Bijlage 2. Eindrapport Onderzoek Beoordelingscommissie Zedelijk Gedrag_Karin Spaink-1.pdf
Tekst van het document
‘Zo iemand kunnen we toch niet op het publiek loslaten?’ De Amsterdamse Beoordelingscommissie ‘Goede Zeden’ (1942-1958)
Karin Spaink, april 2020
De aanleiding voor dit rapport ......................................................................................................... 3 Introductie (en samenvatting) ......................................................................................................... 4 Formele historie van de Commissie Goede Zeden ........................................................................... 8 Detiger: de grote onbekende, en spil van de Commissie................................................................ 10 Zetelvast, trouw, behoudend, man en (meestal) oud .................................................................... 11 Taakverdeling, rapportages, bereik en de ‘uitkijkpost’................................................................... 14 Gevolgen van de Duitse bezetting ................................................................................................. 16 Doorwerken: schipperen en laveren .............................................................................................. 18 De vreselijke status quo ................................................................................................................. 20 Impact van de bezetting, of modus operandi? ...............................................................................
22 Een jaar cel voor een gestolen brood of fiets ................................................................................. 23 Verzachtende en verzwarende omstandigheden ........................................................................... 24 Rangen en standen........................................................................................................................ 26 Verjaring en de aanstaande nieuwe regels..................................................................................... 27 Tekenen des tijds .......................................................................................................................... 29 Werkende vrouwen ....................................................................................................................... 31 Het huwelijk kan een man redden ................................................................................................. 34 De ultieme remedie ....................................................................................................................... 36 De homolijsten van de politie ........................................................................................................ 37 De bejegening van lesbiennes .......................................................................................................
38 Homoseksualiteit is een serieuze, vaak criminele zaak .................................................................. 40 De onverkwikkelijke kwestie C. ..................................................................................................... 43 Een Rijksdienst als ‘reservoir van homo-sexuelen’ ......................................................................... 46 De zwemclub-affaire ..................................................................................................................... 47 De schrobbering die de notulen niet haalde................................................................................... 50 Het einde der Commissie .............................................................................................................. 53
2
De aanleiding voor dit rapport In de zomer van 2016 werd, ter gelegenheid van Europride, in het Amsterdamse Stadsarchief een tentoonstelling ingericht met documenten die een historisch overzicht boden van de houding van de stad ten aanzien van homoseksualiteit. Het archief van de ‘Beoordelingscommissie inzake Goed Zedelijk Gedrag Gemeentepersoneel’ was onderdeel van deze tentoonstelling, Eerder was niet goed duidelijk wat dit archief precies inhield, noch wat het doel of de taak van de Commissie was. In november 2017 publiceerde dagblad Trouw een artikel over het archief, onder de titel ‘Als homo kreeg je in de jaren ’50 geen baan bij de gemeente Amsterdam’.1 Uit dat artikel: ‘Als bleek dat sollicitanten homoseksueel waren, konden zij een carrière als ambtenaar bij de gemeente vergeten. En ook als men in de omgeving iemand had die homoseksueel was, liep men al het risico niet te worden aangenomen. [..] Naast de seksuele voorkeur onderzocht de commissie ook de criminele antecedenten van sollicitanten. Een uiteindelijke goedkeuring stond gelijk aan de huidige Verklaring Omtrent Gedrag. Het Amsterdamse Stadsarchief gaat ervan uit dat ook in andere gemeentelijke archieven zulke lijsten te vinden zijn.’ Het artikel meldde dat belangenorganisatie COC naar aanleiding van dit archief vroeg om nieuw onderzoek naar de behandeling van homoseksuelen door de overheid.
Het artikel in Trouw leidde tot een uitgebreid onderzoek, waarvan dit rapport de neerslag is. De Commissie bleek iets genuanceerder over homoseksualiteit te hebben gedacht dan gesuggereerd was, en gelukkig ontwikkelde dat standpunt zich in de loop der jaren, hoewel zulks niet zonder interne strijd ging. Maar ook over andere bevolkingsgroepen had de Commissie geregeld een hard standpunt: de manier waarop openlijk een oordeel over vrouwen werd geveld, met name wanneer zij niet ‘kuis’ genoeg waren naar de zin der Commissie, is thans nog maar moeilijk voor te stellen. De studie van de notulen van de Commissie levert een bijwijlen wrang tijdsbeeld op, en maakt goed duidelijk welke normen en waarden indertijd in de gegoede burgerij heersten. De notulen laten zien hoe de Commissie moest schipperen met de bezetter, soms het goede wilde maar dat niet altijd durfde, vaak niet voorbij haar eigen beperkingen kon zien, gaandeweg haar eigen taak verruimde, en zelfs: dat ook zijzelf af en toe een scheve schaats reed.
1
Hans Marijnissen, 30 november 2017, zie https://www.trouw.nl/samenleving/als-homo-kreeg-je-in-de-jaren50-geen-baan-bij-de-gemeente-amsterdam~a472b0db/.
3
Introductie (en samenvatting) De Beoordelingscommissie ‘Goede Zeden’ bezag of mensen met een veroordeling na afloop van hun straf bij de gemeente aan het werk konden, en verstrekte zo mogelijk bewijzen van ‘goed gedrag’ aan een (nieuwe) werkgever. Haar werk was geworteld in de reclasseringsgedachte. De Commissie, opgericht in februari 1912 en in functie tot en met december 1958, had zodoende een grote stem in het gemeentelijke reclasserings- en aannemingsbeleid. De invloed van de Commissie strekte zich buiten de gemeentegrenzen uit: zij adviseerde al snel ook over bewijzen van goed gedrag voor sollicitanten bij een aantal landelijke overheidsinstellingen, zoals de Rijksverzekeringsbank, de Nederlandse Spoorwegen en de PTT (het Staatsbedrijf der Posterijen, Telegrafie en Telefonie), en voor particuliere instellingen: van Fokker en Wagons-Lits tot de Samenwerkende Havenbedrijven en de Holland-Amerikalijn. De NS en de PTT kregen zelfs een permanente afgevaardigde in de Commissie. Het uitgangspunt van de Commissie was – zeker in haar tijd bezien – simpel en loffelijk. ‘Het werk der commissie draagt een uitgesproken reclasseringskarakter. Met de oude regel: “Wie eens steelt blijft altijd een dief”, is voorgoed gebroken.
Velen putten uit de verwachting, dat door een goed levensgedrag de smaad, die op hun naam was gevallen, wordt weggenomen en dat zelfs de zozeer begeerde en gewaardeerde overheidsbetrekking tot de mogelijkheden blijft behoren, een grote kracht om in verleiding staande te blijven.’2 Kortom: hoe zorgen we ervoor dat iemand, die door een misdrijf of misstap strafrechtelijk is veroordeeld, na afloop van die straf weer fatsoenlijk werk kan vinden, ook bij de gemeente? Zo iemand heeft geen schoon blazoen, en vermoedelijk meer moeite om een betrekking te krijgen dan anderen. De Commissie was opgericht om te bezien of deze mensen, via een bewijs van goed gedrag, weer aan werk konden worden geholpen. Maar sommige aanvragen voor zo’n verklaring van goed bewijs gingen de Commissie bepaald te ver. Kort gezegd: de Commissie faciliteerde sommige aanvragen makkelijker dan andere, bijvoorbeeld door verschoningsgronden of verzachtende omstandigheden aan te voeren. Diefstal, heling en verduistering kon zij goed plaatsen (en vergeven), evenals jeugdzonden en oorlogsdelicten. De Commissie was echter zeer schuw om sollicitanten die bij de politie bekend stonden als homoseksueel of prostituée een bewijs van goed gedrag te verstrekken, zelfs als deze mensen geen enkel vonnis of proces-verbaal op hun naam hadden staan.
