CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 bij verzamelverordening raad Weesp 2024 Transitievisie warmte Amsterdam en Weesp.pdf

RAAD 29 februari 2024, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Vaststellen van de verzamelverordening Weesp gemeenteraad Amsterdam 2024 voor de harmonisatie van de regelgeving van Weesp en Amsterdam (VN2024-000686)44.136 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 5

Transitievisie Warmte Amsterdam 26

gebouwdichtheden hebben en doordat het optimum van het beperken van de warmtevraag door isolatie en/of het vervangen van radiatoren ligt bij het minimumniveau, oftewel maximaal 70°C aanvoertemperatuur voor ruimteverwarming (zie bijlage 3 voor een nadere toelichting). Woningen die vergaand geïsoleerd zijn, kunnen vaak ook met lagere temperaturen af. De temperatuur van het warmtenet zal moeten aansluiten bij de warmtevraag van de woningen. Om het tempo te halen dat nodig is voor aardgasvrij 2040 is het belangrijk om het moment van aansluiten op het warmtenet los te koppelen van het moment dat de gebouwgebonden maatregelen gereed zijn. Concreet betekent dit dat het warmtenet in veel gevallen eerst nog 90°C zal leveren en uiterlijk in 2040 naar 70°C gaat. Gebouweigenaren hebben zo de tijd om de gebouwgebonden maatregelen tegen zo laag mogelijke maatschappelijke kosten te nemen zonder dat de ontwikkeling van het warmtenet wordt vertraagd, en de planning van de transitie in het geding komt. De warmteoptie 70°C-warmtenet is niet per definitie één groot stedelijk warmtenet. In de praktijk zal het gaan om een combinatie van het (grotendeels reeds bestaande) stedelijke warmtenet en kleinschalige, decentrale warmtenetten. Om een warmtenet efficiënt te kunnen opereren en financieren is een minimale omvang van circa 500 woningen nodig.

Gemengd warmtenet (70°C) en lokale bronnetten In deze buurten is veel utiliteitsbouw. Voor deze gebouwen zijn lokale bronnetten in veel gevallen de warmteoptie met de laagste maatschappelijke kosten. Echter is in deze buurten ook een groot deel van de gebouwen op dit moment al op het warmtenet aangesloten. In de transitievisie is aangenomen dat zij daar niet van afgaan. De weinige woningbouw in deze buurten die nog niet aardgasvrij is, zal daarom naar verwachting ook aansluiten op het warmtenet en de aanwezige utiliteitsbouw zal naar verwachting kiezen voor een eigen warmtepomp met een eigen bron of een gedeelde bron (bronnet). Het gaat met name om de Zuidas, delen van Westpoort, Sloterdijk en delen van Zuidoost. Nieuwbouw- en transformatiegebieden: lokale bronnetten en warmtenet (laagtemperatuur) Bij grootschalige nieuwbouw-ontwikkelingen buiten de bestaande stad waarbij wonen de dominante functie is heeft een warmtenet de voorkeur boven all-electric. Warmtenetten kunnen bij nieuwbouwwoningen, eventueel in combinatie met utiliteit, waar passend worden gecombineerd met WKO. De gemeente geeft de voorkeur aan het leveren van laagtemperatuur (circa 40°C) bij warmtenetten in de nieuwbouw, tenzij de nieuwbouw de transitie

van omliggende bestaande bebouwing kan versnellen door levering van 70°C6. Door in nieuwbouw- en transformatiegebieden te kiezen voor een warmtenet kunnen (lokale) warmtebronnen beter worden benut, blijft de impact op het elektriciteitsnet beperkt en wordt de betaalbaarheid positief beïnvloed doordat bij voldoende schaalgrootte een warmtenet goedkoper kan worden ontwikkeld dan individuele oplossingen. Als een nieuwbouwgebied veel utiliteit bevat kunnen ook lokale bronnetten voorkomen op nieuwbouwlocaties. Dit is lokaal maatwerk. Figuur 12 in bijlage 3 geeft weer welke warmteoptie voor welke nieuwbouwgebieden is voorzien op basis van de transitievisie warmte. Nieuwbouw en transformatie binnen de bestaande stad Naast de grootschalige nieuwbouwen transformatiegebieden buiten de bestaande stad zijn er ook nieuwbouwlocaties die veel synergie hebben met omliggende bebouwing. Indien in die buurten een middentemperatuur warmtenet (70°C ) is voorzien, dan zijn deze nieuwbouwlocaties kansrijk om de omliggende bebouwing versneld of 6

De voorkeur van de gemeente voor laagtemperatuur warmte wordt uitgesproken in de aangenomen motie van 9 november 2017 van de leden Groen, Bosman en Dijk inzake het warmteplan Amstelkwartier 2e fase Weststrook (duurzame warmtebronnen in nieuwbouw).

tegen lagere kosten aardgasvrij te maken door ook aan te sluiten op het middentemperatuur warmtenet. Zo niet, dan heeft de gemeente voorkeur voor een laagtemperatuur oplossing.

2.3 Toets op duurzaamheid en beschikbaarheid van warmtebronnen De financieel-technische analyse heeft de warmteoptie bepaald op basis van laagste maatschappelijke kosten. Vervolgens zijn die resultaten getoetst aan twee andere belangrijke besliscriteria: beschikbaarheid van warmtebronnen en duurzaamheid. Bij de keuze voor een duurzame infrastructuur en de daarbij horende aardgasvrije warmteoplossing is het van belang dat deze op korte termijn CO2 bespaart en dat deze op langere termijn de hoogste kans geeft op een CO2-neutrale energievoorziening. Bij de keuze voor een duurzame aardgasvrije warmteoplossing spelen daarom twee aspecten een belangrijke rol: de efficiëntie van de warmteoplossing en de mogelijkheid om de energiebron te verduurzamen. Op basis van inzicht in deze twee aspecten kunnen we per warmteoplossing de CO2-uitstoot op de korte termijn en de toekomstbestendigheid voor de lange termijn beter vergelijkbaar maken.

Transitievisie Warmte Amsterdam 27

2.3.1 De efficiëntie van de warmteoplossing De efficiëntie van de warmteoplossing speelt in aanvulling op de laagste maatschappelijke kosten een belangrijke rol bij het maken van een afweging voor een duurzame energie-infrastructuur. Hernieuwbare energiebronnen zijn schaars in Nederland. Hoe efficiënter de warmteoplossing is, hoe minder energie er nodig is en dus hoe minder duurzame bronnen nodig zijn. Energie die je niet gebruikt, hoef je ook niet op te wekken. De efficiëntie van een warmteoptie heeft daarom zowel invloed op de CO2-uitstoot op korte termijn als op de langere termijn. De volgende onderdelen uit de warmteketen hebben invloed op de efficiëntie van de oplossing: ƒ De energievraag van de gebouwen. Hoe lager de vraag, hoe efficiënter de oplossing. Er is echter een verschil tussen het energetische optimum (hoeveel van de energievraag kan maximaal bespaard worden) en het economische optimum (bij welke mate van energiebesparing wegen de kosten die de gebouweigenaar maakt, het beste op tegen de opbrengsten voor de eigenaar of huurder). Het optimum verschilt per bouwjaar, woningtype en het moment waarop het gebouw is of wordt verbeterd 7. 7

De meeste bestaande woningen in Amsterdam, gebouwd voor 1990, hebben een gemiddelde

ƒ Het temperatuurniveau waarmee het gebouw comfortabel verwarmd kan worden. Hoe lager de temperatuur, hoe efficiënter de oplossing. Ook hier is een verschil tussen het energetische optimum en het economische optimum. Het optimum verschilt ook hier per bouwjaar, woningtype en het moment waarop het gebouw is of wordt verbeterd 8. ƒ De verliezen van energie, waaronder de energie die nodig is tijdens transport. Bij transport van warmte, elektriciteit en gas gaat er energie verloren en kan aanvullende energie nodig zijn. Bijvoorbeeld in de vorm van transportpompen.

warmtevraag voor ruimteverwarming van circa 95 kWh/m2. Het economisch optimum ligt voor de meeste van deze woningen ergens tussen de 65-80 kWh/m2. De meeste bestaande woningen in Amsterdam, gebouwd na 1990, hebben een gemiddelde warmtevraag voor ruimteverwarming van 45 kWh/m2. Bij zeer goed geïsoleerde nieuwbouwwoningen is een gemiddelde warmtevraag voor ruimteverwarming van 25 kWh/ m2 haalbaar. 8

De meeste bestaande woningen en gebouwen in Amsterdam, gebouwd voor 1990, hebben op de koudste dagen een temperatuur nodig van 80-90 °C om comfortabel warm te worden. Het economisch optimum ligt voor de meeste van deze woningen op 70 °C of lager. De meeste bestaande woningen in Amsterdam, gebouwd na 1990, kunnen al verwarmd worden met 70 °C of lager. Om met 40 °C verwarmd te kunnen worden moeten in de meeste gevallen alle radiatoren vervangen worden. Bij nieuwbouwwoningen is een temperatuur van 40 °C de standaard. Voor verdere onderbouwing, zie bijlage 3.1.1 en bijlage 5.

