bijlage 1c genummerde (foto-)bijlagen bij de inspraakreacties.pdf
Tekst van het document
Bijlage 4: Aanzet tot koepel van Mycelium
Beste mensen, Als kunstenaar en natuurbewonderaar ben ik al enige tijd actief met het idee van een schimmelroute. Een idee ontstaan tijdens een stadslabsessie met steun van het stimuleringsfonds voor de creatieve industrie. In 2019 heb ik samen met gebiedsmakelaar Stephen Bos een verkenning uitgevoerd om de handen op elkaar te krijgen voor dit idee. We hebben mensen van allerlei pluimage betrokken en kregen direct positieve respons van bewoners, collega’s bij de gemeente, natuurorganisaties, designthinkers, een schimmelexpert en zelfs Midas Dekker was enthousiast (bijlage 1). Het idee is om met behulp van een combinatie van kunst en ondergewaardeerde natuur een verbinding te maken. Een expositie-lint van Schimmel-Cultuur tussen de Nieuwe Meer en de Sloterplas. Hogere Kunsten die in symbiose leven met levensbelangrijke organismen. Schimmels zijn er in vele verschijningsvormen. Kunstenaars krijgen zo uitgebreid de mogelijkheid om de thema’s kunst en natuur te verbinden en te verrassen (bijlage 2/3/4)! Het thema van dit project is Verbinding. Schimmels maken veelal ondergronds zeer grote netwerken en zorgen daarmee voor een ingenieuze verbinding. Maar ook de Natuur wordt met Cultuur verbonden. De Sloterplas met de Oeverlanden en de mensen met elkaar.
De paddestoelenroute Het is de keus om aan de paddestoelenroute een of meerdere thema’s te koppelen, op basis daarvan kan een variatie aan schimmels geselecteerd worden. Alle te gebruiken schimmels zijn soorten die van nature in Nederland voorkomen en dus ook geen risico voor de lokale ecosystemen vormen. Met bordjes en affiches kunnen passanten geïnformeerd worden over de soorten, maar kunnen bijvoorbeeld ook bij de verschillende consumptiepaddenstoelensoorten zoals het “Stropharia” eiland recepten opgehangen worden. Gebruik affiches om de lokale ecosystemen te beschrijven en de rol van de schimmel daarin, waarbij de passant bewust gemaakt wordt van datgene dat zich direct “onder zijn neus” afspeelt. De vruchten van de schimmel, de paddenstoelen, hebben het vermogen om te verwonderen en bewonderen, breng dat in de paddenstoelenroute als onderdeel van “het rondje Nieuwe Meer”. Een rondje voor jong en oud en bron voor (beeld)verhalen en wie weet het ontstaan van nieuwe mythen. Gegevens voor de begroting 100 uur voor een projectleider à €80 per uur
€ 8000
Schatting organische materialen
€ 5000
Faciliteiten (tenten / catering b.v.)
€ 1500
Kosten arbeid kunstenaars afhankelijk wijze van aanpak / keuze kunstenaars
?
Bijlagen
1: Mindmap bespreking op 18 november 2019, stadsdeelkantoor Plein ‘40-‘45 2: Mycelco, Paddestoelenroute, de verbinding in Rondje Nieuwe Meer 3: 170810 - Foto’s Schimmelpad, overzicht bestaande schimmels langs de route 4: 210704 - Aanzet tot koepel van Mycelium
Amsterdam, 4 juli 2021 Elsbeth Pluimers 06 48618393 www.elsbethpluimers.nl
www.mycelco.nl r.vandriel@mycelco.nl 0031 6 50555648 Emmen, 07-07-2017 Paddenstoelenroute, de verbinding in Rondje Nieuwe Meer Paddenstoelen zijn de vruchtlichamen van schimmels, die binnen de biologische koninkrijken een eigen koninkrijk vormen. Vanuit ecologisch perspectief hebben schimmels een onschatbare waarde, zij zijn de opruimers pur sang, producenten van medicijnen (bijvoorbeeld penicilline) en zonder schimmels geen brood, bier, yoghurt etc…. Een koninkrijk waarvan wij mensen naar schatting nog maar zo’n 10% ontdekt hebben. Het vermogen van schimmels om lastige materialen af te breken om aan voedsel te komen geeft ook mogelijkheden om vervuiling met schimmels aan te pakken. Olieproducten zoals, diesel, olie, verf en andere chemische verontreinigingen in water, bodem en andere materialen kunnen met schimmels aangepakt worden. Het grootste levende organisme ter wereld is een schimmel, deze enkele sombere honingzwam (Armillaria ostoyae) beslaat een oppervlakte van circa 965 hectares van een bergtop in de Amerikaanse Oregon Bleu Mountains en is ook één van de oudste levende organismen ter wereld. Zo’n 420 miljoen jaar gelden domineerden paddenstoelen het aangezicht van de aarde met hun hoogten van to ca 9 meter en zonder dat de bomen al photosynthese hadden “uitgevonden” en dus niet hoger dan ca 80 cm waren.
