CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 - Een signaal van waardering

Tijdelijke Algemene Raadscommissie 27 mei 2026, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Kennisnemen van de raadsinformatiebrief over de actuele ontwikkelingen in de bijstand, de stand van zaken van het Werkcentrum Groot-Amsterdam en de voortgang van de aanpak Iedereen Kans op Werk (IKOW). (VN2026-005749)20.240 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

3 alinea's met “beeldvorming”: 614 615 627

wist niet dat er een uitstroompremie bestond’. Toen zij de premie ontving, heeft ze aan haar klantbegeleider gevraagd of het klopt en waarom ze dat geld kreeg. Ook zij denkt dat een hoger bedrag mensen die lang in de bijstand zitten kan motiveren. Weer een ander zegt ook dat de premie voor haar nooit de motivatie is geweest om te gaan werken. Ze kwam achter het bestaan ervan op het moment dat ze al druk bezig was met solliciteren. Ze hoorde het van haar klantbegeleider. Ook deze respondent stelt dat ze wel denkt dat de premie voor andere Amsterdammers een motivatie kan zijn om aan het werk te gaan. Ze legt uit:

38

Een signaal van waardering

‘Toen ik die cursus bij de gemeente volgde, was ik […] één van de weinigen die graag wilde werken. Ik denk dat het misschien voor andere mensen wel een hele grote motivator kan zijn om te werken. Ik vind het lastig om te zeggen’. Deze respondent trekt duidelijk een (morele) grens tussen Amsterdammers die naar haar idee niet gemotiveerd zijn om te werken en haarzelf ‘als één van de weinigen’ die wel graag wil werken. Uit dit citaat blijkt dat zij zich niet schaart onder de Amsterdammers in de bijstand die niet gemotiveerd zijn om aan het werk te gaan. Ze gelooft dus wel dat die groep er is en door de premie gemotiveerd kan raken. Opvallend is dat we dit, zoals de voorbeelden ook laten zien, regelmatig horen van respondenten. Een jonge vrouw die zelf geen betaald werk heeft, onderscheidt zichzelf van mensen die ouder zijn en al lang in de bijstand zitten. Zij kunnen er volgens haar echt niet meer uitkomen, want: ‘Uiteindelijk gaat je lichaam er ook aan

wennen’. Het is volgens haar voor mensen erg moeilijk om hun leven anders in te richten als je comfortabel en goed zit, waarmee zij bedoelt in de bijstand zitten. Zij ziet zichzelf als jong:

‘dus ik kan nog een hele andere slag maken in mijn leven’. Oudere mensen willen volgens haar vasthouden aan oud en vertrouwd. Mogelijk is het toeval dat we alleen intrinsiek gemotiveerde Amsterdammers gesproken hebben die zeggen een premie niet nodig te hebben om gemotiveerd te raken. Het is waarschijnlijker dat respondenten symbolische morele grenzen trekken tussen henzelf en anderen die naar hun idee ongemotiveerd zijn, als een vorm van coping (Lamont, 1992, p. 4; zie ook Elshout, 2016, p. 144). Zodoende kunnen zij hun eigenwaarde bestendigen ten opzichte van meer stereotype mensen met een uitkering, die in hun ogen minder waardering verdienen. Zo benadrukken ze hun identiteit als waardige en gemotiveerde (voormalig) bijstandsgerechtigde. Blijkbaar zet deze groep respondenten zich af tegen het klassiek-economisch mensenbeeld dat een financiële prikkel hen tot werken zou aanzetten. Voor henzelf werkt het naar hun idee in ieder geval niet zo. Dat Amsterdammers onderscheid maken tussen groepen, zien we vaker terug in de interviews. Vooral respondenten die behoren tot de jongere generatie van twintig tot veertig jaar benadrukken niet zelden dat het voor hen normaal is om betaald te (willen) werken en dat een premie dus eigenlijk niet nodig is om te motiveren. In sommige gevallen wordt de premie zelfs als onrechtvaardig ervaren ten opzichte van mensen die werken voor hun geld.

Zo zegt een vrouw over de premie: ‘Moet je dat wel doen?’. Ze legt uit: ‘De mensen hebben al een

baan gekregen, die hebben al een inkomen. Dan geef je ze gratis geld, terwijl je weet dat ze een baan hebben gevonden’. Zij vindt het zelf gek dat ze geld kreeg, omdat ze al een inkomen had: ‘Waarom krijg ik extra geld?’. Opvallend is de tegenstrijdigheid in haar ervaring met het ontvangen van de premie. De premie voelt als een beloning, maar tegelijkertijd vindt zij de premie onnodig. Ze legt verder uit:

39

Resultaten

‘Stel je voor dat je in de tweede week van de nieuwe maand bent begonnen met werken en je krijgt de maand erna je loon. Dan snap ik wel dat het nut heeft. Als dat niet het geval is en ik krijg volledig loon, dan denk ik dat dat geld niet nodig is. Ik heb al een baan en een inkomen. Dan voelt het een beetje oneerlijk tegenover mensen die... Dan vraag ik me af of het geld wel nuttig wordt gebruikt’. Deze respondent nuanceert haar mening over de premie door een onderscheid te maken. Voor mensen die hun volledige loon nog niet ontvangen zou het volgens de respondent handig zijn. Wanneer het loon volledig is ontvangen, rijst de vraag of mensen het wel gebruiken waarvoor het bedoeld is. Ze lijkt hier wantrouwen te uiten naar Amsterdammers die het bedrag mogelijk niet gebruiken voor zaken waarvoor het bedoeld zou zijn. Nu zij anderhalf jaar werkt, roept de regeling bij haar zelfs de vraag op: ‘Is dat waar mijn belastinggeld heen gaat?’. Voor zichzelf vond ze het fijn om te krijgen, maar nu vraagt ze zich af of de gemeente het geld niet beter aan andere voorzieningen kan besteden, zoals aan extra GVB-personeel of leerkrachten. Zelf heeft ze de premie besteed aan haar verhuizing, waar zij destijds middenin zat, en huur en boodschappen: ‘De basisbehoeftes en geen speciale dingen’.

Onderzoek onder bijstandsgerechtigden naar de ervaren rechtvaardigheid van de tegenprestatie (Kampen et al., 2019) laat zien dat hun oordeel voortkomt uit morele grensafbakening, waarbij zij het perspectief van een veronderstelde ander aannemen. Mogelijk verklaart dit waarom respondenten een onderscheid maken tussen henzelf en andere Amsterdammers. Bij de uitstroompremie verschuift het oordeel mee met het perspectief dat de respondent inneemt: wanneer ze uitgaan van financiële kwetsbaarheid, zien zij de premie als legitieme steun, zodra zij zich verplaatsen in de rol van werkende belastingbetaler, verandert diezelfde regeling in een overbodig of zelfs onrechtvaardig extraatje.

Eerlijkheid van een hogere premie bij langere bijstandsduur Wat vinden respondenten ervan dat mensen die langer in de bijstand zitten een hogere premie krijgen dan mensen die er kort in zitten? Al zijn ze er niet heel uitgesproken over, begrijpen ze wel dat de gemeente hiervoor heeft gekozen. Een hoger bedrag zou mensen die al lang in de bijstand zitten mogelijk kunnen motiveren. Een man legt uit: ‘Wie langer in de bijstand zit, heeft

minder motivatie dan mensen die, zoals ik, zin hebben om weer iets te doen met hun leven. Dus hoe hoger het bedrag is, hoe beter je iemand kan motiveren, denk ik.’ Anderzijds horen we van Amsterdammers dat zij het niet helemaal eerlijk en rechtvaardig vinden. Zo vertelt een respondent dat een hogere premie rechtvaardiger is voor mensen die korter in de bijstand zitten, omdat zij hun best doen om snel uit de bijstand te gaan. Volgens de respondent heeft het niet zoveel zin om mensen die al langer dan tien jaar in de bijstand zitten te motiveren met een premie. Hij legt uit dat die mensen en gezinnen die hij kent hebben leren leven van het

40

Een signaal van waardering bedrag dat ze elke maand ontvangen. Zij hebben grip op wat er binnenkomt en uitgaat elke maand en zullen naar zijn idee de stabiliteit die dat oplevert niet opgeven door aan het werk te gaan. Bovendien vindt hij dat de gemeente mensen die langer in de bijstand zitten beloont met een hoger bedrag. Al begrijpen de meeste respondenten vanuit het perspectief van de gemeente wel dat zij een hogere premie uitkeert aan mensen die langer in de bijstand zitten, vanuit het schaarste- en bestaanszekerheidsperspectief heeft de uitstroompremie mogelijk voor mensen die stabiliteit ervaren in de bijstand geen hoger ‘nut’ dan de tijdelijke financiële prikkel van de premie. Verlies van zekerheid en autonomie kan zwaarder wegen dan de beloning vanuit het rationelekeuzeperspectief.

