CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 bij brief van de minister.pdf

Raadscommissie Ruimtelijke ordening 27 september 2023, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Raadsinformatiebrief betreffende de stand van zaken invoering Omgevingswet. (VN2023-019190)35.585 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

Omschrijving Integraal Financieel Beeld - toerekening technologiekosten Geactualiseerde toerekening technologiekosten 4 Totaal actualisatie toerekening technologiekosten Financieel effect IFB

Variant 1 Variant 2b Variant 2a Onderkant Bovenkant Onderkant Bovenkan Onderkant Bovenkant € € € €

1,2 1,2 1,2

€ € € €

0,7 1,2 0,5 0,5

€ € € €

0,1 0,1 1,3

€ € € €

0,8 0,1 -0,7 -0,2

€ € € €

0,3 0,3 1,5

€ € € €

1,1 0,3 -0,8 -0,3

In het Integraal Financieel Beeld is het uitgangspunt opgenomen dat de beheerkosten DSO-LV en IPLO voor 38% in de leges kan worden opgenomen. Dit percentage is gekozen omdat dit deel van de beheerkosten specifiek aan het onderdeel vergunningverlening van het DSO-LV en IPLO kan worden toegerekend. Omdat er nog onduidelijkheid was of dit wettelijk mogelijk was, is dat in het Integraal Financieel Beeld alleen aan de bovenkant van de verschillende varianten gedaan. Aan de onderkant is telkens nihil opgenomen. Er zijn twee ontwikkelingen: Als eerste is inmiddels duidelijk dat de beheerkosten deels in de leges van vergunningen kunnen worden toegerekend. Aan de onderkant van de verschillende varianten zijn deze opbrengsten in deze actualisatie opgenomen. Dat betekent dat de verschillende varianten aan de onderkant een verbetert resultaat opleveren voor provincies. Als tweede zijn de totale beheerkosten voor DSO-LV en informatiepunt voor variant 1 toegenomen en voor de varianten 2 afgenomen (zie ook voorgaande punt 3. Beheerkosten DSO-LV en IPLO). Dat heeft een effect op de toerekening van de technologiekosten aan leges. De geactualiseerde technologiekosten voor provincies komen in variant 1 uit op € 1,2 mln., voor variant 2b op € 1,3 mln. en voor variant 2a op € 1,5 mln.

Het effect van deze twee ontwikkelingen op het Integraal Financieel Beeld is voor variant 1 dat door de toerekening van technologiekosten de opbrengsten voor provincies uit leges aan de onderkant € 1,2 mln. toeneemt. Aan de bovenkant komt dit bedrag voor provincies op € 0,5 mln.

96 Meerjarenraming IFB – scenario’s”, 25 april 2023 versie 1.2, Aan de slag met de Omgevingswet

Pagina 77 van 105

Voor variant 2b is het effect voor provincies aan de onderkant een stijging van de baten van € 1,3 mln. en aan de bovenkant een daling van de baten van € 0,2 mln. In variant 2a nemen de baten aan de onderkant met € 1,5 mln. toe. Aan de bovenkant neemt de baten voor provincies met € 0,3 mln. af. (prijspeil 2022). 5. Overheid als initiatiefnemer n.v.t. 6. Onderzoekshulp In tabel 36 staan de effecten van actualisatie van het onderwerp onderzoekshulp DSO. Tabel 36: actualisatie onderzoekshulp provincies (alle bedragen x € 1 mln. prijspeil 2022) Omschrijving

Variant 1 Onderkant Bovenkant

Variant 2b Onderkant Bovenkant

Provincies

Variant 2a Onderkant Bovenkant € -0,8 € -1,0

In het rapport van Ecorys/ Senze staat het onderwerp onderzoekshulp opgenomen.97 Met onderzoekshulp wordt ervoor gezorgd dat de beschikbare informatie ook gemakkelijker vindbaar is (door standaardisatie) en wordt het mogelijk onderzoeken te hergebruiken en centraal op te slaan. Hiermee wordt het overzicht vergroot, is er sprake van minder zoektijd en een vermindering van onderzoekskosten voor alle actoren vanaf scenario D van het DSO. In de expertsessies is aangegeven dat dit een effect is dat vooral voor maatschappij en burgers geldt. Binnen overheden is de informatie veelal door dossierkennis van ambtenaren beschikbaar. De verwachting is dat dit financieel effect zich dan ook niet voordoet. 7. Koepelkosten In tabel 37 staan de effecten van de stijgende koepelkosten bij de IPO. Tabel 37: Effecten stijgende koepelkosten bij IPO (alle bedragen x € 1 mln. prijspeil 2022)

Omschrijving Provincies

Variant 1 Variant 2b Variant 2a Onderkant Bovenkant Onderkant Bovenkant Onderkant Bovenkant € -2,3 € -2,3 € -2,3 € -2,3 € -2,3 € -2,3

Als gevolg van de Ow stijgen bij het IPO de structurele ondersteuningskosten voor de provincies. Onderdeel daarvan is ook het beheer van informatieproducten. Vooralsnog is in alle varianten rekening gehouden, op basis van de opgave van de IPO, met een structurele stijging van € 2,3 mln. Het betreft kosten waarvoor provincies een hogere ledenbijdrage aan het IPO gaan betalen.

97 Rapportage financiële effecten DSO-LV en IPLO, Ecorys, 26 februari 2021, pagina 60

Pagina 78 van 105

Bijlage 3: Actualisatie IFB waterschappen Transitiekosten waterschappen In tabel 38 staan de geactualiseerde transitiekosten voor waterschappen opgenomen. Tabel 38: Actualisatie 8ransitiekosten waterschappen (alle bedragen x € 1 mln. prijspeil 2022) Omschrijving 2016 2017 A Transitiekosten (KPMG d.d. 3 februari 2021) (prijspijl 2019) € 1 € 5 B Actualisatie - prijspeil en nieuw onderzoek 1 Prijspeil 2019 naar 2022 € 0 € 1 subtotaal transitiekosten (prijspeil 2022) € 0 € 1 C Actualisatie - voorafgaand inwerkingtreding Ow 1 Programma en projectteam invoering Ow 2 IT-capaciteit 3 Beheerbijdrage DSO-LV en informatiepunt 4 Licentiekosten 5 Planvorming en regelgeving 6 Uitvoeringsdiensten - programmateam/IT-capaciteit en licentiekosten subtotaal actualisatie - voorafgaand inwerkingtreding Ow € € D Actualisatie - na inwerkingtreding Ow 1 Transformatie - waterschappen € € 2 Directe uitstelkosten € € Subtotaal actualisatie na inwerkingtreding € € E TOTAAL ACTUALISATIE € 1 € 6 10% minder 10% meer

€

20252019 2020 2021 2022 2023 2024 2029 8 € 12 € 21 € 12 € 6 € 3 € 2 € -

TOTAAL € 70

€ €

1 € 1 €

-

€ €

10 10 5 2 2 2 9

-

€ € € € € € €

2018

2 € 2 €

3 € 3 €

2 € 2 €

1 € 1 € € € € € € €

€

-

€

-

€

-

€

-

€

€ € € €

-

€ € € 9 €

-

€ € € 14 €

-

€ € € 24 €

-

€ € € 14 €

2 2 1 1 5 -

0 € 0 € € € € € € €

3 2 1 1 5 -

11 € -

€ € € 18 €

0 € 0 €

12 € -

€ € € 15 €

-

-

€ 6 € € 6 € 8 €

-

4 € € 4 € 4 € € €

Hieronder worden de verschillende onderdelen nader toegelicht.

A. Transitiekosten (prijspeil 2019) KPMG raamt de totale transitiekosten voor waterschappen voor de periode van 2016 tot 2024 op een bedrag van € 70 mln. KPMG heeft rekening gehouden met een onzekerheidsmarge van 10% min en 10% plus waardoor een bandbreedte ontstaat van € 63 tot € 77 mln. (prijspeil 2019)98

B. Actualisatie – prijspeil en nieuw onderzoek Prijspeil 2019 naar 2022 Voor de actualisatie van de raming van de transitiekosten is het prijspeil van 2019 naar 2022 omgerekend. Het merendeel van de oorspronkelijke onderzoeken zijn met prijspeil 2019 opgesteld. De transitiekosten door aanpassing van het prijspeil zijn voor de waterschappen € 10 mln. hoger.

