CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 bij verzamelverordening raad Weesp 2024 Transitievisie warmte Amsterdam en Weesp.pdf

RAAD 28 februari 2024, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Vaststellen van de verzamelverordening Weesp gemeenteraad Amsterdam 2024 voor de harmonisatie van de regelgeving van Weesp en Amsterdam (VN2024-000686)44.136 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

We zien dat op dit moment de warmtetransitie nog bijna nergens rendabel is. Om gebouweneigenaren bereid te krijgen kosten te maken voor de overstap naar aardgasvrij is het noodzakelijk om de onrendabele top weg te nemen. De transitie kan alleen succesvol verlopen als de business case voor zowel de bewoners als de andere betrokken partijen passend is. De gemeente wil haar subsidiebeleid zo inrichten dat daarmee de onrendabele top kan worden gefinancierd op de plekken waar de overstap nog niet uit kan. Om dit ook op langere termijn te kunnen garanderen, is steun vanuit de Rijksoverheid essentieel. Hierbij is het van belang dat we bij de overstap naar aardgasvrij zoveel mogelijk de route volgen die in deze transitievisie wordt geschetst, op basis van de laagste maatschappelijke kosten voor alle betrokken partijen in de stad. Hoe meer gebouweigenaren kiezen voor een andere optie dan de maatschappelijk goedkoopste optie in hun buurt, hoe minder we die laagste kosten voor de rest van de stad kunnen garanderen. De volgende paragraaf 4.3 ‘Hoe sturend is de transitievisie warmte?’ gaat daar verder op in. Haalbaar en betaalbaar voor iedereen Uiteraard is het belangrijk niet alleen naar de totale kosten te kijken als het gaat om betaalbaarheid. De gebruikskosten van de gebouweigenaar en/of de eindgebruiker (bewoner, huurder) hebben een grote impact op de betaalbaar-

heid. In het coalitieakkoord ‘Een nieuwe lente en een nieuw geluid’16, hebben we als uitgangspunt gesteld dat de totale woonlasten voor huishoudens met lage en middeninkomens niet mogen stijgen als gevolg van de kosten van de energietransitie. De gezamenlijke City Deal partijen onderschrijven dit. Voor de gebruiker bestaat betaalbaarheid uit de totale woon- en energielasten voor en na de investering die nodig is om aardgasvrij te worden. Dit betekent dat: ƒ De investering voor een gebouweigenaar haalbaar of financierbaar moet zijn ƒ De maandlasten (energierekening) voor de eindgebruiker betaalbaar moeten zijn Om de investering voor gebouweigenaren tegemoet te komen werkt de gemeente nauw samen met grote eigenaren zoals de woningcorporaties en de grote vastgoedeigenaren. Voor individuele eigenaren die aardgasvrij worden, zijn subsidies beschikbaar vanuit de gemeente Amsterdam. Ook op Rijksoverheidsniveau zijn subsidies beschikbaar en worden nieuwe financieringsinstrumenten opgezet om de voorinvestering voor de gebouweigenaar haalbaarder te maken, zoals gebouwgebonden financiering. Gemeente Amsterdam maakt zich er hard voor om in de startbuurten met een mix van deze instrumenten steeds samen met 16 https://www.amsterdam.nl/bestuur-organisatie/ volg-beleid/coalitieakkoord-2018/

Transitievisie Warmte Amsterdam 43

de partners en bewoners in de buurt tot een betaalbaar aanbod voor iedereen te komen. Omdat veel van de startbuurten ontwikkelbuurten zijn17 wordt hier extra gelet op de betaalbaarheid. Door deze buurten de kans te geven om vroegtijdig de overstap naar aardgasvrij te maken, zijn zij niet afhankelijk van een stijgende energiebelasting op aardgas, een externe factor die het gebruik van aardgas voor bewoners duurder zal maken. Voor veel van deze buurten lijkt het warmtenet een alternatief te kunnen bieden waarbij de gemiddelde woonlasten niet stijgen en in combinatie met isolatie mogelijk zelfs afnemen. Kosten warmtetransitie waarschijnlijk hoger in binnenstad Voor de buurten met oudbouw in de binnenstad en de kleine kernen vraagt de positie van huurders en particuliere woningeigenaren specifiek om aandacht. De warmtevraag moet in de 17 Ontwikkelbuurten zijn buurten waar de maatschappelijke problemen het grootst en meest hardnekkig zijn in onze stad. In de Ontwikkelbuurten werkt de gemeente sinds 2017 samen met bewoners, corporaties en overige betrokkenen in 32 buurten in Nieuw West, Zuidoost en Noord.

Focus hierbij ligt op betere woningen en maatschappelijke accommodaties, een aantrekkelijkere en veiligere leefomgeving, een adequatere set aan sociale maatregelen waarmee de sociaaleconomische status van de buurt en de bewoners verbetert, toekomstbestendigere en evenwichtigere woonbuurten. Bron: Bestuursopdracht Ontwikkelbuurten, vastgesteld door het College van B&W op 14 maart 2017.

binnenstad vergaand worden teruggebracht. Dit betekent dat in een aantal buurten mogelijk in verhouding duurdere besparingsmaatregelen moeten worden genomen. Anderzijds zullen de verbruikskosten voor gas in de toekomst toenemen. Voor deze gebouweigenaren en/of bewoners zullen de kosten voor de warmtetransitie daarom in verhouding waarschijnlijk hoger zijn dan voor bewoners op andere plekken in de stad. Als gemeente Amsterdam nemen we het risico op energiearmoede serieus. Als vervolg op deze transitievisie warmte zal daarom in kaart worden gebracht waar het risico hierop het grootst is en hoe dit tegen kan worden gegaan. Investeringskosten voor bewoners in all-electric of duurzaam gas buurten Gebouweigenaren in buurten met als voorkeursoptie all-electric of een duurzaam gasnet komen mogelijk voor (hoge) investeringen te staan. Een warmtepomp is kostbaar en voordat een woning of gebouw elektrisch of met duurzaam gas kan worden verwarmd moet soms eerst nog vergaand geïsoleerd worden. De planning in deze transitievisie geeft gebouweigenaren zoveel mogelijk ruimte om deze maatregelen op natuurlijke momenten te nemen, om zo de kosten van de investeringen aanvaardbaar te houden. Ook dan zullen voor sommige individuele woningeigenaren de investeringskosten moeilijk of niet financierbaar zijn. De gemeente is zich daarvan bewust en

zal zich inzetten om woningeigenaren hierin te ondersteunen.

4.3 Hoe sturend wordt de transitievisie warmte? Om de transitie betaalbaar te houden is het belangrijk om af te spreken hoe we ervoor zorgen dat de meeste gebouweigenaren kiezen voor de warmteoptie die in hun buurt de voorkeur heeft. Voor particuliere woningeigenaren geldt dat zij in principe zelf mogen kiezen welke warmteoplossing ze willen toepassen. De praktijk zal echter ook uitwijzen dat er niet altijd keuze is. Niet in alle buurten komt een warmtenet, all-electric vraagt om vergaande isolatie die niet altijd technisch haalbaar of betaalbaar is, en het gasnet zal in de meeste buurten uiteindelijk verdwijnen. Het is maatschappelijk niet kosteneffectief om een dubbele infrastructuur aan te leggen, maar zoals eerder beschreven verwachten we in alle buurten een bepaald percentage ‘opt-out’: eigenaren die ervoor kiezen niet op de dominante oplossing aan te sluiten maar zelf een individuele oplossing of een kleinschalige warmteoplossing met bronnet te realiseren. Voor buurten waar een all-electric oplossing wordt voorzien is er geen keuze, daar is het elektriciteitsnet straks de enige infrastructuur. In het geval van warmtenetten geldt over het algemeen dat hoe meer opt-outs er zijn, hoe duurder de realisatie van het warmtenet in de buurt wordt, wat een

negatief effect heeft op de betaalbaarheid. Een belangrijk dilemma voor de gemeente als regisseur van de transitie is daarom in welke mate en op welke manier we sturend willen zijn in het realiseren van de voorkeursoptie per buurt. Tot nu toe heeft de gemeente in de transitie naar aardgasvrij vooral gestuurd door initiatieven in de stad – van particulieren tot City Deal partners – te steunen en samen de gewenste richting te zoeken. De aardgasvrijregisseurs van de gemeente (zie 5.2) faciliteren deze initiatieven met onafhankelijke informatie over alle mogelijkheden om aardgasvrij te worden en de kosten daarvan. De gemeentelijke subsidieregeling is recent aangepast zodat gebiedsgerichte plannen extra gestimuleerd worden. In buurten waar gemeente, bewoners en andere stakeholders al met elkaar in gesprek zijn zetten we deze manier van werken en faciliteren voort en wordt in samenspraak de richting bepaald. Met het vaststellen van de transitievisie warmte gaat de gemeente in buurten waar het gesprek nog moet starten nadrukkelijker regisseren. De gemeente kan bijvoorbeeld sturing geven door inzet van de eigen medewerkers en door middel van gemeentelijke subsidies. De gemeente heeft binnen de huidige wetgeving geen juridische instrumenten om te sturen op de

