CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 11 Nota van reactie Stadsdelen en stadsgebied voorontwerpwijziging Omgevingsplan Amsterdam (Omgevingsplan Amsterdam, Basisregeling).pdf

Raadscommissie Ruimtelijke ordening 4 september 2024, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Vaststellen van het Wijzigingsbesluit Omgevingsplan gemeente Amsterdam: Basisregeling (VN2024-007102)20.588 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Definitieve versie

4 juli 2023

Nota van reactie op de adviezen van de stadsdelen en stadsgebied op de eerste wijziging omgevingsplan (basisregeling) Inleiding Het college heeft bij besluit van 6 december 2022 de voorontwerpwijziging Omgevingsplan Amsterdam (Omgevingsplan Amsterdam, Basisregeling) vrijgegeven voor participatie en bestuurlijk overleg. Van de terinzagelegging is kennisgegeven in het Gemeenteblad (2023, 11617), het Parool, via de sociale mediakanalen van de Gemeente Amsterdam en op de inspraakpagina van de Gemeente Amsterdam. De voorontwerpwijziging Omgevingsplan Amsterdam (Omgevingsplan Amsterdam, Basisregeling), met de bijbehorende algemene en artikelsgewijze toelichting, heeft met ingang van 12 januari 2023 gedurende een termijn van acht weken ter inzage gelegen bij de stadsloketten en op www.amsterdam.nl/inspraak. Binnen deze termijn van acht weken zijn drie informatiebijeenkomsten georganiseerd. Daarnaast zijn de stukken in het kader van bestuurlijk vooroverleg om een reactie toegestuurd aan provincie, waterschappen en omliggende gemeenten. Parallel daaraan zijn de Dagelijks Besturen van de stadsdelen in de gelegenheid gesteld een advies uit te brengen. In deze nota van reactie zijn de adviezen opgenomen en van een reactie voorzien.

Aan stadsdelen gevraagd advies Het college heeft de Dagelijks Besturen van de stadsdelen verzocht: 1. kennis te nemen van het voorontwerpwijzigingsplan Omgevingsplan Amsterdam, Basisregeling (regels, algemene toelichting en artikelsgewijze toelichting) 2. kennis te nemen van de Raadsinformatiebrief en bijlage waarmee de raad wordt geïnformeerd de voorontwerpwijziging Omgevingsplan Amsterdam (Omgevingsplan Amsterdam, Basisregeling) en vrijgave voor bestuurlijk vooroverleg, advies stadsdelen en stadsgebied en participatie 3. het college te adviseren op het voorontwerpwijzigingsplan Omgevingsplan Amsterdam, Basisregeling, met als belangrijkste vraagpunten: a. Het zijn met name de hoofdstukken 2, 3, 5, 6 en 8 waarmee bij het faciliteren van gebiedsontwikkeling en het vervangen van bestemmingsplan wordt gewerkt. Daarvoor geldt de vraag of die bruikbaar zijn om met dat doel wijzigingen van het omgevingsplan te initiëren. Met daarbij direct de opmerking dat te allen tijde ruimte is voor aanvullende regels, of voor afwijkende maatwerkregels.1 Voor deze regels geldt dan ook de vraag of deze voldoende toetsbaar en handhaafbaar zijn. Bij die beoordeling moet worden uitgegaan van het idee dat de regels al zijn gebruikt voor het vervangen van het bestemmingsplan voor een bepaald gebied. b.

Hetzelfde geldt voor de andere hoofdstukken, die niet zozeer ruimtelijk van aard zijn, maar die allerlei activiteiten door middel van algemene regels reguleren. Daarvoor geldt dat de vraag of deze toetsbaar en handhaafbaar zijn primair bij VTH ligt, we verzoeken die vraag op dit moment op hoofdlijnen te beantwoorden. Vragen die daarbij gesteld 1 Met het begrip maatwerkregel wordt in deze reactienota geduid op een lokaal geldende regel waarmee in

afwijking van een algemeen geldende regel maatwerk wordt geleverd. Dat wijkt af van de meer beperkte betekenis die de Omgevingswet eraan toekent, namelijk dat het gaat om maatwerk dat op grond van het Besluit kwaliteit leefomgeving is mogelijk gemaakt.

1

Definitieve versie

4 juli 2023

kunnen worden zijn of de betreffende regels goed vindbaar zijn, of ze in verhouding tot elkaar op een logische plek staan, of de gekozen systematiek van regels en regelonderdelen duidelijk is, en of de regels er in zijn algemeenheid voldoende duidelijk en concreet uit zien. Zeker ook hiervoor geldt dat pas bij het daadwerkelijk werken met de afzonderlijke regels tegen vragen over specifieke regels zal worden aangelopen, en tegen gebreken en verbeterpunten. Ook daarvoor geldt dat zodra die worden opgemerkt, aanpassing in overleg zo snel mogelijk in gang wordt gezet.

Algemeen beeld Vanuit de Dagelijks Besturen van de stadsdelen wordt waardering uitgesproken voor de totstandkoming van de basisregeling, waarmee een grote stap wordt gezet in het realiseren van een integraal omgevingsplan voor Amsterdam. Aangegeven wordt dat de stadsdelen het afgelopen jaar uitvoerig betrokken zijn geweest bij de Basisregeling. Ook nu nog worden er hoofdstukken uitgewerkt, in samenspraak met de stadsdelen, en is het een doorlopend proces dat uiteindelijk moet leiden tot het eigenlijke Omgevingsplan. De gesprekken met vertegenwoordigers van de stadsdelen blijven dus doorlopen, ook na vaststelling van de basisregeling. Het algemene beeld dat uit de adviezen naar voren komt is dat de opzet, systematiek en inhoud van de basisregeling over het algemeen goed worden begrepen. Alle Dagelijks Besturen van de stadsdelen geven dan ook aan in te kunnen stemmen met de basisregeling. Hieronder volgen enkele algemene conclusies uit de adviezen: •

De Basisregeling lijkt erin geslaagd beleidsneutraal een goede basis te bieden om een groot deel van de onder oud recht vastgestelde bestemmingsplannen de komende jaren gebiedsgewijs te vervangen. Met de uniformerende Basisregeling zal in de toekomst eenduidiger voor bewoners, ondernemers en organisaties duidelijk worden wat waar wel of niet kan en mag in de stad en zullen de nu bestaande verschillen tussen bestemmingsplannen in de stad afnemen. Dit wordt als een grote meerwaarde gezien.

•

Er zijn ook wijzigingen die niet geheel beleidsneutraal zijn, en die wel inhoudelijk tot een andere betekenis van de regels leiden. Uit het overzicht van ‘betekenisvolle wijzigingen ten opzichte van het huidig stelsel’ blijkt dat er enkele nieuwe vergunningplichten worden geïntroduceerd. De uitvoering hiervan komt naar verwachting bij de VTH afdelingen van de stadsdelen te liggen. De druk op de bestaande VTH capaciteit is op dit moment echter reeds hoog. De Dagelijks Besturen adviseren het college om op stedelijk niveau extra capaciteit toe te kennen voor uitvoering van deze nieuwe taken, of middels prioritering inzichtelijk te maken aan welke andere onderwerpen minder capaciteit moet worden toegekend. In het vervolg van deze nota wordt hier op teruggekomen.

•

Met de geharmoniseerde opzet van ruimtelijke regels over onder meer gebruik en bouwwerken wordt de basisregeling gezien als een goede basis voor het later vervangen van de bestemmingsplannen. Het belang van regelharmonisatie wordt onderschreven, waarbij voldoende mogelijkheden worden gezien voor het doorvoeren van lokaal maatwerk. Hiermee is de Basisregeling in essentie goed bruikbaar om gebiedsontwikkeling of -transformatie mogelijk te maken

•

De Basisregeling biedt ook ruimte voor opname van regels over nieuwe onderwerpen. De basisregeling maakt het - beter dan nu - mogelijk om nieuw beleid sneller door te laten werken in de hele stad. De opzet biedt betere mogelijkheden dan nu om sneller adequaat in te kunnen spelen 2

Definitieve versie

4 juli 2023

op wensen en ontwikkelingen en om nieuw beleid sneller juridisch te laten doorwerken in de hele stad. •

De systematiek van de Basisregeling is over het algemeen goed te volgen. De milieu- en bouwregels onder het huidige recht waarvoor de regelgevende bevoegdheid van het rijk nu wordt gedecentraliseerd lijken goed geïntegreerd met het uniformerende karakter van de regeling. Datzelfde geldt voor de regels uit de Hemelwaterverordening en hoofdstuk 7 van de Erfgoedverordening. De ordening van al deze regels is zodanig gestructureerd dat deze daardoor goed toetsbaar en toepasbaar lijken.

