Bijlage 1 ZICHT OP KANSEN II adviesrapport
Tekst van het document
1
Inhoud 1. Vooraf
3
2. Kansrijke interventies op basis van onderzoeksliteratuur
5
3. De Plus als kansrijke route naar de arbeidsmarkt 3.1 Visie op de rol van de Plusschool in voorbereiding op werk: Hoever reikt je rol? 3.2 Instroom en doelgroep van de Plusscholen: Heterogeniteit en flexibele in- en uitstroom benadrukken maatwerk 3.3 Het programma van de Plus: Optimale voorbereiding? 3.4 De sleutelrol van de stage 3.5 Verder na de Plusschool 3.6 Aanknopingspunten voor het aanbod
11
4. Kansen volgens de Pluslocaties 4.1 Kansen per locatie 4.2 Kansen/acties voor verbetering naar thema geordend
20 20 21
5. Kansen op de (Groot-)Amsterdamse arbeidsmarkt 5.1 De huidige arbeidsmarkt 5.2 De arbeidsmarkt voor jongeren 5.3 Kansrijke sectoren naar niveau 5.4 Gevraagde competenties en arbeidsvoorwaarden 5.5 Belang van begeleiding op de werkplek bij niveau 1 en 2 5.6 Aanknopingspunten voor vervolg
25 25 27 28 30 31 32
6. Zicht op kansen: aanbevelingen voor de Plusscholen, de roc-directies en de gemeente 6.1 Verder dan de plus 6.2 Op zoek naar verbindingen 6.3 De aanbevelingen in/en breder perspectief
34 34 34 36
Literatuur en bronnen
39
11 11 12 14 16 18
2
1. Vooraf Al ruim tien jaar investeert de gemeente Amsterdam – in navolging van het WRR-advies uit 2009- in onderwijs voor overbelaste jongeren, die niet kunnen deelnemen aan het reguliere mbo. Dat doet de gemeente onder meer via het laten verzorgen van kleinschalig onderwijs op entree- en op mbo2-niveau met veel persoonlijke begeleiding, voor een groeiende groep van tussen de 500 en 600 jongeren tussen 16 en 27 jaar. Het onderwijs wordt uitgevoerd door de Plusscholen1, die verbonden zijn aan twee roc’s (De Amsterdamse Plus van ROC TOP en ROC op Maat/ROCvA) en gevestigd zijn op zes locaties in Amsterdam. In 2019 heeft de gemeente in een eerste verkenning het aanbod van de Plusscholen laten onderzoeken (Bisschop, e.a. 2020)2. De kenmerken en aanpakken van de verschillende locaties, gericht op begeleiding van jongeren naar een goede vervolgbestemming, zijn in kaart gebracht. Dat is mede gebeurd tegen een achtergrond van kennisdeling en uitwisseling tussen de locaties. Vervolgens is onderzocht hoe studenten van de Plusscholen aankijken tegen het onderwijs op hun Plusschool en hoe ze dat waarderen. Tenslotte is via koppeling met CBS-data nagegaan hoe het oud-studenten van de Pluslocatie vergaan is in vervolgonderwijs en/of op de arbeidsmarkt. Bevorderen van arbeidsmarktkansen Het succes dat de Plusscholen met hun aanpak boeken bij hun doelgroep is helder.
Om dat succes verder door te trekken naar goede kansen op de arbeidsmarkt, hebben ROC TOP, ROC van Amsterdam en de gemeente Amsterdam een kwalitatieve verkenning laten uitvoeren door Bureau Turf en Ruud Baarda Advies. De verkenning richt zich op het inventariseren van mogelijkheden om te komen tot meer duurzame arbeidsmarktkansen en een betere arbeidspositie voor de doelgroep van de Plusscholen. Het gaat daarbij zowel om mogelijkheden en randvoorwaarden binnen het bestaande opleidingsaanbod (inhoud en inrichting) op de Plusscholen -afzonderlijk en als geheel) als mogelijkheden daarbuiten. De wens en urgentie hiervoor komen deels voort uit constateringen uit de eerdere verkenning van 2019 (zie ook kader). Daarnaast wordt het door de coronacrisis nóg relevanter om te zorgen dat kwetsbare groepen niet achteraan in de rij belanden (zie ook advies ‘Kwetsbare groepen: neem iedereen mee’ van de Denktank corona/SER, december 2020) en de Landelijke Agenda Aanpak Jeugdwerkloosheid, die zich richt op extra begeleiding naar werk of een vervolgopleiding (juli 2021). Uitvoering van de verkenning Het verkennend onderzoek is eind september 2021 van start gegaan. Als eerste zijn op basis van een literatuurstudie elementen, randvoorwaarden en mogelijkheden in kaart gebracht die van belang zijn als het gaat het om het bevorderen van arbeidsmarktkansen voor kwetsbare groepen jongeren.