Transitievisie Warmte Amsterdam 44

voorkeursinfrastructuur en op de keuzes van woningeigenaren. De uitkomsten van deze transitievisie warmte zijn daarmee juridisch niet bindend maar vormen een richtlijn voor de ontwikkeling van de overstap naar aardgasvrije warmteopties in de stad. Het is mogelijk dat er in de toekomst vanuit nationale regelgeving wel bindende voorwaarden worden gesteld aan de warmtetransitie. De transitiekaart is het meest robuust voor de buurten die in de eerste fase aan de beurt zijn. Deze buurten zijn geselecteerd op basis van de besliscriteria die zijn aangedragen in de notitie van uitgangspunten. Voor de buurten die na 2030 aan de beurt zijn is het belangrijk om tijdens de herijkingsmomenten (minimaal elke vijf jaar) na te gaan of er nieuwe inzichten zijn op basis van omringende buurten die stappen hebben gezet of technieken die verder zijn ontwikkeld. Waar nodig kan de richting voor de buurten in de 2e en 3e fase vervolgens worden bijgesteld. Bijvoorbeeld als het gaat om de infrastructuur in het centrum en andere vooroorlogse gebieden, buurten waarvan de kosten tussen twee warmteopties dicht bij elkaar liggen, of de gedetailleerde planning van buurten. Ondertussen zetten we de komende jaren via de buurtuitvoeringsplannen, een isolatieaanpak en een aanpak voor

de zakelijke markt met betrokken bewoners, bedrijven en partners de eerste belangrijke stappen. De gemeente heeft in de subsidieregeling aardgasvrij al een incentive voor gebiedsgericht werken gegeven. Bij het opstellen van buurtuitvoeringsplannen zal de gemeente, na vaststellen van de transitievisie door de raad, de uitkomsten van de transitievisie als uitgangspunt nemen voor het gesprek met de buurt en het opstellen van buurtuitvoeringsplannen (zie hoofdstuk 5). De praktijk zal leren of verdergaande regie wenselijk of zelfs noodzakelijk is om de ambitie aardgasvrij in 2040 te halen en welke manieren van sturing hiervoor het meest effectief zijn. Als uitwerking van het Klimaatakkoord beraadt ook de rijksoverheid zich met partners zoals de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) op meer sturingsmogelijkheden voor gemeenten.

Transitievisie Warmte Amsterdam 45

Hoofdstuk 5

Van visie naar uitvoering De transitievisie warmte geeft op stadsniveau richting aan de opgave van een aardgasvrije gebouwde omgeving. In dit hoofdstuk gaan we verder in op stappen die nodig zijn om te komen van deze visie naar de daadwerkelijke uitvoering. De transitievisie werken we uit op buurtniveau in buurtuitvoeringsplannen. Dat doen we met de aanpak Wijken Aardgasvrij Maken. Door stedelijke programmering zorgen we daarbij voor een afstemming tussen aardgasvrij en andere opgaves in de stad.

uitvoeringsplan

uitvoeren van fase 1 warmtenetbuurten uitvoeringsplan

uitvoeren van fase 2 warmtenetbuurten

Figuur 10. Planning uitvoeringsplannen warmtenetbuurten fase 1 en fase 2

5.1 H  oe ziet de planning er voor de eerste buurten uit? In de warmtenetbuurten is een collectieve gefaseerde aanpak nodig zoals beschreven in hoofdstuk 3. We stellen daar buurtuitvoeringsplannen op samen met de buurtbewoners en de betrokken partijen volgens de aanpak Wijken Aardgasvrij Maken (WAM), zie tevens paragraaf 5.2. Het buurtuitvoeringsplan is een gedetailleerd plan dat houvast biedt door onder andere: een meer gedetailleerde planning van de overstap naar aardgasvrij een uitwerking van de technische haalbaarheid van de warmteoplossing inclusief eventuele uitzonderingen op de voorkeursoplossing voor specifieke complexen een financiële doorrekening van de benodigde investeringen met aandacht voor de financiering daarvan en mogelijke subsidies de samenhang met andere werkzaamheden in de ondergrond en de openbare ruimte

In ongeveer vijftig CBS buurten is het overleg al gestart met bewoners en andere stakeholders om te komen tot een buurtuitvoeringsplan. Daar gaan we door op de koers die we samen hebben gekozen om tot een oplossing voor de buurt te komen. Wel leggen we onszelf een deadline op: voor de eerste fase warmtenetbuurten willen we binnen twee à drie jaar de buurtuitvoeringsplannen gereed hebben voor besluitvorming in de gemeenteraad. Daarna kan dan per buurt de uitwerking en uitvoering plaatsvinden, zie paragraaf 5.3. In de tweede fase warmtenetbuurten starten we vanaf 2022 met het opstellen van de uitvoeringsplannen en willen we in twee jaar tijd komen tot een gedragen plan. In bovenstaande figuur 10, is de planning voor de eerste en tweede fase warmtenetbuurten weergegeven.

Transitievisie Warmte Amsterdam 46

5.2 W  elk proces volgen de buurten naar aardgasvrij? 5.2.1 Buurtuitvoeringsplannen Amsterdam werkt samen met stakeholders en bewoners volgens de Wijken Aardgasvrij Maken (WAM) aanpak, waarbij de buurt verschillende fases doorloopt, van eerste verkenning van verschillende warmteoplossingen tot uiteindelijk realisatie van de collectieve voorkeursvariant. Dat gebeurt onder leiding van gemeentelijke ‘aardgasvrijregisseurs’ die in nauw contact met de buurt staan. Bij het opstellen van een buurtuitvoeringsplan worden professionele stakeholders voor de energietransitie zoals de netbeheerder, de woningcorporaties en andere grote eigenaren betrokken. Vanzelfsprekend behoren ook bewoners, in de vorm van particuliere eigenaren, VvE’s, bewonerscommissies en huurders, tot de stakeholders. De participatie van bewoners bij dit proces zal in elke buurt weer anders verlopen, afhankelijk van de gewenste betrokkenheid van bewoners. Stadsdelen ondersteunen bij het bereiken van bewoners, het ophalen van wensen, en het creëren van draagvlak. Door continu te leren en de WAMaanpak te blijven aanscherpen, zorgen we dat het proces naar een aardgasvrije buurt over de tijd steeds efficiënter verloopt. Om te komen tot een buurtuitvoeringsplan is een breed gedragen voorkeursoplossing nodig. In buurten waar we na

vaststellen van de transitievisie warmte met de WAM-aanpak beginnen, is de transitievisie warmte het vertrekpunt om te komen tot een gezamenlijke voorkeursoplossing. Belangrijk om hierbij te noemen is dat in het WAM-proces keuzes gemaakt worden op basis van consensus. De gemeente heeft op dit moment geen andere instrumenten beschikbaar dan overleg en subsidie om regie te voeren (zie 4.3). Volledig sturen op de voorkeursvariant per buurt kan dus alleen als aanvullend instrumentarium vanuit de Rijksoverheid beschikbaar komt. Het gesprek met bewoners en stakeholders gaat niet alleen over de voorkeursoplossing, maar ook over de veranderingen die nodig zijn in de woning, de fasering binnen de buurt, hoe overlast in de buurt beperkt kan worden en de collectieve inkoop van isolatie of inductieplaten. De WAM-aanpak duurt nu ongeveer drie jaar, vanaf het eerste contact met de buurt tot en met het opstellen van een concreet plan dat klaar is voor besluitvorming door onder meer de gemeenteraad. De uitvoering zal in elke buurt gefaseerd plaatsvinden en zal binnen een buurt meerdere jaren duren. In de ene buurt zal het sneller gaan dan in de andere. Dit is mede afhankelijk van de afstemming met de andere werkzaamheden in het gebied. Een buurt met voornamelijk woningen van grote vastgoedeigenaren zoals woningcorporaties kan sneller de overstap naar een

collectieve oplossing maken dan een buurt waarin veel particuliere woningeigenaren, retail, horeca en utiliteit zoals scholen aanwezig zijn. Het is van belang dat bewonerscommissies in samenwerking met corporaties tijdig worden betrokken bij de WAM-aanpak en op de hoogte zijn van de voorkeursoplossing die geldt voor hun buurt. Op die manier kunnen zij goed voorbereid deelnemen aan het buurtproces en zich voorbereiden op de inzet van de corporatie voor hun complexen. Ook de particuliere eigenaren en de VvE’s worden vroegtijdig betrokken en ondersteund om de keuze te kunnen maken voor hun eigen woning.

