CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2. Eindrapport Onderzoek Beoordelingscommissie Zedelijk Gedrag_Karin Spaink-1.pdf

Raadscommissie Kunst Diversiteit en Democratisering 22 september 2021, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Onderzoeksresultaten m.b.t. De Amsterdamse Beoordelingscommissie Goed Zedelijk Gedrag Gemeentepersoneel (1942-1958) (ZD2021-011815)22.648 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Dat was immers ongevraagd uitgebracht.

45

Een Rijksdienst als ‘reservoir van homo-sexuelen’ In de gearchiveerde notulen wordt elf keer106 een aanvraag besproken voor een bewijs van goed gedrag van iemand die bij de RVB wil werken, de Rijksverzekeringsbank.107 Zes daarvan zijn afkomstig van mannen van wie vermeld wordt dat zij een vonnis of ‘verdenking’ wegens homoseksualiteit op hun naam hebben staan (al dan niet terecht). Ruim de helft; dat is disproportioneel veel. Waarom er relatief zoveel homoseksuele mannen een positie bij de RVB ambieerden, is onduidelijk. Maar het is voorstelbaar dat de RVB op dit vlak een goede – want verhoudingsgewijs onbevooroordeelde – werkgever was, en dat die ervaring onder homoseksuelen doorverteld werd, wat vervolgens anderen op een idee bracht. Hoe dan ook: het valt na verloop van tijd ook de Commissie op. Op 20 december 1948 bespreekt ze de aanvraag van Van der V. [10027], die bij de RVB aan de slag wil. Hij heeft een geseponeerd proces-verbaal wegens ‘aanranding van de eerbaarheid’ op zijn naam staan: hij had op straat een man aangesproken, ‘hem voorgesteld tezamen ontuchtige handelingen te plegen’ en had de man vervolgens had beetgepakt. ‘Het is een uitgesproken homosexueel en Spreker voelt er niets voor om een bewijs van goed zedelijk gedrag te verstrekken.’ Volgens secretaris Detiger heeft de Commissie ‘niet het recht af te wijzen, want er is geen vonnis’.

Wel vraagt Detiger zich bezorgd af ‘of er aanleiding bestaat de Bank ondershands te waarschuwen en er de aandacht op te vestigen, dat er zoveel van dergelijke aanvragen komen, speciaal voor de R.V.B.’. Er wordt afwijzend besloten. Ruim zeven jaar later, op 13 februari 1956, valt eenzelfde verwijt, nu naar aanleiding van de aanvraag van meneer V. [15574], die bij de RVB wil werken. In 1950 werd V. wegens ‘het plegen van onnatuurlijke ontucht’ in Zwitserland veroordeeld tot 4 maanden cel. Nu is het Van Dullemen die een kanttekening plaatst bij de positie van de RVB: ‘De Voorzitter merkt op, dat de R.V.B. een reservoir wordt van homosexuelen.’ Ook V krijgt een afwijzing.

106

Formeel dertien keer, maar drie daarvan zijn van dezelfde man (met steeds een tussentijd van enige jaren tussen zijn aanvragen). Ik heb die daarom in deze paragraaf als één aanvraag geteld. Alle aanvragen zijn van mannen. 107 De Rijksverzekeringsbank is de voorloper van de Sociale Verzekeringsbank (SVB), en is de oudste uitvoerder op het gebied van de sociale zekerheid in Nederland. Zij is verantwoordelijk voor de uitvoering van de Ongevallenwet uit 1901, de AOW, de nabestaandenwet, de kinderbijslag, en tegenwoordig ook het PGB. Zie verder https://nl.wikipedia.org/wiki/Sociale_Verzekeringsbank.

