Bijlage 10 NvB inspraak- en vooroverlegreacties voorontwerp.pdf
Tekst van het document
Definitieve versie
23 juni 2023
Nota van beantwoording inspraak- en vooroverlegreacties eerste wijziging omgevingsplan (basisregeling) Inleiding Het college heeft bij besluit van 6 december 2022 de voorontwerpwijziging Omgevingsplan Amsterdam (Omgevingsplan Amsterdam, Basisregeling) vrijgegeven voor participatie en bestuurlijk overleg. Van de terinzagelegging is kennisgegeven in het Gemeenteblad (2023, 11617), het Parool, via de sociale mediakanalen van de Gemeente Amsterdam en op de inspraakpagina van de Gemeente Amsterdam. De voorontwerpwijziging Omgevingsplan Amsterdam (Omgevingsplan Amsterdam, Basisregeling), met de bijbehorende algemene en artikelsgewijze toelichting, heeft met ingang van 12 januari 2023 gedurende een termijn van acht weken ter inzage gelegen bij de stadsloketten en op www.amsterdam.nl/inspraak. Binnen deze termijn van acht weken zijn drie informatiebijeenkomsten georganiseerd. Daarnaast zijn de stukken in het kader van bestuurlijk vooroverleg om een reactie toegestuurd aan provincie, waterschappen en omliggende gemeenten. Er is een beperkt aantal reacties op de basisregeling naar voren gebracht. Van de volgende personen, bedrijven en instanties is een reactie ontvangen: Inspraakreacties: 1. Adressant 1 2. Bond van Volkstuinders 3. Erfgoedvereniging Heemschut 4. Havenbedrijf Amsterdam 5. Adressant 5 6. Koninklijke Horeca Nederland 7. Adressant 7 8. Eigen Haard 9.
CBRE Investment Management / WTC Amsterdam 10. Pipeline Control 11. Adressant 11 12. TenneT TSO B.V. 13. Adressant 13 14. Schiphol Nederland BV 15. Stichting Natuurbescherming ZO 16. Houthoff Buruma Bestuurlijk overleg 17. Veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland 18. Waternet 19. Provincie Noord-Holland 20. Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier In deze Nota van beantwoording worden de binnengekomen reacties in samengevatte vorm weergegeven en van een beantwoording voorzien, waarbij wordt aangegeven of de reactie aanleiding heeft gegeven tot aanpassingen. De reacties worden integraal als bijlage aan de Nota van beantwoording toegevoegd.
1
Definitieve versie
23 juni 2023
Namens Eigen Haard is een PDF-versie van de integrale basisregeling ontvangen met daarin digitaal aangebracht aantekeningen, losse vragen en opmerkingen. Meermaals is verzocht de reactie schriftelijk en uitgeschreven te geven. Hiervan is afgezien. De reactie kan daardoor ook niet integraal als bijlage worden toegevoegd. Een aantal van de indieners gaf aan bereid te zijn tot nader overleg, of graag nader overleg te willen. Waar dat, gelet op de gegeven reactie nodig was, heeft nader overleg plaatsgevonden. In een aantal gevallen zal dat overleg de komende tijd blijven plaatsvinden. In deze reactienota gehanteerde onderdeelnummering De artikel- en onderdeelnummering die in de adviezen voorkomt, heeft betrekking op de consultatieversie, gedateerd 14 september 2022. Vanwege wijzigingen die ten opzichte van die versie zijn aangebracht, correspondeert deze nummering in veel gevallen niet meer met de ontwerpversie van het omgevingsplan, zoals die in procedure wordt gebracht. Omdat de artikelnummering van de ontwerpversie nog niet vaststaat, en ook na vaststelling door allerlei latere aanpassingen in het omgevingsplan nog veelvuldig zal wijzigen, is er in deze nota voor gekozen de artikelnummering van de consultatieversie te hanteren. Hetzelfde geldt voor de hoofdstuk- en paragraafnummering van de Algemene toelichting.
A. Beantwoording van enkele meermaals ingediende reacties Er is een aantal algemene, terugkerende opmerkingen gegeven. Deze worden in dit onderdeel A beantwoord. Bij de beantwoording van de individuele reacties in onderdeel B wordt dan kortheidshalve naar de beantwoording in dit onderdeel A verwezen.
A.1 Vervangen bestemmingsplannen In veel van de reacties worden al dan niet impliciet vragen gesteld over de wijze waarop de bestaande bestemmingsplannen worden vervangen, en hoe daarbij met verschillende belangen rekening wordt gehouden. Zo vragen adressanten 5, 7 en 13 naar de wijze waarop bij het mogelijk maken van windturbines of evenementen rekening wordt gehouden met onder andere natuurwaarden en milieugevolgen. Koninklijke Horeca Nederland geeft aan dat een concrete invulling van het gebruiksdoel horeca ontbreekt. CBRE Investment Management en WTC Amsterdam vragen hoe de geldende bestemming voor het WTC wordt omgezet. Beantwoording: Met het vaststellen van de basisregeling wordt niet voorzien in het vervangen van geldende bestemminsplannen. Wel bevat de basisregeling een aantal hoofdstukken waarin al regels zijn opgenomen waarmee op een later moment de nog geldende bestemmingsplannen vervangen kunnen worden. Het gaat met name om de hoofdstukken 3, 5 en 6. De daarin opgenomen ruimtelijke regels zijn bedoeld om in de plaats te komen van de regels uit bestemmingsplannen. Dat zal gebeuren door middel van afzonderlijke wijzigingsbesluiten. Bij die latere wijzigingsbesluiten zal bepaald worden op welke wijze de bestemmingsplannen het beste kunnen worden omgezet. Dan wordt bepaald waar welk gebruik is toegestaan, waar bebouwing is toegestaan, en in welke omvang.
De vraag hoe bijvoorbeeld de geldende bestemming voor WTC zal worden omgezet, wordt dan beantwoord. Dat geldt ook voor nieuwe ontwikkelingen, zoals bijvoorbeeld het plaatsen van nieuwe windturbines. Als die ergens mogelijk worden gemaakt, gebeurt dat door een wijziging van het omgevingsplan. Met het vaststellen van de basisregeling wordt daarin nog niet voorzien. In heel veel gevallen zal blijken dat voor het vervangen van een bestaand bestemmingsplan aanvullende regels nog zijn. Of dat een lokaal afwijkende regel nodig is. Als dat het geval is, worden die aanvullende of
2
Definitieve versie
23 juni 2023
afwijkende regels voor de betreffende locatie aan het omgevingsplan toegevoegd. Op die wijze wordt het omgevingsplan de komende jaren steeds verder opgebouwd. Bij die afzonderlijke wijzigingsbesluiten zullen de keuzes die daarbij worden gemaakt, moeten worden gemotiveerd. Die motivering heeft betrekking op het wijzigingsbesluit. Zo bevat de basisregeling al wel regels waarmee windturbines mogelijk gemaakt kunnen worden, maar met vaststelling van de basisregeling worden nog nergens windturbines mogelijk gemaakt. Dat gebeurt pas bij latere wijzigingsbesluiten, waarmee een bestemmingsplan wordt vervangen (of met een afzonderlijk wijzigingsbesluit, specifiek bedoeld om windturbines toe te staan. Bij een dergelijk wijzigingsbesluit moet worden gemotiveerd op welke wijze rekening is gehouden met allerlei belangen, waaronder natuurwaarden en milieugevolgen. Die motivering kan ook aanvullende onderzoeken bevatten, specifiek betrekking hebbend op de betreffende wijziging. Die motivering komt niet in de algemene toelichting.
