Bijlage 2. Esssay Abdelkader Benali
Tekst van het document
Essay verbonden stad Abdelkader Benali Achraf Fikri, schrijver van beroep, die al de hele ochtend voorovergebogen over zijn notitieboekje in zijn huis in Nieuw-West schreef aan een brief, keek op: de donkere wolken die als een omgevallen bezemsteel boven Amsterdam hadden gehangen waren begonnen weg te trekken. De Amsterdam Arena waarvan hij het puntje van het dak kon zien ontving het eerste zonlicht, dan zou de Rivierenbuurt volgen en daarna de Zuidas met z’n glimmende wolkenkrabbers-in-aanbouw omringd door kranen, met elke minuut schoof het licht over de stad en veranderde het aanzien van de stad. Als in alle steden bewegen de bewoners ervan als zonnebloemen met het licht mee, schreef hij op en zette een punt. Het was natuurlijk gezichtsbedrog wat hij zag. Er was altijd licht. Het waren de wolken die de hoek omgingen en het zonlicht achterlieten. Tijd om naar buiten te gaan. De afgelopen dagen had hij geprobeerd grip op de snel veranderde situatie in zijn stad te krijgen door wat hij aan veranderingen meemaakte op te schrijven. Ingrijpende veranderingen over generaties uitgesmeerd hadden zich nu juist razendsnel voltrokken. Erover schrijven was Achrafs manier om deze intense transformatie onder ogen te zien.
En wat in eerste instantie een verslag van een verbijstering werd, kreeg de vorm van een liefdesbrief, want door het verlies te noteren, ontdekte hij ook waarom hij deze stad bijzonder vond. Het was twaalf uur. Hij zette radio 1 aan. Elke dag luisterde hij gespannen naar het nieuws zoals hij de afgelopen maanden, in afwachting van betere tijden, had gedaan. Alsof hij naar een oorlogszender luisterde, aandachtig, gevoelig voor elk binnenkomend nieuwsfeit. De doden werden geteld, de nieuwe opnames nauwkeurig bijgehouden. De pandemie was een bezettingsmacht die de stad in zijn greep hield, en niemand liet ontsnappen. Naar buiten gaan mocht alleen met inachtneming van alle veiligheidsmaatregelen, wat neerkwam op het dragen van een mondkapje, het afstand houden tot anderen en overal verplicht de handen wassen - de nieuwe etiquette die ons gedrag moest reguleren. “Dit was het NOS-journaal.” Waar het op neerkomt is dat echt contact voorlopig niet de bedoeling is. Maar wat is Amsterdam zonder contact? Een lege huls? Hij las terug wat hij geschreven had die ochtend. Pagina 1 van 10
Een herinnering aan een reis door een verlaten Amsterdam. Voor een afspraak in Amsterdam-Noord had ik de fiets gepakt - de pandemie was toen al lang en breed in de stad neergestreken, had alle toeristen verjaagd en de winkels op slot gegooid. Normaal gesproken is elke fietstocht in Amsterdam een anarchistisch avontuur waarbij het lastig is om een ideale lijn te houden, men moet zijn plekje op het fietspad bevechten. Deze keer was anders. Grote stukken fietste ik alleen door een verlaten Amsterdam. Alsof ik de stad cadeau had gekregen. Eerst genoot ik van de vrijheid die de leegte bood, want nooit eerder was ik zo snel door de stad gegaan, toen drong wat die leegte werkelijk betekende bij me binnen. Een stad zonder mensen is geen stad. Het is Tsjernobyl. De ruimte hebben is iets anders dan de leegte voelen. Ik fietste door een stad met een geschiedenis, zonder een toekomst, zwevend in het heden. De stilte voelde als verraad aan de mensheid. Zijn herinnering aan de fietstocht werd gevolgd door een herinnering aan het openbaar vervoer. Voor Achraf was de tram een bron van inspiratie. Als schrijver liet hij zich inspireren door het sappige Nederlands dat hij hoorde, het wereldwijze patois van de Amsterdammers waarin honderd andere talen doorklonken. De afgelopen weken werd er nog maar weinig gepraat in het openbaar vervoer. De pandemie leek ook de taal afgeschaft te hebben.