Hoewel de meeste schimmels zich buiten ons gezichtsveld begeven en ontwikkelen kennen we wel hun vruchtlichamen, de paddenstoelen. Deze fascinerende vruchten zijn al eeuwen een bron van inspiratie voor kinderen, poëten, kunstenaars, koks en wetenschappers. Zo is de “op een rode paddenstoel vol met witte stippen” het vruchtlichaam van de mycorrhiza vliegenzwam (amanita muscaria) en dus altijd bij specifieke waardplanten (berk, kastanje, beuk, eik en soms een dennenboom)te vinden. Binnen het koninkrijk van de schimmels vormen deze mycorrhizae een bijzondere soort, deze bodemschimmels leven al zo’n 420 miljoen jaar in symbiose met planten. Zij leveren de planten nutriënten, water en bescherming tegen pathogenen en krijgen daarvoor suikers terug. Ook gebruiken de planten de mycorrhizae als hun telefoonverbinding om bijvoorbeeld stresssignalen naar andere planten te sturen. Planten, waaronder bomen en struiken, kunnen zich beter ontwikkelen met mycorrhizae en dus ook groter en ouder worden en meer vruchten dragen. Binnen de horticultuur, waaronder het onderhouden van oude bomen, worden in de rhizosfeer (wortelsystemen) van bomen mycorrhizae gericht ingebracht. Paddenstoelen komen voor in allerlei denkbare vormen, van enkele millimeters tot 520 kubieke meter in omvang, van stervormen, knotsen tot de traditionele en bekende paddenstoelvormen.
Naast hun vormen en smaak kunnen paddenstoelen ook op en andere manier boeien, zo is de “uitbarsting” van een stuifzwam spectaculair, zoals hieronder te zien is.
1
Schimmels en hun paddenstoelen hebben ook allerlei mogelijkheden om te koppelen aan thema’s als, duurzaamheid, ecologie, gezondheid en zelfs sociale cohesie. Zelfs infrastructurele vraagstukken kunnen met de inzet van schimmels beantwoord worden, zoals wetenschappers aantoonden die een zogenaamde slijmschimmel het ontwerp van de metro van Tokio opnieuw liet maken. De schimmel toonde daarin een efficiënter ontwerp dan “zijn” menselijke collega ingenieurs. Paddenstoelen zijn zeer laag in calorieën , maar hoog in aminozuren, voedingsvezels, proteïnen en vitaminen. Zo bezitten diverse paddenstoelen relatief hoge concentraties vitamine B12 (cobalamine) dat niet door planten geproduceerd kan worden en dus is “de paddenstoel) en onmisbaar onderdeel van een vleesarm of vegetarisch dieet (zie ook het voorbeeld in de bijlage). Een paddenstoelenpad kan dus op diverse manieren een bijdrage leveren aan een omgeving. Het verhoogt de biodiversiteit en draagt bij aan (milieu)bewustzijn. De verlichting: Bepaalde paddenstoelensoorten zijn in staat een bepaald enzym aan te maken, luciferase, dit enzym zorgt voor een natuurlijk fenomeen, bioluminiscentie genaamd. Door dit enzym geven bij sommige soorten de paddenstoelen licht en bij andere juist het mycelium.
Het “lichteffect” is echter pas zichtbaar bij totale duisternis, maar geeft dan ook wonderbaarlijke effecten, die al tot allerlei mythen geleid hebben. Gen mythe waar waarheid e is dat in de 1 wereldoorlog soldaten stukjes vermolmd hout met mycelium van een honingzwam op hun helm bevestigden om zo elkaar niet kwijt te raken in de totale duisternis. Delen van de paddenstoelenroute die echt donker zijn of gericht verduisterd kunnen worden kunnen, kunnen op deze manier “verlicht “worden en kan de passant de mystiek van de lichtgevende paddenstoel ervaren.
De vorm: Paddenstoelen komen voor in een veelvoud van vormen, door een substraat te enten met het specifieke mycelium van bijvoorbeeld een inktviszwam zullen deze verbijsterende vruchtlichamen kleur en vorm aan de paddenstoelenroute kunnen geven.