46

De zwemclub-affaire In september 2019 publiceerde Het Parool een artikel van journalist Hanneloes Pen, die met groot geduld een oude affaire had onderzocht.108 Pen was ‘een geheime “zwemclub” van de Amsterdamse culturele elite’ op het spoor gekomen, die in de jaren vijftig kinderen misbruikte in het AMVJ-bad en het Heiligewegbad. Pen diepte waar ze maar kon documenten op. Pen sprak een aantal van de kinderen in kwestie. Een van hen was George Gantzert, die door een fotograaf was uitgenodigd om naar de ‘zwemclub’ te komen. ‘Hij zwom ruim een jaar – van zijn twaalfde tot dertiende – bij de “clubavond” in het AMVJ-bad. Hij heeft er zo’n acht keer gezwommen, schat hij. De zwemavonden waar hij in 1956 en 1957 bij was, verliepen steeds volgens hetzelfde patroon. Gantzert: “Na het zwemmen gingen we mee naar de kleedhokjes om seksuele handelingen te verrichten. Er waren ook mannen die in de douchehokjes gingen zitten en vroegen of ik over ze heen wilde plassen.”’ Getuigenissen van andere kinderen ondersteunen Gantzerts verhaal. Ook zijn buurmeisje, Carla Dam, was in de ‘zwemclub’ verstrikt geraakt. Dam is inmiddels overleden, maar via haar zoon Jorne verkreeg Pen inzage in Carla’s medische dossier. Daarin wordt haar traumatische jeugd, die gepaard ging met seksueel misbruik, uitgebreid beschreven. Pen kon echter weinig documentatie uit andere bronnen vinden.

Een paar dagen nadat ik Pens artikel had gelezen, stuitte ik in de notulen van ‘mijn’ Commissie op een man die verdacht was geweest van ontucht met een meisje in een zwembad. Een paar weken later trof ik een tweede geval. Bij mijn weten zijn dit de eerste – en vooralsnog enige – onafhankelijke bronnen die het bestaan van de ’zwemclub’ bevestigen. Op 3 november 1952 bespreekt de Commissie de aanvraag van M. [12760]. Hij is dan 25, en heeft een bewijs van goed gedrag nodig voor zijn aanstelling als ‘onderwijzer in het Lager Onderwijs’. Op 5 juli 1950 werd tegen hem proces-verbaal opgemaakt wegens verdenking van het ‘plegen van ontuchtige handelingen met een negenjarig meisje in een kleedhokje van een zwembad’. De Commissie neemt de zaak niet bijster serieus. ‘Hij is echter niet vervolgd geworden. Er is een zeer gunstig rapport van het Genootschap. Spreker heeft voorts door de Gem. Geneeskundige en Gezondheidsdienst een psychiatrisch onderzoek doen instellen, [waaruit] geen dusdanige afwijkingen werden gevonden dat op grond hiervan een afwijzen voor het betrekken van de functie van onderwijzer mogelijk is. Met name is er geen aanwijzing van afwijkingen op sexueel gebied. Spreker wil voorstellen gunstig te adviseren. Ook de Officier van Justitie heeft geen bezwaar.’ Dat is een problematische analyse.

Volstaat een verdenking van ontucht met een meisje van negen niet om iemands aanstelling in het lager onderwijs serieus te bespreken? Waarom is een ‘afwijking op sexueel gebied’ van de dader kennelijk voorwaarde om de vraag te mogen stellen of er sprake was van misbruik?

108

Hanneloes Pen: ‘Getuigenis: kindermisbruik in “zwemclubs” in de jaren vijftig’, Het Parool, 14 september 2019. Zie https://www.parool.nl/amsterdam/getuigenis-kindermisbruik-in-zwemclubs-in-de-jarenvijftig~b9b38c09/.