De belangrijkste elementen/gebieden zijn in beeld gebracht op een praatplaat (zie hoofdstuk 2). De praatplaat is uitgewerkt tot een interviewleidraad, waarmee op elke locatie een gesprek gevoerd is met een zo breed mogelijke vertegenwoordiging van het team, in ieder geval de teamleden die betrokken zijn bij stage/contacten met de arbeidsmarkt. Daarbij is ook teruggegrepen op de bevindingen over de locaties uit het eerdere onderzoek. In deze gesprekken stonden eigen ervaringen, wensen en de kansen die de locaties zien om de arbeidsmarktkansen van Plusjongeren te verbeteren, centraal. Van de gesprekken is steeds een verslag gemaakt dat ter accordering 1
In dit adviesrapport gebruiken we de naam ‘Plusschool’ als aanduiding zowel voor de vier locaties van de Amsterdamse Plus van ROC TOP als de twee locaties van ROC Op Maat van het ROCvA. 2 Bisschop, P. e.a. (maart 2020) Plusscholen Amsterdam: Zicht op kansen. Het aanbod door de ogen van medewerkers en studenten en een beeld van de vervolgbestemmingen. Onderzoek in opdracht van de Gemeente Amsterdam. SEO: Amsterdam.
3
teruggekoppeld is naar de locatie en -soms alsnog- gedeeld met het team. Deze zijn in een separate bijlage opgenomen. Naast de Pluslocaties3 zijn ook betrokkenen van het Amsterdamse WSP/Jongerenpunt, de projectleider van de RIF-aanvraag Talentontwikkeling4 en kenners van de Amsterdamse arbeidsmarkt bevraagd, onder wie een aantal grote werkgevers. Tussentijdse bevindingen zijn op verschillende momenten gedeeld met betrokkenen. Een van die momenten was een studiemiddag voor docenten en leidinggevenden van alle Pluslocaties en betrokken organisaties. Op basis van de verzamelde informatie is dit adviesrapport opgesteld met aanbevelingen voor zowel de Pluslocaties afzonderlijk en als geheel, de twee roc’s en de gemeente Amsterdam.
Terugblik op ‘Plusscholen Amsterdam: Zicht op kansen’ (2020) o
De sterke punten van de Plusscholen zitten in het individuele maatwerk, de relatie tussen studenten en medewerkers, de positieve benadering en het bieden van kansen. Door succeservaringen te bieden kunnen de jongeren hun vertrouwen en motivatie (her)vinden. Praktijk vormt een belangrijk onderdeel van het programma. Pedagogisch sterke medewerkers met grote inzet en betrokkenheid begeleiden jongeren intensief om ze grip te laten krijgen op hun leven en tot leren te brengen. o Tussen de locaties bestaan er verschillen in visie en in doelgroep, waardoor er accentverschillen optreden in de focus op onderwijs dan wel voorwaarden om tot leren te komen. o Studenten aan de Plusscholen waarderen hun school (veel) sterker dan mbo’ers dat gemiddeld doen, volgens de landelijke JOB-monitor5. Ze zijn het meest te spreken over de persoonlijke begeleiding en de begeleiding naar stage en werk en beschouwen het halen van een -soms eerstediploma als een groot goed. o Gemiddeld brengen studenten een studiejaar door op de Plus. Tegen de achtergrond van een breed scala aan doelen (breder dan diplomering) zien de opbrengsten in termen van uitstroom er als volgt uit: Ongeveer de helft van de jongeren haalt een diploma (cijfers 2010-2018). Een jaar na uitstroom van de Plus volgen bijna 4 op de 10 jongeren een andere opleiding, meestal op mbo2-niveau.
Minder dan 2 op 10 jongeren heeft werk en ruim 4 van de 10 heeft geen geregistreerd inkomen of ontvangt een uitkering. o Vier jaar na uitstroom werkt één op de drie jongeren; heeft 53% geen geregistreerd werk of ontvangt een uitkering en studeert 14% nog. Bron: Bisschop, P. e.a. (maart 2020).