C. Actualisatie – voorafgaand aan inwerkingtreding Ow Voor het opstellen van deze nieuwe raming voor de jaren 2022 en 2023 zijn door ons verschillende bronnen gebruikt. Als eerste is naar de opbrengsten uit de expertsessies gekeken. Dat heeft vooral een overzicht van de kostencomponenten opgeleverd en een indicatie van de richting van de consequenties van de latere inwerkingtreding. Als tweede is bronmateriaal van de eerdere onderzoeken gebruikt om te komen tot een raming van elk van deze kostenposten. Dat bronmateriaal is dan ook in de voetnoot vermeld. Dat is niet bij alle kostenposten mogelijk gebleken. Indien dat het geval was, is door ons een inschatting gemaakt en is dat expliciet gemaakt.

98 Onderzoek transitiekosten Omgevingswet, 3 februari 2021, KPMG, pagina 33

Pagina 79 van 105

24 10 10 113 102 124

Als gevolg van de latere inwerkingtreding worden waterschappen geconfronteerd met additionele transitiekosten. Een deel daarvan is voor 100% toe te schrijven aan uitstelkosten. Dat geldt bijvoorbeeld bij licentiekosten van ICT-systemen die nog niet gebruikt kunnen worden. Bij andere kosten, bijvoorbeeld kosten van programmateams, is dat niet voor 100% aan het uitstel toe te rekenen. We zien dat programmateams deels afrondende werkzaamheden verrichten, deels voorbereidende werkzaamheden doen vooruitlopend op de invoering en deels werkzaamheden opnieuw moeten doen. Een deel van de kosten wordt aangemerkt als uitstelkosten en een deel wordt aangemerkt als hogere eenmalige kosten/ transitiekosten. In tabel 39 staat de raming van uitstelkosten voor de jaren 2022 en 2023 (prijspeil 2022) Tabel 39: Uitstelkosten 2022 en 2023 voor waterschappen (alle bedragen x € 1 mln. prijspeil 2022)

Omschrijving 2022 2023 Uitstelkosten - onderdeel van C percentage totaal Programma en projectteam invoering Ow 50% € 2 € 3 IT-capaciteit 100% € 2 € 2 Beheerbijdrage DSO-LV en informatiepunt 100% € 1 € 1 Licentiekosten 100% € 1 € 1 Planvorming en regelgeving 100% € 5 € 5 Uitvoeringsdiensten - programmateam/IT-capaciteit en licentiekosten 70% € € subtotaal actualisatie - voorafgaand inwerkingtreding Ow € 11 € 12

2022 2023 uitstelkosten € 1 € 1 € 2 € 2 € 1 € 1 € 1 € 1 € 5 € 5 € € € 10 € 10

De totale stijging van de eenmalige kosten voor waterschappen als gevolg van de latere inwerkingtreding bedragen voor de jaren 2022 en 2023 respectievelijk € 11 mln. en € 12 mln. In totaal wordt voor het jaar 2022 €10 mln. en voor het jaar 2023 € 11 mln. aangemerkt als uitstelkosten. Hieronder worden de verschillende kostenposten nader toegelicht. 1. Aanhouden programmateam Een deel van het aanhouden van de programmateams is toe te rekenen aan uitstelkosten maar een ander deel betreft gewoon hogere transitiekosten. Hiertoe wordt 50% als uitstelkosten gezien en 50% als hogere transitiekosten. Dit is een kwalitatieve inschatting die door ons is gemaakt op basis van de expertsessies en een aanvullende uitvraag. Als bron wordt KPMG gebruikt. In 2021 raamt KPMG voor de programmateams voor de reguliere ondersteuning bij de invoering van de Ow bij waterschappen op een bedrag van € 3,3 mln. 99 Op prijspeil 2022 is dat € 3,8 mln. Dat is gemiddeld € 173.000 per waterschap.

99 Bron KPMG: transitiekosten 2021: € 12 mln.; 27% zijn kosten voor programma- en projectmanagement

Pagina 80 van 105

Voor 2022 raamt KPMG voor programmateams bij waterschappen € 1,8 mln.100 (prijspeil 2022). Dat is een lager bedrag dan 2021 omdat het uitgangspunt van KPMG is dat dan de Ow is ingevoerd. In de expertbijeenkomst is aangegeven dat in 2022 de programmateams vanwege de grote onzekerheden over de invoeringsdatum volledig op het niveau van 2021 zijn gecontinueerd. In dat jaar zijn de totale kosten voor de programmateams € 3,8 mln. 101 (prijspeil 2022). In 2022 zullen de transitiekosten voor de programmateams naar verwachting € 2 mln. hoger zijn. Voor 2023 raamt KPMG voor programmateams bij waterschappen een bedrag van € 0,9 mln. (prijspeil 2022). 102 Dat bedrag ligt lager dan 2021 en 2022. Ook hier geldt dat het uitgangspunt van KPMG was dat de Ow zou zijn ingevoerd. In de expertbijeenkomst is aangegeven dat 2023 de programmateams vanwege de grote onzekerheden over de invoeringsdatum en de noodzakelijke aanpassingen in de werkprocessen voor een groot deel op het niveau van 2021 zijn gecontinueerd. In dat jaar zijn de totale kosten voor de programmateam € 3,8 mln.103 In 2023 zullen naar verwachting de transitiekosten voor de programmateams als gevolg van de latere inwerkingtreding naar verwachting € 2,9 mln. hoger zijn. Naar verwachting stijgen ten opzichte van de raming van KPMG voor de desbetreffende jaren de transitiekosten van programmateams met respectievelijke € 2 mln.

in 2022 en € 2,9 mln. in 2023. Zo’n 50% van deze kosten, € 1,1 mln. in 2022 en € 1,4 mln. in 2023 wordt aangemerkt als uitstelkosten. 2. Aanhouden IT-capaciteit Uit de expertsessies blijkt dat waterschappen inmiddels de benodigde IT-capaciteit hebben opgebouwd. De latere inwerkingtreding betekent dat waterschappen kosten maken maar dat deze functionarissen niet op de beoogde werkzaamheden kunnen worden ingezet. Het betreft daarbij schaarse capaciteit die vaak ook nog opgeleid moet worden. Waterschappen willen de aangetrokken capaciteit behouden om gereed te zijn voor de inwerkingtreding van de Ow. De capaciteit wordt op overige IT-vraagstukken rondom de Ow ingezet (bijvoorbeeld in de lucht houden van twee systemen, op orde krijgen van DSO, testen, TAM’s). Voor het bepalen van de kosten voor het aanhouden van de IT-capaciteit is voor de jaren 2022 en 2023 gebruik gemaakt van het onderzoek van Ecorys/Senze. In dat rapport staat, voor IT-capaciteit als de Ow is ingevoerd, dat voor applicatiebeheer en beheerders van toepasbare regels voor waterschappen in totaal € 1,5 mln. (prijspeil 2022) per jaar nodig is. 104 In 2022 en 2023 wordt deze capaciteit ingezet om systemen in de lucht te houden.

100 Bron KPMG: transitiekosten 2022: € 6 mln.; 27% zijn kosten voor programma- en projectmanagement 101 Bron KPMG: transitiekosten 2021: € 12 mln.: 27% zijn kosten voor programma- en projectmanagement 102 Bron KPMG: transitiekosten 2023: € 3 mln.; 27% zijn kosten voor programma – en projectmanagement 103 Bron KPMG: transitiekosten 2021: € 21 mln.: 37% zijn personeelskosten en inhuur programmateams 104 Rapportage financiële effecten DSO-LV en IPLO, Ecorys/Senze, 26 februari 2021, pagina, 40 en 41: € 16,5 mln. applicatiebeheer en €3,5 mln.

regelbeheer (op basis van IFB).

