CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 Eindrapportage Weerbaar tegen moslimdsicriminatie en hatecrime 220211 def

Tijdelijke Algemene Raadscommissie 29 juni 2022, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Kennisnemen van de raadsbrief Eindrapportage actie-onderzoek moslimdiscriminatie met als bijlage het eindrapport van het actie-onderzoek moslimdiscriminatieNr. VN2022-01856311.759 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Weerbaar tegen moslimdiscriminatie en hatecrime in Amsterdam een actie-onderzoek naar:

Duiden van aard en omvang Delen van ervaringen met en expertise over handelingsperspectieven Vergroten van de meldingsbereidheid van moslims en hun instituties Intensiveren van structurele onderlinge samenwerking Euro Mediterraan Centrum Migratie en Ontwikkeling (EMCEMO) Uitvoering actie-onderzoek: Collectief Tegen Islamofobie en Discriminatie (CTID) & projectbureau Zasja EINDRAPPORTAGE 11 februari 2022 Abdou Menebhi en Roemer van Oordt

Rechts in verzet: Onthoofde pop bij moskee Emir Sultan in Amsterdam Noord (maart 2018) 0

Inhoudsopgave: -

1. 1.1. 1.2. 1.3. 2. 2.1. 2.2. 2.3. 2.4. 3 3.1. 3.2.

Aanleiding Doelstellingen Fasering Invloed Corona Uitvoering in 2020/2021 Uitkomsten Enquete Relevant recent onderzoek Aanbevelingen Bijlagen Programma slotbijeenkomst Recente voorvallen bij Amsterdamse moskeeën

p. 1 p. 2 p. 2 p. 2 p. 2 p. 4 p. 4 p. 10 p. 21 p. 28 p. 31 p. 31 p. 33

1

1. Aanleiding In Amsterdam is al enige tijd een netwerk actief van organisaties en personen die – ieder vanuit hun eigen perspectief en deskundigheid – gezamenlijk werken aan een langetermijnagenda om islamofobie, moslimhaat en moslimdiscriminatie in kaart te brengen, te analyseren en tegen te gaan. Vanuit het netwerk voerden het Collectief tegen Islamofobie en Discriminatie (CTID) en projectbureau Zasja in 2020 en 2021 in opdracht van EMCEMO een door de gemeente gefinancierd actie-onderzoek uit naar moslimdiscriminatie en islamofobie in Amsterdam. 1.1 Doelstellingen 1) Meer zicht krijgen op de aard en omvang van moslimdiscriminatie in Amsterdam 2) Weerbaarheid tegen moslimdiscriminatie in Amsterdam vergroten 3) Inventariseren van problemen die er in de praktijk zijn met melding en aangifte 4) Versterken en structureren van overleg en afstemming met het Meldpunt Discriminatie Regio Amsterdam, politie en Openbaar Ministerie (OM) in Amsterdam en eventueel (landelijk) ook met het College voor de Rechten van de Mens en het Meldpunt Internet Discriminatie (MIND) 5) Inventariseren wat er vanuit de moslimgemeenschappen en hun organisaties zelf al gebeurt tegen islamofobie en moslimdiscriminatie en boven tafel krijgen wat er nodig is om die structuren te versterken 6) Aanbevelingen doen over hoe moslimdiscriminatie/islamofobie op langere termijn gemonitord kan worden en wat daar voor

nodig is. 1.2. Fasering Het actie-onderzoek had in de voorgestelde opzet twee fases. In de eerste fase (2020) zouden met vertegenwoordigers van migrantenorganisaties, islamitische scholen, (islamitische) vrouwenverenigingen, sportclubs, (islamitische) studenten- en jongerenverenigingen, moskeeën en vluchtelingenorganisaties kleinschalige discussiebijeenkomsten georganiseerd. Tijdens deze bijeenkomsten kon onder meer onderling uitgewisseld worden over discriminatie- en hatecrime ervaringen en (het gebrek aan) afhandeling en vervolging daarvan, bekendheid van en met meldpunten, de rol die de verschillende lokale instanties hebben in de aanpak en preventie van moslimdiscriminatie, wat er vanuit de moslimgemeenschappen zelf al wordt of kan worden gedaan en wat er van de (deel)gemeentelijke overheid wordt verwacht. In de tweede fase (2021) zouden met de achterbannen van deze organisaties voorlichtingsbijeenkomsten worden belegd, waarbij het MDRA, de politie en mogelijk ook het College voor de Rechten van de Mens en het Openbaar Ministerie (OM) zichzelf konden presenteren. Deze bijeenkomsten zouden interactief van opzet zijn. Idee was dat de instanties daar de mogelijkheid kregen uit te leggen wat zij wel en niet (kunnen) doen; het publiek zou signalen en ervaringen uit de dagelijkse praktijk aan de instanties doorgeven.

Betere afstemming, kennisuitwisseling en samenwerking was het hoofddoel. Maar deze informatiebijeenkomsten dienden ook om moslimdiscriminatie te agenderen en een vaste en prominente plek te geven in (de uitvoering van) het gemeentelijk beleid van de komende jaren. 1.3. Invloed corona 2

Het actie-onderzoek Weerbaar tegen moslimdiscriminatie en hatecrime in Amsterdam is opgestart in Coronatijd. Door de aard van het traject – vooral gericht op informatievergaring aan de hand van fysieke bijeenkomsten - heeft het onderzoek daar heel veel hinder van ondervonden. Toch zijn het CTID en projectbureau Zasja er in geslaagd met online-bijeenkomsten, kleine groepsgesprekken en telefonische interviews in 2020 en 2021 een grote hoeveelheid relevante informatie naar boven te krijgen. Als extra, niet in de opzet opgenomen onderzoeksinstrument is er door de aanhoudende beperkingen als gevolg van de Corona-maatregelen door CTID en projectbureau Zasja besloten een enquête uit te zetten onder meer dan 120 organisaties en instellingen van en voor moslims in Amsterdam. De uitkomsten daarvan maken onderdeel uit van deze eindrapportage (2.2.). Een ander gevolg van de aanhoudende pandemie was het uitstel van de slotbijeenkomst, in overleg met alle betrokkenen en op nadrukkelijk advies van de GGD. De slotbijeenkomst stond in het teken van laagdrempelige informatie- en kennisuitwisseling en een debat met vertegenwoordigers uit de (georganiseerde) islamitische gemeenschappen en politici richting de gemeenteraadsverkiezingen van maart 2022 (zie bijlage 1).

Met de afdeling Diversiteit is afgestemd om deze bijeenkomst - wanneer in fysieke vorm mogelijk - in het voorjaar alsnog te laten plaatsvinden.

3

2. Uitvoering in 2020 en 2021 In 2020 en 2021 hebben in totaal 16 bijeenkomsten plaatsgevonden - grotendeels online (12) en een paar fysiek (4) - met vertegenwoordigers van migrantenorganisaties, vluchtelingenorganisaties, vrouwenorganisaties, studentenorganisaties, jongerenorganisaties en sportclubs. Ook zijn er gesprekken gevoerd met een groot aantal moskeebestuurders en bestuurders en medewerkers van islamitische scholen. Daarnaast is er een uitgebreide inventarisatie gemaakt van de meest relevante recente onderzoeken en andere literatuur die over moslimdiscriminatie en islamofobie in verschillende sectoren en over verscheidene deelonderwerpen zijn verschenen. Denk daarbij aan arbeidsmarktdiscriminatie, voorvallen bij islamitische instituties, cijfers over melden, discriminatie in de openbare ruimte, onderzoek naar daders, naar impact en naar de aandacht van bestuur en politiek(e partijen). Daarbij is zoveel als mogelijk ingezoomd op de specifieke situatie in Amsterdam (zie 2.3). Ook zijn er gesprekken gevoerd met het Meldpunt Discriminatie Regio Amsterdam (MDRA), de politie Amsterdam en het Openbaar Ministerie (OM) om de tweede fase van het project voor te bereiden. Deze instanties hebben aangegeven graag een bijdrage te willen leveren. Met hen is de slotbijeenkomst afgestemd en voorbereid (zie bijlage 1).

