CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 Eindrapport-Financieringsmogelijkheden-MRA-Landschap.pdf

Raadscommissie Mobiliteit, Openbare ruimte en Water 5 september 2024, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Kennisnemen van de reactie op motie 465, 10 november 2022 van de raadsleden Moeskops en Garmy over stimuleren private initiatieven groen (VN2024-010487)33.850 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Financieringsmogelijkheden MRA-Landschapsopgaven

1

Financieringsmogelijkheden MRA-Landschapsopgaven Eindrapportage

Auteur(s): Joost Hagens (Bureau BUITEN) Bart van Rijkom (Bureau BUITEN) Projectnummer 1643 Bron foto voorpagina: MRA landschap Metropoolregio Amsterdam

Aangeboden aan: Metropolitaan Landschap, Metropoolregio Amsterdam 5 november 2021

2

Inhoudsopgave Samenvatting

4

1

Inleiding

6

1.1 1.2 1.3 1.4 1.5

Achtergrond Doelstelling project Aanpak en proces Veronderstellingen Opzet inhoud rapportage & leeswijzer

6 6 7 7 8

2

Financieringsinstrumenten

11

2.1 2.2 2.3 2.4

Inleiding Financieringsinstrumenten publieke partijen Financieringsinstrumenten bedrijven Financieringsinstrumenten burgers

11 11 15 17

3

Resultaten inventarisatie

19

3.1 3.2 3.3 3.4

Publieke middelen Bijdragen van bedrijven en burgers Totaalbeeld beschikbare geldstromen Potentie ontschotting is beperkt

19 23 23 25

4

Aanvullende middelen en denklijnen

26

5

Conclusies en aanbevelingen

31

5.1 5.2 5.3

Conclusies Aanbevelingen Experts onderschrijven de uitkomsten

31 32 33

Bijlage 1: Kansrijkheid financieringsinstrumenten (schematisch)

Bijlage 2: Informatie per instrument

39

Leeswijzer Overheidsinstrumenten Financieringsinstrumenten van bedrijven Informatie financieringsinstrumenten burgers

39 39 67 77

Bijlage 3: Gesprekspartners

86

34

3

Samenvatting Onderwerp, vraagstelling en inhoud rapportage In deze rapportage brengen we de bestaande en nieuwe kansrijke financieringsmogelijkheden voor de MRA-landschapsopgaven tot 2040 in kaart. Bij bestaande financieringsmogelijkheden gaat het in de eerste plaats om reguliere geldstromen voor natuur, groen en landschap (inclusief water (deels), klimaatadaptatie, veenweide etc.). Ontschotting (binnen en mogelijk tussen verschillende potjes rijksmiddelen) is daarbij een specifiek aandachtspunt. Bij de kansrijke instrumenten gaat het om aanvullingen op het bestaande instrumentarium. Het gaat daarbij niet om een zoektocht naar geheel nieuwe innovatieve financieringsvormen, maar om een concretisering van eerder bedachte aanvullende bekostigingsmogelijkheden. Voor een gedetailleerd inzicht in de financiële grootheden per instrument, en de achtergronden van regionale verschillen in financieringsperspectieven per regio en per opgave, wordt verwezen naar het aan deze rapportage gekoppelde Financieel Masterbestand (MS-Excel). De €’s, resultaten en conclusies We komen in het onderzoek tot een totale beschikbaarheid van €2,1 miljard tot 2040, die ten behoeve van de MRA-landschapsopgaven kan worden ingezet. Hiervan is ruim €1,1 miljard beschikbaar voor investeringen en ruim €900 miljoen voor beheer.

Daarmee is er ten opzichte van de studie naar de kosten voor de MRA-landschapsopgaven een investeringstekort in de ordegrootte van ca. €850 miljoen. Overheden zijn de belangrijkste bron van middelen voor investeringen in en beheer van groen en landschap.

Verschillend financieringsperspectief per landschapsopgave De landschapsopgaven verschillen per MRA-regio. Omdat geldstromen thematisch gelabeld zijn, zijn er substantiële verschillen in hoeverre landschapsopgaven gefinancierd kunnen worden: • Er zijn betrekkelijk veel middelen voor de MRA-landschapsopgaven ‘Natuurontwikkeling in NNN en N2000 gebieden’, ‘Veenweideopgaven’ en ‘Klimaatadaptatie’. De belangrijkste financieringsbronnen voor deze opgaven zijn het stikstofbudget, het veenweidebudget, de budgetten voor klimaatadaptatie en de SNL-subsidies. • We concluderen dat er relatief weinig middelen aangewend kunnen worden voor de MRA-landschapsopgaven ‘Recreatieve beleving’, ‘Verbetering van de landschapswaarde’ en ‘Natuurontwikkeling buiten NNN/N2000 gebieden’. • Voor ‘Beheer’ zijn er wel veel middelen, maar die schieten in de ogen van beheerders tekort, zijn voor gebieden met veel recreatie onvoldoende en ontbreken vrijwel voor groen/natuur buiten NNN en N2000. • Er zijn geen substantiële en kansrijke grootschalige financieringsbronnen voor verbetering van de recreatieve structuur. En dat terwijl de vraag naar recreatiemogelijkheden gaat toenemen, als gevolg van de Verstedelijkingsstrategie en de groei van de MRA. Dit is het grootste knelpunt voor de toekomst.

Verschillend financieringsperspectief per MRA-deelregio Omdat de opgaven per MRA-regio verschillen, zijn er ook regionale verschillen in mogelijk te verwerven middelen uit financieringsbronnen. • De regio’s Zaanstreek-Waterland, de Binnenduinrand, de Diemerscheg Gooi en Vechtstreek, en MRA-Flevoland ontvangen betrekkelijk veel middelen. De nuance is wel dat er op vlak van landschap en recreatie weinig middelen beschikbaar zijn, terwijl sommige regio’s (bijvoorbeeld de Binnenduinrand) grote landschappelijke en recreatieve opgaven hebben. Daarbij groeit de komende jaren ook nog de recreatieve druk in deze regio aanzienlijk.

4

• De Brettenzone/Haarlemmermeer-West, Westeinderscheg/Haarlemmermeer-Oost, Amstelscheg en het Markermeer, IJmeer en Gooimeergebied ontvangen relatief weinig middelen. Een illustratie van hoe regionale verschillen tot stand komen, valt te geven aan de hand van het stikstofbudget. Het merendeel hiervan wordt uitgegeven aan natuurherstelmaatregelen in N2000-gebieden. Enkele MRA-regio’s, waaronder de Brettenzone, de Westeinderscheg en de Amstelscheg hebben geen N2000-gebieden. Stikstofgelden kunnen dus niet in deze gebieden landen. Zo worden regionale verschillen ook nog door een aantal andere instrumenten veroorzaakt. Sommige gebieden, bijvoorbeeld de gemeente Haarlemmermeer, vallen voor een groot aantal financieringsmogelijkheden tussen wal en schip, waardoor daar voor zowel investeringen als voor beheer sprake is van tekorten. Aanbevelingen In de rapportage worden een aantal aanbevelingen gedaan, die in een expertsessie breder zijn onderschreven. In het kort gaat het om: • Werk de inhoudelijke programmering een slag dieper uit: de MRAlandschapsambities zoals geformuleerd in ‘Sterke steden hebben sterke landschappen’ zijn ruimtelijke en financieel nog onvoldoende concreet om andere publieke en private partijen te laten besluiten over medefinanciering. De programmering moet dus een slag dieper worden uitgewerkt.

• Werk samen in en aan die programmatische aanpak: werk de programmering als MRA-partijen uit in samenhang en samenspraak met gebiedspartijen. Denk daarbij aan TBO’s, andere grondeigenaren (o.a. via FPG) en waterschappen. Een gezamenlijke programmering langs de inhoud plaveit de weg richting het projectgewijs bundelen van middelen. • Blijf benadrukken dat groen noodzakelijk is en geen extraatje: blijf in het kader van de Verstedelijkingsstrategie benadrukken dat groen en

•

•

•

•

landschap hier integraal deel van uit moeten maken. Woningen zonder riolering of mobiliteitsoplossingen kunnen niet, zonder extra recreatieve infra en kwaliteit van het landschap kan het ook niet. Faciliteer samenwerking tussen partijen en met burgers en bedrijven: een slagvaardig en ervaren programmateam – samengesteld uit de samenwerkende partijen in MRA Landschap - is een voorwaarde voor het kunnen uitvoeren van de programmatische aanpak. Benut de kansen voor een grotere private betrokkenheid van burgers en bedrijven om een deel van de extra benodigde middelen bijeen te krijgen. Maak bewuste keuzes over inzetten verevening/publiekrechtelijke instrumentarium: er zijn extra middelen nodig voor de investeringsopgaven. Verevening vanuit woningbouw en wederkerigheid bij nieuwe productielocaties voor duurzame energie zijn hiervoor mogelijkheden. De MRA-partijen kunnen het daarvoor beschikbare instrumentarium benutten. Er zijn haken en ogen aan verbonden, maar er dient ten minste een bewuste bestuurlijke afweging te worden gemaakt. Ontwikkel de mogelijkheid van vrijwillige CO₂-compensatie voor bedrijven: vrijwillige CO₂-compensatie door bedrijven in de MRA in de vorm van een bijdrage aan lokale/regionale groene doelen is een interessante extra financieringsbron. Aangeraden wordt een dergelijk mechanisme op te gaan zetten, inclusief uitvoering ervan.