Pagina 81 van 105

Het betreft kosten die voor 100% worden toegerekend aan uitstelkosten. Het betreft € 1,5 mln. in zowel 2022 als 2023. 3. Beheerbijdrage DSO-LV- en informatiepunt Over de beheerbijdrage voor DSO-LV en informatiepunt zijn bestuurlijke afspraken in de beheerovereenkomst gemaakt. De afspraak is dat deze kosten gezamenlijk via de beheerbijdrage worden gedragen volgens de volgende verdeelsleutel: Rijk19%, gemeenten 70%, provincies 6% en waterschappen 5%. Vanaf 2020 bedraagt de totale beheerbijdrage € 29 mln. per jaar (prijspeil 2022). Waterschappen betalen daarvan € 1,5 mln. per jaar Vanaf 2020 tot de beoogde invoeringsdatum van 1 januari 2022 zijn door KPMG de financiële beheerbijdrage voor DSO-LV en het informatiepunt als transitiekosten opgenomen, omdat er wel voor beheer wordt betaald terwijl het DSO nog niet voor de dagelijkse werkzaamheden kan worden gebruikt. Voor 2020 waren dit nog geen kosten die aan medeoverheden werden doorberekend en maakten deze kosten daarmee ook geen deel uit van de transitiekosten. Na 1 januari 2022 zijn deze kosten door KPMG niet meer als transitiekosten opgenomen omdat de Ow dan zou zijn ingevoerd. De latere inwerkingtreding zorgt ook in 2022 en 2023 voor hogere transitiekosten dan waarmee KPMG rekening houdt.

Ook in die jaren wordt de beheerbijdrage betaald door de waterschappen zonder dat het DSO-LV en informatiepunt operationeel zijn waardoor de beheerbijdrage door ons aangemerkt en voor 100% is toegerekend aan het uitstel van de Ow. Vanwege de latere inwerkingtreding is voor zowel 2022 en 2023 in totaal € 1,5 mln. aan uitstelkosten voor de beheerbijdrage DSO-LV en informatiepunt opgenomen. 4. Dubbele licentiekosten Uit de expertsessies komt dat waterschappen alle systemen voor het aansluiten op het DSO hebben aangeschaft. Voor het gebruik van de nieuwe software die waterschappen aansluit op het DSO-LV worden jaarlijks licentiekosten of kapitaallasten betaald. Het betreft licentie- of kapitaallasten voor systemen voor toepasbare regels, VTH-systeem en plansoftware die door ons worden aangemerkt als transitiekosten. Het totale bedrag van deze licentiekosten is door Ecorys/Senze berekend op € 1,4 mln. per jaar. 105 (prijspeil 2022). Als gevolg van het uitstel ontstaan dubbele licentiekosten bij de waterschappen, omdat ook de ‘oude’ systemen moeten blijven draaien. Het betreft kosten die voor 100% als directe uitstelkosten worden beschouwd. Het gehele bedrag van € 1,4 mln. is voor beide jaren 2022 en 2023 opgenomen.

105 Rapportage financiële effecten DSO-LV en IPLO, Ecorys/Senze, 26 februari 2021, pagina, 38,39 en 40.

Pagina 82 van 105

5. Aanpassen planvorming en regelgeving Als gevolg van het nieuwe uitstel in 2022 en deels 2023 ontstaan extra kosten voor planvorming en regelgeving bij waterschappen. De kosten komen overeen met de ramingen van KPMG voor 2021, 4,5 mln. 106 (prijspeil 2022). Dit is ongeveer gemiddeld € 180.000 per waterschap. Als gevolg van het uitstel ontstaan voor aanpassing van planvorming en regelgeving transitiekosten welke voor 100% aan het uitstel kunnen worden toegerekend. Een voorbeeld is dat waterschappen door het uitstel twee verordeningen in de lucht moeten houden, zowel de huidige keur die op grond van de huidige regelgeving van kracht is en zijn opvolger de waterschapsverordening die na inwerkingtreding rechtsgeldig wordt. Betekent steeds twee keer wijzigen, twee keer bestuurlijk voorbereiden, besluiten etc. Het bedrag van € 4,5 mln. is voor het jaar 2022 en voor 2023 opgenomen. 6. Uitvoeringsdiensten n.v.t.

D. Actualisatie – na inwerkingtreding Ow In de expertsessies is aangegeven dat waterschappen nog transitiekosten maken na de inwerkingtreding van de Ow. Het zat zal nog veel vragen van de ambtelijke organisaties om optimaal te leren werken met de Ow. Voor een adequate toepassing van de instrumenten zijn aanpassingen in werkprocessen, de organisatie en cultuur nodig. KPMG raamt voor de periode na de inwerkingtredingsdatum € 12,6 mln. 107 (prijspeil 2022) wat neerkomt op gemiddeld € 0,6 mln. per waterschap. Voor de periode na de inwerkingtredingsdatum van de Ow is het oorspronkelijke bedrag van KPMG van € 12,6 mln. voor deze periode gehandhaafd. De middelen waarvan KPMG nog uitging die voor de jaren 2022 en 2023 beschikbaar waren, voor de periode na de inwerkingtredingsdatum Ow, worden nu deels voorafgaand al ingezet. In totaal is er daardoor € 10,3 mln. minder beschikbaar. Na de inwerkingtredingsdatum is er voor de periode van 1 januari 2024 tot 1 januari 2025 € 2,3 mln. beschikbaar (prijspeil 2022).108 Er resulteert een additioneel bedrag voor de transitiekosten van € 10,3 mln. voor de jaren 2024 en 2025 (na inwerkingtreding). Dit bedrag is verdeeld over de twee jaren.

E. Totaal actualisatie In figuur 3 staan de transitiekosten van KPMG en de effecten na de actualisatie van bovenstaand over de periode van 2016 t/m 2029.

106 Onderzoek transitiekosten Omgevingswet, 3 februari 2021, KPMG, pagina 32 107 Onderzoek transitiekosten Omgevingswet, 3 februari 2021, KPMG, pagina 33 108 Zie paragraaf 5.2 Veranderende inzichten en externe ontwikkelingen, transitiekosten na inwerkingtredingsdatum

Pagina 83 van 105

Figuur 3: Transitiekosten Ow waterschappen

Pagina 84 van 105

Structurele effecten waterschappen In tabel 40 staan de geactualiseerde structurele effecten voor waterschappen opgenomen. Tabel 40. Actualisatie structurele effecten waterschappen (alle bedragen x € 1 mln. prijspeil 2022)

Omschrijving F Integraal Financieel Beeld (KokxDeVoogd d.d. 11 maart 2021) G Actualisatie - prijspeil en nieuw onderzoek 1 Prijspeil 2019 naar 2022 2 Nieuw onderzoek subtotaal actualisatie prijspeil 2022 en nieuw onderzoek H Actualisatie - voorafgaand inwerkingtreding Ow I Actualisatie - na inwerkingtreding Ow 1 Ruimtelijke plannen 2 Invoeren van milieuleges 3 Technologiekosten 4 Toerekening technologiekosten 5 Overheid als initatiefnemer 6 Onderzoekshulp 7 Koepelkosten Unie van waterschappen Subtotaal actualisatie na inwerkingtreding J TOTAAL ACTUALISATIE

Variant 1 Variant 2b Variant 2a Onderkant Bovenkant Onderkant Bovenkant Onderkant Bovenkant € € 2,4 € -0,6 € 3,4 € 8,0 € 16,1 €

-

€

0,3 €

-0,1 €

0,5 €

1,1 €

2,3

€

-

€

0,3 €

-0,1 €

0,5 €

1,1 €

2,3

€ € € €

-1,1 1,0

€ € € €

-1,1 0,4

0,9 0,4 1,1

0,9 0,4 -0,2

-1,0 0,7 1,2

€ € € €

0,7 -0,2

€ €

€ -0,5 €

€ -0,5 €

€ -0,5 €

€ -0,5 €

-1,0 € -0,5 €

-1,3 -0,5

€ €

-0,6 € -0,6 €

-1,2 € 1,6 €

1,9 € 1,2 €

0,7 € 4,5 €

-0,6 € 8,5 €

-1,4 17,1

€ € € €

€ € € €

€ € € €

Hieronder worden de verschillende onderdelen nader toegelicht.