ƒ De efficiëntie van de opwekking van warmte en de hoeveelheid energie in de vorm van gas, elektriciteit of andere energiedragers (afval of biomassa), die daarbij nodig zijn. In figuur 6 wordt de CO2-uitstoot van de huidige gasketel vergeleken met de huidige CO2-uitstoot van individuele warmteopties (all-electric) en collectieve oplossingen (middentemperatuur warmtenet), op basis van landelijke kentallen van verschillende warmtebronnen9. In bijlage 4.7.4 zijn de uitgangspunten voor deze berekening weergegeven. De CO2-uitstoot van deze warmteopties is uitgedrukt in de hoeveelheid CO2 die jaarlijks wordt uitgestoten om een woning te voorzien van ruimteverwarming en warm tapwater. Een belangrijke notie bij de grafiek in figuur 6 is dat de CO2-uitstoot is berekend op basis van de huidige stand van de techniek, met de huidige Nederlandse warmte-, gas- en elektriciteitsmix.

9

Om de systeem efficiëntie van de verschillende verwarmingstechnieken met elkaar te kunnen vergelijken zijn deze omgerekend naar de CO2uitstoot per woning (65 m2 GBO/ 80 m2 BVO) per jaar voor ruimteverwarming (65 kWh/m2) en warm tapwater (20 kWh/m2). Voor de uitstoot van aardgas is aangenomen 1,89 kg per m3, voor elektriciteit 0,475 kg per kWh (https://www. co2emissiefactoren.nl/) en voor hoogwaardige restwarmte (AVI/ STEG)

Transitievisie Warmte Amsterdam 28

Huidige CO2-uitstoot diverse warmteoplossingen

Figuur 6. Huidige CO2-uitstoot van verschillende warmteopties voor een gemiddelde bestaande woning met basisniveau isolatie, waarbij de stippellijn een benadering is van de gemiddelde uitstoot per warmteoptie

kg CO2-uitstoot voor warmte per woning per jaar

2000

1500

1000

500

0

Gasketel

Hybride

Referentie

Gasnet

Infrarood boiler

Deze grafiek geeft dus een momentopname weer, namelijk de gemiddelde CO2-uitstoot van de verschillende warmteopties van vandaag. Uit de grafiek kan worden afgeleid dat bijna alle aardgasvrije warmteopties met de technieken van vandaag al leiden tot minder CO2-uitstoot ten opzichte van de huidige gasketel. Infraroodpanelen zijn hierop een uitzondering. Ook kan worden afgeleid dat een middentemperatuur warmtenet met een mix van diverse warmtebronnen

Warmte- Warmtepomp pomp water/water lucht/water

Aquathermie

All electric individueel gemiddeld minder CO2-uitstoot dan een individuele all-electric oplossing (het gemiddelde wordt weergegeven met de stippellijn). In bijlage 3 worden de doorgerekende warmteopties en bronnen nader toegelicht. Voor zover er keuze bestaat binnen een buurt, is het verstandig om aan te sturen op warmteopties die op korte termijn (vandaag al) voor zoveel mogelijk CO2-besparing zorgen. Het is belangrijk om daarbij te beseffen dat individuele oplossingen lastiger zijn te reguleren dan een

Datacenter/ HT Diepe Ondiepe restwarmte geothermie geothermie Warmtenet middentemperatuur

collectief warmtenet. Het risico bestaat bij individuele oplossingen dat individuele vastgoedeigenaren zullen kiezen voor de minder duurzame oplossingen, zoals lucht/water warmtepompen en infrarood panelen. De investeringen voor deze oplossingen zijn lager dan die voor een efficiënte water/waterwarmtepomp en de ruimte voor het toepassen van zonthermie en/of bodemenergie (die dienen als warmtebron bij de toepassing van een water/waterwarmtepomp) is beperkt.

Transitievisie Warmte Amsterdam 29

2.3.1.1 CO2-besparing TVW tot aan 2050 In aanvulling op de berekende huidige CO2-uitstoot heeft CE Delft berekeningen gemaakt die inzicht geven in de toekomstige CO2-effecten als de TVW volgens plan wordt uitgevoerd. CE Delft berekent de uitstoot voor drie jaartallen: 2030, 2040 en 2050. De opzet en belangrijkste resultaten van het onderzoek vatten we hieronder samen. Voor de volledige berekening wordt verwezen naar het gehele onderzoek10. CE Delft heeft als eerste de warmtevraag van de gebouwde omgeving uitgerekend waarbij rekening is gehouden met de huidige aantallen en typen woningen, maar ook met de groei van de stad. Deze gebouwtypen zijn vervolgens gekoppeld aan de warmteoptie volgens de TVW, waarbij rekening is gehouden met de opt-out percentages zoals weergegeven in tabel 1. Woningen en andere gebouwen stappen niet alleen over op een andere warmtetechniek, maar worden door de tijd tevens beter geïsoleerd. Hierdoor neemt de totale warmtevraag af. Tot slot is de vraag naar warmteopties vertaald naar CO2-uitstoot door gebruik te maken van CO2-emissiefactoren voor energiedragers. Hierbij zijn kengetallen gebruikt voor de verduurzaming van de elektriciteitsmix en van warmtebronnen door de tijd.

10

CO2-effecten van de Transitievisie Warmte gemeente Amsterdam. CE Delft. Juni 2020. www.ce.nl/publicaties

Als de TVW volgens plan uitgevoerd wordt, is de CO2-besparing in 2030 ten opzichte van 2017 35 procent. In 2040 is de CO2-besparing 85-95 procent, en in 2050 zal de uitstoot 90-100 procent lager liggen dan in 2017, zie figuur 7. Door gebruik te maken van scenario’s voor het verduurzamen van het warmtenet, ontstaat er een bandbreedte van de CO2-effecten vanaf 2030. Met de huidige warmtebronnen (zonder verdere verduurzaming) wordt een reductie van de CO2-uitstoot berekend van 90 procent. De warmtebron met de laagste uitstoot is geothermie en leidt tot 100% minder CO2-uitstoot. Voor de verduurzaming van elektriciteit is het scenario en tempo uit het Klimaatakkoord overgenomen.

CO2-uitstoot

Bandbreedte CO2-uitstoot

Figuur 7. Totale CO2-uitstoot van de warmtevoorziening voor de gebouwde omgeving. Vanaf 2030 geven we een bandbreedte van de CO2-uitstoot weer op basis van de mogelijke verduurzaming van het warmtenet.

Transitievisie Warmte Amsterdam 30

2.3.2 De mogelijkheid om de energiebron te verduurzamen Een tweede en zeer belangrijk aspect bij de keuze voor een duurzame energie-infrastructuur is dat deze (op termijn) kan worden gevoed met duurzame energiebronnen, waardoor gedurende de warmtetransitie de CO2-uitstoot verder kan dalen en de afhankelijkheid van fossiele bronstoffen afneemt. Het einddoel is immers niet alleen aardgasvrij, maar ook CO2-neutraal. We maken daarbij onderscheid tussen gas, elektriciteit en warmte. Als voorbeeld: we zien in figuur 6 dat een middentemperatuur warmtenet met als warmtebron hoogtemperatuur restwarmte op dit moment minder CO2-uitstoot dan een middentemperatuur warmtenet met als warmtebron aquathermie of datacenterwarmte. Dit wordt veroorzaakt door het feit dat bij deze laatste bronnen aanvullend warmtepompen nodig zijn om de gewenste temperatuur van 70°C aan het net te kunnen leveren. De warmtepompen gebruiken hiervoor elektriciteit uit het net. De huidige mix van de elektriciteit wordt in Nederland nu nog grotendeels fossiel opgewekt. In de toekomst zal de elektriciteit verder vergroenen en neemt daarmee de CO2-uitstoot van deze warmtebronnen dus af. Ook voor hoogtemperatuur restwarmte geldt dat de CO2-uitstoot in de toekomst zal afnemen door nieuwe bronnen als geothermie, de vergroe-

ning van de elektriciteitsmix, door efficiëntere installaties en mogelijk het afvangen en opslaan van CO2 bij de afvalenergiecentrale. Per energiedrager of -bron (gas, warmte, elektriciteit) is de toekomstige beschikbaarheid en de mogelijkheid om op termijn te verduurzamen op basis van de kennis van nu geanalyseerd. Een uitgebreide omschrijving hiervan staat in bijlage 3 bij de omschrijving van de warmteopties. De belangrijkste conclusies delen we hieronder. 2.3.2.1 Gas Uit de technisch-financiële analyse volgt dat er in de gebouwde omgeving van Amsterdam ook op de langere termijn vraag zal blijven naar gas voor verwarming. Of de binnenstad en kleine kernen binnen de doelstelling van 2040 daadwerkelijk aardgasvrij worden hangt af van de mate waarin hernieuwbaar gas beschikbaar komt voor de Amsterdamse gebouwde omgeving of van technologische innovaties, waardoor andere infrastructuren toch haalbaar en betaalbaar worden in deze delen van de stad. Deze twee ontwikkelingen moeten bij iedere herijking van de transitievisie warmte opnieuw worden beoordeeld om de verduurzamingsstrategie van de binnenstad daarop aan te passen. Er zijn grofweg twee scenario’s denkbaar voor de eindsituatie in 2040:

1. Het gasnet blijft de dominante infrastructuur in de binnenstad en de kleine kernen, maar zal op termijn volledig worden gevoed door hernieuwbaar gas dat wordt opgewekt buiten de gemeentegrenzen. 2. Door technologische innovaties worden gasvrije warmteopties alsnog haalbaar en betaalbaar, waardoor er op termijn toch een andere infrastructuur zal komen in de binnenstad en in de kleine kernen. Om dit mogelijk te maken is het van groot belang om ruimte te bieden voor innovatie. Dit kan plaatsvinden in de vorm van pilots, juist op die plekken in de stad waar de huidige aardgasvrije warmteoplossingen nog te duur zijn of technisch moeilijk inpasbaar zijn. Om blijvende afhankelijkheid van fossiele brandstoffen te voorkomen, zullen we er naar streven om het gasnet in de gebouwde omgeving zoveel mogelijk uit te faseren en tussen nu en 2040 het gasgebruik sterk te reduceren. Om te komen tot een reductie van circa 70 procent van het gasverbruik in deze buurten is de eerste stap het beperken van de energievraag. Door het isoleren van de bestaande woningen en gebouwen kan ongeveer een vijfde van het gasverbruik worden bespaard. Doordat in de binnenstad ook nieuwere bebouwing staat die aardgasvrij kan worden gemaakt door middel van all-electric wordt nog eens circa een vijfde bespaard. Het resterende deel van de

gasbesparing kan worden behaald door toepassing van hybride warmteoplossingen. In bijlage 3.3.1 wordt toegelicht dat experts verwachten dat er op basis van de huidige inzichten voldoende Nederlands hernieuwbaar gas beschikbaar is voor de binnenstad, inclusief de piekvoorziening voor de warmtenetten. Hierbij geldt de belangrijke randvoorwaarde dat in de binnenstad 60 tot 70 procent reductie van het gasgebruik wordt behaald. Dit neemt niet weg dat de potentie van groen gas nog onzeker is. Tevens is het terugdringen van het gasverbruik in de binnenstad en de kleine kernen een grote en kostbare opgave. 2.3.2.2 Elektriciteit Bij de overstap op aardgasvrije warmteoplossingen zal elektriciteit een veel prominentere rol gaan spelen in het verwarmen van de gebouwde omgeving. Voor het opwekken van warmte met (hybride) warmtepompen in woningen, of om gebouwen en buurten te verwarmen met een warmtenet, zal de vraag naar elektriciteit stijgen. Om een blijvende afhankelijkheid van fossiele energie te voorkomen is het belangrijk dat deze elektriciteit uiterlijk in 205011 duurzaam opgewekt kan worden. 11 In het nationaal Klimaatakkoord staat de doelstelling dat de gebouwde omgeving in 2050 bijna CO2-neutraal is. Als Amsterdam hebben we de ambitie dat alle gebouwen in 2050 CO2neutraal zijn.

Transitievisie Warmte Amsterdam 31

In hoeverre dit mogelijk is hangt af van twee factoren: 1. De mogelijkheid om deze elektriciteit duurzaam op te wekken 2. De impact van de warmteoplossing op het elektriciteitsnet Op basis van de voorkeursinfrastructuur behorende bij de warmteopties is in bijlage 3.3.2 een inschatting gemaakt van het totale elektriciteitsgebruik per warmteoptie aan het einde van de warmtetransitie. Voor het opwekken van de hoeveelheid duurzame elektriciteit die nodig is voor de toekomstige Amsterdamse warmtevraag is onvoldoende ruimte in een dichtbebouwde stad als Amsterdam. De warmtevraag, en dus ook de elektriciteitsvraag voor verwarmen, kenmerkt zich door een grote piek in het zogenaamde ‘stookseizoen’, wanneer Amsterdammers hun woning verwarmen. De elektriciteit die wordt opgewekt met zonnepanelen binnen de stad is in de wintermaanden relatief laag en daarom in mindere mate beschikbaar voor het produceren van warmte in het stookseizoen. Uit de concept Regionale Energiestrategie (RES) Amsterdam12 blijkt dat de potentie voor windenergie, waarmee wel in het stookseizoen elektriciteit kan worden geleverd, in Amsterdam beperkt is.

12 https://www.amsterdam.nl/bestuur-organisatie/ volg-beleid/ambities/gezonde-duurzame-stad/ klimaatneutraal/regionale-energiestrategieduurzame/

Het merendeel van de duurzame elektriciteit die nodig is voor het duurzaam verwarmen van Amsterdam zal dus van buiten de gemeentegrenzen moeten komen. Het verduurzamen van de elektriciteitsvraag voor een aardgasvrije en duurzame verwarming van Amsterdam is daarmee een opgave waar Amsterdam zelf in mindere mate invloed op heeft. Voor de transitievisie warmte is op basis van de concept RES Amsterdam aangenomen dat er voldoende elektriciteit buiten de stad duurzaam kan worden opgewekt. Daarnaast is het belangrijk om te kijken naar de invloed van verschillende warmteopties op het elektriciteitsnet. Een grotere impact op het elektriciteitsnet creëert meer afhankelijkheid van fossiele energie voor het opvangen van de pieken, aangezien er in de pieken niet genoeg duurzame elektriciteit beschikbaar is. Een grotere afhankelijkheid van elektriciteit heeft tevens een nadelig effect op de snelheid waarmee we de transitie kunnen realiseren, omdat de transportcapaciteit van het net op veel plekken niet is afgestemd op een groeiende vraag naar elektriciteit13 en netverzwaring dus tempobepalend kan zijn. In bijlage 3.3.2 is voor de verschillende warmteopties vergeleken welke impact ze hebben op het elektriciteitsnet. De impact op 13

Bron: Themastudie Elektriciteit Amsterdam; Gemeente Amsterdam & Liander; Maart 2019

het elektriciteitsnet van een collectieve oplossing is aanzienlijk lager dan die van een individuele all-electric oplossing. De CO2-uitstoot van een warmtenet met een mix van diverse duurzame bronnen kan daarom sneller dalen dan die van all-electric oplossingen. Bij all-electric is er vanwege de hoge piekbelasting een grotere kans op een blijvende afhankelijkheid van fossiele bronnen. 2.3.2.3 Warmte Naast duurzame elektriciteit en gas zijn er ook duurzame warmtebronnen nodig in de stad om de buurten die worden aangesloten op collectieve warmtenetten te voorzien van duurzame warmte. Onder warmte wordt de warmte verstaan die door een warmtenet naar gebouwen wordt gebracht. Het gaat daarbij zowel om warmte uit bronnen van hoge als lage temperatuur. De warmte kan worden geleverd door zowel kleinschalige decentrale warmtenetten als door een grootschalig stedelijk warmtenet. Omdat warmte vanwege hoge kosten en verliezen veel lastiger te transporteren is dan gas en elektriciteit, moeten warmtebronnen, in tegenstelling tot gas en elektriciteit, lokaal beschikbaar zijn. Naast de beschikbaarheid van de warmtebron is ook de temperatuur van de warmtebron van belang. In bijlage 3.3.3 is een berekening gemaakt van de toekomstige warmtevraag op basis van de