5.2.2 Rol van stadsdelen bij buurtgerichte uitvoering Stadsdelen fungeren als de oren en ogen van de stad. Ze staan nauw in contact met de buurten en haar bewoners. Zij zijn om deze reden geschikte kandidaten om een actieve rol op zich te nemen bij de buurtgerichte uitvoering van de TVW en andere participatietrajecten. De precieze betrokkenheid van de stadsdelen en de toepassing binnen de WAM wordt gezamenlijk nog verder uitgewerkt. Wel kan er nu al onderscheid worden gemaakt in uitvoeringsgerichte aspecten aan de ene kant, en bestuurlijke aan de andere kant. Aspecten die te maken hebben met de uitvoering zijn bijvoorbeeld het afstemmen over openbare ruimte en bereikbaarheid, bijdragen aan communicatie

en informatievoorziening, of activiteiten organiseren op het gebied van democratisering. Bestuurlijke aspecten gaan meer over het vaststellen van buurtuitvoeringsplannen. De samenwerking en de verdeling van taken en rollen moet goed aansluiten op de ambtelijke en bestuurlijke verhoudingen die we met elkaar hebben afgesproken. De stedelijke directies zorgen voor het opstellen van (strategisch) beleid en de stadsdelen als ‘ogen en oren’ in de buurt zorgen voor de betrokkenheid van de bewoners en het (mede) tot stand brengen van de uitvoering.

5.3 Stedelijk programmeren – een bereikbare en leefbare stad in transitie Een nauwe samenhang tussen stedelijk programmeren en de WAM-aanpak is essentieel. Belangrijke criteria bij stedelijk programmeren zijn de bereikbaarheid, leefbaarheid en veiligheid voor de bewoner, bezoeker en ondernemer. Deze criteria bepalen welk werk op welke manier geprogrammeerd wordt. De stadsregisseur wijst daarom tijdvakken aan voor uitvoering en stelt eisen aan de wijze van uitvoering. Meerdere werkzaamheden tegelijkertijd voor minder overlast Uitgangspunt van de transitievisie warmte is ‘werk met werk maken’ en tijdige afstemming tussen partners. Dit is een belangrijk aandachtspunt tijdens het opstellen van de buurtuitvoerings-

Transitievisie Warmte Amsterdam 47

plannen, niet alleen binnen aardgasvrij, maar ook afstemming met andere werkzaamheden in de stad. Dit loopt uiteen van regulier onderhoud aan de wegen, riool en andere infrastructuur van de gemeente en andere partijen, tot opgaven in de openbare ruimte die voortkomen uit de verschillende programma’s en ambities van de stad zoals de programma’s ‘Bruggen en Kademuren’ en ‘Amsterdam Rainproof’. Niet alleen binnen een buurt moeten partners investeringen en planningen afstemmen, ook tussen buurten is dit essentieel om tot goede buurtuitvoeringsplannen en uitvoering te komen. Door het grote aantal opgaven in de openbare ruimte is de stad aan de grens gekomen van wat met de huidige werkwijze mogelijk is. De bereikbaarheid en leefbaarheid staan onder druk en tegelijkertijd kunnen niet alle gewenste werkzaamheden worden uitgevoerd. Daarom werkt de stadsregisseur in opdracht van het college aan de ontwikkeling van zogenaamde regieslots. Bij een regieslot gaat het programmeren gebiedsgericht, in plaats van per stukje straat. Vanuit de programmering wordt gekeken naar een buurt, wijk, gebied of tracé. Als blijkt dat hier vanuit verschillende partijen (gemeente, nutspartijen, vastgoedeigenaren) en vanuit verschillende opgaven werk te doen is, stuurt Stadsregie erop aan om deze werkzaamheden in een slot (tijdvak) gecombineerd uit te voeren.

Het buurtgericht voorbereiden en uitvoeren van werkzaamheden vraagt ook dat projecten op een andere manier georganiseerd worden, namelijk met een gezamenlijke projectorganisatie vanuit verschillende partijen en opgaven. Dit aspect wordt de komende jaren uitgewerkt en toegepast. Deze nieuwe wijze van programmeren leent zich bij uitstek ook voor de warmtetransitie en zal invloed hebben op de manier waarop we aardgasvrije buurten organiseren. De aanpak van regieslots is kortgeleden gestart en bevindt zich nog in een eerste fase. Door te experimenteren en te leren, brengen we deze aanpak de komende jaren in de praktijk.

5.4 De Amsterdammer ontzorgen 5.4.1 Handelingsperspectief op maat Er moet handelingsperspectief zijn voor zowel gebouweigenaren als huurders. De gemeente maakt een pagina binnen de gemeentelijke website om particuliere woningeigenaren zo goed mogelijk te informeren over de stappen die nodig zijn om woningen voor te bereiden op de warmtetransitie. Op de pagina wordt de informatie van de TVW gekoppeld aan de woning en mogelijkheden om die duurzamer te maken. Zo ontstaat handelingsperspectief op maat. Speciale aandacht is er voor VvE’s en ook huurders kunnen gemakkelijk zien wat de transitievisie warmte voor ze gaat betekenen, en wat zij mogelijk zelf

Transitievisie Warmte Amsterdam 48

al kunnen doen. Informatie gericht op gedragsverandering speelt daarin een rol. Voor corporaties en grote vastgoedeigenaren geeft de transitievisie warmte richting in de uitwerking van een concrete investeringsplanning voor hun vastgoed.

5.4.2 Een isolatieprogramma opzetten Zoals in hoofdstuk 2 en 4 is beschreven, is isolatie een belangrijke bouwsteen voor de warmtetransitie. De grote isolatieopgave vraagt om goede samenwerking tussen partijen. De gemeente wil daarin het voortouw nemen door hulp en ondersteuning te bieden. We werken daarom aan een isolatieprogramma waarin passende informatievoorziening en acties per doelgroep en type buurt centraal staan. Om de kosten voor isoleren zo laag mogelijk te houden is het belangrijk dat zoveel mogelijk natuurlijke momenten van onderhoud, verbouwing en verhuizing te benutten. Een programma voor het isoleren met een grotere groep bewoners en/of gebouweigenaren die in hetzelfde natuurlijke moment verkeren kan de kosten drukken. De gemeente wil collectieve inkoopacties organiseren en verstrekt energieleningen voor onder andere het isoleren van woningen. Daarnaast ontwikkelt de rijksoverheid een landelijke isolatiestandaard in het kader van het Klimaatakkoord. Ook speelt voor de utiliteitsbouw wet- en regelgeving een rol. Kantoren moeten

in 2030 energielabel A hebben en de Wet milieubeheer geeft mogelijkheden om energiemaatregelen te eisen die zich in vijf jaar terugverdienen.

5.4.3 Programma warmtepompen onderzoeken Een voordeel van all electric is dat elk huishouden haar eigen natuurlijk moment kan kiezen om te verduurzamen en aanpassingen te doen aan het huis. Een keerzijde daarvan is dat er hierdoor het schaalvoordeel van het collectief kan ontbreken. Door middel van het isolatieprogramma proberen we voor alle typen buurten zulk collectief voordeel te bereiken. Als toevoeging daarop zou het voor all electric en hybride gasnet buurten interessant kunnen zijn om collectieve inkoop en duidelijke informatievoorziening wat betreft warmtepompen te organiseren. Er zijn momenteel nog veel vragen van bewoners over de toepassing, betaalbaarheid, en het geluid dat warmtepompen produceren. Sinds de eerste toepassing van warmtepompen zijn er al veel verbeteringen op deze drie aspecten gedaan. De gemeente zal onderzoeken of ze deze lessen kan delen en of er een stedelijke ondersteuning voor toepassing van warmtepompen kan worden opgezet, inclusief de mogelijkheid voor collectieve inkoop en installatie die mogelijk de kosten nog verder verlagen.