Zoek naar aanvullende EU-financiering als er concrete projectideeën zijn: EU-financiering kan een kansrijke aanvullende financieringsbron zijn. Een voorwaarde is vaak dat er goede en concrete projectideeën moeten zijn om geld hiervoor aan te wenden. EU-financiering zijn met name investeringen; voor beheer is het – met uitzondering van het GLB/NSR/POP3 (pijler 2) – vaak niet mogelijk om EU-subsidie aan te trekken.

5

1 Inleiding 1.1 Achtergrond In de MRA Agenda 2.0 is afgesproken dat de groeiende verstedelijking van de MRA gepaard gaat met het versterken van landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten en meer ruimte voor recreatie. De coronacrisis heeft een voorproefje gegeven van wat een toenemende druk op het landschap voor consequenties heeft en geïllustreerd dat meer recreatieve capaciteit nodig is om aan de behoefte te voldoen. Maar de investeringen in meer en betere groengebieden blijven al enige tijd achter ten opzichte van de ruimtelijk-economische groei (m.u.v. natuurontwikkeling, wat als wettelijke taak bij provincies belegd is). Dat is ook gebleken uit eerdere studies (Ecorys, 2018; Rapport beheertekorten MRA landschap (Bureau Buiten, 2019) en Geld en Opgaven MRA Landschap (Bureau Buiten (2019)). Landschapskwaliteit en een mooie, groene omgeving worden belangrijker Groen zorgt onder andere voor een gezonde leefomgeving, reguleert het klimaat (temperatuur, waterafvoer en waterberging t.b.v. drinkwatervoorziening), versterkt de sociale cohesie, stimuleert biodiversiteit, kan geluidsoverlast verminderen en heeft een positief effect op de huizenprijzen en de luchtkwaliteit. Een groene omgeving draagt ook bij aan het vestigingsklimaat voor bedrijven. Groen biedt dus niet alleen een oplossing vanuit milieu- of sociaal perspectief, maar levert ook economische voordelen.

De MRA is zich hier terdege van bewust en is werkt toe naar een investeringsstrategie voor het landschap.

1.2 Doelstelling project Stappen zetten richting een investeringsstrategie voor het MRA-Landschap In het kader van het INTENS-project is door Bureau BUITEN becijferd dat de landschapsopgaven in de MRA tot 2040 (een kleine) €2 miljard aan publieke en private investeringen vergen. Volgend op INTENS zijn de kansen en opgaven voor het landschap in de MRA gespecificeerd in het rapport ‘Sterke steden hebben sterke landschappen’ (Bosch Slabbers – Feddes/Olthof – Must, 2020). Dat heeft geresulteerd in een lijst van 16 sleutelopgaven. Naast de opgaven en een globaal beeld van de kosten, is er inzicht nodig in de middelen die beschikbaar zijn en komen voor investeringen in en het beheer van het landschap. Daarom is aan Bureau BUITEN gevraagd om inzicht te verschaffen in bestaande, nieuwe en kansrijke geldstromen en financieringsinstrumenten. De MRA gebruikt dit als onderdeel van de investeringsstrategie van de Verstedelijkingsstrategie MRA (BO MIRT voorjaar 2022) en voor een Investeringsprogramma Landschap op de schaal van de MRA (2022). Het achterliggende doel is te komen tot dekkende afspraken met het Rijk en onderling in de MRA (of delen daarvan) over een structurele wijze van bekostiging van de opgaven op het vlak van groen en landschap.

Onderzoeksvragen In het MRA-projectvoorstel ‘Financiering en bekostiging landschap MRA’ zijn vijf onderdelen onderscheiden om tot een goede investeringsstrategie te komen, te weten: 1) inzicht in kosten 2) inzicht in bestaande mogelijkheden 3) inricht in nieuwe kansrijke instrumenten 4) benodigde afspraken met het Rijk 5) vervolg binnen de MRA. Voor twee daarvan – namelijk de onderdelen ‘Bestaande mogelijkheden’ en ‘Kansrijke instrumenten’ – is aan Bureau BUITEN gevraagd om die uit te werken. Bij bestaande mogelijkheden gaat het in de eerste plaats om reguliere geldstromen voor natuur/groen en landschap (inclusief water (deels), klimaatadaptatie, etc.). Ontschotting (binnen en mogelijk tussen verschillende potjes rijksmiddelen) is daarbij een specifiek aandachtspunt.

6

Bij de kansrijke instrumenten gaat het om aanvullingen op het bestaande instrumentarium. Het gaat daarbij niet om een zoektocht naar geheel nieuwe innovatieve financieringsvormen, maar om een concretisering van eerder bedachte aanvullende bekostigingsmogelijkheden. Per instrument moet het volgende inzichtelijk worden gemaakt: a) Het financiële volume per financieringsinstrument; b) De voorwaarden per financieringsinstrument; c) Opties voor verevening op regionale schaal; d) Een inschatting van de kansrijkheid van de instrumenten, kijkend naar de landschapsopgaven in de MRA. Het is niet de bedoeling om uitgebreid onderzoek te doen naar nieuwe instrumenten. Het zwaartepunt is de vraag onder d), namelijk welke instrumenten kansrijk zijn voor de financiering van de MRAlandschapsopgaven. Let op: aan dit rapport is ook een financieel masterbestand (spreadsheet in MS-Excel) verbonden, met alle financiële informatie per instrument.

1.3 Aanpak en proces Op basis van bureauonderzoek en bureaukennis vanuit eerdere studies, is gekomen tot een longlist van financieringsinstrumenten van overheden, bedrijven en burgers. We hebben van deze instrumenten ook de financiële informatie in kaart gebracht. Vervolgens hebben we berekend wat er van financieringsinstrumenten redelijkerwijs landt in de MRA en haar deelregio’s, op basis van verschillende verdeelsleutels (zie §1.3 Veronderstellingen). We hebben de meest kansrijke financieringsmogelijkheden voor de financiering van de MRAlandschapsopgaven in kaart gebracht. De inhoud is vervolgens tijdens gesprekken met de relevante stakeholders (beide provincies, terreinbeherende organisaties (TBO’s), waterschappen en ministeries)

besproken en op juistheid getoetst. De concept-rapportage en het hieraan gekoppelde Financieel Masterbestand (MS-Excel) zijn vervolgens getoetst binnen een bredere ambtelijke werksessie met de projectteamleden van MRA-Landschap en een expertsessie. Voor de expertsessie is een mix van mensen met kennis van gebiedsontwikkeling, financiële expertise en financiering van overheidsprogramma’s gesproken.

1.4 Veronderstellingen Bij het in beeld brengen van de geldstromen voor de komende 20 jaar (tot 2040) is een aantal veronderstellingen gehanteerd. Impliciet is er in de INTENS-publicatie aan de kostenkant vanuit gegaan dat alle kosten vanuit één punt worden gemaakt. Kosten zijn bij elkaar opgeteld, ongeacht wie nu waarvoor verantwoordelijk voor is. In dit rapport over de beschikbare middelen voor de MRA-landschapsambities, wordt datzelfde gedaan voor de bekostigingskant. Er wordt dus geen onderscheid gemaakt naar wie middelen verwerft of beschikbaar heeft. Of het nu een TBO is, of een provincie, of een andere partij, er is in beeld gebracht welke middelen er voor de landschapsambities in de MRA zijn. Dat is een belangrijke vooronderstelling die aan de financiële tabellen in dit rapport ten grondslag ligt. Een tweede veronderstelling is dat huidige geldstromen in principe zijn doorgetrokken tot 2040, tenzij expliciet duidelijk is dat het om incidentele middelen gaat. Voor een deel is dat heel logisch: landschapsbeheer is van alle tijden en daar zal linksom of rechtsom voor betaald moeten worden en in veruit de meeste gevallen zal dat geld ook in belangrijke mate vanuit de overheid moeten komen.