•

De ordening van de regels over de verschillende onderwerpen zijn zodanig gestructureerd dat deze goed toetsbaar en toepasbaar lijken. Dat geldt voor zowel de ruimtelijke regels waarmee bestemmingsplannen vervangen moeten worden, als regels uit de erfgoedverordening, de hemelwaterverordening en regels over milieubelastende activiteiten. De regeling voor vergunningvrije bouwwerken wordt wel ingewikkeld gevonden.

•

Nu de vergunningplicht voor bouwactiviteiten betrekking heeft op een toets aan de regels uit het omgevingsplan, krijgen gemeenten meer ruimte om deze vorm te geven. Dat betekent dat gemeenten zelf gaan over de afbakening van de vergunningplicht, maar ook over de beoordelingsregels aan de hand waarvan de vergunningaanvragen worden getoetst. Daarmee kan de finale afweging op aanvaardbaarheid plaatsvinden op het niveau van de concrete aanvraag. In de Basisregeling is voor Amsterdam van dat laatste gebruik gemaakt door aanvullende beoordelingsregels op te nemen over die onderwerpen die beter zijn te beoordelen op het niveau van de concrete aanvraag dan op het niveau van een wijziging omgevingsplan. De onderzoekslast verschuift hiermee van de gemeente naar de initiatiefnemer, het moment van de vergunningaanvraag. VTH verwacht dat dit tot extra werklast zal leiden.

Door de Dagelijks Besturen van de stadsdelen zijn vragen en opmerkingen bij de basisregeling geplaatst. In deze Nota van reactie wordt hierop nader ingegaan. Vanuit de VTH-onderdelen van de stadsdelen is één integraal advies gegeven, dat door een aantal van de Dagelijks Besturen van de stadsdelen is overgenomen. Onder punt 2 wordt hierop ingegaan. Vervolgens wordt onder punt 3 tot en met punt 11 per stadsdeel ingegaan op aanvullende opmerkingen en vragen vanuit de Dagelijks Besturen van de stadsdelen. Een aantal onderwerpen kwam in meerdere of alle adviezen aan bod. Onder punt 1 wordt op de betreffende onderwerpen ingegaan. De adviezen hebben op onderdelen tot aanpassingen geleid. Bij de bespreking van de onderwerpen die het betreft, wordt dit aangegeven. In deze reactienota gehanteerde onderdeelnummering De artikel- en onderdeelnummering die in de adviezen voorkomt, heeft betrekking op de consultatieversie, gedateerd 14 september 2022. Vanwege wijzigingen die ten opzichte van die versie zijn aangebracht, correspondeert deze nummering in veel gevallen niet meer met de ontwerpversie van het omgevingsplan, zoals die in procedure wordt gebracht.

Omdat de artikelnummering van de ontwerpversie nog niet vaststaat, en ook na vaststelling door allerlei latere aanpassingen in het omgevingsplan nog veelvuldig zal wijzigen, is er in deze nota voor gekozen de artikelnummering van de consultatieversie te hanteren. Hetzelfde geldt voor de hoofdstuk- en paragraafnummering van de Algemene toelichting.

3

Definitieve versie

4 juli 2023

1. Algemene vragen en opmerkingen 1.1 Regeling vergunningvrije bouwwerken De verhouding tussen artikel 4.12, dat (behoudens uitzonderingen) generiek bepaalt voor welke bouwwerken geen omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit nodig is, en artikel 5.8, dat (behoudens uitzonderingen) generiek bepaalt welke bouwwerken zijn toegestaan, wordt complex gevonden. In artikel 4.7 is een verbodsbepaling opgenomen om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit bouwwerken te verrichten. De uitzonderingen op deze vergunningplicht zijn neergelegd in artikel 4.12. In dit artikel worden diverse bouwwerken opgesomd die buiten de vergunningplicht vallen. In artikel 4.12a is als voorwaarde vermeld dat artikel 4.12 uitsluitend van toepassing is, als het betreffende (vergunningsvrije) bouwwerk in overeenstemming is met de ruimtelijke regels over bouwwerken zoals neergelegd in afdeling 5.2. Om te bepalen of een in artikel 4.12 genoemd bouwwerk daadwerkelijk vergunningsvrij is, moet dit dus worden getoetst aan de ruimtelijke regels van afdeling 5.2. In afdeling 5.2 is echter artikel 5.8 opgenomen, waarin een tweede opsomming is neergelegd van bouwwerken die ‘ongeacht het bepaalde in paragraaf 5.2.3 tot en met 5.2.5’ zijn toegestaan. De in dit artikel opgesomde bouwwerken zijn nagenoeg gelijk aan de vergunningsvrije bouwwerken zoals opgesomd in artikel 4.12, maar op enkele onderdelen (o.a.

met betrekking tot de hoogte daarvan) wijkt de beschrijving af. Deze dubbele - op punten afwijkende - opsomming wekt verwarring in de hand. Geadviseerd wordt meer helder te omschrijven welke bouwwerken zijn uitgezonderd van de vergunningsplicht voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken zoals neergelegd in artikel 4.7. Reactie Met de regels in artikel 4.12 en 5.8 worden verschillende aspecten geregeld. Artikel 4.12 bepaalt, in navolging van artikel 22.27 bruidsschat, dat de vergunningplicht voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken niet van toepassing is op de daarbij aangegeven gevallen. Om die reden is dit artikel geplaatst in hoofdstuk 4, vlak na het artikel dat de betreffende vergunningplicht bevat (artikel 4.7). Artikel 4.12 is daarmee de opvolger van het huidig artikel 3, bijlage II Bor. Er geldt geen vergunningplicht voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken, maar er moet nog wel worden voldaan aan de ruimtelijke regels over bouwwerken, zoals gesteld in hoofdstuk 5 of het nog geldende bestemmingsplan. Artikel 5.8 bepaalt, in navolging van artikel 22.36 bruidsschat, dat de daarbij aangegeven bouwwerken ruimtelijk zijn toegestaan. Dit artikel is de opvolger van het huidig artikel 2, bijlage II Bor. Hoofdstuk 5 bevat locatiegerichte ruimtelijke regels over bouwwerken waarbinnen ze in beginsel zijn toegestaan.

Artikel 5.8 doet het zelfde voor de aangegeven bouwwerken, alleen dan niet locatiegericht, maar generiek. Dat een bouwwerk ruimtelijk is toegestaan, betekent nog niet dat er geen (aanvullende) vergunningplicht hoeft te gelden. Die vergunningplicht kan nodig zijn om bijvoorbeeld te toetsen op wat nu nog wordt genoemd redelijke eisen van welstand. Daarover gaat hoofdstuk 4. Hoewel de insteek van de systematiek gelijk is aan het huidig stelsel, is de opbouw anders, en dat vraagt gewenning. Extra complex is het dat ook het Rijk zelf regels stelt over de omgevingsplanactiviteit bouwwerken. Daarop hebben gemeenten geen invloed. In artikel 2.29 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) wordt een aantal bouwwerken opgesomd waarvoor geldt dat die ongeacht wat het omgevingsplan bepaalt, zijn toegestaan. Ook deze bouwwerken zijn onder huidig recht opgenomen in artikel 2, bijlage II Bor. Artikel 2.30 Bbl bevat daarop weer een uitzondering. In die gevallen worden de bouwwerken weer wel gereguleerd door het omgevingsplan. Paragraaf 10.5.3 en de artikelgewijze toelichting bij de betreffende artikelen bevatten een toelichting op deze systematiek voor de regeling over bouwwerken, en de keuzes die daarbij zijn gemaakt. Deze toelichting blijkt onvoldoende duidelijkheid te geven, en wordt in overleg met VTH aangepast.

