Bijlage 15 De artikelsgewijze toelichting bij de regeling zonder renvooi.pdf
Tekst van het document
Artikelsgewijze Toelichting Artikel 1.1 Begripsbepalingen Artikel 1.1 heeft betrekking op begrippen die in het omgevingsplan worden gehanteerd. Dit artikel komt in de plaats van artikel 1.1 zoals dat bij wijze van Bruidsschat bij inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel was geworden van dit omgevingsplan. Eerste lid: In het eerste lid wordt bepaald dat de in bijlage I opgenomen begripsbepalingen op het omgevingsplan van toepassing zijn. Die bijlage bevat definities van begrippen die in het omgevingsplan worden gebruikt. Voor de toegankelijkheid en leesbaarheid van het omgevingsplan zijn die begripsbepalingen gebundeld opgenomen in een bijlage. Definities van begrippen die op een enkele plaats in het omgevingsplan worden gebruikt worden overigens niet altijd in de bijlage opgenomen, maar zijn in een aantal gevallen in het betreffende artikel of onderdeel. Dat gebeurt in elk geval wanneer een begrip in verschillende regelonderdelen van dit omgevingsplan een uiteenlopende betekenis kan hebben. Niet elk begrip behoeft een begripsomschrijving. In veel gevallen zal duidelijk zijn wat onder een bepaald begrip wordt begrepen. Daarbij wordt in beginsel gekeken naar wat in het normale taalgebruik onder een begrip wordt verstaan. Wanneer dat niet tot een eenduidige uitleg leidt, kan een begripsomschrijving worden opgenomen.
Wanneer een begrip gelet op het normale taalgebruik geen uitleg behoeft, wordt van opname van een omschrijving afgezien. Wanneer een begripsomschrijving een toelichting behoeft, is deze opgenomen in paragraaf 11.25 van de algemene toelichting. Tweede lid: Een groot aantal in het omgevingsplan gehanteerde begrippen kent een begripsbepaling in het Omgevingsbesluit, het Besluit kwaliteit leefomgeving, het Besluit bouwwerken leefomgeving, het Besluit activiteiten leefomgeving of de Omgevingsregeling. Het tweede lid bepaalt dat die eveneens van toepassing verklaard op dit omgevingsplan. Daarbij is gekozen voor een zogenaamde dynamische verwijzing. Deze begripsbepalingen zijn dus niet in bijlage I overgenomen. Dit komt de eenduidige uitleg van het omgevingsrecht ten goede. In het tweede lid is wel de mogelijkheid opengelaten voor het in bijlage I opnemen van een afwijkende definitie van een begrip. Er is geen reden om ook de begripsbepalingen, opgenomen in de Omgevingswet, van toepassing te verklaren. De begripsbepalingen die zijn opgenomen in de Omgevingswet zijn op grond van de wet zelf ook van toepassing op bepalingen die op de Omgevingswet berusten (artikel 1.1, eerste lid, Omgevingswet). Derde lid: Het derde lid bevat een bepaling van overgangsrechtelijke aard.
Bepaald wordt dat ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' de begripsbepalingen zoals die zijn opgenomen in het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan van toepassing zijn op de ruimtelijke regels in dat ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan. In bijlage I is opgenomen dat onder het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan wordt verstaan de ruimtelijke besluiten, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, die bij wijze van overgangsrecht als tijdelijk deel onderdeel zijn van dit omgevingsplan, totdat deze bij wijzigingsbesluit voor een locatie zijn komen te vervallen. Het gaat om bestemmingsplannen, wijzigingsplannen, uitwerkingsplannen, exploitatieplannen en dergelijke. Die ruimtelijke plannen bevatten zelf ook begripsbepalingen voor de toepassing van de regels in de desbetreffende besluiten. Zolang de desbetreffende ruimtelijke plannen nog van toepassing zijn, is van belang dat de begripsbepalingen, zoals opgenomen in die besluiten zelf, van toepassing blijven. Omdat die begripsbepalingen niet in bijlage I staan, is een bepaling nodig die daarvoor zorgt. Het derde lid regelt dit. Daarbij is wel aangegeven dat dit in aanvulling is op het eerste en tweede lid. Dat betekent twee dingen.
Allereerst houdt dit in dat als in een onderdeel van dit omgevingsplan, anders dan ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan, hetzelfde begrip wordt gebruikt, dat daarop de begripsbepalingen bedoeld in het eerste en tweede lid van toepassing zijn. Ten tweede betekent dit dat als in een ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan een begrip wordt gebruikt dat in dat tijdelijk deel niet is gedefinieerd, maar wel in bijlage I of de in het tweede lid bedoelde bijlagen wordt gedefinieerd, dat dan die definitie op dat begrip van toepassing is.
1
Het werkingsgebied van dit artikel is beperkt tot die gebieden ter plaatse van de aanduiding ‘ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen’. Daarmee wordt ook in de viewer inzichtelijk waar dit artikel van toepassing is, en waar niet. Met het door de tijd heen vervangen en laten vervallen van ruimtelijke plannen, zal dat werkingsgebied, dat eerst heel Amsterdam is, geleidelijk aan steeds kleiner worden. Vierde lid: Het omgevingsplan van rechtswege, zoals dat ontstond op het moment dat de Omgevingswet in werking trad, bevatte een bijlage met begripsbepalingen die van toepassing waren op hoofdstuk 22, zoals dat in het omgevingsplan van rechtswege was opgenomen. Hoewel een groot deel van dat hoofdstuk met het eerste wijzigingsbesluit van het omgevingsplan is vervangen, geldt dat niet voor alle regels. Op die regels moeten de begripsbepalingen, zoals die waren opgenomen in het omgevingsplan van rechtswege, van toepassing blijven. Het vierde lid voorziet daarin. De begrippen worden voor zover nodig hieronder toegelicht. Activiteitenbesluit-bedrijventerrein Het begrip Activiteitenbesluit-bedrijventerrein is opgenomen omdat in artikel 22.63, tweede lid, voor gevoelige objecten die op een Activiteitenbesluit-bedrijventerrein zijn gelegen, hogere geluidswaarden zijn vastgesteld.
In de definitie van het begrip Activiteitenbesluit-bedrijventerrein wordt aangesloten bij geldende omgevingsplannen. Het komt vaak voor dat een omgevingsplan dat (in het tijdelijke deel) een bedrijventerrein aanduidt, meer bestemmingen omvat dan alleen bedrijfsbestemmingen. Zo kan een natuurgebied of landelijk gebied deel uitmaken van een gebied dat in een omgevingsplan is begrensd door een grens die een bedrijventerrein aanduidt. Het is niet de bedoeling dat de hogere waarden ook in die gebieden gelden. Anderzijds kan het voorkomen dat er één of enkele percelen zijn met een andere bestemming dan een bedrijfsbestemming, die omsloten zijn door percelen met bedrijfsbestemmingen. Voor die percelen, bijvoorbeeld een burgerwoning op het bedrijventerrein, zijn de hogere waarden wel van toepassing. Om die reden wordt het begrip beperkt tot een cluster percelen met overwegend bedrijfsbestemmingen. Opgemerkt wordt dat in het nieuwe stelsel de term ‘bedrijventerrein’ zonder definitie wordt gehanteerd. Deze regel moet worden overgezet van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan naar het nieuwe deel van dit omgevingsplan. In het nieuwe deel wordt concreet aangeduid voor welke locaties de hogere waarde geldt. Er kan dan geen gebruik meer gemaakt worden van het begrip Activiteitenbesluit-bedrijventerrein.
