Bijlage 2 - Een signaal van waardering
Tekst van het document
Judith Elshout | Femke Roosma | Mathieu Portielje | Arjen de Wit | Boudewijn Goos | Hafid Ballafkih
Een signaal van waardering
Onderzoek naar de Amsterdamse uitstroompremie
© 2026 The Work Lab | Hogeschool van Amsterdam. Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of op enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de rechthebbende.
Een signaal van waardering: Onderzoek naar de Amsterdamse uitstroompremie
Citeren als: Elshout, J., Roosma, F., Portielje, M., De Wit, A., Goos, B., & Ballafkih, A.H. (2026). Een signaal van
waardering: Onderzoek naar de Amsterdamse uitstroompremie. The Work Lab, Hogeschool van Amsterdam.
Voor vragen en opmerkingen over dit onderzoek kunt u mailen naar: A.H.Ballafkih@HvA.nl
Deze publicatie is een uitgave van Arbeid en Human Capital in Transitie, onderdeel van The Work Lab van de Hogeschool van Amsterdam. In The Work Lab werken onderzoekers, docenten en studenten samen met organisaties aan onderzoek naar de impact van sociale, economische en digitale transformatie op de samenleving, de arbeidsmarkt, organisaties en teams. De resultaten leiden tot praktische interventies en wetenschappelijke inzichten. Meer informatie op www.hva.nl/theworklab
[210120261657_4.0]
Figuren op de kaft zijn bewerkingen van zijn shutterstock.com/1238234167
Voorwoord Dit rapport is opgesteld in opdracht van de gemeente Amsterdam en doet verslag van het onderzoek naar de evaluatie van de Uitstroompremie, van 2024 tot 2025. Veel gemeenten zien de uitstroompremie als een belangrijk instrument om duurzame arbeidsmarkttransities te bevorderen. Toch is nog weinig bekend over hoe mensen in de bijstand dergelijke premies ervaren, welke betekenis zij eraan geven en in hoeverre de premies bijdragen aan een duurzame stap naar betaald werk. Dit onderzoek brengt daar verandering in. Amsterdammers die wij spraken, zien de uitstroompremie als een signaal van erkenning en waardering. En dat is vaak belangrijker voor mensen dan de financiële waarde van de premie. Tegelijkertijd laat het onderzoek zien dat ‘systeemcomplexiteit’ ertoe leidt dat positief bedoelde signalen soms ook tot verwarring en zelfs stress leiden bij mensen in de bijstand. Dit typeert de kwetsbaarheid van dit soort interventies. Wij dragen met dit onderzoek ook bij aan het maatschappelijke en politieke debat over stimuleringspremies voor mensen in de bijstand. Wij hopen dat het debat ook zal gaan over hoe stimuleringspremies kunnen bijdragen aan bestaanszekerheid, (institutioneel) vertrouwen en erkenning en waardering van mensen die vanuit de bijstand betaald gaan werken. Wij danken allereerst de Amsterdammers die bereid waren hun ervaringen en inzichten te delen.
Hun bijdragen vormen de kern van dit onderzoek. Onze collega’s van The Work Lab hebben geholpen bij het interviewen van Amsterdammers. Wij willen Anoeska Huijskes, Wander Meulemans, Floor Timmerman en Joop Zinsmeister bedanken voor hun zorgvuldige uitvoering van interviews en betrokkenheid bij het onderzoek. Voor de organisatorische ondersteuning gedurende het onderzoeksproces willen wij Ria van der Holst bedanken. Tot slot danken wij de gemeente Amsterdam en in het bijzonder Joost Bodewes, Milou Haggenburg, Hetty van Kempen, Chris Kornmann en Jens Roep voor constructieve feedback die zij gedurende het onderzoek hebben gegeven. Wij bedanken Miranda Noppert voor het begeleiden en ondersteunen van het project vanuit de gemeente. Amsterdam, januari 2026 Judith Elshout, Femke Roosma, Mathieu Portielje, Arjen de Wit, Boudewijn Goos en Hafid Ballafkih
Samenvatting
Samenvatting bevindingen en aanbevelingen Sinds 2024 krijgen Amsterdammers met een bijstandsuitkering eenmalig een uitstroompremie als ze twee maanden of langer betaald werk verrichten. De hoogte van de premie hangt af van de duur van de bijstandsperiode. Met deze premie beoogt de gemeente Amsterdammers een financiële prikkel te geven om de stap naar (deeltijd)werk te zetten. Tegelijkertijd wil de gemeente de bestaanszekerheid vergroten, zodat de stap naar (meer) betaald werk aantrekkelijker wordt. De premie maakt onderdeel uit van het ‘Iedereen Kans Op Werk’-beleid. In dit evaluatieonderzoek onderzochten we welke rol de uitstroompremie speelt in werkzoekgedrag van Amsterdammers met een bijstandsuitkering en in welke mate de uitstroompremie bijdraagt aan duurzaam betaald werk, ervaren bestaanszekerheid en (institutioneel) vertrouwen.
Belangrijkste bevindingen 1. Bekendheid met de premie Het merendeel van de respondenten met betaald werk was niet bekend met de uitstroompremie voordat ze aan het werk gingen. Ook het grootste deel van de respondenten zonder betaald werk kende de premie niet. Het merendeel is ook niet geïnformeerd door de klantbegeleider. De meesten waren pas op de hoogte nadat zij de uitstroompremie hadden ontvangen. 2. Betekenis van de uitstroompremie Aan Amsterdammers die de premie ontvangen hebben en mogelijk in de toekomst gaan ontvangen, is gevraagd wat het ontvangen van de uitstroompremie (mogelijk) voor hen betekent. Uit de interviews blijkt dat de premie voor hen op drie manieren van betekenis is: Financiële ruimte. De uitstroompremie biedt rond het transitiemoment naar werk financiële ruimte en iets meer financiële zekerheid (bestaanszekerheid) in de vorm van hulp bij directe kosten. Het vermindert hun ‘systeemstress’ (zie ook Custers, 2023). Teken van waardering. De uitstroompremie zien zij als een vorm van waardering, erkenning en beloning, en het versterkt het vangnetgevoel.
Vertrouwen in de gemeente en klantbegeleiders. De uitstroompremie premie draagt in bescheiden mate bij aan het vertrouwen in de gemeente en de klantbegeleiders. Zonder sterke persoonlijke begeleiding en een goede (vertrouwens)relatie met klantbegeleiders, blijft de uitstroompremie een kwetsbaar instrument. 3. Premie als prikkel om te werken? Omdat de meeste respondenten niet wisten dat zij de uitstroompremie zouden ontvangen, is niet vast te stellen of de premie heeft meegespeeld in hun overwegingen betaald te gaan werken. Wel is aan de respondenten die betaald zijn gaan werken of in de nabije toekomst betaald gaan werken, gevraagd welke rol de uitstroompremie in hun overwegingen speelt. De uitstroompremie blijkt via een licht toegenomen (tijdelijk) ervaren bestaanszekerheid (financiële verlichting) en vertrouwen iets te kunnen betekenen voor de motivatie om betaald te gaan werken. De resultaten laten zien dat de premie mogelijk een beperkte (en in sommige gevallen indirecte) rol speelde in motivaties om te blijven werken. De premie kent een postbeloningsmechanisme1 . Een zorgvuldig getimede premie (wanneer Amsterdammers in transitie naar betaald werk het nodig hebben) met de juiste ondersteuning kan bijdragen aan het versterken van de intrinsieke motivatie en het stimuleren van gewenst gedrag.
Een bescheiden premie, zoals de uitstroompremie, kan functioneren als katalysator wanneer deze is ingebed in een institutionele omgeving die gericht is op positieve ondersteuning bij het zetten van stappen richting de arbeidsmarkt. De premie zorgt niet direct voor activering, maar draagt wel bij aan een gevoel van veiligheid en vertrouwen. Amsterdammers ervaren dat zij meer grip hebben op hun bestaanszekerheid. Dit zorgt ervoor dat Amsterdammers met een bijstandsuitkering meer grip ervaren tijdens de transitie naar betaald werk, waardoor zij een stap durven te zetten. De intrinsieke motivatie van Amsterdammers om te gaan werken is bepalender dan de financiële prikkel van de premie (zie ook De Beer, 2024). Financiële prikkels voor mensen in de bijstand zijn mogelijk wel effectief als ze aansluiten bij hun financiële uitdagingen en ervaren risico’s. De financiële prikkel om betaald werk te verrichten versterkt dan de intrinsieke motivatie die ze vaak al hebben.