4

Definitieve versie

4 juli 2023

1.2 Vergunningplicht voor aan- en uitbouwen op het achtererf Enkele Dagelijks Besturen gaan in op de mogelijkheid van de Omgevingswet om voor (onder andere) aanen uitbouwen een vergunningplicht in het omgevingsplan te introduceren. Met het introduceren van een vergunningplicht voor aan- en uitbouwen aan de achterzijde wordt het niet op voorhand onmogelijk gemaakt om dergelijke bouwwerken bij een woning te kunnen bouwen, maar er kan wel locatiespecifiek een nadere afweging worden gemaakt. Daarbij kunnen de gevolgen voor het woon- en leefklimaat van omwonenden, het voorkomen van hittestress, het behoud van groen, en het rainproof maken en houden van binnentuinen worden betrokken. Gevraagd wordt een gemeentelijke vergunningplicht (met binnenplanse afwijkingsmogelijkheid) voor aan- en uitbouwen aan de achterzijde met nader te onderzoeken voorwaarden dan wel de optie van het kunnen aanwijzen van de vergunningsvrije regeling per gebied of per bouwblok. Reactie In de basisregeling is reeds in de gevraagde mogelijkheid voorzien. Die is als volgt vormgegeven: •

In hoofdstuk 5 zijn de ruimtelijke regels over bouwwerken opgenomen, waarmee wordt bepaald binnen welke randvoorwaarden bouwwerken zijn toegestaan. Artikel 5.8 bevat een generieke regeling, die is ontleend aan het huidig artikel 2, Bijlage II Bor.

•

Artikel 5.8, onder a, bepaalt dat binnen de daarin aangegeven voorwaarden bijbehorende gebouwen op het achtererfgebied zijn toegestaan. Het gaat om aan-, uit- of bijgebouwen in het achtererfgebied.

•

Artikel 5.12 biedt vervolgens de mogelijkheid om locaties aan te wijzen waar artikel 5.8, onder a, niet van toerpassing is. De regel dat binnen de daarin aangegeven voorwaarden bijbehorende gebouwen op het achtererfgebied zijn toegestaan, geldt daar dus niet.

•

Het aanwijzen van locaties waar artikel 5.8, onder a, niet van toepassing is, gebeurt door daaraan de locatie-aanduiding ‘beperkingen erfbebouwingsregels’ te geven.

Door dat te doen, ontstaat er ruimte voor maatwerk. Dat maatwerk kan vervolgens op twee manieren worden toegepast. •

Allereerst kan voor de betreffende gronden met locatiegerichte ruimtelijke regels over bouwwerken worden bepaald binnen welke randvoorwaarden bijbehorende bouwwerken zijn toegestaan. Dat kan met toepassing van paragraaf 5.2.3, waarmee onder meer bepaald kan worden waar gebouwen zijn toegestaan, en wat de omvang en bouwhoogte ervan is. Voor zover een concreet initiatief blijft binnen die maxima, én blijft binnen de randvoorwaarden van artikel 4.12, kan het bouwwerk (vanwege artikel 4.12) worden gerealiseerd zonder omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken.

•

Een tweede mogelijkheid voor maatwerk is dat op het achtererf geen bebouwing wordt mogelijk gemaakt met toepassing van paragraaf 5.2.3. Omdat het bouwwerk dan in strijd is met afdeling 5.2, geldt de vergunningplicht voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken, ook als het bouwwerk valt onder artikel 4.12. Dat bepaalt artikel 4.12a. Met toepassing van artikel 4.26 kan dan met de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken worden afgeweken van de regels over bouwwerken, zoals opgenomen in afdeling 5.2.

Bij toepassing van artikel 4.26 komt het bevoegd gezag beoordelingsruimte toe. De beoordelingscriteria zijn opgenomen in het derde lid van artikel 4.26. Over deze binnenplanse afwijkmogelijkheid kan door het Dagelijks Bestuur uitvoeringsbeleid worden geformuleerd. Het derde lid wordt uitgebreid met een onderdeel dat er voor zorgt dat ook gevolgen die verband houden met klimaatverandering in de afweging kunnen worden betrokken. Daarbij kunnen die aspecten worden betrokken die de Dagelijks Besturen aangeven. 1.3 Bestaande binnentuinenregelingen in bestemmingsplannen Enkele Dagelijks Besturen wijzen op bestaande regelingen in bestemmingsplannen waarmee de mogelijkheid om vergunningvrij bijbehorende bouwwerken in het achtererfgebied te realiseren is beperkt. 5

Definitieve versie

4 juli 2023

Daar geldt voor een deel van de achtertuinen dat deze niet zijn aangemerkt als erf in de zin van artikel 1 van Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor), waarmee het vergunningsvrij bouwen is uitgesloten. Met de komst van de Omgevingswet worden de vergunningsvrije bouwwerken benoemd in het Omgevingsplan. Dat is ook gedaan in de Basisregeling. Maar daar is nu wel opgenomen dat een bijbehorend bouwwerk niet vergunningsvrij is als in het nog geldende bestemmingsplan is opgenomen dat deze gronden niet dienen te worden beschouwd als erf in de zin van artikel 1 van bijlage II behorende bij het voorheen geldende Bor. Daarmee blijven in de optiek van Dagelijks Besturen van de stadsdelen de verschillende binnentuinregelingen onverkort in stand en van kracht. Het College wordt verzocht dit te bevestigen. Reactie Voor wat betreft de binnentuinenregeling die in meerdere bestemmingsplannen voorkomt, moeten drie periodes van elkaar worden onderscheiden. Allereerst is er de periode dat de Omgevingswet in werking is getreden, maar de basisregeling nog niet. Als de Omgevingswet in werking treedt, ontstaat automatisch het omgevingsplan van rechtswege (zie meer uitgebreid paragraaf 6.2 van de algemene toelichting). In die tijdelijke regeling wordt ook het huidig artikel 2, Bijlage II Bor opgenomen (in artikel 22.36).

De huidige regeling voor vergunningvrije bouwwerken komt dus van rechtswege in het omgevingsplan. Het vereiste dat het gaat om een bouwwerk, gelegen in achtererfgebied, blijft van toepassing. Daaraan verandert niets ten opzichte van huidig recht. In de betreffende bestemmingsplannen is expliciet bepaald dat bepaalde gronden geen erf zijn in de zin van artikel 1, van bijlage II behorende bij het Besluit omgevingsrecht, zoals dat artikel luidt op het moment van de datum van inwerkingtreding van het betreffende bestemmingsplan. Daarmee is geen sprake van achtererfgebied, bedoeld in de zin van artikel 2, Bijlage II Bor. De bestemmingsplannen maken eveneens onderdeel uit van het omgevingsplan van rechtswege. Dat geldt dus ook voor deze bepaling. Planjuristen van de verschillende stadsdeelteams binnen Ruimte en Duurzaamheid hebben beoordeeld of de binnentuinenregeling zijn werking blijft behouden. Geconstateerd is dat dit het geval is. Vervolgens is er de periode dat de basisregeling als onderdeel van het omgevingsplan in werking is getreden. Met vaststelling van die basisregeling wordt onder andere het tijdelijke artikel 22.36 (dat dus in de plaats is gekomen van artikel 2, Bijlage II Bor) vervangen door artikel 5.8. Inhoudelijk wijzigt er wederom niets. Dat betekent dat ook dan de binnentuinenregeling zijn werking zou moeten behouden.

Anders dan in de adviezen wordt aangegeven, is in de basisregeling echter geen specifieke bepaling opgenomen dat een bijbehorend bouwwerk niet vergunningsvrij is als in het nog geldende bestemmingsplan is opgenomen dat deze gronden niet dienen te worden beschouwd als erf in de zin van artikel 1 van bijlage II behorende bij het voorheen geldende Bor. Dat zou ook niet nodig moeten zijn, omdat de regels inhoudelijk niet wijzigen. Alles overwegende wordt het toch wijs geacht een dergelijke bepaling op te nemen. Al is het maar om klip en klaar te stellen dat ook na vaststelling van de basisregeling deze werking blijft beoogd. Tot slot is er na inwerkingtreding van de basisregeling de periode waarin bestemmingsplannen worden vervangen. Dan kan op eenvoudiger wijze dan nu de vergunningvrije toestemming voor bijbehorende bouwwerken in het achtererfgebied worden uitgezet. Dat kan met toepassing van artikel 5.12, eerste lid. Dat biedt de mogelijkheid met een locatie-aanduiding gronden aan te wijzen waar artikel 5.8 niet van toepassing is. Zie hiervoor meer uitgebreid de reactie onder punt 1.2. 1.4 Nadere verdiepingsslag, voortzetting afstemming Ruimte en Duurzaamheid en VTH Een aantal Dagelijks Besturen geeft aan dat een verdiepingsslag op de basisregeling wenselijk is. Dit zal gedaan worden door het ambtelijk apparaat.