Want, zo redeneerde de Commissie, de overheidsdienst vertegenwoordigde toch een bepaalde waarde, en aan mensen met een zedelijk zo discutabele achtergrond kon je het publiek toch niet blootstellen?3 Seksualiteit werd zodoende een grond om iemand een bewijs van zedelijk gedrag te onthouden, en dus: uit overheidsdienst te weren. Zo blijkt de Commissie zich – helaas met succes – in 1950-51 te hebben ingespannen om iemand die al sinds 1945 naar ieders tevredenheid bij de afdeling Sociale Zaken van de gemeente werkte, daar in diskrediet te brengen. C. zou er volgens geruchten ‘te koop’ lopen met zijn
2
‘De Amsterdamse Beoordelingscommissie. (Een veertigjarige Pioniersarbeid)’, KLAG-05009 001/007. De titel van dit rapport is gebaseerd op deze overtuiging, die in de loop der jaren in allerlei varianten de revue passeert: ‘…dat het wel wat gevaarlijk is haar op de menschen los te laten’ [mevrouw P-van E., zaak 8384], ‘Men kan zo iemand niet op de bevolking loslaten’ [meneer Van B., zaak 9355]. 3
4
‘geneigdheid’.4 Na een campagne van een half jaar – niet ingezet door zijn werkgever (die kennelijk tevreden over hem was), noch door zijn collega’s of door geschoffeerde burgers – werd hem een bewijs van goed gedrag voor de tweede keer geweigerd, zuiver op ‘zedelijke’ gronden; dit voor een baan waarin hij al jarenlang werkte. De Commissie, die bitter weinig moest hebben van zowat elke vorm van ‘onzedelijk gedrag’, streek op het vlak van homoseksualiteit niettemin wel eens de hand over het hart. De Commissie wist terdege dat homoseksualiteit voor de buitenwereld vaak moeilijk lag, en schipperde daar in de praktijk geregeld mee. Ze verstrekte homoseksuelen soms een bewijs van goed zedelijk gedrag – wat voor de betrokkenen van groot belang was, want zonder zo’n bewijs kon je niet in gemeentedienst komen, en weigerden ook veel particuliere werkgevers je een aanstelling. De Commissie verstrekte homoseksuelen zo’n bewijs als zij meende dat het een betrekking betrof waarin zij volgens haar ‘niet veel kwaad konden’. Maar zodra iemand volgens de Commissie met zijn homoseksualiteit ‘te koop’ liep, al was het maar door zijn voorkeur niet te verstoppen, was de boot aan: dat was vaak reden om een bewijs van goed gedrag af te wijzen. De Commissie koesterde meer vooroordelen.
Zo kon je als man beter ontucht plegen met een minderjarige of zelfs je eigen dochter verkrachten, dan als vrouw je geld met prostitutie verdienen. Het eerste delict verjaarde uiteindelijk altijd, en de Commissie zag zoiets graag als een gelegenheidsmisdrijf, een misstap uit nood (‘inmiddels is hij gelukkig getrouwd’ geldt steevast als bezwering voor de toekomst: eerder had hij geen vrouw, of een slecht huwelijk, vandaar dat de aanvrager zijn ‘recht’ op seks elders had verzilverd). Maar wie ooit als prostituée werkte, is volgens de Commissie nadien eigenlijk nimmer meer geschikt voor gemeentedienst, zelfs niet als schoonmaakster: zo iemand blijft altijd een smet voor de stad.5 Souteneurschap daarentegen is eerder een economisch dan een moreel delict: daarvan kon je je volgens de Commissie wel goed rehabiliteren. De Commissie die mensen met een vlekje zo graag aan een baan wilde helpen, wordt gaandeweg soms roomser dan de Paus. ‘Dat is geen man voor een overheidsbetrekking’ is een veelgebruikt argument. Ook grossiert de commissie in vooroordelen van het type ‘kellners bij Wagons-Lits stelen; wie kellner bij Wagon-Lits wil worden, moet daarom van volledig onbesproken gedrag zijn’. Een ernstig voorbeeld van dit type redenering komt aan de orde als Penning (die namens de PTT in de Commissie zit) in de vergadering van 26 juni 1944 meldt dat hem een aanvraag van meneer J.
ter hand is gesteld. ‘De heer Penning deelde mede, dat J. een kleurling (Surinamer) is. Men heeft met deze menschen zooveel slechte ervaringen opgedaan, dat ze brandschoon moeten zijn willen ze een kans hebben om aangenomen te worden. Het vonnis is in dit geval niets, maar met het oog op de consequenties ten aanzien van soortgenooten komt de man niet in aanmerking.’ J.’s aanvraag wordt niet eens in behandeling genomen (en heeft daarom geen dossiernummer).
4
Het betrof meneer C. [11494]. Zijn zaak wordt besproken in de vergaderingen van 9 oktober 1950, 15 januari 1951 en 23 maart 1951. C. had al eens eerder een aanvraag voor een bewijs gedaan, die op 20 december 1948 werd besproken [zaak 10103]. C. werkte indertijd bij Sociale Zaken, waar mensen zouden worden ontslagen; hij vroeg toen om een verklaring teneinde als conducteur bij de Gemeentetram te gaan werken. Het bewijs werd hem geweigerd en hij bleef in zijn oude betrekking. C.’s zaak kwam in 1950 opnieuw in de Commissie, op verzoek van de burgemeester. 5 Dat verandert pas in de jaren vijftig.
5
Vanaf 1951 geeft ook de politie advies aan de Commissie6 over voorliggende gevallen. Klein probleem: de politie beperkt zich daarbij niet tot het lichten van iemands strafrechtelijke doopceel, maar gooit ook al haar onbewezen verdenkingen en vermoedens over de schutting, en presenteert die geregeld als feit, vaak zonder onderbouwing. Neem aanvraag 13902, uit de vergadering van 17 mei 1954: ‘De Politie schrijft, dat hij nimmer met Politie en Justitie in aanmerking kwam, maar toch een twijfelachtige figuur schijnt te zijn; ook politiek zou hij fout zijn geweest, maar hij werd terzake niet vervolgd. In 1939 zou hij door de Zedenpolitie in Rotterdam om verzekerde bewaring zijn gesteld als souteneur. Dit staat echter allemaal niet vast.’ (Overigens verleent de Commissie deze man een bewijs.) Langs deze weg spuide de politie een stortvloed aan morele oordelen. Niet: wie verzaakte de wet, maar: wie houden we in de gaten, wie voldoet niet aan onze normen; dit alles geregeld zonder het strafrecht daarbij te wegen, zodat een verdenking al snel de geur van illegaliteit of overtreding krijgt.
De politie gedraagt zich kortom als een roddeltante: ze zaait wantrouwen over kandidaten bij de Commissie, geeft vaak geen onderbouwing voor haar verdachtmakingen (buiten wat al via het strafregister bekend was), maar doet daar wel stellig over, en presenteert deze non-strafrechtelijke informatie als zeer gewichtig. De Commissie betoont zich hierin gelukkig prettig onafhankelijk: ze trekt zich weinig aan van het oordeel van de politie. Zo melden de notulen van februari 1957 bij de behandeling van een aanvraag licht spottend: ‘Zelfs de Politie is niet afwijzend.’7 En uit de notulen van 2 september 1957: ‘…de Politie is, tegen de gewoonte in, gunstig.’8 Naast de vele verjaarde zaken die de Commissie steevast meeweegt – ook al was er al jarenlang wetgeving in voorbereiding om zulks expliciet te verhinderen, iets waarvan de Commissie terdege op de hoogte was, getuige haar besprekingen van het wetsvoorstel – vallen ook de ethische en sociale dimensies van haar werkterrein en de achtergrond van haar beslissingen op, en de verschuivingen daarin. Zo verstrekt de Commissie tijdens de Duitse bezetting zonder blikken of blozen bewijzen van goed gedrag voor mensen die bij de Weermacht willen werken.
Een jaar na het einde van de Tweede Wereldoorlog zakt het aandeel van aanvragen van vrouwen zienderogen, terwijl op het ambtelijk arbeidsverbod voor getrouwde vrouwen tijdens de oorlog eigenlijk weinig werd gelet – er heerste tijdens de bezettingsjaren namelijk een groot tekort aan werknemers, aangezien veel mannen naar werkkampen waren afgevoerd. Rond 1948 spelen veel zaken van deserteurs die aan uitzending naar Indië wilden ontkomen, maar aan hun strafblad tilt werkelijk niemand in de Commissie: het was kennelijk geen populaire oorlog, en een vonnis wegens desertie werd afgedaan als een verwaarloosbaar feit. En tussen 1950-1951 werd zowat de helft van alle ingediende verzoeken voor een bewijs van goed gedrag niet gedaan met het oog op werk, maar op grond van de wens te emigreren, vaak naar Australië of Nieuw-Zeeland. Een politiek intrigerende vondst is dat Australië, bij monde van haar gezant, zich eind 1951 bij de Amsterdamse burgemeester beklaagde dat Nederland te veel criminelen naar dat land stuurde. De voorzitter meldt de vergadering: ‘er zouden 80 emigranten zijn teruggewezen van wie later was gebleken, dat zij, ondanks het afgegeven bewijs, een veroordeling te hunnen laste hadden’.9
6
De politie gaf van meet af aan een overzicht van iemands strafrechtelijke geschiedenis en meldde of iemand voorkwam op de lijsten van bekende prostituées en homoseksuelen., maar vanaf 1951 geeft de politie ook een oordeel of een aanvrager naar haar smaak in aanmerking komt voor een bewijs van goed gedrag. 7 Zaaknummer 16230. 8 Zaaknummer 16502. 9 Vergadering 20 november 1950; KLAG-05005 032.