Met partners uit het netwerk is regelmatig overleg over ontwikkelingen in het veld. Het gaat daarbij zowel om wetenschappers en onderzoekers als om politieke aanjagers en belangenorganisaties. Los van dit actie-onderzoek wordt daar projectmatig mee samengewerkt. Denk daarbij bijvoorbeeld aan Meld Islamofobie, S.P.E.A.K., IZI Solutions, het Comité 21 Maart, de universiteiten van Amsterdam en Nijmegen en Republiek Allochtonië. Tenslotte is met de uitvoerders van de andere actie-onderzoeken en met de afdeling Diversiteit een aantal keer contact geweest over de voortgang. 2.1. Uitkomsten Tijdens de bijeenkomsten en gesprekken zijn door de deelnemers een groot aantal ervaringen gedeeld en problemen gesignaleerd. Voor dit eindrapport hebben wij deze ervaringen gerubriceerd in 12 deelonderwerpen en voorzien van een aantal concrete voorbeelden. Deelonderwerpen 1) Islamofobe voorvallen/hatecrime tegen instellingen -

-

Meerdere moskeebestuurders en bestuurders en medewerkers van andere islamitische organisaties en instellingen geven aan zich zorgen te maken over de doorgaande trend in (al dan niet gewelddadige) islamofobe voorvallen tegen de institutionalisering van de islam, zoals bij scholen en moskeeën (i.o). Meerdere bestuurders zien een ontwikkeling naar een toenemend aantal voorvallen die niet strafbaar of moeilijk vervolgbaar blijken te zijn, maar wel grote impact hebben op het gevoel van veiligheid van de gemeenschappen (brandstichting, haatbrieven en -mails, onthoofde poppen, bezettingen en bekladdingen) en die door extreemrechtse groepen geclaimd en georganiseerd worden. 4

-

-

-

Bij een groot aantal moskeeën in Amsterdam is wel een veiligheidsschouw gedaan. Inmiddels zijn zover bekend de aangekondigde werkzaamheden verricht. Een deel van de bestuurders zegt nog steeds geen melding of aangifte te doen uit angst voor represailles en herhaling, door groeiende gevoelens van onveiligheid onder de bezoekers, door slechte ervaringen met de politie of andere betrokken instanties en vanuit het idee dat er toch niets mee gebeurt. Een ander deel van de bestuurders gaf aan wel aangifte te doen. Vooral door Turkse moskeeënbestuurders werd naar voren gebracht dat de uniforme beleidslijn van nationale koepelorganisaties om wel altijd melding en aangifte te doen daar debet aan zijn. Ook werd door bestuurders ingebracht dat soms materiële afwegingen een rol spelen, bijvoorbeeld omdat een aangifte noodzakelijk is voor verzekeringsclaims. Uit de gesprekken werd duidelijk dat de recente, door de NCTV gefinancierde ‘undercoveronderzoeken’ van onderzoeksbureau NTA het wantrouwen in de overheid en gevoelens van onveiligheid bij bestuurders, vrijwilligers en bezoekers van moskeeën hebben versterkt.

2) Onderwijs -

-

-

-

-

Deelnemers geven aan dat zowel in het primair-, voortgezet- en vervolgonderwijs jongeren te maken krijgen met discriminatie en achterstelling op grond van hun etnische en/of religieuze achtergrond dan wel met islamofobe reacties van medeleerlingen én van docenten. Deelnemers melden dat er door onderwijsinstellingen lang niet altijd wordt voorzien in de mogelijkheid om te kunnen bidden. Bijna alle deelnemers benoemen dat het voor (moslim)jongeren vaak moeilijk is hun opleiding af te ronden omdat ze problemen hebben bij het vinden van een stageplaats, terwijl dat voor hun medestudenten zonder migratieachtergrond minder problemen oplevert. Zowel vertegenwoordigers van jongeren- als van studentenorganisaties zien discriminatie op de stagemarkt voor jongeren met een niet-westerse achtergrond in het algemeen en voor praktiserende moslimjongeren in het bijzonder als groot struikelblok voor hun verdere ontwikkeling en mogelijkheden in de Amsterdamse samenleving. Uit de praktijk blijkt volgens deelnemers dat op scholen nog steeds op basis van achtergrond wordt geselecteerd.

Zij constateren dat leerlingen met en zonder migratieachtergrond met dezelfde schoolresultaten niet gelijk behandeld worden: leerlingen met een migratieachtergrond krijgen vaak een lager advies, wordt aangeraden om niet ‘te hoog te grijpen’ en hun opleiding te stapelen in plaats van direct door te stromen naar hoger onderwijs. De deelnemende vertegenwoordigers van de jongeren- en studentenorganisaties merken op dat regelmatig onterecht de suggestie wordt gewekt dat (jonge) moslima’s bepaalde studies niet zou kunnen doen vanwege hun islamitische identiteit of – als vrouw - niet door zouden mogen studeren. De deelnemers aan de sessies zien dat het contact tussen ouders en school vaak moeizaam is. Er wordt door de school volgens hen niet zelden vanuit gegaan dat 3de generatie ouders met een migratieachtergrond nog altijd minder bekend zijn met ‘de Nederlandse taal en cultuur’ en het schoolsysteem, waardoor zij op een andere manier worden benaderd dan de ouders zonder migratieachtergrond.

5

3) Arbeidsmarkt/werk -

-

-

-

-

Vertegenwoordigers van onder meer migranten- en vluchtelingenorganisaties beschouwen discriminatie op de arbeidsmarkt als een groot probleem waar veel (jonge) moslims tegenaan lopen, vooral bij sollicitatie. Daarbij gaat het zowel om hun achternaam (schriftelijk), als om hun uiterlijk (voorkomen algemeen, hoofddoek en andere kleding) wanneer er een gesprek bij de werkgever plaatsvindt. Het resultaat is volgens de deelnemers aan de sessies in beide gevallen hetzelfde: vaak niet aangenomen worden. Veel deelnemers aan de sessies hebben zelf last of kennen mensen die last hebben van discriminatie en islamofobe voorvallen op de werkvloer (pesten, beledigen, haatdragende opmerkingen over uiterlijk of geloof) afkomstig van zowel collega’s als leidinggevenden. Wanneer zij hierover aan de bel trekken wordt hen doorgaans verweten ‘niet tegen een geintje te kunnen’ of ‘de racismekaart te trekken’. Ook bij doorgroeien binnen een bedrijf ondervinden moslims volgens deelnemers regelmatig discriminatie vanwege hun etnische en/of religieuze achtergrond. Er wordt daarbij vaak op een indirecte manier maar soms ook zonder omhaal kwetsend verwezen naar de islam in het algemeen (terreur, geweld en haat) en vooral ook vaak naar de hoofddoek (dom en achtergesteld, spreek je wel Nederlands?).

In meerdere sessies kwam naar voren dat bij sollicitaties vaak volstrekt irrelevante vragen worden gesteld, bijvoorbeeld hoe de sollicitant denkt over man/vrouw verhoudingen, terrorisme, lhbtiq+ of over loyaliteit aan Nederland. Uit de gesprekken en sessies met vrouwen bleek dat zij het in hun ogen ‘meten met twee maten’ op de werkvloer als erg hinderlijk en onrechtvaardig ervaren. Bijvoorbeeld wanneer collega’s op het werk wel onderling Engels mogen spreken, maar zij geen Arabisch. Uit de sessies met vrouwen kwam ook naar voren dat stagebegeleiders soms veronderstellen dat moslima’s geen goede leerkracht zouden kunnen zijn, omdat ze tijdens de ramadan niet volwaardig mee zouden kunnen draaien. Ook werd gemeld dat vrouwen niet alleen discriminatie ondervinden op de werkvloer door leidinggevenden en collega’s, maar net zo goed door klanten of patiënten (pesten, niet geholpen willen worden, negeren, weglopen, beledigen). Een aantal vrouwen die zelf een hoofddoek dragen gaf uit eigen ervaring aan dat ze te maken kregen met het verzoek hun hoofddoek op het werk af te doen. Weigering leidde tot problemen op het werk of in een enkel geval zelfs tot ontslag.