concentratiegebied geurhinder en veehouderij Het begrip ‘concentratiegebied geurhinder en veehouderij’ voor in de paragraaf over geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden, in dierenverblijven. Als een gemeente in een geurverordening een concentratiegebied heeft aangewezen, dan wordt deze verordening na inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van artikel 4.6, eerste lid, onder e van de Invoeringswet Omgevingswet van rechtswege onderdeel van het tijdelijk deel van dit omgevingsplan. Na de inwerkingtreding van de Omgevingswet hebben gemeenten op grond van artikel 5.108 van het Bkl de bevoegdheid om in het omgevingsplan één of meerdere concentratiegebieden aan te wijzen. Bestaande concentratiegebieden geurhinder en veehouderij moeten in de transitieperiode overgezet worden van het tijdelijke deel van het omgevingsplan naar het nieuwe deel van het omgevingsplan. distributienet voor warmte Dit begrip is gedefinieerd als ‘collectief circulatiesysteem voor het transport van warmte door een circulerend medium voor verwarming of warmtapwater’. Onder dit distributienet valt dus zowel een stadsverwarmingssysteem als een ‘klein’ wijkof buurtverwarmingssysteem. Voor de definitie is voor zover mogelijk aansluiting gezocht bij de begripsomschrijving zoals deze is opgenomen in NVN 7125 van april 2011.
geurgevoelig object Om geen te groot gat te laten vallen op moment van inwerkingtreding van de Omgevingswet, wordt er voor geur in de omgevingsplanregels van rijkswege uitgegaan van de begrippen uit de ingetrokken regelgeving. Onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en de voormalige Wet geurhinder en veehouderij was de groep objecten die beschermd werden tegen geurhinder, anders dan de groep geurgevoelige gebouwen die beschermd worden op grond van en gedefinieerd zijn in het Bkl. Aan de ene kant is het begrip geurgevoelig object breder dan het begrip geurgevoelig gebouw: onder het begrip geurgevoelig object vallen alle locaties waarbij hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen. Onder
2
geurgevoelig gebouw op grond van artikel 5.91 van het Bkl vallen kort gezegd alleen gebouwen met een woon-, onderwijs-, of gezondheidzorgof kinderopvangfunctie. Onder het begrip geurgevoelig object, valt dus ook het begrip geurgevoelig gebouw. Overigens biedt het vierde lid van artikel 5.91 van het Bkl wel de mogelijkheid om in dit omgevingsplan ook andere geurgevoelige gebouwen of gedeelten van gebouwen aan te wijzen, mits er hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen. Aan de andere kant is het begrip geurgevoelig object smaller dan het begrip geurgevoelig gebouw. Onder het begrip geurgevoelig gebouw, wordt ook verstaan: een gebouw dat nog niet aanwezig is maar op grond van een omgevingsplan of omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit mag worden gerealiseerd. Soms is er voor bestaande of nieuwe situaties wel al bewust verwezen naar een geurgevoelig gebouw, zoals bedoeld in het Bkl. gezoneerd industrieterrein Onder de voormalige Wet geluidhinder gold een geluidzone rondom bepaalde industrieterreinen. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet vervalt deze systematiek van zones. In plaats daarvan worden bij omgevingsplan geluidproductieplafonds -als omgevingswaardevastgesteld rondom bepaalde industrieterreinen. Het begrip gezoneerd industrieterrein komt dus niet meer voor in de Omgevingswet.
Voor de omgevingsplanregels van rijkswege is het van belang dat er geen wijziging optreedt in de rechtspositie van bedrijven op het gezoneerde industrieterrein en in de bescherming ten opzichte van van de geluidgevoelige objecten daaromheen zoals woningen. Daarom is het begrip gezoneerd industrieterrein nog wel relevant. De begripsbepaling verwijst naar de betekenis die onder de voormalige Wet geluidhinder aan een gezoneerd industrieterrein werd gegeven. Hiermee wordt duidelijk gemaakt dat het begrip gezoneerd industrieterrein enkel in het omgevingsplan is opgenomen om de bestaande rechtsposities ongewijzigd te handhaven, en dat niet is bedoeld om een inhoudelijke wijziging van het begrip door te voeren. straatpeil Het begrip straatpeil was voorheen opgenomen in het Bouwbesluit 2012. Deze definitie is destijds ontleend aan de definitie van dat begrip zoals opgenomen in de Modelbouwverordening van de VNG. warmteplan Het begrip ‘warmteplan’ is gedefinieerd als besluit van de gemeenteraad, inzake de aanleg van een distributienet voor warmte in een bepaald gebied, waarin voor die periode de mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu gebaseerd op de energiezuinigheid van dat distributienet en het opwekkingsrendement van de over dat distributienet getransporteerde warmte bij aansluiting op dat distributienet is opgenomen.
Waarbij moet worden uitgegaan van het voor die periode geplande aantal aansluitingen op dat distributienet. Het warmteplan wordt door de gemeenteraad vastgesteld voor een periode van ten hoogste 10 jaar. Daarna moet in ieder geval een nieuw warmteplan worden vastgesteld. Als de ontwikkelingen daar aanleiding toe geven, kan de gemeenteraad het plan wijzigen (tussentijds een nieuw plan vaststellen of het plan aanpassen). Dit zou het geval kunnen zijn wanneer over de energiezuinigheidsen/of milieuprestatie van het warmtenet actuele gegevens beschikbaar zijn gekomen, die substantieel afwijken van de aan het vastgestelde warmteplan ten grondslag liggende gegevens, of wanneer de bouwopgave in het warmteplangebied in de loop der tijd dusdanig wijzigt dat dit gevolgen heeft voor het geplande aantal aansluitingen op het warmtenet. Uit de samenhang met artikel 22.10 ‘Aansluiting op distributienet voor warmte’ volgt dat een warmteplan kan worden vastgesteld door gemeenten die tot aanleg van een nieuw distributienet willen overgaan. Wanneer een gemeente in verschillende gebieden tot aanleg van warmtenetten wil overgaan, moet het warmteplan per distributienet worden vastgesteld. Het gebied moet in het warmteplan zo nauwkeurig mogelijk worden afgebakend, bijvoorbeeld door een van het warmteplan deel uitmakende plankaart.
In het warmteplan moet het geplande aantal aansluitingen op het distributienet worden aangegeven. Dat is van belang omdat de aansluitplicht op grond van artikel 22.10, eerste lid, onder a, niet meer van toepassing is op in het warmteplangebied te bouwen bouwwerken wanneer het in het warmteplan geplande aantal aansluitingen daadwerkelijk is bereikt. Dit wordt beoordeeld op het moment van het indienen van de aanvraag om een vergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor het bouwen van een bouwwerk. Als aan het geplande aantal aansluitingen is voldaan, is vrijwillige aansluiting niet uitgesloten. In de fase dat het geplande aantal aansluitingen nog niet is bereikt, geldt de aansluitplicht overigens ook wanneer het definitieve distributienet nog niet gereed is en bouwwerken tijdelijk collectief van warmte worden voorzien door transport van in hulpketels opgewekte warmte totdat de definitieve infrastructuur gereed is. In het warmteplan moet de te bereiken mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu van de aansluiting op het distributienet voor warmte, gebaseerd op de energiezuinigheid van dat distributienet en het opwekkingsrendement van de over dat distributienet getransporteerde warmte, worden aangegeven. Het gaat daarbij om de mate die bereikt wordt wanneer het in het warmteplan aangegeven aantal aansluitingen op dat distributienet is bereikt.
Deze mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu moet duidelijk zijn
3
aangegeven, bijvoorbeeld aan de hand van getallen voor CO2, en NOx, zodat eenvoudig kan worden getoetst of sprake is van een aan aansluiting op het warmtenet gelijkwaardige oplossing. De gemeenteraad is bevoegd het warmteplan vast te stellen. Hiermee is zeker gesteld dat de te maken gemeentelijke keuzen over de aanleg van warmtenetten in een gebied via een voor belanghebbenden transparant en democratisch gelegitimeerd proces tot stand komen. Voor het warmteplan gelden – als onderdeel van het omgevingsplan – geen specifieke inhoudelijke vereisten. Als een gemeente geen warmteplan heeft vastgesteld of niet tijdig (binnen de afgesproken periode) opnieuw heeft vastgesteld, dan kan in die gemeente artikel 22.10 ‘Aansluiting op distributienet voor warmte’ niet worden toegepast. In die gemeente kan op basis van vrijwilligheid worden aangesloten op het warmtenet. Zie ook de toelichting op het begrip distributienet voor warmte en de toelichting bij artikel 22.10 ‘Aansluiting op distributienet voor warmte’ Vijfde lid: Het vijfde lid bepaalt dat in aanvulling op het eerste en tweede lid daar waar een TAM-omgevingsplan is vastgesteld de begripsbepalingen zoals die zijn opgenomen in dat TAM-omgevingsplan van toepassing zijn op de regels in dat TAM-omgevingsplan.