A.2 Ontbreken beleid voor aantal onderwerpen In een aantal reacties wordt aangegeven dat in de toelichting over sommige onderwerpen een beleidsmatige onderbouwing ontbreekt. Zo vraagt Havenbedrijf Amsterdam om opname in de algemene toelichting van inhoudelijke beleidsdoelen, en verzoekt ook Tennet TSO om specifieke beleidskaders in de toelichting te vermelden. Beantwoording: Zoals onder A.1 aangegeven, is het vaststellen van de basisregeling een eerste stap om te komen tot een integraal omgevingsplan voor heel Amsterdam. Nadat de basisregeling is vastgesteld, zullen er allerlei wijzigingsbesluiten volgen. Die wijzigingsbesluiten hebben betrekking op wijzigingen van zeer uiteenlopende aard. Ze kunnen betrekking hebben op bijvoorbeeld de inpassing van de bomenverordening, maar ook op het faciliteren van gebiedsontwikkeling. Elk van die wijzigingsbesluiten zal vergezeld gaan van een motivering, die specifiek betrekking heeft op de voorgenomen wijziging. Dit is toegelicht in paragraaf 1.3 van de algemene toelichting. Daarbij zal ook worden ingegaan op hoe de voorgenomen wijziging zich verhoudt tot allerlei vastgesteld beleid. Het heeft geen toegevoegde waarde in aanvulling daarop in de toelichting een inhoudelijke beschrijving op te nemen van al het op het omgevingsplan toepasselijk beleid, dat bovendien ook nog aan aanpassingen onderhevig is.
Daarvoor dient de motivering van de afzonderlijke wijzigingsbesluiten.
A.3 Ontbreken viewer In een aantal reacties wordt erop gewezen dat het ontbreken van een viewer het lastig maakt de impact van de basisregeling goed te kunnen beoordelen. Zo geeft het Havenbedrijf aan dat het ontbreken van een kaart of viewer de beoordeling van het nieuwe regelstelsel abstract maakt. Gevraagd wordt aan te geven wanneer en op welke wijze de gemeente partijen in de gelegenheid stelt tot elektronische raadpleging van het omgevingsplan. Verwacht wordt op basis daarvan opnieuw een inhoudelijke reacties te kunnen leveren. Tennet TSO geeft aan dat het niet mogelijk was om te overzien of alle hoogspanningsverbindingen, stations en dergelijke assets binnen het grondgebied van de gemeente op de juiste manier geborgd zijn. Ook Houthoff Buruma geeft aan het zinvol te achten de (digitale) plankaart en bijlagen informeel te delen, en niet pas voor het eerst als onderdeel van een ontwerpversie. Beantwoording: De mogelijkheid om de basisregeling in de viewer te raadplegen was er niet tijdens de participatieperiode. De landelijke voorziening waarin een (ontwerp)wijzigingsbesluit van het omgevingsplan raadpleegbaar is, biedt ook na inwerkingtreding van de Omgevingswet niet de mogelijkheid ook een voorontwerp van het wijzigingsbesluit te publiceren.
3
Definitieve versie
23 juni 2023
Zo snel mogelijk nadat de Omgevingswet in werking is getreden, zal het ontwerpwijzigingsbesluit voor de basisregeling na vrijgave door het college van burgemeester en wethouders worden gepubliceerd. Dat gebeurt op www.overheid.nl. Het omgevingsplan met daarin dit ontwerpwijzigingsbesluit verwerkt, zal vervolgens raadpleegbaar zijn in de viewer van het Omgevingsloket. Gedurende zes weken na bekendmaking van het ontwerpwijzigingsbesluit kan een ieder zienswijzen naar voren brengen. Hoewel het begrijpelijk is dat de regeling zonder weergave in de viewer als abstract wordt ervaren, wordt opgemerkt dat een viewer toegevoegde waarde heeft bij de weergave van locatiegerichte regels. Het gaat om regels die alleen op een bepaalde, op de kaart aangegeven locatie gelden. Of die bepalen dat iets alleen op een bepaalde, op de kaart aangegeven locatie mag (of juist niet). Of om regels met locatiegerichte normen (zoals bouwhoogtes). In hoofdstuk 7 van de algemene toelichting is nader ingegaan op locatiegerichte regels. Voor de weergave van locatiegerichte regels is een werkende viewer essentieel. Deze locatiegerichte regels zullen echter pas van toepassing gaan worden nadat bijvoorbeeld ergens een bestemmingsplan is vervangen. Zoals toegelicht onder A.1 is daarvan nu nog geen sprake. Er zijn al wel van dit soort regels opgenomen, maar ze gaan nog nergens gelden.
Voor deze locatiegerichte regels is de viewer op dit moment nog niet nodig. Ook voor de regels die al wel gaan gelden, voegt een viewer weinig toe: die regels gaan bij vaststelling van de basisregeling overal gelden. Het omgevingsplan is voor die onderdelen vergelijkbaar met een gewone gemeentelijke verordening. Het enige dat de DSO-viewer zal toevoegen is dat de betreffende regels vanuit een inhoudsopgave vindbaar zijn. Maar waar men ook klikt op de kaart, overal gelden deze regels en verschijnen ze in beeld.
A.4 Complexiteit van de regeling In verschillende reacties wordt aangegeven dat de regeling complex is, terwijl het doel van de wet toch is om te komen tot vereenvoudiging. Zo vraagt de Bond van volkstuinders zich af of de basisregeling leidt tot de beoogde vereenvoudiging. Adressant 5 vindt de opbouw op zich vrij gestructureerd maar het geheel blijft complex waarbij de onderlinge samenhang niet eenvoudig is te vinden, doordat regels over bijvoorbeeld windturbines op meerdere plaatsen in de regeling staan. Het Havenbedrijf vindt de structuur juist moeilijk, omdat er geen sprake is van het duidelijk trechteren van hoofdzaken naar randzaken. Adressant 7 geeft aan dat de samenhang moeilijk te doorgronden is, mede door het ontbreken van een groot aantal paragrafen. Beantwoording: Het is begrijpelijk dat de basisregeling als zeer uitgebreid en ingewikkeld wordt ervaren. De ervaren complexiteit lijkt verband te houden met een vergelijking met het bestemmingsplan die wordt gemaakt. Dat betreft een veelal vrij overzichtelijke regeling, die uitsluitend betrekking heeft op ruimtelijke ordening binnen een bepaald gebied, en die per bestemming aangeeft wat wel of niet aan gebruik en bouwwerken is toegestaan.
Daarvoor in de plaats komt een regeling voor heel de gemeente, die bovendien niet alleen regels bevat over gebruik en bouwwerken, maar ook regels over meer complexe onderwerpen zoals een vergunningstelsel voor bouwwerken, afwegingskaders met betrekking tot geluid, en regulering van milieubelastende activiteiten. Het betreft veelal technische wetgeving, over onderwerpen die tot inwerkingtreding van de Omgevingswet nog op rijksniveau geregeld worden. Opname van regels over al die onderwerpen maakt het omgevingsplan niet alleen zeer uitgebreid, maar ook op onderdelen zeer technisch. Daaraan valt niet te ontkomen. Met de opbouw van regelonderdelen en het gebruik van betekenisvolle opschriften bij hoofdstukken, afdelingen paragrafen, artikelen en dergelijk, is zo veel mogelijk structuur aangebracht. Dat moet de vindbaarheid van regels over een specifiek onderwerp vergroten. Daarbij zijn de regels zo helder mogelijk vormgegeven. Maar in veel gevallen staan het onderwerp en doel van de regel aan verdere
4
Definitieve versie
23 juni 2023
vereenvoudiging in de weg. Via de artikelgewijze toelichting wordt wel zo veel mogelijk duidelijkheid gegeven. Ook zal het Digitale Stelsel Omgevingswet daarbij een rol moeten spelen. Omdat er straks sprake is van één omgevingsplan, is het straks echter wel zo dat juist minder regelingen hoeven worden geraadpleegd. Dat vergroot in elk geval de vindbaarheid van de regels. Veel regels uit andere regelingen worden immers juist geïntegreerd in het omgevingsplan. De vereenvoudiging die het Rijk voor ogen heeft, moet dan ook worden gezien in het licht van het totale stelsel. Ook zal er geen sprake meer zijn van een bestemmingsplan met allerlei losse partiele herzieningen. Na elke wijziging van het omgevingsplan zal er een te raadplegen geconsolideerde versie van het omgevingsplan zijn. Dat geldt ook voor maatwerkregels die van algemeen geldende regels afwijken. Ook die worden deel van het omgevingsplan, en zijn als zodanig binnen dat ene omgevingsplan vindbaar.
