CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

bijlage 2 bij afd.motie 465.22

RAAD 9 november 2022, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Vaststellen van de Begroting 2023 van de gemeente AmsterdamVN2022-03365733.850 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

2 alinea's met “financiën”: 685 694

3.3 Totaalbeeld beschikbare geldstromen We komen in het onderzoek tot een totale beschikbaarheid van €2,1 miljard tot 2040, die ten behoeve van de MRA-landschapsopgaven kan

2

Dit zijn de twee belangrijkste. Precario, reclamebelasting en wellicht zelfs baatbelasting zouden in theorie ook nog een bescheiden duit in het zakje kunnen doen.

23

worden ingezet. Hiervan is ruim €1,1 miljard beschikbaar voor investeringen en ruim €900 miljoen voor beheer. Daarmee is er ten opzichte van de studie naar de kosten voor de MRA-landschapsopgaven een investeringstekort in de ordegrootte van ca. €850 miljoen. Het investeringstekort gaat alleen over investeringen en niet over de beheerkosten. We constateren dat er relatief veel geld naar de opgaven ‘Natuurontwikkeling in NNN en N2000 gebieden’, ‘Veenweide-opgaven’ en ‘Klimaatadaptatie’ gaat. De belangrijkste financieringsbronnen voor deze opgaven zijn het stikstofbudget, het veenweidebudget, de budgetten voor klimaatadaptatie en de SNL subsidies. We constateren dat er relatief weinig geld gaat naar de MRA-landschapsopgaven ‘Recreatieve beleving’, ‘Verbetering van de landschapswaarde’ en ‘Natuurontwikkeling buiten NNN/N2000 gebieden’. Overigens betekent bovenstaande niet dat regio’s die relatief gunstig scoren, daarmee ook voldoende middelen hebben. De Binnenduinrand bijvoorbeeld, komt voor veel natuurmiddelen in aanmerking. Maar het gebied heeft ook te maken met een grote recreatieve druk, waardoor de beheeropgave er substantieel groter is dan in andere natuurgebieden. Verder gaan er soms achter de regionale cijfers specifieke opgaven schuil, die niet expliciet zichtbaar zijn en die daarmee tussen wal en schip dreigen te vallen.

Zo zijn er in Haarlemmermeer een aantal recreatiegebieden, onder beheer van Staatsbosbeheer, die met een beheertekort kampen (gaat om Venneperhout, Zwaansbroek, IJtochtzone en Noordkop). Ook zijn er in die gemeente oude ambities – zoals een doorlopende groen-blauwe zone van noord naar zuid – uit het Raamplan Haarlemmermeer-groen, waarvoor geen middelen zijn, omdat het om groen buiten NNN/N2000 gaat. Het (vrijwel) ontbreken van NNN/N2000 maakt ook dat Haarlemmermeer (onderdeel van Brettenzone en Westeinderscheg) niet profiteert van de extra middelen voor natuurherstel.

Voor ‘Beheer’ zijn er flinke bedragen, maar dan vooral voor natuur en in het bijzonder binnen NNN en N2000. Daarbij geven terreinbeheerders aan dat de beheervergoeding in de SNL structureel te laag is. Met name als er sprake is van de combinatie natuur en recreatie. De beheervergoeding dekt maar een deel van de standaardkostprijs (nu 84%) en de noodzakelijke overheadkosten van de TBO’s wordt er niet door gedekt. Voor groen en natuur buiten NNN en N2000 is het voor zowel beheer als investeringen (nog) minder goed geregeld. Er zijn geen substantiële en kansrijke grootschalige financieringsbronnen voor verbetering van de recreatieve structuur en recreatieve beleving. Dit is het grootste knelpunt. Een knelpunt dat in de toekomst groter wordt, doordat de vraag naar recreatie zal toenemen, als gevolg van de bevolkingsgroei in de MRA. Voor nadere financiële informatie verwijzen we naar het Financieel Masterbestand. Figuur 3.1: Percentage te verwachten middelen per MRA-Regio (indicatie) 18% 16% 14% 12% 10% 8% 6% 4% 2% 0%

24

3.4 Potentie ontschotting is beperkt Een specifieke onderzoeksvraag is gericht op de potentie van ontschotting. Daarbij gaat het in het bijzonder over de mogelijkheden daarvan bij het Rijk en eventueel bij de Europese programma’s. Bij het Rijk is er een toenemend bewustzijn over het belang van ontschotting. Dat leidt soms ook al tot concrete veranderingen. Zo kent het Mobiliteitsfonds als opvolger van het Infrastructuurfonds een bredere scope, waardoor de toepassingsmogelijkheden ruimer zijn en de inschatting over het potentiële gebruik voor de landschapsambities van de MRA navenant groter. Maar, zo waarschuwen rijksambtenaren, het Rijk is ook gehouden aan (wettelijke) begrotingsverantwoordingsregels en andere, eigen wettelijke kaders. Er wordt wel steeds meer opgave- en gebiedsgericht gedacht, maar de departementen zijn en blijven in enige mate verkokerd. In de praktijk betekent het dat ontschotting binnen een begrotingspost enigszins kansrijk is, tussen begrotingsposten op een departement is het al snel lastig en tussen departementen moet het als kansarm worden ingeschat. Voor de korte termijn moet de MRA zich niet rijk rekenen voor de landschapsopgaven door ontschotting. Voor de langere termijn blijft het een relevante denkrichting waar met politieke lobby resultaten uit kunnen komen.

– helpt daarbij niet. Met de Green Deal, in zichzelf een prachtig voorbeeld van integraal beleid, zijn er overigens ook op dit vlak wel stappen gezet, maar in de implementatie heeft dat nog een beperkt effect. De conclusie is dat ontschotting op korte termijn geen substantiële extra middelen voor de landschapsopgaven genereert. Wel is het zaak in bestuurlijke overleggen met het Rijk hier aandacht voor te blijven vragen, zoals de MRA al doet met de Verstedelijkingsstrategie.

De EU-programma’s worden gekenmerkt door harde kaders en grenzen. Beleidsmatig is integraliteit ook in ‘Brussel’ een belangrijk thema, maar de praktijk van de EU-middelen laat een sterkere verkokering zien dan in Nederland bij het Rijk. Wie bijvoorbeeld in een innovatiepilot voor natte teelten denkt daaraan een opleidingstraject voor ‘nat boeren’ te kunnen koppelen, stuit op de grens tussen ELFPO (fonds voor plattelandsontwikkeling) waar de pilot in kan en het ESF (het sociaal fonds) dat voor scholing en training is. Vóór elke 7-jaarsperiode wordt de ambitie om integraal te werken wel uitgesproken, maar echte ontschotting is hier ver weg. Ook de cultuur – in Brussel geldt meer dan in Nederland dat er naar de letter van de subsidietoezegging wordt gekeken

25

4 Aanvullende middelen en denklijnen In het vorige hoofdstuk is geconstateerd dat de publieke middelen voor de MRA-landschapsambities voor de investeringskant tekort schieten. Qua beheer is in eerder onderzoek gebleken dat de geldstromen daarvoor onvoldoende zijn, al zijn er ten opzichte van die studies ook pluspuntjes te noteren. De vraag is vervolgens welke andere middelen, instrumenten of denklijnen kunnen worden bewandeld om meer geld voor groen en landschap bij elkaar te krijgen. In dit hoofdstuk passeren een aantal mogelijkheden de revue. In lijn met de uitvraag blijven louter theoretische concepten buiten beschouwing, wel wordt aandacht besteed aan enkele vernieuwende invalshoeken. Een generiek aspect is het vergroten van private betrokkenheid. Vrijwillige regionale CO₂-compensatie Grote, energie-intensieve bedrijven vallen onder het Europese Emissie Handelssyteem (ETS in het Engels) voor CO₂-rechten. Kleinere bedrijven – en daar zijn er heel veel van in de MRA – niet. In toenemende mate zijn bedrijven in het kader van maatschappelijk verantwoord ondernemen en/of in het kader van hun (toekomstige) jaarverslagverplichtingen geïnteresseerd in het compenseren van hun CO₂-uitstoot. Er is een markt van intermediairs ontstaan die bedrijven daarbij helpen. Vaak gaat het daarbij om het stimuleren van bosaanplant in het buitenland.