De laatste keer dat Achraf lijn 13 had naar Amsterdam-West kon hij de passagiers op een hand tellen, en wie instapte keek weg alsof ze een illegale praktijk ondernamen. Elke dag waren tienduizenden mensen niet alleen voor hun brood afhankelijk van die tram. Het was ook de plek waar ze elkaar zagen. Nu keek iedereen zwijgend voor zich uit, oogcontact voelde als een overtreding. Als er al werd gesproken dan ging dat in de vorm van aanwijzingen, de burger was handhaver geworden van zijn publieke ruimte. Om te ontspannen aan het verstikkende gevoel van gedwongen thuiszitten had hij zijn dochter meegenomen naar de Ten Katemarkt om brood te kopen. In bus snauwde een passagier hem af. Hij was achter haar gaan zitten om zijn dochter het beste uitzicht te geven, het was belangrijk voor Achraf dat voor zijn dochter de wereld gewoon doorging. Dit was hun uitje. “Anderhalve meter,” brieste ze, “anderhalve meter,” toen ze zag dat ze achter haar waren gaan zitten. Er was een onaangename confrontatie bij de groenteboer met een
Pagina 2 van 10
klant die vond dat zijn dochter te weinig afstand hield. Ze flipte. Ze begon tegen hem te tieren over de onverantwoorde vrijheid die hij zijn dochter toeliet. Hij noteerde in zijn notitieboekje: sinds we elkaar zijn gaan zien als bedreiging, vrees ik voor mijn medemens. Ik wil niet haten. Maar ik wil ook niet gehaat worden. Hij keek naar buiten, hij keek weer naar binnen. De zon was bijna in Nieuw-West aangekomen. Onder de herinnering aan de busreis schreef hij zijn voorlopige conclusie: De anderhalvemeter-samenleving leidde paradoxaal genoeg naast verwijdering ook tot een verruwing van de omgangsvormen. Nabijheid creëert humor. Wanneer je de ander ziet dan kan je hem ook bereiken. Humor slaat een brug naar de vreemdeling. De pandemie had de humor Amsterdam uitgejaagd. Wat gebeurt er met mensen als er geen plaats meer is voor humor? Dan treedt er vijandschap op. Niet laten gebeuren. Maar, hoe dan? Voorstel: trek een blik stand-up comedians open om in de wijken wat humor en verlichting te brengen opdat we niet vergeten dat we een opgewekt volk zijn. Een clown doet wonderen want clowns zijn gespecialiseerd in licht maken wat loodzwaar aanvoelt. Een keer zo hard lachen dat ik het in mijn broek moet doen. Wat verlang ik daarnaar. Anderhalvemetersamenleving. Anderhalvemetersamenleving. Anderhalvemetersamenleving.
Hoe meer hij op het woord kauwde, hoe nietszeggender het werd en hoe bozer hij werd. Het woord stond op gespannen voet met Amsterdam. Wie naar Amsterdam kwam, kwam naar Amsterdam om contact te maken. Deze stad was een openluchtlaboratorium die miljoenen ontmoetingen genereerde. Gedwongen afstand houden leidde tot meer wantrouwen. Wantrouwen was er al genoeg in de wereld. Hij dacht aan wat buitenlandse vrienden zeiden over zijn stad: “Hier kan ik mijzelf zijn. Vrijheid hangt hier in de lucht.” Met vrijheid bedoelde hij het gevoel van veiligheid waarin het talent voor contact maken gedijt. Hij schreef in blokletters: Opdracht aan Amsterdam: stuur de wereld een videoboodschap, vertel ze dat je aan ze denkt, dat je ze weer hoopt terug te zien, in betere tijden. Verstop je niet. Nu is het moment om het contact warm te houden.
Pagina 3 van 10
En dan moest je ook nog eens een mondkapje op wanneer je je begaf in het openbaar vervoer! De mondkapjes maakten de medemens tot een anonieme medereiziger. Iedereen zag eruit als een bankrover. Maar het mondkapje had iedereen al beroofd. Beroofd van zijn menselijkheid. En wie het niet droeg, die moest gecorrigeerd worden. Hoe konden we elkaar nog begrijpen als we elkaars gelaat niet meer konden zien? Was de prijs die we betaalden voor het onzichtbaar maken van het gezicht niet vervreemding? Hij keek uit zijn raam naar de bushalte en zag een jonge vrouw een mondkapje over haar gezicht trekken. Hij mistte de dikke rijen fietsen voor het stoplicht waar hij tussen stond. Hij miste het bushokje wanneer het regende en er net niet genoeg plek was om iedereen eronder droog te houden. Hij mistte de opeenhoping voor de bakker. Het geduldige gezamenlijke wachten. Hij miste de stad als lichaam, de chaos die inherent is aan het lichaam, het tegen elkaar opbotsen had plaatsgemaakt voor het elkaar moeten vermijden. Wat mistte hij nu dat contact. Die stadse chaos! De rommeligheid, de talloze kleine irritaties die de Ander oproept, de wanhoop wanneer je de pas afgesneden wordt. Hij miste zijn mensenhaat meer dan wat dan ook.