1 Het mechanisme waarbij de beloning ruim ná het gewenste gedrag, in het geval van de uitstroompremie betaald gaan werken, betekenis krijgt en niet vooraf of direct daarna.
Belangrijkste aanbevelingen De ervaringen van Amsterdammers in de bijstand laten zien dat informatievoorziening, vormgeving van de premie, uitvoeringskwaliteit en beleidscontinuïteit bepalend zijn voor de impact op motivatie, vertrouwen en de transitie naar betaald werk. De aanbevelingen sluiten hierop aan en bieden zowel input voor een strategische beleidsrichting als concrete handvatten voor een effectievere en duurzamere inzet van stimuleringspremies.
A) Meer aandacht voor en kennis over de uitstroompremie Meer kennis over de uitstroompremie is essentieel om als prikkel en motivatie te kunnen fungeren voor uitstroom naar betaald werk. Klantbegeleiders spelen hierin een cruciale rol. Voor de invoering van een stimuleringspremie is het daarom belangrijk dat zij beschikken over adequate informatie en inzicht in de potentiële werking van de premie.
B) Stem de uitbetaling van de premie af op het transitiemoment Voor de ervaren bestaanszekerheid zijn het uitbetalingsmoment en de uitvoering van de uitstroompremie van belang. De uitstroompremie heeft de meeste waarde rond het transitiemoment naar betaald werk, omdat die transitie vraagt om extra middelen en financiële zekerheid.
C) Zorg voor duurzame inbedding van stimuleringsmaatregelen Het is belangrijk dat het totale pakket aan interventies rondom uitstroom uit de bijstand een duidelijke boodschap uitstraalt: de gemeente wil mensen positief stimuleren richting betaald werk. Continuïteit en consistentie in interventiemaatregelen en contact met klantbegeleiders zijn cruciaal om intrinsieke motivatie en vertrouwen duurzaam te versterken. Snelle wisselingen in instrumenten ondermijnen de effectiviteit, terwijl frequenter, persoonlijker en op vertrouwen gebaseerd contact met klantbegeleiders de effectiviteit van premies waarschijnlijk vergroot.
Vervolgonderzoek Omdat veel Amsterdammers nog niet bekend waren met de premie voordat zij aan het werk gingen, was het effect van de uitstroompremie op duurzame uitstroom niet vast te stellen. Onderzoek over een langere tijdsperiode is nodig om te beoordelen of premies effect hebben op de langere termijn. Dat de uitstroompremie vooral functioneert als postbeloningsmechanisme en met name groepen bereikt die al dichter bij de arbeidsmarkt staan, benadrukt het belang van onderzoek over een langere tijdsperiode naar de uitwerking van stimuleringspremies onder verschillende groepen.
Inhoud
Inhoud 1
Inleiding �����������������������������������������������������������������������������12
2
Een theoretisch raamwerk ���������������������������������������������15
3
Methode �����������������������������������������������������������������������������21
4
3.1
Kwantitatieve data ����������������������������������������������������������������������������������������������������21
3.2
Kwalitatieve data �������������������������������������������������������������������������������������������������������21
Resultaten ������������������������������������������������������������������������ 25 4.1
Bevindingen uit de cijfers ���������������������������������������������������������������������������������������� 25
4.2
Bevindingen uit de interviews ���������������������������������������������������������������������������������� 37
5
Conclusie �������������������������������������������������������������������������� 56
6
Discussie ����������������������������������������������������������������������������60
7
Aanbevelingen ������������������������������������������������������������������ 63
8
Literatuur �������������������������������������������������������������������������� 67
9
Bijlage: Uitstroompremie volgens Socrates �����������������71
1
Inleiding
Inleiding
1 Inleiding Amsterdam kent zo’n 40.000 mensen met een bijstandsuitkering. Waarom zij niet aan het werk komen of werk kunnen behouden, heeft verschillende oorzaken. De oorzaken staan betaalde en onbetaalde participatie soms in de weg, zo blijkt uit eerder onderzoek (Bos et al., 2023). We weten uit onderzoek binnen het Amsterdams experiment met de bijstand dat de bijverdienpremie1 een belangrijke reden is voor mensen om (in deeltijd) te blijven werken (Bos et al., 2023). De premie ervaren zij als beloning, extraatje, ademruimte en als erkenning (ibid.). Een onderdeel van het ‘Iedereen Kans Op Werk’-beleid is om Amsterdammers met een bijstandsuitkering te stimuleren om (meer) te gaan werken. De gemeente heeft verschillende beleidsinstrumenten ontwikkeld om een duurzame uitstroom naar betaald (deeltijd)werk te bevorderen2 . De uitstroompremie is een van die instrumenten. De premie heeft een tweeledig doel: meer bestaanszekerheid door de inkomensonzekerheid te verminderen, en fungeren als financiële prikkel om betaald (deeltijd)werk te gaan verrichten. Als Amsterdammers twee maanden of langer betaald werk verrichten, ontvangen zij een uitstroompremie. De hoogte van de premie is minimaal 300 euro bij de start van deeltijdwerk of uitstroom na een bijstandsperiode tot 18 maanden.
Bij een langere bijstandsduur is de hoogte afhankelijk van hoe lang Amsterdammers bijstand hebben ontvangen. Mensen die langer dan drie jaar bijstand ontvangen, krijgen bij uitstroom eenmalig 1.000 euro. Als zij korter dan drie jaar maar langer dan 18 maanden in de bijstand zitten, krijgen ze een uitstroompremie tussen de 300 en 950 euro. De gemeente keert de premie altijd in juni en november uit. In de eerste helft van 2024 hebben ruim 1.100 bijstandsgerechtigde Amsterdammers een uitstroompremie ontvangen. Daarvan kregen 377 de premie voor gedeeltelijke uitstroom en 724 voor volledige uitstroom naar betaald werk. Dit onderzoek focust op uitstroompremie naar volledige uitstroom. De uitstroompremie zou een positief effect te hebben, maar er is nog onvoldoende inzicht in de wijze waarop mensen met een bijstandsuitkering de uitstroompremie meenemen in hun keuzeafwegingen (werkzoekgedrag) om volledig of gedeeltelijk betaald werk te gaan verrichten. De uitstroompremie is een relatief nieuw instrument dat nog niet is geëvalueerd. Het is nog onduidelijk welke gevolgen de uitstroompremie heeft voor bijstandsontvangers.
1 Bijverdienpremie is de premie die Amsterdammers met een bijstandsuitkering ontvangen als zij betaald werk in de bijstand verrichten. Zie www.amsterdam.nl/werk-inkomen/bijstandsuitkering/gaat-werken/ 2 www.amsterdam.nl/werk-inkomen/bijstandsuitkering/gaat-werken
12
Een signaal van waardering Evaluatieonderzoek kan inzicht bieden in de werking van stimuleringspremies binnen sociale uitkeringen en in effecten op bestaanszekerheid, vertrouwen in instituties en sociaal en psychologisch welzijn. Dit evaluatieonderzoek biedt inzicht in hoeverre en op welke wijze de uitstroompremie duurzame arbeidsparticipatie vergroot en de mate waarin de premie volgens mensen met een bijstandsuitkering bijdraagt aan hun bestaanszekerheid en vertrouwen in de gemeente. Een evaluatie kan bovendien waardevolle informatie opleveren over hoe de gemeente haar uitstroompremiebeleid kan afstemmen op specifieke behoeften. Met de evaluatie kan de gemeente strategische beslissingen nemen om de effectiviteit van haar beleid te vergroten en bijdragen aan langetermijndoelstellingen van sociale inclusie en bestaanszekerheid. Hiermee kan de gemeente niet alleen de impact van het huidige beleid optimaliseren, maar ook waardevolle lessen trekken voor de ontwikkeling van toekomstige stimuleringsmaatregelen. De volgende onderzoeksvraag staat centraal in het onderzoek: Welke rol speelt de uitstroompremie in het werkzoekgedrag van Amsterdammers met een bijstandsuitkering en in welke mate draagt de uitstroompremie bij aan duurzaam betaald werk, ervaren bestaanszekerheid en (institutioneel) vertrouwen?
13
2
Theorie
Een signaal van waardering
2 Een theoretisch raamwerk In Nederland kennen we tal van stimuleringsprogramma’s (zie o.a. Andriessen & Van der Veen, 2019) gericht op mensen in de bijstand. Uitstroompremies zijn een onderdeel van het stimuleringsbeleid van gemeenten. Het hoofddoel van de uitstroompremie is het bevorderen van volledige of gedeeltelijke bijstandsonafhankelijkheid door bijstandontvangers te stimuleren richting betaald werk3. Andere doelen van de premie zijn het reduceren van inkomensonzekerheid en het vergroten van de bestaanszekerheid4 . Achter de doelen gaan verschillende beleidstheorieën5 schuil. In de volgende paragrafen gaan we in op de theorieën en onderliggende mechanismen.