47

Niet iedereen in de Commissie is zo toegeeflijk. Mr. van der Waerden benadrukt dat hij ‘het toch wel wat griezelig vindt, de man komt eventueel bij het Lager Onderwijs’. Hij impliceert: je moet de kat niet op het spek binden. Maar secretaris Detiger verdedigt de aanvrager: ‘Er is geen vonnis.’ Prinsen, die namens de PTT zitting heeft in de Commissie, gaat nog verder, en trekt de oorspronkelijke beschuldiging in twijfel: ‘De heer Prinsen stelt de vraag of de bewering van het meisje wel waar is; kinderen op die leeftijd fantaseren wel meer.’ De Commissie besluit gunstig over M.’s aanvraag: wat hun betreft mag hij als onderwijzer aan de slag. Anderhalf jaar later volgt een aanvraag van meneer Van der W. [13661]. De eerste keer dat de Commissie zijn zaak bespreekt, is op 12 april 1954. ‘Het is een zeer ontuchtige geschiedenis en het komt spreker voor dat deze aanvraag niet à bout portant kan worden behandeld.’ De kwestie wordt verdaagd tot de volgende vergadering. Op 17 mei 1954 komt Van der W.’s aanvraag uitgebreider aan de orde. De Commissie acht hem ‘een moeilijk geval’. Ze bespreken eerst zijn voorgeschiedenis. Van der W.

is onderwijzer, nu 26 jaar oud, en werd vier jaar eerder, in juli 1950, veroordeeld wegens ‘ontucht met een aan zijn zorg en opleiding toevertrouwde minderjarige en met iemand van onder de leeftijd van 16 jaar ontuchtige handelingen plegen, beide [feiten] meermalen gepleegd’. Van der W. kreeg daarvoor indertijd 5 maanden gevangenisstraf opgelegd, plus vijf maanden voorwaardelijk en drie jaar proeftijd. Die proeftijd is inmiddels verstreken, en ‘is bijzonder goed verlopen. Hij was geen uitgesproken homo-sexueel’. (Kennelijk waren de minderjarigen met wie Van der W. in 1950 ontucht pleegde, jongens.) Maar ‘daarna is weer iets gebeurd, wat twijfel opwekt. In januari 1953 werd proces-verbaal tegen hem opgemaakt [..] het werd geseponeerd’. Wat zich precies heeft voorgevallen, staat niet in de notulen vermeld, maar het zit de Commissie overduidelijk niet lekker. Van der W. werkt nu als ‘tijdelijk onderwijzer’ aan de Osdorperschool, onder ‘verscherpt toezicht’ en vraagt daarvoor een bewijs van goed gedrag. Voorzitter Van Dullemen vindt het maar ‘gevaarlijk’. Commissielid Voorham werpt tegen: ‘Hij heeft geen jongen aangeraakt.’ ‘Neen, maar zijn reactie wijst op zijn geaardheid,’ werpt Commissielid Van Ballegoijen tegen.

Een opmerkelijk standpunt, aangezien het ‘geaardheid’ en ‘misbruik’ op één hoop lijkt te gooien, terwijl de Commissie seksueel geweld in veel andere gevallen lijkt te vergoelijken als een ‘gelegenheidsdelict’: iets dat uit benarde omstandigheden voortkwam, en niet uit iemands ‘natuur’. Iets dat verklaard moet worden vanuit de nood – en het perspectief – van de dader, en niet per se vanuit de ervaring van het slachtoffer. Het loopt uit op een stemming, een vrij zeldzame gebeurtenis voor de Commissie. Het resultaat: drie stemmen voor, vijf tegen afgifte van het bewijs van goed gedrag. In de vergadering van 3 februari 1958, bijna vier jaar later, komt Van der W. opnieuw aan de orde [aanvraag 16764]. Voorzitter Van Dullemen leidt de kwestie in en noemt het (alweer) ‘een moeilijk geval’. Kennelijk heeft Van der W. inmiddels elders werk gevonden, maar wil hij toch weer bij het onderwijs. Van Dullemen beschrijft de casus: De man heeft ‘ontucht gepleegd met jongens van zijn school. Hij werd op 6 juni 1950 door de Rechtbank te Haarlem veroordeeld tot 5 maanden gevangenisstraf voorwaardelijk met 3 jaar proeftijd en bijzondere voorwaarden. [..] De man is een zeer goed onderwijzer en hij heeft veel belangstelling voor het onderwijs; hij lijdt echter helaas aan die kwaal [bedoeld wordt: ‘homoseksualiteit’ – KS]. Hij is intussen