4) Openbare ruimtes -

-

-

Uit de gesprekken kwam steevast naar voren dat vooral vrouwen met een hoofddoek veel te maken krijgen met discriminatie in de openbare ruimte, zoals op straat, in winkels en in openbaar vervoer. Dit leidt volgens de deelnemers tot gevoelens van onveiligheid en erger. Aangegeven werd dat het daarbij vaak gaat het om schelden, (ga terug naar je land, hoer, dit land is niet van jullie, alle terroristen moeten oprotten, daar loopt weer zo’n tent, landverrader, hier doen we het niet zo), maar ook fysiek geweld (schoppen, slaan, spugen) komt regelmatig voor. Vrouwen vertelde uit eigen ervaring dat ze veel slechte ervaringen hebben met en in het openbaar vervoer (niet meegenomen, eruit gezet door chauffeur/controleur, 6

-

mensen die angstig naar je kijken als je een trein instapt of bewust niet naast je komen zitten, doorlopende verwensingen, bespuugd worden, hoofddoek afgetrokken) Datzelfde geldt voor hun ervaringen in winkels (niet groeten, omdraaien, niet aan de beurt komen, niet geholpen worden, genegeerd worden, of juist continu achtervolgd worden, zonder reden de toegang geweigerd of uit de winkel gezet worden, in gebrekkig Nederlands aangesproken worden zodat je het zou begrijpen, uitgescholden worden, bespuugd worden).

5) (Sociale) media -

-

Negatieve beeldvorming en islamofobe uitingen in de media zijn volgens het gros van de deelnemers aan de sessies en gesprekken aan de orde van de dag. Zij vinden de grens tussen vrijheid van meningsuiting en discriminatoire uitingen erg vaag. In de sessies met jongeren en studenten werd aangegeven dat ‘de weegschaal wat dat betreft vaak uitslaat naar de kant van de vrijheid van meningsuiting, ten koste van moslims’. Ook subtielere vormen van framing en microagressie in de (sociale) media werden tijdens die sessie vaak genoemd. Daar komt volgens deelnemers bij dat de manier waarop moslims geportretteerd worden in de media polariserend werkt en bijdraagt aan een negatief zelfbeeld. De haat (hatespeech) die op social media rondgaat over moslims en islam wordt door veel deelnemers aan de bijeenkomsten en gesprekken genoemd als bijzonder ingrijpend, beledigend, kwetsend, discriminerend en vooral ook polariserend. Een deel heeft een olifantshuid ontwikkeld, een ander deel zegt er nooit gewend aan te (willen) raken en vindt het onbegrijpelijk dat er niet veel meer (actief) wordt gedaan aan vervolging en bestraffing. Deelnemers zeggen verbaal bedreigd te worden (tot de dood toe) als zij zichzelf in een discussie op internet/sociale media positief uitlaten over migratie/vluchtelingen/moslims/islam.

6) Sport -

-

In de sessie met bestuursleden en vrijwilligers werd aangegeven dat er ook in Amsterdam op grote schaal sprake is van discriminatie bij sportclubs en op sportvelden. Het gaat daarbij vooral om scheldpartijen, extreem islamofobe uitlatingen, ridiculiseren van het geloof en buitensluiting. Soms loopt het uit op (grof) geweld, zoals slaan, schoppen en spugen. Trainers maken zich er schuldig aan, maar het speelt ook tussen spelers onderling, spelers van verschillende clubs. Er is ook sprake van bij supporters, ouders en begeleiders. Er bleek tijden de sessie weinig kennis over het (recente) initiatief van een groot aantal politieke partijen in de gemeenteraad om met een lokaal sportakkoord heldere afspraken te maken met Amsterdamse sportverenigingen over het tegengaan van discriminatie en racisme.

7) Gezondheidzorg -

Uit meerdere sessies werd duidelijk dat patiënten met een migratie en/of moslimachtergrond in hun optiek minder serieus genomen worden, zich niet gehoord voelen en met een kluitje in het riet gestuurd worden. Soms met rampzalige (medische/psychosomatische) gevolgen. 7

-

-

Door respondenten die zelf in de zorg actief zijn of mensen kennen die in de zorg werken wordt aangegeven dat er ziekenhuispatiënten zijn die niet door een arts of verpleegkundige met een hoofddoek geholpen of verzorgd willen worden. Zij geven ook aan dat vrouwen die in de ouderen-, verpleeg- of thuiszorg werken - betaald of als vrijwilliger - regelmatig te maken krijgen met moslimdiscriminatie. Voorbeelden: cliënten of patiënten willen niet door hen behandeld worden, willen hen niet in hun huis ontvangen (thuiszorg), willen geen koffie of eten van hen aannemen (verzorgenden, vrijwilligers) of worden uitgescholden (ik hoef geen koffie van een hoofddoek).

8) Vluchtelingen -

-

-

-

Moslimvluchtelingen lieten in gesprekken weten dat islamofobie - naast alle andere uitdagingen waar vluchtelingen voor zijn komen te staan - voor hen het grootste probleem is. Een van hen formuleerde het als volgt: ‘de mate waarin vluchtelingen te maken krijgen met islamofobie overstijgt de andere problemen.’ Er werd met klem gesteld dat islamofobie als eerste geadresseerd dient te worden; vooral ook voor ongedocumenteerde vluchtelingen. Ook werd in een van de sessies aangegeven dat ‘het vluchteling zijn’ door de samenleving al gezien wordt als problematisch, maar dat moslimvluchtelingen ‘een dubbele achterstandspositie’ hebben. Er leeft in de optiek van de deelnemers een enorm wantrouwen ten aanzien van de (beweegredenen van) vluchtelingen. Dat uit zich volgens hen bijvoorbeeld in een groot gebrek aan respect. Meer specifiek zijn er in veel gevallen slechts beperkte mogelijkheden om het geloof op de manier te beleven die men gewend is, onder meer door gebrek aan voorzieningen. Er werd door sommige deelnemers in vertrouwen gesproken over heftige burenruzies en pesterijen op basis van het ‘moslimvluchteling’ zijn, soms zelfs leidend tot fysiek geweld.

9) Binnen de ‘eigen’ groepen/gemeenschappen -

-

-

-

In meerdere sessies en gesprekken werd naar voren gebracht dat binnen de moslimgemeenschap meer gediscussieerd moet worden over respect voor verschillen. Opruiende predikers proberen dit te ondermijnen door te prediken tégen seculiere mensen. Uiterst conservatieve moslimorganisaties profiteren van (de gevolgen van) islamofobie en isoleren op deze manier jongeren. Ook werd ingebracht dat extremisten door hun acties een beeld creëren van moslims dat niet overeenkomt met de werkelijkheid. Volgens sommigen wordt hier door te weinig ‘eigen’ organisaties openlijk stelling tegen genomen. Een voorbeeld dat werd ingebracht: de petitie tegen het mogen beledigen van de profeet Mohamed leverde 100.000 handtekeningen op, terwijl zoiets nooit gebeurt als het gaat om een petitie tegen islamofobie. En dat is volgens meerdere deelnemers nu juist hetgeen dat grote invloed heeft op de positie van moslims – met name moslimjongeren - in de Amsterdamse samenleving. In veel sessies klonk de roep om een veel actievere houding van de diverse ‘eigen’ organisaties waar het gaat om bestrijding van islamofobie. Onderdeel daarvan zou volgens deelnemers samenwerking met andere organisaties kunnen zijn, met als doel een gezamenlijke aanpak te realiseren: ‘Wanneer organisaties de handen 8

ineenslaan kunnen zij zich als collectief veel sterker maken en effectiever inzetten tegen (moslim)discriminatie’, werd gesteld. 10) -

-

-

-

-

-

-

-

-

Melden, niet melden In de vrouwensessies werd diverse keren aangegeven: ‘Ken je rechten waar het gaat om het dragen van een hoofddoek en handel er naar: dus melden en/of aangifte doen als er voorvallen zijn.’ Ook werd aangegeven dat moslims zelf behandeling kunnen eisen van hun meldingen en aangiftes, zowel bij de politie als bij de ADV’s en dat ze – ook al is er een gebrek aan vertrouwen in de instanties - eerder en sneller moeten melden. Bestuurders, medewerkers en vrijwilligers van organisaties geven ook zelf aan bij hun achterban meer bekendheid te moeten geven aan het belang van melden en de manier waarop dit gedaan kan worden, bijvoorbeeld door voorlichting over het melden van islamofobie en discriminatie door iemand uit de ‘eigen’ gemeenschap. Uit de sessies kwam vaak naar voren dat normalisatie van islamofobie een groot probleem is waar men zich moeilijk tegen kan verweren. Uit een van de gesprekken: ‘Mensen worden moe van alle achterstelling en discriminatie en leren er op een gegeven moment noodgedwongen maar mee te leven. Er heerst berusting en gewenning. Melden heeft geen zin.’ Ook werd aangegeven dat door de onduidelijkheid over wat strafbaar is en wat niet of door het uitblijven van vervolging en bestraffing de meldingsbereidheid nog verder afneemt.