Stimuleren van werkzoekgedrag en uitstroom door financiële prikkels De invoering van instrumenten met positieve en negatieve financiële prikkels in de bijstand, zoals premies en sancties, is gebaseerd op de veronderstelling dat de instrumenten de uitstroom naar betaald werk bevorderen (zie o.a. Verlaat et al., 2021; Van der Klaauw en Van Ours, 2013). Het zijn beleidsmaatregelen die gericht zijn op het aantrekkelijk maken van betaald werk (making work pay) of het ontmoedigen om in de bijstand te blijven (workfare). De achterliggende principes gaan ervan uit dat financiële prikkels om betaald werk te gaan verrichten aantrekkelijker zijn dan het ontvangen van bijstand. Deze veronderstelling vindt haar oorsprong in de economische theorie van de calculerende burger, die stelt dat individuen rationele keuzes maken op basis van een kosten-batenanalyse (zie Abell, 2000). Volgens deze redenering zou de uitstroompremie de doelrationele afwegingen van mensen met een bijstandsuitkering beïnvloeden. Ze zouden op basis van een ‘rationeel’ denkproces, dat ze op basis van emoties, overtuigingen, principes en gewoontes inkleuren, komen tot een bewuste keuze om meer of volledig betaald werk te gaan verrichten. In deze redenering kan de uitstroompremie een van de factoren zijn die opweegt tegen de problemen die mensen met een bijstandsuitkering ervaren.
Betaald werk zou daarbij een hogere nutsfunctie hebben dan alternatieve vormen van tijdsbesteding. Motivationele, sociale en psychologische theorieën bieden een belangrijk aanvullend perspectief op de dominante rationeel-keuzetheorie. Voor mensen met een bijstandsuitkering spelen factoren als bestaanszekerheid, vertrouwen, autonomie en intrinsieke motivatie een grote rol bij het maken van keuzes om werk te zoeken (Bos et al., 2023; Groot et al., 2019). Uit verschillende onderzoeken (Simonse, 2024; Verlaat et al., 2021; van der Klaauw en van Ours, 2013) blijkt dat financiële prikkels, zoals de uitstroompremie, slechts beperkte effecten hebben op uitstroom uit de bijstand. Andere verklaringen benadrukken dat intrinsieke motivatie bepalender is voor een
3 Raadsbrief “Iedereen kans op werk”. 4 Gemeenteblad van Amsterdam, 7-2-2024, nummer 58005 5 Het geheel aan veronderstellingen dat aan een beleid ten grondslag ligt zie Hoogerwerf (1984).
15
Een theoretisch raamwerk duurzame overgang naar betaald werk (De Beer, 2024). De drie psychologische basisbehoeften, competentie (het gevoel een taak goed te kunnen uitvoeren), autonomie (keuzevrijheid ervaren) en sociale verbondenheid (zich verbonden voelen met anderen), spelen daarbij een centrale rol (Deci & Ryan, 2000; Ryan, 2012). Volgens deze zelfbeschikkingstheorie kan een toename in autonomie en keuzevrijheid de intrinsieke motivatie verhogen om te werken. De uitstroompremie lijkt vooral de extrinsieke motivatie te stimuleren, maar onderzoek laat ook zien (Bos et al., 2023) dat het ontvangen van een premie ook kan bijdragen aan de intrinsieke motivatie. De premie fungeert primair als een extrinsieke prikkel, maar kan tegelijkertijd ook bijdragen aan intrinsieke motivatie, doordat zij het gevoel van waardering en vertrouwen in eigen kunnen kan versterken. Literatuurreviews (zie o.a. De Boer et al., 2020; McVicar, 2020; Pattaro et al., 2022b) naar de effecten van (financiële) prikkels op het gedrag van mensen met een bijstandsuitkering leveren gemengde resultaten op. Het onderzoek laat zien dat het stimuleren van uitstroom afhankelijk is van specifieke kenmerken van de beleidsmaatregel, verschillende groepen uitkeringsontvangers en de arbeidsmarkt.
De gemengde bevindingen laten zien dat financiële prikkels vooral in combinatie met intensieve re-integratieondersteuning een duurzamer effect hebben (zie o.a. Van Echtelt et al., 2023; Portielje & Elshout, 2023; Tudjman et al., 2023). Wanneer er sprake is van dit soort sociale investeringen (social investment), ervaren mensen meer vrijheid en autonomie (Groot et al., 2019). Dit kan zorgen voor meer intrinsieke motivatie en duurzame gedragsverandering, zoals positief werkzoekgedrag (zie o.a. Van Echtelt et al., 2019). De uitstroompremie kan mensen aanmoedigen om meer, volledig of sneller betaald werk te gaan verrichten. Zonder intensieve re-integratieondersteuning kunnen premies tegelijkertijd de motivatie om te werken ondermijnen. Daarmee kunnen premies zonder reintegratieondersteuning alsnog duurzame arbeidsparticipatie op de langere termijn in de weg staan (zie o.a. Deci & Ryan, 2000). Hierdoor kunnen de verborgen kosten voor de gemeente en de uitkeringsontvangers hoger zijn dan de opbrengsten van de uitstroompremie.
De rol van informatie in het maken van keuzes Bij het maken van keuzes speelt informatie een belangrijke rol. Mensen baseren hun beslissingen vaak op wat ze (denken te) weten en maken soms onbewust keuzes, met weinig tot geen informatie, zonder de informatie volledig te begrijpen, of zonder alle gevolgen van de keuze te overzien. Weber (1987) beschreef dit als niet-rationeel, een soort restcategorie waarin beslissingen vallen die niet doelgericht of waardengericht gemotiveerd zijn. In deze categorie is het handelen vaak een impulsieve reactie op omstandigheden waarbij een duidelijke afweging ontbreekt: er is geen rationele relatie tussen premie en gedrag.
16
Een signaal van waardering De evaluatie van de Participatiewet (Van Echtelt et al., 2023) laat zien dat veel mensen in de bijstand zich niet volledig bewust zijn van alle opties die ze hebben om hun situatie te verbeteren. Dit kan te wijten zijn aan een gebrek aan voorlichting vanuit instanties, maar ook aan een informatieoverload of bureaucratische complexiteit (Bos et al., 2023), waardoor mensen overweldigd raken. Hierdoor maken ze mogelijk keuzes die niet optimaal zijn voor hun situatie, simpelweg omdat ze niet over de juiste of volledige informatie beschikken. Mensen in de bijstand bevinden zich in een kwetsbare positie en worden vaak geconfronteerd met ingewikkelde keuzes die betrekking hebben op meer dan alleen financiële zekerheid. Uit eerder onderzoek (Bos et al., 2023) weten we dat klantbegeleiders een belangrijke rol spelen in het informatieproces richting mensen met een bijstandsuitkering. De informatie die mensen krijgen en de manier waarop zij die percipiëren en verwerken, speelt een belangrijke rol bij de keuzes (Verlaat et al., 2021). Hoewel een klantbegeleider of gemeente mensen met een bijstandsuitkering kan informeren, is het goed mogelijk dat de informatie onvoldoende, onduidelijk en complex is, waardoor ruis ontstaat over de uitstroompremie.
Dit kan leiden tot het uitblijven van weloverwogen beslissingen, vooral wanneer aan keuzes of het uitblijven daarvan geen gevolgen zijn verbonden. Voor de uitstroompremie zou dat betekenen dat deze een bijkomstigheid is waar geen keuzes aan verbonden zijn.
Bestaanszekerheid door meer grip Mensen met een bijstandsuitkering zijn voortdurend bezig met hun beperkte middelen. Schaarste zorgt ervoor dat zij vaak weinig verandering willen, omdat zij bang zijn om controle te verliezen (Kampen, 2022). Armoede en schaarste, en de stress die daaruit voortvloeit, zorgen voor vermindering van cognitieve hulpbronnen (Mullainathan & Shafir, 2013). Hierdoor ontwikkelen bijstandsgerechtigden verschillende kortetermijnstrategieën die ervoor zorgen dat er weinig cognitieve ruimte overblijft om langetermijnkeuzes te maken. Alles is gericht op ‘overleven’. Deze cognitieve belasting verzwakt gevoelens van grip op bestaanszekerheid. Bestaanszekerheid definiëren6 wij als een ervaren toestand waarin een individu of huishouden het gevoel heeft over voldoende middelen te beschikken om in de basisbehoeften te voorzien, zoals onderdak, voedsel, gezondheidszorg en sociale participatie, die voor een menswaardig bestaan zorgen. Het begrip omvat niet alleen financiële zekerheid, maar ook toegang tot andere hulpbronnen die maatschappelijke participatie mogelijk maken. De uitstroompremie zou door het gedeeltelijk compenseren van onder andere het lager uitvallen van toeslagen en door het tijdelijk verhogen van het inkomen zorgen voor meer grip op ervaren bestaanszekerheid. Grip7 verwijst naar de mate waarin mensen door hun eigen handelen invloed kunnen uitoefenen
6 Gebaseerd op Goderis & Verbeek-Oudijk (2024). 7 Op te vatten als gevoel van persoonlijke controle over het eigen leven.