48

getrouwd. In 1954 was er ook nog weer iets gebeurd in het Zuiderbad, waarvan de Politie proces-verbaal heeft opgemaakt. Hij moet niet naar een dergelijke instelling toegaan om daar met jongens aan te pappen. Spreker kan niet goed inzien waarom deze man, die een betrekking heeft bij de Nederlandse Nill Mij,109 weer bij het onderwijs terug wil.’ De stukken met betrekking tot Van der W.’s nieuwe aanvraag zijn aan Commissielid Van der Weij gegeven, de geneesheer-directeur van het Wilhelmina Gasthuis, met daarbij de vraag of het nodig was extern advies van een psychiater te vragen. ‘Dr. Van der Weij vindt dat advies niet nodig en zou tegen afgifte van het bewijs geen bezwaar hebben. De man heeft echter aan de oproep van Dr. Van der Weij om een bespreking met hem te hebben geen gevolg gegeven en later schriftelijk meegedeeld, dat hij in een gesprek geen heil zag. [..] De Voorzitter vindt het bedenkelijk een dergelijk man weer naar het onderwijs te laten gaan. De heer Voorham is van mening, dat de man het gevaar opzoekt.’ De Commissie besluit het Genootschap om een nieuw rapport te vragen, waarin vooral de afgelopen jaren worden onderzocht, en verdaagt de discussie. Op 7 juli 1958 wordt de zaak opnieuw besproken. De man werkt inmiddels vijf jaar bij de Nillmij, ‘bekleedt daar thans een leidinggevende functie’ en ‘zijn maatschappelijke en financiële perspectieven liggen gunstig.

Hij aarzelt thans duidelijk of hij zich thans nog kan permitteren een dagtaak als onderwijzer te ambiëren, daar dit een aanzienlijke achteruitgang zou betekenen. Toch blijft hij nog mogelijkheden zien bij het onderwijs, b.v. als nevenfunctie onderwijzer op de avondschool. [..] Het Genootschap komt het voor, dat Van der W. in de verstrekking van het bewijs een erkenning van de overheid ziet van zijn “gereclasseerd” zijn.’ De Commissie is ditmaal kort. De man heeft een baan, komt niet opdagen op gesprekken met de Commissie, en wil niet meewerken aan een psychiatrisch onderzoek. Ze wijzen de aanvraag af.

109

Bedoeld wordt; de Nillmij, de Nederlands-Indische Levensverzekering- en Lijfrente-Maatschappij, een verkeringsmaatschappij in Nederlands-Indië met nevenvestigingen in Nederland. Na de nationalisatie van Nederlandse bedrijven in Indonesië, in 1958, was de Nillmij alleen nog in Nederland actief. Zie https://nl.wikipedia.org/wiki/NILLMIJ.

49

De schrobbering die de notulen niet haalde Achter de adviezen die die politie sinds 1951 aan de Commissie verstrekt, gaat een groot conflict schuil dat de notulen nimmer heeft gehaald. Stadsarchivaris Eric Heijselaar wees me op enkele stukken uit het politiearchief110 die op de Commissie en op de procedure rond de verklaringen van goed gedrag betrekking hebben. Voorheen kreeg de Commissie, via haar lid Fontanier – de directeur van het Gewestelijk Arbeidsbureau – op verzoek altijd de antecedenten van de aanvragers. Fontanier beschrijft de oorsprong van die gewoonte als volgt:111 ‘Na de bevrijding is tussen het Hoofdcommissariaat van Politie en mijn bureau overeengekomen, dat wanneer zich bij het arbeidsbureau te Amsterdam personen lieten inschrijven, waarbij de bemiddelaar gegronde twijfel koesterde aan de bonafiditeit van hun verleden, de politie desgevraagd aan daartoe door mij aangewezen ambtenaren inlichtingen zou verstrekken.’ Op 14 augustus 1950 komt de hoofdcommissaris van de politie Amsterdam echter met een dienstorder ‘in verband met het verstrekken van inlichtingen omtrent de criminele antecedenten uit de politieadministratie’. Kort en goed: die informatie zal ‘niet meer verstrekt worden’ aan derden, zulks per ingang van 1 september 1950. Daags nadat de dienstorder bekend wordt, op 15 augustus 1950, heeft Fontanier een onderhoud met C.F. Posthuma en J.