A.5 Binnenplanse afwijkmogelijkheid ten opzichte van huidige ‘kruimelregeling’ beperkt In verschillende reacties wordt ingegaan op de binnenplanse afwijkmogelijkheid, zoals die is opgenomen in artikel 4.26 voorontwerpversie basisregeling. Verzocht wordt deze in overeenstemming te brengen met de huidige ‘kruimelgevallenregeling’ zoals opgenomen in artikel 4, bijlage II Bor. Beantwoording: Hoofdstuk 4 van de voorgestelde basisregeling kent een vergunningplicht voor het oprichten, in stand houden en gebruiken van een bouwwerk (omgevingsvergunning bouwwerken). Een van de beoordelingsregels bepaalt dat getoetst wordt aan ruimtelijke regels over bouwwerken, zoals opgenomen in hoofdstuk 5. Waar het bestemmingsplan nog niet is vervangen, wordt getoetst aan het bestemmingsplan.1 Is een aanvraag met de geldende ruimtelijke regels over bouwwerken in strijd, dan moet de binnenplanse omgevingsvergunning bouwwerken worden geweigerd. Voor bepaalde gevallen is echter voorzien in een binnenplanse afwijkmogelijkheid (artikel 4.26). Daarbij is deels aangesloten op de lijst met zogenaamde ‘kruimelgevallen’, waarvoor onder de Wabo buitenplans van het bestemmingsplan kon worden afgeweken. Niet alle gevallen zijn echter overgenomen. De afwijkmogelijkheden voor gebruik, opgenomen in artikel 4, lid 9 tot en met 11, bijlage II Bor, zijn niet overgenomen.
De afwijkmogelijkheid voor bijbehorende bouwwerken, opgenomen in artikel 4, lid 1, bijlage II Bor, is overgenomen, maar in omvang beperkt. Voor de beperkingen ten opzichte van artikel 4, bijlage II Bor, is gekozen om de volgende redenen: De onder de Wabo bestaande kruimelgevallenregeling heeft betrekking op het buitenplans afwijken van het bestemmingsplan. Op het buitenplans afwijken van het bestemmingsplan is in beginsel de uitgebreide procedure van toepassing. Voor de aangewezen kruimelgevallen kan met de kortere reguliere procedure worden afgeweken van het bestemmingsplan. De huidige kruimelgevallenregeling ziet dus op een snellere procedure voor de aangewezen gevallen. Bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet kan voor initiatieven die niet passen binnen het omgevingsplan eveneens met een buitenplanse ‘afwijkvergunning’ (de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit) worden afgeweken van het omgevingsplan. Daarvoor geldt (in afwijking van onder de Wabo) standaard de reguliere procedure. Voor procedurele versnelling is een kruimelgevallenregeling onder de Omgevingswet dus niet meer nodig. Toch wordt in het omgevingsplan zelf een soort van kruimelgevallenregeling geïntroduceerd (artikel 4.26).
De reden is niet dat dan een kortere procedure van toepassing is, maar dat (ten opzichte van de buitenplanse omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit) een beperkte beoordeling kan
1
Onder bestemmingsplan wordt in deze Nota van Beantwoording tevens verstaan uitwerkingsplan, wijzigingsplan, of welk ander plan dan ook, vastgesteld onder de Wet ruimtelijke ordening, dat als beoordelingskader voor bouwaanvragen geldt.
5
Definitieve versie
23 juni 2023
plaatsvinden. Die beperkte beoordeling kan alleen van toepassing zijn op initiatieven die voor wat betreft situering, omvang, aard en impact relatief beperkt zijn. Bovendien geldt voor de binnenplans vergunde gevallen niet de inpassingsplicht in het omgevingsplan, die wel geldt voor buitenplanse omgevingsvergunningen waarmee van het omgevingsplan wordt afgeweken. Juist voor relatief grote afwijkingen is die inpassing gewenst, omdat anders op enig moment niet meer op grond van het omgevingsplan valt te achterhalen wat nu wel of niet is toegestaan. Voor echt kleine afwijkingen, zoals opgenomen in artikel 4.26, is dat geen probleem. Het biedt bijvoorbeeld de mogelijkheid op maatwerk op gebouwdetails, waarbij net niet wordt voldaan aan de ruimtelijke regels over bouwwerken, zonder dat dit na realisatie van het gebouw vertaling naar algemene regels in het omgevingsplan behoeft. Het biedt ook ruimte voor maatwerk voor erfbebouwing, en voor de afweging of die wenselijk is. In artikel 4.26 worden daarom alleen initiatieven van beperkte omvang en impact aangewezen waarvoor met een binnenplanse omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken toestemming kan worden gegeven, ook al is het initiatief in strijd met de ruimtelijke regels over bouwwerken, zoals opgenomen in hoofdstuk 5 of in het nog niet vervangen bestemmingsplan.
Voor gevallen die niet onder artikel 4.26 vallen geldt dat nog altijd van de buitenplanse afwijkmogelijkheid gebruik kan worden gemaakt, en bovendien (behoudens uitzonderingen) met de reguliere procedure.
A.6 Zoekgebieden wind In een aantal reacties worden vragen gesteld over zoekgebieden wind in de hoofdgroenstructuur. Zo vraagt adressant 5 zich af hoe het kan dat in de HoofdGroenStructuur voor de zoekgebieden wind in beschermde natuur zomaar een uitzondering gemaakt op het bouwverbod voor windturbines, zonder dat een expliciete belangenafweging kenbaar wordt gemaakt. Adressant 7 geeft onder verwijzing naar subparagraaf 10.2.3.4.1 en 10.2.3.4.2 aan dat belangen van natuur en bewoners ondergeschikt worden gemaakt aan windturbines. Beantwoording De reactie lijkt niet zozeer betrekking te hebben op de basisregeling omgevingsplan, maar op nieuw beleid voor de Hoofdgroenstructuur (HGS) en het Programma Windenergie Amsterdam (PWA). In de participatieversie van de basisregeling zijn geen regels opgenomen over zoekgebieden voor windturbines. Gemeente Amsterdam werk aan het opstellen van een Programma Windenergie Amsterdam. In het PWA staat in welke zoekgebieden het beste windmolens kunnen worden geplaatst en onder welke voorwaarden kan worden gestart. Voor het PWA wordt een milieueffectrapport opgesteld, de plan-MER. In het planMER wordt onderzoek gedaan naar de gevolgen van windmolens op de omgeving en worden onder andere mogelijke gevolgen op veiligheid, geluid en gezondheid onderzocht.
Het onderzoek laat bijvoorbeeld ook zien wat de gevolgen voor kwetsbare dieren en natuur, en op het landschap kunnen zijn. Zo helpt het planMER om te bepalen welke zoekgebieden het meest geschikt zijn om windmolens te plaatsen. Vervolgens kan dit leiden tot wijziging van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, waarmee windturbines worden mogelijk gemaakt. Bij de in dat kader te maken afweging wordt onder andere ook gemeentelijk beleid voor de HGS en het PWA betrokken.
6
Definitieve versie
23 juni 2023
B. Beantwoording binnengekomen inspraakreacties 1. Adressant 1 1.1 Geluidsoverlast beperkende regels IKC Aangegeven wordt veel geluidsoverlast te ervaren als gevolg van een IKC (integraal kindcentrum) in het bouwblok. Het gebruik van een binnentuin van een gesloten bouwblok als speelterrein geeft veel overlast. In stadsdeel West staan bestemmingsplannen maximaal 1 kinderopvang per bouwblok toe, en er is geen kinderopvang toegestaan in een bouwblok indien er reeds een school zich bevindt in datzelfde bouwblok. Verzocht wordt de betreffende regels over kinderopvang in het bouwblok integraal over te nemen in het nieuwe omgevingsplan. Beantwoording Ook onder de Omgevingswet geldt dat stemgeluid niet in het omgevingsplan genormeerd kan worden. Artikel 5.73 Bkl staat daaraan in de weg. Op grond van dat artikel bepaalt een omgevingsplan dat de waarden die het omgevingsplan bevat voor geluid door een activiteit op geluidgevoelige gebouwen of in geluidgevoelige ruimten niet van toepassing zijn op o.a. onversterkt menselijk stemgeluid, tenzij het muziekgeluid is of daarmee is vermengd. De reden is dat een getalsmatige normering van stemgeluid in de praktijk slecht toepasbaar en handhaafbaar is gebleken.2 Voor stemgeluid geldt de hoofdregel dat de geluidbelasting aanvaardbaar moet zijn, maar worden er worden dus geen normwaarden gesteld.