Maar vermoedelijk is de betrokkenheid en (betalings)bereidheid groter, als de 3

mogelijkheid wordt gecreëerd bij te dragen aan regionale/lokale groenambities. Op heel lange termijn – als de economie volledig ‘carbonneutraal’ is geworden – zou deze geldstroom vervallen, maar voorlopig is er nog een wereld (aan bomen en geld) mee te winnen. De MRA zou in samenwerking met private partijen een dergelijk programma kunnen opzetten. Ook in de provincie Utrecht is hiervoor belangstelling, dus gezamenlijk ‘het wiel uitvinden’ is een optie. Crowdfunding en Landvestors: directe betrokkenheid van burgers en bijdragen bedrijven In een eerdere gesprekkenronde met grote bedrijven en instellingen door Job Cohen is gebleken dat bedrijven in de MRA zeker waarde hechten aan groen en landschap, maar dat ook zien als een duidelijke overheidstaak. Dat wil niet zeggen dat de bedrijven financieel niets zouden willen bijdragen, maar daarvan moeten geen overdreven verwachtingen bestaan. Ze staan vooral open voor initiatieven in hun nabijheid en het moet concreet en makkelijk worden gemaakt. Soms is een combinatie met vrijwilligersonderhoud door medewerkers van dergelijke bedrijven een optie waarmee nog meer betrokkenheid wordt gegenereerd. Burgers zijn in toenemende mate bereid om bij te dragen aan groen en landschap. Een zoektocht op internet laat een baaierd aan initiatieven zien.

Crowdfundingacties voor lokale initiatieven zijn tamelijk populair al gaat het om relatief bescheiden middelen. Maar als bouwsteen van onderop kunnen dergelijke initiatieven bijdragen aan vergroening van de MRA. Het faciliteren van een dergelijke aanpak – ‘kleine’ projecten op de plank hebben liggen, een handleiding voor crowdfunding of digitaal inspiratiebeeld – kan onderdeel van de MRA-aanpak uitmaken. De Landvestor-benadering, een concept dat is ontwikkeld vanuit de Vereniging Deltametropool en waarover onlangs3 een tweede rapport is

November 2021

26

verschenen, biedt inspiratie hoe dergelijke kleinschalige initiatieven kunnen worden doorontwikkeld en hoe burgers en bedrijven daarin het voortouw kunnen nemen. Verevening vanuit gebiedsontwikkeling op regionale schaal Verevening of kostenverhaal vanuit gebiedsontwikkeling – o.a. woningbouw, kantoren, bedrijventerreinen – is staande praktijk in Nederland. Onder de Wro (Wet op de ruimtelijke ordening) gebeurt dat privaatrechtelijk anterieur of via publiekrechtelijk kostenverhaal. Het aldus financieren van buurtgroen, plantsoen of buurtpark en van de aansluiting op recreatieve wandel- en fietsinfrastructuur is gebruikelijk. Verevening en kostenverhaal is in de wet op verschillende manieren beperkt. Zo moet er voor kostenverhaal voldaan zijn aan de PPT-criteria: profijt, proportionaliteit en toerekenbaarheid en er moet uiteraard sprake zijn van een ontwikkeling met een positief saldo. In de praktijk betekent dat, dat kosten voor bijvoorbeeld een regionale groenstructuur op enige afstand van een gebiedsontwikkeling niet kunnen worden verhaald. Soms ziet een ontwikkelaar het belang van zo’n groengebied in of staat de ontwikkelende partij open voor een anterieure bijdrage hieraan, maar zonder (publiekrechtelijke) stok achter de deur is het niet gemakkelijk om ontwikkelaars hiervan te overtuigen.

Los daarvan kan ook principieel worden beargumenteerd dat het niet aangaat om alleen inwoners van nieuwe woningen voor (bijvoorbeeld) de inrichting van een groengebied te laten betalen. De Omgevingswet, die medio 2022 van kracht wordt, voegt een nieuwe mogelijkheid toe aan het kostenverhaal. Expliciet is in de Aanvullingswet Grondeigendom in de artikelen 13.22-13.24 kostenverhaal mogelijk gemaakt voor onder meer groen en cultuur op enige afstand, dus voor voorzieningen met een betekenis die de gebiedsontwikkeling overstijgt. Er hoeft niet aan de PPT-criteria te worden voldaan, maar de wet geeft ook geen carte blanche voor verevening. Er moet wel sprake zijn van een functionele samenhang, de bijdrage moet naar rato zijn en – heel belangrijk – het toepassen ervan is niet vrijblijvend. De functionele

samenhang moet blijken in/uit een Omgevingsvisie of Omgevingsprogramma. Naar rato betekent dat als een groenontwikkeling van betekenis voor een gebied met nu 100.000 woningen en de gebiedsontwikkeling voegt daar 25.000 woningen aan toe, dat dan maximaal 20% (=25/(100+25)) van de kosten van de groenontwikkeling op de gebiedsontwikkeling mag drukken. En niet vrijblijvend houdt in de verhalende overheid zich vastlegt op realisatie van de groenontwikkeling. In dit voorbeeld impliceert dat, dat nog 80% van de middelen uit andere bronnen moet komen. De middelen mogen dus niet worden verhaald voor de algemene middelen en moeten worden teruggestort als de groenontwikkeling niet zou worden gerealiseerd. De MRA, of gemeenten en deelgebieden binnen de MRA, zou(den) ervoor kunnen kiezen om dit nieuwe haakje in de wet te benutten om extra geld voor groen en landschap te verwerven. Op regionale schaal (MRAdeelregio’s of enkele samenwerkende gemeenten) vraagt dat een regionaal (facet-)Omgevingsprogramma dat als basis onder het kostenverhaal dient. Deze denklijn is aan de ene kant voor de hand liggend, kijkend naar de grote verstedelijkingsambities van de MRA. In de verstedelijkingsstrategie gaat het over het toevoegen van 250.000 woningen tot 2040 en de groei van de MRA impliceert ook een grotere vraag naar de recreatieve betekenis van het landschap.

Maar er zijn aan de andere kant ook veel beren op de weg. In de eerste plaats is de druk op de woningmarkt enorm (wat zich vertaalt in hoge prijzen) en wordt ook bestuurlijk naarstig gezocht naar het versnellen van planprocessen. Dan helpt het niet als die processen met een extra ambitie worden verzwaard. In de tweede plaats kan er slechts sprake zijn van verevening als er ook een positief (gebiedsontwikkelings)saldo is. Bij sociale woningbouw is dat sowieso niet het geval en bij complexe binnenstedelijke ontwikkeling – wat het merendeel betreft van de MRAverstedelijking - is dat (vaak) ook twijfelachtig. Er is daarom bestuurlijk de

27

nodige scepsis bij de praktische betekenis van dit instrument, naast soms ook meer principiële bezwaren. Daarbij kan nog worden opgemerkt dat ontwikkelaars aangeven bij de duurdere woningen dergelijke kosten 1-op-1 door te rekenen aan de klant en daar zelf dus niet slechter van worden. In die zin staan ontwikkelaars er veelal neutraal in. Wel pleiten ontwikkelende partijen voor duidelijkheid – niet tussentijds herzien van afspraken - en waarschuwen ze voor een te hoge mate van stapeling van eisen door overheden. De grenzen van betaalbaarheid zijn voor een groot deel van de markt bereikt, zo geven zij aan en dat stelt dus ook grenzen aan extra ambities en extra kostenverhaal. Het is dus wellicht een theoretische mogelijkheid, maar wel goed om te weten dat de Omgevingswet de mogelijkheid biedt. Afromen van nieuwe productielocaties voor duurzame energie In het kader van de energietransitie worden er meer windparken en zonnevelden ontwikkeld. De ruimtelijke mogelijkheden in de MRA zijn weliswaar beperkt, maar er zullen nog molens en zonnevelden worden gerealiseerd. Duidelijk is dat die een impact op het landschap en de beleving ervan door derden hebben. Die impact is niet geïnternaliseerd in de prijs voor de locatie. Er is met andere woorden sprake van wat economen een extern effect noemen.

Het ligt voor de hand om een vergoeding voor dit externe effect bij de ontwikkelende partij in rekening te brengen. Tegenover het gebruik van en de inbreuk op het landschap, komt een bijdrage ten faveure landschapsontwikkeling. Daar waar het bestemmingsplan nog niet is aangepast voor de energieproductie of als de ontwikkeling op publieke grond plaatsvindt, dan hebben overheden de mogelijkheid tot het anterieur komen tot dergelijke afspraken.