Advokaat, respectievelijk commissaris en hoofdinspecteur der politie. Fontanier heeft twee van zijn ambtenaren meegenomen. Afgaande op het verslag dat hoofdinspecteur Advokaat van het gesprek heeft opgemaakt, is Fontanier behoorlijk boos. ‘Hierdoor wordt het werk van het G.A.B. om als bemiddelaar bij plaatsing van werkzoekenden op te treden, zeer bemoeilijkt.’ Want: ‘Van de ± 5000 werkzoekenden per jaar zijn ongeveer 60% bij de politie bekend met nadelige antecedenten.’ Voorts benadrukt Fontanier dat deze gegevens bij hem (en de Commissie) altoos in goede handen zijn: ‘Spreker geeft de verzekering, dat van de criminele antecedenten steeds een zeer discreet gebruik is gemaakt en dat zijnerzijds alle voorzorgsmaatregelen zijn genomen dat deze inlichtingen niet ter kennis van derden komen. Om het werk van het G.A.B. niet te veel te schaden, zou dr. Fontanier gaarne zien, dat een modus gevonden werd om de thans ontstane moeilijkheden tot een minimum te beperken.’ Commissaris Posthuma maakt korte metten met dat argument.

Hij wijst op het ‘geheim karakter der criminele antecedenten’ en stelt ‘dat de laatste jaren aan deze geheimhouding niet voldoende de hand is gehouden, met als gevolg, dat tal van Overheids- en semi-overheidsinstanties inlichtingen uit de politieadministratie verkregen, zonder dat zulke steunde op wettelijke bepalingen of ministeriële aanschrijvingen.’ Posthuma heeft gelijk: want via het GAB kwamen die gegevens weer bij de Commissie terecht, die voorts – zo blijkt herhaaldelijk uit de notulen – ook vrijelijk kon beschikken over de antecedenten van mensen die helemaal niet via het GAB waren geplaatst, of die een niet-gemeentelijke baan ambiëerden. Posthuma vervolgt: ‘Daar bij kwam nog, dat meermalen is gebleken, dat de inlichtingen door de betrokken instanties niet op de juiste wijze gehanteerd werden, vaak tot nadeel en onaangenaamheden van de personen omtrent wie inlichtingen werden gevraagd.’ Posthuma benadrukt dat hij overleg heeft gevoerd met de Amsterdamse officier van justitie, ‘die zijn mening volkomen deelde’. Antecedenten horen ‘alleen maar bestemd [te] zijn voor politie- en justitie-

110 111

4410-1903 – 1950. Het betreft 4 brieven en verslagen, op grond waarvan ik een tijdlijn heb gereconstrueerd. Uit zijn voorstel d.d. 31 oktober 1950.

50

instanties’. En: ‘het opgeven van processen-verbaal, waarop (nog) geen veroordeling is gevolgd, [is] ontoelaatbaar’. Tot slot zegt Posthuma dat, als Fontanier hier echt problemen mee heeft, hij zich maar bij de minister van Justitie moet vervoegen. Een van Fontaniers ambtenaren gooit het vervolgens over een andere boeg. Als het GAB niet langer over de antecedenten kan beschikken, loopt men het gevaar ‘dat het aantal nieuwe processen-verbaal belangrijk zal toenemen, aangezien dan niet meer een juiste beoordeling omtrent de werknemers kan worden verkregen en veler hunner misschien geplaatst zullen worden in functies, welke op grond van hun antecedenten, minder geschikt voor hen zijn en zij in de verleiding kom en om strafbare handelingen te plegen’. Posthuma houdt voet bij stuk: hij ‘ziet dit gevaar niet en verwacht geen toename der criminaliteit’. Fontanier geeft niet op, en kondigt aan dat hij ‘wil trachten’ besprekingen te voeren met ‘de Wethouder voor Sociale Zaken, de Officier van Justitie en zo mogelijk met een of meer andere personen, die nauw betrokken zijn bij deze materie’. Er volgt een waterval aan ontmoetingen en overleggen, alles geregisseerd door Fontanier en gesteund door Commissievoorzitter Van Dullemen, culminerend in een voorstel dat Fontanier op 31 oktober naar Van Dullemen stuurt.