F. Integraal Financieel Beeld (prijspeil 2019) In het Integraal Financieel Beeld staat dat zonder gebruik van de eigen beleidsruimte (1) en met scenario 2 van het DSO het structurele effect tussen nihil en € 2,4 mln. positief per jaar ligt. Wanneer waterschappen de decentrale ruimte maximaal (2a) inzetten voor financiële efficiëntie, in combinatie met scenario 3 van DSO, kunnen de bedragen oplopen van € 8 mln. tot € 16,1 mln. per jaar. Op verschillende onderwerpen kunnen de waterschappen de decentrale beleidsruimte minder (2b) op financiële efficiëntie richten. In combinatie met een tussenscenario van het DSO kan het structurele effect voor waterschappen in deze variant uitkomen tussen € 0,6 mln. negatief en 3,4 mln. positief per jaar.

G. Actualisatie prijspeil en nieuw onderzoek 1. Prijspeil 2019 naar 2022 Het merendeel van de oorspronkelijke deelonderzoeken heeft prijspeil 2019. Voor de actualisatie van de raming van de structurele effecten zijn de bedragen uit de verschillende deelonderzoeken naar prijspeil 2022 omgerekend. De structurele effecten van variant 1 neemt alleen aan de bovenkant met € 0,3 mln. toe. Voor variant 2 neemt de onderkant met € 0,1 mln. af en de bovenkant met € 2,3 mln. toe. 2. Nieuw onderzoek n.v.t.

Pagina 85 van 105

H. Actualisatie – voorafgaand inwerkingtreding Ow Voor de inwerkingtreding zijn er geen aanpassingen. Pas na inwerkingtreding treden de structurele effecten op.

I. Actualisatie – na inwerkingtreding Ow 1. Ruimtelijke plannen n.v.t. 2. Milieuleges In tabel 41 staat de effecten van de actualisatie van de milieuleges voor waterschappen. Tabel 41: Actualisatie van milieuleges waterschappen (alle bedragen x € 1 mln. prijspeil 2022) Omschrijving Financiële effecten van wijzigingen rondom de milieuvergunning Additionele raming complexe bedrijven Totaal milieuleges (Integraal Financieel Beeld) Actualisatie Milieuleges (maximaal 50%) Actualisatie Milieuleges (maximaal 25%) TOTAAL ACTUALISATIE MILIEULEGES €

Variant 1 Onderkant Bovenkant

-

€

-

Variant 2b Onderkant Bovenkant

€ €

0,9 € 0,9 €

Variant 2a Onderkant Bovenkant € 2,8 € 3,5 € € € 2,8 € 3,5 € -1,0 € -

0,9 0,9 €

1,8 €

In het deelonderzoek naar de milieuleges staan de structurele financiële effecten voor waterschappen opgenomen.109 Berenschot raamt in dit deelonderzoek de milieuleges voor waterschappen tussen de € 2,8 mln. en 3,5 mln. (prijspeil 2022). In het Integraal Financieel Beeld wordt het invoeren van milieuleges gezien als het gebruik van decentrale ruimte. In variant 2a is het uitgangspunt dat alle waterschappen gebruik maken van de decentrale ruimte en milieuleges invoeren. Dat is de reden dat de volledige geraamde milieuleges zijn opgenomen. In variant 2b is ervan uitgegaan dat waterschappen niet overgaan tot het invoeren van milieuleges en zijn er geen milieuleges geraamd. Op basis van de expertsessies zijn de ramingen naar beneden bijgesteld. Veel van de waterschappen geven aan geen milieuleges in te voeren of dat te doen met maar een beperkte mate van kostendekkendheid. In variant 2a is de onderkant van de bandbreedte verlaagd naar 50% van de maximale opbrengsten. Dat is een daling van € 1,0 mln. De totale geactualiseerde milieuleges voor waterschappen worden daarmee in variant 2a geraamd tussen de € 1,8 mln. en € 3,5 mln. (prijspeil 2022). In de variant 2b is zowel aan de onderkant als de bovenkant 25% van de maximale milieuleges geraamd. Het betreft een bedrag van € 0,9 mln. (prijspeil 2022).

109 Financiële effecten van wijzigingen rondom de milieuvergunning, Berenschot, 22 januari 2021,

Pagina 86 van 105

3,5

3.

Beheerkosten DSO-LV en IPLO

In tabel 42 staan voor waterschappen de effecten van de actualisatie van de beheerkosten DSO-LV en IPLO. Tabel 42: Aanpassing beheerskosten DSO-LV en IPLO waterschappen (alle bedragen x € 1 mln. prijspeil 2022)

Omschrijving Integraal Financieel Beeld - beheerkosten Geactualiseerde beheerkosten 3 Totaal actualisatie beheerkosten Financieel effect IFB

Variant 1 Variant 2b Variant 2a Onderkant Bovenkant Onderkant Bovenkant Onderkant Bovenkant € 1,5 € 1,5 € 1,8 € 1,8 € 2,4 € 2,4 € 2,5 € 2,5 € 0,3 € 0,3 € 0,7 € 0,7 € -1,1 € -1,1 € 1,5 € 1,5 € 1,7 € 1,7 € -1,1 € -1,1 € 0,4 € 0,4 € 0,7 € 0,7

Er zijn bestuurlijke afspraken gemaakt over de verdeling van de beheerkosten van het DSO-LV en IPLO gemaakt. Op basis van de huidige bestuurlijke afspraken worden deze beheerkosten als volgt verdeeld: 70% gemeenten, 19% voor rijkspartijen, 6% voor provincies en 5% voor waterschappen. Ecorys/ Senze heeft een viertal scenario’s (A, B, C en D) doorgerekend. Voor scenario B van het DSO-LV en IPLO zijn - op basis van de investeringen door het Rijk - de beheerkosten voor de bevoegde gezagen tezamen op € 29,3 mln. berekend. Dit maakt onderdeel uit van variant 1 van het Integraal Financieel Beeld en aandeel voor waterschappen bedraagt € 1,5 mln. Voor scenario C en D zijn de beheerkosten op respectievelijk € 64,4 mln. (aandeel waterschappen € 3,3 mln.) en € 77,9 mln. (aandeel waterschappen € 3,9 mln.) berekend. 110 Deze maken onderdeel uit van variant 2b en 2a van het Integraal Financieel Beeld. (prijspeil 2022) Op basis van de investeringen in het DSO-LV en IPLO is een actuele raming van de beheerkosten gemaakt. Voor variant 1 bedraagt de totale geactualiseerde raming van de beheerkosten € 50,6 mln. Een stijging ten opzichte van het Integraal Financieel Beeld. Het aandeel waterschappen komt uit op € 2,5 mln. Voor de varianten 2b en 2a bedragen de beheerkosten respectievelijk € 55,8 mln. (aandeel waterschappen € 2,8 mln.) en € 64,9 mln. (aandeel waterschappen € 3,2 mln.)111.

Alle genoemde bedragen hebben prijspeil 2022.

110 Rapportage financiële effecten DSO-LV en IPLO, Ecorys/Senze, 26 februari 2021, pagina 43. 111 “Meerjarenraming IFB – scenario’s”, 25 april 2023 versie 1.2, Aan de slag met de Omgevingswet

Pagina 87 van 105

4. Toerekening technologiekosten In tabel 43 staan de effecten van de toerekening van de technologiekosten voor waterschappen. Tabel 43: Toerekening technologiekosten waterschappen (alle bedragen x € 1 mln. prijspeil 2022)

Omschrijving Integraal Financieel Beeld - toerekening technologiekosten Geactualiseerde toerekening technologiekosten 4 Totaal actualisatie toerekening technologiekosten Financieel effect IFB

Variant 1 Variant 2b Variant 2a Onderkant Bovenkant Onderkant Bovenkan Onderkant Bovenkant € € € €

1,0 1,0 1,0

€ € € €

0,6 1,0 0,4 0,4

€ € € €

0,1 0,1 1,1

€ € € €

0,7 0,1 -0,6 -0,2

€ € € €

0,3 0,3 1,2

€ € € €

0,9 0,3 -0,7 -0,2

In het Integraal Financieel Beeld is het uitgangspunt opgenomen dat de beheerkosten DSO-LV en IPLO voor 38% in de leges kan worden opgenomen. Dit percentage is gekozen omdat dit deel van de beheerkosten specifiek aan het onderdeel vergunningverlening van het DSO-LV en IPLO kan worden toegerekend. Omdat er nog onduidelijkheid was of dit wettelijk mogelijk was, is dat in het Integraal Financieel Beeld alleen aan de bovenkant van de verschillende varianten gedaan. Aan de onderkant is telkens nihil opgenomen. Er zijn twee ontwikkelingen: Als eerste is inmiddels duidelijk dat de beheerkosten deels in de leges van vergunningen kunnen worden toegerekend. Aan de onderkant van de verschillende varianten zijn deze opbrengsten in deze actualisatie opgenomen. Dat betekent dat de verschillende varianten aan de onderkant een verbetert resultaat opleveren voor waterschappen. Als tweede zijn de totale beheerkosten voor DSO-LV en informatiepunt voor variant 1 toegenomen en voor de varianten 2 afgenomen (zie ook voorgaande punt 3. Beheerkosten DSO-LV en IPLO). Dat heeft een effect op de toerekening van de technologiekosten aan leges. De geactualiseerde technologiekosten voor waterschappen komen in variant 1 uit op € 1,0 mln., voor variant 2b op € 1,1 mln. en voor variant 2a op € 1,3 mln.