5.5 Een aanpak voor de zakelijke markt

5.6 Een Amsterdamse warmtemotor

In de eerste fase warmtenetbuurten bevinden zich naast woningen ook ondernemers, horeca, retail en maatschappelijke voorzieningen. Het is dus belangrijk om de zakelijke markt goed mee te nemen in de buurtuitvoeringsplannen. Bovendien geeft de transitiekaart aan dat een aantal buurten met veel kantoren en utiliteitsbouw in 2032 aardgasvrij moet zijn. Zoals in hoofdstuk 3 beschreven volgen eigenaren in deze buurten, die veelal een bronnet hebben als voorkeursoplossing, een tempo naar aardgasvrij op basis van natuurlijke vervangingsmomenten. Dit past bij het kleinschalige karakter van deze warmteoptie en het feit dat deze buurten voor een groot deel uit utiliteitsgebouwen bestaan. Een aanpak voor de zakelijke markt zal dus ook specifiek gericht zijn op deze buurten.

Naast de gemeente zijn de woningcorporaties en de warmtebedrijven heel actief in de warmtetransitie. Zij hebben de handen ineengeslagen voor de Amsterdamse Warmtemotor. Dit is een verkenning of het corporatiebezit dicht bij het huidige warmtenetwerk de komende tien jaar kan worden aangesloten op het warmtenet. De buurten waarop de warmtemotor zich richt, maken deel uit van de eerste fase warmtenetbuurten van deze transitievisie warmte. In de verkenning van de warmtemotor betrekken corporaties en warmtebedrijven ook de particuliere woningen en utiliteitsbouw in die gebieden. De gedachte is dat deze gebouweigenaren meeliften op de expertise en omvang van de corporaties en een aanbieding voor aansluiting op het warmtenet ontvangen. Zo profiteren zij ook van het tempo en de prijsvoordelen die de warmtemotor moet opleveren.

Om bedrijfsleven in de warmtenetbuurten en bronnetbuurten te ondersteunen lopen al acties zoals energieadvies aan ondernemers door adviesbureau Klimaatroute, waar aardgasvrij een onderdeel van is. Het ondersteuningsaanbod voor de zakelijke markt wordt in kaart gebracht en verder ontwikkeld in samenwerking met de afdeling Economische Zaken en de programma’s Amsterdam Klimaatneutraal en Amsterdam Aardgasvrij. Het programma voor de zakelijke markt moet in 2020 gereed zijn.

Bijlagen Transitievisie Warmte Amsterdam 49

Bijlage 1 Notitie van uitgangspunten

Transitievisie Warmte Amsterdam

Opgesteld in augustus 2019 Gemeente Amsterdam werkt samen met stakeholders aan een Transitievisie Warmte, die voor de zomer van 2020 ter besluitvorming zal worden aangeboden. Elke gemeente moet uiterlijk in 2021 zo’n visie vaststellen, waarbij het tijdspad wordt weergegeven waarin buurten aardgasvrij worden, en per buurt tevens een voorkeursrichting wordt aangegeven voor de toekomstige aardgasvrije infrastructuur. Als eerste onderdeel van het proces om te komen tot deze transitievisie warmte zijn uitgangspunten opgesteld, die wij in deze notitie aan u voorleggen. Deze uitgangspunten zullen we hanteren om de keuzes die we maken in het proces tot het komen van de transitievisie te kunnen onderbouwen. Deze zijn opgesteld door de Werkgroep Transitievisie Warmte (gemeente Amsterdam, Liander, AFWC, Ymere, Vattenfall, WPW, Waternet, !WOON) en vergeleken, getoetst en aangescherpt op basis van input van bewoners, bedrijven, professionele stakeholders en gemeentelijke uitgangspunten. Om in de uitgangspunten de stem van de Amsterdammer te laten horen hebben we een zogenaamde ‘Ronde door de stad’ opgezet. Via deze ronde door de stad hebben we input van Amsterdammers opgehaald op drie verschillende manieren: 1. Via een stadsbrede online enquête met een aantal vragen over de warmtetransitie. Deze enquête is door 3875 Amsterdammers ingevuld (zie bijlage 1).18 2.

Via een Denk Mee Avond waarbij we honderd Amsterdammers hebben uitgenodigd om met hen de antwoorden uit de enquête te duiden. Hieruit zijn tien adviezen gekomen (zie bijlage 2). 3. Tot slot hebben we met een camera op een aantal plekken in Amsterdam korte straatinterviews gehouden om live te horen hoe Amsterdammers denken over de overstap naar aardgasvrij (zie bijlage 3). De stem van de Amsterdammers uit de ronde door de stad is meegenomen in de uitgangspunten. Een aantal uitspraken van de deelnemers van de Denk Mee Avond zijn tevens in cursief opgenomen in de notitie. Daarnaast zijn de uitgangspunten ook getoetst op input van professionele stakeholders: ƒ Via een interviewronde met professionele key stakeholders ƒ Via een e-mailronde met het bedrijfsleven

18 Zie voor de complete Notitie van uitgangspunten inclusief bijlagen amsterdam.raadsinformatie.nl/document/8143364/1/09012f9782be217a

Bijlagen Transitievisie Warmte Amsterdam 50

Vervolgens heeft een groep van onafhankelijke experts, in de vorm van de klankbordgroep, gereflecteerd op het proces en de inhoud van deze notitie. Deze reflectie heeft geleid tot een aanscherping van de uitgangspunten en een aantal aanbevelingen voor het vervolg van het proces (zie bijlage 6). De volgorde waarin principes en criteria in deze notitie staan benoemd geeft een beeld van de mate waarin ze door de stad belangrijk worden gevonden. De Werkgroep Transitievisie Warmte erkent dat er een spanningsveld bestaat tussen bepaalde uitgangspunten, zo gaan bijvoorbeeld CO2-reductie en betaalbaarheid niet altijd hand in hand en kan het bieden van ruimte aan initiatieven en innovatie ervoor zorgen dat niet altijd de meest technisch-financieel voordelige oplossing wordt gekozen. Dat komt extra naar voren in gebieden die (nog) buiten de wijkaanpak vallen. Ook tussen verschillende partijen en hun belangen bestaan spanningen, bijvoorbeeld ten aanzien van de verdeling van de kosten van de warmtetransitie in de keten. In bijlage 4 staat een aantal belangrijke spanningen en dilemma’s benoemd. Deze zullen we dit najaar met de Werkgroep Transitievisie Warmte nader uitwerken, om zo de mogelijkheden en consequenties van de keuzes binnen de warmtetransitie duidelijk in beeld te krijgen.

Leeswijzer Deze notitie van uitgangspunten bestaat uit drie blokken van uitgangspunten. Eerst worden de leidende principes beschreven die we hanteren bij het opstellen van de transitievisie warmte. Daarna gaan we in op de besliscriteria, oftewel het afwegingskader, waarmee in de transitievisie warmte keuzes worden gemaakt over de voorkeursrichting van de toekomstige infrastructuur (besliscriteria deel 1), en de volgorde van buurten (besliscriteria deel 2). 1 Leidende principes Leidende principes zijn algemene uitgangspunten die van toepassing zijn op de gehele warmtetransitie in Amsterdam. Alle stappen die worden gezet in de warmtetransitie kunnen getoetst worden aan deze leidende principes om op die manier het draagvlak bij Amsterdammers en de belangrijkste stakeholders te waarborgen. De leidende principes zijn onderverdeeld in drie delen: algemene principes, principes die gelden in de ontwerpfase (het moment dat wordt bedacht welke warmte infrastructuur de voorkeur heeft), en principes die gelden in de (voorbereiding op de) uitvoeringsfase. 1.1 Algemeen

De volgende stap in het proces naar een transitievisie warmte is het vertalen van deze uitgangspunten naar een voorkeursrichting voor een infrastructuur per buurt en een tijdspad van buurten kan worden opgesteld. Daarin wordt de weging tussen de verschillende criteria uit deze notitie en de manier waarop ze tot keuzes leiden verder uitgewerkt.