Bij de vraag of het geluidniveau op een bepaalde locatie aanvaardbaar is, wordt wel rekening gehouden met dergelijk geluid. Voor onversterkt menselijk stemgeluid zijn kwantitatieve waarden in het algemeen minder geschikt. Om erin te voorzien dat het geluid op geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar is, kan de gemeente dit geluid wel reguleren op andere wijze, bijvoorbeeld door gebruiksregels op te nemen in het omgevingsplan.3 Dat kan in de vorm van de regels, zoals nu opgenomen in bestemmingsplannen in stadsdeel West. Maar er zijn meer mogelijkheden. Welke regels nodig zijn om een aanvaardbare situatie te borgen, wordt bepaald per wijzigingsbesluit waarmee het geldend bestemmingsplan wordt vervangen, of een nieuwe functie wordt mogelijk gemaakt. Aanvullende regels kunnen gebiedsgericht, per afzonderlijk wijzigingsbesluit, aan het omgevingsplan worden toegevoegd. Zie meer uitgebreid de beantwoording onder A.1. Het ligt voor de hand dat in het kader van die afweging bij het vervangen van bestemmingsplanen in stadsdeel West ook de huidige criteria worden betrokken. De basisregeling wordt al wel aangevuld met een regel die erin voorziet dat daar waar dit nodig wordt geacht, het maximum aantal kinderopvang er bouwblok wordt gemaximeerd. Daartoe wordt aan artikel 3.28 (participatieversie) een extra lid toegevoegd.
1.2 Ruimtelijke visie op IKC Verzocht wordt ruimtelijk beleid te maken wat betreft waar IKC’s toe te staan. De focus moet daarbij liggen op het voorkomen geluidsoverlast, en de zorg voor genoeg (buitenspeel)ruimte. In de basisregeling wordt een ruimtelijke visie op deze combinatie gemist. Beantwoording Januari 2018 heeft het college van burgemeester en wethouders de ‘Amsterdamse referentienorm voor maatschappelijke voorzieningen, groen en spelen’ vastgesteld. Het doel van een stedelijke referentienorm is het voorzien in voldoende en divers kwalitatief aanbod van (maatschappelijke) voorzieningen en deze nietwoonfuncties steviger te verankeren in de groei van de stad. De referentienorm brengt in beeld welke opgave hoort bij de in Koers 2025 vastgestelde woningbouwambitie. Onderdeel van de opgave is het realiseren van voldoende voorzieningen voor kinderdagopvang en primair onderwijs, maar ook speelmogelijkheden. De referentienorm wordt in een vroeg stadium van de planvorming betrokken. Los van de behoefte aan 2 3
Staatsblad 2018 292, p. 724. Staatsblad 2018 292, p. 362.
7
Definitieve versie
23 juni 2023
maatschappelijke voorzieningen, moet de ruimtelijke inpasbaarheid (o.a. geluidoverlast) maatschappelijke voorzieningen per concreet geval worden beoordeeld en afgewogen.
van
2. Bond van Volkstuinders 2.1 Vereenvoudiging? De rijksoverheid wil met de nieuwe Omgevingswet de regels voor ruimtelijke ontwikkeling vereenvoudigen en samenvoegen. Het is de vraag of dat wordt bereikt. De regeling is zeer uitgebreid, waarbij in specifieke plannen toch weer uitzonderingen op de algemene regeling moeten worden gemaakt. In die gevallen moeten dus twee regelingen worden geraadpleegd, terwijl nu alleen inzage van een bestemmingsplan is vereist. Beantwoording Voor een algemene reactie op de vraag of met dit omgevingsplan vereenvoudiging wordt bereikt, wordt kortheidshalve verwezen naar de beantwoording onder A.4. Wat betreft de opmerking dat straks in bepaalde gevallen in meerdere regelingen moet worden gekeken, wordt opgemerkt dat de geldende bestemmingsplannen niet ineens voor heel Amsterdam kunnen worden vervangen. Daar zal geruime tijd overheen gaan. Gedurende die periode gelden die bestemmingsplannen als juridisch onderdeel van het omgevingsplan, maar houden ze hun vorm als ‘los’ plan. Hetzelfde geldt voor (delen van) verordeningen die in het omgevingsplan mogen of moeten opgaan. Ook daarvoor geldt dat ze, totdat ze zijn geïntegreerd, zelfstandig blijven bestaan. En dus dat meerdere regelingen moeten worden geraadpleegd. Dat is inherent aan de grootschalige opgave waarvoor gemeenten worden geplaatst.
Meer uitleg hierover is te vinden in hoofdstuk 6 van de algemene toelichting bij het omgevingsplan. Het is echter niet zo dat in de nieuwe systematiek lokaal maatwerk buiten het omgevingsplan om wordt geregeld. Uitzonderingen op algemene regels in het omgevingsplan, komen ook in het omgevingsplan zelf te staan. In de regels wordt dan bepaald waar die uitzondering geldt. In de landelijke viewer, waarin het omgevingsplan raadpleegbaar wordt gemaakt, wordt dat op die locaties zichtbaar.
2.2 Belang voor de volkstuinparken De basisregeling wil bestaande regelingen samenvoegen en niet nieuwe regelgeving scheppen. De aanvullingen voor de volkstuinparken (vergunningvrij bouwen, volkstuinpark als gebruiksdoel) betekenen toch een aantal echte inhoudelijke wijzigingen. In die aanvullingen is niet of onvoldoende rekening gehouden met afspraken, die in 2021 met de gemeente zijn gemaakt. Zie de besluitvorming in de gemeenteraad van 22 december 2021, https://amsterdam.raadsinformatie.nl/vergadering/775569. Beantwoording De regels over volkstuinparken uit de bestemmingsplannen zijn omgezet naar het gebruiksdoel: volkstuinpark. Deze regels vervangen nog niet de bestemmingsplannen. Dat gebeurt op een later moment, door middel van afzonderlijke wijzigingsbesluiten (zie beantwoording onder A.1). Op een aantal punten is sprake van een beoogde inhoudelijke aanpassing van de regels. Zo is het bouwvergunningvrij maken van tuinhuizen, kassen en bergingen een verandering ten opzichte van de huidige regeling. In de praktijk werden deze bouwwerken nu al zonder vergunning gebouwd, maar formeel is dat niet toegestaan en zijn al deze bouwwerken illegaal gerealiseerd en zouden er dus alsnog legaliserende vergunningen aangevraagd en verleend moeten worden.
Gelet op ook de beantwoording hierna valt niet in te zien waar de basisregeling in strijd zou zijn met de gezamenlijke uitgangspunten zoals vastgesteld door de gemeenteraad op 22 december 2021. De regeling verandert niets aan de mogelijkheden, rechten en plichten en toegestaan gebruik van de volkstuinparken ten
8
Definitieve versie
23 juni 2023
opzichte van de huidige bestemminsplanregelingen en houden zeker geen beperking in van de gemaakte afspraken.
2.3 Volkstuinen algemeen In de basisregeling wordt bepaald dat een volkstuinpark uitsluitend is toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘gebruiksdoel: volkstuinpark’. Vervolgens wordt een volkstuinpark als volgt gedefinieerd (Artikel 5.43): “Complex van volkstuinen of nutstuinen, verenigingsgebouwen en gemeenschappelijke bouwwerken voor de leden van de vereniging of gebruikers van het volkstuinpark en gemeenschappelijke gronden, waarbij onderscheid gemaakt wordt in verblijfsrecreatieve volkstuinparken, dagrecreatieve volkstuinparken en nutstuinparken.” Deze omschrijving is te beperkt en stemt niet overeen met de in 2021 gemaakte afspraken over de verdere ontwikkeling van de volkstuincomplexen. Kern daarvan is ook een beter en meer divers gebruik van de volkstuinparken. De parken moeten ook faciliteiten bieden aan andere buurtbewoners en een bredere groep belangstellenden. Voorbeelden van mogelijkheden zijn: samenwerking voor gemeenschappelijke activiteiten en samenwerkingsvormen die op het externe buurtwerk zijn gericht: buiten spelen voor kinderen, bescheiden horeca, aanbieden van logeerhuisjes etc.” In de omschrijving van volkstuinparken moeten ook functies op het gebied van buurtinitiatieven en versterking van natuurwaarden worden opgenomen. Beantwoording Het is juist dat het beleid gericht is op een meer divers gebruik van volkstuinparken.