Het effect van deze twee ontwikkelingen op het Integraal Financieel Beeld is voor variant 1 dat door de toerekening van technologiekosten de opbrengsten voor waterschappen uit leges aan de onderkant € 1,0 mln. toeneemt. Aan de bovenkant komt dit bedrag voor waterschappen op € 0,4 mln. Voor variant 2b is het effect voor waterschappen aan de onderkant een stijging van de baten van € 1,1 mln. en aan de bovenkant een daling van de baten van € 0,2 mln. In variant 2a nemen de baten aan de onderkant met € 1,2 mln. toe. Aan de bovenkant neemt de baten voor gemeenten met € 0,2 mln. af. (prijspeil 2022). 5. Overheid als initiatiefnemer n.v.t. Pagina 88 van 105

6. Onderzoekshulp In tabel 44 staan de effecten van actualisatie van het onderwerp onderzoekshulp DSO. Tabel 44: Actualisatie onderzoekshulp waterschappen (alle bedragen x € 1 mln. prijspeil 2022) Omschrijving

Variant 1 Onderkant Bovenkant

Waterschappen

Variant 2b Onderkant Bovenkant

Variant 2a Onderkant Bovenkant € -1,1 € -1,4

In het rapport van Ecorys/ Senze staat het onderwerp onderzoekshulp opgenomen.112 Met onderzoekshulp wordt ervoor gezorgd dat de beschikbare informatie ook gemakkelijker vindbaar (door standaardisatie) is en wordt het mogelijk onderzoeken te hergebruiken en centraal op te slaan. Hiermee wordt het overzicht vergroot, is er sprake van minder zoektijd en een vermindering van onderzoekskosten voor alle actoren vanaf scenario D van het DSO. In de expertsessies is aangegeven dat dit een effect is dat vooral voor maatschappij en burgers geldt. Binnen overheden is de informatie veelal door dossierkennis van ambtenaren beschikbaar. De verwachting is dat dit financieel effect zich dan ook niet voordoet. 7. Koepelkosten In tabel 45 staan de effecten van de stijgende koepelkosten bij de Unie van Waterschappen. Tabel 45: Effecten stijgende koepelkosten bij Unie van Waterschappen (alle bedragen x € 1 mln. prijspeil 2022)

Omschrijving Waterschappen

Variant 1 Variant 2b Variant 2a Onderkant Bovenkant Onderkant Bovenkant Onderkant Bovenkant € -0,5 € -0,5 € -0,5 € -0,5 € -0,5 € -0,5

Als gevolg van de Ow stijgen bij de Unie van Waterschappen de structurele ondersteuningskosten voor de waterschappen. Vooralsnog is in alle varianten rekening gehouden, op basis van de opgave van de Unie van Waterschappen, met een structurele stijging van € 0,5 mln. Het betreft kosten waarvoor waterschappen een hogere ledenbijdrage gaan betalen.

112 Rapportage financiële effecten DSO-LV en IPLO, Ecorys, 26 februari 2021, pagina 60

Pagina 89 van 105

Bijlage 4: Actualisatie IFB Rijkspartijen Transitiekosten Rijkspartijen In tabel 46 staan de geactualiseerde transitiekosten voor rijkspartijen opgenomen. Tabel 46. Actualisatie transitiekosten rijkspartijen (alle bedragen x € 1 mln. prijspeil 2022) Omschrijving 2016 2017 A Transitiekosten (KPMG d.d. 3 februari 2021) (prijspijl 2019) € 1 € 5 B Actualisatie - prijspeil en nieuw onderzoek 1 Prijspeil 2019 naar 2022 € 0 € 1 subtotaal transitiekosten (prijspeil 2022) € 0 € 1 C Actualisatie - voorafgaand inwerkingtreding Ow 1 Programma en projectteam invoering Ow 2 IT-capaciteit 3 Beheerbijdrage DSO-LV en informatiepunt 4 Licentiekosten 5 Planvorming en regelgeving 6 Uitvoeringsdiensten - programmateam/IT-capaciteit en licentiekosten subtotaal actualisatie - voorafgaand inwerkingtreding Ow € € D Actualisatie - na inwerkingtreding Ow 1 Transformatie -Rijkspartijen € € 2 Transformatie -Omgevingsdiensten € € Subtotaal actualisatie na inwerkingtreding € € E TOTAAL ACTUALISATIE € 1 € 6 5% minder 5% meer

€

20252019 2020 2021 2022 2023 2024 2029 6 € 10 € 22 € 25 € 6 € 2 € 1 € -

TOTAAL € 78

€ €

1 € 1 €

-

€ €

11 11 18 -1 10 -1

€

-

€ € € € € € €

9 € € 9 € 10 €

-

2018

1 € 1 €

3 € 3 €

4 € 4 €

1 € 1 € € € € € € €

€

-

€

-

€

-

€

-

€

€ € € €

-

€ € € 7 €

-

€ € € 11 €

-

€ € € 25 €

-

€ € € 29 €

8 0 6 0 -

0 € 0 € € € € € € €

10 0 6 0 -

14 € -

€ € € 21 €

0 € 0 €

16 € -

€ € € 18 €

-

-

€ € € € € €

Hieronder worden de verschillende onderdelen nader toegelicht.

A. Transitiekosten (prijspeil 2019) KPMG raamt de totale transitiekosten voor rijkspartijen voor de periode van 2016 tot 2024 op een bedrag van € 78 mln. KPMG heeft rekening gehouden met een onzekerheidsmarge van 5% min en 5% plus waardoor een bandbreedte ontstaat van € 74 tot € 82 mln. (prijspeil 2019)113

B. Actualisatie – prijspeil en nieuw onderzoek 1. Prijspeil 2019 naar 2022 Voor de actualisatie van de raming van de transitiekosten is het prijspeil van 2019 naar 2022 omgerekend. Het merendeel van de oorspronkelijke onderzoeken zijn met prijspeil 2019 opgesteld. De transitiekosten door aanpassing van het prijspeil stijgt voor rijkspartijen met € 11 mln. 2. Nieuw onderzoek n.v.t.

C. Actualisatie – voorafgaand aan inwerkingtreding Ow Voor het opstellen van deze nieuwe raming voor de jaren 2022 en 2023 zijn door ons verschillende bronnen gebruikt. Als eerste is naar de opbrengsten uit de expertsessie gekeken. Dat heeft vooral een

113 Onderzoek transitiekosten Omgevingswet, 3 februari 2021, KPMG, pagina 37

Pagina 90 van 105

31 9 9 128 122 134

overzicht van de kostencomponenten opgeleverd en een indicatie van de richting van de consequenties van de latere inwerkingtreding. Als tweede is bronmateriaal van de eerdere onderzoeken gebruikt om te komen tot een raming van elk van deze kostenposten. Dat bronmateriaal is dan ook in de voetnoot vermeld. Dat is niet bij alle kostenposten mogelijk gebleken. Indien dat het geval was, is door ons een inschatting gemaakt en is dat expliciet gemaakt. Als gevolg van de latere inwerkingtreding worden gemeenten geconfronteerd met additionele transitiekosten. Een deel daarvan is voor 100% toe te schrijven aan uitstelkosten. Dat geldt bijvoorbeeld bij licentiekosten van ICT-systemen die nog niet gebruikt kunnen worden. Bij andere kosten, bijvoorbeeld kosten van programmateams, is dat niet voor 100% aan het uitstel toe te rekenen. We zien dat programmateams deels afrondende werkzaamheden verrichten, deels voorbereidende werkzaamheden doen vooruitlopend op de invoering en deels werkzaamheden opnieuw moeten doen. Een deel van de kosten wordt aangemerkt als uitstelkosten en een deel wordt aangemerkt als hogere eenmalige kosten/ transitiekosten. In tabel 47 staat de raming van uitstelkosten voor de jaren 2022 en 2023 (prijspeil 2022) Tabel 47: Uitstelkosten 2022 en 2023 voor rijkspartijen (alle bedragen x € 1 mln. prijspeil 2022)