We kunnen alleen samen innoveren als we één planning maken voor de hele stad 1. Aardgasvrij als bouwsteen voor een duurzaam Amsterdam Uitgangspunt van het klimaatakkoord is een CO2-neutrale gebouwde omgeving in 2050. De transitie naar een aardgasvrij Amsterdam kan niet los worden gezien van die opgave. Vanuit de opgave aardgasvrij dragen we bij aan de bredere duurzaamheidsdoelstellingen van de stad. We houden dus rekening met de CO2impact van de keuzes die we maken en kijken verder dan alleen aardgasvrij, naar CO2-reductie en een volledig CO2-neutrale gebouwde omgeving van Amsterdam in 2050. We realiseren ons dat de warmtetransitie een stapsgewijs proces is waarbij ook tussenoplossingen nodig zijn. De transitie naar aardgasvrij is daarmee onderdeel van de route naar een volledig CO2-neutrale gebouwde omgeving in Amsterdam. Het is daarbij goed om te beseffen dat niet alle partijen dezelfde doelen en dezelfde ambities hanteren. Corporaties mikken bijvoorbeeld op CO2neutraal bezit in 2050, en niet op aardgasvrij 2040.

Bijlagen Transitievisie Warmte Amsterdam 51

2. Samenwerken naar een aardgasvrij Amsterdam Om de overstap naar een aardgasvrije gebouwde omgeving voor iedereen mogelijk te maken vraagt de warmtetransitie een gezamenlijke afstemming in planvorming en uitvoering. We werken daarom samen met professionele stakeholders, met andere opgaven en thema’s binnen de gemeente, maar ook met Amsterdamse bewoners en bedrijven. Daarbij houden we rekening met de diversiteit aan bewoners, gebruikers, gebouwen, eigenaren en staan we open voor goede initiatieven in de stad. 3. Zorgvuldige en transparante informatievoorziening Binnen de transitie naar aardgasvrij is tijdige, transparante en zorgvuldige informatievoorziening essentieel. Hierdoor worden bewoners en stakeholders in staat gesteld om de juiste afwegingen te maken. We maken hierbij duidelijk wat de startsituatie is, wat de gemiddelde kosten en baten zijn die bij een bepaalde warmteoplossing horen, op welke onderdelen er vrijheid is om zelf te kiezen, maar ook waar al keuzes zijn gemaakt of waar we voorlopig niet aan de slag gaan. Erkenning van het feit dat er zorgen, vragen en andere visies zijn, met name aan het begin van het traject, is daarbij essentieel. De keuzes en uitspraken in de transitievisie warmte maken we transparant en toetsbaar. 4.

Realistisch en planbaar We streven naar een realistische en planbare visie op de warmtetransitie, die rekening houdt met de uitvoerbaarheid en de beschikbare arbeidscapaciteit en ook financieel realistisch is. Door richtinggevend te zijn op de lange termijn en duidelijke afspraken te maken over de korte termijn. We durven heldere keuzes te maken, want alleen dan kunnen Amsterdamse bewoners en bedrijven zich op tijd en op de juiste manieren voorbereiden op de overgang naar aardgasvrij. Hierbij is het van belang dat we alle voorbereidingen die we kunnen doen aangrijpen, zowel op gebied van infrastructuur en het geschikt maken van gebouwen. We beseffen dat beperkingen in het absorptievermogen van de markt een belangrijk aandachtspunt is.

5. Betaalbaar We willen dat de overstap naar aardgasvrij voor iedereen, bewoners en andere belanghebbenden, betaalbaar is en dat de kosten eerlijk verdeeld worden. Dit betekent dat grootschalige uitrol pas kan starten als we weten dat de business case voor de partijen en de bewoners passend is. We baseren keuzes op de laagste maatschappelijke kosten, zodat de totale kosten die over alle partijen verdeeld moeten worden zo laag mogelijk zijn. Voor de gebruiker bestaat betaalbaarheid uit de totale woon- en energiekosten voor en na de investering (impact maandelijkse woon- en energielasten). Voor de investerende partijen wordt betaalbaarheid uitgedrukt in de laagste maatschappelijke kosten (overall business case). Hierbij is de verdeling van kosten en dekking over partijen een belangrijk vraagstuk. Het uitgangspunt hierbij is dat alle kosten ergens in de keten moeten landen en dat partijen hier onderling goede afspraken over maken. We beseffen echter dat de warmtetransitie op dit moment op veel plekken (nog) niet rendabel is. Om gebouweneigenaren bereid te krijgen om kosten te maken voor de stap naar aardgasvrij is het noodzakelijk om in te zetten op het wegnemen van de onrendabele top, bijvoorbeeld in de vorm van een publieke bijdrage. 6.

Een betrouwbare warmtevoorziening We vinden het belangrijk dat Amsterdamse bewoners en bedrijven kunnen rekenen op een betrouwbare warmtevoorziening, nu en in de toekomst. Daarom kijken we naar de leveringszekerheid van bronnen en passen we alleen oplossingen toe waarvan we weten dat ze werken en toekomstbestendig zijn. Hierbij zorgen we expliciet dat er ook (financiële) ruimte is voor innovatie zodat we ook nieuwe oplossingen kunnen uittesten.

1.2 Ontwerpfase

7. Werk met werk maken We willen zinloze investeringen voorkomen en kansen om kosten te besparen aangrijpen. Daarom is het nodig dat partijen geplande investeringen zoveel mogelijk op elkaar afstemmen, en werkzaamheden afstemmen. Dit is tevens een kans om de overlast te beperken. Tijdige afstemming tussen partijen voorafgaand aan de uitvoering is hiervoor essentieel. Daarmee wordt ook het inzicht gecreëerd wanneer werk met werk maken níet mogelijk is, zodat partijen niet onnodig op elkaar wachten.

Wij vinden betaalbaarheid het allerbelangrijkst, want iedereen moet mee kunnen doen

1.3 Uitvoeringsfase

Onderhoud moet slim gecombineerd worden zodat de ondergrond niet te vaak opengaat

Bijlagen Transitievisie Warmte Amsterdam 52

8. Een leefbaar Amsterdam in transitie De warmtetransitie heeft veel impact, zowel binnen in gebouwen als buiten op straat. We willen dat Amsterdam een leefbare stad blijft terwijl deze transitie in de stad plaatsvindt. Dit realiseren we door de overlast in de woning en in de leefomgeving te beperken en waar mogelijk kansen aan te grijpen om de warmtetransitie in te zetten als vliegwiel voor een mooiere stad. 2.1 B  esliscriteria deel 1 – Voorkeursoplossing infrastructuur De besliscriteria zijn van toepassing op de te maken keuzes binnen de transitievisie warmte. De criteria bestaan uit twee delen: een set criteria die van toepassing is op het bepalen van de voorkeuroplossing voor de te kiezen infrastructuur, en een set van criteria die we gebruiken om de volgorde van de buurten te bepalen binnen de warmtetransitie. De keuzes binnen het proces om te komen tot de transitievisie warmte worden gemaakt op basis van onderstaande criteria. We onderscheiden hierbij criteria in de ontwerpfase en in de uitvoeringsfase. In de transitievisie warmte wordt naar het volledige spectrum aan warmteoplossingen gekeken, van hoge tot lage temperatuur en van tussenoplossing tot eindoplossing. Alle aardgasvrije warmteoplossingen vallen binnen drie infrastructuren: warmtenet, elektriciteitsnet of gasnet (in combinatie met hernieuwbaar gas).