De juridische omschrijving van volkstuinparken staat echter geen van de genoemde andere functies, zoals die voortkomen uit de genoemde afspraken in de weg; alle afspraken kunnen zondermeer nagekomen worden binnen de nu voorgestane regeling in het omgevingsplan. Versterking van natuurwaarden hoeft niet juridisch mogelijk gemaakt te worden; dat kan altijd. Ook het faciliteren van buurtinitiatieven zal in veel gevallen gewoon mogelijk zijn binnen de nu opgestelde regels. Waar een meer divers gebruik betrekking heeft op bijvoorbeeld het mogelijk maken van horeca of het aanbieden van logeerhuisjes, dan zal per concreet geval bekeken moeten worden binnen welke randvoorwaarden dat eventueel mogelijk is. Als dergelijke functies wenselijk zijn, dan kunnen die aanvullend worden toegestaan, hetzij met nieuwe regels binnen de regels over het gebruiksdoel volkstuinpark, hetzij met het toekennen van een extra gebruiksdoel. Die afweging kan niet in zijn algemeenheid worden gemaakt, maar komt aan de orde in het kader van concrete initiatieven.
2.4 Vrijstelling voor tuinhuizen Tuinhuizen, kassen en bergingen op volkstuinparken worden volgens de basisregeling nu officieel vergunningvrije bouwwerken. Wij kunnen op dit moment niet overzien of er nog andere gevolgen zijn van deze vrijstelling van vergunningen. Graag zien we dan ook uw antwoord op de volgende vragen: a. of de vrijstelling betekent dat voor tuinhuizen de algemene regels over activiteiten met betrekking tot bouwwerken (Hoofdstuk 4 Basisregeling) niet gelden? b. of de vrijstelling ook betekent dat op een ander vlak (bouw, brandveiligheid etc.) ook geen nadere eisen worden gesteld aan tuinhuizen? c. of de vrijstelling met zich meebrengt dat de bepalingen op het gebied van milieubelastende activiteiten niet gelden voor volkstuinparken? Beantwoording Ad a. De algemene regels zijn (net als onder huidig recht) onverkort van toepassing op alle bouwwerken, inclusief vergunningvrije bouwwerken. Bovendien moet wel worden voldaan aan de ruimtelijke regels over bouwwerken zoals opgenomen in hoofdstuk 5 (of, als dat nog niet is vervallen, het nog geldende bestemmingsplan). Het is dus geen vrijbrief om ongelimiteerd te bouwen. Wordt niet voldaan aan die ruimtelijke regels, dan is alsnog een omgevingsvergunning nodig, namelijk een buitenplanse omgevingsvergunning om af te wijken van die ruimtelijke regels over bouwwerken. 9
Definitieve versie Ad b.
Ad c.
23 juni 2023
Alle andere wettelijke eisen die aan bouwwerken worden gesteld zijn ook van toepassing op vergunningvrije bouwwerken. Het gaat dan met name om de regels voor bouwwerken zoals opgenomen in het Besluit bouwwerken leefomgeving, dat gelijk met de Omgevingswet in werking treedt. Hoofdstuk 4 heeft betrekking op de omgevingsplanactiviteit bouwwerken. In hoofdstuk 10 zijn regels opgenomen over milieubelastende activiteiten. De regels hebben betrekking op verschillende activiteiten, en dienen een verschillend doel. Regels op het gebied van milieubelastende activiteiten worden niet ingeperkt voor vergunningvrije bouwwerken. Het toepassingsbereik van hoofdstuk 10 is per afdeling afzonderlijk bepaald. De (ontwerp-)basisregeling zal aangepast worden om reguliere activiteiten op volkstuinparken (anders dan eventuele bijzondere en afzonderlijk toe te laten activiteiten, zoals horeca) uit te zonderen van het toepassingsbereik van afdeling 10.2. De aard en omvang van reguliere activiteiten op een volkstuinpark zijn vergelijkbaar met wonen. De impact ervan is doorgaans vrij gering waardoor het niet wenselijk is om hiervoor de milieuregels te stellen die vooral voor bedrijfsmatige activiteiten zijn bedoeld. De andere afdelingen (algemene bepalingen en de lozingsregels) blijven wel van toepassing.
2.5 Voorschriften bouwwerken In artikel 5.43 van de ontwerp basisregeling “Tuinhuizen, kassen en bergingen op volkstuinparken” staan allerlei voor de Bond onbekende voorschriften over maten en bebouwingspercentages; deze kloppen niet met de tot nu toe door de Bond gehanteerde regels. De door de Bond gehanteerde regels werken prima en zijn destijds omarmd door de gemeente. Verzocht wordt de door de Bond gehanteerde regels (voor zover van toepassing) over te nemen. De volgende verschillen worden geconstateerd: a. Volgens de regels van de Bond mag een huisje een maximale oppervlakte van 28 m2 hebben. Dit lijkt op 10% van de oppervlakte van 300m2 (hetgeen u voorstelt), wat de oppervlaktemaat is die bij ons het meest voorkomt. De regel van 28 m2 per huisje komt ook tegemoet aan het gelijkheidsbeginsel, want ook een tuin van 200 m2 heeft daarmee een redelijk huisje, terwijl anderzijds een huisje van 40 m2 op een groot uitgevallen tuin van 400 m2 ongewenst is. b. Een percentage van tien procent van het oppervlak van de volkstuin heeft nadelige effecten als gepoogd wordt bestaande tuinen te splitsen (is onderdeel van de afspraken met de gemeente). Een dergelijk percentage zou betekenen dat bij splitsing het tuinhuis moet worden verkleind (lees in veel gevallen afgebroken), waardoor tuinders niet meer vrijwillig aan splitsing zullen meewerken. c.
De gezamenlijke oppervlakte van kweekkas en schuur mag binnen de regels van de Bond bij een tuinhuis niet meer bedragen dan 12 m²; ook dit voldoet prima om dezelfde redenen als hierboven onder de eerste bullit genoemd, en zou zo moeten blijven. Indien op een tuin geen tuinhuis staat mag men een kweekkas van maximaal 12 m² én een schuur van maximaal 6 m² te plaatsen. d. Een tuinhuis, schuur en kweekkas mag alleen uit hout, aluminium of kunststof bestaan. Beantwoording Ad. a: De ruimtelijke regels voor tuinhuizen, kassen en bergingen op volkstuinparken zijn opgenomen in artikel 5.43. Voor de in het omgevingsplan op te nemen algemene ruimtelijke regels over bouwwerken moet worden gekeken naar datgene wat bestuurlijk aanvaardbaar wordt geacht, niet naar wat een bond of vereniging met de eigen leden heeft afgesproken. De genoemde interne regels van de Bond van Volkstuinders zullen niet worden overgenomen in het omgevingsplan, net zoals ze nu niet uniform zijn opgenomen in de meeste bestemmingsplannen. De regels van de Bond van Volkstuinders gelden bovendien niet op volkstuinparken die niet zijn aangesloten bij de Bond. Nagenoeg alle bestaande tuinhuizen, kassen en bergingen voldoen aan de nu opgestelde ruimtelijke regels voor bouwwerken. Voor bestaande bouwwerken met grotere afmetingen gelden die grotere afmetingen als maxima. Dat is geregeld in artikel 5.43, lid 6.
10
Definitieve versie
23 juni 2023
De afmetingen zoals bepaald in artikel 5.43 geven de maximale omvang aan die op grond van het omgevingsplan zal zijn toegestaan. Het staat de volkstuinparken vrij om in hun reglement en verhuurovereenkomsten kleinere afmetingen op te nemen als zij dat om hun moverende redenen willen. Ad. b: Er is bewust voor gekozen om een oppervlaktemaat als percentage van de oppervlakte van de tuin te hanteren. Dat heeft tot gevolg dat bij splitsing van de tuin in absolute zin kleinere afmetingen zijn toegestaan. Het totaal toegestaan oppervlak blijft dan echter gelijk. Dat is overeenkomstig het uitgangspunt in de Hoofdgroenstructuur, waarin alle volkstuinparken zijn opgenomen, dat de oppervlakte verharding en bebouwing niet mag toenemen. Dat zou het geval zijn wanneer voor absolute oppervlaktematen zou worden gekozen. Om te voorkomen dat een bestaand gebouw na splitsing moet worden afgebroken, is een regel toegevoegd met als strekking dat bij splitsing van een volkstuin het bebouwingspercentage van toepassing is op de gesplitste volkstuinen tezamen. Ad. c: Zolang de maxima die het omgevingsplan aangeeft niet worden overschreden staat het de volkstuinparken vrij om in hun reglement en verhuurovereenkomsten beperkingen over de oppervlakte van kweekkassen, schuren en tuinhuizen op te nemen.