Omschrijving 2022 2023 Uitstelkosten - onderdeel van C percentage totaal 1 Programma en projectteam invoering Ow 50% € 8 € 10 2 IT-capaciteit 100% € 0 € 0 3 Beheerbijdrage DSO-LV en informatiepunt 100% € 6 € 6 4 Licentiekosten 100% € 0 € 0 5 Planvorming en regelgeving 100% € € 6 Uitvoeringsdiensten - programmateam/IT-capaciteit en licentiekosten 70% € € subtotaal actualisatie - voorafgaand inwerkingtreding Ow € 14 € 16

2022 2023 uitstel € 4 € 5 € 0 € 0 € 6 € 6 € 0 € 0 € € € € € 10 € 11

De totale stijging van de eenmalige kosten voor rijkspartijen als gevolg van de latere inwerkingtreding bedragen voor de jaren 2022 en 2023 respectievelijk € 14 mln. en € 16 mln. In totaal wordt voor het jaar 2022 € 10 mln. aan uitstel toegerekend en voor het jaar 2023 een bedrag van €11 mln. Hieronder worden de verschillende kostenposten nader toegelicht. 1. Aanhouden programmateam Een deel van het aanhouden van de programmateams is toe te rekenen aan uitstelkosten maar een ander deel betreft gewoon hogere transitiekosten. Hiertoe wordt 50% als uitstelkosten gezien en 50% als hogere transitiekosten. Dit is een kwalitatieve inschatting die door ons is gemaakt op basis van de expertsessies.

Pagina 91 van 105

Als bron wordt KPMG gebruikt. In 2021 raamt KPMG voor de programmateams voor de reguliere ondersteuning bij de invoering van de Ow bij rijkspartijen een bedrag van € 9 mln. 114 Op prijspeil 2022 is dat € 10,6 mln. Voor 2022 raamt KPMG voor programmateams bij rijkspartijen € 2,5 mln.115 (prijspeil 2022). Dat is een lager bedrag dan 2021 omdat het uitgangspunt van KPMG is dat dan de Ow is ingevoerd. De verwachting is dat hier eenzelfde effect optreedt als bij de andere overheden namelijk dat de programmateams vanwege de grote onzekerheden over de invoeringsdatum volledig op het niveau van 2021 zijn gecontinueerd. In dat jaar zijn de totale kosten voor de programmateam € 10,6 mln. 116 (prijspeil 2022). In 2022 zullen de transitiekosten voor de programmateams naar verwachting € 8 mln. hoger zijn. Voor 2023 raamt KPMG voor programmateams bij rijkspartijen een bedrag van € 0,8 mln. (prijspeil 2022). 117 Dat bedrag ligt lager dan 2021 en 2022. Ook hier geldt dat het uitgangspunt van KPMG was dat de Ow zou zijn ingevoerd. Door gemeenten, provincies en waterschappen is aangegeven dat 2023 de programmateams vanwege de grote onzekerheden over de invoeringsdatum en de noodzakelijke aanpassingen in de werkprocessen voor een groot deel op het niveau van 2021 zijn gecontinueerd.

In dat jaar zijn de totale kosten voor de programmateam € 10,6 mln.118 In 2023 zullen de transitiekosten voor de programmateams, als gevolg van de latere inwerkingtreding, naar verwachting € 10 mln. hoger zijn. Naar verwachting stijgen ten opzichte van de raming van KPMG voor de desbetreffende jaren de transitiekosten van programmateams met respectievelijke € 8 mln. in 2022 en € 10 mln. in 2023. Zo’n 50% van deze kosten, € 4 mln. in 2022 en € 5 mln. in 2023 worden toegerekend aan de uitstelkosten. 2. Aanhouden IT-capaciteit Hiervoor zijn geen betrouwbare gegevens voor de jaren 2022 en 2023 beschikbaar. Beheerbijdrage DSO-LV- en informatiepunt Over de beheerbijdrage voor DSO-LV en informatiepunt zijn bestuurlijke afspraken in de beheerovereenkomst gemaakt. De afspraak is dat deze kosten gezamenlijk via de beheerbijdrage worden gedragen volgens de volgende verdeelsleutel: Rijk19%, gemeenten 70%, provincies 6% en

114 Bron KPMG: transitiekosten 2021: € 25 mln.; 64% zijn programmaondersteuning en bedrijfsarchitectuur, 55% zijn de programmateams, pagina

41 115 Bron KPMG: transitiekosten 2022: € 6 mln.; 64% zijn programmaondersteuning en bedrijfsarchitectuur, 55% zijn de programmateams, pagina

41 116 Bron KPMG: transitiekosten 2021: € 25 mln.; 64% zijn programmaondersteuning en bedrijfsarchitectuur, 55% zijn de programmateams, pagina

41 117 Bron KPMG: transitiekosten 2023: € 2 mln.; 64% zijn programmaondersteuning en bedrijfsarchitectuur, 55% zijn de programmateams, pagina

41 118 Bron KPMG: transitiekosten 2021: € 25 mln.; 64% zijn programmaondersteuning en bedrijfsarchitectuur, 55% zijn de programmateams, pagina

41

Pagina 92 van 105

waterschappen 5%. Vanaf 2020 bedraagt de totale beheerbijdrage € 29 mln. per jaar (prijspeil 2022). Rijkspartijen betalen daarvan € 5,5 mln. per jaar Vanaf 2020 tot de beoogde invoeringsdatum van 1 januari 2022 zijn door KPMG de financiële beheerbijdrage voor DSO-LV en het informatiepunt als transitiekosten opgenomen, omdat er wel voor beheer wordt betaald terwijl het DSO nog niet voor de dagelijkse werkzaamheden kan worden gebruikt. Voor 2020 waren dit nog geen kosten die aan overheden werden doorberekend en maakten deze kosten daarmee ook geen deel uit van de transitiekosten. Na 1 januari 2022 zijn deze kosten door KPMG niet meer als transitiekosten opgenomen omdat de Ow dan zou zijn ingevoerd. De latere inwerkingtreding zorgt ook in 2022 en 2023 voor hogere transitiekosten dan waarmee KPMG rekening houdt. Ook in die jaren wordt de beheerbijdrage betaald door de rijkspartijen zonder dat het DSO-LV en informatiepunt operationeel zijn. Voor de huidige bedrijfsprocessen draaien nog de ‘oude’ systemen waardoor de beheerbijdrage door ons aangemerkt en voor 100% is toegerekend aan het uitstel van de Ow. Vanwege de latere inwerkingtreding is voor zowel 2022 en 2023 in totaal € 5,5 mln. aan uitstelkosten voor de beheerbijdrage DSO-LV en informatiepunt opgenomen. 3. Dubbele licentiekosten Hiervoor zijn geen betrouwbare gegevens voor de jaren 2022 en 2023 beschikbaar. 4.

Aanpassen planvorming en regelgeving Hiervoor zijn geen betrouwbare gegevens voor de jaren 2022 en 2023 beschikbaar. 5. Uitvoeringsdiensten n.v.t.