6
De bewaard gebleven notulen beslaan de periode oktober 1942 tot en met december 1958. In januari 1959 trad, nadat eindelijk een wet was aangenomen die de afgifte van verklaringen van goed gedrag landelijk regelde, een nieuwe commissie aan.
7
Formele historie van de Commissie Goede Zeden Begin februari 1952, ter gelegenheid van het 40-jarig bestaan van de Commissie, publiceerde haar secretaris W.F. Detiger een korte geschiedenis van haar ontstaan, die ook onder de pers wordt verspreid.10 Wanneer instanties een bewijs van goed (zedelijk en maatschappelijk) gedrag van iemand verlangden, was begin vorige eeuw de ‘Burgemeester der woonplaats’ verantwoordelijk voor de afgifte daarvan. Alleen bestond er geen richtlijn hoe zo’n bewijs moest worden opgesteld; zodoende was er sprake van lokale beleidsvrijheid, en een grote mate van willekeur. De gewoonte groeide ‘om op de af te geven bewijzen de vonnissen te vermelden, die tegen betrokkenen gewezen zijn. Men omzeilde de verantwoordelijkheid ener beslissing. Iemand, die het al te bar gemaakt had werd een bewijs geweigerd, maar in het algemeen kreeg een aanvrager een “bewijs met aantekeningen”. Maar een “bewijs met aantekeningen” heeft in de praktijk ene averechtse uitwerking: een man die door de strafrechter veroordeeld is, valt het moeilijk een betrekking te verwerven, waarvoor een bewijs van goed gedrag wordt vereist.’ De Reclassering verzette zich tegen publiekelijk deze situatie, en zij vond uiteindelijk gehoor bij de regering.
‘Reeds in 1909 werd op deze misstand de aandacht gevestigd door de Minister van Binnenlandse Zaken.’ De minister stuurde, in samenspraak met zijn collega van Justitie, een circulaire naar alle (indertijd meer dan 1000) gemeentebesturen, en pleitte voor ‘het wegnemen der hardheid van het bestaande systeem – vermelding van elke straf voor een nog zo gering of nog zo lang geleden vergrijp’. Maar er kwam geen richtlijn. De burgemeester van Amsterdam drong daar nogmaals op aan, en hij deelde het ministerie van Justitie mee anders zelf een gemeentelijke richtlijn te zullen invoeren. De gemeente overwoog daartoe aanvankelijk een ‘schaal’ te ontwerpen, die voorschreef wanneer een opgelegde straf kon worden vergeten, maar kwam al snel tot de conclusie dat zo’n instrument niet zou werken, ‘omdat in een individuele straf zoveel subjectieve factoren meetellen, dat deze ook bij opheffing ervan tot gelding moeten komen’. Daarop besloot de gemeente over te gaan tot instelling van een Commissie die de burgemeester kon ‘adviseren omtrent het al of niet afgeven van een blanco bewijs van goed gedrag aan iemand, die een of meerdere vonnissen ten zijne laste heeft’. Deze Commissie werd in februari 1912 ingesteld.
Ze adviseerde aanvankelijk alleen over gemeentelijke sollicitanten, en was als volgt samengesteld: o vier vertegenwoordigers van de Amsterdamse afdeling van het Genootschap voor Reclassering;11 twee van hen dienen leden der rechterlijke macht te zijn; o twee directeuren van gemeentediensten, bij toerbeurt aan te wijzen; o de directeur der Gemeente Arbeidsbeurs, die tevens secretaris van de Commissie werd. De secretaris kreeg de bevoegdheid ‘reeds bij de inschrijving als sollicitant’ iemands antecedenten te onderzoeken, om te voorkomen dat het onderzoek pas kon starten nadat iemand al was aangenomen.
10
‘De Amsterdamse Beoordelingscommissie. (Een veertigjarige Pioniersarbeid)’, KLAG-05009 001/007. Verder te noemen: het Genootschap. Overigens zitten er in de onderzochte periode slechts drie leden van het Genootschap in de Commissie. Een historische schets van het Genootschap staat her: https://nl.wikipedia.org/wiki/Reclassering_in_Nederland#Begin_20e_eeuw. 11
8
De Commissie fungeerde naar tevredenheid van de gemeente, die in 1928 besloot om haar taak te verruimen. Ook voor niet-gemeentelijke functies of doeleinden kon de Commissie voortaan adviseren over afgifte van het bewijs van goed gedrag. De samenstelling van de Commissie werd dientengevolge uitgebreid. De nieuwe leden:12 o vertegenwoordigers van de in Amsterdam gevestigde Rijks- en semi-overheidsbedrijven; o de directeur der Gemeentelijke Personeelsvoorziening; o een vertegenwoordiger van het particuliere bedrijfsleven. In 1928 werd tevens een regelement opgesteld voor de werkwijze der Commissie (die werd omgedoopt in de ‘Beoordelingscommissie’). Elke adviesaanvraag gaat vergezeld van een rapport van de politie. De secretaris roept de betrokkene op, ‘teneinde hem in de gelegenheid te stellen zijnerzijds de betreffende zaak toe te lichten en alle te geven verschonende feiten en omstandigheden naar voren te brengen’. Ook wordt de aanvrager verzocht een lijst met referenties te overhandigen. Het Genootschap stelt een ‘uitvoerig rapport’ op, waarin ‘harerzijds gegevens [worden verzameld] van werkgevers en anderen’. Het volledige dossier gaat daarna naar een der Commissieleden, die vervolgens ter vergadering rapporteert en advies uitbrengt. De Commissie let bij haar beslissing sterk op de aard van de functie en het doel van het bewijs.
Secretaris Detiger meldt tot slot in zijn jubileumbrief dat de Commissie tot dan toe bijna 12.500 aanvragen heeft behandeld. In 75 procent van alle gevallen werd gunstig geadviseerd, in 10 procent afwijzend; 15 procent ging retour naar de burgemeester, omdat de aanvrager het bewijs inmiddels niet meer nodig had of nooit was komen opdagen.
12
De vakbonden drongen er meermalen aan op een eigen vertegenwoordiger in de Commissie, maar B&W hielden dat af, vooral met het oog op de vertrouwelijkheid van het werk: geheimhouding verdraagt zich slecht met verantwoording aan leden afleggen.
9
Detiger: de grote onbekende, en spil van de Commissie De Commissie vergaderde in de onderzochte periode aanvankelijk elke vier weken in het pand van de AVO, op de Nicolaas Maesstraat 52; vanaf februari 1948 kwam zij ten stadhuize bijeen. De AVO, de Arbeidsbeurs voor Oorlogsinvaliden, was onderdeel van de Gemeente- en Districtsarbeidsbeurs (kortweg: de Arbeidsbeurs13) van Amsterdam, opgericht in 1908. In 1914 werd de oud-onderwijzer en gematigd sociaaldemocraat Willem Frederik Detiger (geboren op 17 maart 1882)14 directeur van de Arbeidsbeurs. Hij behield die functie tot aan haar opheffing in 1941. Detiger was daarnaast secretaris-penningmeester van de Vereeniging Arbeid voor Onvolwaardigen en secretaris van het Museum van de Arbeid. Als directeur van de Arbeidsbeurs was Detiger nauw betrokken bij de oprichting van de Commissie; hij fungeerde tot aan zijn vrij plotselinge dood in september 1953 qualitate qua als haar secretaris.15 Hij was daarmee het langst zittende Commissielid, en oefende grote invloed uit op de gang van zaken. Over Detigers overige werk en leven is weinig bekend. Hij publiceerde een aantal artikelen over de ambtenarij en de arbeidsmarkt. Of hij een groot aanhanger van de reclasseringsgedachte was, het idee waaruit de Commissie voortsproot, is niet bekend.