resultaten van deze transitievisie warmte. Deze berekening van de toekomstige warmtevraag is vergeleken met de beschikbaarheid van duurzame warmtebronnen zoals is onderzocht in het Amsterdamse bronnenboek14. In het bronnenboek is een onderbouwde bandbreedte opgenomen van de toekomstige beschikbaarheid van duurzame warmtebronnen (zie paragraaf 3.3.3.6). Uit deze bandbreedte blijkt dat zelfs in het laagste onderzochte scenario van beschikbare warmtebronnen er meer dan voldoende duurzame warmtebronnen in Amsterdam zijn om warmtenetten te kunnen voorzien van warmte. In het laagste scenario van het bronnenboek zal het warmtenet gevoed worden door een mix van warmtebronnen bestaande uit onder andere aquathermie, WKO, restwarmte uit datacenters, biomassa, zonthermische warmte, geothermie en industriële restwarmte. Voor het hoogste scenario geldt een vergelijkbare mix van warmtebronnen maar wordt verwacht dat er met name meer aquathermie en geothermie 14 Het Amsterdamse bronnenboek. Gemeente Amsterdam, 2019. Het Amsterdamse bronnenboek is ontwikkelend om inzicht te krijgen in de verschillende Amsterdamse warmtebronnen, de plek daarvan en hoeveel warmte er in Amsterdam voor de woningbouwopgave beschikbaar is. Nu en in de toekomst. Het onderzoek is ontwikkeld in het kader van de Thematische studie warmte en energie voor het programma Ruimte voor de Stad.

Zie https://issuu.com/gemeenteamsterdam/docs/ het_amsterdamse_bronnenboek_online_versie

Transitievisie Warmte Amsterdam 32

beschikbaar zal zijn. Daarnaast is er voor het voeden van lokale bronnetten voldoende potentie voor WKO in Amsterdam, daar waar mogelijk aangevuld met zonthermische panelen op grotere daken van utiliteitsgebouwen. Om blijvende afhankelijkheid van fossiele brandstoffen te voorkomen moeten op termijn steeds meer duurzame warmtebronnen ontwikkeld en benut worden om het warmtenet te voeden. Aangezien een warmtenet een systeem is waarin de warmte circuleert tussen de warmtebron en de warmteafnemer hebben warmtebronnen per definitie een lokaal karakter. In tegenstelling tot bij elektriciteit, is de ontwikkeling van de duurzame warmtebronnen voor het Amsterdamse warmtenet daarom een gezamenlijke opgave van de gemeente en de betrokken investeerders in de te ontwikkelen warmtebronnen. De gemeente heeft invloed op de ontwikkeling van deze warmtebronnen door met investeerders in gesprek te gaan over haar duurzaamheidsambities ten aanzien van toekomstige warmtebronnen. Om de toekomstige warmtebronnen te ontsluiten en om de schaal te maken die nodig is voor de ontwikkeling van de bronnen is het belangrijk dat het warmtenet blijft groeien. In het eindbeeld ontsluit het warmtenet alle duurzame bronnen en levert het middentemperatuur warmtenet hoogstens 70°C met een zo

laag mogelijke retourtemperatuur. 2.3.2.4 Conclusie duurzaamheid en beschikbaarheid van bronnen Op basis van de laagst maatschappelijke kosten is berekend dat voor iets meer dan de helft van de Amsterdamse gebouwen in 2040 een warmtenet de meest passende oplossing is. Daarnaast bestaat de oplossingenmix uit lokale bronnetten, individueel all-electric en het bestaande gasnet dat duurzaam wordt gevoed. Deze uitkomst is vervolgens getoetst aan beschikbaarheid van bronnen en duurzaamheid. Wat betreft de duurzaamheid van warmtenetten zijn er twee conclusies: ƒ Met de huidige stand van de techniek en de huidige mix van bronnen leveren warmtenetten op korte termijn gemiddeld een grotere CO2-besparing op dan all-electric oplossingen in vergelijking met een cv-ketel op aardgas (zie voor uitleg figuur 6 en bijlage 3). ƒ Warmtenetten hebben daarnaast ook op lange termijn de kleinste kans op een blijvende afhankelijkheid van fossiele energiebronnen. Dit komt omdat er in Amsterdam voldoende duurzame warmtebronnen beschikbaar zijn en omdat warmtenetten een kleinere impact hebben op het elektriciteitsnet, ondanks de toepassing van collectieve warmtepompen bij laagtemperatuur warmtebronnen. Een kleinere impact op het elektriciteitsnet betekent een

kleinere piekbelasting en dus een kleiner beroep op fossiele piekvoorzieningen. Ten aanzien van all-electric zien we wat betreft efficiëntie een grote variatie in de oplossingen. Voor CO2- besparing op korte termijn is het belangrijk om de meest CO2-arme oplossingen te stimuleren, zoals (waar mogelijk water-water) warmtepompen. All-electric oplossingen hebben vanwege de hoge piekbelasting een grotere impact op het elektriciteitsnet en hebben daarom een grotere kans op afhankelijkheid van fossiele bronnen op de lange termijn dan warmtenetten. Het is de verwachting dat er op korte termijn onvoldoende hernieuwbaar gas beschikbaar is om de buurten waar het gasnet voorlopig blijft liggen van duurzame warmte te kunnen voorzien. Het is noodzakelijk om in deze buurten het gasgebruik sterk te reduceren door over te gaan op hybride systemen en te isoleren. Op basis van de wetenschap lijkt de resterende gasvraag op lange termijn duurzaam ingevuld te kunnen worden, onder de voorwaarde dat in deze buurten de vraag naar gas sterk wordt gereduceerd.

2.4 Minste overlast De warmteoptie die de minste overlast geeft is het behouden van het gasnet. Dit is echter helaas geen realistische oplossing voor het grootste deel van Amsterdam. Voor alle overige

warmteopties geldt dat die gepaard gaan met overlast in de woning of in de buurt. In alle gevallen is er sprake van een infrastructurele ingreep in de openbare ruimte en moeten er aanpassingen worden gedaan in de woning. Zelfs in woningen gebouwd na 2005 moet in veel gevallen nog elektrisch koken worden geïnstalleerd of moeten bij all-electric oplossingen de radiatoren worden vervangen. Overlast als criterium is daarom niet meegenomen in de totstandkoming van de warmteoptiekaart (figuur 21, bijlage 6) maar wel in het bepalen van de fasering in het volgende hoofdstuk. Om overlast in de uitvoering te minimaliseren, is in het bepalen van de fasering rekening gehouden met het gebruik maken van natuurlijke transitiemomenten en is in kaart gebracht waar planningen van verschillende partijen samenvallen, zodat ‘werk met werk’ gemaakt kan worden. In hoofdstuk 5, waarin de stap van visie naar uitvoering wordt beschreven, is het belang van het samenbrengen van planningen om de stad leefbaar te houden verder beschreven.

Hoofdstuk 3

De fasering van buurten Amsterdam wordt tussen nu en 2040 aardgasvrij. In de fasering maken we onderscheid tussen buurten waar een warmtenet komt en buurten met individuele oplossingen. In buurten waar een warmtenet komt, bepaalt het warmtenet het tempo en worden zij in gemiddeld acht jaar aardgasvrij. De volgorde van warmtenetbuurten is bepaald op basis van faseringscriteria. Buurten met individuele oplossingen beginnen allemaal nu en worden voor 2040 gestaag aardgasvrij of realiseren tot 70 procent gasbesparing in het geval van gasnetbuurten. In deze buurten bepalen gebouweigenaren het tempo. Een aantal buurten heeft een eigen fasering, zoals de buurten waar reeds gestart is en nieuwbouw- en transformatiebuurten.

Transitievisie Warmte Amsterdam 33

3.1 Uitgangspunten voor de fasering Op de fasering zijn drie belangrijke uitgangspunten van invloed: 1. Het jaar waarin de gebouwde omgeving uiterlijk aardgasvrij moet zijn. 2. Besliscriteria voor de fasering die bepalen of een buurt eerder of juist later aan de beurt is, zoals vastgesteld in de Notitie van Uitgangspunten (zie bijlage 1) 3. Het type buurt en het jaar dat een buurt “in transitie” is.

3.1.1 Besliscriteria voor de fasering Het tweede uitgangspunt wordt gevormd door de besliscriteria voor de fasering van buurten die zijn opgehaald bij Amsterdamse bewoners, bedrijven en andere stakeholders en beschreven in de Notitie van uitgangspunten (zie bijlage 1). De tekst in deze paragraaf geeft de besliscriteria weer voor de fasering van de buurten.