Uit de vrouwensessies bleek dat een groot deel van de ervaringen van de vrouwen bestaat uit microagressies die in feite niet strafbaar zijn, daardoor ook niet terug te vinden zijn in de cijfers, maar wel zorgen voor dagelijkse ‘speldenprikken’ waarmee de vrouwen te maken krijgen en die in het gunstigste geval een heel naar gevoel opleveren en in andere gevallen het functioneren van de vrouwen belemmert of hun zelfbeeld aantast. Maar het wordt zelden gemeld. In de meeste sessies werd geconcludeerd dat er doorgaans weinig vertrouwen bestaat in (de effectiviteit van het) melden. Vaak door wantrouwen ten opzichte van of onbekendheid met bestaande instanties, maar ook omdat de drempel om te melden te hoog is. Een belangrijk terugkerend punt dat werd ingebracht is dat de hoek van waaruit LHBT-haat en antizwart racisme komt, vaak ook de hoek is van waaruit islamofobie en moslimdiscriminatie afkomstig zijn. In een van de sessies werd ingebracht dat er - ook bij melden - te weinig aandacht wordt besteed aan intersectionaliteit (zwarte moslimvrouw, LHBT-moslim jongeren) waardoor mensen maar op één discriminatiegrond gehoord worden. De ervaringen die vertegenwoordigers van de deelnemende organisaties hebben met het MDRA zijn niet onverdeeld positief.

Opgemerkt wordt onder meer dat door het MDRA moslimdiscriminatie als algemeen maatschappelijk probleem alleen op individuele basis wordt afgehandeld. Er wordt in de optiek van de vertegenwoordigers weinig tot niets gedaan op grotere schaal. Bovendien lopen melders volgens hen aan tegen de bureaucratische aanpak. Het ontbreekt in hun ogen aan een collectieve aanpak, er is weinig tot geen berichtgeving en het MDRA stond doorgaans onvoldoende open voor samenwerking. De voortdurende wisseling van directeuren bij het MDRA, maakte de samenwerking er niet 9

-

11) -

-

-

-

-

-

-

eenvoudiger op. Er zijn wel wat gesprekken gevoerd met een aantal deelnemende organisaties, maar er is geen praktisch vervolg aan gegeven. De nieuwe directeur werkt daar inmiddels aan. Ervaringen met de politie zijn wisselend. Sommige deelnemers aan de bijeenkomsten gaven aan nauwelijks te woord te zijn gestaan, op een ander moment maar moesten terugkomen of zelfs te zijn weggestuurd, Anderen werden door de baliemedewerker overtuigd van ‘de onzin’ van het doen van een melding of aangifte of kregen te maken met een medewerker die niet wist hoe te handelen. Ook waren er deelnemers die juist hele positieve ervaringen met de politie hadden en goed begeleid werden bij het doen van een melding of aangifte van discriminatie of op een goede manier werden doorverwezen. Beleid Deelnemers missen helder en consistent beleid als het gaat om discriminatie van moslims, zowel gemeentelijk als landelijk. Er wordt volgens hen vooral gereageerd in crisissituaties en bij actualiteiten (genoemd werden o.a. voorvallen bij moskeeën, een kritisch rapport van Meld Islamofobie, een uitzending van Radar over discriminatie van uitzendbureaus of ophef na ‘undercoveronderzoek’ bij moskeeën): ‘Daarna wordt het weer stil’.

Door organisaties werd ingebracht dat de laatste brief van (ex)minister Ollongren over de aanpak van racisme en discriminatie diverse vormen van discriminatie behandelde, maar volledig voorbij ging aan moslimdiscriminatie. In dezelfde lijn wordt ingebracht dat in veel beleidsmatige stukken onderscheid wordt gemaakt in het belang dat gehecht wordt aan verschillende discriminatiegronden. Islamofobie en moslimdiscriminatie staan laag in de hiërarchie. Dat is in de Amsterdamse beleidsstukken wél anders. Geconstateerd wordt dat ondanks een jarenlange lobby van veel organisaties er nog steeds te weinig aandacht is voor moslimdiscriminatie. Naar aanleiding van dit actie-onderzoek werd door ervaringsdeskundigen in de sessies gemeld dat expertmeetings die het doel hadden de behandeling van klachten en het registreren van meldingen te concretiseren tot mooie suggesties leidden, maar dat die uiteindelijk niet vertaald werden naar de praktijk. Als reactie op dit actie-onderzoek werd door een flink aantal deelnemers naar voren gebracht dat elk nieuw College in de gemeente Amsterdam inzicht probeert te krijgen in en wil zetten op voorkomen en bestrijden van (moslim)discriminatie in de stad. Er wordt in hun optiek echter te weinig praktisch vervolg aan gegeven. Men blijft onderzoeken, maar men concretiseert niet. Het huidige College heeft mooie standpunten, maar doet er te weinig mee.

Deelnemers constateren dat aparte registratie van moslimdiscriminatie door de politie in Amsterdam na een paar jaar is stopgezet vanwege bezuinigingen. In een aantal sessies werd opgemerkt dat de medewerkers van de gemeente die belast zijn met het onderwerp discriminatie te weinig kennis hebben van islamofobie en moslimdiscriminatie, de specifieke organisaties niet kennen, het gesprek onvoldoende aangaan en zich op afstand houden. Meerdere respondenten stellen dat de dreiging van extreemrechts alleen wordt geadresseerd op het gebied van veiligheid, niet op het discriminatieaspect. Er worden door de deelnemers meerdere dossiers genoemd waarbij de uitwerking van het gemeentelijke beleid heeft bijgedragen aan verdere 10

verwijdering van een deel van de moslimgemeenschap met de gemeente. Daarbij spelen gevoelens van uitsluiting, discriminatie, verdachtmaking, angst en islamofobie een belangrijk rol. Meest opvallende voorbeelden zijn het Hagadossier en de zaak Sadia Ait-Taleb. 12) -

-

Politiek/bestuur Deelnemers geven aan zich zorgen te maken over de toenemende invloed van het uiterst rechtse spectrum van de politiek (genoemd werden het radicaalrechtspopulisme van Ja21 en extreemrechts van Wilders en Baudet) op het politieke gedachtegoed van de gevestigde partijen. Daarbij gaat het in hun ogen vooral om het sluipend overnemen van het discours en het – al dan niet afgedwongen - discussiëren over allerlei maatregelen die ten koste gaan van rechten en mogelijkheden van moslims, maar die grondwettelijk niet te verdedigen zijn en dus niet ter discussie zouden mogen staan. Samen met de onevenredig grote invloed van in aanhang kleine extreemrechtse groepen wordt het politiemaatschappelijk klimaat over de islam en moslims – stellen zij - steeds negatiever. Daarmee wordt moslimdiscriminatie en islamofobie volgens deelnemers niet bestreden maar eerder gelegitimeerd. Er moet volgens vertegenwoordigers van een groot aantal van de deelnemende organisaties een eind worden gemaakt aan de doorvoering van (tijdelijke) wetgeving in het kader van terrorismebestrijding, die in de praktijk uitsluitend betrekking heeft op en in het nadeel uitwerkt van (organisaties van) moslims.

2.3 Enquête onder Amsterdamse moslimorganisaties in het kader van het actieonderzoek ‘Weerbaar regen moslimdiscriminatie en hatecrime in Amsterdam’ Het actie-onderzoek voorzag in het beleggen op locatie met vertegenwoordigers van onder meer migrantenorganisaties, islamitische scholen, (islamitische) vrouwenverenigingen, sportclubs, (islamitische) studenten- en jongerenverenigingen, moskeeën en vluchtelingenorganisaties. Door de aanhoudende beperkingen die het Corona-virus met zich meebrengen, kon dat in eerste instantie onvoldoende van de grond komen. Om al een breder beeld te krijgen van wat er bij de organisaties en hun achterban speelt, hebben we eind 2020 besloten om hen als tussenstap een korte vragenlijst voor te leggen en de uitkomsten daarvan te verwerken bij het opstellen van het advies aan de gemeente hoe moslimdiscriminatie en islamofobie kan worden voorkomen en bestreden. Deelname/bereik Van de ongeveer 120 aangeschreven organisaties (per e-mail of WhatsApp) reageerden 21 organisaties schriftelijk. Bij nog eens negen (moskee)organisaties werd de enquête mondeling afgenomen. In totaal namen 30 organisaties aan de survey deel. Een representatieve score van ongeveer 25% De survey bestond uit 20 voor het actieonderzoek relevante vragen.