2
De Voeding: Arm in calorieën, geen cholesterol, veel proteïnen, vitaminen en voedingsvezels, met stoffen die ons immuunsysteem versterken en helpen te herstellen. Genoeg om in China te zorgen voor studiestof waarmee zes jaar universiteit ingevuld kan worden. In Nederland liggen slechts enkele soorten in de schappen van de supermarkten, de champignonsoorten waaronder de portobella, de oesterzwam en soms de shiitake en de “bospaddenstoel”. De commerciële paddenstoelenkweek in Nederland beperkt zich tot de champignons, oesterzwammen en op kleine schaal de shiitake. Naast deze bekende consumptiepaddenstoelen kan de paddenstoelenroute “geplaveid” worden met allerlei andere eetbare soorten. Perken met houtsnippers, eilanden van compost en boomstammetjes die allemaal hun eigen eetbare paddenstoelen produceren, de schimmelvariant van het “eetbare bos”. De “sociale” paddenstoel: Schimmels zijn de opruimers in de natuur en creëren de basis van de voedselketen, waarmee zij in veel ecosystemen onmisbaar zijn en onderdeel zijn van een netwerk dat zich ook weerspiegeld in hun eigen organisme, het mycelium netwerk. Schimmels zijn onderdeel van heel veel symbiotische relaties met andere organismen en daarin zo succesvol dat andere organismen hun werkwijze overnemen zoals bijvoorbeeld rhizobiüm bacteriën de mycorrhizae nabootsen.
De schimmel laat hierin zien dat een symbiotische relatie altijd wederkerig is en dat je ook reserves moet inbouwen voor de tijden dat de relatie onder druk staat. Goed voor een ander zijn betekent ook dat je goed voor jezelf moet zijn, dat is geen egoïsme maar een voorwaarde om wederkerig te kunnen zijn. De paddenstoelenroute: Het is de keus om aan de paddenstoelenroute een of meerdere thema’s te koppelen, op basis daarvan kan een variatie aan schimmels geselecteerd worden. Alle te gebruiken schimmels zijn soorten die van nature in Nederland voorkomen en dus ook geen risico voor de lokale ecosystemen vormen. Met bordjes en affiches kunnen passanten geïnformeerd worden over de soorten, maar kunnen bijvoorbeeld ook bij de verschillende consumptiepaddenstoelensoorten zoals het “Stropharia” eiland recepten opgehangen worden. Gebruik affiches om de lokale ecosystemen te beschrijven en de rol van de schimmel daarin, waarbij de passant bewust gemaakt wordt van datgene dat zich direct “onder zijn neus” afspeelt. De vruchten van de schimmel, de paddenstoelen, hebben het vermogen om te verwonderen en bewonderen, breng dat in de paddenstoelenroute als onderdeel van “het rondje Nieuwe Meer”. Een rondje voor jong en oud en bron voor (beeld)verhalen en wie weet het ontstaan van nieuwe mythen.
3
De soorten, een suggestie, geen limitatieve opsomming: Omphalotus Illudens, lantaarnzwam: Een echte “houteter” waarvan de paddenstoelen “lichtgevend” zijn Geen consumptiepaddenstoel De paddenstoel van de lantaarnzwam, zie hierboven onder “verlichting” de “lichtende” variant
Armillaria mellea, honingzwam: Een echter houteter waarvan het mycelium “lichtgevend is Mits gekookt en gebakken zijn de paddenstoelen goed eetbaar
Macrolepiota procera, grote parasolzwam: Een schimmel van de voedingrijke bosgronden en graslanden. Een grote paddenstoel, waarvan de hoed als een schnitzel bereid kan worden (paneren en bakken).
Stropharia Rugosoannulata, de tuingigant: Deze schimmel kan zowel op houtsnippers als op compost groeien. Een paddenstoel met een roodbruine hoed, die behoorlijk groot kan worden De paddenstoelen zijn goed eetbaar
Clathrus archeri, Inktviszwam: Een schimmel van de bosgronden, compost. Van origine geen inheemse soort, maar vanuit Australie als immigrant naar Europa gekomen en hier inmiddels goed ingeburgerd: Geen eetbare paddenstoel.
4
Phallus Impudicus, Grote stinkzwam: Een schimmel die goed op vermolmd hout en compost groeit. Een paddenstoel met een hoog mythisch gehalte, de schimmel vormt een ronde bol, het zogenaamde duivelsei, waaruit in slechts enkele uren tijd de paddenstoel groeit, die 10 tot 20 cm hoog wordt. Het “duivelsei” wordt in de Aziatische keuken als een delicatesse gezien. L. een doorgesneden duivelsei de vorm van de hoed van de paddenstoel is herkenbaar R. een duivelsei en twee opgekomen paddenstoelen
Hericium erinaceum, de pruikzwam: Een zogenaamde steeltjeszwam, die op puur hout groeit. Een zeer smakelijke consumptiepaddenstoel die vooral in Azie ook als consumptiepaddenstoel gekweekt wordt.