Een monografie over de Arbeidsbeurs meldt dit over hem:16 ‘Toen de openbare arbeidsbemiddeling in Nederland, wat betreft aantal arbeidsbeurzen, intensiteit van de overheidsbemoeienis ermee en kwantiteit der tot stand gebrachte bemiddelingen, inderdaad iets ging voorstellen, was ze al deel geworden van een bredere werkloosheidspolitiek, waarin onder meer werkloosheidsverzekeringen, openstelling van de armenzorg voor werklozen, invoering van aparte steunregelingen en meer systematische werkverschaffing een rol speelden. Het was in feite die groei van een werkloosheidspolitiek, die de openbare arbeidsbemiddeling stimuleerde.’ ‘De Amsterdamse Arbeidsbeurs stond hier voortdurend in het brandpunt van de beleidsmatige discussie over doel, taken, bestuurlijke vormgeving en werkmethodes van de openbare arbeidsbemiddeling. Ze vervulde daarin onmiskenbaar een gidsrol. Binnen de nationale gedachtevorming is, ook in publicitaire activiteiten, haar directeur W.F. Detiger tussen 1913 en 1939 zeer prominent aanwezig.’ ‘Toen in 1939-40 op landelijk niveau een discussie werd gevoerd over de noodzaak van meer centralisatie in de openbare arbeidsbemiddeling, was het met name de Amsterdamse directeur Detiger, die – vlak voor zijn pensioen – daartegen heftig opponeerde. Zijns inziens was juist het gemeentelijk bestuur het beste kader voor de openbare arbeidsbemiddeling.
Hoewel destijds weinigen eraan toe waren om te kiezen voor een landelijk geïntegreerd orgaan – dat werd pas door de Duitsers doorgedreven – had Detiger tijdens genoemd debat nauwelijks nog medestanders.’
13
Meer over de Amsterdamse Arbeidsbeurs: https://amstelodamum-archief.nl/resources/1997_mb_84.pdf, en https://archief.amsterdam/inventarissen/overzicht/5236.nl.html. 14 Een summiere biografie van Detiger staat op https://www.dbnl.org/arch/_wie002wiei01_01/pag/_wie002wiei01_01.pdf en op https://www.bmgnlchr.nl/articles/3834/galley/3888/download/. 15 Bij de instelling van de Commissie werd vastgelegd dat de directeur van de Arbeidsbeurs als haar secretaris zou optreden. Na de opheffing van de Arbeidsbeurs in 1941 bleef Detiger aan als secretaris van de Commissie. 16 Zie https://amstelodamum-archief.nl/resources/1997_mb_84.pdf.
10
Zetelvast, trouw, behoudend, man en (meestal) oud De eerste voorzitter van de Commissie was mr. G.T.J. de Jongh, die de bijnaam ‘de grijze man met het jonge hart’ kreeg.17 Gerrit de Jongh stelde zijn leven in dienst van de reclassering en de kinderbescherming. Hij was een van de pioniers van Pro Juventute in Rotterdam, dat – in zijn woorden – als taak had ‘het houden van toezicht op knapen en meisjes, waarover de ouders vrijwillig en uit zichzelf bij de Vereeniging kwamen klagen of die via het parket van den Officier van Justitie wegens een of ander delict aldaar werden aangebracht’.18 De Jongh streed voor de mogelijkheid tot voorwaardelijke veroordeling van verdachten. Die voorwaardelijke veroordeling werd in 1914 mogelijk, een wetswijziging die een belangrijk instrument werd in de de reclassering van gestraften. In 1922 werd De Jongh de eerste kinderrechter te Amsterdam; 19 hij bleef dat tot 1933. Hij maakte de gezinsvoogdij tot de belangrijkste maatregel van de kinderbescherming. Pas in 1940 – hij was toen al 79 – trad De Jongh af als voorzitter van de Commissie Goede Zeden. Sindsdien werd de Commissie voorgezeten door mr. A.A.L.F. van Dullemen (geboren mei 1892), sinds 1939 advocaat-generaal van het gerechtshof Amsterdam. In 1949 werd hij procureur-generaal, en daarmee de hoogste rechter van de stad.
Nout van Dullemen was lid van het Nederlands Genootschap tot Reclassering, en voorzitter van het Psychiatrisch Juridisch Gezelschap. In 1957 ging hij met pensioen, maar hij bleef aan als voorzitter van de Commissie. In 1960 werkte hij mee aan de oprichting van de Raad voor de Journalistiek, waarvan hij aanvankelijk plaatsvervangend voorzitter werd, en in 1963 voorzitter.20 De andere drie afgevaardigden21 van het Genootschap tot Reclassering in de Commissie waren mr. B. van der Waerden, rechter bij de Amsterdamse arrondissementsrechtbank, J. Voorham en A.W. de Bruijn (de functie van die laatste twee wordt nergens vermeld; mogelijk waren beiden in dienst bij de Reclassering). De directeur van de Gemeentelijke Personeelsvoorziening was eveneens vast lid. Aanvankelijk was dat H.R. Balk; in augustus 1954 werd hij opgevolgd door mr. H.M. Porrenga. Het Staatsbedrijf der Artillerieinrichtingen werd vertegenwoordigd door mr. I.G.H. Enderlein, die er hoofd personeelszaken was. In 1953 wordt dr. G.F. Fortanier als vast lid aan de Commissie toegevoegd; hij is de directeur van het Gewestelijk Arbeidsbureau. Ook hadden vertegenwoordigers van de Spoorwegen en de PTT permanent zitting in de Commissie, evenals als een vertegenwoordiger van het particulier bedrijfsleven.
Die laatste drie zetels waren – opmerkelijk vaker dan alle andere, niet bedrijfsgebonden posities – onderhevig aan personeelswisselingen, vaak als gevolg van promoties, overplaatsingen etc.22
17
Detiger, in zijn korte geschiedschrijving van de Commissie ter gelegenheid van haar 40-jarig jubileum. Uit de korte biografie van De Jongh: https://www.canonsociaalwerk.eu/1905_kinderwetten/Gerrit-deJonghbiomateriaal.pdf. 19 De Jongh was toen al 62. 20 Zie voor verdere biografische details https://nl.wikipedia.org/wiki/Nout_van_Dullemen. Schrijfster Inez van Dullemen is zijn dochter, journalist Maarten van Dullemen zijn zoon. 21 Detiger vergeet in zijn historie van de Commissie De Bruijn te noemen. 22 Voor de PTT hadden in de bestudeerde periode achtereenvolgens zitting: P.H. Penning, L.A. van Hoeve, G.F.A. Prinsen en A.W.B. van Altena. Voor de NS: ir. O. Schutte, mr. J.P.A. van Ballegoijen de Jong en mr. C.A.O. Naudin ten Cate. Voor de particuliere werkgevers tenslotte: eerst H.A.J. Baanders en later H. Munnik. 18
11
Het gezelschap werd reglementair aangevuld door allerlei directeuren van gemeentelijke diensten, die telkens een halfjaar mochten meedraaien. Sommige directeuren traden via deze ambtelijke carrousel herhaaldelijk aan als tijdelijk Commissielid, maar dan zat er gewoonlijk tenminste een paar jaar tussen hun opeenvolgende calls of duty. Het idee achter de carrousel is slim en intrigerend: je haalt op die manier deskundige doch relatieve buitenstaanders binnen, en geeft ze een formele invloed, plus een stem. Idealiter zorgt die aanpak voor verfrissing, modernisering en herijking van ingeburgerde noties. In de praktijk valt het effect van de carrousel tegen. Weliswaar zorgt de roulatie van directeuren van verschillende gemeentedivisies ervoor dat de kennis en het netwerk van de Commissie zich kan vernieuwen, maar de Commissie zelf vormt inmiddels een dusdanig hecht bolwerk – met alle ingesleten normen en gewoontes die daarmee gepaard gaan, en het alom geaccepteerde gewicht dat secretaris Detiger in de schaal legt – dat een roulerend directeur die een paar keer komt vergaderen, amper een deuk in een pakje boter kon slaan. Om die reden verdient Jacob Elte,23 geneesheer-directeur van het Binnengasthuis, een eervolle vermelding.