Intrinsieke redenen om betaald te werken Wanneer de premie Amsterdammers niet heeft gemotiveerd of zou motiveren om aan het werk te gaan, spelen andere overwegingen een rol in hun keuze voor betaald werk. In onderzoek naar gevolgen van werkloosheid wordt regelmatig gebruikgemaakt van het latente deprivatiemodel, waarin naast de manifeste functie van werk (Jahoda, 1982), namelijk dat werk een inkomen genereert, vijf latente functies van werk worden onderscheiden. Werk biedt regelmatige activiteit en de mogelijkheid tot het ontwikkelen en uitdrukken van competenties (1), met werk kunnen collectieve doelen nagestreefd worden (2), werk is een bron van sociale contacten (3), werk zorgt voor een gestructureerde dagindeling (4), en werk verschaft een bepaalde mate van status en identiteit (5) (Jahoda, 1982; zie ook Elshout, 2016, p. 187). Deze manifeste en latente functies van werk blijken ook belangrijke redenen voor Amsterdammers om aan het werk te gaan. Ten eerste zeggen Amsterdammers met betaald werk het fijn te vinden om een inkomen uit werk te verwerven, en om een ‘fatsoenlijk salaris’ zoals een respondent het noemt, te verdienen (de manifeste functie van arbeid). Het wordt ook als prettig ervaren om ‘te werken

voor je geld’. Zelfverdiend geld voelt voor Amsterdammers anders dan het ontvangen van een bijstandsuitkering. Maar vaker nog deelden zij andere motivaties om aan het werk te gaan en redenen waarom zij waardering halen uit betaald werk. Zo vinden Amsterdammers met en zonder betaald werk het prettig om te werken, omdat zij hun ‘capaciteiten’ kwijt kunnen in een baan en omdat zij daarmee een bijdrage kunnen leveren aan de samenleving. Een respondent die zich met hulp van een werkcentrum in Amsterdam laat omscholen naar IT’er, zegt dat hij ook graag aan het werk wil om weer meer te kunnen doen waar hij goed in is. Een ander benadrukt expliciet het belangrijker te vinden dat de ‘aard’ van het werk past bij wat hij kan, dan dat hij een premie ontvangt. Hij voegt toe: ‘Als het werk mij

ligt, is dat veel belangrijker dan een premie van zoveel honderd euro.’

41

Resultaten

Doordat een deel van de gesproken Amsterdammers weer actief is in betaald werk, hebben zij het gevoel weer mee te doen in de maatschappij. Het hebben van betaald werk is onder respondenten die zowel werken als niet werken een veelgehoord voordeel. Zo vertelt een inmiddels uitgestroomde respondent: ‘Ik ben heel blij dat ik weer meedoe in de maatschappij’. Dit houdt voor haar in dat ze een bijdrage levert aan de samenleving en dat ze weer onder de mensen komt. Ze vindt het goed dat er een vangnet als de bijstand bestaat, mede omdat ze zelf vanwege een depressie niet kon werken. Anderzijds zegt ze het verschrikkelijk te vinden er afhankelijk van te moeten zijn. Ook andere Amsterdammers blijken een bepaalde mate van status en identiteit, en daarmee eigenwaarde, te ontlenen aan het werk dat ze doen. Amsterdammers vertellen het ook prettig te vinden dat zij, nu zij betaald werken, weer meer sociale contacten hebben, onder de mensen komen, en zoals iemand beschrijft, dat er regelmatige activiteit met werk gepaard gaat en dat het werk bijdraagt aan een gestructureerde dagindeling. Een man die in de zomer als lifeguard aan het werk gaat, kijkt ernaar uit weer aan het werk te gaan en vertelt:

‘Het gaat kriebelen dat ik weer wat moet gaan doen en weer lekker bezig zijn en onder collega’s komen. Ik merk dat ik dat erg mis. Het koffiepraatje tijdens de pauzes, de feestjes van het werk. Het draait niet alleen maar om werk, het is ook het sociale.’ Een ander vertelt dat ze zich nu ze is uitgestroomd, niet meer hoeft te vervelen en in een systeem van opstaan en een ritme zit. ‘Dat is goed voor je gezondheid. Je komt in een gezonde

flow’, voegt ze toe. Als laatste draagt werk bij aan een gevoel van status en identiteit. Een respondent vertelt: ‘(…) in mijn geval is werk een stukje van mijn identiteit’. Ze legt uit dat ze met betaald werk er weer toe doet en wordt gezien door anderen. Ook andere Amsterdammers benadrukken dat zij met betaald werk worden gezien als mensen die een nuttige bijdrage leveren aan de samenleving. Tegelijkertijd zorgt het hebben van betaald werk ervoor dat respondenten kunnen loskomen van wat een ‘bijstandsstigma’ te noemen is. Zij kunnen zich met andere woorden onttrekken aan een veroordelende blik van anderen in de samenleving vanwege het niet hebben van betaald werk, omdat betaald werk immers hoort; werk is een morele noodzaak. Geen betaald werk hebben kan leiden tot gevoelens van stigmatisering. Zo zegt een respondent zonder betaald werk bijvoorbeeld dat er een taboe rust op het hebben van geen baan. Een ander beschrijft een naar eigen zeggen een ‘clichébeeld’ dat anderen van uitkeringsgerechtigden hebben: ‘Mensen met een sociale uitkering liggen de hele dag

op de bank met een krat bier en een zak chips’. Ze voegt toe dat dit beeld niet op haar van toepassing is. Betaald werk zorgt er met andere woorden voor dat Amsterdammers los kunnen komen van een zelfopgelegd gepercipieerd bijstandsstigma en dat zij kunnen voldoen aan de

42

Een signaal van waardering maatschappelijke norm van betaald werk. Controle, wantrouwen, onzekerheid en vernedering ontvluchten. Zowel Amsterdammers die niet en inmiddels wel zijn uitgestroomd benadrukken dat belangrijke voordelen van het niet meer afhankelijk zijn van een bijstandsuitkering, is dat ze niet meer gecontroleerd worden en meer privacy hebben. Twee Amsterdammers hebben zelfs nog wel recht op een (aanvullende) uitkering maar zijn uitgestroomd (hebben de uitkering opgezegd), om geen verantwoording meer te hoeven afleggen aan de gemeente. Voor hen is herwonnen privacy het belangrijkste voordeel van uitstromen. Na het uitstromen kunnen ze naar eigen zeggen zonder bang te zijn voor een controle op vakantie te gaan en zijn ze niet meer bang voor huisbezoeken waarbij controleurs tandenborstels tellen. Dit laat zien dat zelfs wanneer het financieel nadelig is, bijstandontvangers soms kiezen om de ervaren institutionele controle en het wantrouwen te ontvluchten. Een ander voordeel is dat als Amsterdammers uitstromen zij niet meer te maken hebben met onzekerheden rond inkomstenverrekeningen als zij parttime werken in de bijstand. Een vrouw van in de vijftig die uit eigen beweging de bijstand heeft opgezegd, vond het heel verwarrend met de verrekeningen. Ze vertelt: ‘Het gaf me zoveel stress dat ik dacht: dan leef ik maar van

minder’. Amsterdammers die (nog) niet zijn uitgestroomd benoemen ook dat uitstromen niet altijd opweegt tegen de relatieve zekerheid die een bijstandsuitkering biedt. Vooral voor respondenten die te maken hebben met fysieke en/of psychische uitdagingen is de stap naar werk soms nog te groot. Zo vertelt iemand dat gaan werken een grote stap is die komt met verantwoordelijkheden. Een ander zegt dat een nadeel van gaan werken is dat zij uit haar comfortzone moet komen en alles zelf moet oppakken. Anderen maken zich zorgen over mogelijke bijkomende kosten als zij uitstromen, zoals verschillende belastingen die mogelijk niet worden kwijtgescholden. Het ontvangen van bijstand biedt voor sommigen dus relatieve financiële zekerheid vanwege de structurele uitkering en omdat het ze duidelijkheid verschaft over eventuele toeslagen en kwijtscheldingen. Een respondent verwoordt het mooi: ‘de bijstand

is een vorm van zekerheid, een bodem, die wegvalt als je de stap naar werk zet’. Dit sluit aan bij Arts (2020), die beschrijft hoe mensen in de bijstand zich bevinden tussen een bijstand die een basis biedt maar inherent onzeker en voorwaardelijk is, en een arbeidsmarkt die voor velen nog precairder en onzekerder aanvoelt. Uit de reacties van respondenten blijkt dat de uitstroompremie niet direct bijdraagt aan de motivatie om betaald werk te gaan verrichten. Hun motivatie wordt vooral bepaald door intrinsieke factoren waar de uitstroompremie op zichzelf weinig aan verandert: eigen geld verdienen, een gestructureerde dagindeling en zinvolle dagbesteding, het kunnen inzetten