D. Actualisatie – na inwerkingtreding Ow Rijkspartijen hebben niet deelgenomen aan de expertsessies. Het uitgangspunt dat na de inwerkingtredingsdatum nog transitiekosten worden gemaakt is echter ook hier gehanteerd. Het is de verwachting dat het nog veel zal vragen van de ambtelijke organisaties om optimaal te leren werken met de Ow. Voor een adequate toepassing van de instrumenten zijn aanpassingen in werkprocessen, de organisatie en cultuur nodig. KPMG raamt voor de periode na de inwerkingtredingsdatum rekening met € 10,3 mln. 119 (prijspeil 2022). Voor de periode na de inwerkingtredingsdatum van de Ow is het oorspronkelijke bedrag van KPMG van € 10,3 mln. gehandhaafd. De middelen waarvan KPMG nog uitging die voor de jaren 2022 en 2023

119 Onderzoek transitiekosten Omgevingswet, 3 februari 2021, KPMG, pagina 38

Pagina 93 van 105

beschikbaar waren, worden nu deels voorafgaand aan de inwerkingtreding ingezet. In totaal is er daardoor € 9 mln. minder beschikbaar. Als gevolg van de latere inwerkingtreding is nu een kortere tijd beschikbaar om te leren werken met de Ow. Na de inwerkingtredingsdatum is er voor de periode van 2024 en 2025 €1,1 mln. beschikbaar (prijspeil 2022).120 Wat resulteert is een additioneel bedrag voor de transitiekosten van € 9 mln. voor de periode 1 januari 2024 tot 1 januari 2025 (na inwerkingtreding).

E. Totaal actualisatie In figuur 4 staan de transitiekosten van KPMG en de effecten na de actualisatie van bovenstaande over de periode van 2016 t/m 2029. Figuur 4: Transitiekosten Ow rijkspartijen

120 Zie paragraaf 4.4.2 Veranderende inzichten en externe ontwikkelingen, transitiekosten na inwerkingtredingsdatum

Pagina 94 van 105

Structurele effecten Rijkspartijen In tabel 48 staan de geactualiseerde structurele effecten voor rijkspartijen opgenomen. Tabel 48: Actualisatie structurele effecten rijkspartijen (alle bedragen x € 1 mln. prijspeil 2022) Omschrijving F Integraal Financieel Beeld (KokxDeVoogd d.d. 11 maart 2021) G Actualisatie - prijspeil en nieuw onderzoek 1 Prijspeil 2019 naar 2022 2 Nieuw onderzoek subtotaal actualisatie prijspeil 2022 en nieuw onderzoek H Actualisatie - voorafgaand inwerkingtreding Ow I Actualisatie - na inwerkingtreding Ow 1 Ruimtelijke plannen 2 Invoeren van milieuleges 3 Technologiekosten 4 Toerekening technologiekosten 5 Overheid als initatiefnemer 6 Onderzoekshulp 7 Koepelkosten Subtotaal actualisatie na inwerkingtreding J TOTAAL ACTUALISATIE

Variant 1 Variant 2b Variant 2a Onderkant Bovenkant Onderkant Bovenkant Onderkant Bovenkant € 5,0 € 6,4 € -0,6 € 2,9 € € 6,4 €

0,7 €

0,9 €

-0,1 €

0,4 €

-

€

0,9

€

0,7 €

0,9 €

-0,1 €

0,4 €

-

€

0,9

€ € € €

-4,1 3,7

€ € € €

-4,1 1,5

€ € € €

1,6 4,0

€ € € €

1,6 -0,6

€ € € €

2,5 4,7

€ € € €

2,5 -0,9

€ €

-

€ €

-

€ €

-

€ €

-

€ €

-0,0 € €

-0,1 -

€ €

-0,4 € 5,3 €

1,0 € 4,3 €

7,1 € 7,1 €

1,5 8,8

-2,5 € 4,8 €

5,7 € 5,0 €

Hieronder worden de verschillende onderdelen nader toegelicht.

F. Integraal Financieel Beeld (prijspeil 2019) In het Integraal Financieel Beeld staat dat rijkpartijen zonder gebruik van de eigen beleidsruimte (1) en met scenario 2 van het DSO het structurele effect tussen € 5,0 mln. (positief) en € 6,4 mln. (positief) per jaar ligt. Wanneer rijkspartijen de decentrale ruimte maximaal (2a) inzetten voor financiële efficiëntie, in combinatie met scenario 3 van DSO, daalt de onderkant naar € 0,6 mln. (negatief) en blijft de bovenkant met € 6,4 mln. (positief) per jaar gelijk. Op verschillende onderwerpen kunnen de rijkspartijen de decentrale beleidsruimte minder (2b) op financiële efficiëntie richten. In combinatie met een tussenscenario van het DSO kan het structurele effect voor rijkspartijen in deze variant uitkomen tussen € 0,6 (negatief) en 2,9 mln. (positief) per jaar.

G. Actualisatie prijspeil en nieuw onderzoek 1. Prijspeil 2019 naar 2022 Het merendeel van de oorspronkelijke deelonderzoeken heeft prijspeil 2019. Voor de actualisatie van de raming van de structurele effecten zijn de bedragen uit de verschillende deelonderzoeken naar prijspeil 2022 omgerekend. De structurele effecten van variant 1 neemt aan de onderkant met € 0,7 mln. toe en aan de bovenkant met € 0,9 mln. toe. Voor variant 2 neemt de onderkant met € 0,1 mln. af en de bovenkant met € 0,9 mln. toe. 2. Nieuw onderzoek n.v.t. Pagina 95 van 105

H. Actualisatie – voorafgaand inwerkingtreding Ow Voor de inwerkingtreding zijn er geen aanpassingen. Pas na inwerkingtreding treden de structurele effecten op.

I. Actualisatie – na inwerkingtreding Ow 1. Ruimtelijke plannen n.v.t. 2. Milieuleges In het deelonderzoek Financiële effecten van wijzigingen rondom de milieuvergunning zijn de rijkspartijen niet meegenomen121. 3.

Beheerkosten DSO-LV en IPLO

In tabel 49 staan voor rijkspartijen de effecten van de actualisatie van de beheerkosten DSO-LV en IPLO. Tabel 49: Aanpassing beheerskosten DSO-LV en IPLO rijkspartijen (alle bedragen x € 1 mln. prijspeil 2022)

Omschrijving Integraal Financieel Beeld - beheerkosten Geactualiseerde beheerkosten 3 Totaal actualisatie beheerkosten Financieel effect IFB

Variant 1 Variant 2b Variant 2a Onderkant Bovenkant Onderkant Bovenkant Onderkant Bovenkant € 5,6 € 5,6 € 6,7 € 6,7 € 9,2 € 9,2 € 9,6 € 9,6 € 1,0 € 1,0 € 2,7 € 2,7 € -4,1 € -4,1 € 5,7 € 5,7 € 6,5 € 6,5 € -4,1 € -4,1 € 1,6 € 1,6 € 2,5 € 2,5

Er zijn bestuurlijke afspraken gemaakt over de verdeling van de beheerkosten van het DSO-LV en IPLO gemaakt. Op basis van de huidige bestuurlijke afspraken worden deze beheerkosten als volgt verdeeld: 70% gemeenten, 19% rijkspartijen, 6% provincies en 5% waterschappen. Ecorys/ Senze heeft een viertal scenario’s (A, B, C en D) doorgerekend. Voor scenario B van het DSO-LV en IPLO zijn - op basis van de investeringen door het Rijk - de beheerkosten voor de bevoegde gezagen tezamen op € 29,3 mln. berekend. Dit maakt onderdeel uit van variant 1 van het Integraal Financieel Beeld en aandeel voor rijkspartijen bedraagt € 5,6 mln. Voor scenario C en D zijn de beheerkosten op respectievelijk € 64,4 mln. (aandeel rijkspartijen € 12,2 mln.) en € 77,9 mln. (aandeel rijkspartijen € 14,8 mln.) berekend. 122 Deze maken onderdeel uit van variant 2b en 2a van het Integraal Financieel Beeld. (prijspeil 2022)

121 Financiële effecten van wijzigingen rondom de milieuvergunning, Berenschot, 22 januari 2021 122 Rapportage financiële effecten DSO-LV en IPLO, Ecorys/Senze, 26 februari 2021, pagina 43.