Fomes fomentarius, tonderzwam: Een echte houtzwam. Zoals de naam al aangeeft werd de paddenstoel van deze zwam gebruikt om vuur mee te maken. Ook wordt van de paddenstoel al eeuwen lang een soort suède gemaakt voor de traditionele hoedjes en tasjes in diverse Oost-Europese culturen. Geen eetbare paddenstoel.
Agaricus…, de champignon: Een echte compostschimmel. De paddenstoelen van de gekweekte soorten zijn de meest bekende consumptiepaddenstoel in de westerse wereld.
5
Pleurotus ostreatus, de oesterzwam: Een echte houtzwam. Nummer 2 van de gekweekte consumptiepaddenstoelen in ons land.
Fistulina hepatica. De biefstukzwam: Een echte houteter. Een langzame groeier, die grote vlezige paddenstoelen vormt. De naam biefstukzwam is treffende, de paddenstoelen zitten vol met een rode vloeistof en gebakken lijkt deze paddenstoel ook echt op een mooi stuk biefstuk, de structuur en smaak lijken er zelfs op.
6
Voedingswaarde van de paddenstoel van de Stropharia Rugosoannulata (S.R.): − S.R. Paddenstoelen zijn: − zeer laag in calorieën, ca 90 kj / 100 gram − koolhydraten ca 25 gram/ 100 gram − ruwe eiwitten ca 29 %/ 100 gram − aminozuren ca 20 gram/ 100 gram − zeer laag in vet, ca 5%, waarvan ca 70% linolzuur − zonder cholesterol − voedingsvezels ca 12 gram/ 100 gram − hoog in proteïnen, ca 30% − hoog in vitamine B: thiamine (B1), riboflavine (B2), niacine (B3), pantotheenzuur (B5), biotine (B8), folate (B9) en cobalamine (B12) − hoog in vitamine D (nog te verhogen door inwerking van zonlicht op de paddenstoel) Opmerking: Vitamine cobalamine (B12) wordt niet door planten (groenten) geproduceerd, maar zit wel in vlees, vis, zuivelproducten, eieren en paddenstoelen. Hierdoor zijn paddenstoelen essentieel voor vegetarische en veganistische diëten. Overige inhoudstoffen (met name antioxidanten): − Selenium − Ergothioneine − Koper − Potassium − Beta glucanen De S.R. bevat 17 aminozuren, inclusief de 8 noodzakelijke aminozuren voor het menselijk lichaam, daarnaast diverse polysachariden. De inhoudstoffen van de S.R. werken preventief tegen hart en vaatziekten.
7
Doelsoorten flora Noordelijke Oeverlanden: een verkenning 1. INLEIDING Het uitkiezen van doelsoorten voor het toekomstig beheer in de Oeverlanden is wat mij betreft geen heel vanzelfsprekende zaak. Naast het uiteenlopende karakter van de drie voornaamste subgebieden, t.w. het Jaagpadbos, het Kerngebied (incluis de verbindingszone achter het Surfstrand, dus als geheel samenvallend met het graasgebied) en de Recreatiezone, zijn De Oeverlanden nu eenmaal een mozaïek van minibiotopen waarvan de verschillende graslandjes, bossen, zomen, waterkanten, verdeeld over voedselarm en -rijk, droog en nat, heel uiteenlopende soorten hebben te bieden. We hebben veel soorten uit wat ik maar even zal aanduiden met het 'brede middensegment'. Het soortenaantal is hoog maar nogal wat (nastrevenswaardige) soorten komen op slechts een of enkele plekken voor. Het bestaan hiervan hangt dan erg af van de ter plekke heersende combinatie van omstandigheden af, die dan elders in het gebied weinig te vinden zijn. Dus is het niet heel gemakkelijk doelsoorten te kiezen die voor de gehele Oeverlanden gelden. Als beheerders en liefhebbers van het gebied zijn we natuurlijk blij met elke nieuwe soort die ons gebied bereikt, maar ik denk dat in het beheer het accent hoort te liggen op het geven van een steviger basis voor soorten die al aanwezig zijn.