In bijlage I is opgenomen dat onder een TAM-omgevingsplan wordt verstaan een wijzigingsbesluit van dit omgevingsplan, dat is gepubliceerd met toepassing van de IMRO-standaarden, bedoeld in artikel 11.1 lid 2 van het Besluit elektronische publicaties. In paragraaf 6.4 wordt meer uitgebreid ingegaan op het TAM-omgevingsplan. Een TAM-omgevingsplan, dat in juridisch opzicht een integraal onderdeel is van het Omgevingsplan gemeente Amsterdam, bevat zelf ook begripsbepalingen voor de toepassing van de regels die zijn opgenomen in het TAMomgevingsplan. Zolang de desbetreffende regels niet met toepassing van STOP-TP technisch zijn geïntegreerd in het Omgevingsplan gemeente Amsterdam, is van belang dat de begripsbepalingen, zoals opgenomen in een TAMomgevingsplan, van toepassing zijn op de erin opgenomen regels. Omdat die begripsbepalingen niet in bijlage I staan, en omdat het eerste lid wel geldt daar waar een TAM-omgevingsplan is vastgesteld, is een bepaling nodig die daarvoor zorgt. Het vijfde lid regelt dit. Daarbij is wel aangegeven dat dit in aanvulling is op het eerste en tweede lid. Dat betekent twee dingen. Allereerst houdt dit in dat als in een onderdeel van dit omgevingsplan hetzelfde begrip wordt gebruikt, dat daarop de begripsbepalingen bedoeld in het eerste en tweede lid van toepassing zijn.
Ten tweede betekent dit dat als in een ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan een begrip wordt gebruikt dat in dat tijdelijk deel niet is gedefinieerd, maar wel in bijlage I of de in het tweede lid bedoelde bijlagen wordt gedefinieerd, dat dan die definitie op dat begrip van toepassing is. Zesde lid: Het zesde lid bevat een voorrangsbepaling voor als bijlage I een begripsbpaling bevat voor een begrip waarvoor ook een ter plaatse geldend ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan of een TAMomgevingsplan een begripsbepaling bevat. Dan wordt voor de uitleg van het begrip voor wat betreft de desbetreffende regels in dat ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan of een TAM-omgevingsplan de begripsbepaling uit dat ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan of TAM-omgevingsplan toegepast.
Artikel 1.2 Oogmerk van de regels Regels in dit omgevingsplan hebben een bepaald doel. Dat doel moet in overeenstemming zijn met de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet. In artikel 1.3 van de Omgevingswet zijn de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet bepaald: Deze wet is, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, gericht op het in onderlinge samenhang: a. bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, ook vanwege de intrinsieke waarde van de natuur, en b. doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften. Voor regels in het omgevingsplan is dit het uiterste doel met het oog waarop regels kunnen worden gesteld (zie meer uitgebreid hierover hoofdstuk 3 van de algemene toelichting bij dit omgevingsplan). Dat betekent dat de regels in dit omgevingsplan niet met het oog op een ander doel dan genoemd in artikel 1.3 van de Omgevingswet mogen worden gesteld. Maar de regels mogen wel een meer beperkt oogmerk hebben. In artikel 1.2 van dit omgevingsplan is vastgelegd dat de regels in dit omgevingsplan zijn gesteld met het oog op de maatschappelijke
4
doelen, bedoeld in artikel 1.3 van de Omgevingswet, tenzij uit de regels van dit omgevingsplan volgt dat het oogmerk is beperkt. Een beperking van het oogmerk kan expliciet zijn aangegeven. Een beperking kan ook impliciet uit de regels volgen, bijvoorbeeld uit de beoordelingsregels die van toepassing zijn op een bepaalde vergunningplicht.
Artikel 1.3 Geografisch werkingsgebied van de regels, overzicht van informatieobjecten Artikel 1.3 bevat bepalingen over het geografisch werkingsgebied van de regels en over het overzicht van informatieobjecten dat onderdeel uitmaakt van dit omgevingsplan. Eerste lid: Het eerste lid bepaalt dat de regels in dit omgevingsplan gelden binnen het gehele grondgebied van de gemeente Amsterdam, tenzij in de regels is bepaald of uit de regels volgt dat het geografisch werkingsgebied beperkt is. Een juridische regel heeft altijd een werkingsgebied, dat wil zeggen een gebied waar die regel geldt. Dat geldt voor elke regel. Heel veel regels in het omgevingsplan gelden overal in Amsterdam. Andere regels gelden uitsluitend op specifieke locaties. Als uitgangspunt geldt dat het werkingsgebied van de regels in dit omgevingsplan het hele gemeentelijk grondgebied is. De regel geldt dan overal binnen Amsterdam. Wanneer het werkingsgebied van een regel of regelonderdeel is beperkt, wordt dat in de regels aangegeven, of volgt dat uit de regel(s) zelf. Hoewel dit een algemeen juridisch gegeven is voor juridische regels, is ervoor gekozen dit expliciet in dit artikel op te nemen, als uitgangspunt voor de uitzondering op die regel. Tweede lid: In het tweede lid is opgenomen dat bijlage II bij dit omgevingsplan een overzicht van informatieobjecten bevat.
Met informatieobjecten wordt gedoeld op geografische begrenzingen van het werkingsgebied van regels, of geografische begrenzingen van locaties waarnaar in regels wordt verwezen. Ook kan het gaan om de normwaarde van omgevingsnormen of omgevingswaarden die op een bepaalde locatie gelden. Dergelijke informatieobjecten maken onderdeel uit van de regels. Vanuit de regels wordt een koppeling gelegd naar dergelijke informatieobjecten. Ze zijn als bijlage opgenomen bij de regels. In de viewer van het Digitale Stelsel Omgevingswet kunnen de regels in samenhang met deze informatieobjecten worden geraadpleegd.
Artikel 1.4 Normadressaat Artikel 1.4 bepaalt tot wie de regels van dit omgevingsplan zijn gericht. Het artikel bevat een hoofdregel, maar laat ruimte om daarop elders in dit omgevingsplan uitzonderingen te maken. De hoofdregel is dat de regels zijn gericht tot degene die de activiteit verricht waarop die regels betrekking hebben. Diegene moet zorg dragen voor de naleving van de regels die voor de activiteit gelden. Onder ‘degene die de activiteit verricht’ wordt, zoals ook blijkt uit de toelichting op het Besluit activiteiten leefomgeving en het Besluit bouwwerken leefomgeving ook verstaan degene die de activiteit laat verrichten. Zo bepaalt artikel 4.3 van dat besluit dat aan de regels in hoofdstuk 4 wordt voldaan "door degene die het bouwwerk bouwt". Blijkens de toelichting op dat artikel (staatsblad 2018, nr. 291) wordt daaronder ook degene verstaan die een bouwwerk laat bouwen door een ander. Dit houdt bijvoorbeeld ook in dat een opdrachtgever er voor zorgt dat eventuele werknemers of andere bedrijven die binnen de activiteit in opdracht deelactiviteiten uitvoeren de regels naleven. Onder degene die de activiteit verricht wordt dus meer verstaan dan alle degene die feitelijk de activiteit verricht. De Omgevingswet noch de AMvB's bevatten een nadere duiding aan welke criteria 'degene die de activiteit verricht' in een concreet geval zou moeten voldoen.