11

Uitkomsten 1. Heeft uw organisatie ervaringen met moslimdiscriminatie/islamofobe voorvallen (in de (social)media; per post en/of email; fysiek tegen het gebouw; tegen het personeel/de vrijwilligers).

2. Als u de vorige vraag met ja beantwoord heeft, om wat voor soort ervaringen ging het? - Ruiten ingegooid bij de start van de school in Amsterdam Zuid. - Bekladding (3x). - Onlangs nog met een baksteen aantal ramen kapot geslagen van de Westermoskee (Aya Sofya), vervolgens verheerlijkt met een nazi groet. - Negatieve berichtgeving in de media. - Discriminatie via post, email, buurtbewoners persoonlijk tegen onze vrijwilligers en bestuursleden. - Bedreiging van de imam. - Islamofobe uitingen op onze social media. - Aanval, vandalisme tegen moskeeorganisaties. - Buren die ons uitschelden en klagen bij de gemeente, handhaving en de politie over onze stichting. Ze doen er alles aan om ons weg te pesten. - Ik vind het lastig te stellen of het om moslimdiscriminatie gaat of meer in het algemeen haat tegen vreemdelingen/ buitenlanders/ vluchtelingen. Dit laatste komen wij heel veel tegen op onze social media wanneer we iets posten over ons werk. We krijgen overigens ook heel veel steunbetuigingen. - We mogen onze eigen taal niet gebruiken wanneer we melding wilden doen. - Meestal online: bedreigingen, vervelende commentaren, ridiculiseren van het geloof, ad hominem, doxxen, etc. Soms: fysiek, tijdens publieke bijeenkomsten die we organiseren of waar we aan meedoen. 3. Als u op de vraag 1 ja heeft geantwoord: heeft u van het incident aangifte gedaan of een melding gemaakt?

12

Ja, ik heb hiervan melding of aangifte gedaan bij (vul hier de naam van de instelling of organisatie in): - Ja maar niet persoonlijk. De aangifte is gedaan door het bestuur van de moskee. - Politie en gemeente. - Wijkagent, politiebureau, meldpunt discriminatie, stadsdeel en de gemeente Amsterdam. 4. Heeft u persoonlijk ervaringen met moslimdiscriminatie/islamofobe voorvallen (openbare ruimte/werkvloer/onderwijs/sociale media, of anders).

5. Als u de vorige vraag met ja heeft beantwoord, om welke voorvallen ging het? - Op de werkvloer. - Sociale media. - Veel racistische opmerkingen/beledigingen, vooroordelen. - Meerdere voorvallen helaas. Zowel met de Nederlandse burger als officiële organisaties, zoals overheidsinstanties. Opvallend is dat dit vaak in persoon gebeurt dus 13

op locatie. Dit komt denk ik vaak doordat direct te zien is dat ik een moslim ben vanwege kleding (hoofddoek). Tijdens telefoongesprekken gebeurt dit namelijk zelden. En dit komt denk ik doordat ik niet een standaard Arabische achternaam heb en daarbij vloeiend Nederlands spreek. - Toen ik nog op de iPabo zat, ging ik solliciteren op een school in Hoofddorp voor mijn LIO. Tijdens dit gesprek werd mij verteld of het een probleem zou zijn als ik tijdens het werk mijn hoofddoek af zou kunnen doen. “De kinderen én ouders zullen er van schrikken als zij een leerkracht met hoofddoek zien. Dit zijn ze natuurlijk niet gewend. Alleen onze schoonmaaksters dragen een hoofddoek”. Ik ben er zo van geschrokken dat ik niets wist te zeggen. Huilend zat ik in de auto omdat ik me echt even minderwaardig voelde. Heb achteraf een klacht ingediend en bij de Hogeschool iPabo verteld wat er gebeurd was. Zij waren van mening dat zij mij mochten afwijzen vanwege mijn hoofddoek als dit niet bij hun visie paste. Het is 4 jaar geleden. En nog steeds zit het me dwars. Boos dat ik er toentertijd niets mee heb gedaan! Heb het sms’je nog dat ik toen had verstuurd naar de persoon met wie ik een sollicitatiegesprek heb gehad. Helaas had hij er niet inhoudelijk op gereageerd behalve dat ik hem moest terugbellen - Geroep van mensen op straat (discriminerende leuzen). - Werkvloer, op straat .

- Sollicitatie voor een stageplek. HBO opleiding 3e jaar. - Sollicitatie bij een middelgroot bedrijf. - Ik werk als iemand met een moslimachtergrond gezien en hierdoor negatief bejegend; Geen rekening houden bij bedrijfsuitje of feesten/ borrel zonder halalvoeding. - Uitschelden, uitsluiting, en verbannen door mijn niet-moslim familie - Opmerkingen over mijn werk op een feestje of ergens in de openbare ruimte. In mijn persoonlijk leven in reactie op familieleden met een moslimachtergrond. Vooroordelen en veroordelingen zonder dat men een vraag stelt. - Als medewerker met islamitische achtergrond mag je talenten niet herkenbaar maken Bijvoorbeeld: Een gemeenteraadslid die me aanvalt op basis van zijn aannames over mijn moslim-zijn. Accounts die mijn social media gerapporteerd hebben na een kritisch stuk in de krant, social media post, etc. - Hoofddoek. - Beledigd in winkels. - Niet geholpen, genegeerd of later geholpen in meerdere winkels. - Openbaar vervoer. Bus reed door. - Mijn kinderen werden uitgescholden op sportveld (voetbal). - Op het treinstation. - Waar niet? 6. Als u op vraag 4 ja heeft geantwoord, heeft u van het incident aangifte gedaan of een melding gemaakt?

14

Ja, ik heb hiervan melding of aangifte gedaan bij (vul hier de naam van de instelling of organisatie in): - Wel eens bij de instantie via de klachtenprocedure. Echter is dit vaak een reactie met begrip en excuses en in praktijk verandert er niet veel. Er zal vast een volgende keer weer hetzelfde gebeuren bij een ander persoon. Ik heb er dus helaas weinig vertrouwen in wat er weer voor zorgt dat ik niet altijd bereid ben om de melding te doen. 7. Kent u verhalen van uw achterban over moslimdiscriminatie/islamofobe voorvallen in deze of andere sectoren?

8. Zo ja, om wat voor soort ervaringen of voorvallen ging het? - Discriminatie in de openbare ruimte. - Uitschelden (terugsturen naar eigen land). - Opmerkingen over dragen van hoofddoek. - Breed en divers. 15

- Uitschelden, respectloos behandeld worden, genegeerd worden, kwetsende discussies. - Hij/zij solliciteerde twee keer met haar/zijn eigen naam en een Hollandse naam. Voor zijn/haar eigen naam was er geen plek meer en was de vacature gesloten. Vervolgens tientallen minuten later was er wel plek voor dezelfde persoon die zich voordeed als een autochtoon. - Discriminatie bij het solliciteren, aanmelden voor een stage, aanmelden voor ondersteuning etc.. Voldoende voorbeelden helaas. Vaak gebeurt dit bij jongeren in mijn omgeving die zich aan het ontwikkelen zijn en hun weg proberen te vinden in de maatschappij. Zulke situaties zorgen er bij hen vaak voor dat zij bevestigd worden op de beeldvorming die zij hadden van de maatschappij: "ik ben niet goed genoeg", "ik moet mij meer bewijzen dan mijn blanke vriend van dezelfde opleiding", discriminatie op de werkvloer, grappen over de Islam/moslims. - Discriminatie op basis van kleur en geloof, uiterlijk. - Voornamelijk op arbeidsmarkt. - Dames met hoofddoek die niet zijn aangenomen op werk of daarop worden aangesproken Persoonlijke aanval op hoofddoek en belediging. - Achterban is hier de doelgroep (mensen in een kwetsbare situatie). In deze doelgroep komen mensen met een moslimachtergrond voor. Onderzoek toont moslimdiscriminatie in Nederland aan. - Geen stageplekken, uitschelden, uitlachen, niet welkom in de bus etc..