Aanwezigheid van of zicht op een duurzame bron Een buurt is kansrijk indien er een betaalbare duurzame warmte- of elektriciteitsbron voorhanden is of indien er zicht is op een duurzame bron. Op grond van het bronnenboek is vastgesteld dat er voor heel Amsterdam voldoende perspectief is op voldoende warmtebronnen om warmtenetten in de stad te voeden (zie H2). Als de vraag gebundeld en georganiseerd kan worden Een buurt is kansrijk als de overgang naar aardgasvrij georganiseerd kan plaatsvinden. Bijvoorbeeld als er veel corporatiebezit, particuliere verhuurders of beleggers in een buurt zijn en als de woningen in de buurt vergelijkbaar zijn. - Hoog percentage corporatiebezit - Vastgoed van één eigenaar Als bewoners actief zijn en zich georganiseerd hebben Een buurt is kansrijker indien er een gezamenlijk bewonersinitiatief is en/of als er bij een groot deel van de bewoners, gebruikers en woningeigenaren draagvlak is voor een warmteoplossing. Er zijn bij het schrijven van de transitievisie zes particuliere initiatieven geïdentificeerd waarvan de omvang en concreetheid van het initiatief voldoende groot zijn om de fasering van de transitievisie te beïnvloeden. Deze initiatieven zijn in kaart gebracht op een initiatievenkaart, zie paragraaf 3.4 - Particuliere initiatieven

Transitievisie Warmte Amsterdam 34

Als een buurt dichtbij een geschikte infrastructuur ligt (warmtenet) Een buurt is kansrijk om te starten met de warmtetransitie op het moment dat het warmtenet reeds in de buurt ligt. Als een buurt al basisisolatie heeft toegepast, of beter. Op het moment dat een buurt zonder ingrijpende gebouwmaatregelen over kan stappen op een aardgasvrij alternatief is een buurt kansrijker omdat er sneller tempo gemaakt kan worden met de uitvoering - Afstand tot warmtenet (m) Als een buurt al basisisolatie heeft toegepast, of beter Op het moment dat een buurt zonder ingrijpende gebouwmaatregelen over kan stappen op een aardgasvrij alternatief is een buurt kansrijker omdat er sneller tempo gemaakt kan worden met de uitvoering. - Gemiddeld energielabel - Gemiddeld bouwjaar Als het merendeel van de buurt in een natuurlijk transitiemoment verkeert Op het moment dat het merendeel van een buurt in een natuurlijk transitiemoment verkeert kan de overstap naar aardgasvrij makkelijker te maken zijn. Onder natuurlijke transitiemomenten wordt verstaan dat er grootschalige renovatie, nieuwbouw of transformatie in de buurt gepland staat of dat er grote ingrepen aan de infrastructuur en groenvoorziening zijn voorzien. - Plannen voor 2025 voor: openbare ruimte, nieuwbouw, transformatie

Als werkzaamheden gecombineerd kunnen worden Een buurt kan kansrijk zijn om te starten met de warmtetransitie indien er werkzaamheden gecombineerd kunnen worden waarbij er een gunstige verhouding is tussen extra inspanningen en maatschappelijke opbrengsten. - afschrijving gasnet - riolering - waterleiding Als er een betaalbare oplossing voorhanden is Een buurt is kansrijk op het moment dat er voor gebouweigenaren een betaalbare warmteoptie voorhanden is. In de praktijk wordt dit criterium bepaald door alle bovenstaande criteria: een gebundelde en georganiseerde vraag, het benutten van natuurlijke transitiemomenten, werk met werk maken, de nabijheid van bestaande infrastructuur en reeds aanwezige basisisolatie leiden allemaal tot een betere betaalbaarheid voor de gebouweigenaar, en in het verlengde daarvan voor de eindgebruiker. - combinatie van bovenstaande indicatoren

3.1.2 H  et type buurt en het aantal jaar

dat een buurt in transitie is Wanneer een buurt aan de beurt is en hoe lang het duurt voordat een buurt aardgasvrij is verschilt per buurt en hangt sterk samen met de warmteoptie in die buurt. 3.1.2.1 Warmtenetbuurten In buurten waar een warmtenet ligt, worden gebouwen kort na de aanleg van het warmtenet aangesloten. De eerste ervaringen uit de gestarte buurten in Amsterdam leren dat een doorlooptijd van acht tot tien jaar per buurt nodig is om alle stappen van planvorming tot uitvoering te doorlopen. Dit is tevens in lijn met de verwachtingen die in het Klimaatakkoord zijn opgenomen over de gemiddelde transitieperiode van een buurt. De volgorde waarin warmtenetbuurten aardgasvrij worden, wordt bepaald door de besliscriteria die hierboven zijn beschreven in paragraaf 3.1.2. In de warmtenetbuurten starten we door per fase in de eerste twee tot drie jaar samen met de belangrijke stakeholders en bewoners een concreet uitvoeringsplan op te stellen voor het aardgasvrij maken van de buurt. In dat buurtuitvoeringsplan worden definitieve keuzes gemaakt over de aardgasvrije warmteoplossing. Lees hierover meer in hoofdstuk 5: van visie naar uitvoering.

3.1.2.2 Individuele oplossingen Buurten met individuele oplossingen zijn all-electric buurten, buurten met lokale bronnetten en de buurten waar het gasnet voorlopig blijft liggen. In deze buurten isoleren eigenaren hun gebouwen op natuurlijke momenten, gaan zij over op elektrisch koken en vervangen zij de gasketel door een warmtepomp of een hybride systeem in gasnetbuurten. Datzelfde geldt voor de netbeheerder en de gemeente. Zij kiezen natuurlijke momenten om waar nodig het elektriciteitsnet te verzwaren en het gasnet te verwijderen. Dat zullen momenten zijn waarop de maatschappelijke kosten zo laag mogelijk zijn. In all-electric buurten en buurten waar lokale bronnetten komen betekent het dat er een einddatum komt voor gaslevering. Die datum zal naar verwachting dichtbij 2040 liggen om gebouweigenaren voldoende tijd te geven om alle nodige maatregelen te treffen. De gemeente zal bestaande en toekomstige instrumenten inzetten om gebouweigenaren te stimuleren hun gebouwen klaar te maken voor het stoppen van gaslevering. In het geval van gasnetbuurten zal de inzet van de gemeente gericht zijn op gasbesparing.

Transitievisie Warmte Amsterdam 35

3.1.2.3 Overige buurten Naast warmtenetbuurten en buurten met een individuele oplossing zijn er buurten die een eigen, vooraf bepaald tempo hebben. Het gaat dan om nieuwbouw- en transformatiebuurten, buurten die reeds bijna volledig zijn aangesloten op het warmtenet en buurten waar al gestart is.

3.2 De transitiekaart De uitgangspunten voor de fasering zijn gebruikt om te komen tot een transitiekaart. De legenda van de transitiekaart is hieronder toegelicht. Al (bijna) volledig op het warmtenet (34 buurten) Dit zijn buurten die reeds (bijna) volledig zijn aangesloten op het warmtenet. Het gaat om gebieden zoals delen van Zuidoost, IJburg en Zeeburgereiland. In de transitievisie gaan we ervan uit dat deze buurten ook aangesloten blijven op het warmtenet. All-electric: gestaag aardgasvrij tussen 2020 en 2040 (18 buurten) Dit zijn buurten waar all-electric is voorzien als warmteoptie. Deze buurten worden gestaag aardgasvrij tussen nu en 2040. Het tempo wordt bepaald door de veelal particuliere gebouweigenaren in deze buurten. Gebouweigenaren isoleren hun gebouwen, gaan over op elektrisch koken en vervangen de cv-ketel door een warmtepomp. De rol van de netbeheerder is om de belasting op het elektriciteitsnet in de gaten te houden

en het net te verzwaren op het moment dat het verbruik vraagt om meer capaciteit. De netbeheerder houdt hierbij rekening met het optimum van de laagste maatschappelijke kosten. De netbeheerder bepaalt dat moment in overleg met de gemeente en kiest een moment waarop werkzaamheden kunnen worden gecombineerd. De netbeheerder bepaalt ook in overleg met de gemeente het moment waarop het (nu vaak relatief jonge) gasnet verwijderd wordt, en de resterende gebouwen versneld aardgasvrij moeten worden gemaakt. Om gebouweigenaren voldoende tijd te geven is het moment van gasnetverwijdering (het moment dat alle woningen in een buurt aardgasvrij zijn) waarschijnlijk niet eerder dan 2035. Lokale bronnetten: gestaag aardgasvrij tussen 2020 en 2040 (24 buurten) Dit zijn buurten waar we bronnetten verwachten op basis van zeer lage-temperatuur warmtebronnen. Het gaat om buurten met veel bedrijfsbebouwing en kantoren. Ook voor deze buurten geldt dat zij gestaag aardgasvrij worden tussen nu en 2040, en dat het tempo bepaald wordt door de gebouweigenaren. Ook hier zullen netbeheerder en gemeente de momenten bepalen waarop het elektriciteitsnet eventueel moet worden verzwaard en het gasnet kan worden verwijderd. Het aardgasvrij maken van utiliteitsgebouwen door middel van WKO levert