De zorg voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving noodzaakt niet tot het overnemen van die beperkingen in het omgevingsplan. Te meer niet daar er ook verenigingen zijn die niet bij de Bond zijn aangesloten. Ad. d: Het staat de volkstuinparken vrij om in hun reglement en verhuurovereenkomsten de materialen waarmee gebouwd mag worden zelf regelen. De zorg voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving noodzaakt niet tot het stellen van dergelijke regels in het omgevingsplan.
2.6 Verenigingsgebouw Artikel 3.160 van de ontwerp basisregeling gaat over het gebruik van een gebouw als verenigingsgebouw bij een volkstuincomplex. Het gebruik van een gebouw voor ontmoeting en administratie is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘verenigingsgebouw’. Deze omschrijving sluit niet aan bij de wensen van de gemeente zelf die juist pleit voor een veel bredere inzet van de verenigingsgebouwen ten behoeve van maatschappelijke functies en de ruimere openstelling van de tuinparken ten behoeve van alle Amsterdammers. In de eerdergenoemde afspraken staat ook dat (commerciële) exploitatie en ondersteunende horeca onder voorwaarden mogelijk wordt. Nog moet worden bepaald welke voorwaarden en kaders hiervoor gelden. Beantwoording Met artikel 3.160 wordt gestuurd op de plek waar een gebouw voor ontmoeting en administratie mag komen. Met de regels in afdeling 5.2 worden nadere regels over de omvang van het gebouw gesteld. De regel staat niet aan uitvoering van de principeafspraken in de weg. Het is altijd mogelijk om andere functies in de verenigingsgebouwen toe te staan. Dat kan door ook het betreffende gebruiksdoel, bijvoorbeeld horeca of maatschappelijke dienstverlening, aan de locatie te koppelen. Dat is dan helemaal in de lijn met de gemaakte afspraken. Dergelijke functies kunnen echter niet in zijn algemeenheid worden toegestaan.
Dat zal per concreet geval worden beoordeeld.
2.7 Vuilwaterlozingen Onder het huidige recht en in de bruidsschat is het toegestaan om huishoudelijk afvalwater in de bodem te lozen na zuivering bv. in een septic tank. Artikel 10.164 van de basisregeling staat dit niet meer toe, maar wel kan een vergunning hiervoor verkregen worden. Veel volkstuinparken zijn niet aangesloten op het gemeentelijk riool en lozen huishoudelijk afvalwater op de bodem na zuivering in septic tanks. De Bond pleit er voor om de regeling voor lozing via een septic tank uit de bruidsschat te behouden. Anders vallen alle tuinparken onder regels die hetzij tijdelijk zijn, of een uitzondering, of zich bevinden in een overgangssituatie.
11
Definitieve versie
23 juni 2023
In de afspraken van de gemeente Amsterdam en de volkstuinparken uit 2021 is opgenomen dat er onderzoek zal plaatsvinden naar oplossingen voor het vuilwater. Er is nog steeds geen verantwoordelijke aangewezen voor het uitvoeren van dit onderzoek. Ondertussen heeft het Hoogheemraadschap Hollands Noorder Kwartier al jaren geleden besloten dat de septic tanks die op de tuinparken van zijn grondgebied in Amsterdam Noord liggen voldoen aan de gestelde eisen. Beantwoording In het algemeen is het niet wenselijk dat huishoudelijk afvalwater wordt geloosd op de bodem. De gemeente heeft een wettelijke zorgplicht om dit water in te zamelen en te reinigen, en ter uitvoering hiervan is bijna overal riolering aanwezig waarop kan worden aangesloten. Het behouden van de regeling voor lozing van huishoudelijk afvalwater op de bodem, zoals opgenomen in de bruidsschat, is daarom in zijn algemeenheid niet nodig en ook niet wenselijk. Bij de volkstuinparken is sprake van een bijzondere situatie waarin de lozing van huishoudelijk afvalwater via een septictank in de bodem van oudsher plaatsvindt en in sommige gevallen ook door de gemeente werd aangelegd. Deze bestaande situaties zijn op grond van de overgangsregeling in artikel 10.172 lid 7 (participatieversie) toegestaan. (In de reactie wordt verwezen naar artikel 10.164 (lozen bij wonen).
Het verblijf op een volkstuin is geen wonen als bedoeld in het omgevingsplan. De lozing van huishoudelijk afvalwater bij andere activiteiten dan wonen wordt geregeld in artikel 10.172.) De overgangsregeling in artikel 10.172 lid 7 (participatieversie) vereist dat teruggekeken wordt naar de vervallen regeling van de bruidsschat. Bij volkstuinen komen deze lozingen veel voor, en er is sprake van een bijzondere situatie vanwege de omstandigheden genoemd in de inspraakreactie. Dat is aanleiding om een apart artikel op te nemen voor deze lozing bij volkstuinen. De ontwerp-basisregeling zal aangevuld worden. In de Aanpak voor ontwikkeling Amsterdamse volkstuinparken (vastgesteld door de raad op 21 december 2022) is een onderzoek naar oplossingen voor de vuilwateropgave aangekondigd. Dit onderzoek wordt nog opgepakt.
3. Erfgoedvereniging Heemschut Ordewaardering panden Amsterdam kent een systeem van ordewaardering, dat een richtlijn is voor het erfgoed en welstandstoezicht van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit. Hoe wordt deze waardering vastgelegd in het Omgevingsplan? In sommige bestemmingsplannen (zoals in het Centrum) is aan orde 2 een sloopvergunningsstelsel gekoppeld; in andere gebieden kan men volstaan met een zogenaamde sloopmelding. Besloten is het sloopvergunningsstelsel voor orde 2 uit te breiden tot de gehele gemeente. Hoe wordt dit vastgelegd in het Omgevingsplan? Erfgoedvereniging Heemschut is een groot voorstander van het hanteren van de orde-waardering en uitbreiding van het sloopvergunningsstelsel voor orde 2. Heemschut dringt daarom aan op actualisatie en uitbreiding van de ordewaardering voor de gehele gemeente. Beantwoording Momenteel wordt gewerkt aan een parapluherziening van bestaande bestemmingsplannen waarin bescherming voor orde 2 panden en orde 1 panden (voor zover niet aangewezen als gemeentelijk monument) wordt geregeld. In het kader van die procedure wordt besloten over de wijze waarop bescherming plaatsvindt. Deze parapluherziening zal van rechtswege onderdeel worden van het omgevingsplan (zie hoofdstuk 6 van de algemene toelichting). Op termijn zal die regeling met het daarbij behorende beschermingsregime worden geïntegreerd in het omgevingsplan.
12
Definitieve versie
23 juni 2023
4. Havenbedrijf Amsterdam 4.1 Algemeen Het Havenbedrijf geeft aan een tabel te kunnen nasturen met vragen of opmerkingen die te specifiek of detaillistisch van aard zijn om in de reactie op te nemen. Beantwoording De tabel is ambtelijk met het Havenbedrijf besproken, en behoeft in het kader van deze nota van beantwoording geen nadere toelichting.
4.2 Lastige structuur De gebruiker zou erop vooruit moeten gaan qua eenvoud en eenduidigheid van het stelsel. Qua structuur is er bijvoorbeeld geen sprake van het duidelijk trechteren van hoofdzaken als een bestemming en bouwregels naar randzaken als uitzonderingen en mogelijkheden om af te wijken. De ervaring is dat de nieuwe regels in deze structuur lastig te begrijpen en doorgronden zijn. Beantwoording Voor een algemene reactie op de vraag of met dit omgevingsplan vereenvoudiging wordt bereikt, wordt verwezen naar de beantwoording onder A.4. Voor wat betreft het ‘trechteren’ maakt het Havenbedrijf de vergelijking met het bestemmingsplan. Het omgevingsplan is echter geen bestemmingsplan. Dat vraagt gewenning. Een omgevingsplan bevat over veel meer onderwerpen regels, dan nu het bestemmingsplan. Overigens worden de regels over gebruik en bouwwerken, zoals nu opgenomen in bestemmingsplannen, min of meer op dezelfde wijze getrechterd, alleen vanuit een andere opbouw. Het omgevingsplan bevat geen regels per bestemming, maar regels per activiteit. Regels over gebruik, zoals we die kennen uit bestemmingsplannen, zijn in hoofdstuk 3 opgenomen. Het hoofdstuk is opgebouwd vanuit een groot aantal afzonderlijk te onderscheiden gebruiksdoelen. Aan een locatie kunnen één of meerdere gebruiksdoelen worden toegekend. Per gebruiksdoel wordt bepaald waar dat is toegestaan.