- Negatieve reacties bij het ontstaan van MUSA, de 1e islamitische studentenvereniging aan de UvA door mensen buiten de UvA. - Aanvallende opmerkingen etc. - Klanten en medewerkers worden dagelijks gediscrimineerd door medewerkers met racistische opvattingen. - Naam, hoofddoek, vrouw zijnde. - Geen werk of stageplek kunnen krijgen op basis van je naam, accent, huidskleur, vermeende "moslim-uitstraling". Vrouwen in het bijzonder vaker aangevallen. Nonbinaire worden meervoudig gediscrimineerd. - Irritatie en provoceren. 9. Heeft u een idee of de mensen uit uw achterban een melding of een aangifte doen van dergelijke voorvallen? En waar? Kunt u dit kort omschrijven. - Nee of geen idee (18x). - Meldingsbereidheid is erg laag. - Ik zou het niet weten, maar dit werd wel gepost op LinkedIn. verder niet gevraagd waar en hoe er aangifte is gedaan. - Weinig, omdat het vertrouwen op verbetering nihil is. - Meldpunt Islamofobie. - Sommige wel, bij de politie en soms bij anti-discriminatie. Maar de meerderheid neemt die moeite niet omdat er toch niets mee gedaan wordt. - Via verschillende anti-discriminatievoorzieningen en onderzoeksinstellingen. - De meeste meiden doen dit helaas niet. - Volgens mij proberen mensen het te negeren. Er wordt onderling tussen moslims over gesproken. Wel is het zo dat jongeren meer bezig zijn in de politiek.

Zo is de vicevoorzitter van MUSA de nummer 14 op de kandidatenlijst van NIDA. - Vaak niet, weinig vertrouwen. - Dat moet ik rondvragen 16

10. Kent u het Meldpunt Discriminatie Regio Amsterdam (MDRA)?

11. Kunt u zonder te googelen vertellen wat het MDRA doet? - Nee (16x). - Zij houden alle meldingen bij van discriminatie. - Zij komen op voor discriminatie. - Advies en hulp verlenen op gebied van discriminatie. - Ik denk dat je hier een melding kunt doen als je gediscrimineerd bent? - Registreren van aantal incidenten om dit in kaart te brengen (2x). - Heb wel een idee. - In behandeling nemen van meldingen van discriminatie in de regio Amsterdam. - Onderzoek doen naar discriminatie in de regio Amsterdam. - Hulp, bemiddeling, gesprekken etc. - Ik heb van de meldpunt discriminatie gehoord, maar me er verder eigenlijk niet in verdiept. - Meldingen rondom discriminatie opnemen en mensen doorverwijzen en informeren waar ze heen kunnen als ze discriminatie tegenkomen. - Het is toch duidelijk! - Bieden ondersteuning bij het doen van aangifte op basis van kleur, geloof, gender en je kan daar ook zelf een melding m.b.t discriminatie doen op basis van kleur, gender, geloof. - Organisatie die mensen helpt om aangifte te doen, verzamelt data op basis van aangifte en rapporteren erover.

17

12. Kent u het College voor de Rechten van de Mens?

13. Kunt u zonder te googelen vertellen wat het College doet? - Nee/geen idee/nope (12) - Ja (3) - Ik denk: alle rechten van de mens in deze maatschappij in gaten houden? - Een cursus over de rechten van de mens verlenen? - Bewaken van de rechten van de mens. - Is volgens mij op Europees niveau een soort van rechtbank die uitspraken doet bij discriminatie. - Opkomen voor rechten (3) - Beschermen? - Behandelt klachten van individuen en organisaties inzake ongelijke behandeling en schending van de mensenrechten. - Doet onderzoek naar mensenrechten in relatie tot diversiteit en discriminatie. - Ontwikkeld methodieken en trainingen om discriminatie te verminderen en diversiteit te bevorderen; - Brengt adviezen uit op het gebied van mensenrechten en (on)gelijke behandeling. Opkomen voor (kwetsbare) bevolkingsgroepen om ervoor te zorgen dat hun fundamentele rechten niet geschonden worden. - Soort rechtbank die klachten rondom discriminatie behandeld en ziet of er een strafbaar feit vast te stellen is. - Dragen er zorg voor dat iedereen dezelfde behandeling krijgt. Je kan daar een klacht neerleggen als je het idee hebt niet volgens dezelfde rechten behandeld bent door een werkgever of instelling.

18

14. Kent u het verschil tussen melden en aangifte doen van moslimdiscriminatie en/of islamofobe voorvallen bij de politie

15. Weet u wat de politie met u melding en/of aangifte zou moeten/kunnen doen?

16. Wanneer u ervaring heeft met het doen van een melding of aangifte bij de politie, kunt u deze dan kort hieronder omschrijven? - 3 jaar terug, Drama. Ze deden niets. Ging om bekladdingen. - De politie doet niks. Geen tijd voor deze zaken. Prioriteit ligt anders. Daarnaast is het ook moeilijk om te bewijzen voor slachtoffer. - Mijn gevoel zegt dat ze er toch niets mee doen omdat ze ruggensteun krijgen vanuit het politiek. - Ja, meerdere keren van vernieling en bedreiging van moskeeorganisatie. Wisselende ervaringen. Soms heel betrokken, andere keren onverschillig en laks. - Wijkagent in betondorp is zelf PVV- er dus staat nooit aan onze kant. Vandaar nu verder gegaan met andere agenten in Amsterdam Oost 17. Weet u wat de gemeente Amsterdam doet om moslimdiscriminatie en islamofobie te voorkomen en tegen te gaan?

19

18. Zo ja kunt u hier dan een of meerdere voorbeelden van geven? - Campagne tegen stagediscriminatie. - Dit actie-onderzoek (3x). - Er wordt wel geroepen dat het niet mag, en leuke informatieverspreiding erover. Maar puntje bij paaltje wordt er niks gedaan. Bureaucratie. 1 uur op het bureau zitten om aangifte te doen waar je niks meer over hoort of met een korte reactie van afgedaan. - Voorlichting? - MDRA Motie en uitvoering moties Gemeenteraad Positie nemen (B&W, raadsleden) Ambtelijke trajecten Burgerinitiatieven ondersteunen - Posters, kleine acties in buurthuizen; in ieder geval te weinig - k weet wel dat er door interreligieuze organisaties evenementen worden georganiseerd en dat de gemeente bijeenkomsten houdt over bijvoorbeeld tolerantie en verdraagzaamheid. - Campagne op billboards dat iedereen erbij hoort 19. Heeft u zelf ideeën om moslimdiscriminatie en islamofobie in Amsterdam tegen te gaan?

20

20. Zo ja, kunt u hiervan dan één of meerdere voorbeelden geven? - Inclusieve taalgebruik door verantwoordelijke mensen in een ambtelijke en politieke functie. - Met elkaar in gesprek blijven. - Elkaar respecteren en accepteren. - Open staan voor anderen. - Net als dat er workshops zijn gegeven over homo's, zouden er workshops moeten gegeven worden aan kinderen op de basisschool en middelbare school over de islam. Zo zouden we meer inzicht kunnen geven in wat en waar de islam voor staat. De islam staat voor vrede en deze boodschap willen wij ook verspreiden. - Voorlichting en scholing is naar mijn idee een eerste stap. - Werken aan de mindset van mensen die een vooroordeel hebben. Zoals dit al gebeurt bij homofobie etc.. - Meer zichtbaarheid van moslims; participeren maar ook echt onderdeel zijn van de samenleving en omgeving. - Wij Moslims willen dezelfde rechten als Joden en Christeren en lesbies en homo’s. Wij worden altijd achtergesteld. De anderen gaan altijd voor. Zij hebben betere bescherming. Er is geen gelijkheid. - Een transparante overheid. - Meer bewustzijn creëren dat islam niet geweld roept, maar harmonie. - Sociale cohesie, bijeenkomsten tussen moslims en niet-moslims. - Politici en vooraanstaande mensen moeten minder met de vinger wijzen en niet continue de islam en moslims beschuldigen.