Soms is de inschatting dat de thematiek een blijvende geldstroom aannemelijk maakt; bijvoorbeeld bij de veenweideproblematiek is het niet aannemelijk dat dit structurele vraagstuk met tijdelijk geld kan worden ondervangen. Maar er zijn ook

7

twijfelgevallen. Zo heeft het Kabinet veel geld uitgetrokken voor natuurherstel in Natura2000-gebieden om daarmee het effect van te hoge stikstofdeposities terug te draaien. In dit rapport is verondersteld dat die middelen na 2030 komen te vervallen, omdat dan idealiter (de voorwaarden voor) natuurherstel is (of zijn) gerealiseerd en bronbestrijding (mobiliteit, landbouw, industrie, …) succesvol is. Denkbaar is dat dit anders uitpakt, of dat er nog wel middelen beschikbaar blijven, maar wellicht wat minder. Het is in ieder geval goed om te weten dat ‘standaard’ is gekozen voor het doortrekken van geldstromen tot 2040 en dat de praktijk – waarbij politieke ambities en voorkeuren een rol spelen natuurlijk anders kan zijn.

bij de maatschappelijke behoefte of wenselijkheid ervan. Er zijn wel mogelijkheden om burgers en bedrijven direct te laten (mee)betalen aan extra groen.

In deze studie worden ook budgetten van de Rijksoverheid en de EU, die dus op een grotere schaal uitgegeven worden, omgerekend naar wat hiervan in de MRA landt. Er zijn daarvoor verschillende verdeelsleutels gehanteerd, die gebaseerd zijn op aantallen inwoners, arealen bos en/of N2000/NNN-gebieden of schattingen. In het Financieel Masterbestand staat meer informatie over de gehanteerde verdeelsleutels per instrument.

Bij de beoordeling van kansrijkheid van instrumenten en geldstromen t.b.v. financiering van de MRA-landschapsopgaven, zijn de MRAlandschapsopgaven onderverdeeld naar 6 categorieën. Deze categorieën zijn als volgt: 1. Recreatieve beleving: recreatieve infrastructuur (paden, bruggen, borden, e.d.), buitenpoorten, voorzieningen, recreatiegebieden, vaargeulen; 2. Versterken landschappelijke waarden: herstel van historische structuren, zichtlijnen, landgoederen, Stelling van Amsterdam, bosaanplant, inpassing van infrastructuur; 3. Natuurontwikkeling: onderverdeeld in twee subcategorieën: a) Natuurontwikkeling buiten natuurgebieden: Natuurnetwerk Nederland [hierna: NNN] en N-2000 gebieden: ecopassages, biodiversiteitsmaatregelen, weidevogelgebieden buiten NNN); b) Natuurontwikkeling binnen natuurgebieden: binnen NNN en N2000 afbakening. 4. Toekomstbestending veenweidegebied: vernatten, transformatie van landbouw, e.d.; 5. Klimaatadaptief landschap: klimatologische inrichting & waterberging; 6. Beheer.

1.5 Opzet inhoud rapportage & leeswijzer Financieringsinstrumenten en kansrijkheid Hoewel het maatschappelijke belang van groen breed wordt onderschreven, ligt er een grote financieringsopgave. Het vinden van financiële middelen voor investeren in en beheren van groen en het realiseren van de groene ambities is niet altijd gemakkelijk. Dit heeft te maken met het (quasi-)publieke karakter van groen. Centraal staat dan ook de vraag: wie gaat deze ambities betalen en uit welke financieringsbronnen? Bij de financiering van de groenambities is een belangrijke rol weggelegd voor de overheid. Met name vanwege het feit dat landschap en groen publieke of quasi-publieke goederen zijn. Het is een ‘product’ waarvan het aanbod zonder overheidsingrijpen achterblijft

Bij de beoordeling van de kansrijkheid valt er een onderscheid te maken tussen vier soorten instrumenten: • Min of meer zekere geldstromen met een aanzienlijke omvang; • Mechanismes en bronnen met kleinere omvang; • Grote potentiële financieringsbronnen die extra bijdragen kunnen genereren; • Middelen met potentie, maar die nog nader verkend moeten worden.

8

In deze rapportage bieden we een MRA-breed beeld en een beeld uitgesplitst naar de 8 MRA-landschapsregio’s. De MRA-landschapsregio’s hebben een andere indeling dan de standaard MRA-regio’s, omdat de regionale indeling geschiedt op basis van landschapskenmerken. De volgende regionale indeling wordt gehanteerd (zie figuur 1.1, volgende pagina): 1. Zaanstreek-Waterland 2. Binnenduinrand 3. Brettenscheg, Spaarnwoude, Haarlemmermeer-West (Let op: hierna ‘Brettenzone’) 4. Westeinderscheg en Haarlemmermeer-Oost (Let op: hierna ‘Westeinderscheg’) 5. Amstelscheg 6. Diemerscheg, Gooi en Vechtstreek 7. Flevoland MRA gebied 8. IJmeer, Gooimeer en Markermeer

we achtergrondinformatie per instrument. In bijlage 3 zijn de gesprekspartners vermeld. Let op: aan dit rapport is ook een Financieel Masterbestand (spreadsheet in MS-Excel) verbonden, met de financiële informatie per instrument.

Leeswijzer In deze rapportage is een longlist aan mogelijke financieringsvormen, bronnen en uitvoeringsinstrumenten om de groene ambities van de MRA te realiseren op een rij gezet. Vervolgens is de kansrijkheid in beeld gebracht. De financieringsvormen zijn hiertoe gekoppeld aan de groenopgaven van de MRA, om inzicht te geven in welke opgaven gedekt kunnen worden met welke financiële middelen. De opbouw van het rapport is als volgt: hoofdstuk 2 bevat informatie over verschillende typen financieringsinstrumenten. Hoofdstuk 3 is een tekstuele beoordeling van de kansrijkheid van de instrumenten. Hoofdstuk 4 bevat een beschrijving van overige nieuwe en in potentie kansrijke instrumenten. In hoofdstuk 5 zijn conclusies getrokken en aanbevelingen geformuleerd. In bijlage 1 staat de schematische beoordeling van de kansrijkheid van de instrumenten. In bijlage 2 geven

9

Figuur 1.1: Landschappelijke deelgebieden MRA

10

2 Financieringsinstrumenten 2.1 Inleiding In dit hoofdstuk worden de verschillende geïnventariseerde financieringsmogelijkheden voor publieke partijen (overheden), bedrijven en burgers op een rij gezet. Dit hoofdstuk vormt een groslijst van mogelijke financieringsinstrumenten en op basis hiervan hebben we gekeken wat er relevant is voor de MRA. De kansrijkheid van ieder instrument voor de MRA-opgaven wordt in hoofdstuk 3 verder uitgewerkt. In de bijlagen is een uitgebreide beschrijving van ieder instrument opgenomen. In 2.2 gaan we in op de financieringsinstrumenten van publieke partijen, in 2.3 gaan we in op de instrumenten van bedrijven en in 2.4 gaan we in op de instrumenten van burgers. Financiële informatie van de instrumenten is terug te vinden in het Financieel Masterbestand (separaat in MS-Excel). In bijlage 2 geven we achtergrondinformatie per instrument. Hier geven we bijvoorbeeld informatie over het financiële schaalniveau, de looptijd, randvoorwaarden, voordelen en nadelen van het instrument en bronnen die we gehanteerd hebben om conclusies te trekken.

2.2 Financieringsinstrumenten publieke partijen In het financieren van de groene opgaven is een belangrijke rol weggelegd voor de overheid. Groen is namelijk een product waarvan het aanbod voor de niet-exploitabele delen berust bij de overheid. Overheden kunnen dan ook verschillende instrumenten inzetten/gebruiken voor investeringen in groen(blauwe) waarden en het financieren van groen(e)-(blauwe) projecten. In onderstaande tabel zijn deze financieringsinstrumenten, die publieke partijen kunnen inzetten, op een rij gezet. De financieringsinstrumenten verschillen van elkaar in grootte/schaalniveau: er zijn Europese instrumenten, landelijke instrumenten, regionale instrumenten en lokale instrumenten. Daarnaast is niet elk instrument even kansrijk voor het inzetten bij de MRAopgaven. De kansrijkheid wordt beoordeeld in hoofdstuk 3. Tabel 2.1 Financieringsinstrumenten publieke partijen Concept Rijksstromen die regionaal uitgekeerd worden

Nr. 1.1

Instrument SVNL

1.2

SKNL

Toelichting De Subsidieverordening Natuur- en Landschapsbeheer (SVNL) maakt onderdeel uit van het Subsidiestelsel Natuur en Landschap (SNL), en richt zich op subsidie voor (agrarisch) natuurbeheer en landschapsbeheer van percelen van minstens 75 ha. SVNL betreft Rijksmiddelen die door RVO worden uitgekeerd. De Subsidieregeling Kwaliteitsimpuls Natuur en Landschap (SKNL) levert subsidie voor het omzetten van landbouwgrond naar natuur of ontwikkeling van natuurbeheer. De middelen van SKNL kunnen alleen worden ingezet voor in het natuurbeheerplan aangewezen gebieden. SKNL betreft Rijksmiddelen die door RVO worden uitgekeerd.