43

Resultaten van hun capaciteiten, sociale contacten, status en identiteit, en het loskomen van het ervaren bijstandsstigma. Maar, de uitstroompremie blijkt een hoop meer te betekenen dan een financiële prikkel om betaald te gaan werken alleen.

De waarde van de uitstroompremie Een financieel extraatje, ademruimte en waardering De uitstroompremie draagt volgens Amsterdammers niet direct bij aan hun eigen motivatie, maar de premie blijkt wel veel voor hen te betekenen. Ze ervaren de premie als leuk en een welkom extraatje en weten goed wat ze ermee (zouden willen) doen, zoals een stedentrip boeken, een nieuwe bril kopen of het op de spaarrekening zetten voor onvoorziene uitgaven. Ook vertellen respondenten het bedrag te gebruiken voor OV-kosten, en vertellen ze het geld te bewaren voor hun kinderen, die bijvoorbeeld studeren of nieuwe kleding nodig hebben. De premie geeft Amsterdammers wat financiële ruimte. Een respondent legt uit:

‘Al zit je vijftien jaar in de bijstand, het is niet veel dat je krijgt. Al is het maar 100 euro [extra], je kunt dan toch wat drinken of iets anders ervan kopen’. Het is meer een extraatje voor extra kosten’. Een ander zegt dat ze zich weer meer mens voelde toen zij de premie kreeg, omdat ze wat meer uit te geven had. ‘Het is handig. Stel, je begint bij een nieuwe baan, dan krijg je niet altijd gelijk je volledige salaris. […]. Dan is het fijn om een klein beetje bijstand te krijgen’. Een Amsterdammer vertelt dat de premie voor hem bijdraagt aan een financiële buffer om ergens [met werk] mee aan de slag te gaan. Hij legt uit:

‘Het geeft ook een beetje een gevoel van zekerheid, dat Amsterdam jou steunt wanneer het wat slechter gaat, maar ook wanneer het goed gaat. Voor elke situatie geeft het een beetje een gevoel van: Amsterdam als gemeente is hier ook voor jou als het iets beter gaat. Dan krijg jij nog even een klein extra buffertje, een stimulans van: fijn dat je wil meedraaien. Ga je gang, we zien je graag succes hebben. We zien je graag succes maken en doen.’ Een man van vijftig zegt dat de premie hem goed zou uitkomen: ‘[…] omdat het leven steeds

duurder wordt. De boodschappen worden duurder. Alles wordt duurder.’ Hij bevestigt dat het hem kan helpen om wat minder financiële zorgen te hebben. De premie betekent meer voor Amsterdammers. De premie voelt voor hen als ‘een beloning’ en als ‘sympathiek gebaar’ van de gemeente voor de inzet die ze hebben getoond om de stap

44

Een signaal van waardering naar werk te zetten. Ze voelen zich door het bedrag gezien en gewaardeerd voor de moeite die ze (willen) doen om te werken. Naast dat de premie voor een respondent zou voelen als ‘rust’, legt hij uit dat hij de premie ziet als aanmoediging en waardering:

‘Zelfs de gemeente geeft mij een compliment dat ik weer aan de slag ben. Niet alleen maar met een briefje of zoiets – dat heb ik niet nodig van de burgemeester of gemeente – maar ook dat de gemeente zelf zegt op financieel vlak: je kan het wel, ga lekker zo door. Het is dus fijn, het geeft rust, en je weet zeker dat je goed bezig bent.’ Anderen zeggen iets vergelijkbaars: ‘Het voelde als een beloning, omdat ik werk had gevonden’,

‘Het is een soort van waardering dat je weer aan de slag gaat, dat je terugkomt in de maatschappij en een beroep uitoefent’. Een dertiger (man), zegt de premie niet als een cadeautje of gift te zien, maar echt als blijk van waardering. De gemeente zegt hiermee: ‘(…) het is fijn dat jij weer

graag wilt meedraaien in het financiële stuk van de stad, en ook een financiële dagbesteding hebt’. Een cadeautje wordt volgens hem gegeven zonder dat je er iets voor terugdoet. En dat is de premie volgens hem duidelijk niet. Hij noemt de premie wel ook ‘een soort duwtje in de rug,

van: hier heb je net even wat meer, net even een buffer, om net wat beter aan de slag te gaan’. De bijdrage van de uitstroompremie aan ervaren bestaanszekerheid Amsterdammers zijn er duidelijk over dat het bedrag dat ze krijgen welkom is. Het zorgt voor financiële ademruimte, erkenning en waardering waardoor zij het gevoel hebben dat de gemeente ze ziet en waardeert. De premie verlicht de financiële druk iets, maar pakt de ervaren bestaansonzekerheid niet structureel en voldoende aan. Respondenten laten doorschemeren dat het premiebedrag niet substantieel genoeg is. Zo zegt iemand over de premie: ‘Het is wat extra geld. Je wordt er niet heel blij van, maar je wordt er

zeker ook niet verdrietig van’. Hij zou er een rekening mee betalen, iets wat op dat moment moet gebeuren. Een ander zegt dat de premie zo uitgegeven is, net als een cadeaubon. Weer een ander: ‘(…) maar het loont niet. Je bent het bedrag alleen al kwijt aan die belastingen’. Ook zegt iemand dat het bedrag ‘te laag’ is om echt verschil te maken. Een respondent benadrukt dat het bedrag de zorgen niet wegneemt, ook niet voor mensen die langer in de bijstand hebben gezeten en 1000 euro krijgen, omdat het bedrag niet genoeg zal zijn als mensen terug in de bijstand moeten. Niet alleen de hoogte van de premie speelt een rol maar ook de frequentie. De premie heeft volgens respondenten een te eenmalig karakter. De eenmaligheid en de hoogte van het bedrag maken dat de premie geen substantiële bijdrage kan leveren aan bestaanszekerheid, zeker voor mensen die relatief kort in de bijstand hebben gezeten en een lage premie krijgen. Daar komt bij dat het uitkeringsmoment voor sommigen

45

Resultaten niet samenvalt met het moment waarop zij het geld nodig hebben. Zo zegt een respondent dat een premie kan helpen op het moment dat mensen aan het werk gaan. Mensen kunnen het bedrag dan functioneel inzetten om bijvoorbeeld een financieel gat op te vullen. Zo zegt een respondent:

‘Ik had het alleen prettiger gevonden om het te krijgen toen ik ging werken. Toen had ik het veel harder nodig, want ik had niet eens kleding meer om aan te trekken naar mijn werk. Het is enorm fijn dat ik het bijna zes maanden later krijg, maar qua timing is het niet erg handig.’ Een vrouw heeft nu geen werk maar de premie had haar eerder dus goed uit kunnen komen. De eerste maand dat ze werkte kreeg ze namelijk maar rond de 700 euro aan loon uitgekeerd, en daar kon zij naar eigen zeggen niet mee rondkomen. Haar uitkering was gestopt die maand. Ze vertelt verder: ‘Je houdt eigenlijk geen rekening met dat soort dingen [dat er een financieel

gat kan vallen], want je bent zo gefocust op een goede baan vinden. […] Het is heel fijn dat daar een buffer voor is qua geld’. Zoals deze uitspraak laat zien is het belangrijk dat de gemeente de premie in de transitie overmaakt en niet veel later. Een respondent zegt dat als de premie een paar maanden later komt, zij de premie meer als een cadeau of als iets extra’s zou ervaren. De vraag of de premie daadwerkelijk tot minder stress en zorgen leidt, is voor respondenten niet eenvoudig te beantwoorden. Soms leidt de premie juist tot meer onrust als ontvangers van de premie niet goed weten waarom zij het bedrag van de gemeente krijgen. De zorgen gaan voornamelijk over mogelijke gevolgen. Zo hebben ze bijvoorbeeld zorgen over hun toeslagen, belastingen en eventuele kwijtschelding. Ook helpt de premie niet echt om minder zorgen te hebben over een mogelijke terugval in de bijstand. Een respondent vertelt wat gelaten: ‘Die regelingen veranderen zo snel. Tegen de tijd

dat je weer terugkomt [de bijstand in] of misschien niet, dan is er weer iets anders. Of misschien is het allang afgeschaft’. Deze respondent vraagt zich af of de regeling nog wel bestaat als ze gaat werken en onverhoopt terugvalt op de bijstand. Rol van positieve ervaringen met de premie in motivatie De uitstroompremie brengt volgens de respondenten wat financiële verlichting. Ook is het voor de meesten een signaal van gezien worden, erkenning en waardering van de gemeente. Dit positieve signaal is van grote waarde en is daarom niet te onderschatten. Uit onderzoek (Bos et al., 2023) naar de betekenis van de bijverdienpremie voor deeltijdwerkende Amsterdammers in de bijstand, blijkt dat de bijverdienpremie geen directe effecten heeft op uitstroom. Het onderzoek laat duidelijk zien dat de bijverdienpremie voor mensen in de bijstand

46

Een signaal van waardering voelde als waardering en zorgde daarmee voor een positieve ervaring met werken (Bos et al., 2023). Het is goed mogelijk dat mensen die aan het werk gingen of al werkten daardoor aan het werk bleven, of meer uren gingen werken. Mensen die 12 uur per week of meer werkten, hadden drie keer zo grote kans om uit te stromen. Een vergelijkbaar mechanisme laat zich ontwaren bij de uitstroompremie. Mogelijk zorgt de uitstroompremie via waardering voor indirecte stimulering en motivering. Als je mensen direct vraagt of de premie hen motiveert of zou motiveren om te gaan of te blijven werken, dan antwoorden ze ontkennend. Als respondenten reflecteren op het (weer) hebben van een baan en op het ontvangen van een premiebedrag, blijkt de ontkenning niet het hele verhaal te zijn. Zo zegt iemand bijvoorbeeld eerst dat de premie hem niet zou motiveren om aan het werk te gaan. Op een ander moment in het interview zegt hij over de premie: ‘Als je het ontvangt wanneer je het nodig hebt, is het altijd motiverend’. Dit suggereert dat motivatie eerder achteraf ontstaat dan voorafgaand aan de keuze om te gaan werken. Een vrouw benadrukt dat de premie voor haar geen extra zetje is om werk te zoeken, maar later tijdens het interview over de eerste periode dat ze werkte en de premie ontving:

‘Dat voelde zo: oké, ik heb een baan en de uitstroompremie. Ik heb nu beide. Het gaf me meer motivatie. […] Het motiveerde mij toen wel op dat moment. Toen ik de premie had gekregen voelde het goed. Ik heb een baan gevonden, dus een beloning.’ Een andere respondent stelt dat een premie hem meer motivatie zou geven om daadwerkelijk door te blijven gaan met werken. De gemeente zou met de premie laten zien dat je goed bezig bent. In zijn geval voelt de premie als ‘een soort incentive’ om weer uit te stromen en omdat het vangnetgevoel voor een paar maanden een beetje blijft. De uitspraken laten zien hoe de immateriële waarde van de premie samengaat met zich meer gemotiveerd voelen. Het is voor te stellen dat meer respondenten de premie als vorm van achteraf aansporing ervaren om (langer) aan het werk blijven. Zo speelt de premie toch een rol van betekenis in de motivatie.

47

Resultaten

Institutioneel vertrouwen en beeldvorming gemeente De uitstroompremie speelt geen op zichzelf staande rol in het vertrouwen dat respondenten hebben in de gemeente en klantbegeleiders. De uitstroompremie is een signaal dat de gemeente stuurt en dat signaal draagt in meer of mindere mate bij aan het vertrouwen dat mensen in de gemeente hebben.

De uitstroompremie: een bescheiden maar kwetsbare bijdrage aan vertrouwen De uitstroompremie draagt voor een aanzienlijk deel van de geïnterviewde Amsterdammers bij aan het vertrouwen in de gemeente, al is dat weliswaar bescheiden. Het signaal dat uitgaat van de premie is te beperkt om beeldvorming over de gemeente als geheel te kantelen, maar kan deze wel positief beïnvloeden. De uitstroompremie is daarmee niet volledig bepalend, maar vormt een (overwegend positief) aanvullend signaal op het beeld dat Amsterdammers al hebben van de gemeente. Ze interpreteren de uitstroompremie (indirect) als een signaal dat de gemeente vertrouwen heeft in haar burgers, zoals deze respondent expliciet aangeeft:

‘Ja, het heeft mijn vertrouwen inderdaad iets vergroot. Ik had dat eerder al, met de ervaringen die ik had met de gemeente. Het geeft mij er net wat meer vertrouwen in dat de gemeente ook vertrouwen heeft in de mensen die weer willen groeien of aan de slag willen. Het geeft mij vertrouwen dat de stad ook zorg heeft voor de mensen.’ Dat de gemeente een signaal van vertrouwen geeft, biedt bescherming en draagt bij aan het beeld van ‘een stad die zorg heeft voor de mensen’, zoals iemand zegt. Respondenten interpreteren de uitstroompremie als een instrument dat de gemeente inzet om mensen op een positieve manier aan het werk te helpen. Niet met ‘pushen en dwang’ want ‘dat werkt niet’. Zo drijf je mensen de andere kant op’, zegt een respondent. De positieve manier is volgens meerdere respondenten anders dan vroeger:

‘Ik denk dat ze wel hun beleid hebben verbeterd in de afgelopen jaren. Ik heb acht jaar geleden tussen twee studies door ook nog even in de bijstand gezeten. Ik merkte dat er toen toch wel een andere houding was en dat ze niet echt het langetermijndenken hadden. […] Dat is als iemand echt terechtkomt op een plek waar hij zijn talenten neer kan zetten.’ Het beleid was volgens Amsterdammers gericht op snelle uitstroom met een strengere aanpak. Een ander zegt: ‘Wij zijn nu bijna tien jaar in de bijstand. Er is veel veranderd. In het begin was het

heel streng. Ik zie wel dat ze proberen om te helpen. Dat zie ik en dat waardeer ik ook.’ Iemand anders schetst hoe vroeger mensen beboet en gestraft werden, enkel omdat de gemeente de verkeerde gegevens van hen had, en concludeert: ‘Dat stimuleert geen reet.’ Ervaringen met de

48

Een signaal van waardering strengere workfarebenadering uit het verleden lijken vertrouwen te hebben geschaad, mensen voelden zich niet geholpen. Opvallend is dat mensen de op sociale investeringen gerichte aanpak waarderen omdat deze meer aansluit bij intrinsieke motivatie (Van Echtelt et al., 2023). Hoewel de premie dus gericht is op een extrinsieke prikkel, werkt het in de bredere context van sociale investeringen (een klantbegeleider die meedenkt) dus als een signaal dat de gemeente wil investeren in vertrouwen (zie ook Van Echtelt et al., 2023; Portielje & Elshout, 2023; Tudjman et al., 2023). De uitstroompremie draagt zo bij aan het bredere beeld dat de gemeente mensen met vertrouwen tegemoet treedt en op een positieve wil helpen en stimuleren, in plaats van bestraffen. Andere Amsterdammers geven aan dat ze de interventie van de uitstroompremie te klein vinden om te kunnen bijdragen aan zoiets groots als vertrouwen. Sommigen hadden al vertrouwen in de gemeente en de uitstroompremie zou niets aan het vertrouwen toevoegen. Anderen hebben juist minder goede ervaringen met de gemeente en blijven daardoor sceptisch. Mensen die een sceptische houding aannemen, zien de gemeente vaak ook als onderdeel van een grotere overheid waar ze een minder positief beeld van hebben. Het positieve signaal kan niet alle eerdere negatieve ervaringen uitwissen. Zo zegt een respondent:

‘Ik zou de gemeente niet ineens 100% gaan vertrouwen. Er zijn wel problemen, waarvan ik hoop dat de gemeente die gaat oplossen. Ik bedoel de overheid.’ De meeste mensen maken een onderscheid tussen de gemeente en de landelijke overheid, maar niet zelden noemen ze toch beide in één adem als het gaat over vertrouwen. Respondenten zijn over het algemeen positiever over de gemeente dan over de landelijke overheid. In een paar gevallen koppelen respondenten vertrouwen in de gemeente aan het gebrek aan vertrouwen dat zij in de politiek. Een respondent corrigeert zichzelf: ‘Ik moet de politiek los zien van de

gemeente.’ Dit laat zien dat vertrouwen herwinnen als lokale overheid geen eenvoudige opgave is, omdat respondenten ervaringen direct of indirect relateren aan andere overheden en de politiek in het algemeen. Vertrouwen is ook kwetsbaar en daaraan bouwen is complex. Positieve signalen kunnen door respondenten als negatief worden ervaren als stimuleringspremies bijvoorbeeld stoppen. Respondenten reageren vaak gelaten op de vraag of ze het erg zouden vinden als de gemeente stopt met de premie. Deze gelatenheid is mogelijk toe te schrijven aan onbekendheid met de regeling en aan de incidentele aard en beperkte hoogte van de uitstroompremie. Respondenten lijken ook een verwachting te hebben dat beleid onbetrouwbaar is, omdat het vaak verandert waardoor zij er niet op kunnen rekenen. Een respondent verwoordt dit als volgt:

49

Resultaten

‘Ik heb het in de tien jaar vrij vaak zien terugkomen. Het kwam en het ging. […] Alle extraatjes zijn mooi meegenomen. Zelfs als de uitstroompremie er niet is, dan is er misschien iets anders.’ Beleid wordt weer vervangen door nieuw beleid. Een ander zegt: ‘Het is politiek wat er in

de gemeente gebeurt. Wat vandaag mag, mag morgen weer niet of juist andersom.’ Positief bedoelde interventies verliezen aan impact als beleid snel verandert. Mensen krijgen daardoor geen vertrouwen in beleid of daaraan gerelateerde interventies en instrumenten. De tijdelijkheid, de onbekendheid en het idee dat ze er niet echt op kunnen rekenen zorgen ervoor dat vertrouwen in beleid beperkt wordt. Dat raakt ook aan de potentiële impact van toekomstige interventies en beleid. Mensen zullen deze bekijken met dezelfde verwachting. In die zin kunnen het beginnen en beëindigen van interventies bijdragen aan het beeld van een gemeente die het goed bedoelt, maar niet echt helpt (zie ook Kremer, 2022).

Hoe de uitstroompremie wel en niet vertrouwen wint In het theoretisch raamwerk onderscheiden we beeldvorming rondom integriteit, inlevingsvermogen en competentie van de overheid (Norris, 2022; Kremer, 2022) als drie dimensies waarlangs vertrouwen in de gemeente (of WPI en klantbegeleiders in het bijzonder) tot stand kan komen. Op welke van deze drie dimensies kan de uitstroompremie betekenisvol bijdragen aan vertrouwen? De bedoeling van de gemeente De overgrote meerderheid van de respondenten ziet de gemeente als integere organisatie die het beste met mensen voor heeft. De bedoelingen van de gemeente zijn goed. De bedoeling van de uitstroompremie is erop gericht om mensen naar werk te helpen. De meeste respondenten zien dit als ‘prikkel’ of als ‘duwtje’ om ‘van de bank af te komen’, door mensen te ‘lokken met

geld’. Anderen zien het nog positiever en denken dat de gemeente de bedoeling heeft om ‘waardering te tonen’ of ‘complimenten’ uit te delen. Enkelen verontschuldigen zich voor de negatieve toon van ‘pushen’ en ‘duwen’ maar benadrukken dat ze dit positief bedoelen. Hoewel de bedoelingen goed zijn, heerst soms ook het beeld dat de gemeente niet altijd goed weet wat de beste manier is. De gemeente Amsterdam is volgens een respondent gefocust op uitstroom, maar volgens deze persoon ‘weten [ze] niet altijd goed hoe ze [dat] aan moeten

pakken. Nu proberen ze dit om te zien of het werkt.’ Een andere respondent zegt het zo: ‘Elk mens heeft een andere aanpak nodig. Ik begrijp dat je als gemeente niet met honderden aanpakken kunt komen voor elk type mens. Ze proberen het wel. Dat is prijzenswaardig.’

50

Een signaal van waardering Respondenten herkennen de goede bedoelingen, maar er is scepsis over of deze ook daadwerkelijk leiden tot betere hulp. Dat zien we hieronder ook terug bij beelden over competentie. Een enkeling ziet geen goede intenties. Een respondent ziet de gemeente met de uitstroompremie kiezen voor de makkelijke weg en ‘er een beetje geld tegenaan te gooien en dan te hopen dat

het goed gaat.’ Deze persoon ziet de gemeente als calculerend. De uitstroompremie is maar ‘een duizendje’ en dat is ‘niks vergeleken met het geld dat die persoon uiteindelijk weer voor

de gemeente op gaat leveren.’

Inlevingsvermogen De uitstroompremie zorgt er niet direct voor dat mensen geloven dat de gemeente begrijpt wat mensen met een bijstandsuitkering nodig hebben. Enkele respondenten zeggen zich wel dankzij de uitstroompremie gezien te voelen. Ze zeggen dat ze door de uitstroompremie het gevoel hebben dat de gemeente achter hen staat. ‘Ik had een paar maanden gewerkt en had

toen dit gekregen. Ik dacht: de gemeente vergeet je niet’, zegt een van hen hierover. Een ander zegt: ‘Het geeft mij mentaal en emotioneel ook het gevoel: de stad vindt het goed dat

ik dat doe.’ Iemand anders geeft aan dat het ‘voelt het alsof ze [mensen van de gemeente] empathischer zijn’ dan gedacht. Deze respondent geeft aan dat het vertrouwen in de gemeente om die reden is toegenomen. Maar voor de meeste respondenten zijn (eerdere) ervaringen met klantbegeleiders en jobcoaches de reden dat zij zich niet begrepen voelen. En de uitstroompremie kan die ervaringen niet overschrijven. Ze ervaren weinig begrip voor hun persoonlijke situatie in de bijstand. Zo zegt een respondent:

‘Je kunt niet in andermans schoenen staan en weten wat iemand meemaakt. Ik kan het proberen uit te leggen en je kunt proberen het te begrijpen, maar echt begrijpen ga je het nooit. […] Voor mijn uitkeringsconsulente was het: ‘Dan doe je toch even je kat weg?’ Daar zat zoveel ruimte tussen, dat ik echt dacht: je hebt geen idee waar ik het over heb.’ Schaamte en het gevoel niet begrepen te zijn onder respondenten leiden ertoe dat zij zich ook niet openstellen. Daardoor bouwen zij geen vertrouwensrelatie op. Een instrument zoals de uitstroompremie kan niet zorgen voor die relatieopbouw. Onder respondenten is er behoefte aan echt contact met hun klantbegeleider, vooral omdat zij het gevoel hebben dat een beter begrip door de klantbegeleider leidt tot betere ondersteuning. De uitstroompremie draagt volgens de respondenten onvoldoende bij aan het gevoel dat

51

Resultaten hun klantbegeleider ze beter begrijpt en kan helpen. Klantbegeleiders luisteren volgens veel Amsterdammers niet echt naar wat zij te vertellen hebben, maar richten zich in gesprekken vooral op de eenzijdige communicatie van verplichtingen. Hierdoor ontstaat moeilijk contact over de persoonlijke situatie van respondenten. Het bureaucratische karakter van de gesprekken draagt bovendien bij aan het gevoel vanuit wantrouwen benaderd te worden.