4

In dit kader is opgemerkt dat in de MRA vooral wordt gemikt op financiële participatie door de omgeving (bewoners, bedrijven) en dat dat de voorkeur heeft boven een eventuele ‘landschapsheffing’. Het één hoeft echter niet ten koste te gaan van het ander. In zekere zin is dit een onzuivere redenering, al is hij praktisch gezien wel heel begrijpelijk. Dat er aan de productie van duurzame energie – op land meestal na subsidieverlening – goed geld kan worden verdiend en dat er dus ook sprake is van een positieve business case is recent geïllustreerd in een artikel in NRC4 waarin het bedrijf Powerfield vrijwillig €80.000 per ha te ontwikkelen zonnepark wil bijdragen aan het regionale ziekenhuis in de gemeente Oldambt. Los van de onwenselijke koppeling die hier is gelegd tussen twee dossiers, laat de casus zien hoeveel geld er eigenlijk ‘overblijft’ voor de ontwikkelende partij. Uiteraard spelen schaal en de relatief lage grondprijzen in Groningen hierbij een rol, maar ook in de MRA zijn de businesscases positief. Dat is ook niet erg en zelfs wenselijk, want er is de maatschappelijke behoefte aan/noodzaak voor meer duurzame energie, maar er is dus ook financiële ruimte om van daaruit bij te laten dragen aan het landschap. En er zijn goede economische argumenten – waaronder het internaliseren van externe effecten – om dat te doen.

Via samenwerking meer middelen naar MRA halen Vanuit burgers en in mindere mate bedrijven komen er in de vorm van giften, legaten, fondsen op naam en dergelijke, behoorlijke bedragen naar de TBO’s. Ook goede-doelen-loterijen (denk aan de Postcode Loterij) dragen hieraan bij. Uiteraard gaan de TBO’s zelf over besteding van die middelen. Ze vullen er onder andere de ervaren tekorten voor het beheer mee aan. En ze bepalen ook zelf waar eventuele andere middelen worden geïnvesteerd. Dat kan in de MRA zijn, maar voor de nationaal werkende organisaties ook in Drenthe of elders. Op dit moment zijn de

Ziekenhuis lobbyt voor zonneparkbedrijf, NRC 10-09-2021

28

landschapsambities van de MRA nog betrekkelijk abstract. Als die ambities op basis van gezamenlijk uitgewerkte inhoudelijke programmering helder zijn, dan kan de MRA via een omweg wellicht meer ‘profiteren’ van deze private betrokkenheid bij groen en landschap. Dat is mogelijk minstens zo effectief als een eigen MRA Landschapsfonds, waar voor de burger een zweem van belastingheffing over kan hangen en wat zelf bekendheid moet genereren voordat er sprake is van extra geld. Ook wordt met zo’n inhoudelijke programmering de autonomie van de TBO’s gerespecteerd. In gesprekken over dit thema is geopperd dat integratie van TBO’s tot financiële synergievoordelen kan leiden waarbij de National Trust in het Verenigd Koninkrijk als wenkend perspectief werd gezien. Maar er is geen enkele draagvlak gebleken5 voor een dergelijke lijn. Zoek het dus niet in structuurdiscussies, maar probeer geld te koppelen aan gezamenlijke doelen. Grotere rol voor agrarisch beheer? Meer ruimte voor groen en recreatie vergt aanzienlijke investeringen in de MRA, zo is in de INTENS-studie gebleken. De recreatieve infrastructuur – wandel-, fiets- en vaarnetwerken – vormt een behoorlijk onderdeel van die investeringen. Een denklijn die daarbij regelmatig de revue passeert is om meer te doen via agrarisch beheer.

Dat is namelijk goedkoper, omdat het voor de boer een nevenactiviteit is en er toch al op en aan het land moet worden gewerkt. Ook kan het voor boeren extra inkomsten betekenen. Dat is juist en waar kansen zich voordoen, voor extra klompenpaden of een schelpenfietspad over boerenland, moet de MRA die ook benutten om de fijnmazigheid van de recreatieve structuren te vergroten. Maar de groei van het aantal inwoners en – post-corona – ook weer de aanwezigheid van bezoekers zijn van een dusdanige omvang dat zeker in de nabijheid van de grotere steden een tamelijk robuuste inrichting noodzakelijk is. Dat leent zich minder voor agrarisch beheer.

Ook heeft de agrarische sector in de MRA al te maken met een grote druk op het areaal door claims voor verstedelijking, energie en infrastructuur, wat de bereidheid om mee te werken aan paden over boerenland wellicht verminderd. Het kan dus een nuttige aanvulling vormen voor de MRA maar niet dé oplossing voor versteviging van de recreatieve infrastructuur van de MRA, inhoudelijk/ruimtelijk noch financieel. Innovatieve concepten: ogen open houden In Nederland hechten we belang aan openbare toegankelijkheid van groen en natuur. Het adagium de gebruiker betaalt wordt dan ook nauwelijks gehanteerd waar het gaat om het genieten van groen en landschap. Er zijn ook heel goede argumenten voor om dat zo te houden. Tegelijkertijd is er, zo blijkt uit dit rapport, sprake van een gebrek aan middelen voor investeringen en beheer. Voor Nationaal Park Utrechtse Heuvelrug is gesuggereerd om een app te bouwen met parkinfo en die bezoekers bij entree van het gebied (en bij toestemming voor gebruik locatiegegevens) vraagt een klein bedrag bij te dragen aan kosten voor beheer/instandhouding. Het is nog niet operationeel, maar dergelijke vrijwillige bijdragen, die zowel gemakkelijk zijn voor betaler als ontvanger, kunnen ook voor de (gebiedsbeherende/-ontwikkelende partijen in de) MRA een manier zijn om tekorten te verkleinen.

Ook buitenlandse voorbeelden – zie bijvoorbeeld publicaties van Helen Toxopeus in het kader van het EU-project ‘Naturvation’ – kunnen inspirerend werken, al is ook daar geen sprake van een ‘gouden ei’. 4.1.1

Conclusie

Er zijn geen eenvoudige wegen die extra middelen voor de MRAlandschapsopgaven kunnen genereren. Wel zijn er mogelijkheden.

5

Het is overigens ook niet uitgebreid onderzocht, maar waar het aan de orde is gekomen zijn de reacties negatief.

29

Kansrijk daarbinnen zijn vrijwillige CO₂-compensatie door bedrijven en – financieel van beperktere omvang – het benutten van lokale betrokkenheid van burgers en bedrijven in de vorm van crowdfunding, sponsoring en bedrijfsmatige rood-voor-groen-concepten. Beleidsmatig planologisch zijn verevening op (sub)regionale schaal en het afromen van nieuwe productielocaties voor duurzame energie mogelijk. Aan beide zitten veel haken en ogen. Maar de overheden in de MRA kunnen ervoor kiezen dit bestaande en deels nieuwe instrumentarium te benutten. Het is dus een keuze voor de bestuurders om hier wel of geen gebruik van te maken. Als het de bestuurders ernst is met de landschapsambities en er zijn te weinig middelen, dan moet het in ieder geval een bewuste afweging zijn, om er wel of geen gebruik van te maken.

30

5 Conclusies en aanbevelingen In dit hoofdstuk worden conclusies getrokken en aanbevelingen gedaan. Tevens wordt de input vanuit de expertsessie kort beschreven. 5.1 Conclusies Er is een substantieel financieringstekort voor de investeringskant Uit het onderzoek blijkt dat er tot 2040 ongeveer €2,1 miljard aan vooral publieke middelen beschikbaar is voor de MRA-landschapsopgaven. Hiervan is ruim €1,1 miljard beschikbaar voor investeringen en ruim €900 miljoen voor beheer. Daarmee is er ten opzichte van de INTENS-studie naar de investeringskosten voor de MRA-landschapsopgaven een tekort in de ordegrootte van ca. €850 miljoen voor de investeringen6. De totale beheerkosten zijn in INTENS niet geëxpliciteerd, dus daarvan is het lastiger om te bepalen of en in hoeverre er (nog) tekorten zijn. Met de verhoging van het percentage van de SNL-bijdrage en de stikstofmiddelen is het voor natuur, in ieder geval binnen N2000 en het NNN, redelijk goed geregeld. Beheertekorten doen zich met name voor bij de combi met recreatie en bij groen/natuur buiten NNN en N2000. Dat is en blijft vooralsnog een knelpunt. Verschillend financieringsperspectief per landschapsopgave De landschapsopgaven verschillen per MRA-regio. Omdat geldstromen thematisch gelabeld zijn, zijn er substantiële verschillen in hoeverre landschapsopgaven gefinancierd kunnen worden.