Leeswijzer In hoofdstuk 2 zijn werkzame interventies beschreven op grond van onderzoeksliteratuur. Hoofdstuk 3 vat de gesprekken met de Pluslocaties samen en gaat in op de Plusschool als kansrijke route naar de arbeidsmarkt. Hoofdstuk 4 biedt een overzicht van kansen die de Pluslocaties zelf zien, hoofdstuk 5 schetst kansen vanuit het perspectief van de arbeidsmarkt. In hoofdstuk 6 tenslotte worden op basis van het voorafgaande kansen en concrete aanbevelingen per actorgroep genoemd.
3
Plusjongeren zelf zijn niet persoonlijk bevraagd in dit onderzoek, maar waren wel onderwerp van gesprek bij de focusgroepen op de locaties. 4 Tot maart 2025 loopt een RIF-project Talentontwikkeling met als missie de vraag van de arbeidsmarkt naar meer werknemers in de sectoren commercieel, facilitaire dienstverlening/zorg & welzijn, beveiliging en techniek in de regio Amsterdam te beantwoorden, door studenten entree en niveau 2 (N2) op te leiden en te begeleiden in een voor hen passende manier naar een duurzame arbeidsplaats. De gemeente participeert in het RIF-project. 5
Het ROCvA werkt niet met de JOB-Monitor, maar hanteert een eigen variant.
4
2. Kansrijke interventies op basis van onderzoeksliteratuur In actuele onderzoeksliteratuur over arbeidsmarktkansen van kwetsbare jongeren gingen we op zoek naar ‘wat werkt?’: wat zijn de werkzame factoren of elementen die de arbeidsmarktkansen van deze jongeren versterken? Op basis van deze literatuurstudie zijn 11 werkzame factoren geïdentificeerd. Het is aannemelijk dat de effectiviteit of werkzaamheid van deze 11 factoren voor een groot deel afhangt van de context; zo is veel onderzoek gebaseerd op specifieke projecten in de overgang van school naar werk. Toch blijkt uit de literatuurstudie dat in verschillende onderzoeken vaak dezelfde succesfactoren terugkomen. Op basis van de factoren is een praatplaat opgesteld. In de focusgroepgesprekken op de verschillende locaties hebben we deze 11 factoren voorgelegd aan de teams. Dat deden we om te peilen waar de locaties aan werken, waar zij zelf kansen zien om de arbeidsmarktkansen van Plusjongeren te verbeteren en waar hun wensen liggen om meer aandacht aan te besteden. We gebruikten daarvoor een praatplaat (zie figuur), als gesprekstool in de focusgroepen, waarop de teams zelf konden aanwijzen welk belang ze in hun context hechten aan (verbetering op) de genoemde gebieden. Verder staan op de praatplaat vier fases aangeven. Dit is de route die een Plusjongere doorloopt op een van de Plusscholen, van in- tot uitstroom.
Hieronder beschrijven we de vier fases en bijbehorende werkzame factoren, zoals die in de literatuur terug te vinden zijn. Deze onderverdeling van de factoren bij de fases is niet helemaal scherp te maken, er is vaak enige overlap. Sommige werkzame factoren zijn van belang in meerdere fases.
5
Fase A - Intake en plaatsing Jongeren worden aangemeld bij de Plusschool, worden geplaatst op een van de zes locaties en hebben daar een intake met de coördinator en mentor. Plaatsing gaat vaak op basis van mentorklassen, er wordt rekening gehouden hoe de jongere aansluit bij de mentor en de dynamiek in de klas (zie Bisschop e.a., 2020). Factor 1 – De jongere De eerste factor waarop in verschillende onderzoeken de nadruk wordt gelegd is de jongere zelf. Er moet uitgegaan worden van het perspectief van de jongere, zodat hij/zij zelf eigenaar wordt van het eigen leerproces en de transitie naar werk (Berenschot, 2017). Door in te zetten op het versterken van het zelfvertrouwen en zelfbeeld van de studenten realiseren ze zich dat ze zelf invloed hebben op hun stage- en baankansen. Ook andere soft skills, zoals netwerken en jezelf presenteren zijn waardevol voor hun kansen op de arbeidsmarkt (SEO, 2021). Verder is het versterken van de intrinsieke motivatie van jongeren een belangrijk en effectief element in het succesvol begeleiden van jongeren naar werk (Movisie, 2019). In haar proefschrift beschrijft Keijzer-Groot (2021) dat een sterke beroepsidentiteit (Wat wil ik? Wat kan ik? Hoe kom ik daar?) risicojongeren kan helpen een baan te vinden en te behouden.