17
Een theoretisch raamwerk op belangrijke uitkomsten in hun leven (WRR-102, 2020). Grip fungeert als de sleutel tussen persoonlijke onzekerheid en maatschappelijk onbehagen: als mensen weinig grip ervaren op hun bestaanszekerheid, voelen ze zich kwetsbaar en ontwikkelen zij eerder negatieve beelden over politieke instituties, gemeentelijke instellingen en maatschappelijke thema’s (zie o.a. WRR-108, 2023). Grip speelt daarom een belangrijke rol in het begrijpen van onzekerheid en maatschappelijk onbehagen (Tiemeijer & Keizer, 2023), maar zeker ook in het begrijpen waarom mensen met een bijstandsuitkering bepaalde keuzes maken. Grip op bestaanszekerheid bij mensen met een bijstandsuitkering gaat ook over grip op de transitie naar betaald werk (Bos et al., 2023; WRR-102, 2020). Onderzoek laat zien dat mensen zich zorgen maken over de duurzaamheid van hun aanstelling en hun inkomen als zij volledig of gedeeltelijk gaan werken (Bos et al., 2023). Vanuit een ‘werk moet lonen’-perspectief, zou betaald werk de bestaanszekerheid verhogen. Onderzoek (Bos et al., 2023; Kampen, 2014) laat zien dat verschillende regels die bijvoorbeeld gericht zijn op inkomenskortingen, inkomstenverrekeningen en terugkeerbarrières ervoor zorgen dat mensen met een bijstandsuitkering terughoudend reageren op activeringsmaatregelen.
De meeste maatregelen brengen in de beleving van mensen veranderingen met zich mee die hun bestaanszekerheid onder druk zetten, hoe beperkt die bestaanszekerheid soms ook is. Betaald werk verrichten betekent voor hen een relatief zekere en stabiele bijstandsuitkering ‘opgeven’ voor een onzeker en instabiel inkomen. Die onzekerheid verhindert sommige mensen er zelfs van hun recht op sociale bijstand en andere premies op te eisen (zie SZW, 2021). De transitie naar werk veroorzaakt financiële stress die nauw samenhangt met verhoogde niveaus van angst en depressie, wat vervolgens besluitvorming bemoeilijkt (Simonse, 2024; WRR-108, 2023). Deze systeemstress (Custers, 2023) is in aanvulling op de daadwerkelijke bestaanszekerheid een belangrijke beperking in de uitstroom naar werk, die door de uitstroompremie verzacht zou kunnen worden. De uitstroompremie zou als financiële ondersteuning bijdragen aan het verminderen van zorgen over de transitie naar betaald werk (minder systeemstress), omdat de uitstroompremie een mogelijk inkomensverlies compenseert (dempend effect).
Vertrouwen: integriteit, inlevingsvermogen en competentie De uitstroompremie kan impact hebben op het vertrouwen dat Amsterdammers met een uitkering hebben in de gemeente, en Werk Participatie en Inkomen (WPI) en klantbegeleiders in het bijzonder. Vertrouwen gaat over de verwachtingen van mensen ten aanzien van de intenties en competenties van de gemeente en de vertegenwoordigers daarvan (Kremer, 2022; Möllering, 2005). Vertrouwen in instituties, zoals de gemeente en klantbegeleiders, is vaak gebaseerd op drie dimensies (Kremer, 2022, Mayer et al., 1995; Norris, 2022).
18
Een signaal van waardering Allereerst is het voor vertrouwen belangrijk dat mensen zien dat de gemeente handelt met integriteit (heeft de gemeente volgens de Amsterdammer de juiste bedoelingen?). Zo vertrouwen mensen met een uitkering erop dat klantbegeleiders eerlijk en oprecht handelen. Ten tweede vinden mensen met een uitkering het belangrijk dat zij gezien en serieus genomen worden. Het gaat hier om responsiviteit of inlevingsvermogen van de gemeente. Ze verwachten dat de klantbegeleider luistert en op een betrokken wijze reageert (heeft die klantbegeleider oog voor mijn situatie?). Tot slot bestaat de verwachting dat gemeenten beschikken over competentie (Kremer, 2022; Mayer et al., 1995; Norris, 2022) om de benodigde vaardigheden en middelen in te zetten om burgers verder te helpen. Hier gaat het om vertrouwen in de deskundigheid en ondersteuning van de gemeente. Onderzoek laat zien dat mensen vaak wel geloven in de goede bedoelingen van gemeenten, maar dat mensen even kritisch zijn op het inlevingsvermogen en de competentie (Amagir & Kremer, 2024). Vertrouwen hangt af van diverse factoren en omstandigheden, waaronder persoonlijkheid, cognitieve vaardigheden, opleidingsniveau, directe en indirecte ervaringen met de semioverheid en de overheid.
Dit loopt uiteen van relaties en specifieke situaties, via hoe de overheid en de samenleving mensen bejegent, tot de daadwerkelijke prestaties van de overheid (zie Kampen, 2014; Simonse, 2024; Verlaat et al., 2021, Norris, 2022). Stimuleringspremies zoals de uitstroompremie kunnen het vertrouwen beïnvloeden. Het is de vraag in hoeverre mensen de uitstroompremie zien als een signaal van integriteit, responsiviteit en competentie.
19
3
Een theoretisch raamwerk
Methode
20
Een signaal van waardering
3 Methode Het onderzoek bestaat uit een kwantitatief en een kwalitatieve deel. Het kwantitatieve geeft inzicht in de samenstelling van de groep Amsterdammers die de uitstroompremie heeft ontvangen. Het kwalitatieve dat bestaat uit diepte-interviews geeft inzicht in percepties en afwegingen van Amsterdammers die de uitstroompremie hebben ontvangen of daarvoor in aanmerking komen.
3.1 Kwantitatieve data Om een compleet beeld te krijgen van de kenmerken van Amsterdammers die de uitstroompremie hebben ontvangen, zijn gegevens geanalyseerd uit de administratie van gemeente Amsterdam. De geanonimiseerde dataset1 (n= 3469 ) bevat enkel gegevens over Amsterdammers die zijn uitgestroomd in de periode van november 2024 tot en met juni 2025, een periode waarin de uitstroompremie werd uitgekeerd. In de dataset zitten gegevens over onder andere de hoogte van de uitstroompremie, de reden van in- en uitstroom, en achtergrondkenmerken als sekse, leeftijd, opleidingsniveau en huishoudsamenstelling. In de kwantitatieve analyse gaan we in op samenstelling van de dataset. De kwantitatieve data zijn geanalyseerd. De analyses laten geen uitspraken toe over de effectiviteit van de uitstroompremie op uitstroom, omdat hiervoor zowel pre-interventiedata als gegevens van een vergelijkingsgroep van Amsterdammers die niet zijn uitgestroomd naar betaald werk noodzakelijk zijn. Wel geven deze analyses een breed overzicht van de uitstroompremie in deze periode.
3.2 Kwalitatieve data Naast de kwantitatieve data zijn er 322
semigestructureerde interviews gehouden met
Amsterdammers zonder en met betaald werk, en met Amsterdammers die wel of (nog) geen premie hebben ontvangen. Een deel van de Amsterdammers die een bijstandsuitkering ontvangen of recent zijn uitgestroomd, heeft van de Gemeente Amsterdam een brief ontvangen met het verzoek om aan het onderzoek mee te werken (in totaal 4000 personen). Er zijn drie groepen benaderd: (1) Amsterdammers die volgens klantbegeleiders kans maakten om betaald werk te vinden,
1 De set bevat geen informatie waarmee Amsterdammers die zijn uitgestroomd te identificeren zijn of te herleiden is tot individuele personen. 2 Onderzoek (Boddy, 2016; Marshall et al., 2013) laat zien dat binnen dit aantal vaak verzadiging optreedt.
