CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2.2 getekende brief Advies op hoofdlijnen SARA reactie + Advies op hoofdlijnen SARA

Raadscommissie Duurzaamheid en Circulaire economie 20 maart 2025, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Bespreken van het Collegebesluit met als onderwerp “Vaststellen van het Programma Windenergie Amsterdam 2030 (PWA) en het PlanMER Programma Windenergie Amsterdam (VN2025-002769)12.413 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Doe dit voor alle zoekgebieden, rekening houdend met de zeer beperkte kansenlocaties voor compensatie.

6

Advies 7: geef meer inzicht in de realiseerbaarheid van de businesscase per zoekgebied Geef bij kleine windparken duidelijker aan welk potentieel opgesteld vermogen realistisch is, en ook wat de financiële haalbaarheid is van deze zoekgebieden. Want hoe kleiner het park en hoe groter de hoogtebeperking, hoe minder groot de kans is dat er een businesscase te maken valt. Er moet rekening worden gehouden met afstanden tussen turbines onderling en, waar aan de orde, ook met bestaande turbines. Advies 8: organiseer actief participatie bij het invullen van de zoekgebieden Bespreek de plannen voor het invullen van de zoekgebieden intensief met alle omwonenden. En besteed daarbij speciaal aandacht aan de moeilijk bereikbare groepen, waaronder multiculturele inwoners. Organiseer daarvoor extra bijeenkomsten waarbij zo veel mogelijk betrokken bewoners in hun diversiteit aanwezig kunnen zijn.

Aandachtspunten voor de zoekgebieden vanuit de perspectieven Naast de bovenstaande algemene adviezen geeft de SARA in onderstaande paragraaf de belangrijkste adviezen weer die betrekking hebben op de zoekgebieden. In de bijlagen Advies op detailniveau voor respectievelijk de plan-MER en het PWA wordt hierover gedetailleerder geadviseerd door de SARA. De SARA als geheel adviseert daarbij – zoals eerder vermeld – niet om specifieke zoekgebieden af te laten vallen of extra aan te wijzen. Daarvoor is de inspraakprocedure geschikter. Een deel van de leden van de SARA maakt hier mogelijk op persoonlijke titel gebruik van om voor of tegen het afvallen of aanwijzen van zoekgebieden te pleiten. Het initiërend perspectief Het initiërend perspectief vindt het belangrijk dat Amsterdam zoveel mogelijk duurzame elektriciteit opwekt, waar mogelijk in coöperatief verband. Juist ook met het oog op de toekomst moet dit in de ogen van dit perspectief de insteek zijn. Houd daarom de afgevallen zoekgebieden voor na 2030 in portefeuille. Breng in de aangewezen zoekgebieden een rangschikking aan. En bedenk dat geluid met de nieuwe turbines steeds minder zal worden, dat de gemeente al werkt met de nieuwe strengere regels voor slagschaduw en dat ecologische effecten te mitigeren zijn.

Geef duidelijk aan dat turbines stiller worden en dat er mogelijkheden zijn om, bijvoorbeeld, ecologische impact te voorkomen. Deze nieuwe turbines zijn op dit moment nog niet meegenomen in deze analyse, maar voordat het nieuwe park er staat, of de nieuwe parken er staan, zijn we 5-10 jaar verder en is de technologie ook een stuk verder. Implicaties op gebied van geluid, slagschaduw en ecologische impact moeten in de realisatiefase ook met deze ogen worden bekeken. Het initiërend perspectief adviseert de ontwikkelingen in de technologie van windturbines en maatregelen eromheen zoveel mogelijk te betrekken in het PWA. Er zijn in het PWA veel zoekgebieden voorlopig afgevallen. Het initiërend perspectief adviseert om te onderzoeken of voor de periode vanaf 2030 met mitigerende maatregelen en maatwerk meer mogelijk is. Zo kan bijvoorbeeld in een zoekgebied één windturbine als landmark, en middels een energiecoöperatie mede in eigendom van gebruikers en omwonenden voor de eigen energiewinning (en daarmee ontlasting van het stroomnet). Daarnaast kan een verplaatsing van huidige belemmerende objecten wellicht soelaas bieden voor nieuwe windturbinelocaties. Dergelijke opties lijken op diverse zoeklocaties in Amsterdam mogelijk, kijk daarbij zowel naar omwonenden, omringende bedrijven, sportlocaties als tuinparken. 7