Om deze beroepsidentiteit te ontwikkelen is het nodig dat deze jongeren leren welk werk ze willen en kunnen doen en hoe ze daar kunnen komen.
Nader uitgelicht: versterken van de beroepsidentiteit van risicojongeren Het proefschrift (november 2021) van Rineke Keijzer-Groot onderzoekt de rol van beroepsidentiteit bij risicojongeren bij het verbeteren van hun toekomstperspectieven en de kwaliteiten van mentoren die jongeren van entree-opleidingen als waardevol ervaren. Een beroepsidentiteit bestaat uit meerdere componenten, die te vatten zijn in drie kernvragen: o Wie ben ik? (dit is je besef van beroepsbekwaamheden, mogelijkheden en werkinteresses) o Wie wil ik zijn? (je werkambities en -doelen) o Ben ik in staat daar te komen? (zelfvertrouwen in succes) Keijzer stelt dat het voor iedereen belangrijk is om een sterke beroepsidentiteit te ontwikkelen, maar voor risicojongeren des te meer: werk draagt bij aan het vergroten van een economisch en maatschappelijk onafhankelijke positie. Een sterke beroepsidentiteit is nodig om te zorgen dat risicojongeren een baan vinden en behouden. En het is extra belangrijk, omdat een sterke beroepsidentiteit een tegenwicht kan bieden aan hun problematiek. Om deze beroepsidentiteit te ontwikkelen is het nodig dat deze jongeren leren welk werk ze willen en kunnen doen en hoe ze daar kunnen komen.
He onderzoek laat zien dat beroepsidentiteit, weerbaarheid en emotionele schoolbetrokkenheid belangrijke factoren zijn, die kunnen bijdragen aan het verhogen van de kansen voor risicojongeren op een duurzame en zelfstandige positie in de samenleving en dat deze per subgroep kunnen variëren. Praktisch betekent dat er individuele aandacht en maatwerk nodig is om de beroepsidentiteit van deze jongeren te versterken. Daarbij is het essentieel om de studenten echt te kennen, zodat bij jongeren met een geringe weerbaarheid (in deze studie mannelijke deelnemers, jongere deelnemers en jongeren met een strafblad) daar op ingezet wordt. Een belangrijke rol voor de mentoren ligt in het activeren van de jongeren tot zelfreflectie. Als het gaat om de afweging smal (voor een beroep, met voordelen voor zelfvertrouwen) of breed opleiden met een algemene beroepsmatige basis (met als voordeel flexibiliteit op veranderende arbeidsmarkten) wordt een combinatie van beide sporen aangeraden met nadruk op algemene vaardigheden en keuzedelen ter specialisatie.
6
Sommigen jongeren hebben behoefte aan verdere ondersteuning (zorg, hulpverlening, administratief etc.), deze steun moet vraaggericht worden ingezet. Er moet niet over, maar met de jongere gepraat worden (Movisie, 2019; Oberon/De Beleidsonderzoekers, 2017). Factor 2 - Zorg op school Bij plaatsing van de jongere wordt al gekeken naar een match met de mentor. De mentor neemt een belangrijke plaats in. De klik met een begeleider is van belang voor deze jongeren, tijdens de opleiding en bij de begeleiding naar werk (Oberon/De Beleidsonderzoekers, 2017)). De ondersteuning die de mentoren en andere hulpverleners (zorg- coördinator) op school bieden voor de jongeren is laagdrempelig. De mentoren (en andere hulpverleners) in de school zijn bekende en vertrouwde personen en ze worden gezien als behorend bij de school. Wanneer de hulp/zorg in de school wordt aangeboden, draagt dit bij aan het normaliseren van vragen om hulp. Verder is een integrale benadering van zorg in de school van belang; in een integraal toekomstplan staat wat de student zelf kan doen om zijn/haar doelen te bereiken en wat nodig aan onderwijs, ondersteuning en hulpverlening (ECBO, NJI, 2021.