Dat soorten die op één plek aanwezig zijn ook op wat andere plekken voorkomen, en dat weer andere soorten zich goed door het gebied verspreiden waardoor ze ook beter van nut zijn om populaties van insecten vastere grond onder de voeten te geven. Ik wil nog opmerken dat ik me bij die bepaling niet heb laten leiden door wat als oorspronkelijk wild voor de Oeverlanden kan worden beschouwd. Aan deze stadsrand met de vele invloeden van buitenaf is dat een onbegonnen zaak. Zo zijn er nogal wat soorten door inzaai, meestal vanuit door de gemeente ingezaaide delen ter compensatie bij de aanleg van de recreatieboulevard, terecht gekomen. Of mogelijk door verwildering vanuit nabijgelegen tuincomplexen, of misschien introductie van soorten door (over)enthousiaste individuen in het verleden. Een aantal van die soorten groeit er al lang, hebben zich soms gehandhaafd na een periode van verruiging of zijn door maaibeheer weer teruggekomen en hebben zich uitgebreid. Ze maken nu eenmaal deel uit van de Oeverlanden en passen ook bij de specifieke, vaak kalkrijke omstandigheden. 2. TOEKOMSTIGE OMSTANDIGHEDEN De keuze van doelsoorten hangt tevens af van een aantal factoren die in de toekomst aan verandering onderhevig kunnen zijn, en die zeker ook afhangen van de uitkomst van de toekomstplannen. Ik noem er hier drie. Aanwezigheid begrazing.
Het antwoord op de vraag of de Schotse hooglanders in de toekomst gehandhaafd blijven, is ook van invloed op de keuze. Ik doe hier verder geen uitspraken over of dat wenselijk is, maar het is nodig er rekening mee te houden bij de keuze van de doelsoorten. Er is nog altijd een gedeelte waar sikkelklaver voorkomt, maar het gaat er niet zo goed mee - ik vermoed door rundervraat. Er verschijnt in het gebied in bosranden en bosjes nogal eens een ruig klokje (ik neem aan door verwildering uit allerlei tuinen), een mooie plant om in je gebied te hebben, maar verdwijnt waarschijnlijk ook door koeienvraat, hoewel soms diefstal ook een rol speelt. En zo zijn er wel meer planten te noemen, b.v. ook knoopkruid, margriet, moeraswalstro, heggenwikke, wondklaver, grote pimpernel en nog heel wat soorten. Meer in het algemeen is het in feite niet goed mogelijk bloemrijk hooiland binnen het koeiengebied te realiseren als men daarvoor zou kiezen. De aanwezigheid van runderen zal ook voordelen hebben, maar die discussie valt buiten het doel van deze verkenning. Beheer. Welke plaats gaat het maaibeheer innemen, hoe groot wordt de capaciteit, mogelijk wisselend in het jaar. Hoeveel verfijning wil of kan men nastreven? Hoe wordt het beheer georganiseerd en uitgevoerd? Deze vragen zijn met name van invloed op hoeveel ruimte er zal zijn voor goed graslandbeheer.
Op het ogenblik is er in ieder geval onvoldoende capaciteit om de daarvoor in aanmerking komende graslanden goed te maaien. Aan de andere kant: hoeveel van zulke graslanden wil men? Gezien het feit dat de veldjes gemakkelijk toegankelijk zijn, en dat veel ruigte goed is voor allerlei diergroepen is er iets voor te zeggen ook veel accent te leggen op zomen, struwelen, ruige graslanden e.d. En is er ook voldoende capaciteit om de kwaliteit van ruigten en zomen te verhogen? Ook deze dienen periodiek gemaaid te worden, zij het met een veel lagere frequentie dan graslanden. Beleid soortintroductie. Hier werd vroeger voor natuurgebieden kritisch tegenaan gekeken, maar tegenwoordig is men daar soepeler in, vooral als het gaat om het verspreiden van hooi uit naburige gebieden. En dan bestaat ook nog de mogelijkheid om in ieder geval binnen de Oeverlanden hooi te uit te spreiden om zo soorten een steviger basis in het gebied te geven. In hoeverre men wil overgaan tot het inzaaien van soorten, en onder welke voorwaarden, daar zou een diepgaande discussie over gevoerd moeten worden. Misschien moet men aan de rand van een stad en met alle invloeden die er in het verleden en heden geweest zijn, voor een coulante houding kiezen.