De uitkomst van deze verdiepingsslag zal teruggekoppeld worden aan de opstellers van de voorliggende basisregeling. Ook worden diverse redenen gegeven dat een blijvende afstemming om diverse redenen noodzakelijk is.

6

Definitieve versie

4 juli 2023

Reactie: De noodzaak voor verdere verdieping wordt onderschreven. Dat is een continu proces, niet alleen in aanloop naar de vaststelling van de basisregeling, maar ook in de jaren daarna. Het omgevingsplan, te beginnen met de basisregeling, is een omvangrijke regeling, waarin bekende onderwerpen op een andere manier worden aangevlogen (denk aan de geharmoniseerde ruimtelijke regels), maar waarin ook regels over voor gemeenten nieuwe onderwerpen zijn opgenomen, zoals de regels over milieubelastende activiteiten. Voor de organisatieonderdelen die hiermee moeten gaan werken betekent dit veel vernieuwing in hun dagelijks praktijk. Dat geldt met name voor het VTH-domein en Ruimte en Duurzaamheid. Het is van belang dat de strekking van de doelen achter de regels vooraf worden afgestemd, waarbij VTH en Ruimte en Duurzaamheid ook vanuit hun rol adviseren over de begrijpelijkheid en werkbaarheid van de regels. Het gaat echter niet alleen om afstemming vooraf. Vanuit de praktijk zal tegen vragen worden aangelopen, maar ook tegen onduidelijkheden en gebreken in de regeling. Als dat gebeurt, is van belang dat signalen daarover zo snel mogelijk bij de beheerders van de regeling bekend worden. In gezamenlijkheid moet dan worden gezocht naar verbetering.

Juist omdat straks sprake is van één regeling voor heel Amsterdam, is het van belang dat Ruimte en Duurzaamheid en alle afdelingen VTH van de stadsdelen en de Omgevingsdienst daarbij worden betrokken. Goede afstemming draagt ook bij aan een eenduidige uitleg van regels en begrippen. Er is straks sprake van één regeling voor heel Amsterdam, met een gelijk begrippenkader. Dat vraagt om geharmoniseerde toepassing van de regels. Dat betekent niet dat altijd dezelfde afweging moet worden gemaakt. Maar het betekent wel dat er geen verschil kan zijn in de uitleg over een bepaald begrip. De noodzakelijke verdieping vraagt dus interactie door de tijd heen tussen de beheerders van het omgevingsplan en de organisatieonderdelen die met het omgevingsplan moeten werken. Deze interactie vraagt een structurele afstemming. Die afstemming is reeds georganiseerd vanuit de werkgroep die zich bezig houdt met het opstellen van de basisregeling, maar verdient wel verdere concretisering en formalisering. In overleg met de betrokken organisatieonderdelen zal worden gezocht naar een goede invulling.

1.5 Uniformere regeling ter bescherming van het dakenlandschap Enkele Dagelijks Besturen wijzen op het ontbreken van een (uniformerende) regeling voor de bescherming van de cultuurhistorische waarden van met name de bovenste bouwlaag of bouwlagen, ter bescherming van het dakenlandschap dat doorgaans van cultuurhistorische waarde is in beschermde stadsgezichten. Het gaat hier om een belangrijke regeling waarvan Monumenten en Archeologie de laatste jaren in toenemende mate nadrukkelijk vraagt om aanscherping in regels. Dergelijke regelingen vragen in de Basisregeling om een goed sluitende uniformerende regeling die deze bescherming verder kan voortzetten of versterken. Er wordt vanuit gegaan dat dit op de een of andere manier kan worden meegenomen in de ontwerpfase of bij de vaststelling van de Basisregeling. Het betrekken van Monumenten en Archeologie is hierbij noodzakelijk. Reactie Samen met Monumenten en Archeologie wordt gewerkt aan aanvullende regelonderdelen ter bescherming van cultuurhistorische waarden in beschermde gezichten. Naar verwachting zullen deze onderdelen gereed zijn op het moment dat een ontwerpversie van de basisregeling wordt vrijgegeven voor publicatie en zienswijzen.

1.6 Regeling woonboten, passagiersvaart, pleziervaart en transport over water Een aantal Dagelijks Besturen geeft aan dat een (uniformerende) regeling ontbreekt voor woonboten (woonarken en woonschepen), passagiersvaart, pleziervaart en transport over water. Het gaat daarbij niet alleen om het innemen van een ligplaats en hierbij behorende voorzieningen als steigers, meerpalen etc., maar ook om de bijbehorende voorzieningen op de oever (veelal op gronden met het ‘gebruiksdoel Verkeer’, maar ook op gronden met andere gebruiksdoelen). Dergelijke regelingen komen nu in de hele stad voor en vragen in de Basisregeling ook om een goede sluitende uniformerende regeling. Er wordt 7

Definitieve versie

4 juli 2023

vanuit gegaan dat de Basisregeling op dit punt nog wordt aangevuld in de ontwerpfase of bij de vaststelling. Reactie Op dit moment wordt nog gewerkt aan een regeling voor ligplaatsen. Naar verwachting zal deze in de ontwerpversie worden opgenomen zoals aan het college wordt voorgelegd voor vrijgave voor terinzagelegging. Overigens gaat het om locatiegerichte regels, die (voor zover relevant) van toepassing kunnen worden voor een gebied nadat het nog geldende bestemmingsplan (onderdeel geworden van het omgevingsplan van rechtswege) is vervangen. Dat gebeurt bij afzonderlijke wijzigingsbesluiten. Daarbij zal ook per gebied moeten worden bekeken hoe wordt omgegaan met oevervoorzieningen. Een uniforme regeling die overal moet gelden ligt vooralsnog niet voor de hand. Daarvoor zijn de verschillende keuzes die zijn gemaakt in allerlei bestemmingsplannen te divers. Dat vergt eerst beleidsharmonisatie. 1.7 Planning vervangen bestemmingsplannen De Basisregeling biedt het kader van waaruit in een later stadium (na inwerkingtreding van de Omgevingswet) bestemmingsplannen vervangen worden door het omgevingsplan. Pas op dat moment zullen locatiegerichte regels per bestemmingsplangebied worden vastgesteld. Net als in de huidige systematiek zullen deze regels voor advies worden voorgelegd aan de stadsdeelcommissie.

Aangegeven wordt het belangrijk te vinden om als stadsdeel zeggenschap te hebben over het moment en de volgorde van het omzetten van bestemmingsplannen naar het omgevingsplan. Op deze manier kan rekening gehouden worden met wat er op dat moment in het gebied speelt, welke lokale opgaven, ambities en wensen er liggen. Zo kan bijvoorbeeld gestart worden met verouderde bestemmingsplannen. Reactie Om sturing te geven aan het vervangen van de bestemmingsplannen wordt momenteel gewerkt aan een plan van aanpak voor het vervangen van de bestaande bestemmingsplannen. Daarin zullen onder meer criteria worden opgenomen die worden betrokken bij het prioriteren. Dat plan van aanpak zal vooraf met de stadsdelen worden afgestemd. 1.8 Capaciteit VTH Grote zorg is er over de capaciteit binnen VTH. Met de basisregeling wordt ervoor gekozen extra beoordelingsregels op de bouwvergunning van toepassing te laten zijn. Die extra beoordelingsregels hebben betrekking op onderwerpen die alleen goed te beoordelen zijn op grond van het concrete bouwplan, zoals geluid, externe veiligheid, windhinder en windgevaar. Met deze keuze kan de afweging op het juiste moment worden gemaakt. Ook komt er een beperkt aantal nieuwe vergunningplichten, die betrekking hebben op bepaalde binnenplanse gebruikswijzigingen.

