noord (7 duizend).

Conclusie methode bepalen isolatieopgave Vooropgesteld, alle methodes hebben gebreken en doen aannames bij gebrek aan betrouwbare gegevens op woningniveau. De relatieve warmtevraagmethode (uitgedrukt in kWh/m2/jaar) lijkt de meest geschikte methode om de isolatieopgave verder mee te kwantificeren. Deze methode dekt de volledige woningvoorraad af, houdt rekening met de werkelijke woningoppervlakte, en is vanwege het achterliggende model zoveel mogelijk gecorrigeerd voor praktijkwaarden die invloed hebben op het verbruik, waaronder woningtype, bouwjaar, maar ook huishoudenssamenstelling en stookgedrag. Bovendien werkt ook de Standaard voor woningisolatie met een relatieve warmtevraag. Dat betekent overigens niet dat de andere methodes daarmee nutteloos zijn. Energielabels kunnen bijvoorbeeld gebruikt worden om selecties te verfijnen of aan te vullen, en de absolute warmtevraagmethode is bijvoorbeeld geschikt om voorspellingen te doen over de hoogte van energierekeningen. Dit levert voor Amsterdam het volgende beeld betreft de isolatieopgave: 

Er zijn 52 duizend woningen (14%) met een isolatieopgave en een zeer hoge warmtevraag (meer dan 130 kWh/m2/jaar);

Er zijn 146 duizend woningen (41%) met een isolatieopgave en een hoge warmtevraag (tussen 100 en 130 kWh/m2/jaar);

De overige 158 duizend woningen (45%) met een isolatieopgave hebben een matige tot gemiddelde warmtevraag (minder dan 100 kWh/m2/jaar).

Sociaal-maatschappelijke opgaven De drie onderzoeken die zijn gebruikt voor het bepalen van de sociaalmaatschappelijke urgentie zijn gecombineerd. Voor alle onderzoeken geldt dat de uitkomsten aangeven waar er, sociaal-maatschappelijke opgaven zijn, veelal in verhouding met de rest van Amsterdam. De onderzoeken geven niet aan wat de oorzaak van die opgaven zijn. Door dit te combineren met gegevens over de isolatiegraad van woningen wil de gemeente deze onderzoeken gebruiken om te zien waar woningverbetering ook zou kunnen bijdragen aan het verbeteren van de algehelesociaal-maatschappelijke opgaven. Allereerst kijken we naar de buurten die naar voren komen uit de drie genoemde studies om zo de buurten in beeld te hebben waar sprake is van een sociaal-maatschappelijke urgentie: a) Bezien vanuit de opgave van energiearmoede kampt volgens TNO 10,7% van de huishoudens in Amsterdam met energiearmoede. Deze huishoudens zijn niet gelijkmatig over de stad verdeeld. In ca. 58 van de 518 buurten komt energiearmoede bovengemiddeld voor (>15%, zie kaart 4). In 15 buurten is het percentage hoger dan 20%. Deze buurten liggen in Noord, Zuid en Nieuw-West. Dit zijn allemaal buurten met relatief veel woningcorporatiebezit. b) De Leefbaarometer laat zien dat 36 buurten in Amsterdam een ‘onvoldoende’ tot ‘zeer onvoldoende’ scoren.

Dit aantal stijgt naar 69 als ook buurten met score ‘zwak’ meetellen (zie kaart 5 in de bijlage). Ook deze indicator heeft een sterke vertegenwoordiging van buurten in stadsdelen Nieuw West en Zuidoost en, in mindere mate, in Noord.

4

c) Het dashboard Buurtfocus geeft 126 buurten aan (zie kaart 6 in de bijlage) waar een stapeling van opgaves is, aangeduid met ‘iets ongunstig’ tot ‘zeer ongunstig’. Deze buurten concentreren zich in stadsdelen Nieuw-West, Noord, West en Zuidoost. Voor het bepalen van de sociaalmaatschappelijke urgentie zijn de drie onderzoeken naast elkaar gelegd. De scores van verschillende onderzoeken tellen niet op, maar worden naast elkaar gebruikt. Dit werkt als volgt: 

Zeer veel of grote sociaal-maatschappelijk opgaven: buurten die in de Leefbaarometer onvoldoende t/m zeer onvoldoende scoren plus buurten die in de Buurtfocusstudie ongustig of zeer ongustig scoren aangevuld met buurten die in de TNO studie 20% of meer energiearmoede kennen. Dit zijn in totaal 91 buurten (zie kaart 7 in de bijlage); Veel of grote sociaal-maatschappelijk opgaven: buurten die in de Leefbaarometer als zwak naar voren komen plus buurten die in de Buurtfocusstudie iets ongunstig scoren aangevuld met buurten uit de TNO studie met 15 tot 20% energiearmoede. Dit betreft 74 buurten (zie kaart 8 in de bijlage). Minder of geen sociaal-maatschappelijke opgaven: dit zijn de overige 324 buurten (exclusief Westpoort).