Een liefdesbrief aan de stad, een poging tot het maken van contact, een ode aan de chaos - zijn litanie was gaandeweg het schrijven een verkenning geworden van wat hij waardeerde aan deze stad. Amsterdam, ik loop graag door je. Ik herinner me zomerse dagen rond de Stadionbuurt in de zomer waarin ik helemaal niemand zag. Iedereen was op vakantie. De stad leek van mij. Maar die leegte was mooi omdat ik wist dat er een einde aan zou komen. Je zou weer gevuld raken. Mensen willen hier altijd graag terugkomen. Ik denk aan je kinderen, Amsterdam, en vraag me af of ze de kans krijgen om de stad te ontdekken. Hoe moeten ze groeien in deze stad verstoken van anderen om hen heen? Mijn dochter wil naar de kinderboerderij, ik fietste met haar naar die van ons om de hoek. Er hing een bordje tot nader order gesloten. Ook de dieren zien we niet meer. “Hebben ze ook het virus,” vroeg mijn dochter. Ik zag de teleurstelling in de ogen van mijn dochter over het ontbreken van een geit in haar leven. Wat mis ik de geiten van Amsterdam. Waar zijn ze gebleven?
Pagina 4 van 10
Achraf las in de krant dat niet alle kinderen die thuiszitten toegang hebben tot het digitale onderwijs. Hij vond het ook niet makkelijk om op het afgesproken tijdstip samen met zijn dochter achter de computer te kruipen om contact te maken met de meester. Soms haperde de wifi. Meestal ging het goed. De pandemie legde een pijnlijke waarheid bloot: voor sommige kinderen is thuis zijn, niet in de stad zijn. Is onzichtbaar zijn. Niet elk kind heeft een laptop. Niet elk kind heeft een ouder die een laptop kan bedienen. Niet elk kind heeft een ouder die de tijd heeft om de laptop te bedienen. Niet elk kind heeft een ouder. Niet elk kind heeft een kamer om huiswerk te maken. Het artikel in krant had ook kunnen heten: Hoe de kinderen verdwenen uit Amsterdam. School was voor deze kinderen de enige plek in hun leven waar ze tot rust konden komen, waar ze gezien werden. Het klaslokaal de plek waar ze de ruimte hadden. Elke dag dat ze niet naar school kunnen gaan neemt de achterstand toe. Als je moet opgroeien met afstand houden dan weet je op een dag niet meer hoe je contact moet maken. Contact maken leer je op school, alleen wat blijft erover van dat contact wanneer het niet meer kan?
Achraf schreef in zijn notitieboekje: Ik voorzie een generatie, Amsterdam, die niet meer weet hoe je Amsterdammer moet zijn. Die de tijd niet gegeven zal zijn om de medemens te leren kennen als fysieke aanwezigheid. Amsterdam, als je straks weer open bent, zorg er dan voor dat die kinderen weer aan kunnen sluiten. Hij stopte met schrijven. Zijn gedachten dwaalden af. Hij schreef: voor iemand die zijn inspiratie uit de chaos van de stad haalt is deze werkelijkheid onverdraaglijk.
Achraf trok zijn schoenen aan en liep naar de Sloterplas, notitieboekje in de binnenzak. De plas was niet ver weg. Het hart van het grootste stadsdeel van de stad bestond uit water.
Pagina 5 van 10
Hij ging op een bankje zitten - op een plek waar hij een dwarsdoorsnede van het park zag. Het voelde alsof hij iets illegaals deed. Zomaar even gaan zitten. Die bankjes dat waren vluchtheuvels. Het bankje maakte van het park een huiskamer. Een Marokkaanse moeder en dochter passeerden hem in wandelpas - het hoge tempo verbaasde hem, alsof het de eenzaamheid van de afgelopen weken moest verdrijven. Er zat verzet in die beweging. Veel meer dan voor de pandemie bewegen mensen hier. Ze moeten wat. Ze ontdekken de natuur. De parken. De fietspaden. Ze lopen rond met de verwondering van toeristen en de energie van marathonlopers. Hij had uitzicht over het grasveld en de bomen, hij had uitzicht over het looppad en het fietspad. Achraf verbaasde zich erover de transformatie van de parken. Voorheen het domein van hondenbezitters en joggers waren ze uitgegroeid tot de hotspots van een generatie voor wie er geen grens was tussen binnen en buiten. Het park kon je huiskamer zijn waar je je vrienden ontving, het park kon ook een recreatieruimte zijn waar je kickbokstrainingen volgde en het park kon een gezellige hangout zijn waar je tot diep in de avond met vrienden samenkwam om het leven te vieren.
