Bijlage 2.Brief Minister BZK. 26-09-2017 mbt herziening bestuurlijk stelsel Amsterdam bij Verordening op het Lokaal Bestuur 2018
Tekst van het document
Ministerie van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties
> Retouradres Postbus 20011 2500 EA Den Haag
Gemeente Amsterdam
t.a.v. het college van burgemeester en wethouders
DGBW/B&F
Afdeling Inrichting Openbaar Bestuur
Postbus 202 1000 AE Amsterdam
Turfmarkt 147
Den Haag Postbus 20011
2500 EA Den Haag Contactpersoon Mr. A.P. (Alain) Krijnen T
06-52809245
alain.krijnen@minbzk.nl
Kenmerk 2017-0000450788
Datum
2 6 SEP 2017
Betreft
vormgeving nieuw bestuurlijk stelsel
Geacht college,
Bij brief van 18 juli jl. stelde u mij twee vragen over de vormgeving van het nieuwe bestuurlijk stelsel, dit in vervolg op uw brief van 17 januari en mijn antwoord van 10 februari (kenmerk 2017-43585). Graag ga ik hieronder op uw vragen in. In mijn brief van 10 februari, alsmede in mijn brief aan de Eerste Kamer van 24 april 2014 (Kamerstukken I 2013/14, 33 017, F), heb ik het wettelijk kader geschetst voor het gebruik van bestuurscommissies ex artikel 83 Gemeentewet en adviescommissies ex artikel 84 Gemeentewet.
U schrijft nu dat er bij de vormgeving van het nieuwe bestuurlijk stelsel voor is gekozen om de vakinhoudelijke bevoegdheden aan de bestuurscommissies (waarvan de leden door het college worden benoemd) te mandateren en om met name algemene bevoegdheden te delegeren. U vraagt mij of hiermee wordt voldaan aan het kader en de bedoelingen van de Gemeentewet. Delegatie en mandaat Zoals ik in mijn brief van 10 februari heb geschreven, vormt delegatie van bevoegdheid een wezenskenmerk van een bestuurscommissie. Het bestaansrecht van de bestuurscommissies is met name gelegen in de aard en betekenis van de overgedragen bevoegdheden. Deze bevoegdheden oefenen de bestuurscommissies met een zekere zelfstandigheid en op eigen naam uit, hoewel zij verantwoording verschuldigd zijn aan de raad of het college als instellend orgaan en ook aan interbestuurlijk toezicht onderworpen zijn. De Gemeentewet staat er niet aan in de weg dat daarnaast aan bestuurscommissies bevoegdheden worden gemandateerd. Gemandateerde bevoegdheden worden namens en onder directe verantwoordelijkheid van de mandaatgever uitgeoefend, welke ook algemene en bijzondere aanwijzingen kan geven.
Pagina 1 van 3
DGBW/B&F
Ik constateer dat in het huidige voorstel een aanzienlijk aantal - hoofdzakelijk uitvoerende - bevoegdheden wordt gemandateerd. Uw college kiest hiervoor gelet op - zoals u dat zelf noemt - het uitgangspunt van verlengd lokaal bestuur. Daarnaast is echter ook een aantal algemene bevoegdheden aan de bestuurscommissies gedelegeerd. Voor uw keuze heb ik begrip; het valt echter
Afdeling Inrichting Openbaar Bestuur
Datum
Kenmerk
2017-0000450788
lastig te beoordelen waar precies de grens ligt in een toelaatbare verhouding tussen delegatie en mandaat. Op basis van de mij beschikbare informatie ga ik er van uit dat u nauwgezet heeft getracht het juiste evenwicht te vinden tussen gedelegeerde en gemandateerde bevoegdheden. Een evenwicht ook tussen
enerzijds recht doen aan het kader van de Gemeentewet en de bedoeling van de wetgever, maar anderzijds ook de zorg voor een effectieve bestuurlijke inrichting binnen de complexiteit van een stad als Amsterdam. Daarbij merk ik op dat wel vraagtekens kunnen worden geplaatst bij het delegeren van de bevoegdheid om nadere regels te stellen ten aanzien van de uitvoering van de gemandateerde bevoegdheden. De bestuurscommissies zouden dan op eigen naam nadere regels stellen ten aanzien van bevoegdheden die zij namens het college uitoefenen. Het zou logischer zijn als zij bevoegd waren om nadere regels te stellen ten aanzien van bevoegdheden die zij ook op eigen naam uitoefenen, welke dus zijn gedelegeerd in plaats van gemandateerd. Agenderingsmogelijkheden adviescommissies Daarnaast vraagt u naar de mogelijkheid van directe agendering van onderwerpen in de gemeenteraad of de raadscommissies door de rechtstreeks gekozen adviescommissies. De adviescommissies hebben tot taak het gemeentebestuur gevraagd en ongevraagd van advies te dienen over zaken betreffende hun stadsdeel.
Uit de wetsgeschiedenis blijkt (Kamerstukken II 2000/01, 27 751, nr. 3, biz. 50) dat in een gedualiseerd stelsel, waar de raad en de raadscommissies door middel van politieke sturing het college controleren en kaders stellen voor het collegebeleid, het nodig is dat de raad en zijn commissies zelf hun agenda vaststellen. In die context ligt het in de rede dat de adviescommissies (stadsdeelcommissies) stukken voor de agenda van de raad of de raadscommissies kunnen aandragen en daarbij de raad of de raadscommissies kunnen vragen die te agenderen. Vervolgens is het aan de raad of de raadscommissies zelf om over de agendering te beslissen. Tevens is het aan de raad of de raadscommissie om al dan niet in het reglement van orde, dan wel de verordening op de raadscommissies, uiting te geven aan de wijze waarop met de door de adviescommissies ter agendering aangedragen stukken wordt omgegaan. Om recht te doen aan de positie van het college om de beslissingen van de raad voor te bereiden, zou mijns inziens wel een voorziening moeten worden getroffen waarbij het college in de gelegenheid wordt gesteld te reageren op hetgeen door een adviescommissie wordt ingebracht, zodat de raad of raadscommissie een advies op zijn merites kan beoordelen.
Pagina 2 van 3
Slotopmerkingen Tot slot: het is in beginsel niet de verantwoordelijkheid van de minister van BZK
dgbw/b&f Afdeiing inrichting openbaar
om op voorhand een oordeel te geven over de rechtmatigheid van gemeentelijke beleidsvoornemens. Ik moet dan ook een slag om de arm houden bij de beoordeling van uw voornemens. Wel heb ik er vertrouwen in dat u bij de
vormgeving van het nieuwe bestuurlijk stelsel uw verantwoordelijkheid neemt en
20^0000450788
recht doet aan de bedoeling van de wetgever. Hoogachtend,
De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
dr. R.HlA. Plasterk
Pagina 3 van 3