Wel is een aantal elementen aan te geven (zie meer uitgebreid paragraaf 2.3.2 van de Nota van toelichting bij het Besluit activiteiten leefomgeving (Staatsblad 2018, nr. 293). Degene moet (economische) zeggenschap hebben over de activiteit. Dat is degene die het feitelijk of juridisch voor het zeggen heeft/in zijn macht heeft om de activiteit te starten, aanpassen of staken (de overtreding te beëindigen). Bij meeste activiteiten is het degene die de vergunning aanvraagt of melding doet. In andere gevallen: degene met zeggenschap. Vaak zal het de eigenaar of huurder van het perceel/pand zijn. Er is een voorbeeld van een bodemenergiesysteem opgenomen. De eigenaar / huurder heeft zeggenschap over het wel of niet installeren van een bodemenergiesysteem op het perceel en is ook degene die voor het installeren van het systeem de vereiste vergunning kon aanvragen. Hij is veelal ook degene die een aannemer de opdracht heeft gegeven het systeem aan te leggen. Dit alles is eveneens van toepassing op de uitleg van wie moet worden verstaan onder degene die de activiteit verricht, zoals opgenomen in dit artikel 1.4. Het artikel biedt wel ruimte om elders in dit omgevingsplan, mocht dat nodig blijken, een afwijkende normadressaat te bepalen. Dit laatste in navolging van wat bijvoorbeeld
5
gebeurd in het Besluit bouwwerken leefomgeving, waarin voor een aantal regelonderdelen een van de hoofdregel afwijkende normadressaat wordt aangegeven.
Artikel 1.5 Algemene gegevens bij melding en informatieplicht Artikel 1.5 komt in de plaats van artikel 22.46 zoals dat bij wijze van Bruidsschat bij inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel was geworden van dit omgevingsplan. De bepaling is aangepast en in lijn gebracht met artikel 7.3 en 7.217 van de Omgevingsregeling. Door opname van de bepaling in dit hoofdstuk 1 is het toepassingsbereik verruimd tot heel het omgevingsplan. Als op grond van een bepaling in dit omgevingsplan, gegevens en bescheiden aan het bevoegd gezag moeten worden verstrekt of een melding moet worden gedaan, worden die gegevens en bescheiden of die melding begeleid door een aantal algemene gegevens. Dat wordt bepaald in dit artikel. De plicht zelf om gegevens te verstrekken of om een melding te doen vloeit niet voort uit dit artikel. Die plicht is namelijk per activiteit opgenomen elders in dit omgevingsplan. Als in dit omgevingsplan het verstrekken van gegevens en bescheiden of een meldplicht is voorgeschreven, bijvoorbeeld vóórdat wordt begonnen met die activiteit, wordt daarbij om specifieke gegevens gevraagd. Die specifieke gegevens worden dan verstrekt in aanvulling op de algemene gegevens uit dit artikel. Dit artikel heeft betrekking op gegevens die op grond van dit omgevingsplan in het kader van een melding of informatieplicht moet worden aangeleverd.
Voor zover op grond het omgevingsplan een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift wordt aangevraagd, dan bepaalt artikel 7.3, respectievelijk 7.217 van de Omgevingsregeling dat algemene gegevens aangeleverd moeten worden. Omdat dit dus al elders geregeld is, is het verstrekken van algemene gegevens in het kader van die besluiten in dit artikel expliciet uitgesloten. Deze systematiek komt overeen met die van het Besluit activiteiten leefomgeving en voorkomt dat bij iedere meldingsof informatieplicht de algemene gegevens herhaald moeten worden. De term bescheiden wordt gebruikt om allerlei vormen van schriftelijke documentatie of bewijsstukken aan te duiden.
Artikel 2.1 Toepassingsbereik Artikel 2.1 bepaalt dat de regels in dit hoofdstuk betrekking hebben op het gebruiksdoel van gronden en bouwwerken en op het gebruik van gronden en bouwwerken. Daarmee wordt een invulling gegeven aan regulering van gebruik zoals dat onder oud recht door middel van bestemmingsplannen gebeurde in de vorm van een 'bestemming' en de daarop betrekking hebbende 'gebruiksregels'. Het tweede lid bepaalt volledigheidshalve dat afdeling 2.3 niet van toepassing is ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen'. Daar wordt het gebruiksdoel van gronden en bouwwerken bepaald door de bestemming die op grond van het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan geldt.
Artikel 2.2 Meet- en rekenregels Artikel 2.2 bevat meet- en rekenvoorschriften die op dit hoofdstuk van toepassing zijn. In diverse onderdelen in dit hoofdstuk worden aanvullend ook nog specifieke, op die onderdelen van toepassing zijnde, meet- en rekenvoorschriften gegeven. Eerste lid: Het eerste lid bevat een bepaling van overgangsrechtelijke aard. Bepaald wordt dat ter plaatse van de aanduiding ‘ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen’ de meet- en rekenbepalingen zoals die zijn opgenomen in het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan van toepassing zijn op de ruimtelijke regels in dat ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan. Het werkingsgebied van dit artikel is beperkt tot die gebieden ter plaatse van de aanduiding ‘ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen’. Daarmee wordt ook in de viewer inzichtelijk waar dit artikel van toepassing is, en waar niet. Met het door de tijd heen vervangen en laten vervallen van ruimtelijke plannen, zal dat werkingsgebied, dat eerst heel Amsterdam is, geleidelijk aan steeds kleiner worden.
In bijlage I is opgenomen dat onder het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan wordt verstaan de ruimtelijke besluiten, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, die bij wijze van overgangsrecht als tijdelijk deel onderdeel zijn van dit omgevingsplan, totdat deze bij wijzigingsbesluit voor een locatie zijn komen te vervallen. Het gaat om bestemmingsplannen, wijzigingsplannen, uitwerkingsplannen, exploitatieplannen en dergelijke.
6
Totdat die ruimtelijke besluiten zijn komen te vervallen, gelden de daarin opgenomen regels. Die ruimtelijke besluiten bevatten eveneens regels over gebruik en ook daarop van toepassing zijnde meet- en rekenvoorschriften. Het eerste lid bepaalt dat zolang die regels nog niet zijn komen te vervallen, de daarin opgenomen meet en rekenregels van toepassing zijn op de daarin opgenomen regels over gebruik. Tweede lid : Het tweede lid bevat een regel over het bepalen van de bruto-vloeroppervlakte. Bij het toekennen van een maximum programma voor een bepaalde vorm van gebruik wordt gebruik gemaakt van bruto-vloeroppervlakte. Daarmee wordt aangesloten op het Besluit bouwwerken leefomgeving. Op grond van de in het Besluit bouwwerken leefomgeving opgenomen begripsbepaling, die op grond van artikel 1.1 ook van toepassing is op dit omgevingsplan, wordt onder bruto-vloeroppervlakte verstaan bruto-vloeroppervlakte als bedoeld in NEN 2580. Dit houdt tevens een meetregel in, namelijk dat de bruto-vloeroppervlakte wordt bepaald overeenkomstig NEN 2580. Dat wordt in dit tweede lid bepaald. Derde lid : Een aantal regels in dit hoofdstuk bevat locatiegerichte normen. Die normen worden veelal niet weergegeven in de tekst van de regels, maar worden vastgelegd in een informatieobject, dat vervolgens wordt weergegeven op de digitale kaart in het Digitale Stelsel Omgevingswet.
Gedacht kan worden aan een regel die het maximum aantal woningen voor een locatie bepaalt. Deze regels bevatten altijd een zinsnede van de strekking 'ter plaatse van de aanduiding X geldt de daar bepaalde waarde'. In de begripsbepalingen is aangegeven wat onder een aanduiding wordt verstaan, namelijk 'een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waarnaar in de regels wordt verwezen, en waarmee in samenhang met die regeltekst regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden'. Een en dezelfde aanduiding kan aan meerdere locaties worden gegeven. Kijk bijvoorbeeld naar de volgende regel: "Ter plaatse van de aanduiding 'aantal woningen' is het maximum aantal woningen de daar bepaalde waarde." De aanduiding 'aantal woningen' kan op meerdere plekken binnen de gemeente aan een locatie worden gekoppeld. De daarop betrekking hebben norm kan per locatie verschillen, maar het kan ook voorkomen dat de norm ook dezelfde is. Dat kan ertoe leiden dat niet duidelijk is of de norm geldt voor alle locaties te samen waar die norm geldt, of voor elke locatie afzonderlijk. Het derde lid maakt duidelijk dat dit laatste het geval is.