In lijn met het Klimaatakkoord zal in de transitievisie warmte per buurt een voorkeursrichting voor de aardgasvrije infrastructuur worden bepaald, waarvoor onderstaande criteria worden gehanteerd. 2.1.1 Ontwerpfase

Als het warmtenet al langs je huis loopt, dan is dat een kans 1. Laagste maatschappelijke kosten De aardgasvrije infrastructuur waarvoor de totale maatschappelijke kosten voor een gebied het laagst zijn, krijgt voorrang boven duurdere oplossingen. Het gaat hierbij om de gemiddelde laagste kosten voor alle betrokken partijen in dat gebied, zowel in aanleg als in gebruik. We nemen daarin gebouwgebonden kosten (waaronder isolatiekosten), kosten voor een aardgasvrije infrastructuur en kosten voor de bron, productie en levering mee. Bovendien kijken we naar kosten voor het totale systeem (stadsbreed), dus niet alleen om de kosten die specifiek

gelden voor een betreffend gebied of buurt, om versnippering van infrastructuren te voorkomen. Het in stand houden van het huidige gasnet naast een andere infrastructuur lijkt hierbij onwenselijk vanwege de toenemende maatschappelijke kosten. 2. Aanwezigheid van warmtebronnen De aanwezigheid van warmtebronnen in de buurt kan bepalend zijn voor de infrastructuur. Indien de bodem van Amsterdam bijvoorbeeld geschikt is voor geothermie, of als er een lage temperatuur warmtebron beschikbaar is zoals oppervlaktewater, wordt een warmte-infrastructuur kansrijker. Daarbij dient rekening gehouden te worden met de temperatuur van de bron in relatie tot de eisen van de bebouwing (bijvoorbeeld lage temperatuur voor nieuwbouw, hoge temperatuur voor monumentale panden). We houden ook rekening met de mate waarin een infrastructuur duurzame warmte kan ontsluiten. De verwachting is dat investeringen in nieuwe bronnen alleen plaats zullen vinden als er zekerheid is over de beschikbaarheid en toegankelijkheid van de benodigde infrastructuur en voldoende warmtevraag is. 3. Bestaande (toekomstbestendige) infrastructuur in de buurt De infrastructuur die op dit moment al wordt toegepast, die in de nabije omgeving wordt toegepast of die in planning is om aangelegd te worden heeft grote invloed op de infrastructuur voor de omliggende buurten.

De infrastructuur moet tevens aansluiten bij het integrale energiesysteem van het gebied en de beschikbaarheid van warmtebronnen, om de toekomstbestendigheid te borgen. 4. Duurzaamheid De infrastructuur die de meeste CO2-reductie levert heeft de voorkeur. Het gaat hierbij niet alleen om verduurzaming op korte termijn maar om de keuze voor de infrastructuur die toekomstige duurzame bronnen (zowel warmte als elektriciteit) het beste kan ontsluiten, om zo toegang te bieden tot een CO2-neutrale energievoorziening. We erkennen dat er een spanningsveld bestaat tussen CO2-reductie en laagste maatschappelijke kosten en dat daar in de transitievisie warmte inzicht in geboden moet worden.

Bijlagen Transitievisie Warmte Amsterdam 53

2.1.2 Uitvoeringsfase

Een planmatige benadering met een duidelijk tijdpad moet leiden tot zo min mogelijk overlast voor Amsterdammers 5. Minste overlast Bij voorkeur kiezen we voor de infrastructuur die het minste overlast geeft, zowel op straat als in de woning zelf. Belangrijk om hierbij te beseffen is dat het hier gaat om eenmalige overlast, terwijl de criteria van toepassing zijn op de structurele verandering naar een toekomstig en duurzaam energiesysteem. 2.2 Besliscriteria deel 2 – Waarom is een buurt kansrijk om te starten? De warmtetransitie is een stapsgewijs proces, waarin we buurt voor buurt plannen gaan maken en uitvoeren en terwijl we dat doen continu blijven leren en evalueren. Onder buurten verstaan we de hele gebouwde omgeving, zowel woonwijken als bedrijventerreinen of kantoorgebieden. We kunnen niet in heel Amsterdam tegelijk aan de slag, dus het is van belang om duidelijke keuzes te maken om te komen tot een realistisch tijdpad waarin buurten aardgasvrij worden. Op basis van onderstaande criteria zal bij het opstellen van de transitievisie warmte worden bepaald welke buurten wanneer in dit tijdpad vallen. Buurten die op basis van de criteria als kansrijk worden beschouwd, zullen eerder aan bod komen. In de transitievisie warmte zal ook ingegaan worden op tussenstappen in het proces naar volledig aardgasvrije buurten, zoals no-regret maatregelen en hybride oplossingen.

2.2.1 Ontwerpfase

We moeten starten waar het makkelijk is, maar daarnaast is het belangrijk om te starten in een diversiteit aan wijken, ook enkele lastigere, zodat we kunnen leren. 1. Als er een betaalbare oplossing voorhanden is Een buurt is kansrijk op het moment dat er een betaalbare alternatieve warmteoplossing voorhanden is die voor het merendeel van de betrokken partijen tegen de laagste maatschappelijke kosten realiseerbaar is. Randvoorwaarde daarbij is dat partijen voldoende capaciteit en investeringsruimte hebben om tempo te kunnen maken in de warmtetransitie. Bijvoorbeeld door een evenwichtige verdeling te maken met betrekking tot

het bezit van de verschillende corporaties binnen de buurten die in het eerste tijdpad van de transitie worden aangewezen. Betaalbaarheid gaat tot slot ook over financierbaarheid. We zoeken hierbij naar een balans tussen buurten met lage maatschappelijke kosten maar mogelijk eigenaar-bewoners met minder investeringsruimte, en buurten waar de warmtetransitie tegen hogere maatschappelijke kosten plaatsvindt, maar waar eigenaar-bewoners meer investeringsruimte hebben. 2. Bij aanwezigheid van, of zicht op, een duurzame bron Een buurt is kansrijk indien er een betaalbare duurzame warmte- of elektriciteitsbron voorhanden is of indien er zicht is op een duurzame bron. De keuze voor een pad waarmee je op termijn de grootste kans hebt om CO2-neutraal te worden heeft voorrang boven korte termijn verduurzaming. Hiermee wordt de blijvende afhankelijkheid van fossiele bronnen voorkomen. De infrastructuur hoeft hierbij niet per definitie te wachten op de duurzame bron. Als er een bijvoorbeeld zicht is een geschikte geothermiebron kan vast gestart worden met het aanleggen van een warmtenetwerk en tijdelijk aansluiten van een minder duurzame “transitiebron”. Het is hierbij van belang dat er duidelijkheid komt over de beschikbaarheid van de hoeveelheid duurzame bronnen zodat er bereidheid ontstaat bij partijen om te investeren in (het verduurzamen van) bronnen, infrastructuur en gebouwen.

Hiervoor wordt tijdens het opstellen van de transitievisie warmte afstemming gezocht met de Regionale Energiestrategie (RES) en blijft die afstemming ook in jaren daarna nodig. 3. Als de vraag goed gebundeld en georganiseerd kan worden Een buurt is kansrijk als de overgang naar aardgasvrij georganiseerd kan plaatsvinden. Bijvoorbeeld als er veel corporatiebezit of grote VvE’s in een buurt zijn en als de woningen homogeen zijn. Ook het planbaar maken van werkzaamheden voor de uitvoerende partijen draagt bij aan de kansrijkheid en betaalbaarheid van de overstap naar aardgasvrij. Om de kosten binnen de warmtetransitie zo laag mogelijk te houden is het noodzakelijk om een balans te zoeken tussen nadenken op gebiedsniveau (nodig voor netwerkoptimalisatie) en op gebouwniveau (nodig voor gebouwoptimalisatie). Dit speelt bijvoorbeeld bij de keuze voor een lokale individuele oplossing in een gebied waar een collectieve oplossing de meest betaalbare optie is. Dit maakt de collectieve oplossing minder betaalbaar. Daarnaast heeft het schaalniveau van de keuzes voor de warmtetransitie (buurt of gebied) ook invloed op de planbaarheid van de warmtetransitie (over buurtgrenzen heen kijken maakt een meer integrale planning mogelijk).

Bijlagen Transitievisie Warmte Amsterdam 54

4. Als bewoners actief zijn en zich georganiseerd hebben 9. Als werkzaamheden gecombineerd kunnen worden Indien er in de buurt een gezamenlijk bewonersinitiatief is en/of als er bij een groot Een buurt kan kansrijk zijn om te starten met de warmtetransitie indien er werkdeel van de bewoners, gebruikers en woningeigenaren draagvlak is georganiseerd zaamheden gecombineerd kunnen worden. Er kan bijvoorbeeld werk met werk voor een warmteoplossing, is het slagen van de transitie kansrijker. De stap naar gemaakt worden op het moment dat de straat toch al open moet omdat de aardgasvrij kan daardoor sneller gemaakt worden, waarbij goed samenspel tussen riolering of wegen vernieuwd moet worden, of op het moment dat woningen proces, techniek en bewoners essentieel is. We houden er rekening mee dat prijs gebouwd, gesloopt of gerenoveerd worden. Door de planning van de werkzaamniet het enige aspect is waar een keuze op gebaseerd wordt en dat iedere gebouwheden in voorbereiding op de uitvoering goed op elkaar af te stemmen, kunnen eigenaar daarin een afweging kan maken. maatschappelijke kosten bespaard worden en kan draagvlak gecreëerd worden 5. Als een buurt dicht bij een geschikte infrastructuur ligt door het minimaliseren van overlast.