Factor 3 - Ouders en anderen Een derde succesfactor in de begeleiding van de jongeren naar werk is het samenwerken met de ouders of andere vertrouwde sleutelfiguren uit de omgeving van de jongere (Berenschot, 2017; Oberon/De Beleidsonderzoekers, 2017). De vertrouwde omgeving kan ook de buurt of sportclub zijn. Vanuit de scholen kunnen bijvoorbeeld ouderavonden worden georganiseerd waar gesproken wordt over de toekomstmogelijkheden van de jongeren. En ouders worden geïnformeerd over waar ze terecht kunnen als de jongeren de school verlaten. Daarnaast worden ouders uitgenodigd bij gesprekken met de jongeren, voornamelijk bij in- en uitstroom. Een vertrouwde sleutelfiguur kan ook iemand als een jongerencoach zijn. Deze persoon is een bekend gezicht voor de jongeren omdat de hij/zij wekelijks aanwezig is op school, op een vaste dag in de week. De jongerencoach staat open voor vragen van jongeren en van ouders. (Berenschot, 2017). Fase B – Onderwijs De jongeren op de Plusscholen hebben drie dagen onderwijs en twee dagen stage. Ze volgen een entree of niveau 2 mbo opleiding. Het verschilt per locatie welke uitstroomrichting er gekozen kan worden. Op nagenoeg alle locaties is sprake van flexibele in- en uitstroom. Een groot deel van de jongeren stroomt door van hun entreeopleiding naar een niveau 2 opleiding op dezelfde locatie.
Factor 4 - Opleiden Het onderwijs neemt een essentiële plek in bij de Plusscholen en de invulling hiervan is dan ook een belangrijk werkzame factor. Over het algemeen geldt in Nederland hoe hoger je bent opgeleid hoe beter je kansen op de arbeidsmarkt zijn. Met name wanneer jongeren geen startkwalificatie of diploma behalen hebben ze minder kans op het vinden van een baan (Movisie, 2019). Het bieden van alternatieve kwalificeringsmogelijkheden zoals praktijkverklaringen en mbo-certificaten kan een optie zijn voor jongeren die beter leren op het werk dan in de schoolbanken (Handreiking voor regionale mobiliteitsteams, 2021). Door het onderwijs ook op andere manieren laagdrempeliger te maken (flexibele in- en uitstroom) hebben jongeren meer kans van slagen (Movisie, 2019). Een belangrijke succesfactor voor het versterken van de arbeidskansen van jongeren is een doorlopende leer- en begeleidingslijn. Idealiter zouden jongeren van entree, naar niveau 2, 3 en 4 moeten kunnen doorstromen, met behoudt van dezelfde intensieve begeleiding.
7
Voor deze jongeren moet er rekening gehouden worden met de afkeer van school of onderwijs. Voortijdig schoolverlaters hebben over het algemeen vaak negatieve schoolervaringen opgedaan. Het zal daarom soms effectiever zijn om in te zetten op werkplekleren, stages, praktijkverklaringen of een leerbaan met een inkomen (bbl) (SER, 2020). Fase C - Stage/Praktijkervaring Tijdens de opleiding lopen Plusjongeren over het algemeen twee dagen stage in de week. Als het niet lukt om een stage te vinden krijgen ze op school stage-vervangende opdrachten. Voor niveau 2 is de stage verplicht en is er een urennorm. Tijdens de stage doen de jongeren praktijkervaring en werknemersvaardigheden op. De stage kan een opstap zijn naar een baan. Factor 5 - Stage De stage wordt in de literatuur vaak gezien als de succesfactor bij het versterken van de arbeidsmarktkansen van de jongeren. De stage helpt de jongeren om zich voor te bereiden op werk. Desgevraagd geven studenten aan dat de stage ze ook helpt bij de voorbereiding op vervolgopleiding (KBA, 2021). Tijdens de opleiding beschouwen studenten de rol van LOB in de voorbereiding op werk of vervolgonderwijs als klein, in retrospectief beschouwen ze die rol als veel groter. Voor de scholen (mentoren en/of bpv-coördinatoren) zit er veel werk in het voorbereiden en begeleiden van de stages.