Artikel 2.3 Vangnetbepaling strijdig gebruik Artikel 2.3 regelt in samenhang met de regels in afdeling 2.3 welk gebruik op welke locatie is toegestaan. Met het artikel wordt de basis gelegd voor een voortzetting van de systematiek zoals die ook onder oud recht bestond. Die hield in dat in bestemmingsplannen werd bepaald welke bestemming op een locatie gold, waarbij in de bestemmingsomschrijving werd bepaald welk gebruik daar was beoogd, en waarbij tevens specifieke gebruiksregels over dat gebruik konden worden gesteld. Daarboven hing als het ware artikel 2.1, eerste lid, onder c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, dat een verbod bevatte om gronden en bouwwerken te gebruiken in strijd met die ruimtelijke regelingen. Die 'vangnetfunctie' wordt nu overgenomen door dit artikel. Eerste lid: Het eerste lid bepaalt dat het verboden is gronden of bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet in overeenstemming is met een onder afdeling 2.3 aan een locatie gegeven gebruiksdoel of gebruiksdoelen en de daarop betrekking hebbende regels over gebruik, of op een wijze die in strijd is met de regels over gebruik, bedoeld in hoofdstuk 3. In afdeling 2.3 wordt geregeld waar welk gebruiksdoel geldt. Aan een locatie kunnen meerdere gebruiksdoelen kunnen zijn gegeven. Met betrekking tot het gebruiksdoel worden ook regels gesteld over het gebruik.
Hetzelfde geldt voor de regels over gebruik die zijn gesteld in afdeling 3.2. Ook die regels moeten op grond van dit eerste lid in acht worden genomen. Overigens geldt dit ook voor regels elders gesteld in dit omgevingsplan, die in ruimere zin ook betrekking hebben op het gebruik van gronden en bouwwerken, zoals bijvoorbeeld de regels over milieubelastende activiteiten, zoals gesteld in hoofdstuk 9. Tweede lid: Het tweede lid is van overgangsrechtelijke aard, en regelt hetzelfde als het eerste lid voor gebieden waar het onder oud recht vastgesteld ruimtelijk plan nog niet is komen te vervallen. Bepaald wordt dat het ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' verboden is gronden of bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet in overeenstemming is met de in het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan aan een locatie gegeven bestemming, of op een wijze die in strijd is met de daarop betrekking hebbende regels over gebruik.
7
In bijlage I is opgenomen dat onder een ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan worden verstaan ruimtelijke besluiten, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, die bij wijze van overgangsrecht als tijdelijk deel onderdeel is van dit omgevingsplan, totdat deze bij wijzigingsbesluit voor een locatie zijn komen te vervallen. Het gaat om bestemmingsplannen, wijzigingsplannen, uitwerkingsplannen, exploitatieplannen en dergelijke. Die ruimtelijke plannen bevatten zelf per bestemming regels over gebruik. Daar waar een ruimtelijk besluit nog van toepassing zijn, wordt de vraag welk gebruik wel of niet is toegestaan beantwoord aan de hand van de daarin opgenomen regels. Het tweede lid regelt dit. Het werkingsgebied van dit artikel is beperkt tot die gebieden ter plaatse van de aanduiding ‘ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen’. Derde lid: Het derde lid bepaalt dat, in afwijking van het eerste lid, daar waar een TAM-omgevingsplan is vastgesteld en in werking is getreden, het verboden is gronden of bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet in overeenstemming is met de in dat TAM-omgevingsplan opgenomen regels over gebruik van gronden en bouwwerken. Het derde lid is alleen van toepassing op de situatie dat bij het vaststellen van het TAMomgevingsplan tevens is besloten dat daarbij het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan is vervallen.
In bijlage I is opgenomen dat onder een TAM-omgevingsplan wordt verstaan een wijzigingsbesluit van dit omgevingsplan, dat is gepubliceerd met toepassing van de IMRO-standaarden, bedoeld in artikel 11.1 lid 2 van het Besluit elektronische publicaties. In paragraaf 6.4 wordt meer uitgebreid ingegaan op het TAM-omgevingsplan. Een TAM-omgevingsplan, dat in juridisch opzicht een integraal onderdeel is van het Omgevingsplan gemeente Amsterdam, bevat over het algemeen zelf ruimtelijke regels over gebruik van gronden en bouwwerken. Zolang de desbetreffende regels niet met toepassing van STOP-TP technisch zijn geïntegreerd in het Omgevingsplan gemeente Amsterdam, zijn deze regels mede bepalend voor de vraag welk gebruik wel of niet is toegestaan. Vierde lid: Het vierde lid bepaalt dat, in aanvulling op het tweede lid, daar waar een TAM-omgevingsplan is vastgesteld en in werking is getreden, zonder dat daarbij het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan is vervallen, het verboden is gronden of bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet in overeenstemming is met de in dat TAMomgevingsplan opgenomen regels over gebruik van gronden en bouwwerken. In de meeste gevallen zal een TAM-omgevingsplan voor het besluitgebied ervan in de plaats komen van het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan.
Het is echter ook mogelijk dat met een TAMomgevingsplan alleen aanvullende regels worden gegeven. In dat geval moeten ook de regels van het onder oud recht vastgesteld ruimtelijk plan van toepassing blijven. Het vierde lid voorziet daarin. Dit vierde lid is daarom aanvullend op het tweede lid. Dat betekent dat het tweede lid van toepassing blijft. Vijfde lid: In bestemmingsplannen werd veelal in de bestemmingsomschrijving aangegeven dat gronden mede waren bedoeld voor bepaalde bijbehorende voorzieningen, zoals groenvoorzieningen en waterpartijen, nutsvoorzieningen, en eventueel voor het gebruiksdoel benodigde ontsluitingsinfrastructuur. Hoewel dergelijke bijbehorende voorzieningen moeten vanzelfsprekend moeten worden geacht in overeenstemming te zijn met alle gebruiksdoelen, is in het derde lid expliciet bepaald dat dit een gebruik betreft dat in overeenstemming is met een aan een locatie gegeven gebruiksdoel. Een soortgelijke bepaling met betrekking tot een nog geldende bestemming is niet nodig, omdat dit in bestemmingsplannen geregeld is in de bestemmingsomschrijvingen.
Artikel 2.4 Toepassingsbereik In afdeling 2.3 worden gebruiksdoelen aan locaties gegeven, wordt bepaald welk gebruik daar is toegestaan, en worden regels over het gebruik gegeven. Paragraaf 2.3.1 bevat regels over wonen. Artikel 2.4 bepaalt het toepassingsbereik van de regels in deze paragraaf. Eerste lid: In het eerste lid is bepaald dat de paragraaf van toepassing is op het gebruiksdoel te plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: wonen'. De inhoudelijke regels over het binnen dit gebruiksdoel toegestane gebruik volgen in de overige bepalingen. Tweede lid: In het tweede lid is bepaald dat de paragraaf geldt ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: wonen'. Hiermee is het geografisch werkingsgebied van de regels bepaald. Het gaat om het maximale werkingsgebied. Voor een aantal regels in deze paragraaf geldt dat het werkingsgebied nader ingeperkt is.