Onder huidig recht wordt in bestemmingsplannen voor dergelijke gevallen veelal in een binnenplanse afwijkmogelijkheid of nadere eisen-regeling voorzien. Desondanks wordt gevreesd voor een verdere toename van de werklast. De extra druk op de VTH capaciteit door introductie van nieuwe vergunningplichten kan niet zo makkelijk worden opgelost met uitbreiding van de adviestaken/ inhoudelijke beoordeling van R&D. Reactie De overstap naar huidig recht zal sowieso gevolgen hebben voor de werklast van VTH, maar ook voor andere organisatieonderdelen. Voor een deel zal dat het directe gevolg zijn van het moeten leren werken met nieuwe wet- en regelgeving op rijks-, provinciaal en gemeentelijk niveau. Voor een deel ook zal dat het gevolg zijn van inhoudelijke keuzes die in het omgevingsplan worden gemaakt. Dat geldt ook voor de keuze om voor een aantal onderwerpen het moment van finale beoordeling door te schuiven naar het concrete bouwplan. Bij die keuze staat, zoals ook in het advies wordt onderschreven, de zorg voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving voorop. Maar het gevolg voor de werklast moet wel worden onderkend, zodat tijdig maatregelen kunnen worden getroffen om die te ondervangen. Het ligt voor de hand 8

Definitieve versie

4 juli 2023

dat Ruimte en Duurzaamheid een ambtelijke adviesrol zal hebben bij de nieuwe beoordelingsaspecten. Het valt dan ook te verwachten dat de uitbreiding van het aantal beoordelingscriteria bij de bouwvergunning leidt tot een toename van de werklast voor zowel VTH als Ruimte en Duurzaamheid. Wat de consequenties voor de capaciteit van VTH zullen zijn, wordt verder uitgewerkt. Momenteel wordt daartoe in beeld gebracht in welke vergunningplichten, meldingsplichten, beoordelingsaspecten e.d. wordt voorzien, en hoe die zich verhouden tot bestaande instrumenten. Daarbij zal ook in beeld gebracht worden wanneer die nieuwe vergunningplichten, extra beoordelingsaspecten e.d. ingaan, want in heel veel gevallen gaat dat pas spelen als ergens het bestemmingsplan is vervangen. Hoe groot die zal zijn, valt echter moeilijk vooraf in te schatten, en is mede afhankelijk van de inrichting van werkprocessen. Dat speelt niet alleen bij de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken, maar ook voor buitenplanse omgevingsvergunningen voor een omgevingsplanactiviteit (buitenplanse afwijkvergunningen), waarvoor vanwege de Omgevingswet eveneens een breder beoordelingskader gaat gelden.

Wat beide vergunningen betreft wordt opgemerkt dat VTH en Ruimte en Duurzaamheid inmiddels zijn gestart met een werkgroep die in beeld gaat brengen wat de verruimde reikwijdte van de Omgevingswet gaat betekenen voor de te maken belangenafweging voor buitenplanse omgevingsvergunningen voor een omgevingsplanactiviteit. Op een later moment zal dit ook gebeuren voor de binnenplanse omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken. Dat kan later, omdat de basisregeling naar verwachting niet eerder zal zijn vastgesteld dan eind derde kwartaal 2024. Daarbij zal worden bekeken welke extra onderwerpen betrokken moeten worden in de afweging, en wat dat betekent voor de werkprocessen. Goed denkbaar is dat de inhoudelijke beoordeling die verband houdt met de extra beoordelingsregels bij Ruimte en Duurzaamheid komt te liggen. Daarbij moet wel gezorgd worden voor tijdige advisering vanuit Ruimte en Duurzaamheid, zodat besluitvorming over de aanvraag binnen de gestelde termijn kan plaatsvinden.

2. Integraal advies VTH Vanuit de VTH-onderdelen van de stadsdelen is één integraal advies opgesteld. Dit advies is door de Dagelijks Besturen van de stadsdelen Noord, Oost, Zuid Oost en Nieuw West overgenomen.

Algemeen Omgevingsplan 2.1 Transitie complex De systematiek waarbij zowel (nog) het tijdelijk deel als het nieuwe deel omgevingsplan onderdeel zijn van de basisregeling maakt deze regeling zeer complex. De Dagelijks Besturen beseffen dat deze constructie onontkoombaar is maar vreest wel dat dit nadelige gevolgen heeft voor zowel initiatiefnemers, derde belanghebbenden als voor VTH zelf. Reactie De overgang van het huidig stelsel is inderdaad zeer complex én onontkoombaar. Met de opzet van de basisregeling, de inhoud ervan, en de transitiestrategie wordt wel getracht nadelige gevolgen zo veel mogelijk te beperken. Zo worden de regels over bouwwerken en milieubelastende activiteiten, die bij wijze van bruidsschat in het omgevingsplan van rechtswege zijn komen te staan, ineens voor heel Amsterdam vervangen. Dus niet gebiedsgewijs bij bijvoorbeeld het vervangen van de bestemmingsplannen. Daarmee wordt voorkomen dat in verschillende delen van de stad verschillende regimes gaan gelden. Vervolgens kunnen de bestaande bestemmingsplannen gebiedsgewijs worden vervangen. Totdat dat is gebeurd, blijven die bestemmingsplannen als onderdeel van het omgevingsplan van rechtswege, gewoon gelden. Her en der staan in de basisregeling wel regels die kunnen conflicteren met regels in onder oud recht vastgestelde, nog niet vervangen bestemmingsplannen.

Waar dat het geval is wordt in de basisregeling met 9

Definitieve versie

4 juli 2023

voorrangsbepalingen geografisch aangegeven waar de bestemmingsplannen nog niet zijn vervangen, en welke regels voorgaan. Zo wordt binnen de complexe situatie die ontstaat, maximaal duidelijkheid gegeven. 2.2 Kruisverwijzingen De vele (kruis)verwijzingen in de artikelen maakt het plan moeilijk leesbaar. De verwijzingen naar artikelen in de Amvb’s onder de Omgevingswet hebben hetzelfde effect. Reactie: Het omgevingsplan bevat inderdaad de nodige kruisverwijzingen. Mede naar aanleiding van eerdere signalen vanuit met name het VTH-domein is getracht het aantal kruisverwijzingen zo veel mogelijk te beperken. Dat gewerkt wordt met interne kruisverwijzingen is echter onontkoombaar. Zo bevat het omgevingsplan allerlei verschillende vergunningplichten. Op elke afzonderlijke vergunningplicht zijn allerlei specifieke regels van toepassing, zoals uitzonderingsregels op de vergunningplicht, beoordelingsregels en aanvraagvereisten. Juridisch moet duidelijk worden bepaald op welke vergunningplicht de desbetreffende regels betrekking hebben. Dat kan slechts door te werken met kruisverwijzingen (bijvoorbeeld: ‘Deze beoordelingsregels zijn van toepassing op de vergunningplicht, bedoeld in artikel x’). Verder is het omgevingsplan een regeling voor heel Amsterdam. Daarbij wordt gewerkt met algemene regels die in beginsel overal gelden, maar waarbij lokaal maatwerk mogelijk is.

Dat maakt dat met lokale maatwerkregels wordt afgeweken van een verder algemeen gelden regel. Ook daarvoor moet duidelijk zijn van welke regel met de maatwerkregel wordt afgeweken. Ook daartoe dienen interne kruisverwijzingen (bijvoorbeeld: ‘In afwijking van artikel x, geldt …’). Zoals in het advies vermeld bevat het omgevingsplan ook kruisverwijzingen naar hogere wet- en regelgeving. Daarmee worden bijvoorbeeld artikelen of tabellen uit het Besluit kwaliteit leefomgeving van toepassing verklaard. Hiervoor is gekozen om te voorkomen dat het omgevingsplan en die hogere wet- en regelgeving inhoudelijk uit elkaar gaan lopen. In een aantal gevallen kunnen deze externe kruisverwijzingen beter worden vervangen door integratie van de regel of tabel waarnaar nu nog verwezen wordt. Zo kunnen de verwijzingen naar tabellen met geluidsnormen in het Besluit kwaliteit leefomgeving worden vervangen door opname van de betreffende tabellen in de regels zelf. Dat komt de leesbaarheid en begrijpelijkheid van de regeling ten goede. De regeling zal hierop nog worden nagelopen. 2.3 Uitleg gebruiksdoelen Niet alle gebruiksdoelen zijn eenduidig uitlegbaar. Dit kan leiden tot juridisch onhoudbare besluiten bij VTH. Reactie: De Dagelijks Besturen maken niet duidelijk op welke gebruiksdoelen wordt gedoeld.