3. DOELSOORTEN Ervaringen Mijn oordelen zijn mede beïnvloed door het maaibeheer zoals ik dit zelf, beginnende zo'n 15 jaar geleden, maar sinds 10 jaar in toenemende mate op allerlei relatief kleine stukjes heb uitgevoerd die anders niet of te onregelmatig zouden zijn beheerd. Naast graslandjes zijn dat ook stukjes zoom, ruigte en oevers, meest gelegen rond deze graslandjes. Het betreft momenteel ongeveer 20 gebiedjes die verspreid door de Oeverlanden liggen. Ze kunnen tevens gelden als even zovele experimenten met maaibeheer, alles bij elkaar toch best een behoorlijke inspanning. Door de kleinschalige, flexibele aanpak, werkend met een bosmaaier, heb ik gemiddeld per oppervlak meer aandacht kunnen besteden aan afzonderlijke vegetatie-eenheden dan de beheerploeg als geheel, en heb ik de werkzaamheden goed gefaseerd en gedifferentieerd kunnen uitvoeren. Alhoewel de ontwikkeling naar goed ontwikkeld grasland best veel tijd in beslag neemt, heb ik ook de ervaring dat overal in de Oeverlanden waar door maaibeheer de voedselrijkdom wat omlaag gaat, er dan al gauw iets van toegevoegde ecologische waarde ontstaat. Het gaat daarbij niet persé om soorten waarvan floristen altijd heel opgewonden zullen raken, maar soorten als bosandoorn, gewone ereprijs, klein streepzaad en hopklaver dragen wel degelijk bij aan de bloeikwaliteit voor insecten.
Daarom wil ik hier nog benadrukken dat een scala aan algemene planten ook veel waarde hebben voor een rijke insectenpopulatie. Ik noem dit vooral met betrekking tot het Jaagpadbos, waaraan ik aan het slot nog een apart stukje wijd. Criteria Ondanks al deze kanttekeningen kom ik voorlopig tot een zestal soorten, te weten marjolein, slangenkruid, beemdooievaarsbek, gevleugeld helmkruid, heelblaadjes en boslathyrus. Deze primaire doelsoorten hebben met elkaar gemeen dat ze niet alleen op meerdere, zij het nog een beperkt aantal plekken voorkomen maar meestal in twee of alle drie de subgebieden, of anders in een flink deel van één subgebied in het geval van slangenkruid. Ik heb dus ook gelet op 'haalbaarheid', het zijn soorten die zich al hebben bewezen. In het algemeen ga ik er vanuit dat aanzienlijk meer capaciteit voor maaibeheer zeer gewenst is en er ook komt, maar of dat nou wat meer of minder blijkt te zijn, dat deze soorten altijd de moeite waard zijn te handhaven dan wel te bevorderen. Het zijn soorten die gunstig reageren op beheer zonder dat al te zware ingrepen nodig zijn, maar die het zonder beheer niet goed zouden redden, de een meer dan de ander. De soorten hebben alle een voorkeur voor kalkrijke omstandigheden, in sommige gevallen zijn ze zelfs indicatoren daarvoor, die in een groot deel van de Oeverlanden heersen.
Ze kunnen binnen de Amsterdamse context wel enigszins karakteristiek en onderscheidend voor de Oeverlanden genoemd worden. Ze zijn alle belangrijk voor insecten, met name voor wilde bijensoorten, die in de Oeverlanden goed vertegenwoordigd zijn, zo is uit onderzoek gebleken. Wat minder belangrijk maar niet te verwaarlozen, is dat ze over het algemeen een behoorlijke esthetische waarde hebben, waardoor het ook goede symbolen kunnen zijn. Opgemerkt kan nog worden dat het geen van alle echte graslandsoorten zijn op beemdooievaarsbek na, hoewel het er veel van weg heeft dat deze ook meer een soort van lichte ruigten dan van grasland is. Natuurlijk geldt voor meerdere in deze visie genoemde soorten dat ze natuurlijk niet altijd tot een soort van biotoop beperkt hoeven te blijven. Secundaire doelsoorten Meer specifiek voor grasland en biotopen als ruigte, bos, struweel en waterkanten wil ik toch nog wat andere, secundaire doelsoorten noemen die richtpunten in het beheer kunnen zijn, min of meer voor de Oeverlanden als geheel of grote delen daarvan. Afhankelijk van het verloop van de eerder, onder 2. genoemde omstandigheden zouden deze ook in aanmerking kunnen komen als primaire doelsoorten, of kunnen deze op enig moment in de discussie over het toekomstige beheer een rol spelen. Met eventueel nog meer soorten van betekenis.