‘Ik ben op gesprek gegaan, maar het lijkt alsof die mensen met wie ik in gesprek ga, al op alles een antwoord hebben en al weten wat er door mijn hoofd gaat, waardoor het aanvoelt alsof je met een robot aan het praten bent. [….] Wat ze zouden kunnen doen, is iets menselijker zijn. Iets persoonlijker praten, dingen uitleggen en kijken naar iemands situatie. In plaats van: je moet dit en je moet dat, en dit is hoe het eraan toe gaat.’ Deze ervaringen en het gebrek aan écht contact, maken dat de uitstroompremie weinig effectief kan zijn in het opbouwen van vertrouwen via inlevingsvermogen. De uitstroompremie wordt maar in beperkte mate gezien als iets waarmee de gemeente uitdrukt écht te begrijpen wat de noden van mensen zijn met een uitkering. Mensen spreken vooral de behoefte uit dat hun klantbegeleider ze vanuit (meer) vertrouwen benadert. Uitgaan van vertrouwen betekent volgens hen dat de gemeente ervan uit kan gaan, dat de meeste respondenten zelf ook niet hebben gevraagd om hun huidige bijstandssituatie en geen oneigenlijk gebruik maken van de bijstand. Volgens sommige respondenten lijken sommige klantbegeleiders niet geïnteresseerd in de achterliggende redenen waarom mensen geen betaalde baan hebben, zo blijkt uit onderstaand citaat:

‘Ik ben heel klein gemaakt en erg wantrouwend benaderd. Ze hebben geen vertrouwen in je inzet en vermogen. Als ik zei dat het heel zwaar was, werd daar niets mee gedaan. […] Wat is dit voor tactiek? Je kunt ervan uitgaan dat iemand in mijn situatie een vorm van trauma heeft. Als je ziet dat iemand verbaal en fysiek sterk is en het leuk vindt met mensen, dan is er iets waar ze op vast is gelopen.’ Een benadering vanuit wantrouwen werkt bij veel respondenten door in hun vertrouwensbeeld richting de gemeente. Volgens respondenten is een premie uitkeren daarom niet voldoende. Een Amsterdammer legt uit:

‘Nee, ik heb helemaal geen emotie bij die premie. Omdat ze een beleid uitvoeren. Iemand heeft het bedacht en ik denk niet dat die klantbegeleider warm of koud wordt. Laat ik het zo zeggen: ik heb nooit het gevoel gehad dat ze echt interesse

52

Een signaal van waardering

in je hadden. Dan zou het wel een waardering kunnen zijn, maar dan moet je eerst een contact hebben met iemand. Als je geen contact hebt met iemand, dan is het gewoon iemand die achter het computerscherm zit. Die drukt op een knopje en je krijgt € 1000,-. Dat is geen waardering, want die persoon kent je helemaal niet.’

Competentie Is de gemeente met de uitstroompremie in staat om mensen te helpen en op die manier vertrouwen te versterken? Veel mensen zeggen dat de uitstroompremie wel een beetje helpt. Ze vinden het in eerste instantie fijn om een extra buffer te hebben: ‘Het is altijd fijn om geld

te ontvangen, ik denk dat iedereen dat vindt.’ Maar op een meer psychologisch niveau vinden mensen het gebaar van vertrouwen ook helpend en ondersteunend. Een respondent zegt daarover:

‘Op het moment dat er geld in het spel komt, geef je iemand een helpende hand. Het is een cadeau, maar het is ook een helpende hand van: we weten dat je het kunt, alsjeblieft dit is voor jou op het moment dat jij aan het werk gaat. Dat is wel een stukje vertrouwen, vind ik.’ De uitstroompremie biedt iets van zekerheid in de stap naar werk. Het bedrag fungeert als een mentaal steuntje in de rug; als een kleine maar fijne buffer. Amsterdammers benadrukken daarbij dat andere interventies meer kunnen helpen. Ze willen graag werk vinden: ‘Ik heb iets anders nodig. Ik heb training nodig. Ik moet ervoor zorgen

dat een bedrijf mij accepteert […]. Dat helpt mij meer.’ Iemand zegt ‘het fijner gevonden’ te hebben als er meer moeite was gedaan om die persoon aan de slag te krijgen. Iemand anders zegt: ‘Ik denk dat iets dichter erop zitten meer mensen kan helpen’. Het toont de brede wens voor meer positief stimulerende intensieve begeleiding om werk te vinden of een andere manier van hulp om uit te stromen. De uitstroompremie draagt onvoldoende bij aan het beeld van een competente gemeente die mensen aan het werk helpt. De respondenten hebben vooral behoefte aan meer, betere en competente begeleiding bij hun zoektocht naar werk. In het onderzoek is niet systematisch gevraagd naar ervaringen met klantbegeleiding, maar het onderwerp drong zich wel meermaals op wanneer mensen is gevraagd naar wat ze nog aan de gemeente willen meegeven. Telkens komt in de antwoorden van respondenten de duidelijke behoefte terug aan meer structurele en directe ondersteuning bij de stappen die zij willen zetten richting de arbeidsmarkt. Een groot deel van de respondenten geeft aan dat ze deze structurele en kwalitatieve begeleiding missen.

53

Resultaten

‘Ik heb bijna een half jaar moeten wachten op inbreng van de gemeente. Ik denk dat één keer per maand een ‘hoe gaat het’ mensen echt kan helpen. Niet zachtaardig, maar erbij blijven en kijken: hoe kunnen we samen weer naar werk toe?’ Voor het ontbreken van die persoonlijke begeleiding geven respondenten verschillende redenen. Allereerst zijn de caseloads van klantbegeleiders te hoog volgens hen. Zij geven aan dat ze daardoor nauwelijks contact hebben met hun klantbegeleider, of dat het lang duurt voordat ze iets (terug) horen van hen. Vanwege veelvuldige wisselingen geven velen daarbij aan niet altijd te weten wie hun klantbegeleider is. Dat maakt het contact onpersoonlijker, waardoor klantbegeleiders in de ogen van de respondenten minder goede begeleiding kunnen bieden. Zo zegt een respondent:

‘[…] ik had haar nul keer gezien en alles ging via de telefoon of de e-mail. Ik wist niet met wie ik in gesprek was. Ik had er geen gezicht bij. Ik vond het allemaal onpersoonlijk. Ik weet dat klantbegeleiders bij de gemeente een hoge werkdruk en caseload hebben.’ Daarnaast stellen Amsterdammers dat de kwaliteit van de begeleiding sterk afhangt van de persoon die ze tegenover zich hebben. Ze zeggen zowel positieve als negatieve ervaringen te hebben. Klantbegeleiders hanteren volgens hen verschillende benaderingen in hun begeleiding. Sommigen nemen de tijd en komen bijvoorbeeld langs bij een werktraject. Het is volgens de respondenten een teken van persoonlijke betrokkenheid en het zou zorgen voor betere begeleiding omdat zij inspelen op obstakels die respondenten ervaren bij hun re-integratie. Andere klantbegeleiders nemen juist nauwelijks contact op.

54

5

Een signaal van waardering

Conclusie

55

Conclusie

5 Conclusie Uit het onderzoek blijkt dat het merendeel van de Amsterdammers in de bijstand niet op de hoogte was van de uitstroompremie. Deels is dit te verklaren door gebrek aan communicatie over de premie. Het merendeel van de Amsterdammers was niet (via hun klantbegeleider) op de hoogte van de uitstroompremie. Het onderzoek laat duidelijk zien dat informatie over premies tijd nodig heeft, omdat nieuwe en complexe informatie mensen pas bereikt als ze de informatie herhaaldelijk, consistent en op het juiste moment krijgen aangeboden. Voor mensen in de bijstand is dit nog belangrijker, omdat nieuwe informatie voor hen concurreert met andere vaak urgentere informatie over bijvoorbeeld rekeningen en toeslagen. Ook binnen de beleidsorganisatie hebben beleidswijzigingen en professionals die cliënten informeren over premies tijd nodig om de informatie te absorberen en te integreren in hun informatierepertoire. Dit betekent dat stimuleringspremies met eenzelfde grondslag tijd nodig hebben om daadwerkelijk effectief te kunnen zijn. Extrinsieke prikkel en motivatie Omdat Amsterdammers in de bijstand grotendeels niet wisten van de uitstroompremie, is niet na te gaan of de premie heeft meegespeeld in de keuzeafwegingen om betaald werk te gaan verrichten. Het onderzoek laat zien dat de premie geen directe prikkel is om te gaan werken.