Er zijn betrekkelijk veel middelen voor de MRA-landschapsopgaven ‘Natuurontwikkeling in NNN en N2000 gebieden’, ‘Veenweide-opgaven’ en ‘Klimaatadaptatie’. De belangrijkste financieringsbronnen voor deze opgaven zijn het stikstofbudget, het veenweidebudget, de budgetten voor klimaatadaptatie en de SNL-subsidies. We concluderen dat er relatief weinig middelen aangewend kunnen worden voor de MRA-landschapsopgaven ‘Recreatieve beleving’, ‘Verbetering van de landschapswaarde’ en ‘Natuurontwikkeling buiten NNN/N2000 gebieden’. Voor ‘Beheer’ zijn er wel veel middelen, maar die schieten in de ogen van beheerders tekort, zijn voor gebieden met veel recreatie onvoldoende en ontbreken vrijwel voor groen/natuur buiten NNN en N2000. Er zijn geen substantiële en kansrijke grootschalige financieringsbronnen voor verbetering van de recreatieve structuur. En dat terwijl de vraag naar recreatiemogelijkheden gaat toenemen, als gevolg van de Verstedelijkingsstrategie en de groei van de MRA. Dit is het grootste knelpunt. Verschillend financieringsperspectief per MRA-deelregio Omdat de opgaven per MRA-regio verschillen, zijn er ook regionale verschillen in mogelijk te verwerven middelen uit financieringsbronnen. De regio’s Zaanstreek-Waterland, de Binnenduinrand, de Diemerscheg Gooi en Vechtstreek en MRA-Flevoland ontvangen betrekkelijk veel middelen.

De Brettenzone (inclusief Haarlemmermeer-Oost), Westeinderscheg (inclusief Haarlemmermeer-West), Amstelscheg en het Markermeer, IJmeer en Gooimeergebied ontvangen relatief weinig middelen.

6

Ten opzichte van eerdere inschattingen in presentaties is het tekort groter, doordat een betere splitsing tussen investering en beheer is aangebracht.

31

Een illustratie van waardoor dit komt, valt te geven aan de hand van het stikstofbudget. Het merendeel hiervan wordt uitgegeven aan natuurherstelmaatregelen in N2000-gebieden. Enkele MRA-regio’s, waaronder de Brettenzone, de Westeinderscheg en de Amstelscheg hebben geen N2000-gebieden. Stikstofgelden kunnen dus niet in deze gebieden landen. Het Markermeer, IJmeer en Gooimeer zijn weliswaar (deels) N2000-gebieden, maar watervlakten zijn niet-stikstofgevoelig, dus er gaan ook geen stikstofgelden naartoe. Zo worden regionale verschillen ook door een aantal andere instrumenten veroorzaakt, waaronder het veenweidebudget, het deltafonds en de PAGW. Overigens betekent bovenstaande niet dat regio’s die relatief gunstig scoren, daarmee ook voldoende middelen hebben. De Binnenduinrand bijvoorbeeld, komt voor veel natuurmiddelen in aanmerking, maar heeft ook te maken met een grote recreatieve druk, waardoor de beheeropgave er groter is. Ook zijn er specifieke uitzonderingen die tussen wal en schip vallen. In Haarlemmermeer bijvoorbeeld (onderdeel van Brettenzone en Westeinderscheg) zijn er natuurambities buiten NNN/N2000 waarvoor middelen ontbreken en de recreatiegebieden van Staatsbosbeheer in die gemeente kampen met beheertekorten.

Voor een gedetailleerd inzicht in de financiële grootheden per instrument, en de achtergronden van regionale verschillen in financieringsperspectieven per regio en per opgave, wordt verwezen naar het Financieel Masterbestand (Excel).

5.2 Aanbevelingen Werk de inhoudelijke programmering een slag dieper uit De MRA-landschapsambities zoals geformuleerd in ‘Sterke steden hebben sterke landschappen’ zijn ruimtelijke en financieel nog onvoldoende concreet om andere publieke en private partijen te laten besluiten over medefinanciering. De programmering moet dus een slag dieper worden

uitgewerkt. Als voorbeeld wordt naar de Utrechtse aanpak in Groen Groeit Mee gewezen, het rapport ‘De opgaven in beeld’. Werk samen in en aan die programmatische aanpak Werk de programmering als MRA-partijen uit in samenhang en samenspraak met gebiedspartijen. Denk daarbij aan TBO’s, andere grondeigenaren (o.a. via FPG) en waterschappen. Een gezamenlijke programmering langs de inhoud plaveit de weg richting het projectgewijs bundelen van middelen. Wellicht dat dan bijvoorbeeld de extra stikstofmiddelen kunnen leiden tot vrijval binnen TBO’s waarmee dat geld kan worden benut voor de op te stellen MRA-programmering. Blijf benadrukken dat groen noodzakelijk is en geen extraatje Blijf in het kader van de Verstedelijkingsstrategie benadrukken dat groen en landschap hier integraal deel van uit moeten maken. Woningen zonder riolering of mobiliteitsoplossingen kunnen niet, zonder extra recreatieve infra en kwaliteit van het landschap kan het ook niet. De maatschappelijke baten rechtvaardigen die inzet en vragen een stevige rol van de overheid, ook financieel. Faciliteer samenwerking tussen partijen en met burgers en bedrijven Een slagvaardig en ervaren programmateam – samengesteld uit de samenwerkende partijen in MRA Landschap – is een voorwaarde voor het kunnen uitvoeren van de programmatische aanpak.

Benut de kansen voor een grotere private betrokkenheid van burgers en bedrijven om een deel van de extra benodigde middelen bijeen te krijgen. Maak bewuste keuzes over inzetten verevening/publiekrechtelijke instrumentarium Er zijn extra middelen nodig voor de investeringsopgaven. Verevening vanuit woningbouw en wederkerigheid bij nieuwe productielocaties voor duurzame energie zijn hiervoor mogelijkheden. De MRA-partijen kunnen het daarvoor beschikbare instrumentarium benutten. Er zijn haken en

32

ogen aan verbonden, maar er dient ten minste een bewuste bestuurlijke afweging te worden gemaakt.

Helderheid over de programmering van groen en landschap en het makkelijk maken van voor burgers en bedrijven om hier een financiële bijdrage aan te leveren, wordt als nuttige en nodige aanvulling gezien.

Ontwikkel de mogelijkheid van vrijwillige CO₂-compensatie voor bedrijven Vrijwillige CO₂-compensatie door bedrijven in de MRA in de vorm van een bijdrage aan lokale/regionale groene doelen is een interessante extra financieringsbron. Aangeraden wordt een dergelijk mechanisme op te gaan zetten, inclusief uitvoering ervan. Zoek naar aanvullende EU-financiering als er concrete projectideeën zijn EU-financiering kan een kansrijke aanvullende financieringsbron zijn. Een voorwaarde is vaak dat er goede en concrete projectideeën moeten zijn om geld hiervoor aan te wenden. EU-financiering zijn met name investeringen; voor beheer is het – met uitzondering van het GLB/NSR/POP3 (pijler 2) – vaak niet mogelijk om EU-subsidie aan te trekken.

5.3 Experts onderschrijven de uitkomsten De hoofdlijnen van het rapport en de in dit hoofdstuk geformuleerde conclusies en aanbevelingen zijn eerst breder ambtelijk besproken en vervolgens ook onderwerp geweest van een expertsessie (zie bijlage 3 voor deelnemers). De experts herkenden de uitkomsten. Gezien het (economisch) publieke karakter van groen en landschap, verwachten zij dat de overheden in belangrijke mate aan zet zullen blijven voor het financieren van de landschapsambities in de MRA. Van de aanvullende instrumenten hebben ze de hoogste verwachtingen van de verevening vanuit woningbouw en de productie van duurzame energie, al onderschrijven ze ook de daarover beschreven complicaties. Niettemin zien ze die instrumenten als meest kansrijk en onvermijdelijk.

33

Bijlage 1: Kansrijkheid financieringsinstrumenten (schematisch) Opbouw analyse kansrijkheid In de bijlagen zijn tabellen opgenomen waarbij de financieringsinstrumenten zijn beoordeeld op hun kansrijkheid voor de MRA-landschapsopgaven. De instrumenten zijn geselecteerd met de MRA-landschapsopgaven in het achterhoofd. Echt ongeschikte financieringsmogelijkheden staan er dus niet in. Het gaat om een differentiatie tussen meer en minder geschikt. In de tabellen beschouwen we de instrumenten in drie ‘delen’ in kolommen, die hier eerst worden genoemd en daarna toegelicht: • Aansluiting op/koppeling aan de 6 MRA-landschapsopgaven-categorieën (zie inleiding). Er wordt met een ‘x’ op aangegeven op welke MRAlandschapsopgaven categorieën het financieringsinstrument aansluit. Met een ‘(x)’ wordt aangegeven als er indirect aansluiting is met de MRAlandschapsopgaven; • Investering en/of Beheer: aangegeven met een ‘x’ of het instrument van toepassing is op investeringen, beheer of beide; • Drie criteria voor de kansrijkheid (die legenda in tabel hieronder): o De geschatte omvang van de (mogelijke) geldstroom.