Daaronder noem ik ook nog wat meest belangwekkende soorten die op specifieke veldjes behoud verdienen en aldaar een goed richtpunt zijn voor verder beheer. Hierbij ook nog enkele soorten die nog weinig aanwezig zijn maar wel degelijk nastrevenswaardig zijn en in zekere zin een kenmerk zijn van goed graslandbeheer. 4. PRIMAIRE DOELSOORTEN 1. Wilde marjolein; groeit vanaf de oost- tot de westpunt op een stuk of zes plekken. Op plekken waar beheerd wordt vertoont de soort langzame uitbreiding zoals te zien is bij de rijkste groeiplek bij en rond het Hondenbaaitje. Belangrijke insectenplant, m.n. vlinders en bijen. Eerder plant voor zomen en lichte ruigten; kan pas goed vanaf eerste helft oktober gemaaid worden 2. Beemdooievaarsbek; groeit door hele gebied heen, vooral in en rond de zgn. Recreatiezone, maar ook elders en sinds kort ook in het Jaagpadbos. Ten minste zeven grotere groeiplekken, maar vertoont neiging tot uitbreiding. Fraaie soort, goed voor veel bijensoorten. Heeft duidelijk baat bij beheer, dat niet overal heel intensief hoeft te
zijn, want de plant doet het in lichte ruigten goed. In een straal rond de rijkste groeiplek, bij het Hoekdijkje, zijn de meeste nieuwe exemplaren te vinden. 3. Gevleugeld helmkruid; groeit op een aantal plekken langs de meeroever, en verschijnt soms op andere zeer vochtige tot natte plekken in het gebied. Niet de fraaiste plant, maar ook weer niet zo algemeen, en karakteristiek voor de Oeverlanden. Gaat vooruit bij beheer van oevers zoals ik zelf althans heb kunnen constateren. Zeer goede wespenplant. 4. Heelblaadjes; groeit op ongeveer vier tot zes plekken verspreid door vrijwel het hele gebied, meestal aan oevers. De plant lijkt te verschijnen op plekken die regelmatig beheerd worden, maar verdwijnt als dit uitblijft. Uitstekend voor wilde bijen (een aantal soorten zijn afhankelijk van gele composieten), zweefvliegen en vlinders. 5. Boslathyrus; groeide aanvankelijk in het Kerngebied, maar is verdwenen door rundervraat, al dook er vorig jaar ineens weer een exemplaar op. Door zaadverspreiding is deze op zandige plekken rond het koeiengebied verschenen; een welkome aanvulling op voor bijen interessante bloei. Lijkt niet veel beheer nodig te hebben anders dan regulier zoombeheer. 6. Slangenkruid; groeit niet in het gehele gebied, maar wel op veel plekken langs het Anton Schleperspad in het Kerngebied; fraaie plant, goed voor insecten.
Heeft als tweejarige plant open bodem nodig, maar die blijken op dit gedeelte toch elke keer weer gevonden te worden. Rond dit pad vindt meer of minder regelmatig beheer plaats; de plant kreeg een extra stimulans door de droogte als zoveel kortlevende planten. Mogelijk speelt dynamiek door konijn en koe ook een rol. 5. SECUNDAIRE DOELSOORTEN 5.1 DOELSOORTEN GRASLANDEN Deze zijn ook uit de literatuur op graslandgebied te halen, maar vanuit mijn eigen waarneming en maaiervaring wil ik toch een aantal soorten noemen: - rietorchis op min of meer vochtige graslandjes verschijnt deze vroeger of later bij consequent maaibeheer, is op een redelijk aantal plekken in de Oeverlanden te zien, vroeger meer dan nu, maar bij verwaarlozing gaan ze meestal langzaam ten onder.
- grote ratelaar eveneens veel te vinden op plekken met consequent maaibeheer Dan zijn er nog twee soorten wier voorkomen binnen de Oeverlanden als efemeer kan worden aangeduid, maar waarvan wel gezegd kan worden dat die in goed beheerde, bloemrijke graslanden aanwezig horen te zijn, namelijk: - echte koekoeksbloem goed vochtige tot natte omstandigheden; vraatgevoeligheid onbekend - knoopkruid vochtige tot droge omstandigheden; gevoelig voor wraat In wat mindere mate zou dat ook kunnen gelden voor: - kale jonker is (vrijwel) verdwenen door te weinig beheer; het moet haalbaar zijn deze in natte vegetaties weer terug te halen - gewone ereprijs kent nog slechts twee belangrijke concentraties; lijkt een lichte neiging te hebben tot uitbreiding; algemene, gemakkelijk haalbare soort, die een eenvoudige richtplant is voor goed maaibeheer, vooral in bermen, bijvoorbeeld langs het Anton Schleperspad - veldlathyrus verschijnt soms op beheerde plekken, maar verdwijnt als het beheer stopt; kan goede doelsoort zijn 5.2 AANDACHTSSOORTEN ZOMEN EN LICHTE RUIGTEN - bont kroonkruid groeit in tamelijk grote bestanden op enkele plekken in de oeverzone van de recreatiezone - heggendoornzaad zoomplant in Kerngebied, komt op ongeveer tien plekken in kleine groepjes voor, is rond Amsterdam nauwelijks te zien; zou een goede indicator voor zoombeheer alhier kunnen zijn - zwarte toorts ook grazig;