11

Rijksstromen algemeen

Provinciale subsidies van Noord-Holland

1.3

Veenweidebudget

1.4

Stikstofgelden

1.5

Mobiliteitsfonds

1.6

Klimaatadaptatie

1.7

SIM-groen

1.8

Deltafonds

1.9

Programmatische aanpak Grote Wateren

1.10

Groen NH: Weidevogelbiotopen, wandelnetwerken & TOP’s

1.11

Klimaatadaptatie onderzoek

Het Veenweidebudget is een provinciale bijdrage voor het tegengaan van bodemdaling van de veengronden. Daar waar het kan worden gelijktijdig natuur- en klimaatdoelen gerealiseerd. Het doel is een leefbaar, kwalitatief en concurrerend platteland en reductie van CO₂-uitstoot. De stikstofgelden voor natuur kunnen ingezet worden voor natuurherstelmaatregelen voor het herstel en behoud van stikstofgevoelige gebieden. De focus ligt daarbij op Natura-2000 gebieden. Daarnaast heeft het Rijk een subsidieregeling opgezet waarmee provincies agrarische bedrijven nabij Natura-2000 gebieden kunnen uitkopen (zie ook www.aanpakstikstof.nl). De verdeelsleutel over de provincies is nog niet bekend, maar provincies hebben al wel aanvragen voor een eerste tranche van projecten gedaan (NH projecten voor €44 miljoen in 2021). Het Mobiliteitsfonds is het in 2021 vernieuwde Infrastructuurfonds. Het Mobiliteitsfonds is een thematische verbreding (mobiliteit in brede zin, i.p.v. infrastructuur in enge zin). In relatie tot de MRA-landschapsopgaven kan het mobiliteitsfonds onder andere fietspaden rondom Rijksmobiliteitsprojecten meefinancieren. De Impulsregeling Klimaatadaptatie hangt onder het Deltaprogramma en komt uit het Deltafonds. Het levert een bijdrage aan klimaatadaptie-maatregelen gericht op wateroverlast, droogte en overstromingen.

In totaal is er landelijk €200 miljoen beschikbaar voor de 45 werkregio’s. Het Rijk subsidieert 33%, de werkregio betaalt zelf 67%. De middelen zijn geschikt voor de MRA-landschapsopgave ‘Klimaatadaptief landschap’. De Subsidieregeling instandhouding monumenten (SIM) is er voor de instandhouding van rijksmonumenten die geen woonhuis zijn. De subsidie is 60% van de kosten. Het complete landelijke budget hiervoor was €62,8 miljoen in 2020. Het Deltafonds is ingevoerd om zeker te stellen dat er ook op de lange termijn voldoende middelen beschikbaar zijn voor noodzakelijke maatregelen voor de waterveiligheid en de zoetwatervoorziening van Nederland. Toekomstbestendige grote wateren waar hoogwaardige natuur goed samengaat met een krachtige economie. Dat is waaraan in de PAGW gewerkt wordt. Er is €248 miljoen beschikbaar voor heel Nederland. In de MRA zijn twee projectgebieden gelegen, met een totaal projectbudget van €80 miljoen (verdeling €60/€20 miljoen). Dit is een veelzijdige subsidie voor weidevogelbiotopen, de uitbreiding van het wandelnetwerk & toeristische overstappunten (TOP’s). Voor weidevogelbiotopen geeft de provincie subsidie voor hogere waterpeilen of substantiële vernatting en het verwijderen van bomen en struiken die leiden tot verbetering van de weidevogelbiotoop. T.b.v.

uitbreiding wandelnetwerk Noord-Holland geeft de provincie subsidie voor het oplossen van knelpunten in het bestaande recreatieve wandelnetwerk en de realisatie van nieuwe recreatieve verbindingen. Ook geeft de provincie subsidies voor het aanleggen van TOP’s. De provincie Noord-Holland wil de schade die gepaard kan gaan met klimaatverandering beperking, en de kansen die de klimaatverandering biedt, benutten. Daarom kunnen Noord-Hollandse gemeenten een aanvraag indienen voor een onderzoek voor fysieke uitvoeringsprojecten voor klimaatadaptatie. Subsidieplafond is €100.000, er kan in totaal 100% gesubsidieerd worden, tot €10.000.

12

1.12

Klimaatadaptatie uitvoering

1.13

HIRB+ Revitalisering verblijfslocaties

1.14

Uitbreiden vaarnetwerk kleine pleziervaart

1.15

Herbestemming en restauratie verduurzaming monumenten Bedrijfsverplaatsing en kavelruil Natuurnetwerk Noord-Holland

1.16

Verdienmodellen

Compensatie

1.17

Investeringsbudget Landschapsversterking

1.18

Inkomsten verkoop, evenementen en pacht

1.19

Bosbouw

1.20

Infrastructuurprojecten

Uitvoeringsprojecten voor klimaatadaptatie voor Noord-Hollandse gemeenten. Subsidieplafond voor 2021: €900.000,-. Er kan tot 50% gesubsidieerd worden, tot maximaal €100.000 per casus. Er is de komende 3 jaar (t/m 2023) budget. De provincie Noord-Holland wil de verblijfsrecreatieve sector revitaliseren en toekomstbestendig maken en houden. Daarom verlenen zij subsidie voor planvorming op het gebied van kwaliteitsverbetering en verduurzaming. Subsidieplafond is €100.000,-. 50% subsidiabel tot maximaal €12.500,-. Om een bijdrage te leveren aan het oplossen van fysieke knelpunten in routes die bevaren worden door de kleinere pleziervaartuigen heeft de provincie Noord-Holland de ‘Uitvoeringsregeling waterrecreatie: uitbreiden van het vaarnetwerk voor de kleinere pleziervaart 2021’ open gesteld. De provincie geeft subsidie voor maatregelen die het recreatieve vaarnetwerk voor kleinere pleziervaartuigen uitbreiden, zoals het aanpassen of realiseren van bruggen, sluizen, doorvaarbare duikers of overhalen, waardoor knelpunten in het netwerk worden opgelost. Subsidieplafond: €1,1 miljoen. In totaal kan 80% worden gesubsidieerd tot maximaal €400.000,-. Bedoeld ter stimulering van het behoud van onroerend cultureel erfgoed door middel van herbestemming en/of, restauratie en/of verduurzaming. Subsidie voor herbestemming en/of restauratie en/of verduurzaming van onroerend cultureel erfgoed.

Deze activiteiten kunnen afzonderlijk en in combinatie voorkomen. Bedraagt per casus maximaal €10.000,-. Heeft tot doel: de verbetering van de agrarische structuur ten behoeve van de kwaliteit van het landschap. De uitvoeringsregeling bestaat uit twee onderdelen: bedrijfsverplaatsing en kavelruil. Subsidie wordt verstrekt voor een verplaatsing van een landbouwbedrijf, waarbij de aanvrager een MKB-onderneming is en alle grondgebonden agrarische activiteiten op de gronden die worden achtergelaten binnen het NNN betrokken worden in de bedrijfsverplaatsing. Subsidieplafond €500.000 in 2020. Per casus: €37.500,De provincie Noord-Holland investeert 10,3 miljoen euro in haar landschap. Het geld gaat onder andere naar de Stelling van Amsterdam en de Westeinderscheg tussen Amsterdam en Aalsmeer voor een kwaliteitsslag van het landschap en betere recreatieve bereikbaarheid van en binnen het versnipperde gebied. Er gaat ook geld naar het Oer-IJ. Deze financieringsbron levert geld op door het verpachten of verhuren van locaties in een groenblauwe natuuren recreatieomgeving voor evenementen of andere activiteiten. Er dient daarbij rekening gehouden te worden met de draagkracht van het terrein en omgeving, NNN voorwaarden en zonering. Inkomsten uit bosbouw komen voort uit de verkoop van hout uit bomenkap.