21
Methode (2) Amsterdammers waarvan bekend was dat ze op korte termijn zouden uitstromen, en (3) Amsterdammers die waren uitgestroomd. Amsterdammers met een grotere afstand tot de arbeidsmarkt zijn niet meegenomen in dit onderzoek, omdat uitstroom naar betaald werk volgens hun klantbegeleider (nog) niet reëel is. In totaal hebben 116 mensen zich aangemeld voor het onderzoek. Daarvan zijn ruim 73 respondenten benaderd voor een interview. In totaal zijn 32 mensen geïnterviewd. Door verschillende aanmeldgolven is de selectie op volgorde uitgevoerd. Respondenten die zich hadden opgegeven maar niet bereikbaar waren, zijn na drie belpogingen van de aanmeldlijst verwijderd. Wanneer interviews bij respondenten vanwege een te grote taalbarrière niet konden plaatsvinden of omdat zij niet op de afspraak verschenen en niet meer bereikbaar waren, zijn andere respondenten van de aanmeldlijst benaderd. Amsterdammers die de premie hebben ontvangen kunnen iets zeggen over de mogelijke rol die de premie heeft gespeeld in hun overwegingen en hoe zij het ontvangen van de premie hebben ervaren.
Zijn zij bijvoorbeeld eerder aan het werk gegaan door het vooruitzicht van het ontvangen van een premie? Welke betekenis heeft de premie voor hen (gehad)? Amsterdammers die de premie nog niet hebben ontvangen kunnen inzicht geven in de mogelijke rol die de uitstroompremie speelt, of kan spelen, in hun overwegingen om (meer) te gaan werken, welke barrières de uitstroom belemmeren en of de uitstroompremie helpt om de barrières te overkomen.
Kenmerken van de respondentgroep Van 32 geïnterviewde respondenten hebben 15 geen betaald werk en 17 respondenten hebben wel betaald werk. Twee respondenten van rond de vijftig jaar ontvangen geen bijstand meer terwijl ze er wel recht op hebben. Ze hebben de bijstand zelf stopgezet omdat ze geen verantwoording meer wilden afleggen aan de gemeente. Eén van hen werkt een aantal uur in de week in een winkel en leeft verder zuinig en de andere respondent leeft van een kleine ziektewetuitkering en zegt niet veel nodig te hebben. De meeste werkenden, elf Amsterdammers, hebben de premie ontvangen en vier weten dat zij een bedrag gaan ontvangen. Eén respondent werkt maar ontvangt geen bijstand en premie. En één van de werkende respondenten weet niet of hij de premie heeft ontvangen, omdat hij er nog nooit van heeft gehoord. Sommige respondenten verwachten snel een baan te krijgen omdat zij in een (omscholings)traject zitten. Zij ontvangen dus mogelijk in de nabije toekomst een premie. In totaal zijn 17 vrouwen en 15 mannen geïnterviewd. De helft van het totale aantal respondenten valt in de leeftijdscategorie 20 tot 40 en de andere helft in de categorie vanaf 40 tot 60. We
22
Een signaal van waardering hebben geen respondenten gesproken die ouder zijn dan 58. De jongste respondent is 24. Sommige respondenten zaten relatief lang (langer dan vijf jaar) in de bijstand, en anderen relatief kort. De periode waarin mensen bijstand ontvangen of ontvingen verschilt van een paar maanden tot twintig jaar met onderbrekingen vanwege tijdelijk werk. De omstandigheden en leefsituaties van de respondenten verschilt. Zo omvat de groep respondenten zowel alleenstaanden als mensen met een partner, en zowel personen met en zonder thuiswonende kinderen. Sommige respondenten zijn relatief recent afgestudeerd en kunnen geen baan vinden. Weer anderen zijn een aantal jaar geleden naar Nederland gekomen en leren de Nederlandse taal. Onder de respondenten van relatief jong tot ouder bevinden zich mensen die te maken hebben of hebben gehad met psychische en fysieke uitdagingen. Velen beschreven een geschiedenis met periodes van betaald werk en onbetaald werk vanwege omstandigheden zoals intensieve mantelzorg. Ze hebben allerlei soorten betaald werk (gehad); in de zorg, de IT, het onderwijs, en de schoonmaak.
23
4
Resultaten
24
Methode
Een signaal van waardering
4 Resultaten Dit hoofdstuk combineert kwantitatieve analyses van uitstroom met kwalitatieve inzichten uit interviews. Samen laten deze zien hoe de premie samenhangt met uitstroompatronen en hoe Amsterdammers die de overstap naar betaald werk maakten de premie ervaren en duiden.
4.1 Bevindingen uit de cijfers Door gebruik te maken van gemeentelijke data is een cijfermatig beeld geschetst van de kenmerken van mensen met een bijstandsuitkering die de uitstroompremie hebben ontvangen. De analyse is gebaseerd op een momentopname (periode november ‘24 - juni ’25), zoals toen beschikbaar bij de gemeente. De cijfers weerspiegelen daarmee de stand van zaken op een moment. Latere uitkeringen, correcties en aanvullingen zijn geen onderdeel van de dataset (voor een recent en exact overzicht zie bijlage A).
Ontvangst uitstroompremie Het aantal personen dat de uitstroompremie heeft ontvangen is 3432. Daarvan hebben 37 mensen de premie twee keer ontvangen, omdat ze zijn teruggevallen en opnieuw zijn uitgestroomd. De premie is tussen november ‘24 en juni ‘25, in vier betalingstermijnen, 3469 keer uitgekeerd. De gemiddelde leeftijd van de ontvanger is 37,2 jaar (SD = 11,6). De leeftijdsverdeling onder mannen en vrouwen is vrijwel gelijk, mannen zijn gemiddeld 37,1 jaar oud (SD = 11,7) en vrouwen 37,4 jaar (SD = 11,5), zie Figuur 1. De verdeling van het opleidingsniveau onder ontvangers van de uitstroompremie laat zien dat de grootste groep een middelbaar opleidingsniveau heeft (34,8%). Daarnaast heeft ongeveer een even groot aandeel een laag (basis) (23,1%) als een hoger opleidingsniveau (22,2%). Een vijfde van de respondenten (19,8%) valt in de categorie onbekend. De verdeling van het opleidingsniveau naar geslacht laat enkele verschillen zien. Onder mannen heeft 25,3% een basisonderwijsniveau, tegenover 19,8% van de vrouwen. Vrouwen zijn daarentegen iets vaker middelbaar opgeleid (39,1% tegenover 32,0% bij mannen). Het aandeel hoger opgeleiden is identiek voor beide groepen (22,2%). Deze verdeling suggereert dat vrouwen die de premie hebben ontvangen gemiddeld iets hoger zijn opgeleid dan mannen, vooral doordat zij vaker over een middelbaar opleidingsniveau beschikken.
Het verschil in het aandeel hoger opgeleiden tussen mannen en vrouwen is echter nihil.
25
Resultaten n= 2102
n= 1367
61%
39%
70
60
gem. leeftijd
gem. leeftijd
leeftijd
37
37
50
46
45
35
30
Opleidingsniveau 19,8% Basis
Opleidingsniveau 25,3% Basis
40
28
36
Praktisch
32,0%
Praktisch
39,1%
Theoretisch
22,2%
Theoretisch
22,2%
Onbekend
20,5%
Onbekend
18,9%
28
20
10
Man
Vrouw Figuur 1: Leeftijd en opleidingsniveau naar sekse
De uitstroompremie De hoogte van de premie is minimaal 300 euro bij de start van deeltijdwerk of uitstroom na een bijstandsperiode tot 18 maanden. Bij een langere bijstandsduur is de hoogte afhankelijk van hoe lang Amsterdammers bijstand hebben ontvangen. Amsterdammers die korter dan drie jaar een bijstandsuitkering hebben ontvangen, krijgen op basis van de bijstandsduur tussen de 300,- en 950,- euro. Amsterdammers die langer dan drie jaar bijstand hebben ontvangen, krijgen eenmalig maximaal 1.000, - euro. De uitstroompremie is tot juni 2025 vier keer uitgekeerd. De gemeente keert eens per halfjaar de premie uit. Amsterdammers die twee maanden of langer volledig of gedeeltelijk de bijstand hebben verlaten, krijgen de premie. In juni 2024 hebben 115 personen de premie ontvangen en in november 2024 is dat gestegen naar 1488. Het aantal dat de premie heeft ontvangen in de periode december 2024 tot juni 2025, is met 780 significant lager dan in de periode tussen juni en november 2024 (Figuur 2). Van juni 2024 tot juli 2025 is 1.862.285 euro aan premies uitgekeerd (zie bijlage A). De gemiddelde premie bedraagt 537 euro, terwijl de mediaan op 300 euro ligt. De spreiding in de premie is aanzienlijk (SD = 316), wat duidt op grote verschillen in de hoogte van de uitgekeerde bedragen tussen uitstromers. De meesten (59%) hebben een premie van 300 euro of minder ontvangen (Figuur 3).