Maar in de praktijk zal zich ongetwijfeld de situatie voor gaan doen dat bepaalde regels aanpassing of verduidelijking vragen. Het is van belang dat gebreken in de regeling zo snel mogelijk in beeld komen, en dat daartoe goede afstemming wordt ingericht. Meer hierover bij de reactie onder punt 1.4. 2.4 Aanvraagvereisten en beoordelingsregels in relatie tot vergunningchecker en aanvraagformulieren Gevraagd wordt of er bij de formulering van de aanvraagvereisten en de beoordelingsregels nagedacht is over de samenhang met de toepasbare regels (vergunningcheckers en aanvraagformulieren). Reactie: Ja, bij zowel de opbouw van de betreffende regels als de formulering ervan is daarmee rekening gehouden. In samenwerking tussen VTH en Ruimte en Duurzaamheid is dit getest aan de hand van de huidige Bomenverordening. Een logische juridische opbouw blijkt ook goede uitgangspunten te geven voor het maken van vergunningcheckers. Bij het koppelen van digitale kenmerken (annotaties) aan de desbetreffende regels

10

Definitieve versie

4 juli 2023

zal hiermee eveneens rekening worden gehouden, om het genereren en publiceren van toepasbare regels (aanvraagformulieren en vragenbomen) zo goed mogelijk te laten verlopen. 2.5 Integriteitstoets Gevraagd wordt of er is nagedacht over welke omgevingsplanactiviteiten moeten worden aangewezen voor een integriteitstoets (Bibob). Reactie: Artikel 5.31 van de Omgevingswet bepaalt dat het bevoegd gezag de omgevingsvergunning kan weigeren in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, voor zover de aanvraag betrekking heeft op onder meer een omgevingsplanactiviteit. In beginsel vallen alle in het omgevingsplan aangegeven vergunningen onder de reikwijdte van dit artikel. Maar het artikel heeft een "kan bepaling" in zich. In de huidige Beleidsregel Wet Bibob gemeente Amsterdam is aangegeven bij welke vergunningen de Wet Bibob wordt toegepast. Deze beleidsregel dient voor de komst van de Omgevingswet sowieso te worden aangepast, omdat erin wordt verwezen naar vergunningen op grond van wetgeving die opgaat in de Omgevingswet. Daarbij zal ook moeten worden bekeken op welke binnenplanse omgevingsvergunningen de Wet Bibob wordt toegepast. Over de vraag welke omgevingsvergunning moeten worden aangewezen, moet dus nog worden nagedacht.

Die vraag ligt overigens niet bij het organisatieonderdeel dat verantwoordelijk is voor het omgevingsplan, maar bij het organisatieonderdeel is dat ook nu verantwoordelijk is voor de huidige beleidsregel. Uiteraard zal daarover wel afstemming plaatsvinden. 2.6 Beheersorganisatie vereist Om alle komende wijzigingen in het omgevingsplan op een goede manier te laten doorwerken in de werkpraktijk van VTH is het een ‘must’ om hiervoor een beheersorganisatie op te richten. Reactie: Dat is juist. Een goede organisatie is nodig om het VTH-domein goed mee te nemen in voorgenomen en genomen wijzigingen, maar ook om vanuit VTH inzicht te krijgen in gebreken in de regelgeving waar men in de uitvoeringspraktijk tegenaan loopt. In de reactie onder punt 1.4 wordt hier nader op ingegaan. Kortheidshalve wordt daarnaar verwezen.

Algemeen hoofdstuk 2 2.7 Aanvraagvereisten onvolledig Verzocht wordt bij de aanvraagvereisten toe te voegen ‘locatie’ (coördinaten) in geval er geen adres voorhanden is. Reactie: In zijn algemeenheid geldt dat voor aanvragen om een vergunning de algemene aanvraagvereisten gelden zoals opgenomen in artikel 7.3 van de Omgevingsregeling. Daarin is reeds opgenomen dat bij een aanvraag ‘het adres, de kadastrale aanduiding of coördinaten van de locatie waarop de activiteit wordt verricht’ wordt verstrekt. In het omgevingsplan worden alleen aanvraagvereisten opgenomen die aanvullend zijn. Via de aanvraagformulieren zal duidelijk zijn welke aanvraagvereisten er van toepassing zijn, dus zowel die in het omgevingsplan staan als die in de Omgevingsregeling zijn opgenomen. Overigens bevat artikel 1.5 regels over het verstrekken van gegevens en bescheiden. Dat artikel zal nog wel in overeenstemming worden gebracht met artikel 7.3 van de Omgevingsregeling. 2.8 Informatieplichten Verzocht wordt informatieplichten explicieter te benoemen ter verduidelijking van wat er van een initiatiefnemer wordt verwacht. 11

Definitieve versie

4 juli 2023

Reactie: Hoofdstuk 2 bevat geen informatieplicht. Mogelijk wordt gedoeld op een eerdere conceptversie van de basisregeling, waarin nog een tweetal informatieplichten was opgenomen. Die zijn op verzoek van VTH geschrapt. 2.9 Onderscheid ‘ruimtelijke gebruik’ en ‘planologisch gebruik’ De termen ‘ruimtelijk gebruik’ en ‘planologisch gebruik’ worden beiden gebruikt. Wat is de reden hiervan? Reactie: Er is geen verschil beoogd. Waar nog ‘planologisch gebruik’ staat, wordt dit vervangen door ‘ruimtelijk gebruik’. 2.10 Onduidelijkheid aanvraagvereisten Bij aanvraagvereisten voor het wijzigen van het gebruik worden het beoogde en het huidige gebruik genoemd. Dit sluit niet aan met de gevraagde gegevens, een situatietekening met de bestaande en nieuwe toestand. Dit suggereert alsof er sprake is van een verbouwing. Die aanvraagvereisten behoren bij de omgevingsplanactiviteit bouwwerken. Reactie: Hoofdstuk 2 van de consultatieversie bevat nog geen aanvraagvereisten waarin deze begrippen voorkomen. Wel zullen er nog aanvullingen komen, waarbij inderdaad van belang is dat men in de aanvraag zowel inzicht verschaft in het huidig als het beoogd gebruik. Daar kan mogelijk ook een situatietekening bij nodig zijn. Het is onjuist te veronderstellen dat situatietekeningen uitsluitend behoren bij een aanvragen om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken.

Het wijzigen van een niet kwetsbaar gebouw naar een beperkt kwetsbaar gebouw kan mogelijk zijn zonder dat daarvoor ook een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken nodig is. Toch kan het daarvoor nodig zijn dat op een situatietekening wordt aangegeven waar het gebruik als beperkt kwetsbaar gebouw zal komen.

Specifiek hoofdstuk 2 2.11 Vergunningplicht wijziging gebruik naar beperkt kwetsbaar gebouw Wat is de reden dat in artikel 2.48, lid 1, onder b een vergunningplicht van toepassing is voor een wijziging van een beperkt of zeer kwetsbaar naar een beperkt kwetsbaar gebouw? Reactie: Artikel 2.48, lid 1, onder b, bevat een vergunningplicht om een beperkt kwetsbaar gebouw te wijzigen naar een andere beperkt kwetsbare gebruiksfunctie waardoor het aantal aanwezige personen toeneemt. De regeling heeft betrekking op wijzigingen van gebruik die passend zijn binnen de regels over gebruik, zoals opgenomen in hoofdstuk 3. Deze regeling hoeft alleen te gelden binnen de zogenaamde plaatsgebonden risico 10-6 contour. Dat gebied zal op de ‘kaart’ worden aangegeven als ‘beperkingengebied plaatsgebonden risico’. Daar geldt de regeling. Binnen dat gebied zijn vanwege de veiligheidsrisico’s beperkt kwetsbare gebouwen in principe niet toegestaan, maar het is mogelijk om hiervan gemotiveerd af te wijken. Met de locatiegerichte regels over gebruik in hoofdstuk 3 kunnen ze dan wel worden toegestaan, maar er geldt bij wijziging van gebruik naar een beperkt kwetsbaar gebouw een vergunningplicht.