Achraf bracht zijn dochter naar het park om fitnesslessen te volgen; wat was er in zijn leven gebeurd dat hij zijn dochter naar het park bracht om fitnesslessen te volgen? Ze was pas 4! Vanaf het bankje zag hij bewoners het park weer naar zich toetrekken, ze waren naar het park gekomen als vogels die na een lange winter weer groen zien. In zijn notitieboekje noteerde hij het aantal bewegingen. Hij noteerde een jongeman met ontbloot bovenlijf die danste op het strakke touw dat hij tussen twee bomen had gespannen. De jongedame die hem assisteerde hield in haar linkerhand twee knotsen vast. Hij noteerde ook dat de capriolen van de jongeman publiek trokken. Hij noteerde twee mannen die de bal naar elkaar trapten, een gecontroleerde beweging die plaatsvond te midden van andere parkgebruikers. Het leek eerder op een strak uitgevoerde choreografie dan een sportbeoefening. Wat Achraf vermoedde een Turkse of Koerdische familie was maakte gezeten rond een kleine barbecue een godenmaal klaar, de kinderen dansten eromheen. Ook hier weer de drang tot bewegen, de jongens en de meisjes, geen seconde stonden ze stil - ook acrobatiek. De jongen sprong van het koord. Zonder iets te zeggen vulden ze elkaars wereld aan.
Pagina 6 van 10
Was hij eerst een van de weinigen die zijn rondjes door het park deed, in korte tijd zag hij groepjes verschijnen die onder de bezielende leiding van de coach aan kickboksen, yoga, dansen of een combinatie van die drie deden. De vermenging der culturen begon met het vermengen van de disciplines. Je ging niet uitsluitend naar het park om te picknicken, je gaf er workshops, bezong de liefde, organiseerde een heidag en ontwikkelde een nieuwe danspas. En dat laatste was precies wat er gebeurde: vijftien fitte dames oefenden zich aangevuurd door hun dansdocente in een Latijns-Amerikaanse dans, de ernst en concentratie op de gezichten te lezen, straalde de ernst van topsporters uit. In het park was je vrij om je talent te ontwikkelen. Aan de andere kant van het park zat een man op een bankje mijmerend voor zich uit te kijken. Het leek alsof hij van de wereld was weggedreven, hier neergelegd en iedereen was hem vergeten. “Anderhalve meter,” prevelde Achraf. Hoe pakte dat uit in de praktijk? Een groepje Marokkaanse meisjes roetsjte op de rollerskates hem voorbij. Ze lachten hard. Ook hier weer die overgave, de urgentie van mensen die eindelijk weer iets mogen. Ze waren op afstand maar hun energie was bijna fysiek voelbaar. Hij pakte zijn notitieboekje en noteerde: Het isolement heeft je misschien ook goed gedaan, Amsterdam. Je bewoners zijn je parken en pleinen gaan waarderen.
Een verlate lente. De Franse dichter Baudelaire schreef een ode aan de flaneur, de wandelaar die de stad al dwalend ontdekt. Het gaat niet om aankomen, het gaat om verdwalen. Veel mensen zeggen dat ze je kennen, maar ze kennen je niet. We moeten leren opnieuw te verdwalen in onze stad. We zijn de nieuwe toeristen van Amsterdam. We rollen, wandelen, skaten en rennen door de postcodes. Een man in scootmobiel rolde van het fietspad af om naast zijn bankje tot stilstand te komen. Ze groetten elkaar met een knik. Na een paar minuten weggedommeld te zijn in de stilte begon hij uit het niets te praten. “Ik kom hier graag,” zei de man, “ik heb deze buurt als kind gebouwd zien worden. Hier lagen de zandhopen waar ik als kind op klauterde. Er woonden nog niet veel mensen. Je wist niet beter of alles was ver weg. Nu is het druk. Naar de stad gaan was op wereldreis gaan.” Achraf wist ineens wat hij de kinderen wilde geven, hij wist ook ineens wat hij die lege musea wilde geven. Onbeperkt toegang tot de schatten van Amsterdam. Wie zich meldde met zijn ouder mocht gratis naar binnen. “Amsterdam, als we een jonge generatie
Pagina 7 van 10
in staat willen stellen om op jou verliefd te worden, zal je dan je deuren openen?” Waar het water ophield begon het theater. “Eindelijk lucht,” zei de man naast hem, “het kost alleen zoveel geld.” “Wat?” “Die zuurstof,” antwoordde hij. “Zuurstof is overal. Gratis?” “Moet je tegen mijn dochter zeggen. Het kost haar klauwen met geld om hier te parkeren. Om van dit uitzicht te genieten is ze als snel een tas aan boodschappen kwijt.” “Is uw dochter hier?” Hij wees naar het noorden. “Ik heb haar drie maanden alleen van een afstandje gezien. Dan stond ik op het balkon en keek ze naar me op. Net Romeo en Julia. Ik heb slechte ogen dus zo goed kon ik haar niet zien.” “U heeft haar gemist.” “Ja. Je mist je kinderen altijd. Heb je kinderen?” “Twee dochters.” Waarom weet ik niet maar ik vertelde dat ik hun soms meenam naar Tureluur waar ze in de ondiepe poel konden ravotten en spelen met andere kinderen. “Dat ik daar kan zijn geeft me het gevoel dat ik hier op mijn plek ben. Dat ik mijn kind gelukkig zie zijn. Dat alle het andere niet zo belangrijk meer is.” “Daarom zitten we hier,” zei de man, “om eventjes gelukkig te zijn. Het hoeft niet lang te duren. Het leven duurt lang. Geluk niet.” Amsterdam, je herbergt de mooiste parken van het land. Dit zijn jouw oases waar mensen weer op adem komen. Als ik jou wil leren kennen dan zoek ik het groen op.