Van de uitstromers heeft 28% de volledige premie van 1.000, - euro
26
Een signaal van waardering
Aantal keer premie uitgekeerd per periode 1500
Aantal
1000
500
0
2024 Juni
2024 November
2025 Januari
2025 Juni
Figuur 2: Aantal uitstroompremies per periode
Verdeling uitstroompremie
Aantal personen
2000
1500
1000
59%
28%
500
12% 0 ≤ € 300
€ 301-999
Figuur 3: Aantal uitstroompremies naar hoogte van de premie
27
€ 1000
Resultaten ontvangen. De kans op het ontvangen van meer dan 300 euro aan uitstroompremie varieert naar leeftijd en huishoudsamenstelling. Dit geldt voor zowel mannen als vrouwen. De kans op een uitstroompremie van 300 euro of meer is het hoogst bij paren met kinderen en alleenstaande ouders (Figuur 4).
Omvang uitstroompremie naar huishoudsamenstelling
Paar zonder kinderen
43,9%
Paar met kinderen
36,0%
56,1%
64,0% ≤ 300 €
Alleenstaande ouder
62,8%
37,2%
65,3%
Alleenstaande
0
10
20
30
300 -1000 €
34,7%
40
50
60
70
80
90
100%
Figuur 4 : Huishoudsamenstelling naar hoogte uitstroompremie
Onder mannen komt een premie van 300 euro iets vaker voor dan onder vrouwen (Tabel 1). De verschillen tussen leeftijdsgroepen zijn groter: onder jongeren (<27 jaar) is een premie van 300 euro of minder verreweg het meest voorkomende bedrag (83%), terwijl dat onder Amsterdammers van 45 jaar tot de AOW-leeftijd minder dan de helft is (45%). Dit is te verklaren doordat het aantal jaren in de bijstand samenhangt met leeftijd.
Tabel 1: Hoogte uitstroompremie naar geslacht en leeftijd (%) Hoogte uitstroompremie
Totaal 59,4
Geslacht Man Vrouw 61,4 56,3
<27 83,3
Leeftijd 27-45 45+ 57,6 45,2
300 euro 301 - 999 euro
12,4
13,1
11,3
10,4
13,8
11,1
1000 euro
28,2
25,5
32,3
6,3
28,6
43,8
28
Een signaal van waardering
Reden van in- en uitstroom Van de Amsterdammers die een uitstroompremie hebben ontvangen, kwam de instroom in de bijstand vooral door arbeidsmarktgerelateerde oorzaken (Tabel 2), zoals het einde van werk of een uitkering (58%). Deze reden komt iets vaker voor bij vrouwen (61%) dan bij mannen (57%). Bij 24% van de instroom is sprake van wegvallende of onvoldoende inkomsten. Van de mannen stroomt 27% in met deze reden, bij de vrouwen is dat 20%. Administratieve of beleidsmatige redenen verklaren 10% van de instroom. Van de mannen stroomt 10% in met deze reden, tegenover 9% bij vrouwen. De categorieën migratie of verblijf (2%), persoonlijke of relationele redenen (1%) en overige oorzaken (5%) komen minder vaak voor. De instroomredenen naar leeftijd laten zien dat ‘einde werk of uitkering’ voor alle leeftijdsgroepen de belangrijkste instroomroute vormt. Jongeren onder de 27 jaar stromen echter relatief het vaakst via deze route in (61,2%). Dit komt mogelijk door de tijdelijke, flexibele of onzekere arbeid die jongeren verrichten om financieel zelfstandig te worden, waardoor het wegvallen van werk direct leidt tot een beroep op ondersteuning (zie ook Nationale ombudsman, 2022). Voor de groep tussen 27 en 45 jaar blijft beëindiging van werk de belangrijkste instroomreden (58,1%), maar bij deze groep valt op dat het wegvallen of een te laag inkomen relatief vaak voorkomt (26,6%).
Dit duidt op inkomensdruk bij middenvolwassenen, bijvoorbeeld door deeltijdwerk, wisselende opdrachten of lasten die door gezinsverantwoordelijkheden kunnen toenemen. Bij de groep 45 jaar en ouder speelt de beëindiging van werk een grote rol (57,1%), maar bij deze leeftijdsgroep is het aandeel administratieve en beleidsmatige redenen en overige redenen hoog (samen 20%). Dit wijst op complexere instroomsituaties bij oudere instromers.
Tabel 2: Instroomreden naar geslacht en leeftijd (%) Instroomreden
Totaal
Einde werk/uitkering Wegvallen of te laag inkomen Administratieve of beleidsmatige reden Migratie/verblijf Persoonlijke of relationele reden Overige
58,5 24,2 9,5 2,2 0,8 4,8
Geslacht Man 57,1 26,8 10,0 2,2 0,9 2,9
Vrouw 60,5 20,1 8,7 2,3 0,7 7,8
Leeftijd <27 61,2 24,6 11,2 2,6 0,3 0,0
27-45 58,1 26,6 8,4 2,2 0,9 3,8
45+ 57,1 19,0 10,4 2,1 1,0 10,4
De meeste Amsterdammers die de premie hebben ontvangen, stromen uit naar loondienst (89,2%), gevolgd door zelfstandig ondernemerschap (8,6%). In beperkte mate stromen mensen uit naar gesubsidieerd werk (2%). Jongeren tot 27 jaar stromen daarbij het meest uit richting loondienst (94,4%), wat aansluit bij hun relatief sterke en flexibele arbeidsmarktpositie. Ook komt deze uitstroomcategorie vaker voor onder vrouwen dan onder mannen (92,3% versus 87,3%). Zelfstandig ondernemerschap als uitstroomroute komt duidelijk minder vaak voor (8,6%) en wordt relatief vaker door mannen gekozen. De gemiddelde leeftijd binnen deze groep ligt iets
29
Resultaten hoger, wat kan wijzen op het benutten van werkervaring en netwerken. Gesubsidieerd werk komt het minst voor (2,1%) en is het hoogst onder 45-plussers. Er is een aanzienlijk verband gevonden tussen uitstroomreden en leeftijdscategorie1, wat suggereert dat jongeren vaker via regulier werk uitstromen uit de bijstand en 45-plussers vaker uitstromen via zelfstandig ondernemerschap en gesubsidieerd werk.
Tabel 3: Uitstroomreden naar geslacht en leeftijd (%) Geslacht Uitstroomreden Totaal Man Vrouw
<27
27-45
45+
Loondienst
89,3
87,3
92,3
94,4
88,3
87,3
Zelfstandig ondernemer
8,6
10,3
5,9
4,5
10,1
8,7
Gesubsidieerd werk
2,1
2,4
1,8
1,2
1,6
4,0
Leeftijd
Het is interessant om te kijken hoe de reden van uitstroom samenhangt met de reden waarom Amsterdammers eerder zijn ingestroomd. Bij zowel einde werk/uitkering als wegvallen of te laag inkomen, stroomt het overgrote deel uit naar werk in loondienst (respectievelijk 90% en 89%). Het aandeel dat uitstroomt naar gesubsidieerde arbeid is laag (2% en 1%), wat erop wijst dat voor deze instroomredenen een tussenstap via een gesubsidieerd werk2 minder vaak nodig is (zie Tabel 4).
Tabel 4: Reden van uitstroom naar reden van instroom (%) Reden instroom
Loondienst
Zelfstandig
Gesubsidieerd
Einde werk/uitkering
90,0
7,8
2,2
Wegvallen of te laag inkomen
89,4
9,2
1,4
Administratieve of beleidsmatige reden
87,6
10,0
2,4
Migratie/verblijf
89,7
9,0
1,3
Persoonlijke of relationele reden
85,2
14,8
0,0
Overige
82,0
12,6
5,4
Periode voor uitstroom Het gemiddelde aantal dagen dat mensen die de uitstroompremie hebben ontvangen in de bijstand zitten is, 988 dagen (Tabel 5), wat neerkomt op ongeveer 2,7 jaar. De spreiding van 1439,3 dagen wijst op een aanzienlijk verschil in de duur dat de premieontvangers bijstand hebben ontvangen. Sommigen zitten enkele dagen in de bijstand, terwijl anderen langer dan 1 χ² 2 Gesubsidieerd werk wordt sinds begin 2024 nauwelijks nog ingezet als instrument binnen de gemeente Amsterdam. Tussen 2024 en 2025 zijn gemeentebreed naar schatting ongeveer 20 personen gestart via de Werkbrigade en ongeveer 15 via een Buurtbaan
30
Een signaal van waardering 20 jaar in de bijstand hebben gezeten. Van de mensen die de uitstroompremie hebben ontvangen, heeft 25% minder dan 124 dagen bijstand gezeten, 50% heeft minder dan 366 dagen in de bijstand gezeten. De bijstandsduur van de premieontvangers is op te delen in ongeveer drie gelijke groepen. De groep die minder dan een halfjaar in de bijstand heeft gezeten (34%), de groep die tussen een halfjaar en twee jaar in de bijstand heeft gezeten (30,4%) en de groep die langer dan twee jaar in de bijstand heeft gezeten (35,8%).