Met deze regeling wordt beoogd te voorkomen dat bestaande beperkt kwetsbare gebouwen binnen de risicocontour hun bedrijfsvoering zodanig wijzigen (binnen de mogelijkheden van het omgevingsplan) dat het ongewenste gevolgen heeft voor de veiligheid van aanwezigen. Denk aan een bedrijf dat gedeeltelijk binnen de risicocontour ligt, met een opslagruimte of productiehal binnen die contour. Als het omgevingsplan verder geen nadere beperkingen bevat zou het mogelijk zijn om de bedrijfsvoering zodanig aan te passen dat juist het kantoorgedeelte binnen de contour wordt geplaatst. Dat is in principe onwenselijk omdat in het kantorendeel doorgaans meer mensen aanwezig zijn. Met deze vergunningplicht kan beoordeeld worden of dergelijke 12

Definitieve versie

4 juli 2023

aanpassing van de bedrijfsvoering al dan niet aanvaardbaar is voor de veiligheid van de aanwezigheden. Onder huidig recht is in bestemmingsplannen voor Westpoort de vestiging en uitbreiding van beperkt kwetsbare objecten uitgesloten binnen PR-contour, met een binnenplanse afwijkmogelijkheid. Dat is vergelijkbaar met de nu opgenomen vergunningplicht. Anders dan in de vraag aangegeven, heeft de regeling geen betrekking op zeer kwetsbare gebouwen. Die mogen sowieso niet worden toegestaan binnen een beperkingengebied plaatsgebonden risico, en worden met de locatiegerichte regels over gebruik, zoals opgenomen in hoofdstuk 3, dan ook niet mogelijk gemaakt. 2.12 Verbod op overbewoning In artikel 2.53 is het verbod op overbewoning van woonruimte opgenomen. Dit artikel heeft zijn oorsprong in het huidige Bouwbesluit 2012. Een groot aantal huishoudens in Amsterdam voldoet niet aan de in dit artikel genoemde normering. De Dagelijks Besturen vrezen verontruste reacties van bewoners en ook bestaat er de mogelijkheid dat er op basis van de publicatie van de basisregeling handhavingsverzoeken worden ingediend. Kortom dit kan opschudding veroorzaken. Reactie: Zoals in de reactie zelf al vermeld, is sprake van een bestaande regel die op rijksniveau vervalt. Dat betekent echter niet dat de regel niet langer nut heeft.

Zoals in de artikelgewijze toelichting is aangegeven is het bedoeld om te voorkomen dat de gezondheid van de bewoners door overbewoning in het geding komt. Dit voorschrift is nadrukkelijk niet bedoeld als normstelling in het kader van de verdeling van woonruimte. Op basis van dit voorschrift kan het bevoegd gezag alleen optreden in het uitzonderlijke geval dat er zoveel mensen in een woning of woonwagen wonen dat dit problemen voor de gezondheid kan opleveren. Daarin verandert dus niets. Het Rijk heeft het betreffende artikel bij wijze van bruidsschat opgenomen in hoofdstuk 22 van het omgevingsplan van rechtswege. In de consultatieversie van de basisregeling was het artikel met andere regels die nu nog worden gesteld in het Bouwbesluit, en die betrekking hebben op gebruik, verplaatst naar hoofdstuk 2. Met die verplaatsing naar hoofdstuk 2 was geen enkele inhoudelijke wijziging beoogd anders dan de regels over gebruik bij elkaar te plaatsen. Na ambtelijke afstemming met VTH is besloten het betreffende artikel vooralsnog in hoofdstuk 22 te laten staan. Onderzocht zal worden of het behoud van deze regel wenselijk is.

Algemeen hoofdstuk 3 2.13 Gebruik maximum bruto-vloeroppervlakte In de artikelen over het gebruik wordt als aanduiding het ‘maximum bruto-vloeroppervlak’ genoemd. Deze norm is in de praktijk slecht toetsbaar en/of handhaafbaar. Vooral bij grote (meerlaagse) gebouwen met mengfuncties is deze normstelling moeilijk te handhaven. Reactie: De problematiek is bekend. Het werken met dit soort normen is echter nodig om met name bij gebiedsontwikkeling de nodige flexibiliteit te creëren. Daar ligt niet op voorhand vast waar bijvoorbeeld detailhandel binnen een groter gebied mag komen, maar wel hoeveel dat maximaal in omvang mag zijn. Dergelijke regels vragen om overzicht in reeds gerealiseerd programma. Momenteel wordt onderzocht hoe dat op een meer effectieve manier kan worden vormgegeven. 2.14 Volkstuinparken In paragraaf 3.2.18 zijn de gebruiksvoorschriften voor ‘Volkstuinparken’ opgenomen. Moet het niet per aanduiding ‘Volkstuinenpark’ heten? Reactie: Meest gebruikte term is ‘volkstuinpark’ (enkelvoud) of ‘volkstuinparken’ (meervoud). Ook in de bestuurlijke stukken wordt in Amsterdam gesproken van volkstuinparken. 13

Definitieve versie

4 juli 2023

Specifiek hoofdstuk 3 2.15 Begrip ‘klaarblijkelijk bedoeld bouwwerk’ In artikel 3.11, lid 2, onder a, wordt het begrip ‘klaarblijkelijk bedoeld bouwwerk’ geïntroduceerd. Dit begrip is niet opgenomen in de bijlage met begrippen. Het begrip is niet specifiek genoeg. Dit vraagt om een toelichting of een opsomming van voorbeelden. Reactie: Met het artikel wordt beoogd te regelen in welke gevallen en waar een motorrijtuig op het bij een woonruimte behorend erf mag worden geparkeerd. Dat mag onder andere binnen een daartoe klaarblijkelijk bedoeld bouwwerk. In de artikelgewijze toelichting is reeds aangegeven dat daarbij gedacht kan worden aan een garage of een carport. De regel is ter verdere verduidelijking geherformuleerd, en komt te luiden: “In aanvulling op artikel 2.6 is het verboden een motorrijtuig op het bij een woonruimte behorend erf te parkeren, tenzij dit plaatsvindt [ ] binnen een bouwwerk dat klaarblijkelijk is bedoeld voor het parkeren van een motorrijtuig.” 2.16 Verbod op woningvorming In artikel 3.24 is een verbod opgenomen voor het verbouwen van woonruimte tot twee of meer woonruimten. Aangezien dit hoofdstuk over gebruik gaat zou ‘het veranderen of het wijzigen van woonruimte naar twee of meer woonruimten’ een betere formulering zijn, mede omdat er soms geen sprake is van een verbouwing. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het bewonen van meerdere etages.

Reactie: De Huisvestingsverordening is voor wat betreft regulering van woningvorming leidend. Met de bepaling wordt aangesloten op de gehanteerde terminologie in de Huisvestingsverordening. Hoewel de reactie inhoudelijk juist is, wordt toch vastgehouden aan die terminologie. Aan de Directie Wonen zal de suggestie worden meegegeven de terminologie aan te passen. Als dat gebeurt, zal de terminologie in het omgevingsplan daarmee in overeenstemming worden gebracht. 2.17 Vergunningplicht wijzigen bedrijf In artikel 3.61 is een vergunningplicht voor het wijzigen van een bedrijf opgenomen. De criteria voor deze vergunningplicht (toename van geur, geluid en uitstoot van stof) zijn niet concreet genoeg en daarom voor VTH niet handhaafbaar. Dit geldt ook voor de bijbehorende beoordelingsregels als genoemd in artikel 3.64. Reactie: De opmerking heeft betrekking op een vergunningplicht waarop uitzonderingen van toepassing zijn. Het is aan de initiatiefnemer zelf om te beoordelen of die uitzonderingen van toepassing zijn. Op zichzelf zijn de criteria voldoende concreet (geen toename geluid e.d.). De uitgangssituatie waarmee moet worden vergeleken of sprake is van een toename, ligt ergens nergens vast. Terecht wordt dan ook opgemerkt dat achteraf moeilijk valt te achterhalen of een initiatiefnemer terecht heeft afgezien van een vergunningaanvraag.

In overleg met VTH wordt onderzocht of een en ander op een betere wijze kan worden geregeld.

Hoofdstuk 4 & 5 2.18 Regeling uitzondering vergunningplicht omgevingsplanactiviteit bouwwerken niet helder De systematiek voor vergunningvrij bouwen, geregeld in artikel 4.12 en 5.8, wordt uiterst complex gevonden. De dubbele - op punten afwijkende - opsomming wekt verwarring in de hand. Geadviseerd wordt meer helder te omschrijven welke bouwwerken zijn uitgezonderd van de vergunningsplicht voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken zoals neergelegd in artikel 4.7.