Ook zijn de scholen veel bezig met stagematching, door dit bij de opleidingen te beleggen, worden de studenten negatieve ervaringen (als discriminatie en vooroordelen) bespaard (SEO, 2021). Goede stageplekken vormen de basis voor betaalde werkplekken in de toekomst. Daarom is het van belang om een goede samenwerking met bedrijven te onderhouden (Oberon/de Beleidsonderzoekers, 2017). Tijdens de stage kunnen de jongeren leren in de beroepspraktijk. Als deze praktijkervaring goed wordt benut kan het een opstap naar werk zijn voor de jongeren (SBB, 2020). Om de stage optimaal te benutten moet er voldoende aandacht besteed worden aan begeleiding van het praktijkleren. Ook tijdens de stage wordt er begeleiding geboden aan de jongeren, vanuit de opleiding en vanuit het stagebedrijf. Daardoor hebben de jongeren de ruimte om te leren maar worden ze niet aan hun lot overgelaten. Ze mogen fouten maken, vragen stellen en uitproberen (ECBO/NJI, 2021), er is een grote mate van sociale veiligheid. Factor 6 - Betrekken werkgevers Het betrekken van werkgevers en een goede samenwerking met bedrijven biedt de jongeren kansen op interessante stageplekken en wellicht een opstap naar werk. Het gaat hierbij om zaken als relatiebeheer, een duidelijk aanspreekpunt, goede voorlichting over kansen, mogelijkheden en eventuele risico’s en het wegnemen van vooroordelen.
Werkgevers zijn vaak persoonlijk gemotiveerd om ‘risicojongeren’ voor stage of werk aan te nemen (Berenschot, 2017). Stagebegeleiders, mentoren of docenten benaderen zelf de werkgevers voor stage- of werkplekken. Op deze manier bouwen de scholen een netwerk op van betrokken werkgevers. Ook vergroten ze zo het sociale netwerk van de jongeren, die minder snel in aanraking komen met toekomstige werkgevers. (SEO, 2021). Scholen kunnen werkgevers ook op een laagdrempelige manier betrekken door bedrijfsbezoeken of bliksemstages te organiseren. Zo maken de bedrijven en jongeren kennis met elkaar (Oberon/de Beleidsonderzoekers, 2017). Factor 7 - Werk De volgende factor is hoe het werk is vormgegeven en voor welk werk wordt gekozen. Wanneer jongeren kiezen voor werk in een kansrijke sector vergroot dit natuurlijk de kansen op het behouden van een baan (zie ook hoofdstuk 4). Hierbij is het van belang dat de jongere goed wordt gematcht met de vacature (Ingrado, 2020).
8
Voor risicojongeren kan werk ook ‘gemaakt’ worden door een leerwerktraject aan te bieden of een baangarantie na succesvolle afsluiting van de stage. Verder wordt het succes van de jongeren in het werk vergroot door het aanbieden van begeleiding op de werkvloer in de vorm van een ‘werkcoach’ (Oberon/de Beleidsonderzoekers, 2017). Fase D - Uitstroom en Nazorg Plusjongeren stromen uit met of zonder diploma. Sommige van hen stromen door naar een niveau 3 of 4 opleiding (dit is niet mogelijk op dezelfde Pluslocatie) en anderen stromen uit naar werk. Het zicht op hoe de overgang naar werk, een andere opleiding of naar andere samenwerkingspartijen (zoals het Jongerenpunt) verloopt ontbreekt soms. Er is weinig structurele nazorg, alhoewel de docenten op informele basis nog vaak in contact zijn met studenten, wanneer ze zijn uitgestroomd. Factor 8 - Samenwerking met andere partijen Een van de succesfactoren die beschreven worden in de literatuur, is het belang van samenwerking tussen verschillende disciplines zoals onderwijs, zorg, werk en inkomen, re-integratie en arbeidsmarkt (Berenschot, 2017). Gemeenten, de scholen, het UWV, werkgevers en zorginstellingen moeten met elkaar samenwerken om de kansen van deze jongeren bij de overgang naar werk te verbeteren. In meerdere onderzoeken wordt met name de samenwerking tussen de gemeente en scholen benadrukt (KBA, 2021; Ingrado, 2020).