Hierbij moet rekening gehouden worden Een buurt is kansrijk om te starten met de warmtetransitie op het moment dat er in met de mogelijke vervroegde afschrijving van assets met een resterende technide buurt al een geschikte infrastructuur ligt om gebouwen van warmte of elektricische levensduur op het moment dat uitvoeringsplannen in een gebied worden teit te voorzien. gelijkgetrokken. 6. Als een buurt al basisisolatie heeft toegepast Op het moment dat een buurt zonder ingrijpende maatregelen over kan stappen op een aardgasvrij alternatief is een buurt kansrijker. Het bouwjaar (bouwtype) en de mogelijkheden tot isolatie (uiteindelijke warmtevraag) bepalen welke temperatuur het gebouw nodig heeft. Als de warmtevraag laag is, zijn er meer mogelijkheden voor alternatieve warmteoplossingen. Op het moment dat er een nieuwbouwproject gepland is in de buurt, kan dit ook tot versnelling leiden op het moment dat er goede afstemming plaatsvindt over een aardgasvrije oplossing die zowel voor de nieuwbouw als voor de bestaande bouw past. Uiteraard worden er niet langer vergunningen voor nieuwbouwwoningen op aardgas uitgegeven. 7. Als het merendeel van de gebouwen in een natuurlijk transitiemoment verkeert Op het moment dat een groot deel van de gebouwen in een buurt een natuurlijk transitiemoment heeft, kan de overstap naar aardgasvrij makkelijker te maken zijn.

Deze situatie kan zich bijvoorbeeld voordoen als een buurt grotendeels gerenoveerd of zelfs gesloopt wordt of op het moment dat een buurt grotendeels heringericht wordt. Er moet dan wel rekening gehouden worden met een extra agenda bovenop bestaande agenda’s. Onder andere het moment dat opnieuw gekozen moet worden voor een warmteoplossing is kansrijk om over te stappen naar aardgasvrij. 8. Uitvoeringsfase “Planningen afstemmen is belangrijk, maar dan moeten we het wel op tijd weten! Nu krijg je vlak voordat de straat open gaat een brief in de bus, dan is het al te laat”, aldus een bewoner.

Bijlagen Transitievisie Warmte Amsterdam 55

Bijlage 2 Wie hebben er meegedacht?

Werkgroep Transitievisie Warmte

De transitievisie warmte is opgesteld in samenspraak met de Werkgroep Transitievisie Warmte. De werkgroep bestond uit vertegenwoordigers van Liander, de Amsterdamse Federatie van Woningcorporaties, Ymere, Vattenfall, Westpoort Warmte, Waternet en Stichting !WOON. Deze groep is gedurende een jaar tijd minimaal maandelijks samengekomen om de transitievisie warmte vorm te geven. De deelnemers van de werkgroep waren: ƒ AFWC: Frank van der Veek ƒ City Deal: Arthur Gleijm ƒ Gemeente Amsterdam: Theun Koelemij en Milan van Schendel ƒ Liander: Ruben van Loon ƒ Stichting !WOON: Eef Meijerman ƒ Vattenfall: Bart Dehue ƒ Waternet: Ben de Ru / Otto Reinstra ƒ Westpoort Warmte: Jannis van Zanten ƒ Ymere: Popko van Meekeren

Bewoners en bedrijven Bewoners en bedrijven zijn betrokken en hebben inbreng kunnen leveren aan dit stuk via twee ‘Rondes door de stad’. Zie het kader op de volgende pagina voor meer informatie. City Deal partners en bestuurders De City Deal partijen en bestuurders zijn betrokken via aparte interviewrondes en via de presentatie van tussenresultaten in de City Deal Stuurgroep. Er zijn aparte momenten georganiseerd met de gezamenlijke Amsterdamse woningcorporaties en met een aantal grote particuliere verhuurders. Afdelingen binnen de gemeente Verschillende afdelingen van de gemeente Amsterdam hebben meegewerkt aan onderdelen van de visie. Zo is Stadsregie betrokken om de transitievisie af te stemmen met grote geplande werkzaamheden in de stad, en Duurzame Gebiedsontwikkeling voor afstemming over de Amsterdamse nieuwbouw- en transformatieopgave en de toekomstige beschikbaarheid van warmtebronnen.

Bijlagen Transitievisie Warmte Amsterdam 56

Klankbordgroep Transitievisie Warmte Tot slot heeft een groep van onafhankelijke experts, in de vorm van de klankbordgroep, tweemaal gereflecteerd op het proces en de inhoud van de transitievisie warmte. Deze reflectie heeft geleid tot een aanscherping van het rapport en een aantal aanbevelingen. Hieronder is de samenstelling van de klankbordgroep weergegeven. ƒ Politiek: Karin Schrederhof, wethouder Delft ƒ Wetenschap: Andy van den Dobbelsteen, hoogleraar Climate Design & Sustainability TU Delft ƒ Markt: Annemarie Costeris, public affairs Nederlandse Vereniging Duurzame Energie (NVDE) ƒ Bewoners: Bastiaan van Perlo, beleidsmedewerker Woonbond ƒ Financiële instellingen: Thomas Dekker, programma-manager duurzaam wonen & bouwen Rabobank / Voorzitter Klimaat- en Energiekoepel (KEK) voor young professionals ƒ Vastgoed sector: Geurt van Randeraat, directeur en medeoprichter SITE urban development

Bijlagen Transitievisie Warmte Amsterdam 57

Bijlage 3

Isolatie, warmteopties en duurzaamheid

3.1 Beperken van de warmtevraag Bij een groot deel van de woningvoorraad, die gebouwd is voor de jaren 90, is het nodig om de warmtevraag van gebouwen en woningen te beperken. Enerzijds om woningen geschikt te maken voor duurzamere warmte-opwekinstallaties, die doorgaans een lagere temperatuur leveren dan gasketels, en anderzijds om schaarse bronnen efficiënter te benutten (meer woningen per bron). De warmtevraag voor ruimteverwarming van een woning, hierna uitgedrukt in kilowattuur per vierkante meter gebruiksoppervlak (kWh/m2), wordt bepaald door de mate van isolatie, kierdichting en het ventilatiesysteem. De temperatuur die een woning nodig heeft om op de koudste dag van het jaar comfortabel warm te worden, hangt hier voor een groot deel mee samen. Hoe beter de isolatie, kierdichting en hoe efficiënter het ventilatiesysteem, hoe geschikter de woning is om met een lagere temperatuur te kunnen verwarmen. In bestaande woningen moet daarnaast in een aantal gevallen radiatoren worden vervangen, om verwarming op een lagere temperatuur mogelijk te maken. Dit is niet op voorhand op woningniveau met zekerheid vast te stellen.

Warmtevraag uitgedrukt in kilowattuur per vierkante meter woonoppervlak (kWh/m2) Het kilowattuur (symbool kWh) is een hoeveelheid energie. De meeste mensen associëren kWh met elektriciteit. Als je een lamp met een vermogen van 1 kW één uur laat werken heeft hij een energie van 1 kWh stroom gebruikt. De afspraak is om Europees zoveel als mogelijk alle vormen van energie uit te drukken in kWh, zodat verschillende soorten energie beter met elkaar vergelijkbaar worden. Zo ook de warmtevraag. Door deze uit te drukken in kWh per vierkante meter woonoppervlak (kWh/m2) kan de warmtevraag van verschillende woningtypes en woninggroottes goed met elkaar vergeleken worden, of ze nu verwarmd worden met een gasketel, middels een warmtenet of met een warmtepomp. De gemiddelde warmtevraag voor ruimteverwarming van een woning in Nederland is circa 85 kWh/m2. Bij niet geïsoleerde woningen kan de gemiddelde warmtevraag oplopen tot boven de 130 kWh/m2. Bij zeer goed geïsoleerde nieuwbouw kan het gemiddelde naar onder de 30 kWh/m2.