8
Artikel 2.5 Gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: wonen', toegestaan gebruik In artikel 2.5 bevat regels over het gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: wonen', en over het daar toegestaan gebruik. Eerste lid: Het eerste lid bepaalt dat de gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel wonen' als gebruiksdoel wonen hebben, en dat ze mogen worden gebruikt ten behoeve van wonen. Daarbij moeten uiteraard de overige regels die op het gebruiksdoel betrekking hebben, in acht worden genomen. In bijlage I is bepaald wat in dit omgevingsplan onder wonen wordt verstaan. Het gaat om het benutten van een woonruimte ten behoeve van bewoning en de het daarbij benutten van de daarbij behorende gronden en opstallen. Wonen wordt niet alleen gereguleerd door het omgevingsplan, maar ook door de Huisvestingsverordening. Met het gebruik van begrippen en de definitie ervan wordt zo veel als mogelijk aangesloten op de Huisvestingsverordening. Om die reden zal worden gebruik gemaakt van het begrip woonruimte in plaats van woning. Deze afdeling reguleert ook het gebruik van het bij de woonruimte behorende erf en de daarop staande opstallen. Hiermee wordt het gebruik van het bij de woning behorende erf dus eveneens gereguleerd door de regels in dit onderdeel.
Tweede lid: Het tweede lid bepaalt dat een ander gebruik van woonruimte dan voor wonen uitsluitend is toegestaan voor zover dat in deze paragraaf is aangegeven, en met inachtneming van de daarvoor geldende regels. Het gaat daarbij onder meer om regulering van de uitoefening van een beroep aan huis, maar ook over bijvoorbeeld het aanbieden van Bed & Breakfast.
Artikel 2.6 Omvang en situering van wonen Artikel 2.6 bevat regels over de omvang en situering van wonen. Met dit artikel kunnen locatiegericht beperkingen zijn gesteld. Deze regels zijn alleen van toepassing voor zover de betreffende aanduiding op een locatie van toepassing is. Is geen aanduiding opgenomen, dan gelden de betreffende beperkingen niet. Eerste lid: Het eerste lid bevat een beperking voor het maximum bruto-vloeroppervlak wonen dat is toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'maximum bruto-vloeroppervlakte wonen'. Deze aanduiding gaat altijd gepaard met een op de digitale kaart weergegeven waarde. Die waarde bepaalt het maximum oppervlak. Gelet op artikel 2.2, derde lid, geldt dat maximum per afzonderlijk aanduidingsvlak. Tweede lid: Het tweede lid bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding 'aantal woningen' het maximum aantal woningen de daar bepaalde waarde is. Deze aanduiding gaat altijd gepaard met een op de digitale kaart weergegeven waarde. Die waarde bepaalt het maximum aantal. Gelet op artikel 2.2, derde lid, geldt dat maximum per afzonderlijk aanduidingsvlak. Derde lid: Het derde lid bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding 'bouwlaag waarin wonen is toegestaan' wonen uitsluitend is toegestaan in de daar bepaalde bouwlaag of bouwlagen. Deze aanduiding gaat altijd gepaard met een op de digitale kaart weergegeven waarde.
Die waarde bepaald in welke bouwlaag of bouwlagen wonen is toegestaan. Vierde lid: In het vierde lid is bepaald dat ter plaatse van de aanduiding 'bouwlaag waarin wonen niet is toegestaan' wonen niet toegestaan in de daar bepaalde bouwlaag. Deze aanduiding gaat altijd gepaard met een op de digitale kaart weergegeven waarde. Die waarde bepaald in welke bouwlaag of bouwlagen maatschappelijke dienstverlening is toegestaan.
Artikel 2.7 Specifieke regels over het gebruik van het bij een woonruimte behorend erf In artikel 2.7 is een aantal regels opgenomen over het gebruik van het bij een woonruimte behorend erf. Deze regels zijn aanvullend op de algemene regels die betrekking hebben op het gebruik van erven, zoals opgenomen in artikel 3.5. Dat artikel blijft daarbij onverminderd van toepassing. Eerste lid: Het eerste lid verbiedt om bij een woonruimte behorende bijgebouwen te gebruiken voor bewoning. In bijlage I is bepaald dat onder een bijgebouw wordt verstaan een op het bij een hoofdgebouw behorend erf gerealiseerd gebouw dat niet in directe verbinding staat met het hoofdgebouw door bijvoorbeeld een opening of deur. Hierin verschilt het bijgebouw met een aanbouw of uitbouw. Kort gezegd: een schuur mag worden gebruik als schuur, maar niet voor bewoning. In artikel 3.35 wordt hierop overigens een uitzondering gegeven met betrekking tot huisvesting in verband met mantelzorg. Tweede lid: Het tweede lid bevat een verbod om motorrijtuigen op het bij woonruimte behorend erf te parkeren, tenzij het bijbehorende erf daarvoor klaarblijkelijk bedoeld is. Dat verbod is nodig omdat binnen het gebruik van een erf, zoals dat in artikel 3.5 voor alle vormen van planologisch gebruik wordt geregeld, parkeren op eigen erf
9
wordt beschouwd als normaal gebruik van het erf. Voor gronden met als gebruiksdoel 'wonen' geldt de in het tweede lid opgenomen uitzondering. Parkeren op eigen erf mag slechts a) binnen een daartoe klaarblijkelijk bedoeld bouwwerk (denk aan een garage of een carport) of b) buiten een daartoe klaarblijkelijk bedoeld bouwwerk, voor zover de bestaande inrichting van de openbare ruimte en de aansluiting van het erf op de openbare weg hieraan niet in de weg staan. Hiervan is sprake indien er bijvoorbeeld inritten aanwezig zijn en daarmee een aansluiting op de openbare weg. Derde lid: In uitzonderingsgevallen kan het (denk bijvoorbeeld aan een erf in de zin van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990) vanwege de aansluiting van het eigen erf op die openbare ruimte mogelijk zijn dat er op eigen erf geparkeerd wordt, maar is dit toch niet wenselijk. Het derde lid voorziet in die gevallen in de mogelijkheid om parkeren op eigen terrein uit te zonderen. Vierde lid: Tot slot bepaalt het vierde lid dat het verbod voor parkeren op eigen terrein niet geldt voor motorrijtuigen met twee wielen of een gehandicaptenvoertuig, bedoeld in het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990.
Daaronder wordt verstaan een voertuig dat is ingericht voor het vervoer van een gehandicapte, niet breder is dan 1,10 meter en niet is uitgerust met een motor, dan wel is uitgerust met een motor waarvan de door de constructie bepaalde maximumsnelheid niet meer dan 45 km per uur bedraagt, en geen bromfiets is.
Artikel 2.8 Het uitoefenen van een beroep of bedrijf aan huis Artikel 2.8 reguleert de uitoefening van een beroep of een bedrijf aan huis. Eerste lid: Het is niet ongebruikelijk dat woonruimte wordt gebruikt voor de uitoefening van een beroep of bedrijf aan huist. Daaraan worden wel bepaalde grenzen gesteld. Deze zijn opgenomen in het eerste lid, namelijk a) dat het gebruik van de woonruimte ten behoeve van bewoning overheersend blijft en b) dat het beroep of bedrijf aan huis door de bewoner zelf wordt uitgeoefend. In bestemmingsplannen werd het gebruik van een woning voor de uitoefening van een beroep of bedrijf ook binnen bepaalde grenzen toegestaan. En ook de Huisvestingsverordening voorziet hierin. Daarbij worden wel verschillende begrippen en randvoorwaarden gesteld. Zo is op grond van de Huisvestingsverordening geen onttrekkingsvergunning vereist voor een gebruik van woonruimte als kantoor of praktijkruimte door de eigenaar onder voorwaarde dat de bestemming tot bewoning overheersend blijft. In bestemmingsplannen werd veelal gesproken van een beroep of bedrijf aan huis, en werd vaak een maximum percentage gesteld. Bestemmingsplannen onderling verschilden daarbij sterk. In dit artikel is ervoor gekozen de lijn van de Huisvestingsverordening te volgen.