Het is de plek waar de vrede tussen de mensen wordt getekend. Het is de plek waar Amsterdammers laten zien dat ze elkaar de ruimte gunnen. Achraf las terug wat hij geschreven had. Het was een tikkeltje optimistisch. Een tikkeltje te hoopgevend, misschien. Voor nu mocht het blijven staan. Het kon nog altijd geschrapt worden. Hij nam afscheid van de man. Ze knikten naar elkaar. Tot in betere tijden. Achraf liep door naar het strandje van de Westoever, niet zo lang geleden aangelegd. Tijdens de pandemie reed hier een busje voorzien van luidsprekers die de bezoekers eraan herinnerde dat ze afstand moesten houden. Het deed hem denken aan de beklemmende passages uit 1984 van George Orwell. De staat als megafoon. Niets persoonlijks aan. Hij ging op het zand zitten, pakte zijn notitieboekje: Pagina 8 van 10
Amsterdam, dit stukje strand is een kruising tussen St. Tropez en Tanger. Het is een strook zand, meer is het niet. En toch. We maken van dat zand een kasteel, we associëren het met vrijheid. Wie de sociale mobiliteit wil zien moet hier komen kijken. Wat er namelijk gebeurt is dat iedereen hier een stukje van het strand claimt. Hier is men zichzelf. Of het nou pubermeisjes zijn die de jongens achter zich aan hebben, of de bebaarde mannen die hierlangs joggen, of de vaders die hier verderop op het grasveldje hun kinderen voetbaltraining geven, of die vriendinnen die in bikini een fles witte wijn soldaat maken, even voor de duur van het moment wanen ze zich vrij. Wat ze niet willen, is naar huis gaan. Nooit meer. Wat me op het volgende brengt: door de pandemie is er meer Amsterdam bijgekomen. De pleinen en de parken, de stukken groen langs het spoor, de sloten en kanalen: bewoners ontdekken dat het hier goed toeven is. Om niet thuis hoeven te zijn wordt van je buitenruimte een nieuw huis gemaakt. Achraf stond op, veegde het zand van zijn broek en liep snel naar huis waar hij de fiets pakte. Hij trapte richting het centrum. Hoe dichter hij bij de oorsprong van de stad kwam, hoe minder stad er over leek. Alles dicht gebouwd. Alles in de steigers. Het was niet moeilijk om te zien hoe mensen hier elkaar vooral in de weg leken te zitten.
Het was wat hem had tegengestaan in het gaan naar het centrum: je was meer bezig met navigeren dan met genieten van de stad. Aangekomen op de Dam zag hij dat het druk was. Midden op de Dam ging hij zitten, tussen de scharrelende duiven. Die waren corona-proof, al een paar duizend jaar. Hij pakte zijn notitieboekje. Het is weer drukker begonnen te worden. Steeds drukker. Steeds meer mensen vulden het plein, allemaal op respectabele afstand van elkaar. Hij was midden in een demonstratie terechtgekomen. Waarvoor ze demonstreerden kon hij niet zien. Misschien waren ze hier naartoe gekomen om hun recht op menselijkheid op te eisen. Om te laten zien dat ze zich niet lieten verstikken door de pandemie. Het recht op mobiliteit. Het recht op Amsterdam. Het laatste beetje bewolking trok weg boven het centrum. Er was altijd licht. Ook wanneer je dacht dat het er nooit meer zou komen.
Pagina 9 van 10
Pagina 10 van 10