Met ‘(+++)’ wordt aangegeven als het om een potentiële grote geldstroom gaat; o De kans dat de middelen daadwerkelijk kunnen worden bereikt (slagingskans subsidieaanvragen bijvoorbeeld); o De praktische haalbaarheid, in termen van hoeveelheid werk die moet worden verricht voor verwerven en verantwoorden van middelen; o Potentie van ontschotten van het instrument (dus: de schotten binnen het financieringsinstrument weghalen. Thematische verbreding van het instrument achtten we onhaalbaar). De beoordeling van de criteria voor de kansrijkheid leiden in combinatie met de aansluiting op de MRA-landschapsopgaven tot een inschatting over de kansrijkheid van het betreffende instrument om bij te dragen aan de financiering van de opgaven. In het bijlagedocument is per instrument meer informatie te vinden, inclusief de informatie op basis waarvan de tabellen de beoordeling is gemaakt. Tabel B1.1: Legenda beoordeling criteria voor de kansrijkheid +++ ++ + +/-

Omvang geldstroom €5 miljoen + per jaar €1.000.000 - €5 miljoen per jaar €250.000 – 1.000.000 per jaar €1 - €250.000 per jaar €0,-

Slagingskans Erg grote kans / zekerheid dat middelen worden bereikt Grote kans dat middelen worden bereikt Gemiddelde kans dat middelen worden bereikt Kleine kans dat middelen worden bereikt Weinig/geen kans dat middelen kunnen worden bereikt

Haalbaarheid Erg gemakkelijk toegankelijke geldstroom Gemakkelijk toegankelijke geldstroom Gemiddeld toegankelijke geldstroom Matig toegankelijke geldstroom Slecht/niet toegankelijke geldstroom

Potentie ontschotten Grote potentie en haalbaarheid Grote potentie, gemiddelde haalbaarheid Gemiddelde potentie, matige haalbaarheid Matige potentie en matige haalbaarheid Geen potentie en onhaalbaar

34

Concept

Instrument

Rijksstromen 1.1 & die regionaal 1.2 uitgekeerd SVNL & SKNL worden via RVO

Recreatieve beleving

X

Aansluiting bij MRA-Landschapsopgaven Haalbaarheid Natuur Versterken ontwikkeling Toekomst Klimaat € Heel MRA tot 2040 landschapsLinks: in NNN veenweid adaptief (doorrekening Kans van Potentie Conclusie waarde Rechts: uit NNN e gebied landschap Beheer instrumenten) slagen Opzetten Uitvoeren ontschotten kansrijkheid

X

X

1.3

Veenweidebudget

1.4

Stikstofgelden

1.5

Mobiliteitsfonds

1.6

Klimaatadaptatie

1.7

SIM-groen

1.8

Deltafonds

X

1.9

Programmatische aanpak grote wateren

X

X

X

X

X

X

X

X

€340.320.000

€40.680.000

X

€334.500.000

X

€225.000.000 X

X

€130.000.000

Rijksstromen

X

X

€24.000.000 X

X

€30.000.000 €80.000.0000

35

Concept

Instrument

Provinciale 1.10 subsidies van NoordHolland 1.11

Weidevogelbiotopen, wandelnetwerken & TOP’s

Recreatieve beleving

X

Aansluiting bij MRA-Landschapsopgaven Haalbaarheid Natuur Versterken ontwikkeling Toekomst Klimaat € Heel MRA tot 2040 landschapsLinks: in NNN veenweid adaptief (doorrekening Kans van Potentie Conclusie waarde Rechts: uit NNN e gebied landschap Beheer instrumenten) slagen Opzetten Uitvoeren ontschotten kansrijkheid

X

X

X

X

X

€3.236.436

Klimaatadaptatie onderzoek

X

X

€900.000

1.12

Klimaatadaptatie uitvoering

X

X

€16.200.000

1.13

HIRB+ Revitalisering verblijfslocaties

X

1.14

Uitbreiden vaarnetwerk kleine pleziervaart

X

1.15

1.16

1.17

Herbestemming en restauratie verduurzaming monumenten

€1.800.000 €19.800.000

€16.380.000 X

Bedrijfsverplaatsing en kavelruil Natuurnetwerk Noord-Holland Investeringsbudget Landschapsversterkin g

€9.000.000 X

X

X

X

€9.270.000 X

X

X

X

X

36

Concept

Instrument 1.18

Inkomsten verkoop, evenementen en pacht; natuur

X

X

X

X

X

X

X

Onkwantific.

Bosbouw

X

X

X

X

X

X

X

€21.600.000

Infrastructuurprojecte n

X

X

X

X

X

X

X

Onkwantific.

1.21

Verevening

X

X

X

X

X

X

X

€100.000.000

1.22

LIFE+

X

X

X

X

X

X

X

€51.685.714

1.23

GLB/NSR/POP3+4

X

X

X

X

X

X

X

€120.000.000

1.24

Horizon Europe

X

X

X

X

X

X

X

€42.214.286

1.25

EFRO

X

X

X

X

X

X

X

€5.000.000

1.26

Interreg

X

X

X

X

X

X

X

€10.000.000

1.27

EUI

€0

1.28

URBACT

€0

1.29

Subsidie waterschappen

X

X

X

X

X

X

X

€20.000.000

1.30

Matchfunding

X

X

X

X

X

X

X

Onkwantific.

Verdien modellen 1.19 Compensatie 1.20 Verevening

Europese subsidies

Lokale subsidies of giften

Recreatieve beleving

Aansluiting bij MRA-Landschapsopgaven Haalbaarheid Natuur Versterken ontwikkeling Toekomst Klimaat € Heel MRA tot 2040 landschapsLinks: in NNN veenweid adaptief (doorrekening Kans van Potentie Conclusie waarde Rechts: uit NNN e gebied landschap Beheer instrumenten) slagen Opzetten Uitvoeren ontschotten kansrijkheid

37

Concept

Lokale belastingen

Instrument

Recreatieve beleving

Aansluiting bij MRA-Landschapsopgaven Haalbaarheid Natuur Versterken ontwikkeling Toekomst Klimaat € Heel MRA tot 2040 landschapsLinks: in NNN veenweid adaptief (doorrekening Kans van Potentie Conclusie waarde Rechts: uit NNN e gebied landschap Beheer instrumenten) slagen Opzetten Uitvoeren ontschotten kansrijkheid

1.31

Lokale belastingen gemeenten

X

X

X

X

X

X

X

1.32

Lokale belastingen provincies

X

X

X

X

X

X

X

1.33

Lokale belastingen waterschappen

X

X

X

X

X

X

1.34

Fiscale voordelen NSW

X

X

X

X

X

X

1.35

Erfgoed Deal

X

Overig

Onkwantific. Onkwantific. Onkwantific. Onkwantific. €1.000.000

38

Bijlage 2: Informatie per instrument

Een deel van het stelsel wordt gefinancierd vanuit Pijler 2 van het Gemeenschappelijk Landbouw Beleid. Daarnaast dragen de provincie, waterschappen en het Rijk (via RVO) bij aan de financiering (de inzet van EU-middelen vraagt ca. 50% cofinanciering).

In deze bijlage worden de financieringsinstrumenten van publieke partijen besproken en verder uitgewerkt.

SNL stelsel diagram Subsidieverordening Natuur- en Landschapsbeheer (SVNL)

Leeswijzer Per instrument nemen we de belangrijkste informatie op. Dat zijn onder andere: om hoeveel geld gaat het? Is het thematisch gelabeld en zo ja hoe? Is het geografisch gelabeld, en zo ja hoe? Ook geven we meer informatie over in welke periode het geld besteed wordt. We gaan eerst in op de overheidsinstrumenten. Vervolgens besteden we aandacht aan de financieringsinstrumenten van bedrijven en burgers.

Overheidsinstrumenten

Subsidiestelsel Natuuren Landschapsbeheer (SNL)

Subsidieregeling Kwaliteitsimpuls Natuur en Landschap (SKNL)

Natuurbeheer en landschapsbeheer Agrarisch Natuurbeheer

Investeringssubsidie

Functieverandering

Uitvoeringsverordenin g aankoopsubsidie NNN-gronden (UVAN)

Rijksinstrumenten die regionaal uitgekeerd worden 1.1 Subsidieverordening Natuur en Landschapsbeheer (SNL) 1.2 Subsidie kwaliteitsimpuls Natuur en Landschap (SKNL) Via het Subsidiestelsel Natuur en Landschap (SNL) verleent het Rijk, via RVO subsidies voor het beheren en ontwikkelen van natuur en agrarische natuur- en landschapselementen. Dit stelsel is belangrijk voor de MRAlandschapsopgaven, omdat via dit stelsel geïnvesteerd wordt in natuur en landschap. Naast subsidie voor natuur en landschap, kent het SNL ook middelen voor recreatie in de natuur. Voor natuurterreinen die opengesteld worden voor publiek, is er een openstellingsbijdrage (voorheen recreatietoeslag). Tot 2017 was er een regeling voor Boerenlandpaden (wandelen over agrarisch gebied), maar die is vervallen.