Deze opbrengsten komen ten goede aan beheer van de natuur en de voorzieningen in de natuur. Er mag maximaal 2 hectare bomen gekapt worden voor regulier natuurbeheer. De mogelijkheden voor bomenkap worden in de toekomst mogelijk beperkt vanwege Nationale Bosstrategie. Bij grote infrastructuurprojecten die impact hebben op beschermde natuur, is er de wettelijke verplichting om te komen tot natuurcompensatie. Netto komt er bij de compensatie vaak geen groen bij.

13

Verevening

1.21

Verevening (en roodvoor-groen)

Europese subsidies

1.22

LIFE

1.23

GLB/NSP/POP3 & POP 41

1.24

Horizon Europe

1.25

EFRO

1.26

Interreg

1.27

EUI

1.28

URBACT

1.29

Subsidie en/of andere uitgaven van waterschappen

Lokale subsidies of giften

1

Bij verevening wordt een investering in het landschap op de ene plek, gefinancierd vanuit een rendabele investering op een andere plek. Denk daarbij aan woningbouw, bedrijven en kantoren. Ook rood-voor-groen (groen financieren uit opbrengst ‘rode’ functies) is hiervan een voorbeeld. LIFE ondersteunt innovatieve projecten die passen binnen Europees natuur-, milieu- en klimaatbeleid. Het programma heeft vier deelprogramma’s: natuur & biodiversiteit, circulaire economie, klimaatverandering en schone energietransitie. Er zijn 1 à 2 momenten per jaar waarop aanvragen kunnen worden ingediend. De subsidies kan met name gebruikt worden voor groeninvesteringen, en niet voor beheer. Het GLB bevat 2 pijlers: inkomensondersteuning aan agrariërs (pijler 1) en extra subsidie voor maatregelen ter verbetering van biodiversiteit, klimaat en bodem (pijler 2). In 2023 gaat er een nieuwe GLB regeling van start. Doel van het programma is om het concurrentievermogen van Europa te vergroten door wetenschap en innovatie te stimuleren en oplossingen te bedenken voor maatschappelijke vraagstukken. Het heeft drie pijlers. Meest interessant voor de MRA landschapsopgaven is pijler 2: “Global Challenges and European Industrial Competitiveness”. Binnen deze pijler bevinden zich zes clusters, waaronder (1) klimaat, energie en mobiliteit, en (2) voedsel, natuurlijke hulpbronnen, landbouw en milieu.

Het totale budget is €95,5 miljard (incl. €5,4 miljard NextGenerationEU) en het projectbudget verschilt per call, doorgaans €2 tot €10 miljoen (tot 100% EU-bijdrage). EFRO is één van de structuurfondsen van de EU en richt zich op het terugdringen van verschillen tussen Europese regio’s. Er zijn meekoppelkansen voor de MRA. De provincie Noord-Holland en Flevoland zijn onderdeel van EFRO Kansen voor West. Interreg Europe richt zich op stimuleren van samenwerking/cohesie in de EU. Interreg Noordwest Europa en Interreg Europe zijn relevant voor de MRA vanwege meekoppelkansen. Een groot deel van het budget van het programma gaat naar specifieke doelen voor een ‘slimmer’, ‘groener’, ‘beter verbonden’ en ‘socialer’ Europa. EUI focust zich op duurzame stedelijke ontwikkeling. De structuur van deze subsidie is nog onbekend, waarschijnlijk vergelijkbaar met UIA. Het richt zich op stedelijke autoriteiten met meer dan 500.000 inwoners. Er kan tot 80% of maximaal €5 miljoen subsidie verkregen worden. URBACT stelt steden in staat om samen te werken en geïntegreerde oplossingen uit te werken voor gemeenschappelijke stedelijke uitdagingen. Dit wordt bereikt door te netwerken, van elkaars ervaringen te leren, lessen te trekken en ‘good practices’ te identificeren om stedelijk te beleid te verbeteren. Het programma wordt nog opgesteld.

De subsidie van de 4 Noord-Hollandse/Flevolandse waterschappen kan ingezet worden voor projecten die zorgen voor vergroten van waterbewustzijn en duurzaam waterbeheer. Voorbeelden zijn subsidies voor water en bodem, subsidie voor recreatie, cultuur en landschap. De hoogte van de subsidie verschilt per project, particulier voert project uit.

Gebruikte afkortingen, GLB: Gemeenschappelijk Landbouw Beleid, NSP: Nationaal Strategisch Plan, POP3&4: Plattelandsontwikkelingsfonds (3&4 zijn versies)

14

Lokale belastingen

Overig

1.30

Matchfunding

1.31

Lokale belastingen gemeenten

1.32

Lokale belastingen provincies

1.33

Lokale belastingen waterschappen

1.34

Fiscale voordelen NSW

1.35

Erfgoed Deal

Bij matchfunding wordt er vanuit de overheid bijgedragen aan particuliere crowdfundingsacties. Matchfunding is een eenvoudig concept dat burgerparticipatie bevordert en stimuleert. Belangrijke belastingen die gemeenten kunnen heffen zijn OZB, toeristenbelasting en parkeerbelasting. De mate waarin de gemeenten hun inkomsten kunnen beïnvloeden is echter gering (27,2%). Vanwege de verschillende baten van groen, wordt vaak ook de (re)activering van baatbelasting genoemd. De enige belastingen die provincies heffen zijn de opcenten op de motorrijtuigenbelasting van personenauto’s en motoren. De opcenten motorrijtuigenbelasting worden geheven over het tarief van de hoofdsom van de motorrijtuigenbelasting. De tarieven in 2021 voor Noord-Holland en Flevoland zijn respectievelijk 67,9% en 79,8%. Andere inkomsten van de provincies, buiten het provinciefonds, zijn heffingen die slechts kostendekkend mogen zijn. Waterschappen heffen eigen waterschapsbelasting (goed voor 87% van de inkomsten). Aanvullende middelen zijn nodig voor meekoppelkansen op het gebied van natuur of recreatie (bv. overloopgebieden of natuurvriendelijke oevers). Via de Natuurschoonwet kunnen eigenaren van landgoederen of buitenplaatsen gebruik maken van fiscale voordelen om hun landgoed of buitenplaats in stand te houden . Het is dan ook alleen voor aangewezen NSWlandgoederen.

De fiscale voordelen die eigenaren van NSW-landgoederen krijgen, zijn vrijstelling van OZB voor de grond die tot een landgoed behoort, vermindering van vennootschapsbelasting en inkomstenbelasting, en vrijstelling van de schenk- of erfbelasting. Via de Erfgoed Deal kunnen overheden investeren in projecten waarbij het gebruik van erfgoed wordt ingezet bij grote ruimtelijke opgaven. Voor de periode 2019-2022 is er vanuit het Rijk €20 miljoen beschikbaar. Gemeenten en provincies matchen dit.

2.3 Financieringsinstrumenten bedrijven Naast een belangrijke rol voor de overheid, kunnen ook bedrijven een wezenlijke bijdrage leveren in het financieren van ontwikkeling en onderhoud van landschapsopgaven. Dit kan zowel direct als indirect en op verschillende manieren. Denk aan het verstrekken van leningen, giften of het compenseren van andere ontwikkelingen in groene gebieden. Onderstaande tabel geeft een overzicht van de verschillende financieringsinstrumenten voor bedrijven. De kansrijkheid van onderstaande instrumenten wordt beoordeeld in hoofdstuk 3. Tabel 2.2: Financieringsinstrumenten bedrijven Concept Leningen

Nr. 2.1

Instrument Bancaire leningen

Toelichting Bij bancaire leningen verstrekt een bank een geldbedrag aan een bedrijf op voorwaarde dat het later terug wordt betaald. Deze manier van financieren is enkel geschikt voor partijen die groen aan een verdienmodel koppelen, waardoor de lening kan worden terugbetaald. De omvang van de lening is afhankelijk van het verdienvermogen van het verdienmodel.