doorgaans nu al een positieve businesscase op. Bronnetten op basis van WKO zijn doorgaans rendabel en kunnen eenvoudig gecombineerd worden met de ketelvervanging van grote gebouwen. Lokale bronnetten en warmtenet: gestaag aardgasvrij tussen 2020 en 2032 (14 buurten) Dit zijn buurten waar we zowel bronnetten verwachten op basis van zeer lage-temperatuur warmtebronnen als waar reeds het middentemperatuur warmtenet ligt. Het gaat om buurten met veel bedrijfsbebouwing en kantoren. Voor deze buurten geldt dat zij in hoog tempo aardgasvrij kunnen worden, namelijk tussen 2020 en 2032 en dat het tempo bepaald wordt door de gebouweigenaren. Ook hier zullen netbeheerder en gemeente de momenten bepalen waarop het elektriciteitsnet eventueel moet worden verzwaard en het gasnet kan worden verwijderd. De redenen dat deze buurten versneld aardgasvrij kunnen worden: ƒ Het aardgasvrij maken van utiliteitsgebouwen door middel van WKO levert doorgaans nu al een positieve businesscase op. Bronnetten op basis van WKO zijn in de regel rendabel en kunnen eenvoudig gecombineerd worden met de ketelvervanging van grote gebouwen. ƒ In deze buurten is sprake van een hogere organisatiegraad van gebouweigenaren dan in andere

buurten waar lokale bronnetten verwacht worden. Het gaat dan bijvoorbeeld om de Zuidas en de haven. ƒ In deze buurten hebben gebouweigenaren de keuze uit meerdere technieken, namelijk het middentemperatuur warmtenet of lokale bronnetten. Gasnet/hybride (119 buurten) Dit zijn buurten waar de warmteoptie gasnet met hybride oplossingen is voorzien. In deze buurten zal tussen nu en 2040 worden ingezet op het vergaand besparen van gasgebruik door toepassing van isolatie, elektrisch koken en hybride warmtepompen in de oudbouw. Door de heterogeniteit van de binnenstad, waar tussen de oudbouw ook veel nieuwere woningen en utiliteitsgebouwen staan, zal ook een aanzienlijk deel (ca. 30 procent) van de gebouwen volledig aardgasvrij worden gemaakt door middel van lokale bronnetten of individuele all-electric oplossingen. Bij elkaar leidt dit tot 2040 tot een gasbesparing van hoogstens 70 procent. Het tempo waarin gas wordt bespaard hangt ook bij deze warmteoptie af van de gebouweigenaren, en het tempo waarin zij de nodige maatregelen kunnen treffen. De netbeheerder zal in overleg met de gemeente bepalen of er lokaal verzwaring van het elektriciteitsnet moet plaatsvinden.

Transitievisie Warmte Amsterdam 36

Warmtenetbuurten: gefaseerd aardgasvrij tussen 2020 en 2030 (45 buurten) Dit zijn buurten die in een tijdsbestek van 10 jaar aardgasvrij worden met een middentemperatuur warmtenet (70°C ) als overwegende warmteoptie. De eerste twee à drie jaar wordt gebruikt om buurtuitvoeringsplannen op te stellen. Het tempo van deze buurten wordt bepaald door de aanleg van het warmtenet, wat weer wordt bepaald door onder andere de aansluiting van grote gebouweigenaren zoals woningcorporaties en het beschikbaar komen van een betaalbare en financierbare oplossing voor alle eigenaren in de buurt. Dit zijn allemaal buurten waar reeds op enige wijze is begonnen met de transitie. Het gaat om de zogeheten City Deal-buurten en om buurten met particuliere initiatieven van enige schaal. Op basis van de technisch-financiële analyse komt er voor deze buurten een middentemperatuur warmtenet uit. Doordat deze buurten onder de City Deal vallen of een particulier initiatief volgen kunnen zij desondanks afwijken van die warmteoptie om ruimte te maken voor een pilot of onderzoek. De gemeente zal die afwijking onderbouwen wanneer dat aan de orde is en meenemen in de herijking van de transitievisie.

Warmtenetbuurten: gefaseerd aardgasvrij tussen 2022 en 2032 (26 buurten) Dit zijn buurten die in een tijdsbestek van 10 jaar aardgasvrij worden met een middentemperatuur warmtenet (70°C ) als overwegende warmteoptie. Het tempo van deze buurten wordt bepaald door de aanleg van het warmtenet, wat weer wordt bepaald door onder andere de aansluiting van grote gebouweigenaren zoals woningcorporaties en het beschikbaar komen van een betaalbare en financierbare oplossing voor alle eigenaren in de buurt. Deze buurten vallen in het tijdvak 20222032 omdat in deze buurten een stapeling van kansen en prioriteiten is vastgesteld. Die kansen en prioriteiten zijn bepaald op basis van de besliscriteria voor de fasering die de Amsterdamse stakeholders hebben opgesteld. Warmtenetbuurten: gefaseerd starten na 2030 (132 buurten) Dit zijn buurten die net als de vorige categorie in een tijdsbestek van 10 jaar aardgasvrij worden met een middentemperatuur warmtenet als overwegende warmteoptie. Deze buurten vallen in het tijdvak na 2030. Bij het herijken van de transitievisie warmte kan dit tijdvak in meer detail gepland worden. Na 2030 zijn er op grond van de besliscriteria voor de fasering weinig tot geen kansen en prioriteiten meer aan te geven. Dit komt

doordat veel van de andere werkzaamheden nog niet verder gepland zijn. Nieuwbouw- en transformatiegebieden buiten de bestaande stad (33 buurten) Dit zijn buurten waar grootschalige nieuwbouw of transformatie is voorzien buiten de bestaande en bewoonde stad. Het gaat om gebieden zoals Haven Stad, Schinkelkwartier en Strandeiland. In deze buurten zijn vier warmteopties voorzien: ƒ Warmtenet (40 °C - circa 70%) ƒ Lokale bronnetten (circa. 10%) ƒ Warmtenet (70 °C - circa 10%) In enkele gevallen zal het vanwege lokale omstandigheden logisch zijn om nieuwbouw aan te sluiten op middentemperatuur. Een voorwaarde hierbij is dat de nieuwbouwontwikkeling de omliggende bestaande bouw versneld aardgasvrij kan maken. In dit geval zal de gemeente ook gebruik maken van het ‘ comply or explain’ principe dat door de gemeenteraad is aangenomen15. ƒ All electric (circa 10%). Bij nieuwbouwontwikkelingen in lage dichtheid of op zeer kleine schaal, of wanneer echt geen lokale warmtebron kan worden gevonden, is all electric de logische keuze voor nieuwbouw. 15 Motie van 9 november 2017 van de leden Groen, Bosman en Dijk inzake het warmteplan Amstelkwartier 2e fase Weststrook (duurzame warmtebronnen in nieuwbouw).

Zowel de fasering als het tempo van deze buurten zal volledig worden bepaald door de gebiedsontwikkeling: wanneer deze plaatsvindt en hoe snel deze zich volstrekt. Bijzondere aanduiding: kookgasopgave Er zijn nog ongeveer 20 duizend woningen die wel zijn aangesloten op het warmtenet maar nog niet aardgasvrij zijn omdat ze nog gas gebruiken om te koken. Dat is ca. 20 procent van de bestaande warmtenetaansluitingen. Deze woningen zijn met name geconcentreerd in Zuidoost, Buitenveldert en Nieuw-West. In de kaart zijn deze buurten geen aparte categorie, maar krijgen zij een bijzondere aanduiding. Omdat er geen infrastructurele opgave meer hoeft plaats te vinden, zijn deze woningen niet meegenomen in de fasering. Immers, het warmtenet ligt er al. Het verwijderen van het kookgas is een betrekkelijk eenvoudige ingreep die door de gebouweigenaar als onderdeel van andere gebouwgebonden maatregelen wordt gedaan.