Het stelsel bestaat uit 3 verschillende regelingen, die ook weer uit verschillende regelingen bestaan (zie schematische weergave in bovenstaande diagram). In de hiernavolgende tabel zijn de drie regeling van het SNL op een rij gezet. Via het SNL (onderdeel SKNL en UVAN) kan geïnvesteerd worden in de realisatie van natuur door aankoop van een terrein of omzetten van landbouwgrond. Deze natuurgebieden kunnen ook betekenis hebben voor recreatie, cultuurhistorie of waterbeheer. Echter: de middelen voor SKNL en UVAN kunnen alleen ingezet worden in vooraf, in het natuurbeheerplan aangewezen gebieden. Daarnaast zijn ook de middelen beperkt: voor aanvullende ambities zijn aanvullende middelen nodig.

39

Voordeel van het SNL is dat via het programma EU-, Rijks- en provinciale middelen gecombineerd kunnen worden. Ook is het programma eenduidig doordat alle 12 provincies werken via dezelfde modelverordening. Elke provincie mag zelf besluiten welke onderdelen van de verordening “open gezet” worden. Overzicht Subsidiestelsel Natuur en Landschap (SNL) Werking van instrument

Bron van instrument Gebruiker instrument Investering/ beheer Geografisch schaalniveau Financieel schaalniveau

Voorwaarden

1.1 SVNL Subsidie voor (agrarisch) natuurbeheer, en landschapsbeheer Provincie

1.2 SKNL Subsidie omzetten landbouwgrond naar natuur of ontwikkeling natuurbeheer Provincie

1.3 UVAN Subsidie voor het aankopen van een ‘nog te realiseren natuur’-terrein Provincie

Natuurbeheerder, TBO’s, Agrarische collectieven Beheer

Eigenaar/ erfpachter natuur- of landbouwgrond Investering

Particulieren of Organisaties

Min. 75 ha

Verschilt per aanvraag Investering: max. 95%; Functieverandering: max. 85% van de waarde landbouwgrond • Maatregelen moeten bijdragen aan doel • Sluit aan bij Natuurbeheerplan Provincie

Verschilt

75% van SKP per beheertype

• Beheerder heeft certificaat natuurbeheer

Investering

Maximaal 85% van aankoopkosten van terrein • Terrein moet aangewezen zijn als ‘nog te realiseren natuur’ • Terrein moet worden omgevormd

Tijdspanne Inzetbaarheid Inschatting transactiekosten Voordelen/ Nadelen

Nieuw/ bestaand

Periode van 6 jaar Korte en lange termijn N.v.t.

Eenmalig Korte termijn

naar natuurgebied Eenmalig Korte termijn

N.v.t.

N.v.t.

Voordeel: Kan EU, Rijks- en provinciale middelen combineren, Elke provincie mag zelf besluiten welke onderdelen “open gezet” worden Nadeel: maatwerk is lastig Bestaand

Beschikbare middelen voor SKNL zijn begrensd in huidig beleid (natuurbeheerplan) Beperkt middelen beschikbaar voor beleving / recreatie.

Beschikbare middelen voor UVAN zijn begrensd in huidig beleid. Beperkt middelen beschikbaar voor beleving / recreatie.

Bestaand instrument

Bestaand

Rijksstromen Overdracht Rijksoverheid De overdracht van middelen vanuit de Rijksoverheid (vanuit het Gemeentefonds) vormt de grootste bron van inkomsten voor met name gemeenten (72%) en in mindere mate van provincies. Deze bijdragen zijn afhankelijk van de ontwikkeling van uitgaven van de Rijksoverheid: bezuinigt het Rijk, dan zijn de uitkeringen lager. Wordt er geld uitgegeven, dan zijn de uitgaven hoger. In 2013 en 2014 is het effect van de financiële crisis duidelijk zichtbaar: gemeenten en provincies ontvingen minder overdrachten vanuit het Rijk. Provincies vulden deze lagere bijdragen (deels) op vanuit de eigen middelen.

40

De coronacrisis laat op dit moment de schuld van de Rijksoverheid flink oplopen. Het is mogelijk dat na de coronasteunmaatregelen de Rijksoverheid haar uitgaven zal beperken. Mogelijk worden hierdoor de inkomsten vanuit het gemeentefonds en provinciefonds lager.

Geografisch schaalniveau Financieel schaalniveau

Veenweidegebieden; polders met een omvang van ca. 400-800 ha. Voor heel Nederland €276 miljoen voor veenweidegebieden tot 2030 vanuit het Klimaatakkoord, als volgt verdeeld: • €76 miljoen voor onderzoek en pilots • €100 miljoen impulsgeld in de jaren 2021 en 2022 • €100 miljoen voor uitrol/uitvoering maatregelen

Het Veenweidebudget bedraagt tot 2030 in totaal €276 miljoen (landelijk). Hiervan is €76 miljoen voor onderzoek en pilots, €100 miljoen impulsgeld in de jaren 2021-2022 en €100 miljoen voor de uitrol/uitvoering van maatregelen.

Datum informatie / bronjaar Indexering 2021 Voorwaarden Tijdspanne/planning Inzetbaarheid

13-07-2020

Noord-Holland zet €8 miljoen in van de impulsgelden in de gebiedsprocessen in onder andere Laag-Holland en Groene Hart. Daarvan zal ca. de helft (o.b.v. areaal) dus €9 miljoen naar Laag-Holland gaan (met name regio Zaanstreek-Waterland) gaan. Er vanuit gaande dat hetzelfde percentage (9%) van het overige geld ook naar Zaanstreek-Waterland gaat), gaat het Veenweidebudget voor in totaal ca. €25 miljoen naar Zaanstreek-Waterland.

Voordelen/nadelen Bestaand/Bewezen instrument Bronnen & meer info

1.3 Veenweidebudget Er wordt door het Rijk gewerkt aan een eerste fase van het Veenplan. Het Veenplan bevat maatregelen in veenweidegebieden in het kader van het Klimaatakkoord. In veenweidegebieden zorgt een dalende grondwaterstand voor bodemdaling en de uitstoot van broeikasgassen.

1.3: Veenweidebudget Werking van Bijdrage van het Rijk aan provincies voor maatregelen instrument voor het tegengaan van bodemdaling in veenweidegebieden in Nederland. Bron/financier van Rijksmiddelen via het Klimaatakkoord instrument Gebruiker instrument Investering en/of beheer

Provincies Investering

n.v.t. In Veenweidegebied T/m 2030 Voor de transitie naar kringlooplandbouw, voor vernatting, verhogen grondwaterspiegel, tegengaan van bodemdaling. Programma is nog in ontwikkeling dus er mist info. Bestaand & bewezen https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstuk ken/2020/07/13/kamerbrief-over-inzet-enmaatregelen-in-de-veenweidegebieden-veenplan-1efase

1.4 Stikstofgelden Het kabinet investeert de komende 10 jaar (2020-2030) zo’n 5 miljard euro om het stikstofprobleem in natuurgebieden (N-2000) op te lossen. Voor natuurherstel - feitelijk het op orde krijgen van condities in en om te natuurgebieden - is meer dan de helft van de toegezegde 5 miljard euro beschikbaar, namelijk 3 miljard (wat zich vertaalt in 300 miljoen euro jaar). De andere 2 miljard (200 miljoen euro per jaar) wordt geïnvesteerd in schonere landbouw & industrie, walstroom voor scheepvaart en het

41

opkopen van agrarische bedrijven vlakbij N2000 gebieden. Zo is er €180 miljoen subsidie beschikbaar voor varkenshouderijen die willen stoppen en er is €250 miljoen beschikbaar voor het opkopen van veehouderijen. Binnen de stikstofaanpak hebben de provincie en het Rijk samen de verantwoordelijkheid maatregelen te nemen om de natuurkwaliteit binnen de Natura 2000-gebieden te verbeteren en economische ontwikkelingen mogelijk te maken. De provincie is daarbij verantwoordelijk voor het uitvoeren van het natuurbeleid.