De premie zou te laag zijn om te kunnen fungeren als een echte stimulans richting betaald werk. De premie zorgt wel voor kortstondige financiële verlichting, maar neemt het risico en de onzekerheid van de transitie naar betaald werk niet weg. Het onderzoek laat zien dat financiële prikkels mogelijk wel effectief kunnen zijn als ze aansluiten bij de financiële uitdagingen en de risicoperceptie van mensen in de bijstand. Een juiste aansluiting kan ervoor zorgen dat de extrinsieke prikkel om betaald werk te verrichten de intrinsieke motivatie versterkt die veel Amsterdammers al hebben. Veel respondenten zien zichzelf als intrinsiek gemotiveerd om te gaan werken. Ze zijn ervan overtuigd dat de uitstroompremie vooral ánderen kan motiveren. Door de morele grens die ze trekken tussen henzelf en de groep voor wie de premie wel een prikkel zou kunnen zijn, bekrachtigen zij hun zelfbeeld en eigenwaarde als gemotiveerde (potentiële) werkenden (zie ook Lamont, 1992). Ze benadrukken dan ook dat de intrinsieke motivatie bepalender is voor de transitie naar betaald werk (zie ook De Beer, 2024) dan het ontvangen van een premie.

Zo voelt het prettig om zelf een eigen en meestal een hoger inkomen te genereren (de manifeste functie van werk), maar belangrijker is dat betaald werk voorziet in basisbehoeften zoals competentie (het gevoel een taak goed te kunnen uitvoeren), sociale verbondenheid (zich verbonden voelen met anderen), maatschappelijke waarde (een positieve bijdrage leveren aan de samenleving) (Martela & Ryan, 2016; 2020), sociale waardering (door betaald werk onttrekken aan het ‘bijstandsstigma’) en grip op het leven (regie over het eigen leven).

56

Een signaal van waardering Zekerheid en vertrouwen De controle, het wantrouwen en de onzekerheid die mensen met een bijstandsuitkering ervaren maken betaald werk aantrekkelijk omdat ze aan de situatie willen ontsnappen, maar juist diezelfde onzekerheid weerhoudt ze ervan om te ontsnappen. Naar alle waarschijnlijkheid zullen stimuleringspremies die geen rekenschap geven aan deze tegenstijdigheid weinig effect sorteren op stimulering naar betaald werk. Uit ons onderzoek blijkt de uitstroompremie wel een duidelijke indirecte meerwaarde te hebben. Ten eerste biedt de premie financiële ruimte en iets meer financiële zekerheid (bestaanszekerheid). Het extra geld helpt bij directe kosten, zoals een rekening, kinderkleding of een werktas. Cruciaal is dat de premie rond de transitie beschikbaar komt om onvoorziene opstartkosten te dekken en de periode tot het eerste loon te overbruggen. Een juiste timing vermindert de ‘systeemstress’ (Custers, 2023) die veel mensen in de bijstand ervaren. Ten tweede zorgt de premie voor een positief gebaar. Amsterdammers in de bijstand interpreteren de premie als een signaal van waardering en erkenning. De premie voelt als een beloning, waaruit zij opmaken dat ze goed bezig zijn (wat mogelijk bijdraagt aan hun motivatie) en het versterkt het vangnetgevoel.

Hoewel de meesten benadrukken dat zij uit intrinsieke motivatie zijn gaan werken, laat het onderzoek zien dat het ontvangen van de premie zorgt voor een subtiele bevestiging en waardering van hun keuze voor betaald werk. Dit vergroot hun eigenwaarde en lijkt door te werken in het moreel zelfvertrouwen dat zij voldoen aan maatschappelijke normen, zoals het hebben van betaald werk, het leveren van een nuttige bijdrage en zelfredzaamheid. Ten derde draagt de premie bij aan het vertrouwen dat Amsterdammers hebben in de gemeente en Werk Participatie en Inkomen, en in klantbegeleiders in het bijzonder. De bevindingen laten zien dat de uitstroompremie een bescheiden, maar tegelijk kwetsbare bijdrage levert aan dat vertrouwen. De premie is een signaal dat de gemeente mensen op een meer ondersteunende en positieve manier wil stimuleren naar betaald werk. Het is een positief signaal van vertrouwen in haar burgers. Tegelijkertijd zijn er duidelijke spanningen die de effectiviteit van het signaal beperken. Veel Amsterdammers dragen eerdere negatieve ervaringen met zich mee, waardoor zij de uitstroompremie met een zekere scepsis ontvangen. De uitstroompremie kan die ervaringen niet compenseren. Vooral beleid dat onderhevig is aan continue verandering zorgt voor de nodige scepsis omdat zij niet op de continuïteit van beleid kunnen vertrouwen.

En dat heeft gevolgen voor het vertrouwen van Amsterdammers in de gemeente en Werk Participatie en Inkomen, en in klantbegeleiders.

57

Conclusie Het positieve signaal van de uitstroompremie kan botsen met het gevoel van Amsterdammers in de bijstand dat zij structureel te weinig gezien, begrepen of geholpen zijn. De afstandelijke, bureaucratische relatie met klantbegeleiders, wisselingen in klantbegeleiders en hoge caseloads laten weinig ruimte voor persoonlijk en menselijk contact. Klantbegeleiders slagen er daardoor niet altijd in om het vertrouwen van burgers te winnen (Van Echtelt et al., 2024). Voor veel mensen weegt de vertrouwensrelatie zwaarder dan de premie zelf. Ook ander onderzoek (Amagir & Kremer, 2024) laat zien dat mensen het overheidsbeleid als goedbedoelend zien, maar dat het niet altijd aansluit bij wat mensen nodig hebben. De uitstroompremie draagt wel bij aan het beeld van een integere overheid, maar nauwelijks aan het beeld van een responsieve of competente overheid die mensen daadwerkelijk richting betaald werk helpt. Zo ontstaat een blijvende spanning tussen de premie die bedoeld is als positief en ondersteunend gebaar en de ervaringen van beperkte hulp richting werk. Zonder sterke persoonlijke begeleiding blijft de premie een kwetsbaar instrument.

58

6

Discussie

Discussie

6 Discussie De resultaten laten zien dat de uitstroompremie mogelijk een beperkte (en indirecte) rol speelde in motivatie om betaald te werken. Daarnaast is de intrinsieke motivatie van geïnterviewde Amsterdammers in de bijstand om te gaan werken hoog, maar tal van obstakels staan die motivatie in de weg (zie ook Bos et al., 2023). Dit roept de vraag op in hoeverre financiële prikkels effectief zijn voor een doelgroep die intrinsiek gemotiveerd is en zoekt naar fundamentele basisbehoeften zoals competentie, sociale verbondenheid, maatschappelijke waarde, sociale waardering en grip op het leven. Interventies die geen rekening houden met deze basisbehoeften zullen naar verwachting minder effectief zijn. Een stimuleringspremie beïnvloedt gedrag waarschijnlijk beperkt wanneer de premie onbekend is, onvoldoende aansluit bij de basisbehoeften of te laag is om op te wegen tegen onzekerheden rond gedragsverandering. Tegelijkertijd laat het onderzoek zien dat een premie een signaal kan zijn van sociale waardering en erkenning. Mits op het juiste moment en binnen een ondersteunende context aangeboden, kan de premie juist een waardevolle bijdrage leveren aan de intrinsieke motivatie en het stimuleren van gewenst gedrag. Stimuleringspremies zijn nodig als instrument om gedrag te sturen.

Het onderzoek laat zien dat de effectiviteit van stimuleringspremies vooral afhangt van de mate waarin beleid erin slaagt om voorspelbaarheid en stabiliteit te creëren. Niet de premie zelf, maar de beleidscontext, zoals duidelijkheid over rechten en plichten en vertrouwen in uitvoerders, bepaalt of mensen met een bijstandsuitkering ruimte ervaren om daadwerkelijk andere keuzes te maken. Als stimuleringspremies ingebed zijn in een institutionele omgeving waarin hulp centraal staat, kan zelfs een bescheiden premie functioneren als katalysator voor vertrouwen en transitie naar betaald werk. Premies zorgen dan niet direct voor activering, maar voor het gevoel van grip en veiligheid dat nodig is om stappen te zetten richting werk. De institutionele werking van premies vraagt wel om aandacht voor mogelijke neveneffecten, waaronder de impact van beleid op sociale normen rondom participatie. De premies kunnen verschillende onbedoelde bijeffecten hebben. Het is goed denkbaar dat ze de sociale norm versterken dat betaald werk de gewenste manier van participatie is. Versterking van deze norm werkt waarschijnlijk stigmatiserend voor mensen zonder betaald werk (Sage, 2019), en vergroot het statusverschil tussen betaalde banen en onbetaald “maatschappelijk productief” werk, zoals vrijwilligerswerk of mantelzorg (De Wit, 2024; Goos et al., 2025).