Ook bij de verschillende regelingen in bestemmingsplannen gaat het er in hoofdzaak om dat het gebruik van de woonruimte ten behoeve van bewoning overheersend blijft. Dit is als eerste vereiste in het eerste lid, onder a, opgenomen. De beperking dat het beroep of bedrijf wordt uitgeoefend door de eigenaar, zoals opgenomen in de Huisvestingsverordening, is niet overgenomen. Er zijn met het oog op de doelen van de Omgevingswet geen redenen om huurders van deze mogelijkheid uit te sluiten. Dat laat onverlet dat privaatrechtelijk of vanuit de Huisvestingsverordening beperkingen op dit punt gelden. Wel is opgenomen dat het de bewoner zelf is die het beroep of bedrijf uitoefent. Dat laat onverlet dat deze wel ten behoeve van de beroepsof bedrijfsuitoefening personeel in dienst kan hebben. Het is dus niet uitsluitend de bewoner die werkzaam mag zijn, maar wel zo dat het beroep of bedrijf door de bewoner moet worden uitgeoefend. De mogelijkheid voor het uitoefenen van een beroep of bedrijf aan huis is als algemene regel geformuleerd. Er geldt geen vergunningplicht. Het is in beginsel aan de bewoner zelf om te bepalen dat aan de voorwaarden wordt voldaan. Hoewel gewerkt wordt met een open norm (namelijk dat het gebruik van woonruimte ten behoeve van bewoning overheersend blijft) lijkt deze norm niet problematisch.
Mocht dit nodig blijken, dan kan alsnog worden overgegaan tot een beleidsregel die aan de open norm een invulling geeft. Tweede lid: Het tweede lid sluit het uitoefenen van een beroep of bedrijf aan huis uit indien dat gepaard gaat met geluidhinder of geurhinder. Derde lid: Het derde lid maakt dat het uitoefenen van bedrijfsmatige seksuele dienstverlening niet is toegestaan. Vierde en vijfde lid:
10
In het vierde lid is een bijzondere zorgplicht opgenomen voor degene die een beroep of bedrijf aan huis uitoefent, namelijk datgene in het werk te stellen wat redelijkerwijze kan worden verlangd om hinder op de woonomgeving als gevolg van de uitoefening van het beroep of bedrijf aan huis, te voorkomen. In het vijfde lid is de mogelijkheid opgenomen tot het geven van een maatwerkvoorschrift om onaanvaardbare hinder voor het woon- en leefklimaat tegen te gaan. Overigens wordt opgemerkt wordt dat de milieuregels zoals opgenomen in hoofdstuk 9 ook van toepassing zijn op beroep en bedrijf aan huis. Onder oud recht viel een beroep of bedrijf aan huis onder het begrip ‘inrichting’ (“elke door de mens bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht”). Het Activiteitenbesluit milieubeheer was echter niet op alle vormen van bedrijf of beroep aan huis van toepassing. Hiervoor was mede bepalend of het betreffend bedrijf of beroep onder een aangewezen categorie viel zoals opgenomen in bijlage I bij het Besluit omgevingsrecht. Voor bedrijven en beroepen die onder oud recht onder een aangewezen categorie vielen, verandert er weinig.
Ze moeten na de inwerkingtreding van de Omgevingswet voldoen aan de regels die in dit omgevingsplan zijn opgenomen (en indien van toepassing: aan het Besluit activiteiten leefomgeving). Deze regels komen vrijwel overeen met de regels van het Activiteitenbesluit. Voor bedrijven en beroepen die niet onder een aangewezen categorie vallen, betekent echter dat deze ook aan de milieuregels moeten voldoen. Deze verandering komt doordat het centrale begrip van de Omgevingswet ‘milieubelastende activiteit’ is dat een veel breder scope heeft dan het Activiteitenbesluit. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat voor de niet aangewezen beroepen en bedrijven in het huidig recht de Algemene Plaatselijke Verordening tevens bepalingen bevat om hinder voor de omgeving te voorkomen. Gelet hierop verandert voor deze bedrijven en beroepen aan huis in feite ook weinig.
Artikel 2.9 Beperkende regel over waar short stay is toegestaan In artikel 2.9 is het huidig beleid met betrekking tot short stay geeffectueerd, dat kort gezegd inhoud dat geen medewerking wordt verleend aan nieuwe short stay. Short stay is uitsluitend toegestaan daar waar dit (vanwege eerdere toestemming) is bepaald. Deze locaties dienen te zijn aangewezen met de aanduiding 'short stay toegestaan'. In bijlage I is bepaald dat onder short stay wordt verstaan het structureel aanbieden van een zelfstandige woning voor tijdelijke bewoning aan een huishouden voor een aaneensluitende periode van tenminste een week en maximaal zes maanden. Voor het overige wordt de woning als woonruimte gebruikt.
Artikel 2.10 Garageboxen In dit artikel zijn enkele regels met betrekking tot garageboxen opgenomen. In bijlage I is bepaald dat onder een garagebox wordt verstaan een gebouw, in hoofdzaak bedoeld voor het stallen van vervoermiddelen. Eerste lid: Het eerste lid bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding ‘garagebox’ geldt dat daar uitsluitend één of meerdere garageboxenzijn toegestaan. Dit artikel is opgenomen omdat een garagebox een gebouwde parkeervoorziening is ten behoeve van een bepaald hoofdgebruik. Dat hoofdgebruik kan wonen zijn. In dat geval wordt aan de locatie van de betreffende garagebox het gebruiksdoel wonen gegeven. Garageboxen ten behoeve van dat hoofdgebruik wonen kunnen op het bij het hoofdgebouw behorend erf staan, maar ze kunnen ook op een separate locatie staan. Om zeker te maken dat in dat geval het gebouw wordt gebruikt als garagebox, kan aan de locatie de aanduiding ‘garagebox’ worden gegeven. Tweede lid: Een garagebox kan ook op het woonperceel zelf zijn gelegen. Het kan gaan om een vrijstaand gebouw, of om een tegen het hoofdgebouw aangelegen gebouw. Er kan dan sprake zijn van een directe verbinding met het hoofdgebouw door bijvoorbeeld een opening of deur. In dat geval is sprake van een aanof uitbouw. Om in dat geval te voorkomen dat een garagebox als woonruimte kan worden gebruikt, kan aan de locatie de aanduiding ‘garagebox’ worden gegeven.
Het tweede lid bepaalt dan dat het gebruik van de garagebox voor bewoning niet is toegestaan. Dat geldt uiteraard ook voor locatie met de aanduiding ‘garagebox’ die is gelegen buiten het woonperceel.
Artikel 2.11 Locaties aangewezen voor bedrijfswoningen Artikel 2.11 regelt de aanwijzing van woonruimte als bedrijfswoning. In bijlage I is bepaald dat onder een bedrijfswoning wordt verstaan een woning die gezien ligging en functie bedoeld is voor de huisvesting van personen wier aanwezigheid gelet op het gebruiksdoel van een gebouw of terrein noodzakelijk is. Hiermee wordt aangesloten op de begripsomschrijving zoals die in de provinciale omgevingsverordening wordt gehanteerd, zij het dat het begrip 'de bestemming' is vervangen door 'het gebruiksdoel'.
11
Eerste lid: In het eerste lid is gesteld dat het benutten van woonruimte als bedrijfswoning uitsluitend is toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning'. Tweede lid: In het tweede lid is bepaald dat waar een bedrijfswoning is toegestaan, woonruimte ook uitsluitend als bedrijfswoning in gebruik mag worden genomen. Met andere woorden, de functionele binding dient behouden te blijven. Derde lid: Het derde lid bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning' maximaal één bedrijfswoning is toegestaan. Het vierde lid maakt als uitzondering op het derde lid mogelijk dat ter plaatse van de aanduiding 'twee bedrijfswoningen toegestaan' twee bedrijfswoningen toegestaan. Vierde lid: Het vierde lid vormt een uitzondering op het derde lid, en geldt ter plaatse van de aanduiding 'twee bedrijfswoningen toegestaan'. Op locaties met die aanduiding zijn twee bedrijfswoningen toegestaan.