Het strikt toepassen voorzorgsbeginsel-perspectief Advies vanuit het STV-perspectief (natuur): hanteer aanvullende plaatsingscriteria bij de beoordeling van de zoekgebieden In opdracht van de gemeente Amsterdam verscheen in april 2022 het advies van de Expertgroep Natuur en Windturbines, dat tevens verwijst naar het aanvullend randvoorwaarden-advies vanuit de Klankbordgroep Natuur. Het STV-perspectief ziet een aantal onderzochte aspecten terug in de planMER, maar adviseert de volgende aanvullende plaatsingscriteria bij de beoordeling van de zoekgebieden te hanteren. Zo wordt helderheid gecreëerd en worden de meest duurzame keuzes gemaakt. • • • • •

•

Geen plaatsing in noch met negatief effect op Natura 2000 en Natuur Netwerk Nederland gebieden of compensatiegebieden Niet in of dichtbij Scheggenstructuur of Bijzonder Provinciaal landschap Niet in gebieden die kwetsbaar zijn voor biodiversiteitsverlies, voornamelijk bij vogels en vleermuizen volgens deskundigen Geen schade aan UNESCO Werelderfgoed-gebieden Geen aantasting van gebieden die een belangrijke functie hebben als stiltegebied, en voor rust, ruimte en recreatie voor de Amsterdammers, waaronder volkstuinen, speelweiden en strandjes. Deze zijn belangrijk in een zich sterk verdichtende stad, juist ook voor de meest kwetsbare groepen in de buitenwijken Nader onderzoek doen naar ketenbeheer

Advies vanuit het STV-perspectief (gezondheid): breng correcties aan in de berekening van geluidshinder De SARA waardeert het meenemen van het absoluut aantal ernstig gehinderden in de effectbeoordeling, conform het advies van de Expertgroep gezondheid en de Landelijke Commissie m.e.r. Dit was in de NRD en in de MER van Noorder IJ-plas nog niet het geval. Het geeft een veel beter beeld dan alleen toename van aantal gehinderden, omdat die toename relatief klein is aangezien er al zoveel mensen gehinderd zijn. Het is ook een goede weergave van hoeveel mensen ernstige hinder gaan hebben van de windturbines ’s nachts, als er weinig verkeersgeluid is. Daarnaast adviseert het STV-perspectief (gezondheid) het volgende: •

•

•

Gevoelige objecten en overige objecten worden in de plan-MER geteld vanaf 42 dB Lden. Tel daarnaast ook objecten met een logiesfunctie en residentiële zorginstellingen vanaf 37 dB Lden vanwege het grote aantal personen dat daar overnacht. Hanteer redelijke eisen aan deze aantallen, waarbij het STV-perspectief als grens voor residentiële zorginstellingen maximaal nul adviseert gezien de kwetsbaarheid van de bewoners en slapers. Zie ook het detailadvies in de bijlage plan-MER (verwijzend naar 3.2.1.3 en pagina 32) Reken met huishoudensgrootte op wijkniveau. Er wordt nu gerekend met de gemiddelde huishoudensgrootte Amsterdam (1,89). Dit geeft een vertekend beeld: in de meeste wijken rond zoekgebieden ligt de huishoudensgrootte ver boven dit gemiddelde. Bijvoorbeeld in Driemond (2,4), Gein (2,0), Waterlandpleinbuurt (2,2) en Kadoelen (2,5). Tel objecten met een logiesfunctie en residentiële zorginstellingen correct mee bij het berekenen van aantal ernstig gehinderden. De eerste categorie wordt nu helemaal niet geteld en de tweede categorie als een woning (dus met 1,89 inwoners). Pas deze getallen per object aan naar een representatieve waarde en reken ze mee. Bijvoorbeeld: reken voor een hotel het gemiddeld aantal personen dat daar overnacht. Zie ook het detailadvies in de bijlage plan-MER (verwijzend naar 3.2.1.3 en pagina 32) 8

•

•

Bereken ernstig gehinderden tot 1500 meter in plaats van tot 38 dB Lden, want onder de 38 dB Lden is er nog steeds ernstige hinder (0,62 procent) en juist op die afstand neemt het aantal woningen zeer sterk toe, aangezien veelal buiten de rand van bebouwing wordt gekeken. 1500 meter is door de Raad van State bepaald als de invloedsgrens van windturbines. Zie ook het detailadvies in de bijlage plan-MER (verwijzend naar 3.3 en pagina 38) Tel het aantal gevoelige objecten en overige objecten vanaf 37 dB Lden en vanaf 40 dB Lden en neem dat mee in de beoordeling, zoals geadviseerd door de landelijke Commissie m.e.r. In de plan-MER provincie Utrecht (2023) is iets vergelijkbaars gedaan door gevoelige objecten en overige objecten te tellen binnen 500, 750 en 1000 meter. Dit onderstreept het belang van een degelijke analyse. Zie ook het detailadvies in de bijlage plan-MER (verwijzend naar 3.2.1.1 en 3.2.1.3 pagina 30)