Pagina 96 van 105

Op basis van de investeringen in het DSO-LV en IPLO is een actuele raming van de beheerkosten gemaakt. Voor variant 1 bedraagt de totale geactualiseerde raming van de beheerkosten € 50,6 mln. Een stijging ten opzichte van het Integraal Financieel Beeld. Het aandeel rijkspartijen komt uit op € 9,6 mln. Voor de varianten 2b en 2a bedragen de beheerkosten respectievelijk € 55,8 mln. (aandeel rijkspartijen € 10,6 mln.) en € 64,9 mln. (aandeel rijkspartijen € 12,3 mln.)123. Alle genoemde bedragen hebben prijspeil 2022. 4. Toerekening technologiekosten In tabel 50 staan de effecten van de toerekening van de technologiekosten voor rijkspartijen. Tabel 50: Toerekening technologiekosten rijkspartijen (alle bedragen x € 1 mln. prijspeil 2022)

Omschrijving Integraal Financieel Beeld - toerekening technologiekosten Geactualiseerde toerekening technologiekosten 4 Totaal actualisatie toerekening technologiekosten Financieel effect IFB

Variant 1 Variant 2b Variant 2a Onderkant Bovenkant Onderkant Bovenkan Onderkant Bovenkant € € € €

3,7 3,7 3,7

€ € € €

2,1 3,7 1,5 1,5

€ € € €

0,4 0,4 4,0

€ € € €

2,5 0,4 -2,2 -0,6

€ € € €

1,0 1,0 4,7

€ € € €

3,5 1,0 -2,5 -0,9

In het Integraal Financieel Beeld is het uitgangspunt opgenomen dat de beheerkosten DSO-LV en IPLO voor 38% in de leges kan worden opgenomen. Dit percentage is gekozen omdat dit deel van de beheerkosten specifiek aan het onderdeel vergunningverlening van het DSO-LV en IPLO kan worden toegerekend. Omdat er nog onduidelijkheid was of dit wettelijk mogelijk was, is dat in het Integraal Financieel Beeld alleen aan de bovenkant van de verschillende varianten gedaan. Aan de onderkant is telkens nihil opgenomen. Er zijn twee ontwikkelingen: Als eerste is inmiddels duidelijk dat de beheerkosten deels in de leges van vergunningen kunnen worden toegerekend. Aan de onderkant van de verschillende varianten zijn deze opbrengsten in deze actualisatie opgenomen. Dat betekent dat de verschillende varianten aan de onderkant een verbetert resultaat opleveren voor rijkspartijen. Als tweede zijn de totale beheerkosten voor DSO-LV en informatiepunt voor variant 1 toegenomen en voor de varianten 2 afgenomen (zie ook voorgaande punt 3. Beheerkosten DSO-LV en IPLO). Dat heeft een effect op de toerekening van de technologiekosten aan leges. De geactualiseerde technologiekosten voor rijkspartijen komen in variant 1 uit op € 3,7 mln., voor variant 2b op € 4,1 mln. en voor variant 2a op € 4,7 mln.

123 “Meerjarenraming IFB – scenario’s”, 25 april 2023 versie 1.2, Aan de slag met de Omgevingswet

Pagina 97 van 105

Het effect van deze twee ontwikkelingen op het Integraal Financieel Beeld is voor variant 1 dat door de toerekening van technologiekosten de opbrengsten voor rijkspartijen uit leges aan de onderkant € 3,7 mln. toeneemt. Aan de bovenkant komt dit bedrag voor rijkspartijen op € 1,5 mln. Voor variant 2b is het effect voor rijkspartijen aan de onderkant een stijging van de baten van € 4,0 mln. en aan de bovenkant een daling van de baten van € 0,6 mln. In variant 2a nemen de baten aan de onderkant met € 4,7 mln. toe. Aan de bovenkant neemt de baten voor gemeenten met € 0,9 mln. af. (prijspeil 2022). 5. Overheid als initiatiefnemer n.v.t. 6. Onderzoekshulp In tabel 51 staan de effecten van actualisatie van het onderwerp onderzoekshulp DSO. Tabel 51: Actualisatie onderzoekshulp rijkspartijen (alle bedragen x € 1 mln. prijspeil 2022) Omschrijving

Variant 1 Onderkant Bovenkant

Rijkspartijen

Variant 2b Onderkant Bovenkant

Variant 2a Onderkant Bovenkant € -0,0 € -0,1

In het rapport van Ecorys/ Senze staat het onderwerp onderzoekshulp opgenomen.124 Met onderzoekshulp wordt ervoor gezorgd dat de beschikbare informatie ook gemakkelijker vindbaar is (door standaardisatie) en wordt het mogelijk onderzoeken te hergebruiken en centraal op te slaan. Hiermee wordt het overzicht vergroot, is er sprake van minder zoektijd en een vermindering van onderzoekskosten voor alle actoren vanaf scenario D van het DSO. In de expertsessies is aangegeven dat dit een effect is dat vooral voor maatschappij en burgers geldt. Binnen overheden is de informatie veelal door dossierkennis van ambtenaren beschikbaar. De verwachting is dat dit financieel effect zich dan ook niet voordoet. 7.

Koepelkosten

n.v.t.

124 Rapportage financiële effecten DSO-LV en IPLO, Ecorys, 26 februari 2021, pagina 60

Pagina 98 van 105

Bijlage 5 Resultaten simulatie 2032 A. Korte toelichting op de werkwijze: simulatie van het jaar 2032 In de simulatie van de toekomst is gebruik gemaakt van een aantal fictieve casus. Fictief, omdat het over de toekomst gaat. Casuïstisch, omdat de inhoud nog wel tot de concrete werkelijkheid herleidbaar is: het gaat dus niet om fictie maar om fictief. Elke fictieve casus die in het onderzoek is gebruikt, is een gebiedsgericht verhaal met een diversiteit aan belangen, ambities, initiatieven en feitelijke omstandigheden. Daarvoor gelden de formele en inhoudelijke regels van de Omgevingswet, inclusief de toedeling van bestuurlijke taken en bevoegdheden van gemeenten, waterschappen, provincies en rijksorganen. De fictieve casuïstiek was een hulpmiddel voor de analyse van de toekomstige structurele werking van de Omgevingswet, in het gekozen jaar 2032. Er zijn vier casus behandeld, telkens met een simulatie in twee rondes. Tijdens de eerste ronde is de casus geïntroduceerd en is verkend hoe de bestuurlijke actoren zich in de toekomst zullen gedragen conform het regime van de Omgevingswet. Tijdens de tweede ronde is die verkenning herhaald, maar met een verdieping op de fictieve casus om de situatie complexer te maken.

In de vier casus is de gehele beleidscyclus van de Omgevingswet gesimuleerd, maar met een focus op een gedeelte van die cyclus en de daarbij passende instrumenten zoals vergunning, omgevingsplan of handhaving. In elke casus moesten de deelnemers expliciet redeneren vanuit het maatschappelijk doel van de Omgevingswet in het jaar 2032. Dat wil zeggen dat deelnemers keuzes moesten maken om de fysieke leefomgeving in onderlinge samenhang te beschermen en te benutten, met het oog op duurzame ontwikkeling, bewoonbaarheid, en verbetering van het leefmilieu (artikel 1.3 Ow). Daarbij hebben de deelnemers een rol toegewezen gekregen, als zijnde een vertegenwoordiger van een gemeente, een waterschap, een provincie of een rijksdienst. Tijdens de vier simulaties is door ons geobserveerd wat de keuzes en redenaties waren van de deelnemers, met de drie puzzelstukken van de stelselwijziging Omgevingswet: 1) de kerninstrumenten van de wet, 2) de digitale dienstverlening via het DSO en 3) het anders werken in de integrale beleidscyclus.

Casus 1. “Gezondheid op niveau” In de eerste casus ging het om een maatschappelijke opgave vanwege het gezondheidsbeleid in een regio. Omdat het probleem van de gezondheid zo fundamenteel is voor de bewoonbaarheid van het desbetreffende gebied in 2032, is een ambtelijke werkgroep samengesteld, met als doel om alle handelingsmogelijkheden van de overheden te verkennen om de gezondheid te verbeteren. In de werkgroep is sprake van deelname door alle gebiedspartijen: de gemeenten (vertegenwoordigt door één), het waterschap, de provincie en een vertegenwoordiger van de rijksdiensten RWS en SBB. We bootsten een werkoverleg van de werkgroep na, met op hun agenda een gesprek over afspraken over de organisatie van de eigen en elkaars taken en bevoegdheden uit het stelsel van de Omgevingswet om daarmee bij te dragen aan de verbetering van de gezondheid. Dit raakt de bestuurlijke verantwoordelijkheden met betrekking tot de activiteiten in het gebied (de bedrijven, de recreatie, de Pagina 99 van 105

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13145889/1