15

Giften

Verdienmodellen

Compensatie

Overig

2.2

Sponsoring

2.3

Loterijen

2.4

Pacht/exploitatie

2.5

Activiteiten/evenementen

2.6

Streekproduct

2.7

Landbouw

2.8

Bosbouw

2.9

Natuurcompensatie

2.10

Opwekking duurzame energie

2.11

CO₂ compensatie

2.12

Drinkwaterwinning

2.13

Preventie-investering verzekeraars

Bij sponsoring stelt een organisatie geld ter beschikking voor (de aanleg of onderhoud van) een landschap, meestal in ruil voor reclame. De omvang van de geldstroom hangt af van de bereidwilligheid van organisaties om te sponsoren. Loterijen steunen verschillende terreinbeherende organisaties. De opbrengst van de loterij wordt dan – eenmalig of jaarlijks - deels gebruikt voor de steun van organisaties die groen aanleggen en/of beheren. Een deel van de opbrengsten uit pacht of exploitatie van een bezoekerscentrum of horeca kan worden ingezet voor de instandhouding van bos en natuur. De omvang van de geldstroom hangt af van de winstgevendheid van het verdienmodel. Het organiseren van evenementen in groengebieden kan een inkomstenbron zijn (met name voor beheerorganisaties) waardoor investeringen in het groen gedaan kunnen worden of het beheer gefinancierd kan worden. Grootschalige evenementen kunnen wel een negatieve impact hebben op de natuurwaarden. Streekproducten kunnen voor natuurbeherende organisaties een interessant verdienmodel zijn. Een deel van de opbrengsten van streekproducten worden afgedragen aan de beheerorganisaties. Kansen in de landbouw en groenontwikkeling liggen er met name in vorm van groene akkerranden, groenbemesting en biologische landbouw.

Biologische en kringlooplandbouwbedrijven bieden ruimte voor biodiversiteit, houtwallen en dooradering met (fiets)paden en lanen. Daarnaast kunnen landbouwgronden ook recreatief gebruikt worden en op die manier opbrengsten genereren. De bossen in Nederland worden voor 1/3e beheerd door particulieren. Voor deze particulieren is bosbouw een belangrijke inkomstenbron door de verkoop van hout. Deze inkomsten dekken gedeeltelijk de kosten van beheer en aanleg van nieuw bos. De inkomsten kunnen aangevuld worden met subsidies, jachthuur en inkomsten uit recreatief gebruik van de bossen. Een productiebos kan ook (gedeeltelijk) dienen als recreatiebos. Er is sprake van natuurcompensatie als een initiatiefnemer ontwikkelt in een landelijk gebied en de aantasting compenseert door de aanleg van natuur elders. Dit kan in natura of financieel. De opwekking van duurzame energie zal in de komende jaren een snelle groei van het ruimtegebruik laten zien. Er kan daarbij gevraagd worden om een financiële compensatie voor het negatieve effect van de opwekking op het landschap. Ook kan er gekozen worden voor landschappelijke inpassing. Bij CO₂ compensatie betalen bedrijven aan intermediairs die zorgen voor de aanplant van groen/bomen waarmee CO₂ wordt vastgelegd. Bedrijven compenseren daarmee hun CO₂ -productie door te investeren in groenontwikkeling en onderhoud in groenprojecten.

Wanneer partijen geld verdienen met drinkwater kunnen ze daarvan een deel van terugstoppen in waterwingebieden. Daarnaast kunnen maatregelen die nodig zijn tegen klimaatverandering bijdragen aan de MRA-Landschapsopgaven. Verzekeraars investeren in groenstructuren als preventie-investering (bv. het aanleggen van groen dat bijdraagt aan afwatering), met als doel schade die klimaatverandering met zich mee brengt te verminderen en/of zorgkosten te verlagen.

16

2.14

BIZ

Een Bedrijven Investeringszone (BIZ) maakt het mogelijk om ondernemers gezamenlijk verbeteringen in een bepaald gebied te laten financieren. Het instrument dat hiervoor wordt ingezet, is een gebiedsgerichte (bestemmings)heffing. Dit geld kan ook ingezet worden voor groenvoorziening, vaak op of om werklocaties.

2.4 Financieringsinstrumenten burgers Als laatste kunnen, naast overheden en bedrijven, ook burgers een rol spelen in het financieren van groen. In dit geval gaat het vaak om uitgaven die burgers doen die (in)direct ten goede komen aan het financieren van groene opgaven. De tabel hieronder geeft een overzicht van de financieringsinstrumenten van burgers. De kansrijkheid van onderstaande instrumenten wordt beoordeeld in hoofdstuk 3. Tabel 2.3: Financieringsinstrumenten burgers Concept Giften

Verdienmodellen

Nr. 3.1

Instrument Giften

3.2

Legaten

3.3

Fonds op naam

3.4

Crowdfunding

3.5

Stichtingen

3.6

Kaartjesverkoop

3.7

Abonnementen

3.8

Vignetten

Toelichting Burgers kunnen geld schenken voor de ontwikkeling en/of het onderhoud en beheer van groen, met of zonder tegenprestatie. In het geval van een groene opgave is het mogelijk een gift te toen zonder tegenprestatie wanneer de gift naar een stichting gaat met een ANBI-status (Algemeen Nut Beogende Instelling). Giften zijn voornamelijk aantrekkelijk voor particulieren met de financiële capaciteit én de wil om groene projecten te ondersteunen. Legaten zijn een bijzondere vorm van giften. Het verschil is dat een legaat pas wordt ontvangen door de legetaris (degene aan wie het geld wordt nagelaten) als de gever komt te overlijden. Een Fonds op Naam is een schenking aan een goed doel met een gerichte opdracht. De schenker bepaalt de naam en het doel van het fonds. Het fonds moet vervolgens gekoppeld worden aan een hoofdfonds. Er bestaan fondsen op naam voor groene projecten. Crowdfunding is een eenmalige actie waarbij een organisatie in dit geval bij particulieren geld ophaalt om de investering van een bepaald project te financieren, bijvoorbeeld ontwikkeling van groen. Dit kan met of zonder tegenprestatie. Sommige stichtingen richten zich op ondersteuning van groenprojecten. Bv. op het gebied van natuurbehoud recreatie. Deze stichtingen steunen vaak eenmalig een groenproject met een financiële bijdrage/gift.

Een van de meest directe financieringsconcepten is de verkoop van toegangskaarten. De gebruiker betaalt dan voor de toegang tot het groen. Met de opbrengsten wordt het onderhoud van het groen bekostigd. Een voorbeeld is Nationaal Park De Hoge Veluwe. Abonnementen in de vorm van bv. jaarkaarten, ‘vrienden van’ of ‘beschermerkaart’ verlenen toegang tot een groengebied voor een bepaalde periode (bv. een jaar). Het is daarmee vergelijkbaar met de verkoop van een toegangskaart. Bij de aanschaf van een vignet betaalt de gebruiker van een faciliteit in het groen voor een service (bv. het gebruik van mountainbike paden) voor een bepaalde periode. De opbrengsten hiervan kunnen worden ingezet

17

Overig

3.9

Betaald parkeren

3.10

Groenfonds

3.11

Landschapsobligaties

voor bv. het onderhoud van mountainbikepaden. Soms worden ook de algemene kosten van natuurbehoud bekostigd. Met betaald parkeren in/nabij het groengebied wordt het geld dat wordt ingezameld op de parkeerplaats gebruikt voor het beheer van het groen. Een groenfonds is een fonds waaruit groene projecten worden gefinancierd. De projecten moeten daarbij wel een groenverklaring hebben. Het ingelegde geld komt van spaarders of beleggers. Aangezien het geleende geld op den duur terugbetaald moet worden, kan een groenfonds enkel als startkapitaal gebruikt worden. Dit betekent ook dat het geld op een manier moet worden terugverdiend. Burgers investeren in landschapsobligaties en ontvangen hiervoor een rentevergoeding. Met het geld van de obligaties wordt vervolgens grond aangekocht. Deze grond wordt verpacht aan boeren die op een biologische en natuurvriendelijke manier landbouw uitoefenen.

18

3 Resultaten inventarisatie De beschreven financieringsmogelijkheden in hoofdstuk 2 zijn beoordeeld op kansrijkheid en de bijbehorende bedragen zijn in het Excelbestand gezet. De hoofdlijnen van de resultaten daarvan worden in dit hoofdstuk uiteengezet. In bijlage 1 is de kansrijkheid van de verschillende stromen beoordeeld. Daarbij is in algemene zin een onderscheid te maken tussen 4 soorten instrumenten qua kansrijkheid. Ten eerste zijn er min of meer zekere geldstromen met een aanzienlijke omvang, waarvan de meeste uit de overheidsinstrumenten komen (bijvoorbeeld SNL, GLB). Als tweede zijn er een aantal mechanismes en bronnen met een kleinere omvang die niettemin de moeite waard zijn. Denk hierbij aan Europese subsidies, verkoop van streekproducten en meekoppelkansen met Rijksstromen (bv. gericht op stikstof en klimaatadaptie). Ten derde zijn er drie grote potentiële financieringsbronnen te onderscheiden die – onder voorwaarden – substantiële extra bijdragen kunnen genereren: verevening uit woningbouw, afroming vanuit de productie van duurzame energie en betaald parkeren. Als vierde zijn er middelen die wel een flinke potentie hebben, maar nog nader verkend dienen te worden om echt kansrijk te zijn. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om vrijwillige CO₂compensatie door bedrijven.