Hij werd in de tweede helft van 1950 voor het eerst roulerend Commissielid,24 en deed wat niemand voor hem ooit deed: hij trok tijdens de beraadslagingen Detigers uitgangspunten en overtuigingen geregeld in twijfel, en bood Detiger bedaard doch gedegen weerwerk. Elte is het allereerste Commissielid dat zich ter vergadering afvraagt ‘of het wel als abnormaal moet worden gezien als een homo-sexueel zich als zodanig uitleeft’.25 In diezelfde vergadering windt Detiger zich enorm op over een kraamvrouw [11502] die tijdens haar dienst een pakje thee had gestolen; voor Detiger volstond dat om haar een bewijs van goed gedrag te ontzeggen, maar Elte biedt hem weerwerk.26 Via diezelfde carrousel treedt de enige vrouw uit de ( bewaard gebleven) annalen van de Commissie aan: mejuffrouw27 J.P. Hofland, waarnemend directeur der Stadsdrukkerij. Ze is lid in de tweede helft van 1945, en neemt aan slechts vier vergaderingen deel. De Commissieleden zijn uiterst trouw: ze slaan zelden een vergadering over. Ontslag nemen ze alleen bij overplaatsing naar een betrekking buiten de stad (dat geldt met name de vertegenwoordigers van de NS en de PTT), of wegens pensionering. Wanneer hun functie wordt opgeheven, zoals Enderlein overkomt,28 worden ze vaak op persoonlijke titel herbenoemd als lid van de Commissie. Die 23
In de notulen staat hij vermeld als J. Elte; zijn voornaam vond ik terug op https://www.joodsamsterdam.nl/joachim-elte/. Elte werd geboren in mei 1895 en overleed in september 1984. 24 Elte kwam in de tweede helft van 1953 en in de eerste helft van 1957 terug als roulerend lid van de Commissie. 25 Vergadering van 9 oktober 1950; de discussie betreft meneer C. [11494], over wie de Commissie nog een half jaar lang debatten voert, omdat zijn ‘zedelijkheid’ hen discutabel toeschijnt. 26 Dat betekent overigens niet dat Elte in alle opzichten voorbeeldig was. Op 20 november 1950 komt de aanvraag van mevrouw M-M [11527] ter sprake; ze is ‘zaalmeisje’ bij het Wilhelminagasthuis, en vraagt daarvoor een bewijs van goed gedrag. Alleen: tot 1944 stond ze bij de politie bekend als prostituée. Elte vindt dat vreselijk en verzet zich heftig: een ‘gewezen prostituée’ hoort volgens hem niet in het ziekenhuis thuis. 27 Uiteraard is ze een ‘mejuffrouw’, want ongetrouwd: tot in 1958 werden gehuwde vrouwen uit overheidsdienst geweerd en werden ambtenaressen ontslagen wanneer zij in het huwelijk traden. 28 De Artillerie-Inrichting Hembrug, waar hij hoofd personeelszaken was, wordt kort na het begin van de oorlog door de Duitsers gevorderd, maar de directie traineert medewerking waar mogelijk. Uiteindelijk wordt de Artillerie-Inrichting opgeheven als afzonderlijk staatsbedrijf.
Enderlein wordt op persoonlijke titel herbenoemd als Commissielid. Zie verder https://nl.wikipedia.org/wiki/ArtillerieInrichtingen#Tweede_Wereldoorlog.
12
zetelvastheid werkt in de hand dat de Commissie overwegend wordt bevolkt door oudere, soms al (hoog)bejaarde mannen. Zo viert De Bruijn in maart 1956 zijn 80-jarige verjaardag in de vergadering.
13
Taakverdeling, rapportages, bereik en de ‘uitkijkpost’ Wie kans heeft29 op een baan in gemeentedienst, of van een tijdelijke aanstelling kan overgaan naar een vaste betrekking, moet een bewijs van goed gedrag kunnen overleggen. Mensen die een veroordeling op hun kerfstok hebben, hebben het fiat van de Commissie nodig om zo’n verklaring te bemachtigen. De Commissie krijgt daartoe een rapport van het Genootschap, dat tevens een eigen advies uitbrengt,30 en wint inlichtingen in bij de politie. Vanaf 1951 brengt de politie niet alleen een rapport uit, maar ook een eigen advies omtrent afgifte van het bewijs. Aanvragen waarop het antwoord evident lijkt, worden door de voorzitter en secretaris van de Commissie in onderling overleg afgehandeld; alle twijfelgevallen en alle afwijzingen worden in de vergadering besproken. Voor elke zaak wordt een rapporteur gekozen: die leest het verslag van het Genootschap, laat de man of vrouw die om het bewijs vraagt bij zich komen (of gaat een enkele keer zelf op bezoek), vraagt gegevens bij de politie op en rapporteert zijn bevindingen ter vergadering en doet een voorstel: een gunstig dan wel een afwijzend advies. Daarna volgt plenaire bespreking, en een doodenkele keer een stemming. Het daaruit resulterende advies gaat dan naar de burgemeester, die dat vrijwel altijd overneemt. In mei 1957 krijgen we een saillant kijkje in de gang van zaken.
Voorzitter Van Dullemen meldt de vergadering dat hij de maand erna met pensioen zal gaan als procureur-generaal van het gerechtshof van Amsterdam. Hij is voornemens aan te blijven als voorzitter van de Commissie, maar waarschuwt de aanwezigen: ‘Het is in vele gevallen, ook in die welke door Voorzitter en Secretaris worden afgedaan, gewenst, dat alvorens een beslissing wordt genomen, eerst nog inlichtingen worden verkregen uit het Strafregister. Dit is na Sprekers heengaan niet meer mogelijk.’ Anders gezegd: de voorzitter maakt gebruik van de faciliteiten op zijn werk om gegevens over de aanvragers op te diepen. Van Dullemen stelt deswege voor iemand van het Openbaar Ministerie als Commissielid uit te nodigen, want ‘dan hebben wij daar een relatie. Het is wel van belang iemand te hebben, die daar als uitkijkpost zit.’ Hij heeft officier van justitie Mr. J.F. Hartsuiker op het oog, ‘die zich ook met de reclassering bemoeit’.31 Het simpele feit dat de Commissie niet langer inzage in het strafregister zou hebben ‘na Sprekers heengaan’ bij het gerechtshof, is een sterke aanwijzing dat de Commissie ambtshalve de bevoegdheid ontbeerde om deze bestanden zelfstandig te raadplegen.
Dat de zo begeerde toegang tot die bestanden nu verzekerd moet worden door een ‘uitkijkpost’ in de Commissie te benoemen, onderstreept dat de Commissie zelf haar boekje te buiten ging, en het niet met alle regels even nauw nam. Hartsuiker wordt inderdaad lid van de Commissie, en wordt op de vergadering van 1 juli 1957 hartelijk welkom geheten.
29
De procedure was niet uniform (en verschilde mogelijk van werkgever tot werkgever). Mensen vroegen soms een bewijs van goed gedrag aan wanneer ze wilden solliciteren, soms pas nadat ze in principe al waren aangenomen. Soms was een bewijs nodig om van een los contract over te stappen naar vaste dienst. In enkele gevallen wordt om een bewijs gevraagd voor mensen die al geruime tijd werkzaam zijn in de baan waarvoor het bewijs bedoeld is. 30 Daarnaast begeleidt het Genootschap sommige veroordeelden na hun straf, zoals het een reclasseringsachtige instantie betaamt. Dat maakt ook dat het Genootschap zich soms in haar verslag hard maakt voor een aanvrager die ze moeten beoordelen: ze ijveren voor de mensen die onder hun hoede zijn gesteld. 31 Vergadering 6 mei 1957, blad 916 van het archief (KLAG0500-5000-266).