verschijnt wel eens op beheerde plekken; breidt zich langzaam uit - grote kaardenbol; aandachtsplant; bodem op geschikte plekken open houden - grote wederik: behoorlijk voorkomen rond A.Schlepersplas in ruime zin; de slobkousbij is aanwezig 5.3 AANDACHTSSOORTEN BOS en STRUWEEL - maarts viooltje neemt toe, geen specifiek beheer; mogelijk in de omgeving van groeiplekken enig maaibeheer; misschien in de toekomst een basis voor vestiging parelmoervlindersoort - bosandoorn algemene soort, in de Oeverlanden matig aanwezig, maar verschijnt dikwijls bij beheer van nog
soortenarme, ruige zomen; belangrijke hommelplant, en ook van groot belang voor de aanwezige zeldzame andoornbij (net als moerasandoorn en slangenkruid in combinatie met flinke hoeveelheden dood hout) - groot springzaad - gevlekte aronskelk doet het met name in het Jaagpadbos goed - mansbloed leuke, karakteristieke soort in het Oostelijk Moerasbos, die zich handhaaft tussen allerlei ruig spul; blijkt helaas de kruising hypericum x indorum te zijn 5.4 DOELSOORTEN OEVER - poelruit heeft in het gebied eigenlijk maar twee groeiplekken; zou een doelsoort kunnen zijn voor een betere kwaliteit van oevervegetaties 5.5 AANDACHTSSOORTEN OP SPECIFIEKE PLEKKEN En dan zijn er nog allerlei soorten te noemen die zich op één of enkele veldjes goed handhaven of uitbreiden, maar waarvan niet verwacht kan worden dat deze zich gemakkelijk over een groter deel van de Oeverlanden zullen verspreiden. Ze zijn zeker wel de moeite waard om ze door maaibeheer in stand te houden c.q. te bevorderen: bijenorchis - (Lage Bellenblaasveldje) blauwe knoop - (Lage Bellenblaasveldje e.o.) bevertjes - (Lage Bellenblaasveldje, Hondenbaaitje e.o.) grote keverorchis - (Ogentroostveldje) hemelsleutel - (Ogentroostveldje) veenreukgras (in gevaar) - Jaagpad gulden sleutelbloem - (Hondenbaaitje) knolsteenbreek - (Hondenbaaitje) margriet - (Lage Bellenblaasveldje)
kruipend stalkruid - (Hoekdijkveldje e.o.) sikkelklaver (niet vitaal) - (Ratelaarveldje) Duits viltkruid - (midden Anton Schleperspad) tweerijige zegge - (Jaagpad) muurpeper - (Hoekdijkveldje, Ogentroostveldje) koningskaars - (Hoekdijkveldje) stijve ogentroost (recent verdwenen) - (Ogentroostveldjebosingang
In dit verband zouden na te streven planten nog kunnen zijn: - dotterbloem historisch voor het gebied, groeit, deels door herintroductie, op aantal plekken maar lijkt zich niet uit te breiden; hiervoor lijkt toch meer nodig op het gebied van inrichting en beheer van grazige vegetaties - beemdkroon duikt af en toe op in het Hondenbaaitje, mocht men voor meer soortintroductie kiezen, dan zou deze het op sommige veldjes kunnen doen als kroon op goed maaibeheer.; gevoelig voor runder- en mogelijk konijnenvraat 5.6 JAAGPADBOS Het Jaagpadbos kent misschien niet zo veel bijzondere soorten, maar wel is er in het voorjaar uitbundige bloei van gewone soorten, als dagkoekoeksbloem, stinkende gouwe, look-zonder-look, smeerwortel, fluitenkruid, boterbloemen en hondsdraf. Hoewel er veel ruigte is met brandnetel, braam en groot glaskruid, groeien er best veel soorten. Nogal wat hebben een stinzenkarakter, wat dat betreft dient dit bos soms als een laboratorium voor het verwilderen van tuinplanten uit de nabij gelegen volkstuinen. In ieder geval doet de gevlekte aronskelk het goed, en groeien er hier en daar boshyacinten. Op sommige plekken veel overblijvende ossentong, groot glidkruid, daslook, er is zelfs één stinkende lis. Een populatie slipbladige kaardenbol. Verwilderende hazelaars, walnoten en bosrank.
Hoewel het Jaagpadbos een beeld geeft van veel ruigte, kun je afvragen of het aantal soorten werkelijk zo slecht is voor een Nederlands bos (afgezien dan van Limburg of Twente). Bij goed beheer zou op lange termijn een flinke populatie boshyacinten en andere stinzenplanten zich kunnen ontwikkelen. Hans Bootsma hansbotix@hotmail.com
Amsterdam, oktober 2020.