Bestaand/Bewezen instrument Bronnen & meer info

De provinciale verdeelsleutel voor stikstofgelden is nog niet bekend. 1.4: Stikstofgelden Werking van instrument Bron/financier van instrument Gebruiker instrument Investering en/of beheer Geografisch schaalniveau Financieel schaalniveau Datum informatie / bronjaar Voorwaarden Tijdspanne/planning Inzetbaarheid Voordelen/nadelen

economische en maatschappelijke ontwikkelingen mogelijk te maken. Bestaand instrument, maar wel een nieuw programma https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/aanpakstikstof https://www.noordholland.nl/Actueel/Archief/2021/Juni_2021/Aanvraag _van_44_miljoen_euro_voor_herstel_Noord_Hollands e_natuur https://www.tauw.nl/actueel/nieuws/kabinetkondigt-aan-5-miljard-extra-voor-stikstofbeleid.html

Natuurherstelmaatregelen voor Natura 2000 gebieden Het Rijk

1.5 Mobiliteitsfonds Provincies Investering Natura 2000 gebieden (en een zeer kleine scope er omheen). 2020 – 2030: 5 miljard voor heel Nederland. Voor natuurherstel: 3 miljard, 2 miljard voor maatregelen voor afname stikstofuitstoot. 23 april 2020 Alleen in en rond N-2000 gebieden 2020-2030 Is nog niet inzetbaar, maar binnenkort wel. Is maatwerk per gebied. Programma wordt nog uitgewerkt; verdeelsleutel over provincies is nog onbekend. Bijdrage aan vermindering van de stikstofdepositie voor het herstel van de natuur in de N2000-gebieden en om

1.5: Mobiliteitsfonds Werking van instrument

Bron/financier van instrument Gebruiker instrument Investering en/of beheer Geografisch schaalniveau Financieel schaalniveau

Faciliteren van mobiliteit van personen en goederen door middel van financiering en bekostiging van infrastructuur. De uitgaven van het mobiliteitsfonds lopen via het MIRT. In het MIRT wordt beschreven hoe de middelen van het fonds voor het faciliteren van mobiliteit worden verdeeld over afzonderlijke projecten, projectpakketten of beleidsterreinen. Het Rijk (Ministerie van IenW) Gemeente, provincie en Rijk (via MIRT) Investering en beheer Heel Nederland €90 miljard tot 2033 (bron: Rijksbegroting 2021) (maar slechts een fractie kan worden ingezet voor de MRAlandschapsopgaven).

42

Datum informatie / bronjaar Voorwaarden Tijdspanne/planning

1 juli 2021 (inwerkingtreding)

Inzetbaarheid

Is inzetbaar via het MIRT; kansrijk voor enkele MRAlandschapsopgaven, maar zeer specifieke inzetbaarheid. Alleen te gebruiken voor maatregelen i.r.t. infrastructuurprojecten. Dus voor de MRAlandschapsopgaven zouden fietspaden (doel: recreatieve beleving) kunnen worden gefinancierd. Bestaand

Voordelen/nadelen

Bestaand/Bewezen instrument Bronnen & meer info

Alleen i.r.t. infraprojecten Begroting t/m 2033

https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/wetsvoo rstellen/detail?cfg=wetsvoorsteldetails&qry=wetsvoor stel%3A35426 https://www.rijksbegroting.nl/2021/voorbereiding/be groting,kst282723_7.html https://www.rijksbegroting.nl/2021/voorbereiding/be groting?hoofdstuk=40.12

Het Mobiliteitsfonds is het Infrastructuurfonds in een nieuw jasje. Het mobiliteitsfonds is breder dan het infrastructuurfonds. Het fonds heeft ten doel het faciliteren van mobiliteit van personen en goederen door middel van financiering en bekostiging van: a) aanleg, verbetering, beheer en onderhoud en bediening van infrastructuur die door het Rijk wordt beheerd; b) aanleg, verbetering, beheer en onderhoud en bediening van infrastructuur die niet door het Rijk wordt beheerd; c) maatregelen en voorzieningen waarmee wordt beoogd de doelmatigheid van het gebruik van infrastructuur als bedoeld in de onderdelen a en b, te vergroten; en d) het inwinnen, bewerken en verspreiden van met onderdeel a samenhangende basisinformatie, onderzoek ter voorbereiding van maatregelen of voorzieningen als bedoeld in de onderdelen a, b en c,

en proefprojecten en experimenten gericht op maatregelen of voorzieningen als bedoeld in de onderdelen a, b en c. Volgens de regering wordt hiermee de doelmatigheid van de uitgaven en de transparantie en verantwoording van de rijksuitgaven aan mobiliteit verbeterd. Voor de MRA-landschapsopgaven is dit fonds kansrijk als het gaat om financiering van de recreatieve belevingsopgave. Het is bijvoorbeeld goed denkbaar dat er bij mobiliteitsprojecten in de MRA (snel)fietspaden kunnen worden meegefinancierd. Evenals in de Wet Infrastructuurfonds worden bij infrastructuur behorende voorzieningen ten behoeve van de bescherming van het milieu tot die infrastructuur gerekend. Bij milieu moet worden gedacht aan uitwendige omstandigheden die van invloed zijn op de leefomstandigheden van mensen, dieren en planten, zoals de toestand van water, bodem, lucht, het niveau van omgevingsgeluiden en de klimatologische omstandigheden. Voorbeelden van voorzieningen ten behoeve van bescherming van het milieu zijn voorzieningen om activiteiten die het milieu belasten, te mitigeren of te compenseren, zoals geluidswallen en -schermen, woningisolatie, faunapassages, wildtunnels en voorzieningen ter bescherming van de biodiversiteit.

Voorzieningen die tot doel hebben de uitstoot van broeikasgassen of andere schadelijke stoffen te beperken zijn er eveneens toe te rekenen, evenals voorzieningen die tot doel hebben om verlies van natuurwaarden te compenseren. Uit gesprekken met IenW blijkt dat ca. 1% van het totale budget aan dit soort maatregelen uitgegeven wordt. 1.6 Klimaatadaptatie (Bestuursakkoord) Rijksbijdrage van 33% aan werkregio’s voor klimaatadaptatie. Overheden op alle niveaus maken de komende jaren geld beschikbaar om Nederland weerbaarder te maken tegen de gevolgen van klimaatverandering. Gemeenten (VNG), waterschappen (UvW), provincies (IPO) en Rijk (IenW) tekenden daarvoor op 20 november 2018 het Bestuursakkoord Klimaatadaptatie.

43

Op basis van stresstesten brengen gemeenten, waterschappen en provincies uiterlijk in 2020 de opgaven voor ruimtelijke adaptatie in beeld, en bepalen zij de noodzakelijke maatregelen voor een klimaatbestendige en waterrobuuste inrichting. Dat moet resulteren in regionale uitvoeringsagenda´s. Vanaf 2019 stelt het Rijk al geld beschikbaar om decentrale overheden te ondersteunen bij de aanpak van ruimtelijke adaptatie. Voor procesondersteuning, kennisontwikkeling, kennisdeling en pilots is €26,7 miljoen gereserveerd. De eerste adaptatieprojecten waar het Rijk aan bijdraagt, gingen in 2019 van start. Inzet van het Rijk is een vergelijkbare bijdrage te bieden als de bijdrage die decentrale overheden beschikbaar stellen. Het Rijk zet derhalve in op een impuls van in totaal ca. €300 miljoen.

Gebruiker instrument Investering en/of beheer Geografisch schaalniveau Financieel schaalniveau Datum informatie / bronjaar Voorwaarden Tijdspanne/planning

Bestaand/Bewezen instrument Bronnen & meer info

Inzetbaar Een deel van de middelen is reeds ingezet (onduidelijk is hoeveel). Ook cofinanciering noodzakelijk., Bestaand

https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/bri even_regering/detail?id=2020Z07047&did=2020 D15009 https://vng.nl/nieuws/rijksbijdrage-beschikbaarvoor-klimaatadaptatie https://klimaatadaptatienederland.nl/actueel/act ueel/nieuws/2018/bestuursakkoord/

1.7 Subsidieregeling instandhouding monumenten (SIM)

1.6 Klimaatadaptatie 1.6: Klimaatadaptatie Werking van instrument Bron/financier van instrument

Inzetbaarheid Voordelen/nadelen

Rijksbijdrage van 33% aan werkregio’s voor klimaatadaptatie. Het Rijk Voor Werkregio’s (samenwerkingen van gemeenten, waterschappen en provincies) Investering Heel Nederland €300 miljoen voor 2021 t/m 2023 21 april 2020 Rijksbijdrage is 33%. De werkregio’s zetten zelf dus 67% van de financiën in. 2021 t/m 2023 (3 jaar)

1.7 Subsidieregeling instandhouding monumenten (GROEN) Werking van instrument Subsidieregeling instandhouding monumenten (SIM) (alleen groenopgaven) Bron van instrument Het Rijk Gebruiker instrument Eigenaren rijksmonumenten Investering en/of beheer Beheer Geografisch schaalniveau N.v.t. Financieel schaalniveau Maximaal 60% van de subsidiabele kosten. €62.8 miljoen in 2020, waarvan €8 miljoen voor groene monumenten. Datum informatie / 26 januari 2021 bronjaar Voorwaarden Rijksmonumenten die geen woonhuis zijn die in stand gehouden moeten worden. Tijdspanne 1 februari – 31 maart (jaarlijks) Inzetbaarheid Direct Voordelen/Nadelen Alleen voor eigenaren van een archeologisch, groen of gebouwd rijksmonument die geen woonhuis is. Inzetbaarheid Inzetbaar

44

Bestaand/Bewezen instrument Bronnen & meer info

Bestaand

•

https://www.cultureelerfgoed.nl/onderwerpen/su bsidie-instandhoudingrijksmonumenten/documenten/publicaties/2019/ 01/01/informatieblad-instandhoudingssubsidie

• •

zijn gericht op regulier onderhoud, zoals schilderwerk of plaatselijk herstel van houtwerk. maken deel uit van een instandhoudingsplan voor een periode van 6 jaar. dragen bij aan maximaal behoud van de monumentale waarden.