14
Van Dullemen wijst Hartsuiker expliciet op het ‘belang zijn inzage te verkrijgen in de dossiers,’ en ‘rekent op de hulp van het nieuwe lid, speciaal in spoedgevallen’.32 In de 46 jaar van haar bestaan heeft de Commissie in totaal 17.275 aanvragen behandeld;33 de eerste zaak die in de bewaard gebleven notulen aan de orde komt, is nummer 5112. Dat betekent dat er in de onderzochte periode – van oktober 1942 tot en met december 1958 – circa 12.160 aanvragen zijn behandeld. Oftewel: in de laatste 16 jaar, een derde van haar bestaan, heeft de Commissie derhalve ruim twee derde van al haar aanvragen te verstouwen gekregen. Daarvan zijn er 3532 in de Commissie besproken; ruim 70 procent is derhalve eigenstandig door de voorzitter en/of de secretaris afgehandeld. Van de 3532 zaken die gedurende de onderzochte jaren in de Commissie werden besproken, waren er 361 aanvragen van vrouwen; hun verzoeken maakten zodoende net iets meer dan 10 procent van alle in deze periode plenair besproken kwesties uit. Op welke gronden de voorzitter en secretaris besloten om aanvragen al dan niet naar de plenaire vergadering door te sturen, weten we niet: de notulen zijn de enige leidraad, en die reppen daar niet van. In zijn jubileumverslag meldt Detiger dat hij gemachtigd was om alle ‘eenvoudige’ gevallen zelfstandig af te handelen.
Voor de zaken waarvan de beraadslagingen wel bekend zijn, doordat ze plenair zijn behandeld, geldt een andere beperking: we hebben alleen de notulen: een door een ambtenaar vastgelegd verslag, dat de beraadslagingen samenvat. Wat eruit is weggelaten, weten we niet; we kunnen ons alleen verlaten op wat er wel in is vermeld. Anders gezegd: wanneer de Commissie, afgaande op de notulen, haar oordeel hoofdzakelijk lijkt te baseren op roddel en achterklap, kan daar gerust een degelijk politierapport aan ten grondslag hebben gelegen. Om die reden problematiseer ik oordelen en uitspraken van de Commissie uitsluitend wanneer die herhaaldelijk werden gedaan. De Commissie boog zich niet alleen over het zedelijk karakter van het Amsterdamse gemeentelijk personeel, maar ontfermde zich ook over aanstellingen bij de PTT, de KLM, Fokker, Wagons-Lits, de Nederlandse Spoorwegen, de Rijksverzekeringsbank, de chemische fabriek Ketjen, vervoersbedrijf Van Gend en Loos, de Staatsmijnen, de NZ-Hollandse Tram Maatschappij, de Koninklijke Nederlandse Scheepvaartmaatschappij, de Rijksbrandweer, autofabrikant Ford, havenbedrijven, particuliere bewakingsdiensten enzovoorts.
32
Vergadering 1 juli 1957, blad 922 van het archief (KLAG 0500-5000-269). Dat is het hoogste zaaknummer dat in de laatste vergadering ter tafel komt. In februari 1952, bij het 40-jarig jubileum, stond de teller op bijna 12.500 gevallen. 33
15
Gevolgen van de Duitse bezetting De vroegst bewaard gebleven notulen dateren van oktober 1942. Nederland is dan al tweeëneenhalf jaar bezet, het vigerend bevoegd gezag is de Duitse overheerser. De Commissie werkt door, zoals ook vrijwel alle ambtenaren dat deden. Dat overheidspersoneel en -commissies doorwerkten tijdens de oorlog, had twee redenen. De eerste was formeel. In 1937 was een missive toegevoegd aan het Landoorlogsreglement,34 de zogeheten ‘Aanwijzingen betreffende de houding van ambtenaren in het geval van oorlog en bezetting’, die ambtenaren voorschreef op hun post te blijven. Alleen wanneer de diensten die zij ongewild aan de vijand bewezen, het nut van hun werk voor de bevolking overtroffen, dienden zij het werk neer te leggen.35 De tweede reden dat ambtenaren en commissies overal te lande doorwerkten, was pragmatisch: ze ‘vreesden [anders] door NSB’ers te worden vervangen’.36 En hoewel de Commissie haar bureaucratische best doet, is aan alles te merken dat het wringt. De groeiende nood openbaart zich in alle facetten: in de oorlogsjaren worden de notulen van de Commissie getypt op de achterkant van oud briefpapier, en typelinten worden dusdanig lang gebruikt dat het resulterende verslag schier onleesbaar is. De Commissie oordeelt tijdens de bezetting, getuige haar beraadslagingen, iets coulanter over aanvragen voor stadspersoneel dan voor de oorlog.
Ze memoreert herhaaldelijk dat bij zowat elke gemeentedienst grote arbeidstekorten bestaan, en men zodoende minder strikt te werk moest gaan. Wat iedereen wist, en zelden met zoveel woorden uitgesproken hoefde te worden: arbeidsgeschikte mannen waren in groten getale afgevoerd naar Duitse werkkampen, en de spoeling hier ter stede werd akelig dun. Neem de zaak van meneer B. [6584], die in de vergadering van 15 november 1943 wordt besproken: B. werd in 1934 veroordeeld wegens ontucht met een minderjarige, een jongen, en kreeg daarvoor 1,5 jaar cel. ‘Aanvrager noemt zich opvoedkundig ambtenaar, maar er is toch wel een steekje aan los. [..] Uit jeugdvereenigingen werd hij verwijderd, omdat men hem niet vertrouwde op sexueel gebied.’ Nu werkt B. bij de Rijksverzekeringsbank en heeft daarvoor een bewijs van goed gedrag nodig. Rapporteur Enderlein is ‘wel wat huiverig om iemand met een zoodanig rapport aan te bevelen. De Secretaris merkt op, dat de man uitgesproken homo-sexueel is en vraagt of de man in zijn tegenwoordige werkkring kwaad kan doen. Hij doet daar dood werk. Hij zal zijn relaties ook wel buiten de bank zoeken, waar alles wat jong is, weg is.’ ‘Weg’ wil zeggen: afgevoerd. Van der Waerden oppert dat het feit nu al 10 jaar oud is en meent dat een gunstig advies wel kan, ‘rekening houdende met het tekort aan personeel’. B. krijgt een gunstig advies.
In diezelfde vergadering wordt de aanvraag van mevrouw T. [6613] besproken. Het onderzoek naar haar antecedenten loopt spaak: ‘Volgens het rapport van het Genootschap heeft zij zoo goed als allemaal Joodsche werkgevers gehad en is dus niet naar haar geïnformeerd kunnen worden.’ De goede verstaander weet: de voormalige werkgevers van mevrouw T. zijn ondergedoken of naar de vernietigingskampen afgevoerd. 34
Het Landoorlogreglement is onderdeel van het internationaal humanitair recht; het is opgesteld in 1899 en herzien in 1907. In het reglement worden de rechten en plichten van oorlogvoerende partijen beschreven. Zie verder https://nl.wikipedia.org/wiki/Landoorlogreglement. (Met dank aan Arne van der Wal.) 35 Karel Asselberghs, De sociale verzekering tijdens de bezetting, https://ugp.rug.nl/ast/article/download/22651/20119/, p. 7. 36 Karel Asselberghs, p. 6.
16
Een paar maanden later, op de vergadering van 24 januari 1944, zijn de nijpende personeelstekorten opnieuw reden om de hand over het hart te strijken. Meneer S. [6422] is tweemaal veroordeeld wegens openbare schennis der eerbaarheid, in 1935 en 1940. Volgens het Genootschap ‘is hij een beetje imbeciel, doch niet onbetrouwbaar’. De rapporteur aarzelt: ‘Voor de Stadsreiniging vindt spreker het bij elkaar toch wel bedenkelijk.’ Dan intervenieert de secretaris: ‘De heer Detiger vestigt de aandacht op de tijdelijke personeelsnood van de bedrijven; alle personeel wordt weggevoerd.’ De Commissie besluit gunstig te adviseren.
17
Doorwerken: schipperen en laveren De Commissie kreeg in oorlogstijd de bedenkelijke taak om bewijzen van goed zedelijk gedrag te moeten afgeven voor mensen die werk ambieerden bij de NSB of de Weermacht, en voor vrouwen die met een Duitser wilden trouwen.37 Dat moet een vrij idiote situatie zijn geweest voor de Commissie. Zij werkte weliswaar onder de bezetter, maar probeerde intussen uit alle macht loyaal te blijven aan het ‘oude’ gezag – de Nederlandse overheid. Bijgevolg is de Commissie enerzijds nogal benauwd om iemand een bewijs te geven voor een functie in Duitse dienst, wanneer niet volledig zeker is dat zo’n aanvrager betrouwbaar is. De leden zijn bang voor repercussies voor de Commissie zelf, en met name voor de burgemeester, die ze koste wat kost willen dekken, en uit wier naam zij iemand een bewijs van goed gedrag verschaffen. Anderzijds trekt de Commissie zich weinig aan van veroordelingen van aanvragers door Duitse rechtbanken; ze gedraagt zich soms alsof ze het Duits strafrecht simpelweg niet erkennen. Op 14 september 1943 bespreekt de Commissie de aanvraag van meneer L. [6405]. L. werd in 1942 door de Duitsers tot een jaar cel veroordeeld wegens diefstal: ‘Hij was uit Duitschland teruggekeerd, was zonder distributiebescheiden en probeerde zich deze te verschaffen door in te breken bij het bureau van de Duitsche Politie in de Handboogstraat.