14

Definitieve versie

4 juli 2023

Reactie: Het advies heeft betrekking op de regeling vergunningvrije bouwwerken. Kortheidshalve wordt verwezen naar de reactie onder punt 1.1. 2.19 Artikel 4.12 ‘Uitzonderingen op vergunningplicht artikel 22.26 – omgevingsplan onverminderd van toepassing.’ In artikel 22.27 van de Bruidsschat staat ‘omgevingsplan onverminderd van toepassing’. Daarmee wordt bedoeld dat als een bestemmingsplan, als onderdeel van het tijdelijk omgevingsplan, een verruiming van de bouwmogelijkheden ten opzichte van artikel 5.8 biedt artikel 4.12 de maximale begrenzing geeft. Uit de aanhef van artikel 4.12 is dat echter niet herleidbaar. Reactie: In het betreffende artikel 22.27 bruidsschat zijn de bouwwerken aangewezen waarvoor de vergunningplicht, bedoeld in artikel 22.26, niet van toepassing is. Met deze categorie van bouwwerken wordt artikel 3 van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht, met enkele ondergeschikte aanpassingen en een aanvulling van erf- en perceelafscheiding (hoger dan een meter maar niet hoger dan twee meter), voortgezet. Voor deze bouwwerken geldt weliswaar niet de vergunningplicht uit artikel 22.26, maar de overige regels uit het omgevingsplan blijven onverminderd van kracht. Dat betekent dat een bouwwerk onverminderd aan de materiële regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van het bouwwerk moet voldoen.

Er zal dus nog steeds aan de regels over bouwwerken en gebruik, zoals opgenomen in een onder oud recht vastgesteld bestemmingsplan, moeten worden voldaan. Is dat niet het geval, dan is een buitenplanse omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactivitei9t nodig. Het opschrift van artikel 22.27 bruidsschat probeert dit te duiden. Artikel 22.27 wordt met de basisregeling vervangen door artikel 4.12. Het opschrift daarvan is inderdaad enigszins aangepast, en luidt “Uitzonderingen op vergunningplicht, regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken onverminderd van toepassing”. De reden voor de aanpassing is dat het omgevingsplan na vaststelling van de basisregeling veel meer regels bevat dan het omgevingsplan van rechtswege. De essentie is dat ondanks het feit dat er geen vergunningplicht geldt voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken, wel voldaan moet worden aan de overige gestelde regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken. Het gewijzigde opschrift maakt dit duidelijk. Anders dan in de bruidsschat is een artikel 4,12a toegevoegd, dat bepaalt dat als sprake is van strijd met de ruimtelijke regels over bouwwerken, alsnog de binnenplanse vergunningplicht voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken geldt. Dat biedt de mogelijkheid om een binnenplanse afwijkmogelijkheid te creëren. Zie ook de reactie onder punt 1.1.

2.20 Criteria vergunningvrije bouwwerken De categorie van vergunningsvrije bouwwerken in artikel 5.8 onder a heeft zijn oorsprong in artikel 2, bijlage 2 van het Besluit omgevingsrecht. De criteria voor deze vergunningsvrije bijbehorende bouwwerken zijn zeer complex. Door die complexiteit is het niet mogelijk om hiervoor een vergunningchecker te maken. Amsterdam heeft hoofdzakelijk, al dan niet gesloten, rechthoekige bouwblokken waardoor het werken met vaste maten (gesloten normen) goed mogelijk is. Een eenvoudiger regeling voor vergunningsvrij bouwen is zowel in het belang van initiatiefnemers als voor de werkpraktijk van VTH. Reactie: Vooropgesteld moet worden dat artikel 5.8 niet bepaalt welke bouwwerken vergunningvrij zijn. Dat doet artikel 4.12. Artikel 5.8 bevat ruimtelijke regels over bouwwerken over hoofdzakelijk achtererfbebouwing, en geldt voor heel Amsterdam. Binnen de gestelde ruimtelijke regels zijn gebouwen op het achtererf in beginsel overal toegestaan. Daarmee voorziet de regeling in een continuering van bestaand recht, zoals nu nog opgenomen in artikel 2, bijlage II Bor. Omdat de bouwwerken binnen de daarbij gestelde regels ook passen

15

Definitieve versie

4 juli 2023

binnen de kaders van artikel 4.12, zijn ze (behoudens de in artikel 4.13 aangegeven uitzonderingen) ook vergunningvrij. Zie ook de reactie onder punt 1.1. De criteria zijn inderdaad complex. Maar het zijn bestaande criteria waarmee VTH reeds vele jaren werkt. En in de huidige situatie bestaat er ook reeds een vergunningchecker, waarin deze zijn verwerkt. In de praktijk leidt dit naar verluidt niet tot grote problemen. Alleen voor situaties met bestemmingsplannen waarin voor bepaalde binnentuinen is bepaald dat het geen erf in de zin van artikel 1, Bijlage II Bor is, gaat dit nog wel eens fout, omdat de huidige vergunningchecker daarmee geen rekening houdt. Omdat Amsterdam vanaf 1 januari 2024 zelf de informatie voor de vergunningchecker aanlevert, is dat probleem oplosbaar. Er wordt dan ook geen aanleiding gezien de bestaande regeling te wijzigen. 2.21 Rainproof en groen daken Het is van belang dat nieuwe bijgebouwen kunnen worden voorzien van een rainproof en groen dak. Deze aspecten komen in deze regeling niet aan de orde. De mogelijkheid van een schuin dak conflicteert wellicht met de uitvoering daarvan. Reactie: Paragraaf 4.3.4 consultatieversie bevat regels over hemelwaterafvoer bij bouwwerken. Met deze regels wordt de Hemelwaterverordening in het omgevingsplan geïntegreerd.

Het betreft algemene regels, die van toepassing zijn op onder meer nieuwe gebouwen, ongeacht of die vergunningvrij zijn. Uitgangspunt is dat het verboden is vanaf een gebouw hemelwater in het openbaar riool of op de openbare ruimte te lozen, tenzij een hemelwaterberging is aangebracht en in stand wordt gehouden (artikel 4.142 consultatieversie). Vervolgens wordt in artikel 4.143, eerste lid, bepaald aan welke vereisten een hemelwaterberging moet voldoen. Voor vergunningvrije bouwwerken wordt een uitzondering gemaakt in het vierde lid, mits het gebouw is voorzien van een groen dak met een bepaalde waterbergingscapaciteit. Uit de reactie blijkt niet dat een schuin dak met een dergelijk groen dak onmogelijk zou zijn. Maar voor zover dat niet realiseerbaar is, dan wordt teruggevallen op het vereiste van het eerste lid. 2.22 Bijbehorend bouwwerk in bijzondere gevallen In artikel 5.9 is een bijzondere geval beschreven dat in de werkpraktijk nauwelijks handhaafbaar is. Het betreft de voorwaarde van een inwendige scheidingsconstructie tussen een aanbouw en een uitbreiding daarvan met een berging. In de praktijk wordt die tussenwand niet aangebracht of na oplevering direct verwijderd zodat er een open verbinding ontstaat en daardoor ongewenste bewoning richting de achterzijde van het achtererf plaatsvindt.

Reactie: Artikel 5.8, onder a, staat binnen de aangegeven criteria erfbebouwing toe. In artikel 5.8, onder a, onder 7, aanhef en onder II, wordt als vereiste gesteld dat het bijbehorend bouwwerk, voor zover op een afstand van meer dan 4 meter van het oorspronkelijk hoofdgebouw, functioneel ondergeschikt moet zijn aan het hoofdgebouw. Dit vereiste is overgenomen uit het huidig artikel 2, bijlage II Bor. Blijkens de artikelgewijze toelichting op dat artikel kan het in deze gevallen slechts gaan om een gebruik dat ondersteunend is aan de primaire functie overeenkomstig de planologische bestemming van het hoofdgebouw. Bij woningen betekent dat bijvoorbeeld dat bijbehorende bouwwerken buiten de zone van 4 meter niet gebruikt mogen worden voor primaire woonfuncties, zoals woonkamer, slaapkamer en keuken. Uitsluitend ondergeschikte functies ten dienste van het hoofdgebouw zijn toegestaan. Bij een woning zal dat in het merendeel van de gevallen gaan om een garage/berging, bijkeuken, atelier (zie ABRvS 7 oktober 2009, LJN: BJ9533), tuinhuisje, fietsenberging of hobbyruimte.’ Voor gevallen waarbij een ruimte van een bijbehorend bouwwerk deels binnen en deels buiten de 4 meter grens ligt, is artikel 7 in bijlage II van het Bor opgenomen.

In zo’n ruimte vormt de 4 meterbegrenzing een soort onzichtbare lijn, waarbuiten uitsluitend nog een functioneel ondergeschikt gebruik mag worden gerealiseerd. De handhaafbaarheid van dit vereiste is in zo’n ruimte problematisch. Om die reden is in 16

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14446347/1