Zulke effecten verdienen de aandacht van beleidsmakers en onderzoekers.

60

Een signaal van waardering Voor vervolgonderzoek is het essentieel om effecten van de uitstroompremie nauwkeuriger te bepalen. Wanneer experimentele variatie niet mogelijk is, kunnen quasi-experimentele methoden waardevolle inzichten opleveren. Daarnaast is onderzoek over een langere tijdsperiode nodig om te beoordelen of premies op de langere termijn bijdragen aan de basisbehoeften van mensen in de bijstand. Dat de uitstroompremie vooral functioneert als post-beloningsmechanisme en met name groepen bereikt die al dichter bij de arbeidsmarkt staan, benadrukt het belang van onderzoek naar de uitwerking van stimuleringspremies onder verschillende groepen. Het is aannemelijk dat variaties in sekse, leeftijd, huishoudsamenstelling en instroomredenen verschillend reageren op stimuleringspremies. Onderzoek naar stimuleringspremies, gekoppeld aan doelgroepgerichte begeleiding, kan beleidsmakers waardevolle kennis bieden over de contexten en randvoorwaarden waarin premies daadwerkelijk verschil kunnen maken.

61

7

Discussie

Aanbevelingen

62

Een signaal van waardering

7 Aanbevelingen Het onderzoek laat zien dat de uitstroompremie impact kan genereren, maar in de huidige vorm onvoldoende voorspelbaar en bekend is om het volledige potentieel te benutten. De ervaringen van Amsterdammers in de bijstand laten zien dat informatievoorziening, vormgeving, uitvoeringskwaliteit en beleidscontinuïteit bepalend zijn voor de impact op motivatie, vertrouwen en de transitie naar betaald werk. De aanbevelingen geven richting aan bredere beleidskeuzes rondom bestaanszekerheid en activering. Tegelijkertijd zijn de aanbevelingen voldoende concreet om direct toepasbaar te zijn in de vormgeving en uitvoering van stimuleringspremies. Ze bieden input voor een strategische beleidsrichting en praktische handvatten voor een effectievere en duurzamere inzet van de stimuleringspremies.

1. Meer aandacht voor en kennis over de uitstroompremie. Uit dit onderzoek blijkt dat veel Amsterdammers in de bijstand niet goed geïnformeerd zijn over de uitstroompremie. Gebrek aan voorlichting, maar ook aan een combinatie van informatieoverload, bureaucratische complexiteit en systeemcomplexiteit spelen een rol in hoe goed mensen geïnformeerd zijn. Hierdoor maken mensen soms keuzes die niet voor iedereen, of in elke situatie, optimaal zijn (zie ook Bos et al., 2023). Dit onderzoek laat zien dat meer aandacht voor en kennis over de uitstroompremie essentieel is om als prikkel en motivatie te kunnen fungeren voor uitstroom naar betaald werk. Klantbegeleiders spelen een belangrijke rol in het informeren over de uitstroompremie. Om dat te realiseren is het belangrijk dat alle klantbegeleiders goed geïnformeerd zijn over de invoering van een stimuleringspremie. Vooral voor tijdelijke stimuleringspremies is aandacht voor en kennis van de premie belangrijk, om succesvol te kunnen zijn als activeringsinstrument.

2. Stem de uitbetaling van de premie af op het transitiemoment. Het onderzoek laat zien dat de uitstroompremie in zekere mate bijdraagt aan de ervaren bestaanszekerheid en het welzijn. Tegelijkertijd zijn de (geld)zorgen bij Amsterdammers die de uitstroompremie ontvangen vaak te groot om de bestaanszekerheid significant te kunnen verbeteren met een eenmalige premie. De uitstroompremie voelt vaak als een cadeautje dat zorgt voor kortstondige verbetering van de ervaren bestaanszekerheid. Eerder onderzoek naar de rol van de bijverdienpremie bij de ervaren bestaanszekerheid laat zien dat structurele en langdurige uitbetaling bijdraagt aan minder financiële zorgen voor mensen in de bijstand met een deeltijdbaan (Bos et al., 2023).

63

Aanbevelingen Aangezien de uitstroompremie een eenmalige premie is, vraagt deze om een zorgvuldige uitvoering en timing. Het uitbetalingsmoment en de wijze van uitvoering zijn van groot belang voor de ervaren bestaanszekerheid bij eenmalige uitkeringen. Wanneer Amsterdammers de premie ervaren als eenvoudig, transparant en foutloos uitgekeerd, draagt dit bij aan een hogere ervaren bestaanszekerheid en een positiever oordeel over de regeling. Het verdient daarom aanbeveling om de uitstroompremie zo dicht mogelijk te positioneren rond het transitiemoment naar betaald werk. Deze overgang brengt vaak extra kosten met zich mee, zoals de aanschaf van werkkleding of werkgerelateerde benodigdheden, en gaat bovendien gepaard met onzekerheid door mogelijke veranderingen in inkomensafhankelijke toeslagen. Door de premie op dit cruciale moment beschikbaar te stellen, kan zij beter inspelen op zowel de praktische als financiële onzekerheden die de overgang naar werk kenmerken. De premie heeft mogelijk een andere impact op verschillende groepen. Differentiatie naar huishoudsamenstelling zou mogelijk kunnen bijdragen aan een grotere impact op zowel de bestaanszekerheid als de transitie naar (meer) betaald werk.

In combinatie met differentiatie naar geleverde participatie, zoals het volgen van een opleiding of het verrichten van deeltijdof onbetaald werk om toe te treden tot de arbeidsmarkt, kan de premie naar verwachting aanzienlijk meer impact genereren.

3. Zorg voor duurzame inbedding van stimuleringsmaatregelen Veel Amsterdammers in de bijstand zien de uitstroompremie als een positief signaal vanuit de gemeente. Ze zien het als een beloning voor hun stap naar betaald werk. De combinatie van een positief signaal en persoonlijke aandacht en erkenning kan de intrinsieke motivatie versterken en bijdragen aan meer vertrouwen in de gemeente, WPI en klantbegeleiders (zie ook Norris, 2022; Kremer, 2024). Het positieve signaal neemt af als het botst met (eerdere) negatieve ervaringen. Daarom is het belangrijk dat stimuleringspremies, zoals de uitstroompremie en de bijverdienpremie, zijn ingebed in een totaalpakket aan interventies rondom uitstroom uit de bijstand dat dezelfde boodschap uitstraalt: de gemeente gaat uit van vertrouwen en wil op een positieve manier betaald werk of uitstroom stimuleren. Vooral het contact met de klantbegeleider is een belangrijke signaalversterker of -verzwakker. Frequenter en persoonlijker contact met klantbegeleiders maakt premies waarschijnlijk effectiever. Enerzijds omdat de kans dan groter is dat mensen in de bijstand bekend raken met de premie. Maar ook omdat frequenter contact kan bijdragen aan meer begrip en erkenning en daarmee aan meer vertrouwen (zie ook Theiss & Szelewa, 2025).

Het is daarbij belangrijk dat klantbegeleiders meer handvatten krijgen aangereikt om de juiste vragen te stellen aan mensen in de bijstand, zodat het contact niet alleen draait om eenzijdige communicatie over verplichtingen.

64

Een signaal van waardering Beperk ook de snelle afwisseling van beleidsmaatregelen en pilots, omdat dit de kracht en geloofwaardigheid van het beleidsmatige signaal ondermijnt. Wanneer instrumenten zoals premies elkaar te snel opvolgen, nemen mensen deze minder serieus en ervaren zij de maatregelen als tijdelijk en onzeker, wat de effectiviteit vermindert. Zet de uitstroompremie daarom bij voorkeur structureel in, zodat deze kan meewegen in de overwegingen van Amsterdammers om de stap naar werk te zetten. Meer continuïteit in beleid, interventies en de relatie tussen de gemeente en burgers versterkt zowel intrinsieke motivatie als vertrouwen op de langere termijn.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16943137/1