Dit is aanvragers enige straf.’ De man heeft ruim 8 maanden vastgezeten en kreeg toen gratie, met een proeftijd tot juni 1946. De voorzitter wil geen coulance betrachten, althans niet nu het bewijs wordt gevraagd voor de Weermacht. Zijn grote zorg: wat zal ‘men’ – lees: het Duitse gezag – denken wanneer het voor het einde van de proeftijd fout gaat, en die man dan een bewijs van goed gedrag blijkt te hebben? ‘Het [zou] voor de buitenwereld toch wel een te eigenaardige indruk [..] maken, indien iemand, aan wien een bewijs van goed gedrag was verleend, desondanks zou worden gevangengezet voor het ondergaan van een reeds vroeger opgelegde straf.’ Ze waarschuwen de burgemeester om extra op te letten bij dit geval, en doen hem een ingewikkelde oplossing aan de hand, met tal van clausules in het bewijs.38 Op 20 december 1943 blijkt opnieuw hoe angstig de Commissie kan zijn om op Duitse tenen te trappen. Meneer De M. [6803] heeft een bewijs van goed gedrag nodig ‘om ontslag te kunnen verkrijgen uit een strafkamp’. De rapporteur ‘is van meening, dat de Commissie zich daar niet in kan mengen en onbevoegd is in een dergelijk geval haar advies uit te brengen.’ De aanwezigen knikken instemmend, en wijzen het verzoek af. Meneer T. [6705] heeft 8 maanden cel gekregen van de Duitsers voor het kopen van gestolen tarwe; hij beweert erin geluisd te zijn.
Ook hij vraagt een bewijs teneinde bij de Weermacht te kunnen werken, en wel op het Postambt. De kwestie wordt op 24 januari 1944 besproken. Schutte vraagt zich af of het verstandig is positief te adviseren: bij de post gaan immers veel voedselpakketten om. Balk vraagt 37
De eis van overlegging van een bewijs van goed gedrag in verband met het huwelijk met een buitenlander gold ook na de oorlog; de Commissie behandelde na 1945 tal van zulke verzoeken, meestal inzake huwelijken met Amerikanen. Opmerkelijk is dat vrijwel alle in de Commissie besproken aanvragen voor een bewijs van goed gedrag in verband met een huwelijk, aanvragen van vrouwen betroffen; ik ben maar één geval tegengekomen, in augustus 1947, waarin een Nederlandse man een bewijs van goed gedrag aanvroeg om te kunnen trouwen. Het betrof meneer B. [10524] die met de Poolse mejuffrouw W. [10523] wilde trouwen; ze hadden allebei een strafblad. 38 Tekenend voor de ernst van het dilemma is dat de Commissie een evidente uitweg negeert: L. zit ten tijde van zijn aanvraagt aan het begin van zijn proeftijd. Dat volstaat gewoonlijk om afgifte van een verklaring van goed gedrag voorlopig af te wijzen.
18
expliciet of een en ander wel ‘verantwoord is tegenover de Duitsche Autoriteiten’. Detiger voert verzachtende omstandigheden aan: ‘Het is een veroordeeling voor een feit van niets en de straf is onregelmatig hoog.’ De Commissieleden neigen ertoe een bewijs te geven. Maar dan komen de consequenties voor de burgemeester ter sprake: wat nu als het onverhoopt fout gaat met de man? Van der Reijden maant tot voorzichtigheid: ‘op deze manier geeft de Commissie een advies, waarbij zij den Burgemeester de verantwoording oplegt’. De Commissie adviseert uiteindelijk gunstig, ‘maar zegt daarbij tevens: denk er om Burgemeester, loop er niet onbewust in’. Een fascinerende paradox is deze: terwijl zij geregeld getuigt van haar angst over de portee van haar beslissingen, bespreekt de Commissie haar zorgen over eventuele repercussies van de Duitsers openlijk op de vergadering, en laat zij die argeloos in de notulen vastleggen.
19
De vreselijke status quo Terwijl precaire kwesties betreffende de bezetting weinig verhuld worden besproken, is de Commissie buitengewoon terughoudend over andere zaken. De oorlog en de bezetting waren een fait accompli, daar viel weinig meer over te zeggen, laat staan dat er iets aan was te doen. Dit was simpelweg de nieuwe orde. Hier past een korte opmerking over perspectief. Het is verleidelijk om ‘gewoon’ doorwerken voor de overheid wanneer het land onder een bezetter leeft, met terugwerkende kracht als collaboratie te bestempelen. Maar terwijl wij weten dat de oorlog in mei 1945 ten einde kwam, wist in 1942 of 1944 niemand dat: wellicht zou het altijd zo blijven, en leefde Nederland tot in lengte der dagen onder het regime van de nazi’s. Naarmate de bezetting langer duurde, werd de nieuwe orde ‘normaler’, vanzelfsprekender en meer ingeburgerd, zelfs al werden de consequenties en de uitingsvormen ervan extremer. De bezetting staat zodoende zelfs niet ter discussie wanneer die de Commissie persoonlijk raakt. Men doet zijn opperste best zulke akeligheden te negeren. Zo doet zich in de zomer van 1943 een onthutsende gebeurtenis voor, tussen twee vergaderingen in, waarover de Commissieleden op de eerstvolgende bijeenkomst zeer kort worden geïnformeerd. Dat gebeurt als volgt: ‘De Voorzitter opent de vergadering en deelt mede, dat de adjunct-secretaris Mr.
Mastenbroek, die de zaken der Commissie steeds met ijver en op lofwaardige wijze heeft behandeld, tot zijn spijt in krijgsgevangenschap is afgevoerd en heet de aanwezigen welkom.’ Vervolgens gaat de vergadering over tot de orde van de dag.39 Gerrit Jurriaan Mastenbroek (geboren 10 april 1909) was de vaste notulist van de Commissie. Sinds juli 1938 was hij ambtenaar bij Algemene Zaken, en werd door de gemeente aangesteld als rechterhand van secretaris Detiger. Hij had het in militaire dienst tot eerste luitenant geschopt, en dat brak hem op nu de Duitsers de dienst uitmaakten. Mastenbroek wordt tussen 31 mei 1943 (de vorige vergadering, waarvan hij de notulen nog netjes had ingeleverd) en de vergadering van 28 juni 1943 als krijgsgevangene opgepakt.40 De groep van 351 officieren waartoe hij behoorde, werd op 25 juni 1943 afgevoerd naar Amersfoort.41
39
Notulen van de vergadering van 28 juni 1943. De website www.krijgsgevangenen.nl vertelt ‘het verzwegen verhaal’ van Nederlandse militairen in Duitse krijgsgevangenkampen. De site onderscheidt vier groepen, die elk in een specifiek tijdbestek werden opgeroepen, opgepakt en afgevoerd. Mastenbroek viel, gezien het tijdstip, in groep 4: ‘De groep reserveofficieren, onderofficieren en manschappen die in mei en juni 1943 opgeroepen worden zich te melden voor krijgsgevangenschap.’ Het tijdschrift NMMagazine beschreef in het wedervaren van deze zogeheten ‘Groep van ’43’ uitgebreid: zie https://www.vriendennmm.nl/media/filer_public/12/a7/12a7e6d7-0957-46e8-a4269187469c7594/nmmagazine_jaargang_1_en_nummer_3.pdf. 41 Zie https://krijgsgevangen.nl/fotos/chronologie/. Krantenberichten over de diverse officiële ‘oproepingen’ voor de betreffende (reserve)officieren staan hier: https://krijgsgevangen.nl/melding-1942-en-1943/. De gegevens van Mastenbroek, die op Krijgsgevangenen.nl abusievelijk de initialen ‘CJ’ in plaats van ‘GJ’ krijgt toebedeeld, stemmen overeen met zijn persoonskaart (zie https://archief.amsterdam/indexen/archiefkaarten_19391994/zoek/query.nl.pl?i1=1&v1=gerrit&a1=mastenbroek&i2=2&p2=d&y2=1909&x=0&X=1037,1037&z=a#A05 907_0182_1664). 40
20
Blijkens de website Krijgsgevangenen.nl werd Mastenbroek gevangengenomen op 22 juni 1943, en via Amersfoort afgevoerd naar Kamp Oflag XXI-c/h Schildberg. Hij verhuist daarna naar een paar andere kampen. Bijna twee jaar later, op 24 april 1945, wordt hij door de Russen bevrijd uit Kamp Neubrandenburg, ten noorden van Berlijn. Nadat hij was gerepatrieerd, ging Mastenbroek weer aan het werk bij de gemeente. Getuige zijn pensioenkaart begon hij op 1 april 1946 als ‘referendaris’, en op 1 januari 1953 werd hij Chef Algemene Dienst bij het Bureau voor Woningtoezicht.42 Hij overleed op 7 november 1982. Over Mastenbroek wordt na de korte mededeling dat hij krijgsgevangen is genomen, niet meer gerept in de notulen. Ook het heuglijke feit van zijn behouden thuiskomst na de oorlog wordt niet gemeld. Er wordt meer niet besproken, of althans: niet genotuleerd. Op de vergadering van 26 maart 1945 ontbreekt voorzitter Van Dullemen, volgens de notulen wegens ‘persoonlijke redenen’. Andere bronnen melden wel wat er was voorgevallen: ‘Tijdens de hongerwinter scheelde het niet veel of hij was als represaillemaatregel door de Duitsers gefusilleerd. Nadat de procureur-generaal van NSB-snit Jan Feitsma op 2 februari 1945 vermoord was kwamen Duitse militairen Van Dullemen ’s avonds rond acht uur thuis ophalen. Hij was echter net vijf minuten eerder van huis vertrokken.