Artikel 2.12 Locaties aangewezen voor studentenhuisvesting Artikel 2.12 bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding 'uitsluitend studentenwoningen' woonruimte uitsluitend mag worden benut voor studentenhuisvesting. De regel beoogt specifieke woonlocaties voor bewoning door studenten te behouden. In bijlage I is bepaald dat onder een studentenwoning wordt verstaan een studentenwoning, bedoeld in de Huisvestingsverordening. Daarin is bepaald dat het betreft een woonruimte die door burgemeester en wethouders is erkend als studentenwoning en die wordt verhuurd met een huurovereenkomst waarin is bepaald dat de woonruimte na beëindiging van de huurovereenkomst opnieuw aan een student zal worden verhuurd (campuscontract als bedoeld in artikel 274d, vijfde lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek).
Artikel 2.13 Locaties aangewezen voor zorgwoningen Dit artikel bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding ‘ zorgwoning’ woonruimte uitsluitend gebruikt mag worden als zorgwoning. De regel beoogt de specifieke woonlocatie voor zorgwoningen te behouden. In bijlage I is bepaald dat onder een zorgwoning wordt verstaan een woning of wooneenheid, bestemd voor verzorgd wonen, die niet via de reguliere woningdistributie beschikbaar komt, maar waarvan de bewoner(s) vanwege hun beperktere zelfredzaamheid vanaf aanvang van bewoning op basis van een ter zake van overheidswege gehanteerd systeem zijn geïndiceerd voor zorg, die beschikbaar is in de directe nabijheid van die woning of wooneenheid en welke zorg door die bewoner(s) ook daadwerkelijk wordt afgenomen.
Artikel 2.14 Gereserveerd Subparagraaf 2.3.1.2 bevat regels over specifieke woonvormen en doelgroepen. Vooralsnog bestaat dit uit één artikel, dat een regeling bevat met betrekking tot bedrijfswoningen. Veel bestemmingsplannen bevatten echter aanvullende regelingen over bijvoorbeeld studentenwoningen of vormen van begeleid wonen. Of dergelijke regels nodig zijn, en in welke vorm, moet blijken bij besluitvorming over het vervangen van bestemmingsplannen door de nieuwe regels van dit omgevingsplan. Wanneer dat nodig is, kunnen die regels worden opgenomen in deze subparagraaf. Omdat de kans zeer groot is dat aanvullende regels nodig zijn, is reeds een viertal artikelen, waaronder dit artikel, gereserveerd. Dat moet voorkomen dat bij toevoeging van een nieuw artikel alle erna komende artikelen moeten worden vernummerd.
Artikel 2.15 Gereserveerd Subparagraaf 2.3.1.2 bevat regels over specifieke woonvormen en doelgroepen. Vooralsnog bestaat dit uit één artikel, dat een regeling bevat met betrekking tot bedrijfswoningen. Veel bestemmingsplannen bevatten echter aanvullende regelingen over bijvoorbeeld studentenwoningen of vormen van begeleid wonen. Of dergelijke regels nodig zijn, en in welke vorm, moet blijken bij besluitvorming over het vervangen van bestemmingsplannen door de nieuwe regels van dit omgevingsplan. Wanneer dat nodig is, kunnen die regels worden opgenomen in deze subparagraaf. Omdat de kans zeer groot is dat aanvullende regels nodig zijn, is reeds een viertal artikelen, waaronder dit artikel, gereserveerd. Dat moet voorkomen dat bij toevoeging van een nieuw artikel alle erna komende artikelen moeten worden vernummerd.
Artikel 2.16 Gereserveerd Subparagraaf 2.3.1.2 bevat regels over specifieke woonvormen en doelgroepen. Vooralsnog bestaat dit uit één artikel, dat een regeling bevat met betrekking tot bedrijfswoningen. Veel bestemmingsplannen bevatten echter aanvullende regelingen over bijvoorbeeld studentenwoningen of vormen van begeleid wonen. Of dergelijke regels
12
nodig zijn, en in welke vorm, moet blijken bij besluitvorming over het vervangen van bestemmingsplannen door de nieuwe regels van dit omgevingsplan. Wanneer dat nodig is, kunnen die regels worden opgenomen in deze subparagraaf. Omdat de kans zeer groot is dat aanvullende regels nodig zijn, is reeds een viertal artikelen, waaronder dit artikel, gereserveerd. Dat moet voorkomen dat bij toevoeging van een nieuw artikel alle erna komende artikelen moeten worden vernummerd.
Artikel 2.19 Het gebruik van woonruimte of bijbehorende opstallen voor Bed and Breakfast In subparagraaf 2.3.1.3 wordt voor bepaalde activiteiten een link gelegd naar de Huisvestingsverordening, en de daarin opgenomen vergunningplicht. Een van die activiteiten betreft het gebruik van woonruimte of bijbehorende opstallen voor Bed and Breakfast, waarover in artikel 2.19 de volgende regels zijn gesteld. Eerste lid: Het eerste lid maakt dat het verboden is woonruimte te gebruiken voor het aanbieden van Bed and Breakfast, tenzij daarvoor de op grond van de Huisvestingsverordening benodigde vergunning is verleend. De ratio hierachter is dat bij de afweging in het kader van die vergunningplicht de gevolgen op de omgevingskwaliteit volledig worden betrokken. Een aparte vergunningplicht op grond van het omgevingsplan is daarmee overbodig. Wanneer op grond van de Huisvestingsverordening de benodigde vergunning is verleend, dan is de activiteit ook op grond van dit omgevingsplan toegestaan.
Het zondermeer toestaan van Bed and Breakfast, ervan uitgaande dat regulering door middel van de vergunning op grond van de Huisvestingsverordening plaatsvindt, is geen goede keuze, omdat in geval van nieuw te bouwen woningen een deel dat direct na oplevering voor Bed and Breakfast zou worden gebruikt geen onderdeel uitmaakt van de woonruimte, zodat de Huisvestingsverordening daarop niet van toepassing is. De Huisvestingsverordening geldt namelijk alleen wanneer iets een woonruimte is of is geweest. De Huisvestingsverordening geldt immers alleen voor woonruimten. Wanneer een ruimte binnen een woning direct voor Bed and Breakfast wordt gebruikt, heeft het deze functie niet (gehad) en geldt de Huisvestingsverordening niet. Wat onder Bed and Breakfast wordt verstaan, is bepaald in bijlage I. Daarin is opgenomen dat het gaat om het ter plaatse van de functie wonen tegen betaling in gebruik geven van: a. een onzelfstandige woonruimte binnen een zelfstandige woonruimte voor kort verblijf bij de bewoner van de zelfstandige woonruimte; b. bij zelfstandige woonruimte behorende opstallen voor kort verblijf bij de bewoner van de zelfstandige woonruimte. Deze omschrijving wijkt af van die in de Huisvestingsverordening. Dat is nodig omdat de Huisvestingverordening alleen van toepassing is op woonruimte, maar niet op de daarbij behorende gronden en opstallen.
Omdat het omgevingsplan daarop wel betrekking heeft, is het bepaalde onder b toegevoegd. Tweede lid: Het tweede lid maakt dat het verboden is Bed & Breakfast aan te bieden in de bij woonruimte behorende bijgebouwen. In bijlage I is bepaald dat onder een bijgebouw wordt verstaan een op het bij een hoofdgebouw behorend erf gerealiseerd gebouw dat niet in directe verbinding staat met het hoofdgebouw door bijvoorbeeld een opening of deur. Hierin verschilt het bijgebouw met een aanbouw of uitbouw. De huisvestingsverordening ziet op woonruimte, maar niet op de daarbij behorende bijgebouwen. Om dit te ondervangen is deze bepaling opgenomen. Derde lid: Het derde lid wijst locaties aan waar het eerste en tweede lid niet van toepassing is. Daar is Bed & Breakfast op grond van het omgevingsplan wel toegestaan. Daarbij is evenwel bepaald dat de Huisvestingsverordening onverminderd van toepassing is. Voor zover op de aangewezen locatie woonruimte aanwezig is, dan is op gebruik van die woonruimte voor Bed & Breakfast op grond van de Huisvestingsverordening nog altijd een onttrekkingsvergunning nodig. Deze bepaling is met name bedoeld om situaties waarin het bestemmingsplan Bed & Breakfast toestond, te consolideren.