1.8 Deltafonds De subsidie instandhouding monumenten (SIM) is bestemd voor het leveren van een bijdrage aan reguliere onderhoudskosten van rijksmonumenten op basis van een 6-jarig onderhoudsplan. Eigenaren van archeologische, groene en gebouwde rijksmonumenten die geen woonhuis zijn komen in aanmerking voor deze subsidie (bv. een kerk, molen of fabriek). De aanvraag hiervoor kan alleen tussen 1 februari en 31 maart ingediend worden voor een bedrag tot maximaal 60% van de subsidiabele kosten. Het complete landelijke budget hiervoor was €62,8 miljoen in 2020. Voor groene rijksmonumenten worden de maximale subsidiabele kosten bepaald aan de hand van normbedragen. We gaan er vanuit dat er jaarlijks (tot 2030) een zelfde bedrag beschikbaar komt in de SIM-regeling. Per categorie en per jaar zijn de volgende budgetten beschikbaar: • archeologische monumenten: €800.000; • groene monumenten: €8.000.000 (we rekenen alleen deze categorie mee in de financiën) • gebouwde monumenten: €54.020.000 De subsidie is bedoeld voor rijksmonumenten: • die in redelijke tot goede staat verkeren en in deze staat moeten worden gehouden; • die nog niet in een goede staat verkeren en die moeten worden hersteld of waarbij verder verval moet worden voorkomen. De werkzaamheden die voor subsidie in aanmerking komen:

1.8 Deltafonds Werking van instrument

Bron van instrument Gebruiker instrument

Investering en/of beheer Geografisch schaalniveau Financieel schaalniveau

Datum informatie / bronjaar Voorwaarden Tijdspanne Inzetbaarheid Voordelen/Nadelen Inzetbaarheid Bestaand/Bewezen instrument Bronnen & meer info

Het Deltafonds is ingevoerd om zeker te stellen dat er ook op de lange termijn voldoende middelen beschikbaar zijn voor noodzakelijke maatregelen voor de waterveiligheid en de drinkwatervoorziening van Nederland. Uitgaven lopen via het Deltaprogramma. Het Rijk (IenW) Gemeenten, provincies, waterschappen met projecten die in het Deltaprogramma zitten (vergelijkbaar met MIRT-systematiek). Investering en beheer Nederland €1.2 miljard per jaar, ongeveer €150 miljoen binnen scope zoetwatervoorziening en waterkwaliteit 15 september 2020 (begrotingsstaat Deltafonds 2021) Moet via Deltaprogramma lopen 2021 Via Deltaprogramma Via Deltaprogramma Via Deltaprogramma Bestaand https://www.rijksbegroting.nl/2021/voorbereidin g/begroting,kst282766.html

45

https://dp2021.deltaprogramma.nl/7deltafonds.html

Het Deltafonds is ingevoerd om zeker te stellen dat er ook op de lange termijn voldoende middelen beschikbaar zijn voor noodzakelijke maatregelen voor de waterveiligheid en de zoetwatervoorziening van Nederland. Een belangrijk doel van het fonds is het bekostigen van maatregelen en voorzieningen die dienen ter bescherming van Nederland tegen overstromingen en waterschaarste. Ook de bekostiging van maatregelen in verband met handhaving en verbetering van de waterkwaliteit met het oog op de zoetwatervoorziening behoort tot de doelen van het fonds. Binnen het Deltafonds wordt geïnvesteerd in zoetwatervoorziening en waterkwaliteit. Dat valt binnen de NNN drinkwatergebieden in de MRA (Binnenduinrand, Diemerscheg, Gooi en Vechtstreek, IJsselmeer Flevoland en de Westeinderscheg (Westeinderplassen)). Van de €1.2 miljard ligt ongeveer €150 miljoen binnen de scope. We gaan er vanuit dat er daarvan 1% landt in de MRA ten behoeve van landschapsopgaven (schatting). 1.9 Programmatische aanpak grote wateren Toekomstbestendige grote wateren waar hoogwaardige natuur goed samengaat met een krachtige economie. Dat is waar Rijkswaterstaat, Staatsbosbeheer en de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) in opdracht van de ministeries van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) en Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) aan werken met de Programmatische Aanpak Grote Wateren (PAGW).

Er zijn een heel aantal PAGW-projecten7 in Nederland. Het totale maatregelenpakket voor de

grote wateren bestaat uit 33 projecten en liggen verspreid over vier gebieden: • Zuidwestelijke Delta, • IJsselmeergebied, • De Waddenzee en Eems-Dollard • Grote Rivieren. In de MRA zijn er projecten aan de Oostvaardersoevers en de Markermeerskust. Er is voor de Markermeerskust €20 miljoen beschikbaar en voor de Oostvaardersoevers €60 miljoen. 1.9 Programmatische aanpak grote wateren Werking van Rijksbijdragen aan 33 projecten die door een instrument veelheid aan partijen uitgevoerd worden. Bron/financier van Het Rijk instrument Gebruiker instrument Investering en/of beheer Geografisch schaalniveau Financieel schaalniveau Bronjaar Voorwaarden Tijdspanne/planning Inzetbaarheid Voordelen/nadelen

Decentrale overheden, uitvoeringsorganisaties (RWS) en terreinbeheerders (Staatsbosbeheer) Investeringen Nederland, grote wateren €248 miljoen 2020 Projecten moeten vallen binnen de programmatische aanpak. Projecten moeten vallen binnen de programmatische aanpak.

7

https://www.helpdeskwater.nl/onderwerpen/waterruimte/ecologie/programmatische-aanpak-grote-wateren-pagw/waar-we/

46

Bestaand/Bewezen instrument Bronnen & meer info

Bestaand https://www.helpdeskwater.nl/onderwerpen/waterruimte/ecologie/programmatische-aanpak-grotewateren-pagw/

Provinciale (Noord-Hollandse) stromen 1.10 Groen Noord-Holland 1.10 Groen Noord-Holland Werking van instrument

Bron van instrument Gebruiker instrument Investering en/of beheer Geografisch schaalniveau Financieel schaalniveau

Voorwaarden

De provincie geeft subsidie op drie onderdelen: weidevogelbiotopen, uitbreiding wandelnetwerk en toeristische overstappunten. Provincie Noord-Holland Grondbezitters/agrariërs in de provincie NoordHolland Investering en beheer Provincie Noord-Holland Plafonds 2021: Weidevogelbiotopen: €100.000. Wandelnetwerk: €0,-. TOP’s: €79.802 Weidevogelbiotopen: De subsidie bedraagt 75% van de subsidiabele kosten tot een maximum van €40.000,-. Uitbreiding wandelnetwerk: subsidie bedraagt 50% van de subsidiabele kosten bedoeld tot een maximum van €500.000,-. TOP’s: de subsidie bedraagt 75% van de subsidiabele kosten tot een maximum van €15.000,–. per toeristisch overstappunt. De provincie geeft alleen subsidie voor weidevogelbiotopen binnen het leefgebied open grasland. Voor het wandelnetwerk geeft de provincie alleen subsidie als De te realiseren voorzieningen openbaar toegankelijk zijn; en bij materiële investeringen is voorzien in het beheer en onderhoud voor een periode van 15 jaar. Voor TOP’s geeft de provincie alleen subsidie als op het

Tijdspanne Inzetbaarheid Voordelen/Nadelen Bestaand/Bewezen instrument Bronnen & meer info

moment van de subsidieaanvraag de benodigde vergunningen/ontheffingen voor de uitvoering van de activiteiten zijn verleend. Staat open tot 1 januari 2022 Inzetbaar Staat nog maar kort open (zie tijdspanne) Bestaand https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR285123 /6 https://www.noordholland.nl/Loket/Producten_en_Diensten/Product en_op_alfabet/G/Groen_Noord_Holland_Weidevo gelbiotopen_Uitbreiding_wandelnetwerk_Toeristis che_overstappunten_subsidie

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14482079/1