Nader uitgelicht: Nazorg bij de pilots Soepelere overgang van school naar werk. Het evaluatie-onderzoek van KBA (2021) van zes pilots ‘Soepelere overgang van school naar werk’, waarbij mbo-instellingen (entree en niveau 2) en gemeenten sinds 2018 samen de verantwoordelijkheid van opleiding naar werk van bepaalde doelgroepen nemen, levert een aantal interessante aanknopingspunten op: ● De overgang van school naar werk is te beschouwen als een transitiefase, die al start in het onderwijs in de vorm van preventieve aanpakken en waarbij nazorg nodig is. ● De belangrijkste les uit de pilots is dat meerdere aansluitende interventies nodig zijn tijdens het transitietraject van opleiding naar werk (‘integrale doorlopende benadering’) ● De interventies zijn in te delen in a. preventieve acties (eerdere signalering, RMC-medewerker in de school, vaardigheden meegeven om succesvol te solliciteren, matchingstafels) b. additionele begeleiding (verlengde begeleiding, integratie praktijkbegeleiders in de leerbedrijven en stagebegeleiders vanuit school tot leerwerkcoaches (ook in het kader van bewustzijn ontwikkelen voor LLO), jobfinders en overstapcoaches) en aanvullende scholing en training van de jongeren (basissollicitatietrainingen, taalcursussen, certificaten).
● Wie ondersteuning nodig heeft is lastig af te bakenen; dat komt omdat jongeren de keuze school of werk vaak zelf nog niet gemaakt hebben. Ook de behoefte aan ondersteuning verschilt per jongeren en situatie. Jongeren die gaan werken noemen uit zichzelf een kleinere behoefte aan ondersteuning dan jongeren die doorleren, terwijl in de praktijk juist de jongeren die gaan werken . ● De overgangsfase kan lang duren, omdat jongeren ook ná de opleiding de keuze voor school of werk nog niet gemaakt hebben: een deel van de jongeren die gaan werken willen toch weer aan een opleiding beginnen. De onderzoekers concluderen dat daar een potentieel ligt voor een langere betrokkenheid van het beroepsonderwijs vanuit het perspectief van een leven lang ontwikkelen.
9
De samenwerking van partijen uit verschillende domeinen (onderwijs, zorg, re-integratie) is noodzakelijk voor kwetsbare jongeren, omdat ze vaak te maken hebben met complexe problemen. Naast het vinden van werk spelen er vaak urgente problemen zoals de gezinssituatie, onderdak, schulden of gezondheid. Een integrale benadering is daarom wenselijk. Wel moet het helder zijn wie verantwoordelijkheid draagt (Movisie, 2019); wie heeft de regie? Factor 9 - Goede en continue begeleiding, bij overgang naar werk Goede en doorlopende begeleiding van risicojongeren is de negende succesfactor. De Plusscholen zijn uniek in de intensieve begeleiding die ze jongeren tijdens de opleiding bieden. De literatuur beschrijft dat doorlopende begeleiding (ook na uitstroom) wenselijk is voor deze jongeren. Dit om te voorkomen dat jongeren uit beeld raken en dat ze hun motivatie kwijtraken (Berenschot, 2017). Jongeren zelf geven aan behoefte te hebben aan ondersteuning na het verlaten van de opleiding, met name als ze doorleren (KBA, 2021). Het is van belang dat er een warme overdracht is, naar werk of naar een vervolgopleiding. De overgang tussen de opleiding en werk is een kwetsbare periode. Doorlopende begeleiding, in de vorm van praktijkcoaches of levensloopcoaches die langere tijd ondersteuning bieden, kan daarvoor een oplossing zijn (Ingrado, 2020, ECBO/NJI, 2021).
Factor 10 - Bundelen en waarborgen van kennis Het waarborgen en delen van kennis en data van organisaties is de tiende werkzame factor (Berenschot, 2017). Databestanden kunnen worden gebruikt om jongeren te volgen en ondersteuning te bieden voordat het misgaat (KBA, 2021). De KBA-onderzoekers pleiten voor een landelijk wettelijk kader dat het mogelijk maakt om jongeren te volgen in hun loopbaan en te kunnen benaderen met een ondersteuningsaanbod. Studenten zouden al tijdens hun schoolperiode gewezen moeten worden op het bestaan van een ondersteuningsaanbod en dat zij na de opleiding gevolgd en benaderd kunnen worden. Door verwerkingsovereenkomsten kunnen privacy kwesties goed geregeld worden. Goed gebruik van deze data en actieve monitoring van jongeren over een langere periode is hiervoor een voorwaarde (Ingrado, 2020). Dat zou zich lenen voor een verbinding met de RMC-functie van de gemeente. Factor 11 - Financiering Tot slot is financiering een belangrijk werkzaam element. Worden alle financiële mogelijkheden/subsidies gevonden en gebruikt door de scholen? Pilots en projecten kennen vaak een tijdelijke subsidie waardoor er verloop is er en geen structureel beroep op een voorziening gedaan kan worden (KBA, 2021). Structurele financiering maakt dat dit soort projecten of voorzieningen beter gevonden worden door scholen en door jongeren optimaal benut.