Vervolgens zijn alle bedragen in het rekenbestand gezet, uitgesplitst naar investeringen en beheer en gekoppeld aan de MRA-landschapsopgaven. In de volgende paragrafen worden de belangrijkste uitkomsten beschreven en toegelicht.

3.1 Publieke middelen Overheden zijn de belangrijkste bron van middelen voor investeringen in en beheer van groen en landschap. Met name voor het natuurbeleid – voor het Natuur Netwerk Nederland (NNN) en voor Natura2000-gebieden – zijn er langjarige geldstromen voor realisatie en subsidieregelingen voor het beheer (het Subsidiestelsel Natuur en Landschap (SNL)). Na de decentralisatie (2011) zijn de provincies hiervoor verantwoordelijk. Voor de resterende onderdelen van het NNN en voor natuur met een provinciale status buiten NNN en N2000 zijn er in Noord-Holland en Flevoland middelen beschikbaar. De voltooiing van de natuurnetwerken loopt weliswaar trager dan oorspronkelijk voorzien, maar binnen de periode tot 2030 worden de plannen afgerond. Voor het beheer van NNN- en N2000-gronden is beheersubsidie beschikbaar. De SNL-beheersubsidie dekte tot voor kort 75% van de standaardkostprijs. Dat percentage is inmiddels verhoogd naar 84%. Dat betekent overigens dat terreinbeherende organisaties (TBO’s) en particuliere grondeigenaren de ontbrekende middelen zelf moeten aanvullen, of moeten bezuinigen op het beheer. Met name daar waar ook recreatief medegebruik is, is dat een reeds langer bestaand probleem. De TBO’s en de Federatie Particulier Grondbezit (FPG) wijzen reeds lang op het bestaan van dit beheertekort.

Overigens zijn de weergegeven getallen bij SVNL en SKNL langs indirecte weg berekend. Het is ons niet gelukt om directe cijfers vanuit RVO te gebruiken. Voor agrarisch natuurbeheer door gecertificeerde collectieven is er de regeling Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer (ANLb). In Nederland wordt een deel van de ANLb gefinancierd vanuit het Plattelandsontwikkelingsprogramma (voor de periode t/m 2022 het POP3), de tweede pijler van het Europese Gemeenschappelijke Landbouwbeleid. Ook in de nieuwe periode, 2023-2027, kiest Nederland ervoor een deel van de EU-middelen hiervoor in te zetten (bron: NSP voor

19

het GLB). Op langere termijn wordt verwacht dat dit nog zal groeien, al is dat nog onzeker. Al met al zijn er voor de natuurdoelen in de MRA, zeker binnen NNN en N2000, in behoorlijke mate middelen beschikbaar, al wordt de hoogte van de beheersubsidie te laag bevonden door beherende partijen. Eerder onderzoek van Ecorys en van Bureau BUITEN heeft dat laatste voor de MRA bevestigd. Natuur buiten NNN en N2000 Voor natuur buiten NNN en N2000 en voor andere groene gebieden en dan met name die waar veelvuldig wordt gerecreëerd, zijn er zowel voor uitbreiding als voor beheer eigenlijk geen specifieke middelen beschikbaar vanuit het Rijk. De provincies zijn hiervoor de belangrijkste verschaffers van middelen, soms in ‘schappen’ (gemeenschappelijke regelingen) met de gemeenten.

N2000-gebieden en is er €430 miljoen voor uitkoop van boerenbedrijven. De provincies kunnen projectgewijs aanvragen doen voor natuurherstel en voeren de uitkoopregeling uit. Voor de MRA kan dit tezamen ruim €300 miljoen genereren tot 2030, afhankelijk van de mate waarin de regio succesvol is met het aanvragen van middelen. De vraag is overigens wel in welke mate die middelen kunnen worden ingezet voor de landschapsambities van ‘Sterke steden hebben sterke landschappen’. Strikt gezien zijn middelen voor natuurherstel vooral extra middelen voor beheer. Maar een denklijn kan zijn dat daarmee andere middelen van terreinbeheerders wellicht beschikbaar kunnen komen voor uitbreidingen en dat daarmee een deel van de ambities gefinancierd kan worden. Figuur 3.1 laat zien waar stikstofmiddelen in de MRA mogelijk zullen landen. Figuur 3.1: Zonering stikstofgevoeligheid N2000 en NNN gebieden

Binnen de MRA heeft de provincie Noord-Holland verder een investeringsbudget landschapsversterking. Dat is voor de provinciale schaal met ruim €10 miljoen een stevig budget, maar afgezet tegen de landschapsambities gaat het om bescheiden middelen. De provincie Flevoland heeft buiten wat cofinanciering voor POP en Leader (onderdeel POP) beperkte middelen voor natuur buiten NNN en N2000. Belangrijke extra rijksmiddelen voor stikstof en veenweide In vergelijking tot de achterliggende jaren zijn er twee beleidsthema’s waarvoor significant meer geld beschikbaar is gekomen voor de komende jaren: stikstof en de veenweideproblematiek. Stikstof Vanwege Europese afspraken en mede als gevolg van gerechtelijke uitspraken heeft het Rijk extra geld beschikbaar gesteld voor de reductie van de stikstofdepositie en voor het bestrijden van de gevolgen ervan. Zo is er nationaal onder meer €3 miljard beschikbaar voor natuurherstel in

Bron: PBL, Atlas van de regio, kaart Natuur, Landschap, Recreatie, gebieden met invloed op kwetsbare natuur

20

Veenweide Voor de veenweideproblematiek, onderdeel uitmakend van de MRAlandschapsambities, is er extra geld van het Rijk in het kader van het Klimaatakkoord. Tot 2040 kan dat voor de MRA iets meer dan €40 miljoen aan middelen genereren. Andere grote geldstromen vanuit het Rijk In het bij dit rapport behorende Excelbestand zijn nog een aantal grote Rijksstromen opgenomen die kunnen bijdragen aan de landschapsambities van de MRA. Het gaat dan over het Mobiliteitsfonds, middelen voor Klimaatadaptatie en in de watersfeer om het Deltafonds en de Programmatische Aanpak Grote Wateren. Bij al deze stromen zijn overigens kanttekeningen te plaatsen. Het Mobiliteitsfonds, de opvolger van het Infrastructuurfonds, heeft een bredere scope dan de voorganger en biedt daarmee ook meer ruimte om bijvoorbeeld fietsmaatregelen te financieren. Louter recreatieve fietsinfrastructuur kan er niet mee worden gefinancierd, maar denkbaar is wel dat bijvoorbeeld dure overkluizingen of onderdoorgangen van autosnelwegen (of andere Rijksinfrastructuur) onderdeel uitmaken van een totaalaanpak van een MIRT-proces, waar dan meekoppelkansen in zitten vanuit de landschappelijke en recreatieve ambities. De schatting op basis van het recente verleden is dat 1% van het budget hiervoor kan worden aangewend en dat dat aandeel nog iets kan groeien.

Dit wordt ook bevestigd in gesprekken met het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Voor de MRA zou dat tot 2040 neerkomen op ca. €225 miljoen. Andere kanttekeningen hierbij: er is in het afgelopen decennium al veel geïnvesteerd in Rijksinfrastructuur in de MRA, een groot deel van de middelen in het Mobiliteitsfonds is al belegd en er is extra geld nodig voor achterstallig onderhoud aan kunstwerken (o.a. bruggen en viaducten). Die kanttekeningen maken het onzeker of de MRA op deze middelen kan rekenen.