Wat betreft de landelijke windturbinenormen in ontwikkeling stelt SARA vast dat er wat betreft geluid afwegingsruimte is voor een lagere waarde dan de standaardwaarde (45 dB Lden op een geluidgevoelig gebouw), op grond van cumulatie van geluid of aard van het gebied. Dit is een belangrijk aandachtspunt om voor te schrijven bij de project-MER. Tot slot adviseert het STV-perspectief het volgende. Werk in hoofdstuk 4 van het PWA uit waar een initiatief aan moet voldoen wat betreft handhavingsmogelijkheden – met het gewenste handelingsperspectief van de gemeente, de omgevingsdienst, en die van burgers uitgewerkt, zoals een service level agreement met betrokkenheid van omwonenden. Additioneel advies vanuit het STV-perspectief Zuidoost Het STV-perspectief uit het stadsdeel Zuidoost adviseert de gemeente het belang van recreatie voor de leefomgeving zwaarder mee te laten wegen bij het beoordelen van zoekgebieden waarin recreatie plaatsvindt. Recreatie maakt deel uit van de leefomgeving – zeker voor inwoners van AmsterdamZuidoost waarvan velen geen tuin hebben – en is voor veel inwoners van Amsterdam-Zuidoost een belangrijke factor die bijdraagt aan de gezondheid. Daardoor kan recreatie niet los van het thema ‘gezondheid’ en haar weging worden gezien.

Bekend is dat er een samenhang is tussen een groene leefomgeving en gezondheid, hetgeen overigens ook geldt voor andere kwetsbare wijken zoals Amsterdam Noord/Ringweg A10. Verder is het STV-perspectief Zuidoost van mening dat de invloed van de windturbines op het landschap zwaarder meegewogen dient te worden in gebieden in de buurt van UNESCO-werelderfgoed, NNN en groene scheggen. Nu nog zijn er wettelijk geen garanties dat na gebruik van windturbines verwijdering en recycling plaatsvindt. Daarom adviseert STV Zuidoost dat de gemeente met de initiatiefnemer bindende afspraken maakt over afbraak en duurzame verwerking na de exploitatieperiode, waarbij deze verplichtingen overgaan bij verkoop van het project. Het neutraal perspectief Het neutraal perspectief ondersteunt delen van het STV-advies m.b.t. de zoekgebieden, te weten: het beter rekening houden met het aantal gevoelige objecten en overige objecten vanaf 37 dB Lden en vanaf 40 dB Lden, en het beter rekening houden met de ecologische verbinding tussen het IJmeer en Amstelland en het UNESCO Werelderfgoed De Stelling van Amsterdam en de externe werking daarvan.

9

SARA-advies voor Hoofdstuk 4 – Waaraan moet een project voldoen? De SARA waardeert het dat Hoofdstuk 4 is opgenomen in het PWA, zodat initiatiefnemers en bewoners meer duidelijkheid kan worden verschaft. In het definitieve PWA zou die duidelijkheid in de ogen van de SARA verder vergroot moeten worden. In dit deel van het advies doet de gehele SARA hiervoor enkele concrete voorstellen. De SARA dringt er bij de gemeente op aan om de provincie te vragen de (project-)voorwaarden van dit hoofdstuk te blijven hanteren als de provincie voor projecten op Amsterdams grondgebied de rol van bevoegd gezag heeft. Dit zou kunnen door middel van een bestuursovereenkomst. Advies H4a: hanteer de norm voor gevoelige locaties en gebouwen voor tuinparken In de participatieronde is het belang van tuinparken voor recreatie (speelweiden, strandjes enzovoort) uitgebreid naar voren gebracht: gebruikers verkeren er veelal langdurig. Delen van de bevolking zijn voor hun (verblijfs-)recreatie in sterke mate op tuinparken zijn aangewezen. Ook is onderbouwd dat het park zelf van belang is voor de biodiversiteit. De Omgevingswet biedt de ruimte, mits gemotiveerd, om in het kader van de algemene norm “een evenwichtige toedeling van functies aan locaties” voor locaties en gebouwen zoals een (volks-)tuinpark en de huisjes daarbinnen, de norm voor geluidsgevoelige locaties en gebouwen te hanteren.