Op 18 september overlegt Fontanier met de Reclassering; op 11 oktober met de werknemers- en werkgeversorganisaties; op 21 oktober met de wethouder Sociale Zaken en mr. Van der Waerden (Commissielid en lid van de Reclassering), en diezelfde dag ook met de burgemeester (‘die mij toestond U mede te delen, dat [hij] zich ten volle met mijn opvattingen ten deze kon verenigen,’ schrijft Fontanier), besloten door een gesprek tussen Commissievoorzitter Van Dullemen en commissaris Posthuma op 1 november. Fontanier stelt in zijn brief van 31 oktober voor dat hij voortaan ‘alle gevallen van personen, die zich bij hem laten inschrijven, en van wie gegronde twijfel rijst over hun arbeidsverleden’ kan voorleggen ‘aan een door de Hoofdcommissaris aan te wijzen politie-functionaris’. Die raadpleegt dan ‘alle gegevens die bij de Politie omtrent betrokkene bekend zijn en beoordeelt, mede aan de hand van het beroep van betrokkene, of deze gegevens van zodanig belang zijn, dat het arbeidsbureau daaromtrent dient te worden ingelicht.

Hiermede wordt dus de beoordeling verplaatst naar de Politie, niet alleen over de vraag over welke personen inlichtingen worden verstrekt, doch ook over de soort inlichtingen die zullen worden gegeven.’ Van Dullemen stuurt het voorstel van Fontanier door naar de hoofdcommissaris van politie en voegt een indringend kattebelletje bij – dit op briefpapier van het Gerechtshof te Amsterdam, waar hij procureurgeneraal is (hoewel hij er netjes ‘persoonlyk’ boven typt). ‘Gezien de [..] instemming o.a. van den Burgemeester en gezien het grote nut dier inlichtingen voor de plaatsing van “the right man on [sic] the right place” moeten wy m.i. toch wel enige hulp verlenen.’ Het antwoord van de politie komt op 21 november, en bevat deze volzin: ‘In samenwerking met en in overleg met de Officier van Justitie alhier, is een einde gemaakt aan een uitgesproken verkeerde gang van zaken, gegroeid door het successievelijk toegeven aan goed verdedigde belangen van allerlei hele en halve overheidsinstanties, tot grote particuliere ondernemingen toe, tengevolge waarvan de zo terecht gesloten boeken der strafregisters en de zo noodzakelijke geheimhouding van oude en nieuwe strafzaken, voor zover door de politie behandeld, op niet meer te verantwoorden wijze, min of meer

51

gemeengoed waren geworden.’ Het voorstel van Fontanier wordt afgewezen: de procedure die hij voorstelt, draagt het risico in zich dat ‘die zich ontpopt als een nieuwe reclasseringsinstelling’. Kortom: zowel het GAB als de Commissie krijgen een flinke veeg uit de pan van de politietop. Maar toch: bij vrijwel alle aanvragen voor een bewijs van goed gedrag die vanaf 1951 worden behandeld, is sprake van ‘adviezen’ van de politie.112 Kennelijk heeft Fontanier zijn voorstel er alsnog, in gematigde vorm, doorheen weten te krijgen. Maar in de Commissie zelf wordt met geen woord over de affaire gerept. De botsing speelt zich volledig in de coulissen van de Commissie af. De schrobbering die Commissieleden Fontanier en Van Dullemen hier kregen, maken een latere scheve schaats die de Commissie reed, des te opmerkelijker. Immers, zoals eerder gememoreerd: in mei 1957 kondigde Van Dullemen aan dat er, na zijn pensionering als procureur-generaal, niemand meer zou zijn die ‘alvorens een beslissing wordt genomen, eerst nog inlichtingen [kon] verkrijgen uit het Strafregister’. Eerder concludeerde ik al: de voorzitter maakt heimelijk gebruik van de faciliteiten op zijn werk om gegevens over aanvragers op te diepen. Kennelijk was de Commissie, vervuld als zij was van de noblesse van haar werk, onverbeterlijk in haar eigen dwaalwegen.