Terwijl zijn echtgenote hen aan de praat hield liep hun jongste zoontje [..] naar de onderburen die hem op zijn kantoor telefonisch waarschuwden, waarna hij onderdook. Vijf andere Amsterdammers, waaronder twee collega's, hadden minder geluk en werden op 7 februari geëxecuteerd.’43 De vergadering van 26 maart 1945 is tevens de laatste in oorlogstijd. De Commissie zal pas na de bevrijding weer bijeenkomen. Zij doet dat op 8 augustus 1945; Nederland is dan net drie maanden bevrijd. Wanneer de voorzitter die bijeenkomst opent, doet hij en passant een mededeling over het wedervaren van een der andere leden: Van Dullemen ‘heet de aanwezigen met vreugde welkom op de eerste vergadering in bevrijd Nederland. De Commissie heeft ten gevolgde van de oorlog geen leden verloren; Ir. Schutte is verplicht geweest eenigen tijd onder te duiken. De Commissie heeft doorlopend haar werkzaamheden kunnen verrichten44 en heeft geen conflicten gehad.’ Schutte, thans weer present, was op 26 juni 1944 voor het laatst op de vergaderingen verschenen. Over de reden van zijn afwezigheid was geen enkele mededeling vastgelegd.
42
Zie https://archief.amsterdam/indexen/pensioenkaarten_18941915/zoek/query.nl.pl?i1=1&a1=mastenbroek&i2=2&p2=d&y2=1909&x=36&X=1037,1037&z=b#DGVC000420 00629; met dank aan stadsarchivaris Eric Heijselaar. 43 Zie https://nl.wikipedia.org/wiki/Nout_van_Dullemen. 44 Dat is licht geflatteerd. Tussen 4 september 1944 en 22 januari 1945 wordt er niet vergaderd, en in de eerste helft van 1945 slechts twee keer (op 22 januari en 26 maart 1945). Op de vergadering van 26 maart behandelt de Commissie slechts zes gevallen. Secretaris Detiger meldt dan ‘dat er geen nieuwe gevallen voorhanden zijn, zodat voorlopig geen datum en uur voor de eerstvolgende vergadering worden voorgesteld.’
21
Impact van de bezetting, of modus operandi? Wat we in de oorlogsjaren gedetailleerd zien – maar mogelijk speelde dit alles al eerder: dat valt, bij ontstentenis van de oudere notulen, niet te achterhalen – is hoe drie belangrijke denk- en handelswijzen het werk van de Commissie beïnvloeden en determineren. Al deze elementen werken tot ver na de oorlog door, in alles wat de Commissie doet. • De huidige gang van zaken lijkt altijd normaal te zijn en als baseline te fungeren. De Commissie gaat uit van de status quo als het raamwerk waarbinnen zij dient te opereren. Dat betekent dat de regels, de normen en het geaccepteerde ‘fatsoen’ zelden of nooit in twijfel worden getrokken. Dat is des te opmerkelijker aangezien het werk der Commissie voortkwam uit een hervormingsbeweging: de reclassering. In oorlogstijd voert dit redeneren vanuit een fait accompli sterk de boventoon: de Duitsers zijn de baas; die moet je niet te veel voor het hoofd stoten, wil je je werk goed kunnen blijven uitvoeren. Ergo: de Commissie neemt tegen wil en dank de overtuigingen van haar tegenstanders voor lief en verdisconteert die in haar eigen praxis. Maar uitgaan van de status quo heeft verregaande gevolgen, immers: je bevraagt weinig, en bevestigt veel. • De Commissie wordt vaak extra streng zodra zij zaken moet beoordelen die een zeker risico in zich dragen.
De achterliggende redenering is evident: wanneer de commissie coulant oordeelt over een aanvraag en er vervolgens toch iets ‘fout’ gaat met een door hen ‘goedgekeurde’ werknemer – en bijvoorbeeld de Duitsers nadien verhaal willen halen – straalt dat op henzelf af, en komt hun eigen positie in het geding. Dit terwijl ze hun relatieve beleidsvrijheid juist willen beschermen, en het maatschappelijk belang van hun werk permanent willen onderstrepen.45 Het netto-effect: de Commissie wordt soms extreem streng, daarin met name aangespoord door secretaris Detiger; een striktheid die ze pas ver na de oorlog – na het verscheiden van de secretaris – enigszins laten vieren. • Mogelijk werd de aanzet ertoe al eerder gegeven of bestond die houding al van oudsher, maar de oorlog sterkt de Commissie in haar overtuiging dat haar oordeel meer dient te beslaan dan iemands gedrag op het werk. De commissie velt zeer makkelijk – en vrijwel zonder debat – morele oordelen over kandidaten, en betrekt daarin van alles dat werkelijk niets met hun kwalificaties voor een specifieke baan heeft uit te staan. Dat speelt met name wanneer aanvragers ‘verdacht’ worden van homoseksualiteit of prostitutie, ook indien er geen sprake is van een eerdere veroordeling (of zelfs maar een proces-verbaal).
Dit alles ondanks de meermalen herhaalde verklaringen van de Commissie dat zij uitsluitend aanvragen bespreekt van mensen die eerder een vonnis ten laste is gelegd, en ondanks het uitgangspunt dat, zoals Detiger in 1943 nog eens benadrukt,46 ‘De Commissie is er om de rechtspositie van de betrokkenen [de aanvragers, red.] te handhaven.’ In de praktijk betekent het dat de Commissie mensen die haar moreel discutabel toeschijnen, onder haar oordeelsbekwaamheid vindt vallen, en dat zulke aanvragers soms zelfs strenger worden beoordeeld dan mensen die ‘gewoon’ een economisch delict hebben gepleegd.
45
Een mooi voorbeeld van het oppoetsen van het eigen blazoen is de regelmatig herhaalde stelling dat aanvragers die van de Commissie een gunstig advies voor een bewijs hebben gekregen, nadien nooit meer in de fout zijn gegaan; dit feit bewijst hoe degelijk de Commissie te werk gaat. In werkelijkheid ben ik in de notulen meerdere gevallen tegengekomen die deze stelling weerspreken. Zie bijvoorbeeld de nummers 9330, 9622, 10371/9289, 16448 en 16585. 46 Notulen van de vergadering van 14 september 1943.