Tabel 5: Dagen in de bijstand Dagen < 183
183-548
549-730
730>
Gem.a)
SD. b)
25pcc) 50pcc) 75pc c)
33,8
16,2
14,2
35,8
988
1439,3
124
366
1263
a) Gemiddelde, b) standaarddeviatie, c) Percentiel
De duur in de bijstand laat duidelijke verschillen zien tussen leeftijdsgroepen (Tabel 6). Jongeren onder de 27 jaar ontvangen vaak korter dan een half jaar bijstand (51%), wat erop wijst dat de uitstroom in deze groep relatief hoog is. Naarmate de leeftijd toeneemt, neemt de verblijfsduur in de bijstand toe; bij de groep van 45 jaar of ouder stroomt 25% binnen een halfjaar uit. Tegelijkertijd komt langdurige (3 jaar of langer) bijstandsafhankelijkheid veel vaker voor bij de groep van 45 jaar of ouder (43,6%) dan bij jongeren (6,1%). Personen tussen 27-45 jaar bevinden zich overwegend in het middensegment, met zowel kortere als langere bijstandsafhankelijkheid. Onder personen die drie jaar of langer in de bijstand zaten, is het aandeel vrouwen groter. Tussen mannen en vrouwen zijn de verschillen kleiner. Vrouwen hebben iets vaker langdurige bijstand (32,4% tegenover 25,1%), wat kan samenhangen met zorgtaken of een beperktere arbeidsmarktpositie, zoals minder recente werkervaring.
Tabel 6: Jaren in de bijstand naar geslacht en leeftijd, in (%) Totaal Jaren in de bijstand
Geslacht
Leeftijd
Man
Vrouw
<27
27-45
45>
< 0,5 jaar
33,8
34,7
32,5
51,2
32,0
24,6
0,5-1 jaar
16,2
17,0
14,9
20,9
15,7
13,6
1-2 jaar
14,2
14,8
13,3
15,3
15,2
11,5
2-3 jaar
7,8
8,4
6,9
6,6
8,7
6,8
3 jaar >
28,0
25,1
32,4
6,1
28,4
43,6
31
Resultaten
Huishoudsamenstelling Het merendeel van degenen die een uitstroompremie hebben ontvangen, had een uitkering als alleenstaande (79%). Dit aandeel is duidelijk hoger bij mannen (88%) dan bij vrouwen (64%). Vrouwen hebben juist veel vaker een uitkering als alleenstaande ouder (30,9% tegenover 1,2% bij mannen), wat samenhangt met de grotere rol die vrouwen vervullen in de zorg voor kinderen. Zo hebben jongeren onder de 27 jaar vrijwel altijd een uitkering als alleenstaande (95%), wat past bij hun levensfase waarin nog weinig huishoudensvorming plaatsvindt. In de groep van 27 jaar of ouder komt relatief vaker een paar met kinderen voor (9%), wat aansluit bij langere relatie- en gezinsvormingsduur.
Tabel 7: Uitkeringstype naar geslacht en leeftijd (%) Uitkeringstype Uitkeringstype
Totaal
Leeftijd
Geslacht Man Vrouw
<27
27-45
45>
Alleenstaande
78,5
88,1
63,8
94,5
75,3
73,0
Alleenstaande ouder
12,9
1,2
30,9
4,5
15,7
13,7
Paar met kinderen
6,2
7,7
3,8
0,4
7,1
8,7
Paar zonder kinderen
2,4
2,9
1,5
0,6
1,9
4,6
Bijverdienpremie Voorafgaand aan de uitstroompremie, die ontvangen wordt na duurzame uitstroom, kunnen Amsterdammers ook een bijverdienpremie ontvangen als zij werken terwijl zij nog in de bijstand zitten. Van de uitgestroomde Amsterdammers heeft 40% (n=1391) vóór het uitstromen een bijverdienpremie ontvangen (zie Tabel 8). Zij hadden naast hun uitkering inkomsten3. Hierin zijn vrijwel geen verschillen naar geslacht en leeftijd. De groep van 45 jaar en ouder heeft iets vaker een bijverdienpremie ontvangen, maar de verschillen zijn niet groot.
Tabel 8: Bijverdienpremie naar geslacht en leeftijd (%) Totaal
Geslacht Man Vrouw
Leeftijd <27 27-45 45>
Wel ontvangen
40,1
40,0
40,2
39,9
39,6
41,2
Niet ontvangen
59,9
60,0
59,8
60,1
60,4
58,8
Bijverdienpremie
3 De premie bedraagt 30 procent van de netto-inkomsten uit werk, met een maximum van € 272 per maand.
32
Een signaal van waardering
De kans op het ontvangen van de bijverdienpremie verschilt naar huishoudsamenstelling (Figuur 5). Zowel bij mannen als bij vrouwen is de kans het hoogst voor paren met kinderen en het laagst voor paren zonder kinderen. Paren met kinderen ontvangen de premie het vaakst (58%), gevolgd door alleenstaande ouders (43%) en alleenstaanden (38%). Paren zonder kinderen ontvangen de premie het minst vaak (35%). Vooral gezinnen met kinderen maken gebruik van de bijverdienregeling.
Bijverdienpremie naar huishoudsamenstelling
35,4
Paar zonder kinderen
64,6 58,4
Paar met kinderen
41,6 Wel premie ontvangen
Alleenstaande ouder
43,0
57,0
Alleenstaande
38,3
61,7
0
20
40
60
Geen premie ontvangen
80
100%
Figuur 5: Bijverdienpremie naar huishoudsamenstelling
Van 2024 tot juni 2025 hebben de ontvangers van de bijverdienpremie gemiddeld 2,2 maanden bijverdienpremie ontvangen. Het gemiddelde bedrag over de periode is 741 euro (SD = €1.099). Ongeveer 33% heeft in deze periode een totaalbedrag van minder dan 150 euro ontvangen. De grootste groep (34%) heeft over de periode een totaalbedrag ontvangen tussen 150 en 600 euro. Een vergelijkbaar deel (33%) heeft over de periode meer dan 600 euro ontvangen. De omvang van de bijverdienste verschilt naar huishoudsamenstelling (Figuur 6). Paren, zowel met kinderen (69%) als zonder (58%), hebben relatief vaak een hoge bijverdienste (meer dan 600 euro). De lage (minder dan 150 euro) en middencategorie komen daarentegen aanzienlijk vaker voor onder alleenstaande ouders en alleenstaanden. Dit komt mogelijk doordat paren over meer werkmogelijkheden en inkomensbronnen beschikken4, waarmee ze hogere bijverdiensten kunnen realiseren dan huishoudens met één volwassene.
4 Samenwonenden ontvangen een hogere bijstandsuitkering en moeten daardoor aanzienlijk meer verdienen (ongeveer 50% meer) om volledig uit te stromen. Ook bij drie tot vier dagen deeltijdwerk blijft vaak recht bestaan op aanvullende bijstand.
33
Resultaten
Hoogte bijverdienpremie naar huishoudsamenstelling
Paar zonder kinderen
11,5
Paar met kinderen
9,4
30,8
57,7
21,7
68,9
<150 € 150-600 €
Alleenstaande ouder
31,5
Alleenstaande
36,1 0
20
31,5
37,1
36,1 40
27,8 60
80
Figuur 6: Hoogte bijverdienpremie naar huishoudsamenstelling
34
600 € >
24%
100%
Een signaal van waardering
Bekendheid met en informeren over uitstroompremie Aan klantbegeleiders van Inkomen en Werk & Participatie is gevraagd of zij bekend zijn met de uitstroompremie en of zij altijd informatie geven aan Amsterdammers in de bijstand over de uitstroompremie. Het onderzoek1 is tien maanden na invoering van de uitstroompremie uitgevoerd in oktober 2024. De meerderheid van de klantbegeleiders is bekend met de Amsterdamse uitstroompremieregeling (Figuur A). Van hen geeft 41% aan volledig bekend te zijn en 40% een beetje bekend te zijn met de uitstroompremie. Hiertegenover staat dat 19% niet bekend is met de uitstroompremie. De bekendheid met de regeling verschilt tussen de klantbegeleiders van Werk & Participatie en Inkomen. De premie is bekender (49%) bij klantbegeleiders van Werk & Participatie dan bij klantbegeleiders van Inkomen (24%).