112

In de besprekingen van deze politie-adviezen klinkt vaak een antagonistische toon door, zoals in de introductie van dit rapport is besproken. Mogelijk vindt die zijn oorsprong in deze aanvaring.

52

Het einde der Commissie In september 1953 overlijdt secretaris Detiger, na een ziekbed en een noodlottig verlopen operatie. Hij wordt op 23 december 1953 opgevolgd door mr. I.G.H. Enderlein, die aanvankelijk als hoofd van een gemeentedienst in de Commissie zat, maar later – nadat die dienst tijdens de oorlog door de Duitsers was opgeheven – op persoonlijke titel werd herbenoemd. Na Detigers dood wordt de Commissie iets milder in haar oordelen. Het zal niet alleen Detigers ontstentenis zijn geweest, ook de veranderende tijdgeest zal van zich hebben doen spreken – maar steeds vaker wordt de voorzitter door de andere leden tegengesproken, en delft hij het onderspit. Daarnaast loopt het aantal aanvragen ‘aanmerkelijk’ terug. In het jaarverslag over 1956, dat in de vergadering van 2 september 1957 wordt besproken, wordt gemeld dat het dat jaar om twee derde van het aantal van het jaar daarvoor ging. In de vergadering van 17 maart 1958 blijkt ineens dat de nieuwe wetgeving rondom de verklaring van goed gedrag in kannen en kruiken is: ‘Er is een nieuwe Wet vastgesteld, welke waarschijnlijk in de a.s. herfst in werking zal treden. De Commissie zal dan vermoedelijk een andere taak krijgen en anders worden samengesteld. Het zal er waarschijnlijk toe leiden, dat het aantal aanvragen zal teruglopen en het kan ook zijn, dat de omliggende gemeenten advies der nieuwe Commissie zullen vragen.

Wij zullen moeten afwachten, hoe dat zal worden.’ Een toelichting op de aanstaande gang van zaken wordt niet gegeven. Ruim een maand later, op de vergadering van 28 april 1958, wordt iets meer duidelijkheid verschaft. De nieuwe wet treedt vermoedelijk op 1 oktober van dat jaar in werking, ‘tengevolge waarvan een nieuwe Commissie zal moeten worden benoemd. Er is thans een Algemene Maatregel van Bestuur verschenen waarin voorschriften worden gegeven omtrent de samenstelling dier Commissie.’ De commissie-nieuwe-stijl mag hooguit 15 leden tellen, de burgemeester van Amsterdam heeft voor 12 leden gekozen. Met enige trots leest de voorzitter ter vergadering ‘vervolgens het desbetreffende artikel van het Koninklijk Besluit voor, waaruit blijkt, dat de samenstelling der toekomstige Commissie niet zo veel verschilt van die van de tegenwoordige Commissie en dat men blijkbaar Amsterdam tot voorbeeld heeft gekozen’. Wat wel nieuw is: er komen ook ‘“werknemers” leden’ in de Commissie, reden waarom de voorzitter ‘zich in verbinding [heeft] gesteld met de vakorganisaties en bestuurdersbonden’. De vergadering daarna, op 7 juli 1958, meldt de voorzitter dat dit de ‘vermoedelijk voorlaatste vergadering dezer Commissie’ is. Hij heeft ongelijk: er volgen er nog drie, namelijk op 22 september, 4 november (er wordt dan nota bene nog een nieuw lid benoemd: dhr. Van Wessem) en 24 december.

Op de laatste vergadering komt burgemeester Van Hall langs en steekt de loftrompet over de Commissie. Van Dullemen, Enderlein en Voorham krijgen de zilveren eremedaille van de stad. Op 1 januari 1959 zal de nieuwe Commissie beginnen. Haar voorzitter: mr. B. van der Waerden.

53

54

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10517384/1