De verharde taal van politici en media zorgt voor verharding van de maatschappij jegens islam en moslims. Niet alles valt onder de noemer van 'vrijheid van meningsuiting'. - Voorlichtingen geven, reclame - Campagnes in de (sociale) media voor melding, bijvoorbeeld met een 'button'; T-shirts, petten, mondmaskers; enz. die burgers, BN en politici kunnen dragen; burgerinitiatieven tegen moslimdiscriminatie; vrijwilligersorganisaties (via vrijwilligerscentrales) nemen positie tegen moslimdiscriminatie; petitie aan de gemeenteraad tegen moslimdiscriminatie; politieke partijen vragen om positie te nemen tegen moslimdiscriminatie in de aanloop naar de verkiezingen; horeca Amsterdam vragen om positie te nemen tegen moslimdiscriminatie én vóór samenleven (bijvoorbeeld met een logo in de winkel); een jaarlijkse Amsterdamse dag tegen Moslimdiscriminatie en voor samenleven; tijdens de Ramadan (bij de iftar) zorgen voor gerichte aandacht voor samenleven en tegen Moslimdiscriminatie; MKB vragen zich te committeren aan ruimte voor moslims (gebedsruimte, verlof tijdens Islamitische feestdagen); Gemeente Amsterdam committeert zich aan ruimte voor moslims (gebedsruimte, verlof tijdens Islamitische feestdagen, Ramadan); campagne op billboards voor samenleven en tegen moslimdiscriminatie.

hogere straffen zoals bij jodenhaat, meer met mensen in gesprek gaan, mensen zoals Wilders niet laten spreken. kort door de bocht dit maar genoeg wat NL en Amsterdam zou kunnen doen. - Meer tegengeluid tegen het negatieve beeld dat er vaak over moslims en islam wordt gecreëerd door mensen uitleg te geven over geschiedenis, geloof, het alledaagse leven van moslims en dat er verschil is tussen godsdienst en hoe deze beleden wordt. Dus 21

meer ruimte voor andere geluiden maar deze ruimte moet ook opgeëist worden door de moslimgemeenschap zelf. - Mensen blijvend in contact brengen met elkaar. - De wet moet veranderd worden; moslimdiscriminatie moet strafbaar gesteld worden. - Normaal doen met ‘ze’ alle. 2.4. Relevant recent onderzoek1 Uit onderzoek van het SCP naar Ervaren Discriminatie (Andriessen et al., 2020) blijkt dat 69% van de Nederlandse moslims in 2019 discriminatie heeft ervaren. Van deze groep twijfelde 14% of het wel om discriminatie ging, 55% twijfelde hier niet over. Ter vergelijking: 32 % van de christenen had discriminatie ervaren (waarvan 11% twijfelde) en 37% van de niet-gelovigen (waarvan 12% twijfelde). Ongeveer twee derde van de Marokkaanse Nederlanders rapporteerde zich gediscrimineerd te voelen op grond van geloof. Van de Turkse Nederlanders gaf ongeveer de helft aan ervaring te hebben met deze vorm van discriminatie. Onderzoek naar stigmatisering en discriminatie van moslims in Utrecht (Omlo, Butter, 2020) toont aan dat ongeveer twee derde van de mensen die moslimdiscriminatie ervaart, dit op straat of in de publieke ruimte ondervindt. Verder wordt vaak moslimdiscriminatie ervaren op de arbeidsmarkt (52%), op het internet (51%), in winkels en op de markt (40%), in het openbaar vervoer (32%) en in het onderwijs (24%). Daarnaast werden vaak media en politiek genoemd.

Uit dit onderzoek komt naar voren dat ook niet-moslims het slachtoffer kunnen zijn van moslimdiscriminatie. Uit een verkennende survey in de Vierde Monitor moslimdiscriminatie (Butter, Van Oordt, van der Valk, 2021), werd duidelijk dat driekwart van de respondenten op enigerlei wijze te maken had gehad met discriminatie op de arbeidsmarkt op grond van hun (vermeende) islamitische geloof. Arbeidsmarktdiscriminatie van moslims komt in ongeveer dezelfde mate voor bij sollicitaties, op de werkvloer en bij doorstroming naar hogere functies. Een hele kleine minderheid van de respondenten met een discriminatieervaring meldde dit bij de politie of een anti-discriminatievoorziening. Deze lage meldingsbereidheid blijkt ook uit ander onderzoek: volgens het SCP (Andriessen et al., 2020) doet ongeveer 3% van de slachtoffers van een melding van discriminatie hiervan aangifte bij de politie of een anti-discriminatievoorziening. Meldingen moslimdiscriminatie Art.1 en discriminatie.nl publiceren jaarlijks de cijfers van het aantal meldingen van discriminatie bij de politie, de Antidiscriminatievoorzieningen (ADV’s), het College voor de Rechten van de Mens en het Meldpunt Internet Discriminatie (MiND). Moslimdiscriminatie wordt sinds 2014 door ADV’s en politie apart geregistreerd als subcategorie van de discriminatiegrond godsdienst.

De politie is hiermee in 2019 gestopt vanwege een andere werkwijze. (Butter, Van Oordt, van der Valk, 2021) Uit de grafiek hieronder wordt duidelijk dat er in 2015 sprake was van een piek in het aantal meldingen bij ADV’s. Dit was zeer waarschijnlijk het gevolg van terroristische aanslagen dat jaar in Europa (o.a. twee keer Parijs), de slachtpartijen door Daesh (Islamitische Staat) in Syrië en Irak en de vluchtelingencrisis. De toename in 2020 van 1

Met dank aan Ewoud Butter

22

het aantal meldingen bij het ADV is vooral het gevolg van 148 meldingen die werden gedaan over discriminerende facebookberichten over moslims van een woningbouwvereniging. Het aantal meldingen van discriminatie op het internet bij MiND is al jaren relatief laag. Dit geldt voor alle vormen van discriminatie en heeft waarschijnlijk te maken met de onbekendheid van dit meldpunt.

Voorvallen van agressie tegen gebouwen van moslims Moslimhaat richt zich niet alleen tegen personen, maar ook tegen de gebouwen van moslims. Sinds de jaren ’70 is er sprake van brandstichting, bekladding, vernieling etc. van moskeeën. De daders zijn vaak anoniem, maar opereren de laatste jaren vaker vanuit kleine radicaal- of extreemrechtse groeperingen. Het aantal voorvallen van agressie gericht tegen moskeeën verschilt sterk per jaar. In 2015 en 2016 zien we een nieuwe piek in (gewelddadige) discriminatoire voorvallen bij moskeeën als reactie op een reeks internationale aanslagen uit naam van de islam en als Copycat gedrag; aandacht in de media voor anti-islamacties in Europa of elders die een andere daad uitlokte. De afgelopen jaren varieert het aantal volgens de Vierde Monitor moslimdiscriminatie ons bekende voorvallen tussen de 13 en 30, waarbij dreigbrieven aan meerdere moskeeën als één case worden beschouwd. De informatie wordt verkregen uit (lokale) media, officiële meldingen registrerende instanties (politie) en van (koepels van) moskeeën en andere islamitische instituties. (Butter, Van Oordt, van der Valk, 2021). De agressie richt zich tegen bestaande moskeeën en moskeeën in aanbouw. Ondanks dit ‘verzet’ worden nieuwe moskeeën uiteindelijk in veruit de meeste gevallen wel gerealiseerd (Van Oordt, 2019).

23

Daders Zoals ook bij andere vormen van discriminatie het geval is, is er amper onderzoek gedaan naar de daders van moslimdiscriminatie. Geen onderzoek naar de daders, maar wel vermeldenswaard in dit verband is een onderzoek naar oorzaken en triggerfactoren van moslimdiscriminatie (Van Wonderen, Kapel, 2017). Hieruit bleek onder andere dat ongeveer een derde van de jongens en één op de zeven meisjes negatief denkt over moslims. Een deel van deze jongeren denkt dat moslims een bedreiging vormen voor de Nederlandse cultuur. Ze worden in verband gebracht met terroristische aanslagen uit naam van de islam en met complottheorieën die ervan uitgaan dat moslims Nederland willen overheersen. Naarmate niet-islamitische jongeren meer en vaker persoonlijk contact met moslims hebben, denken zij positiever over moslims. Zij vinden dan vaak ook dat de berichtgeving in de media over moslims negatiever is dan hun eigen ervaringen. Bij jongeren die weinig contact met moslims hebben, bepalen vooral de media hun oordeel, maar ook uitspraken over moslims van opiniemakers en politici. Bij voorvallen richting islamitische instituties (scholen, moskeeën) spelen andere zaken. Wanneer niet georganiseerd en opgeëist gaat het volgens de politie vaak om ‘verwarde personen’.