De motivatie zou gevonden kunnen worden in het gegeven dat de volkstuinen op het gebied van externe veiligheid ook al in dezelfde klasse worden gezet als gebouwen met een woonfunctie, die wel als geluidsgevoelig bestempeld worden. SARA pleit ervoor om bij de beoordeling van projecten deze ruimte te benutten. Advies H4b: verplicht de initiatiefnemer de positionering te optimaliseren en gebruik moderne windturbines Waardering heeft SARA (p. 39) voor het feit dat de initiatiefnemer moet laten zien dat de positionering en opstelling van turbines optimaal is wat betreft de beperking van geluidshinder en slagschaduw, en daarbij mogelijke mitigerende maatregelen moet aangeven. Hierbij dient Amsterdam te waarborgen dat de stilste, modernste windturbines geplaatst worden. Advies H4c: neem de inbreng van de werkgroep Handhaving en Monitoring mee m.b.t. laagfrequent geluid Daarnaast is uit de landelijke plan-MER gebleken dat voor laagfrequent geluid een aanvullende norm van 43 dB Lden en luider een aanvullende waarde heeft. In het advies van de werkgroep Handhaving en monitoring is wat betreft tonaal laagfrequent geluid concrete voorstellen gedaan. In het concept PWA is dit onderwerp nu nog opengelaten. SARA dringt erop aan het advies van de werkgroep Handhaving en monitoring bij het invullen van deze passages te betrekken. Advies H4d: schep verdere duidelijkheid m.b.t.

meldingen, klachten en handhaving De SARA waardeert dat de gemeente in overleg is met provincie/Omgevingsdienst over op welke wijze de informatie over meldingen, klachten en het doen van een handhavingsverzoek klantvriendelijker kan worden gemaakt, naar voorbeeld van de DCMR, alsmede de openbaarheid van de meldingen/klachten en de wijze van afhandeling daarvan. In het advies van de werkgroep Handhaving en monitoring, en in het kader van de bijeenkomst van de werkgroep met gemeente en de Omgevingsdienst zijn daarvoor concrete voorstellen gedaan. Het zou goed zijn als e.e.a. in het PWA wordt uitgewerkt. Alsmede de manier waarop de gemeente garandeert dat de Omgevingsdienst, in geval van provinciale zeggenschap, de handhaving aanpakt. 10

Niet duidelijk is of er volgens het concept ook melding kan worden gedaan direct bij de exploitant van een turbine. SARA pleit ervoor deze optie in het PWA uit te werken, c.q. concreet aan te geven wat hierbij de mogelijkheden en beperkingen zijn voor de gemeente. Bijv. d.m.v. een service level agreement met de exploitant. Niet is ingegaan op het pleidooi van de werkgroep voor een “momentane” norm, om onmiddellijke handhaving mogelijk te maken, i.p.v. achteraf op basis van het jaargemiddelde. Wat is de reden dat Amsterdam niet het voorbeeld volgt van (o.a.) het bestemmingsplan Rijnenburg? Of ziet de gemeente andere mogelijkheden om dit belangrijke handhavingsprobleem op te lossen? Graag een passage hierover in het PWA. Het is de SARA niet duidelijk of het probleem m.b.t. de handhaving van slagschaduw (continu aan- en uitgaan op dagen met wisselende bewolking) door de nieuwe normstelling voor slagschaduw wordt opgelost. Terecht wordt er vanwege het thema Natuur en biodiversiteit van initiatiefnemers in alle gevallen een quickscan gevraagd naar de impact vanwege relevante beschermingsregimes (incl. bovenwettelijke gemeentelijke, zoals in het definitieve PWA opgenomen), en in de ontwerpfase een uitgebreid onderzoek naar mitigatiemogelijkheden en voorstellen om de biodiversiteit ter plaatse te versterken.

Volledige mitigatie zal eventuele aantasting van kernkwaliteiten en beschermde soorten en habitats geheel en al moeten voorkomen, nu vergunnen door middel van compensatie in de regio de facto vrijwel niet mogelijk is (zie advies expertgroep Natuur). Neem tevens op dat – tijdens de beoordeling van de project-MER – de effecten op vogel- en vleermuispopulaties in samenhang met andere gebieden beoordeeld worden, zoals inzake de vliegroutes rond locaties in Zuidoost (incl. Diemerscheg en stadgebiedsgebied Weesp-Driemond) en de haven. Advies H4e: betrek bij het vroege overleg tussen initiatiefnemer en gemeente ook bewoners, buurgemeenten en lokale landschapsorganisaties Bij het onderwerp Landschap is er eveneens terecht, gezien de hoge landschappelijke waarden in zoekgebieden, sprake van de verplichting voor initiatiefnemers om in een vroege fase met de gemeente te overleggen over optimale inpassing, en een landschapsplan te overleggen. De SARA pleit ervoor dat bij dit vroege overleg ook bewoners, buurgemeenten en lokale landschapsorganisaties betrokken worden. Dit laat onverlet dat ook een optimaal ingepast plan mogelijk niet aan de kernkwaliteiten voldoet, en uiteindelijk niet vergunbaar is. Met betrekking tot procesparticipatie waardeert de SARA dat in de verkenningsfase de initiatiefnemer, in overleg met de omgeving en de gemeente, een participatieplan dient op te opstellen.