De warmtevraag voor ruimteverwarming is sterk afhankelijk van het bouwjaar. In tabel 2 staat de gemiddelde warmtevraag voor eengezinswoningen en meergezinswoningen. Deze tabel is gebaseerd op data over het werkelijke gasgebruik op post-

Bijlagen Transitievisie Warmte Amsterdam 58

codeniveau (Open Data Netbeheerders). Voor warmtapwater is de warmtevraag circa 20 kWh/m2. In Amsterdam is deze hoger omdat de woningen relatief klein zijn. Met name bij de woningvoorraad gebouwd voor 1990 is er nog een grote besparingspotentie voor de warmtevraag. Onder eengezinswoningen wordt verstaan rijwoningen, twee-onder-een-kapwoningen en vrijstaande woningen. Meergezinswoningen zijn bijvoorbeeld galerijflats, portiekflats en portiekwoningen. Gemiddeld oppervlak m2

Gemiddeld gasverbruik m3

Gemiddelde warmtevraag ruimteverwarming kWh/m2

< 1920

170

2200

95

≥ 1920 - 1950

135

2100

110

≥ 1950 - 1975

125

1800

100

≥ 1975 - 1990

130

1500

85

≥ 1990 - 2005

145

1400

65

≥ 2005

155

1200

50

Nieuwbouw

120

-

35

< 1920

85

1250

95

≥ 1920 - 1950

80

1200

95

≥ 1950 - 1975

75

1100

95

Eengezinswoningen

Meergezinswoningen

≥ 1975 - 1990

70

850

70

≥ 1990 - 2005

90

800

50

≥ 2005

90

700

40

Nieuwbouw

70

-

25

Nederlands gemiddelde

115

1470

85

Tabel 2: Gemiddelde warmtevraag ruimteverwarming van woningen in Nederland gerelateerd aan bouwjaar.

De bestaande woningenvoorraad kunnen we grofweg opdelen in vier niveaus van isolatie: 1. Woningen met slechte of onvoldoende isolatie (80 kWh/m2 of hoger). Er is een hoge temperatuur van ca. 90°C nodig om op de koudste dagen deze woningen comfortabel warm te stoken. 2. Woningen die een minimumisolatieniveau hebben bereikt (lager dan 80 kWh/m2). Bij het minimumniveau kunnen woningen comfortabel verwarmd worden met een maximumtemperatuur van 70°C (middentemperatuur). Het kan wel voorkomen dat er een aantal radiatoren vervangen moet worden voordat deze woningen daadwerkelijk met 70°C kunnen worden verwarmd. 3. Woningen die een basisisolatieniveau hebben bereikt (lager dan 65 kWh/m2). Bij een basisniveau kan de woning zowel comfortabel worden verwarmd met een maximumtemperatuur van 70°C als met 40°C (laagtemperatuur). Voor laagtemperatuur moeten wel aanvullend (een deel van) de radiatoren vervangen worden. De woning is daarmee toekomstbestendig en geschikt voor meerdere alternatieve verwarmingstechnieken. Woningen die reeds op dit niveau zitten zijn woningen gebouwd tussen 1990 en 2005. 4. Woningen met een hoog isolatieniveau en voorzien van een energiezuinig ventilatiesysteem (lager dan 50 kWh/m2). Deze woningen zijn daarmee zeer geschikt om comfortabel te verwarmen met een maximumtemperatuur van 40°C.

Dit zijn recent gebouwde woningen na 2005 en woningen die nog gebouwd gaan worden de komende jaren. Bij de bestaande bouw moeten voor laagtemperatuur wel (een deel van) de radiatoren vervangen worden. Voor warm tapwater geldt dat voor het veilig kunnen gebruiken van warm tapwater er met de huidige stand van de techniek en regelgeving een temperatuur van minimaal 55°C bij het tappunt nodig is. Om deze temperatuur te kunnen garanderen moet het opweksysteem in praktijk een temperatuur van 60-70°C kunnen leveren. Als de aanvoertemperatuur onvoldoende hoog is, moet er dus een aanvullende voorziening komen in de woning voor het opwekken of het boosten van de warmte voor warm tapwater. Samenvattend kan het volgende gesteld worden over de isolatieniveaus van woningen: ƒ Om een woning met 90°C (hoogtemperatuur) te kunnen verwarmen zijn geen aanpassingen nodig. ƒ Om een woning comfortabel met 70°C (middentemperatuur) te kunnen verwarmen, moet dus het minimumisolatieniveau bereikt zijn (lager dan 80 kWh/m2). Om een woning comfortabel met 40°C (laagtemperatuur) te kunnen verwarmen, moet minimaal het basis isolatieniveau bereikt zijn (lager dan 65 kWh/m2).

Bijlagen Transitievisie Warmte Amsterdam 59

3.1.1 Optimaal isolatieniveau bij 70°C Bijlage 5 geeft inzicht in wat de technische en financiële consequenties zijn van de diverse isolatieniveaus op woningniveau voor zes voor Amsterdam representatieve woningtypes. Op basis hiervan kan worden geconcludeerd, dat voor de meeste bestaande woningen in Amsterdam het economisch optimum ligt bij een aanvoertemperatuur van maximaal 70°C voor ruimteverwarming. Dit is ook de belangrijkste reden dat een collectieve laagtemperatuur warmteoptie, zoals laagtemperatuur warmtenet, in de praktijk nauwelijks zal voorkomen in buurten of wijken met veel bestaande woningbouw. Om een laagtemperatuur warmtenet mogelijk te maken is er namelijk voldoende dichtheid, voldoende vergaande isolatie en voldoende schaalgrootte nodig. In de bestaande bouw moeten daarnaast alle radiatoren vervangen worden om woningen geschikt te maken voor verwarmen op laagtemperatuur. Omdat het economisch optimum ligt bij een aanvoertemperatuur van maximaal 70°C voor ruimteverwarming liggen de maatschappelijke kosten bij een laagtemperatuur warmtenet daarom hoger dan bij een middentemperatuur warmtenet.

3.2 Energie-infrastructuren (warmteopties) Er zijn vier verschillende energie-infrastructuren denkbaar om de gebouwde omgeving te kunnen verwarmen: ƒ Gasnet ƒ All-electric ƒ Lokaal bronnet ƒ Warmtenet (verschillende temperaturen mogelijk) De TVW geeft met de diverse warmteopties een voorkeur voor een toekomstbestendige energie-infrastructuur, zonder daarbij nu al een keuze te maken voor de (mix van) energiebronnen. In de TVW is de energiebron om deze reden niet meegenomen in de diverse berekeningen. Het is pas zinvol om deze berekeningen te maken op basis van een werkelijke casus in een wijk. Dat is pas het moment waarop een besluit genomen kan worden over de meest passende bron en de exacte inrichting van de warmteketen met bijhorende marktordening. Dit besluit hangt sterk samen met de omvang en de fasering van het project, de locatie en het tijdstip van realisatie. Ook zijn van belang de daarbij horende stand van de techniek, subsidies en het politiek landschap.

3.2.1 Gasnet Ongeveer 85 procent van de gebouwde omgeving in Amsterdam is voor de warmtevoorziening nog aangesloten op het gasnet. In de meeste buurten wordt voor 2040 overgegaan op een andere infrastructuur, maar voor het centrum en andere vooroorlogse delen van de stad zijn op dit moment alternatieven voor een gasnet economisch of praktisch onhaalbaar en zal voorlopig het gasnet blijven liggen. Een gasnet is aardgasvrij als er in plaats van aardgas een vorm van hernieuwbaar gas wordt gebruikt (zie paragraaf 3.3 van deze bijlage). Binnen de warmteoptie gasnet zien we twee logische varianten: 1. Individuele gasketel en hybride warmtepomp. Als het gasnet voorlopig nog blijft liggen, dan kan er naast de individuele Hr-ketel ook een hybride warmtepomp geplaatst worden in de woning om het gasgebruik verder te beperken. Voorwaarde is wel dat de woning het minimumisolatieniveau bereikt heeft. 2. Collectieve gasketel en hybride warmtepomp. Meergezinswoningen kunnen ook collectief verwarmd zijn. Met name de grotere complexen gebouwd na 1950 zijn zeer geschikt om collectief verwarmd te worden. In het complex komt een geïsoleerde aanvoer- en retourleiding. Per woning komt er op de plek van de oude gasketel een afleverset. Als er ook elektrisch wordt gekookt zijn de woningen aardgasvrij en heeft alleen het gebouw nog een gasaansluiting.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13823359/1