Zeker daar waar het duidelijk bewuste acties betreft, roept dat bij bestuurders van moskeeën reacties op in de lijn van: ‘als een moslim betrokken is bij een gewelddadig voorval is het een terrorist, niet-moslims zijn op een of andere manier altijd verward’ (Van Oordt 2021) In de afgelopen jaren (vooral sinds 2015) wordt veel van de hatecrime tegen moskeeën uitgevoerd of opgeëist door de kleine harde kernen van Pegida Nederland en andere radicaal- en extreemrechtse formaties in Nederland, waaronder Rechts in Verzet en Identitair Verzet. Zij kiezen bewust en gericht voor maximale media-exposure. Opvallend daarbij is dat door Pegida en andere extreemrechtse splinters zelden of nooit verwezen wordt naar (individuele) moslims maar altijd naar de islam (als religie). Dat is niet zomaar. Hoe schokkend, kwetsend en beledigend ook, als er niets gezegd wordt over de aanhangers van de islam (moslims), maar alleen over de islam zelf is dat volgens het Openbaar Ministerie (OM) geen groepsbelediging of discriminatie en 24

dus niet strafbaar (Van Oordt 2021.) Tekenend is volgens Roemer van Oordt verder dat doelen die worden uitgekozen meestal al onder het kritische vergrootglas van politiek en samenleving liggen. Er wordt daarbij ingespeeld op de sterk gepolitiseerde en gesimplificeerde discussie over zaken als salafisme, opruiend prekende imams, buitenlandse financiering van moskeeën en ‘de lange arm van Ankara’. Hiermee proberen ze de aandacht af te leiden van hun ideologische drijfveren en achtergronden, die inmiddels vooral sterk islamofoob en xenofoob zijn, maar hun oorsprong meer dan eens vinden in het antisemitisme. Vaak refereren ze aan het breder levende idee over de onmacht en het gebrek aan daadkracht bij de politiek. ‘De tijd van toekijken is afgelopen en hopen op doortastende daden van onze politici is voorbij….Wij stappen in waar de overheid faalt’, of ‘Dit is nog maar het begin, we beginnen klein, wij trappen af, u hoort nog vaker van ons en wij gaan hier een verzetsvoorbeeld voor Nederland neerzetten’, zijn veelgebruikte teksten bij hun acties tegen (de bouw van) moskeeën.. Ook wanneer er openlijk gedreigd wordt met dit soort heftigere en meeromvattende herhaling van de acties, blijft het OM bij het standpunt dat er geen sprake is van strafbare feiten.

De doelen die deze extreemrechtse organisaties nastreven staan haaks op onze grondwet en beperken de rechten van bijna een miljoen Nederlanders, waaronder geloofsvrijheid en het recht om instituties op te zetten om het geloof te belijden. Ondanks hun geringe actieve aanhang, dragen ze met deze strategie bij aan het voeden van anti-islam en xenofoob sentiment in de Nederlandse samenleving (Van Oordt 2021). Media Sinds begin van de jaren 90 wordt onderzoek gedaan naar de wijze waarop de media aandacht besteden aan moslims. Emeritus-hoogleraar interculturele communicatie Wasif Shadid onderscheidde in 2009 vier frames die hij steeds zag terugkeren in de media. Deze frames keren in meer of mindere mate ook terug in ander onderzoek: 

Het etnocentrisme frame. Met behulp hiervan worden mediagebruikers vertrouwd gemaakt met een ‘wij-zij’-tegenstelling en met ‘onze’ versus ‘hun’ cultuur, waarbij de eerstgenoemde beter respectievelijk hoger wordt gewaardeerd. (..) Het stigmatiseringsframe. Hoofdkenmerk van dit frame is dat allochtonen en moslims worden gepresenteerd als probleemgroepen: ze worden meer dan strikt noodzakelijk in verband gebracht met criminaliteit, misdaad, misbruik van sociale voorzieningen, terrorisme, werkloosheid en drugs.(..) Het lekenframe. Hoofdkenmerk hiervan is dat allochtonen en moslims relatief weinig kans krijgen om hun mening te ventileren en dat ze vooral als leken en niet als deskundigen worden gepresenteerd. (..) Het culturele generaliseringsframe. Met behulp van dit frame worden Marokkaanse en Turkse Nederlanders gepresenteerd als één homogene groep en als moslims bij wie de religieuze identiteit alle andere sociale identiteiten overwoekert.

Andrea Meuzelaar signaleerde in haar proefschrift over de representatie van moslims en de islam op de Nederlandse publieke televisie twee concurrerende verhalen over de religieuze identiteit van moslims: é én over de goed aangepaste en succesvol geïntegreerde moslim en é én over de onaangepaste en barbaarse moslim. Beiden zijn volgens haar stereotypen.

25

Deze frames en stereotypen keerden ook terug in een analyse van bijna 4500 foto’s van moslima’s in de beeldbank van het ANP (Yüksel, Butter, 2020). De onderzoekers concluderen dat er een eenzijdig beeld van moslima’s wordt gegeven: bijna alle moslima’s dragen een hoofddoek of een niqaab en worden bijna altijd buitenshuis en grotendeels passief gefotografeerd. Ze zijn zelden zichtbaar als burgers die actief bijdragen aan de samenleving, maar ook niet in hun eigen sociale omgeving, bijvoorbeeld als een moeder die haar kind helpt met huiswerk. De woorden waarmee de foto’s omschreven worden refereren vaak aan politiek-maatschappelijke debatten over thema’s als inburgering, integratie of aan politieke frames zoals islamisering. Hiermee worden moslima’s voornamelijk als ‘de ander’ weergegeven. Impact Uit verschillende onderzoeken blijkt dat alledaagse ervaringen met discriminatie en haat een ingrijpende impact hebben op het dagelijks leven en welzijn van Nederlandse moslims. Lees hierover bijvoorbeeld de publicaties van Meld Islamofobie over Alledaagse Islamofobie en de impact van het Boerkaverbod.

Bij praktisch iedereen leidt het ervaren van moslimdiscriminatie tot emotionele reacties en het is vaak van invloed op het gedrag variërend van het verbergen van de islamitische identiteit tot het aangaan van een gesprek of de confrontatie (Abaaziz, I., 2019; Butter, Van Oordt, Van der Valk, 2021; Omlo, Butter, 2020). Politiek In de Tweede Kamer is lange tijd geen aandacht geweest voor het tegengaan van moslimdiscriminatie en moslimhaat. Pas sinds ongeveer 2010 staat het dankzij maatschappelijke initiatieven, onderzoekers, enkele blogs en politici meer op de agenda. Het kabinet Rutte II (VVD, PvdA) maakte in 2015 een voorzichtig begin met het ontwikkelen van beleid. Zo wordt sindsdien moslimdiscriminatie door Antidiscriminatievoorzieningen (en tot 2019 politie) apart geregistreerd. Ook besteedde het vorige kabinet enigszins aandacht aan de beveiliging van moskeeën, dat leidde onder andere tot een Handreiking Veilige Moskee en een landelijke campagne van het ministerie van SZW om de onderlinge kennis over en samenwerking tussen ADV’s, politie, gemeenten en islamitische instituties te verbeteren. Dat traject werd uitgevoerd door projectbureau Zasja (Roemer van Oordt). Ook gaf SZW opdracht tot eerdergenoemd onderzoek naar de triggerfactoren van moslimdiscriminatie.

Het derde kabinet Rutte was weliswaar het eerste kabinet dat het tegengaan van moslimdiscriminatie expliciet in het regeerakkoord opnam, maar het kabinet nam vervolgens amper concrete maatregelen. Integendeel, het vorige kabinet liet het gebeuren dat de politie in 2019 stopte om de voorvallen van moslimdiscriminatie apart te registreren (Butter, Van Oordt, Van der Valk, 2021). Op lokaal niveau staat het beleid om moslimdiscriminatie tegen te gaan in de meeste gevallen nog in de kinderschoenen. In Utrecht is er onderzoek gedaan naar ervaren moslimdiscriminatie (Omlo, Butter, 2020), in Rotterdam naar ervaren discriminatie onder moslima’s op de arbeidsmarkt (Vijlbrief, de Wit & Fiere, 2021) en in Amsterdam wordt dit actie-onderzoek naar moslimdiscriminatie en islamofobie uitgevoerd.

26

Verkiezingen De afgelopen verkiezingen voor de Tweede Kamer waren er zes partijen die de aanpak van moslimdiscriminatie of moslimhaat expliciet in hun programma hadden vermeld: D66, GroenLinks, PvdA, DENK, BIJ1 en NIDA (Boots, Butter, 2021). Sommige partijen noemen deze vormen van uitsluiting in een opsomming van verschillende vormen van discriminatie en racisme. Andere partijen doen daarnaast ook specifieke voorstellen, die in het schema hieronder kort worden samengevat.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11605712/1