Bekend zijn met de uitstroompremie klantbegeleiders
0
Ja, helemaal
Ja, een beetje
Nee
41%
40%
19%
20
40
60
80
100%
Ja, een beetje
Ja, helemaal
Nee
60
60
60
50
50
50
40
40
40
30
30
30
49%
20 10 0
24%
20
41%
39%
20
10
10
0
0
Werk en participatie
Inkomen
37% 10%
Data: O&S (oktober 2024) n=387
Figuur A : Bekend zijn met de uitstroompremie klantbegeleiders
1 De data zijn afkomstig van Onderzoek & Statistiek Gemeente Amsterdam, naar een onderzoek over onder medewerkers over de reorganisatie van Werk Participatie en Inkomen. (2025). Eindevaluatie reorganisatie WPI. Gemeente Amsterdam: intern document. Voor meer informatie zie intern document: Onderzoek & Statistiek (2025). Eindevaluatie reorganisatie WPI. Gemeente Amsterdam
35
Resultaten
De klantbegeleiders verschillen sterk in de mate waarin zij cliënten informeren over de uitstroompremie (Figuur B). Op de stelling “Ik geef de Amsterdammer met bijstand die matchbaar is of al aan het werk gaat altijd informatie over de uitstroompremie” reageren klantbegeleiders uiteenlopend. In totaal geeft 52,1% van de klantbegeleiders aan dat zij het hiermee (zeer) eens zijn (39,6% mee eens en 12,5% zeer mee eens). Van de klantbegeleiders bij Inkomen is dat 19,7% en voor Werk & Participatie is dat 63,4%. Uit de cijfers blijkt dat ongeveer 21%2 van de klantbegeleiders volledig bekend is met de uitstroompremie en Amsterdammers met bijstand daar altijd over te informeren.
Ik geef al�jd informa�e over de uitstroompremie Totaal
Werk en participatie
Inkomen
100% 90% 80%
6,0
12,1
10,8
29,6 12,8
18,1
70% 60%
20,8 18,5
50% 40% 30%
47,0 28,4
39,6
63,4%
52,1%
20% 10%
18,5
12,5
19,7%
16,4
0%
Zeer mee eens
Data: O&S (oktober 2024) n=313
Mee eens
Niet mee eens, niet mee oneens
Mee oneens
Zeer mee oneens
Weet niet, geen antwoord
Figuur B: Geeft altijd informatie over de uitstroompremie
Aan het begin van de regeling zijn mogelijk matchbare Amsterdammers met een bijstandsuitkering niet of slechts gedeeltelijk geïnformeerd over de uitstroompremie door hun klantbegeleider. Slechts een minderheid van de klantbegeleiders is volledig bekend met de regeling én bespreekt deze actief met cliënten. Afhankelijk van de klantbegeleider hebben matchbare Amsterdammers in de eerste tien maanden van de regeling, in verschillende mate informatie ontvangen over de uitstroompremie3.
2 Op basis van berekening en onder de aanname van onafhankelijkheid. 3 Aan het einde van het eerste jaar, hebben verschillinde afdelingen van de gemeente aandacht gevraagd voor de uitstroompremie. Het effect van die acties valt buiten de onderzoeksperiode.
36
Een signaal van waardering
4.2 Bevindingen uit de interviews Onder Amsterdammers die al dan niet werken en wel of geen premie hebben ontvangen, zijn we nagegaan of de premie mogelijk een rol speelt in keuzeafwegingen (werkzoekgedrag) om aan het werk te gaan. 17 van de 32 respondenten heeft betaald werk, en 15 niet. Van de 17 respondenten heeft een deel de premie gehad en een deel krijgt de premie nog. We hebben geen mensen gesproken die in deeltijd zijn gaan werken en de uitstroompremie hebben ontvangen.
Kennis van en over de uitstroompremie Om na te gaan of de premie mensen motiveert om betaald te gaan werken, is het belangrijk om te weten of de geïnterviewde Amsterdammers de uitstroompremie kennen. Opvallend is dat het merendeel van de respondenten geen kennis had van de uitstroompremie. ‘Ik had er
niets over gehoord, tot ik jullie bericht las’, vertelt een respondent. En een ander kende de premie niet en had graag een flyer gekregen van de gemeente. Via de uitnodiging om met dit onderzoek mee te doen, leerden de respondenten de premie kennen. Anderen werden verrast met een extra bedrag op hun rekening. Een enkele keer vertellen respondenten dat zij via hun klantbegeleider over de premie hebben gehoord. Het gebrek aan kennis maakte dat de premie voor veel Amsterdammers een prettige verrassing was. Maar het zorgde er ook voor dat sommigen die aan het werk waren stress kregen en onrust ervoeren. Een uitgestroomde respondent dacht bijvoorbeeld dat de gemeente een fout had gemaakt toen zij het bedrag op haar rekening zag staan. Door eerdere ervaringen met inkomstenverrekeningen zijn respondenten alert op fouten en op mogelijk iets moeten terugbetalen. Zo vertelt een respondent zonder betaald werk dat ze zich zou afvragen of het wel zou kloppen als ze een bedrag op haar rekening zou krijgen: ‘Ik zou
schrikken en me helemaal druk maken over of ik het moet terugbetalen. Klopt dit wel? Is het geen fout? Moet ik nu extra belasting betalen?’ Meerdere respondenten uitten deze zorg, ook al hadden ze de premie (nog) niet ontvangen. Dit laat zien dat angst voor terugvorderingen en fouten deel uitmaken van het referentiekader van mensen die bijstand ontvangen of ontvingen, zelfs wanneer er geen directe aanleiding is.
37
Resultaten
De uitstroompremie een extrinsieke prikkel? De vraag of de premie daadwerkelijk een financiële prikkel is om aan het werk te gaan is niet te beantwoorden als Amsterdammers geen weet hebben van de premie voordat ze aan het werk gingen. Slechts enkele Amsterdammers wisten ervan voordat ze aan het werk gingen. Daarom vroegen we ook mensen die er niet vanaf wisten of de premie mogelijk een rol had kunnen spelen in hun motivatie. De antwoorden bieden een zeker inzicht in de rol van de premie in de motivatie. Amsterdammers die de premie hebben ontvangen en (mogelijk) gaan ontvangen zeggen in eerste instantie dat de premie geen rol speelde of zou spelen in hun motivatie om te gaan werken. Een respondent die niet wist dat hij de premie zou ontvangen zegt bijvoorbeeld dat de premie voor hem geen reden zou zijn om weer aan het werk te gaan. Respondenten benadrukken ook dat het bedrag van de uitstroompremie te laag is om echt verschil te maken. Een vrouw in de twintig zegt bijvoorbeeld dat als het bedrag hoger zou zijn, zo’n 15.000 euro, dat het dan wel zou kunnen bijdragen aan motivatie. Een ander zegt dat de premie vanwege haar incidentele karakter niet echt bijdraagt aan haar motivatie om te werken. Als de premie iets herhaaldelijks zou zijn, misschien wel. Opvallend is dat respondenten er wel van overtuigd zijn dat de premie ánderen zou kunnen motiveren.
Een respondent bijvoorbeeld benadrukt dat de premie wel een middel is om andere mensen te motiveren en een andere respondent, die zelf geen bijstand meer heeft en leeft van een kleine ziektewetuitkering, zegt dat de premie een financiële prikkel kán zijn; een extra push die mensen kan motiveren. Meteen daarachteraan zegt de respondent:
‘Mij persoonlijk niet. […]. Voor die paar honderd euro doe ik het niet. (…) Dat zijn bij mij niet de afwegingen waarom ik iets doe, of niet doe’. Volgens een andere Amsterdammer is de premie bedoeld om mensen te motiveren om werk te gaan zoeken. Ze voegt toe dat dat niet voor haar geldt. Na een korte tijd in de bijstand te hebben gezeten werkt ze naar eigen zeggen uit intrinsieke motivatie. Ze voegt toe: ‘Ik