Als we kijken naar de buurten met een zeer urgente sociaal-maatschappelijke opgave dan zijn deze als volgt over de stadsdelen verdeeld (tabel 1): Tabel 1: Verdeling sociaal-maatschappelijke opgaven over stadsdelen

Stadsdelen

Zeer veel of grote sociaalmaatschappelijk opgaven (91 buurten)

Veel of grote sociaalmaatschappelijk opgaven (74 buurten)

Percentage Minder of geen sociaal- buurten met maatschappelijke sociaalopgaven (324 buurten maatschappelijk excl. Westpoort) (zeer) veel of grote opgaven 18 63%

Zuidoost

27

3

Nieuw-West

26

12

30

56%

West

4

26

37

45%

Noord

19

9

38

42%

Oost

8

11

57

25%

Zuid

5

11

60

21%

Weesp

1

2

15

17%

Centrum

1

0

69

1%

Combinatie van isolatieopgave en sociaal-maatschappelijke opgaven

5

Wanneer de technische opgave (volgens de relatieve warmtevraagmethode) wordt gecombineerd met de sociaal-maatschappelijke opgaven, ontstaat een beeld van waar de isolatieopgave van Amsterdam technisch groot is en waar er veel of grote sociaal-maatschappelijk opgaven zijn (zie kaart 9 en 10 in de bijlage). Het gaat om ongeveer 15,5 duizend woningen (4%) met een grote isolatieopgave in buurten waar zeer veel of grote sociaal-maatschappelijke opgaven zijn (zie tabel 2). Om ongeveer 68 duizend woningen (19%) met een middelgrote isolatieopgave in buurten waar (zeer) veel of grote sociaal-maatschappelijke opgaven zijnen ruim 9 duizend woningen (~3%) met een grote isolatieopgave en veel of grote sociaal-maatschappelijke opgaven.

Anders bekeken valt 26% van alle woningen met een isolatieopgave in de categorie ‘middelgrote tot grote isolatieopgave binnen buurten met (zeer) veel of grote sociaal-maatschappelijk opgaven’ (zie tabel 2). Bijna 30% van de woningen met een isolatieopgave valt in de categorie ‘middelgrote tot grote isolatieopgave in buurten met geen of weinig sociaal-maatschappelijke opgaven’. In totaal bevindt ruim de helft (57%) van de woningen met een isolatieopgave zich in buurten met geen of weinig sociaal-maatschappelijke opgaven.

In stadsdelen Nieuw-West, Noord en Zuidoost vallen de grote en middelgrote isolatieopgave grotendeels samen met buurten met (zeer) veel of grote sociaal-maatschappelijke opgaven. Vooral in stadsdelen Centrum en Zuid valt een aanzienlijk deel van de grote en middelgrote isolatieopgave in buurten met geen of weinig sociaal-maatschappelijke opgaven (zie ook kaart 11 in de bijlage).

De isolatieopgave van Amsterdam laat zich samenvatten als een piramide met een zeer brede basis en een smalle top (figuur 1). In de top van de piramide is niet alleen de technische isolatieopgave zeer groot, maar spelen ook zeer veel of grote sociaal-maatschappelijke opgaven.

Tabel 2: Verdeling van woningen met een isolatieopgave naar sociaal-maatschappelijke urgentie Zeer veel of grote Veel of grote sociaalGeen of weinig sociaalsociaal-maatschappelijk maatschappelijk opgaven maatschappelijke opgaven opgaven (74 buurten) (333 buurten) (91 buurten) Grote isolatieopgave 15.492 (4,3%) 9.336 (2,6%) 27.121 (7,6%) (vanaf 130 kWh/m2) Middelgrote isolatieopgave 37.128 (10,4%) 30.892 (8,7%) 77.997 (21,9%) (100 t/m 130 kWh/m2) Matige isolatieopgave 38.296 (10,8%) 22.920 (6,4%) 96.819 (27,2%) (tot 100 kWh/m2)

Figuur 1: Schematische weergave van de isolatieopgave van Amsterdam

15.000 woningen in 91 buurten met een grote isolatieopgave en zeer veel of grote sociaalmaatschappelijk opgaven 77.000 woningen met een middelgrote isolatieopgave en (zeer) veel of grote sociaal-maatschappelijk opgaven óf woningen met een middelhoge isolatieopgave in buurten met (zeer) veel of grote sociaal-maatschappelijk opgaven 263.000 woningen waar een behoorlijke tot hoge isolatieopgave is in buurten met geen of wienig sociaal-maatschappelijke opgaven of waar een matige isolatieopgave is in buurten met (zeer) veel of weinig sociaal-maatschappelijke opgaven

6

Bijlage Kaart 1: woningen met afgemeld (geregistreerd) energielabel E, F of G binnen de gemeente Amsterdam

7

Kaart 2: woningen met een isolatieopgave en een ingeschatte, absolute warmtevraag >35 GJ/jaar binnen de gemeente Amsterdam

8

Kaart 3: woningen met een grote relatieve warmtevraag >130 kWh/m2/jaar binnen de gemeente Amsterdam

9

Kaart 4: Buurten in Amsterdam uit de Energiearmoedemonitor van TNO (2022) met 15% of meer huishoudens met laag inkomen, hoge energierekening (LIHE) of laag inkomen, lage energetische kwaliteit woning (LILEK)

10

Kaart 5: Buurten in Amsterdam uit de landelijke Leefbaarometer met een score vanaf zwak tot zeer onvoldoende

11

Kaart 6: Buurten in Amsterdam uit de Buurtfocusstudie met een score vanaf iets ongunstig tot zeer ongunstig

12

Kaart 7: Buurten in Amsterdam met zeer veel of grote sociaal-maatschappelijke opgaven (3 onderzoeken gecombineerd)

Kaart 8: Buurten in Amsterdam met veel of grote sociaal-maatschappelijke opgaven

13

Kaart 9: Buurten in Amsterdam met veel en zeer veel sociaal-maatschappelijke opgaven in combinatie met een grote isolatieopgave (relatieve warmtevraag >130 kWh/m2/jaar)

Kaart 10: Buurten in Amsterdam met veel en zeer veel sociaal-maatschappelijke opgaven in combinatie met een grote isolatieopgave (relatieve warmtevraag 100 tot 130 kWh/m2/jaar)

14

Kaart 11: Totaal aantal woningen met een middelgrote en grote isolatieopgave (>100 kWh/m2/jaar) in combinatie met buurten in Amsterdam met veel en zeer veel sociaal-maatschappelijke opgaven

15

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12917302/1