Transitievisie Warmte Amsterdam 37

3.3 Het prioriteren van de warmtenetbuurten Uit de uitgangspunten volgt dat de warmtenetbuurten in een betrekkelijk kort tijdsbestek van gemiddeld 10 jaar aardgasvrij worden en dat er een volgorde is waarin deze buurten aardgasvrij worden. De buurten die reeds zijn gestart komen vooraan in de fasering. Dit zijn allemaal zogenaamde City Deal-buurten en een aantal particuliere initiatieven. In de transitievisie gaan we ervan uit dat die buurten aardgasvrij zullen worden tussen 2020 en 2030. Om de volgorde van de overige warmtenetbuurten te bepalen zijn de faseringscriteria van al deze buurten in kaart gebracht. Dat is gedaan op basis van data over de gebouwde omgeving, planningen, bewonersinitiatieven en infrastructuur. Vervolgens is in overleg met stakeholders in de stad een rangschikking gemaakt van deze criteria op basis van de impact die zij hebben op de fasering. Daaruit volgen zeven categorieën met een bijbehorend aantal buurten en woningequivalenten die in meerder of mindere mate voldoen aan de faseringscriteria. In deze berekening zijn gebouwen die reeds op het warmtenet zitten niet meegenomen. De buurten in kanscategorie 1 t/m 4, totaal 37 buurten, zijn aangemerkt als de meest kansrijke buurten om te beginnen met een warmtenet. Een deel van deze buurten had al de status van City Deal-buurt en valt daarom onder

de categorie ‘Warmtenetbuurten: gefaseerd aardgasvrij tussen 2020 en 2030’. Het restant aan buurten met in totaal ca. 47 duizend woningequivalenten, is toegewezen aan de faseringscategorie ‘Warmtenetbuurten: gefaseerd aardgasvrij tussen 2022 en 2032’. De resterende warmtenetbuurten die vallen in kanscategorie 5 t/m 7 zijn toebedeeld aan de categorie ‘Warmtenetbuurten: gefaseerd vanaf 2030’. Figuur 8 geeft de transitiekaart weer met de fasering van Amsterdam Aardgasvrij, inclusief de prioritering van de warmtenetbuurten. Intensiteit van de transitie De transitie naar aardgasvrij zoals voorgesteld in de transitiekaart heeft impact op de leefbaarheid van de stad. Om inzicht te krijgen in het aantal buurten dat gelijktijdig in transitie is, is in bijlage 7 de mate van impact die de transitie heeft op de stad, de zogenaamde intensiteit van de transitie, verder uitgewerkt.

Kanscategorie

Aanwezige criteria

Aantal buurten

Aantal WEQ

Kans 1

Bundeling vraag Bestaande infra Werk met werk Natuurlijk transitiemoment Basisisolatie

7

10.000

Kans 2

Bundeling vraag Bestaande infra Werk met werk Natuurlijk transitiemoment

5

11.000

Kans 3

Bundeling vraag Bestaande infra Werk met werk

12

19.000

Kans 4

Bundeling vraag Bestaande infra

13

15.000

Kans 5

Bundeling vraag OF Bestaande infra

100

140.000

Kans 6

Werk met werk OF Natuurlijk transitiemoment OF Basisisolatie

58

71.000

Kans 7

Geen faseringscriteria aanwezig

26

28.000

Zaanstad

Oostzaan

Transitievisie Warmte Amsterdam 38

Landsmeer

Warmtenetbuurt

Waterland

Diemen

Tussen 2020 en 2030 Warmtenetbuurt: gefaseerd aardgasvrij Tussen 2022 en 2032 Warmtenetbuurt: gefaseerd aardgasvrij Vanaf 2030 Warmtenetbuurt: gefaseerd starten Al (bijna) volledig op het warmtenet

Lokale bronnetten

Haarlemmermeer

Tussen 2020 en 2032 Lokale bronnetten en warmtenet: gestaag aardgasvrij Tussen 2020 en 2040 Lokale bronnetten: gestaag aardgasvrij

All Electric Tussen 2020 en 2040 All Electric: gestaag aardgasvrij

Aardgasvrij gasnet Tot 2040 Aardgasvrij gasnet: gestaag tot 70% gasbesparing

Weesp

Amstelveen

Nieuwbouw- en transformatiegebied: volgt de fasering van de gebiedsontwikkeling Grotendeels onbebouwd Een aanzienlijk deel van warmteaansluitingen nog op kookgas CityDeal-buurten en particuliere initiatieven

Aalsmeer

Ouder-Amstel

Stichtse Vecht D eFiguur R 8.oTransitiekaart n d e Amsterdam Venen

Wijdemere

Transitievisie Warmte Amsterdam 39

3.4 A  ardgasvrij-initiatieven in de stad De kaart in figuur 9 geeft de initiatieven in de buurt weer waar de bewoners, partners of maatschappelijke organisaties het gesprek met de gemeente al zijn gestart over het aardgasvrij worden van hun buurt. In de kaart wordt onderscheid gemaakt tussen particuliere initiatieven (in groen) en City Deal-buurten (in blauw).

CityDeal-buurten en particuliere initiatieven CityDeal-buurt Particulier initiatief

Figuur 9. Initiatievenkaart warmtetransitie Amsterdam

Bij de particuliere initiatieven komt het initiatief vanuit bewoners zelf. Dus echt van ‘onderop’ en vaak vanuit een streven om tegen de laagste prijs zo duurzaam en innovatief mogelijk woningen of gebouwen te verwarmen. De gemeente ondersteunt deze koplopers met denkkracht en subsidie. Op die manier kunnen innovatieve en nieuwe oplossingen voor duurzaam verwarmen beter worden onderzocht, zodat we deze oplossingen op grotere schaal mogelijk ook in andere soortgelijke gebieden kunnen toepassen. Voor een aantal van de reeds gestarte initiatieven geldt dat zij een andere voorkeurswarmteoptie hebben dan is weergegeven op de transitiekaart. Wij gaan graag samen met de betrokken partijen in gesprek over de best passende oplossing in deze buurten. Doordat deze buurten onder de City Deal vallen of een particulier initiatief volgen, kunnen zij afwijken van de voorkeurswarmteoptie om ruimte te maken voor een pilot of onderzoek. De gemeente zal die afwijking meenemen in de herijking van de transitievisie.

Transitievisie Warmte Amsterdam 40

Ook bij nieuwe initiatieven kan het voorkomen dat zij afwijken van de voorkeurswarmteoptie of de voorgestelde fasering in deze transitievisie. Indien er in een buurt veel draagvlak is voor een warmteoptie of een transitietempo dat afwijkt van de hier geschetste planning en dit geen bijkomende maatschappelijke kosten met zich meebrengt, zal de gemeente in gesprek gaan met het initiatief over de mogelijkheden om versneld aardgasvrij te worden. Een belangrijke notie bij de kaart in figuur 9 is dat deze initiatieven slechts voorbeelden zijn van wat er op dit moment leeft in de stad. Er zijn meerdere initiatieven die hard op weg zijn om de plannen om aardgasvrij te worden werkelijkheid te laten worden. De buurten die op deze kaart in geel en blauw zijn weergegeven zijn in dat proces verder gevorderd. Het gaat om de volgende initiatieven: Energie-coöperatie MeerEnergie In Middenmeer zijn bewoners in gesprek gegaan met datacenter Equinix op het Science Park. Het datacenter is bereid alle restwarmte gratis af te staan, genoeg voor verwarming en warm water van 5.000 woningen. Het plan is om de lage temperatuur restwarmte via een collectieve warmtepomp op te waarderen naar de hogere temperatuur die nodig is om de huizen te verwarmen. Groen Gas Gaasperdam Voor Gaasperdam wordt gedacht aan groengas, opgewekt uit het riool en het

groente- en fruitafval van de bewoners zelf. Uit hun eigen afval en uitwerpselen dus. De 13.000 huishoudens in Gaasperdam kunnen dan hun cv-ketel houden, maar wel in combinatie met een hybride warmtepomp en kierdichting. Daarmee wordt het gasverbruik in één keer gehalveerd. Gaasperdam ligt gunstig volgens de initiatiefneemster: dicht bij een hoofdleiding van het riool. Die plek, bij het AMC, lijkt daarmee geknipt voor een hogedrukvergister die gas produceert uit organische reststromen. Ketelhuis Wilhelmina Gasthuis-terrein Een aantal bewoners, huurders en ondernemers van het WG-terrein zijn samen de energiecoöperatie KetelhuisWG gestart. De gebouwen liggen dicht bij het Jacob van Lennepkanaal, waarbij het water uit dit kanaal gebruikt kan worden om de woningen te verwarmen. Wel moet het water via een warmtepomp nog opgewaardeerd worden. Met onderzoek wordt gekeken of het warmtealternatief financieel haalbaar is, wie het gaat beheren en uiteraard of het een uitvoerbaar plan is. De verwachting is dat de resultaten van dit onderzoek halverwege 2020 gereed zijn. Binnengasthuisterrein Universiteitskwartier Vanwege de unieke locatie in de binnenstad en de samenhang met de andere gebouwen in het gebied, hebben de