Daarbij worden per gebruiksdoel waar nodig aanvullende regels gesteld. Waar welk gebruiksdoel is toegestaan, en waar welke aanvullende regels gelden, is straks zichtbaar in de viewer. Hetzelfde geldt voor alle andere locatiegerichte regels, zoals de ruimtelijke regels over bouwwerken. In de viewer worden voor een geselecteerd gebied (desgewenst) alleen die regels getoond die daar gelden. Op deze manier vindt de gevraagde trechtering plaats.
4.3 Oude en nieuwe regels naast elkaar Ook zullen bedrijven in het havengebied in de eerste jaren na inwerkingtreding te maken hebben met oude en nieuwe regels naast elkaar. Hoe wordt ervoor gezorgd dat individuele bedrijven zelf de gevolgen van het nieuwe regelkader voor hun bedrijfsvoering kunnen nagaan? Beantwoording Gedurende de overgangstermijn van valt helaas niet te ontkomen een het naast elkaar bestaan van oude,, nog te vervangen regels, en nieuw regels. Wel wordt er alles aan gedaan om zo veel mogelijk duidelijkheid te geven. Dat is ook een van de redenen dat er voor wordt gekozen de bruidsschat voor het overgrote deel ineens voor heel Amsterdam te vervangen. Dat voorkomt dat in verschillende delen van de stad verschillende algemene regels over hetzelfde gaan gelden. Ook wordt op verschillende plekken in het omgevingsplan duidelijk gemaakt dat bepaalde regels niet gelden waar het onder de Wro vastgestelde bestemmingsplan nog niet is vervallen. Daarbij wordt ook inzichtelijk gemaakt waar dat het geval is. In de landelijke viewer zal dat zichtbaar zijn. Bestemmingsplannen die nog niet zijn vervangen, zullen ook raadpleegbaar zijn via de landelijke viewer. Dat geldt echter niet voor gemeentelijke verordeningen. Die blijven, totdat ze opgaan in het
13
Definitieve versie
23 juni 2023
omgevingsplan, raadpleegbaar via www.overheid.nl. Voor (delen van) verordeningen die niet opgaan in het omgevingsplan, blijft dat sowieso het geval.
4.4 Gemeentelijke beleidsdoelen meer centraal Verzocht wordt na te denken over de toegankelijkheid van de omgevingsplandocumenten voor alle gebruikers. De huidige algemene toelichting is nogal omvangrijk; hieruit spreekt de regeltechnische zoektocht. In plaats daarvan zouden de gemeentelijke beleidsdoelen voor de fysieke leefomgeving waarvoor de regels worden ingezet, centraler kunnen worden gesteld. Beantwoording Bij het opstellen van zowel de regels als de toelichting is gekozen voor een zo groot mogelijke toegankelijkheid voor alle gebruikers. Het hoofddoel van de toelichting is het onderbouwen van de daarbij gemaakte keuzes. De omvang is daaraan ondergeschikt. Gelet op een deel van de reacties, waaronder die van het Havenbedrijf, waaruit blijkt dat een aantal keuzes onvoldoende duidelijk is, zal die toelichting juist verder worden uitgebreid. Voor wat betreft de vraag om inhoudelijk beleid meer centraal te stellen wordt kortheidshalve verwezen naar de beantwoording onder A.2.
4.5 Transponeringstabel oud en nieuw recht In het licht van de overgangssituatie is een vergelijking van oud en nieuw wenselijk. Transponeringstabellen kunnen hierbij wellicht behulpzaam zijn, zoals de tabel voor de omzetting van de bruidsschat naar de basisregels. Dit soort werkbestanden zouden dan opzichzelfstaand en actueel moeten zijn. Wat betreft dat laatste wordt geconstateerd dat de bruidsschat-tabel alweer verouderd is ten opzichte van de actuele versie van de bruidsschat. Beantwoording Voor de omzetting van de bruidsschat was zoals het Havenbedrijf aangeeft een transponeringtabel opgenomen. In de ontwerpfase is dit niet meer nodig. Bij het (ontwerp) wijzigingsbesluit zit een wijzigbijlage, waarin de wijzigingen ten opzichte van het tot dan geldend omgevingsplan worden weergegeven. Daarbij wordt per nieuw artikel aangegeven welk artikel het in de bruidsschat was, en welke wijzigingen zijn aangebracht. Als bijlage 1 is een voorbeeld van een wijzigbijlage opgenomen. Voor andere overgangssituaties, zoals het vervangen van bestemmingsplannen en verordeningen, werkt dit niet. Dat komt omdat de regels die worden vervangen niet reeds in het omgevingsplan staan. Voor de overgang van de bestemmingsplannen naar het omgevingsplan is het maken van een transponeringstabel niet mogelijk.
Daarvoor zullen (net als onder huidig recht) de (nieuwe) ruimtelijke regels die binnen een bepaald gebied (zijn) gaan gelden moeten worden geraadpleegd in de landelijke viewer, en (desgewenst) worden vergeleken met het tot dan geldend bestemmingsplan.
4.6 Afstemming met omringende gemeenten Wat betreft uniformiteit en harmonisatie benadrukt het Havenbedrijf ook te maken te hebben met andere gemeenten en hun omgevingsplannen. Het is voor bedrijven van belang dat zij niet geconfronteerd worden met telkens andere regelkaders. Uitgaande van de gemeentelijke autonomie in het vaststellen van het omgevingsplan, wordt gepleit voor afstemming met de omringende gemeenten. Beantwoording Zoals het Havenbedrijf aangeeft is het is binnen de gegeven wettelijke kaders aan elke gemeente zelf om te bepalen hoe het omgevingsplan wordt vormgegeven. Bovendien hebben gemeenten binnen de instructieregels van onder andere het Rijk ruimte om daarbij zelf normering aan te brengen. Elke gemeenten zal daaraan zelf invulling moeten geven. Wel is de conceptversie van de basisregeling in het kader van het bestuurlijk vooroverleg met de omliggende gemeenten gedeeld, met de mogelijk erop te reageren. Hierop zijn geen van 14
Definitieve versie
23 juni 2023
gemeenten reacties gekomen. Bij toekomstige wijzigingsbesluiten, die relevant kunnen zijn voor buurgemeenten, zal net als nu in het kader van bestuurlijk overleg afstemming plaatsvinden.
4.7 Aandacht bij gebiedsgewijze benadering voor interactie tussen stedelijke gebieden en het havenindustriegebied De stapsgewijze benadering met eerst de basisregeling en daaropvolgend gebiedsgewijze omzettingen in de komende jaren is vanuit het oogpunt van beheersbaarheid begrijpelijk. Gevraagd wordt om daarbij aandacht te hebben voor de mogelijke gevolgen voor aangrenzende gebieden. De integratie van de milieuregels in het omgevingsplan brengt een interactie tussen stedelijke gebieden en het havenindustriegebied. De wederzijdse gevolgen in met name de gebruiksmogelijkheden van het havenindustriegebied en de aangrenzende gebieden zullen vooraf goed doordacht moeten worden. Beantwoording De gebiedsgewijze benadering heeft alleen betrekking op het vervangen van de geldende bestemmingsplannen en andere ruimtelijke plannen, en latere ‘ruimtelijke’ wijzigingen. Daarbij worden tevens bepaalde op grond van het Bkl aan te wijzen beperkingengebieden en dergelijke meegenomen. Bij die gebiedsgewijze wijzigingen zal rekening worden gehouden met de gevolgen voor onder meer de gebruiksmogelijkheden binnen en buiten het wijzigingsgebied. Het vereiste van een evenwichtige toedeling van functies aan locatie brengt dat mee.