Met daarin onder meer afspraken met de omgeving. De nakoming hiervan zou echter – anders dan nu in het concept is opgenomen – niet alleen aan de gemeente, maar ook aan de omgeving moeten worden verantwoord, via een omgevingsberaad. De SARA pleit er daarnaast voor om aan te geven op welke manier er wat betreft proces- en sociale participatie lessen zijn getrokken uit de bij de Noorder IJ-plas opgedane ervaringen.

11

Advies H4f: doe het maximaal mogelijke om lokaal eigendom te realiseren Wat betreft Lokaal eigendom beperkt het concept zich tot een inspanningsverplichting voor de initiatiefnemer m.b.t. financiële participatie. Dit is enerzijds begrijpelijk vanwege de jurisprudentie terzake, anderzijds in het licht van advies van de werkgroep Lokaal eigendom teleurstellend. Er is meer mogelijk. Zo wordt niet het minimum van een omwonendenregeling en/of een omgevingsfonds voorgeschreven, terwijl dat wettelijk wel mogelijk is. Ook wordt er geen voorkeur uitgesproken voor het model van de energiegemeenschap, waarvan in het advies van de werkgroep Lokaal Eigendom is onderbouwd dat dit de beste garanties biedt voor werkelijke lokale participatie. Advies H4g: sluit een anterieure overeenkomst met de initiatiefnemer De SARA pleit ervoor om via een anterieure overeenkomst met de initiatiefnemer in ieder geval het volgende te regelen: 1. De definitie van omwonenden en omgeving voor dit project en de manier waarop deze kunnen participeren: in het advies van de Werkgroep Lokaal eigendom is een en ander uitgewerkt. Een en ander zou door een verwijzing in het PWA kunnen worden opgenomen. 2. Een beschrijving van de omwonendenregeling en het omgevingsfonds 3. Een basisbedrag en een extra bedrag als de opbrengsten meevallen.

Mensen die geen lid zijn van de energiegemeenschap kunnen zo wel profiteren van de winst 4. Zorg voor speciale aandacht voor mensen met energiearmoede 5. Zorg ervoor dat juiste taal en middelen gebruikt worden om alle omwonenden te bereiken. 6. Zorg dat financiële participatie in het besluitvormingsproces en investering in de windturbine(s) geregeld is 7. Zorg dat sociale participatie in het besluitvormingsproces en investering in de windturbine(s) geregeld is 8. Zorg dat het eerste recht voor omwonenden in financiële en sociale participatie geregeld is 9. Maak duidelijk hoe de doelgroep zo vroeg mogelijk mede-betrokkene kan zijn bij het besluitvormingsproces. Geef aan over welke onderdelen de participatie gaat en welke onderdelen niet, en welke mate van inspraak er in verschillende onderdelen is 10. Organiseer dat deze zaken gehandhaafd worden tijdens de operationele fase 11. De initiatiefnemer volgt de afspraken uit het Klimaatakkoord en maakt een participatieplan samen met de omwonenden en legt afspraken vast in een Omgevingsovereenkomst. (Klimaatakkoord bladzijde 163) 12.

Participatie volgt de richtlijnen van de ‘Gedragscode Acceptatie & Participatie Windenergie op Land’ zoals vastgelegd door de NWEA samen met partners Advies H4h: maak maximaal gebruik van gemeentelijk grondeigendom om het 100% lokaal eigendom streefcijfer te behalen In het geval van gemeentelijk grondeigendom met de daarbij behorende grotere (privaatrechtelijke) beïnvloedingsmogelijkheden van de gemeente, wordt nu niet het werken met een maatschappelijke tender en een voorkeurspositie voor coöperaties en/of energiegemeenschappen vastgelegd. Terwijl dit bij uitstek de manier is om het eigen streefdoel van de gemeente (100%) te realiseren. De SARA dringt erop aan dit alsnog in het PWA op te nemen. En meer duidelijkheid te geven aan welke voorwaarden initiatiefnemers bij toepassing van een maatschappelijke tender moeten voldoen.

12

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15237609/1