De middelen voor klimaatadaptatie zijn qua doelen te rekenen tot de MRA-landschapsambities, maar zullen deels/vooral neerslaan binnen bestaand stedelijk gebied. Daar ligt niet het accent van de MRAlandschapsambities, want die hebben vooral betrekking op het landelijk gebied. We gaan er vanuit dat 1/3 van de Klimaatadaptatiemiddelen in het landelijk gebied kunnen landen. Daarmee gaat er in totaal zo’n €130 miljoen naar klimaatadaptatie in de MRA-regio’s vanuit dit instrument. De middelen uit Deltaprogramma en PAGW zijn (vrijwel) alleen relevant voor Markermeer/IJmeer/Randmeren en betreffen maatregelen waarbij natuur en recreatie meekoppelkansen zijn. Provinciale middelen De provinciale budgetten voor groen en natuur zijn aanzienlijk. In het Excelbestand is dit de grootste post. Er is niet met de totale provinciale begrotingsposten gerekend, dus mogelijk zit hier nog extra ruimte. Een belangrijk deel van de middelen is overigens voor beheer. De provincie Noord-Holland (PNH) heeft verder een behoorlijk aantal subsidieregelingen waarvan het al genoemde investeringsbudget landschapsversterking een belangrijke is (maar niet de enige). Qua cultuurhistorie, een onderdeel van de landschapsambities van de MRA, heeft PNH een substantieel budget (€9 miljoen per jaar), maar daarvan wordt ook een aanzienlijk deel benut voor monumentale objecten in de steden.

Niettemin is het totale bedrag in de financiële tabel opgenomen. Flevoland heeft behoudens de rijksmiddelen die via de provincies worden besteed (zoals SNL) nauwelijks vrije middelen waarmee investeringen in de landschappelijke of recreatieve infrastructuur kunnen worden ondersteund. In de Flevolandse praktijk worden per project stapsgewijs middelen gezocht, via samenwerking met gemeenten, waterschap, TBO’s en boeren. Ook wordt groen en recreatieve infrastructuur gekoppeld aan gebiedsontwikkeling in de nabijheid ervan.

21

Europese programma’s De Europese Commissie (EC) heeft een groot aantal subsidieprogramma’s waarvan een deel relevant is of kan zijn voor natuur en landschap in de MRA. Pijler-2 van het Nationaal Strategisch Plan (voorheen: POP) Het POP, of pijler 2 van het NSP vanaf de nieuwe periode die voor dit programma aanvangt met 2023 (andere EU-programma’s kennen een 7jaarslooptijd 2021-2027) is het meest relevante, omdat een deel ervan direct betrekking heeft op ‘groene’ doelen en de middelen aan Nederland worden toegekend en vervolgens verdeeld over de provincies. Binnen het POP wordt geïnvesteerd in fysieke uitbreiding of kwaliteitsverbetering van natuur, water en landschap. Ook maakt het eerder genoemde agrarisch natuurbeheer er deel vanuit. De verdeling van de pijler-2-middelen over de provincies ligt nog niet vast, maar Noord-Holland en Flevoland zullen naar rato van areaal en bevolking (en mogelijk andere criteria) hun deel ontvangen. Wel is slechts een deel van de pijler-2 middelen relevant voor de MRA-landschapsambities. Het grootste deel betreft landbouwinnovatiemaatregelen. We rekenen daarom 30% mee als relevant. LIFE Het LIFE-programma (LIFE+) is eveneens zeer relevant. Dit programma is voor 2021-2027 uitgebreid en kent nu ook een groter duurzaam energiedeel, naast middelen voor natuur en biodiversiteit. In theorie kan de MRA hieruit een bedrag van ca.

€50 miljoen binnenhalen, maar dat gaat niet vanzelf. Er zijn jaarlijkse calls per thema, waarin op Europees niveau moet worden geconcurreerd. Rond de 15% wordt goedgekeurd. Nederlandse voorstellen scoren gemiddeld twee keer zo goed maar het vergt ook een flinke inspanning. Dus LIFE is kansrijk voor innovatieve onderdelen van de MRA-landschapsambities, maar het vergt wel een professionele subsidie-aanvraag-aanpak om succesvol te zijn. Als de MRA jaarlijks één LIFE-aanvraag voor landschap gehonoreerd krijgt à €2

miljoen, dan doet de regio het goed. Dat zou ca. €15 miljoen of richting de €30 miljoen op langere termijn. Andere EU-programma’s: wel veel middelen, maar kleinere kans In de financiële tabel zijn ook opbrengsten opgenomen uit andere EUprogramma’s, waaronder Horizon Europe dat door zijn schaal en brede thematiek ook een kans voor MRA landschap kan betekenen. Daarbij moet wel worden bedacht dat dit (pan-)Europese samenwerking vergt en alleen voor innovatieve researchprojecten kansrijk is. In die zin zijn de theoretisch berekende tientallen miljoenen voor MRA landschap aan de optimistische kant. Voor de landsdelige EFRO-programma’s en INTERREG geldt dat – uitzonderingen daargelaten – de aansluiting qua thematiek moeizaam is. Er zijn wel enkele aanknopingspunten en meekoppelkansen. We gaan ervan uit dat er voor EFRO tot 2040 5 projecten a €1 miljoen per project in de MRA gedaan wordt. Voor INTERREG gaan we ervan uit dat er 5 projecten a €2 miljoen per project in de MRA binnen de landschapsthematiek uitgevoerd worden. Waterschappen In de MRA zijn vier waterschappen actief. Ze zijn – uiteraard – gericht op wateropgaven, zowel kwantitatief als kwalitatief. Investeringen in groen en recreatie behoren niet tot hun (wettelijke) kerntaken. Maar waterprojecten bieden wel meekoppelkansen voor het MRA-landschap.

Voorbeelden zijn het aanleggen van vooroevers met recreatiemogelijkheden, het realiseren van fietspaden op of aan een te versterken dijk, investeringen in een kennisprogramma over de veenweideproblematiek of het groen en Klimaatadaptief recreatief inrichten van waterbergingsgebied. Harde financiële bijdragen zijn op voorhand niet te geven. Bijdragen van gemeenten Gemeenten kunnen ook zelf bijdragen aan natuur- en landschapsdoelen en doen dat ook. Gemeenten moeten beheer en onderhoud van de recreatieve structuur uit de algemene middelen betalen en worstelen om

22

hiervoor voldoende middelen te vinden. Theoretisch zijn er twee2 knoppen waar extra middelen vandaan kunnen komen: de OZB en toeristenbelasting, waarbij voor beide geldt dat inkomsten naar de algemene middelen gaan en dat er een politieke en maatschappelijke grens is aan het verhogen van die belastingen.

3.2 Bijdragen van bedrijven en burgers Bedrijven De belangrijkste financiële stromen vanuit bedrijven richting groen en landschap zijn verbonden aan verdienmodellen. Pacht, huur, evenementen, landbouw of de verkoop van streekproducten met een afdracht. Voor landgoederen kan bijvoorbeeld pacht en erfpacht een heel belangrijke afdracht zijn voor de instandhouding van het landgoed. Bij nieuwe groenontwikkeling kan worden gekeken of het mogelijk is daar horeca, verblijfsrecreatie of leisurebedrijvigheid aan te koppelen en daarmee ook een deel van de kosten van het groen te dekken of daar beheerafspraken aan te koppelen. Tegelijkertijd is het ruimtelijk niet altijd wenselijk om ook extra ‘rood’ te koppelen aan extra groen, dus zeker in de relatief drukke MRA beperkt dat de kansrijkheid van die financieringsmogelijkheid. Sponsoring en crowdfunding kunnen een aanvullende rol vervullen. Er zijn ook goede-doelen-loterijen die behoorlijk bijdragen aan groen en landschap.

Burgers Bij burgers zijn er twee typen bijdragen: in de eerste plaats via zaken als giften (in verschillende vormen) en crowdfunding. In de tweede plaats via verdienmodellen. Giften, periodieke schenkingen, legaten of een fonds op naam met groen en landschap als doel vormen een belangrijke inkomstenbron voor met name de terreinbeherende organisaties. Voor Natuurmonumenten bijvoorbeeld zijn baten van particulieren goed voor €37 miljoen in 2020, of 35% van de totale baten (bron: Jaarverslag Natuurmonumenten 2020). Zelfs Staatsbosbeheer, een publiekrechtelijke rechtspersoon met een wettelijke taak, heeft een aparte stichting opgericht om ook dergelijke giften te kunnen ontvangen: het Buitenfonds. De TBO’s dekken met dergelijke giften beheertekorten af, maar kunnen ook investeren in uitbreiding; Natuurmonumenten besteedde in 2019 en 2020 gemiddeld €7,5 miljoen per jaar in aankoop van natuur. Particuliere schenkingen kunnen langs deze weg dus ook een bijdrage leveren aan de MRAlandschapsambities. Intensieve samenwerking met de TBO’s is daarvoor een voorwaarde. Burgers dragen ook direct bij via verschillende verdienmodellen, zoals (toegangs)kaartverkoop of abonnementen, vignetten (voor bijvoorbeeld mountainbiken of paardrijden) en betaald parkeren. Dergelijke middelen worden met name ingezet voor dekking van (extra) beheerkosten.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14447384/1