4.8 Objectiveerbaarheid en handhaafbaarheid van regels Aandacht wordt gevraagd voor de objectiveerbaarheid en handhaafbaarheid van de regels. Met name maatwerkregels, - voorschriften en zorgplichtbepalingen zijn bewerkelijk in de uitvoering. Het is van belang dat iedereen eenvoudig kan begrijpen welke regelsituatie van toepassing is zodat de rechtszekerheid niet in het geding komt. Handhaving van de zorgplicht is inhoudelijk en procedureel niet eenvoudig. Verzocht wordt aan te geven hoe de gemeente de toepassing van dergelijke bepalingen gaat faciliteren. Beantwoording Wij onderschrijven het belang van duidelijke en handhaafbare regels. Daarom hebben zo concreet mogelijk geformuleerde regels de voorkeur. Dit neemt niet weg dat zorgplichten als vangnet nodig kunnen zijn. Bijvoorbeeld om te voorzien in de bescherming van de fysieke leefomgeving in situaties die op voorhand niet te voorzien zijn, of wanneer geen algemene kwantificeerbare normen voorhanden zijn. Handhaving van een zorgplicht is mogelijk bij evidente overtreding ervan. In andere gevallen ligt het stellen van een maatwerkvoorschrift voor de hand waarin wordt verduidelijkt wat de zorg voor de fysieke leefomgeving in een concreet geval inhoudt. Met betrekking tot maatwerkregels en maatwerkvoorschriften valt niet in te zien waarom deze ‘bewerkelijk in de uitvoering’ zijn.
Die regels houden vaak juist een concretisering van de zorgplicht in, dan wel een specificering van een andere algemene regel tot concrete situatie.
4.9 Afbakening omgevingsplan en Havenverordening Het Havenbedrijf verzoekt een duidelijke afbakening tussen het domein van het omgevingsplan (de fysieke leefomgeving) en het nautische belang (alles dat te maken heeft met de scheepvaart), dat overwegend is neergelegd in de Havenverordening. Deze verschillende regelkaders zullen in de toekomst naast elkaar blijven bestaan, en dat vraagt om afstemming. De Havenverordening neemt een andere positie in dan andere verordeningen, die geleidelijk opgaan in het omgevingsplan. Verzocht wordt in de toelichting bij het omgevingsplan stil te staan bij de positie van, en de afstemming met de Havenverordening. 15
Definitieve versie
23 juni 2023
Beantwoording Met de Omgevingswet wordt erin voorzien dat ook een aantal gemeentelijke verordeningen of onderdelen daarvan, opgaan in het omgevingsplan. Als de regel de fysieke leefomgeving (tastbaar) wijzigt, zoals bij bouwen en slopen, moet deze regel worden opgenomen in het omgevingsplan. In andere gevallen kan worden afgewogen of de regel onderdeel wordt van het omgevingsplan en in sommige gevallen is opname niet toegestaan. Het geldt dus voor veel meer verordeningen dan alleen de Havenverordening dat die naast het omgevingsplan blijven bestaan. Gedacht kan worden aan de Algemene Plaatselijke Verordening, of de Huisvestingsverordening. Voor verordeningen of onderdelen daarvan die zelfstandig blijven bestaan, is de opgave om te komen tot een goede onderlinge afstemming met het omgevingsplan. Dit alles is beschreven in de Algemene toelichting, paragraaf 3.3, 3.4 en 6.3.3. De Havenverordening neemt daarin ten opzichte van andere verordeningen geen bijzondere plaats in die specifiek duiding in de algemene toelichting behoeft. De Havenverordening kan in de toekomst naast het omgevingsplan blijven bestaan, omdat deze ook betrekking heeft op andere aspecten dan de fysieke leefomgeving. Er zal per onderdeel van de Havenverordening afgewogen moeten worden of delen op moeten gaan in het omgevingsplan.
In deze afweging zal betrokken worden dat de huidige Havenverordening is afgestemd met andere gemeenten in het Noordzeekanaalgebied en andere Nederlandse havens in verband met het internationale karakter van de scheepvaart en de behoefte aan eenduidige regels.
4.10 Elektronische raadpleegbaarheid Het ontbreken van een kaart of viewer, maakt de beoordeling van het nieuwe regelstelsel nog abstract. Verzocht wordt aan te geven wanneer en op welke wijze de gemeente partijen in de gelegenheid stelt tot de elektronische raadpleegbaarheid van het omgevingsplan. Verwacht wordt op basis daarvan opnieuw een inhoudelijke reacties te kunnen leveren. Beantwoording Kortheidshalve wordt verwezen naar de beantwoording onder A.3.
4.11 Maatwerk Er is veel ruimte gecreëerd voor het leveren van maatwerk. Enerzijds wordt het voordeel gezien, bijvoorbeeld flexibiliteit. Anderzijds wordt de ruimtelijke ordening meer complex en zorgt het voor extra regeldruk. Het vergroot ook het risico dat de nadruk gelegd wordt op de uitzondering. Dat kan ten koste gaan van bijvoorbeeld eenduidigheid, rechtszekerheid en handhaving. Beantwoording De basisregeling legt de structuur vast waarmee een uniforme en geharmoniseerde set aan regels ontstaat. Daarbij worden algemeen geldende regels gesteld waar mogelijk. Het is echter niet mogelijk voor alle activiteiten regels op te stellen die altijd en overal gelden. In veel gevallen zal maatwerk nodig zijn. Maatwerk kan worden geleverd door middel van maatwerkregels in het omgevingsplan zelf, of door in het omgevingsplan de mogelijkheid te bieden tot het stellen van maatwerkvoorschriften. Maatwerk is geen doel op zich, maar biedt uitkomst als algemeen geldende regels in een bijzondere situatie of in een specifiek gebied geen optimale uitkomst bieden. Uiteraard dienen de maatwerkmogelijkheden zodanig toegepast worden dat het geen afbreuk doet aan eenduidigheid, rechtszekerheid en handhaving.
Dit wordt onder meer bereikt door duidelijke regelformulering, bijvoorbeeld door het duiden van de verhouding tussen de bijzondere regel en de algemene regel (‘in afwijking van’ of ‘in aanvulling op’).
4.12 Vergunningplicht risico-gevende bedrijven Aandacht wordt gevraagd bij de ombouw van regels voor het beperken van het stapelen van regels en verplichtingen voor bedrijven. Het gaat dan onder andere om het introduceren van nieuwe, aanvullende vergunningplichten. Is het bijvoorbeeld mogelijk om bij een aanwijzing van een risicogebied (waarvoor een 16
Definitieve versie
23 juni 2023
inhoudelijke ruimtelijke afweging is gemaakt) een nieuwe/ aanvullende vergunningplicht voor risicogevende bedrijven binnen dat specifieke gebied, boven op de regelgeving van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), achterwege te laten? Beantwoording Mede naar aanleiding van de opmerking is het omgevingsplan aangepast. Er wordt geen aanvullende vergunning vereist indien er op basis van het Bal al een vergunning is vereist. Dit geldt voor de meeste risicoactiviteiten. Voor het tanken met LPG en het opslaan van propaan of propeen wordt wel een vergunningplicht opgenomen in het Omgevingsplan, waarbij zoveel als mogelijk wordt aangesloten bij de regels uit bruidsschat. Daarnaast wordt in het omgevingsplan een algemene regel opgenomen inhoudende dat het verrichten van een nieuwe risicoactiviteit of wijzigen van een bestaande risicoactiviteit uitsluitend is toegestaan indien: a. het brand- en explosieaandachtsgebied van een activiteit past in aangewezen brand-, respectievelijk explosievoorschriftengebied; of b. ter plaatse van het brand- en explosieaandachtsgebied is afgezien van het aanwijzen van een voorschriftengebied op grond van artikel 5.14, derde lid van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Deze regel wordt toegevoegd om te kunnen voldoen aan de instructieregels van het Besluit kwaliteit leefomgeving omtrent voorschriftengebieden.
Dat vereist dat zodra een risicoactiviteit met aandachtsgebied start het voorschriftengebieden al aangewezen is (tenzij ervan gemotiveerd is afgezien). Er zal getracht worden om de besluitvorming omtrent voorschriftengebied zo veel mogelijk af te stemmen op het vergunningentraject opdat exploitanten zo snel mogelijk gebruik kunnen maken van hun vergunning. Ook wordt onderzocht in hoeverre het wenselijk is om voorschriftengebieden vooraf aan te wijzen (of ervan afzien) bij toegelaten aandachtsgebieden zoals bedoeld in artikel 5.14, eerste lid Bkl.