UvA en de Gemeente Amsterdam in maart 2018 een overeenkomst gesloten om samen een duurzaam Universiteitskwartier te realiseren. Er bevinden zich naast alle gebouwen van de UvA en andere MKB-ers en hotels in het gebied zo’n 600 inwoners in ongeveer 400 woningen, waarvan ongeveer een derde koopwoning, een derde particuliere huurwoning en een derde corporatie bezit is. Als duurzame warmtebron wordt in dit gebied vooralsnog ingezet op een Warmte Koude Opslag, gekoppeld aan een laag temperatuur warmtenet. Ze plannen dit gefaseerd aan te pakken en eerst via een hybride alternatief richting een volwaardig aardgasvrij alternatief in 2030 te gaan. Artis & partners ARTIS wil graag verduurzamen en is daarom in gesprek met andere grote energiegebruikers in de buurt (UvA, HvA, KIT, OLVG, Gemeentelijk vastgoed), die gezamenlijk een significant deel van de buurt vertegenwoordigen. Er zijn plannen voor een lokaal warmtenet, waarbij de keuze voor de bron ligt tussen aardwarmte en aquathermie. Het komende jaar zal via een haalbaarheidsanalyse bepaald worden welke van de twee bronnen gekozen zal worden. Buikslotermeer Noord In Buikslotermeer in Amsterdam Noord staan acht appartementenflats met 870 woningen uit medio de jaren 70. Vanuit

verschillende partijen: de Key, Waternet en Firan (het warmtenetwerkbedrijf van de netbeheerder Liander) is het idee ontstaan om warmte te winnen uit de riolering, en deze via een warmte-koude opslag en warmtepompen in de gebouwen te gebruiken om de woningen te verwarmen. De betrokkenen hebben dit jaar een samenwerkingsovereenkomst gesloten met afspraken over het nadere onderzoek naar de haalbaarheid van de beschreven ontwikkeling. Er is enthousiasme en vertrouwen bij de betrokken partijen dat het initiatief op basis van het uitgevoerde vooronderzoek tot realisatie kan worden gebracht.

Hoofdstuk 4

Wat betekent dit voor de stad? In de voorgaande hoofdstukken is een beeld gegeven van de transitie naar een aardgasvrij Amsterdam in 2040, en is uitgelegd hoe dit beeld tot stand gekomen is. Maar wat betekent die transitie voor de stad en welke dilemma’s moeten nog opgelost worden op weg naar een aardgasvrije gebouwde omgeving? In dit hoofdstuk beschrijven we dit aan de hand van drie relevante thema’s.

Transitievisie Warmte Amsterdam 41

4.1 Isoleren is altijd goed Amsterdam staat voor een grote isolatieopgave. Door woningen en kantoren te isoleren wordt de vraag naar warmte verminderd. Dit is een essentiële stap in het aardgasvrij maken van de stad. Het belang van isoleren voor de warmtetransitie is in hoofdstuk 2 al ter sprake gekomen, en geldt in ieder geval voor alle gebouwen die voor 1990 gebouwd zijn. Dat is het overgrote deel van de stad. Naast isoleren zijn ook ventilatie en de overstap naar elektrisch koken essentieel in het voorbereiden op een alternatief voor aardgas. Het is dus belangrijk dat iedere gebouwbezitter start met het nemen van een aantal basismaatregelen. In bijlage 8 wordt per woningtype beschreven welke maatregelen ‘no-regret’ zijn, oftewel maatregelen die onafhankelijk van de toekomstige warmteoptie altijd genomen kunnen worden. Deze maatregelen verdienen zichzelf in de loop van de jaren terug via een besparing op de energierekening en zorgen bovendien voor een verbetering van het comfort in de woning. Door het nemen van deze maatregelen zorgen we ervoor dat woningen en kantoren transitiegereed worden gemaakt. Het verleden wijst uit dat het isoleren van de gebouwde omgeving een opgave van lange adem is. Het tempo ligt laag. In hoofdstuk 5 gaan we in op de uitvoering van de visie en beschrijven we hoe we werken aan

een isolatieprogramma om het juiste tempo te bereiken in de isolatieaanpak ter voorbereiding op een aardgasvrij Amsterdam. Van duurzame hoge temperatuur nu naar duurzamere lage temperatuur straks Het isolatievraagstuk krijgt extra urgentie vanuit de opgave om warmtenetten op termijn te verduurzamen. Met een aanvoertemperatuur van 70 graden voor bestaande bouw kunnen alle beschikbare warmtebronnen in de stad, indien nodig met tussenkomst van een wijkwarmtepomp, op een zelfde flexibel en toekomstbestendig warmtenet worden ontsloten. Dat is nodig om zoveel mogelijk duurzame bronnen te kunnen invoeden, zoals beschreven in hoofdstuk 2 en bijlage 3. Dit neemt niet weg dat er daarnaast kleinere, lokale warmtenetten nodig zullen zijn en dat nieuwbouw in de meeste gevallen op laagtemperatuur (40 °C) warmtenetten zal worden aangesloten. Voor alle warmtenetten geldt dat het van belang is dat de leveringstemperatuur past bij de warmtevraag van de woning en bij voorkeur zo laag mogelijk is. Het is belangrijk de ontwikkeling van het warmtenet los te koppelen van de gebouwmaatregelen. Op dit moment zijn nog lang niet alle Amsterdamse woningen geïsoleerd tot het niveau van 70 graden. Het is echter noodzakelijk om nu al stappen te zetten om ervoor te

Transitievisie Warmte Amsterdam 42

zorgen dat heel Amsterdam in 2040 aardgasvrij is. Warmtenetten worden daarom gedurende de warmtetransitie nog deels geleverd met een aanvoertemperatuur van 90 graden. Zo kunnen ook de oudere buurten in de stad van warmte worden voorzien en wordt op korte termijn al CO2-reductie gerealiseerd. Om een afhankelijkheid van fossiele warmtebronnen te voorkomen is het van belang dat stakeholders gezamenlijk afspreken om vanaf een bepaald moment, uiterlijk in 2040, stadsbreed geen 90 graden warmte meer te leveren en de aanvoertemperatuur in de bestaande distributienetten te verlagen naar 70 graden. Op deze manier zijn de investeringskosten voor de vastgoedeigenaren voorspelbaar en planbaar en blijven de totale maatschappelijke kosten het laagst. Wat vinden Amsterdammers? Tijdens de tweede Denk Mee Avond over de transitievisie warmte hebben Amsterdammers meegedacht over de vervolgstappen op de transitievisie warmte en de concrete eerste stappen die gezet moeten worden om gebouweigenaren in verschillende typen buurten in actie te laten komen. In bijlage 9 zijn hun adviezen te vinden, die worden meegenomen in de uitvoering van de transitievisie warmte.

4.2 Het mogelijk maken van een betaalbare warmtetransitie De overstap naar aardgasvrij vraagt een bijdrage van alle betrokken partijen in Amsterdam. We willen dat die overstap naar aardgasvrij voor iedereen, bewoners en andere belanghebbenden, betaalbaar is en dat de kosten eerlijk verdeeld worden. Eerlijk verdeeld tussen partijen, tussen buurten met verschillende oplossingen, en tussen bewoners binnen die buurt. Betaalbaarheid bekijken we vanuit twee verschillende invalshoeken: 1) de totale maatschappelijke kosten oftewel de gezamenlijke kosten voor de stad, en 2) de kosten voor de gebouweigenaar en/ of bewoner/huurder. Laagste maatschappelijke kosten door subsidie en collectiviteit Omdat we als gemeente de kosten van de warmtetransitie voor de stad als geheel zo laag mogelijk willen houden, is in deze transitievisie warmte zowel bij de volgorde van buurten als bij de keuze voor aardgasvrije warmteoplossingen gekeken waar de maatschappelijke kosten van de warmtetransitie het laagst zijn. Hierbij is de verdeling van kosten en dekking over partijen een vervolgvraag. Voor dit vraagstuk wordt landelijk onder de nieuwe Warmtewet 2.0 naar oplossingen gekeken. In Amsterdam wordt daarnaast binnen de zogenaamde ‘warmtemotor’ naar een goede verdeling van kosten en opbrengsten gezocht, zie paragraaf 5.6.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13861847/1