10
3. De Plus als kansrijke route naar de arbeidsmarkt In dit hoofdstuk schetsen we op basis van de gespreksronde langs de zes locaties wat Plusscholen hun studenten willen meegeven als het gaat om voorbereiding en toeleiding naar werk en wat er in het programma in brede zin op de locaties gebeurt en speelt om studenten arbeidsmarktrelevant op te leiden en voor te bereiden. De bevindingen worden samengevat per hoofdthema van de gesprekleidraad en zijn opgenomen in een separate bijlage.
3.1 Visie op de rol van de Plusschool in voorbereiding op werk: hoe ver reikt je rol? Plusscholen bieden onderwijs op mbo-niveau voor jongeren die om uiteenlopende redenen geen regulier onderwijs kunnen volgen en naar een Pluslocatie verwezen worden. Het zijn scholen, maar wel in een bijzondere vorm, door hun kleinschaligheid, maatwerk, brede zorgaanbod en vangnetfunctie; met veel energie voor het zorgen voor een stabiele basis via de zorgstructuur en begeleiding. De locaties beschouwen het vanuit hun ‘school-zijn’ als eerste opdracht om jongeren middels hun aanbod veel begeleiding en veiligheid te bieden op weg naar een startkwalificatie. Waar het de corebusiness van het mbo is om jongeren naar een diploma/startkwalificatie te begeleiden, voelen Plusscholen een bredere verantwoordelijkheid: om een Plusstudent kansen te bieden op de arbeidsmarkt is een diploma alleen niet voldoende; bovendien zijn er jongeren die niet doorleren naar niveau 2 (of verder). Dat maakt dat de locaties voorbereiding op en toeleiding naar arbeid, en nog breder: een passende plek in de maatschappij, als een belangrijke opdracht zien. De rol van ‘praktijk in de opleiding’ mag zich doorgaans verheugen op veel belangstelling binnen de locaties, met meer of minder concrete acties/uitwerkingen en eigen accenten.
Zo zijn er in de ene locatie acties om de praktijkcomponent in faciliteiten binnen het gebouw beter tot zijn recht te laten komen, wordt op een andere locatie de verbinding tussen de stage en de opleiding versterkt zodat studenten beter zien waar ze de opleiding voor nodig hebben, ligt bij een weer een andere locatie de focus op voorbereiding op stage of op de organisatie van de stagebegeleiding en is bij nog een ander de aandacht gericht op (betere aansluiting in) de overstapmomenten/door- en uitstroom/nazorg. Ook zijn er op een paar locaties leer/werk-activiteiten in co-creatie met bedrijven en instellingen, wat voor sommige jongeren een aantrekkelijk alternatief is voor het schoolse leren. Het proces naar meer praktijk/arbeidsmarktgericht opleiden betekent laveren tussen alle inspanningen om jongeren weer op de rails te krijgen en het streven om jongeren zo goed mogelijk voor te bereiden op de arbeidsmarkt.
3.2 Instroom en doelgroep van de Plusscholen: heterogeniteit en flexibele in- en uitstroom benadrukken maatwerk Jongeren op de Pluslocaties vormen een diverse groep met diverse behoeften. Ze zijn tussen de 156 en 28 jaar, van zeer zwakke Pro-leerlingen met advies ‘werk’ tot een havist die even een zetje nodig heeft, al dan niet leerplichtig, jongeren met en zonder eerder diploma, met verschillende en soms gestapelde problemen in de persoonlijke levenssituatie, waaronder bijvoorbeeld schulden en huisvesting, afkomstig uit de buurt, stad of uit de provincie, met en zonder werkervaring/baantje en vaak met weinig ondersteuning vanuit de (eventuele) thuissituatie. In de intake wordt aandacht besteed aan beroepswensen van jongeren. Die zijn meestal nog vaag. Het eerste aanbod van de locaties is school. De eerste maanden volgt de mentor hoe dat uitpakt. In POP-gesprekken per periode komen doelen en interesses van de student aan de orde. Verderop in de 6
Een aantal locaties meldt expliciet een toename in het aantal 15-/16-jarigen of maken melding van jongeren die moeten wachten tot ze 16 zijn voor ze terecht kunnen.
11
route heeft LOB een rol om de ontwikkeling hierin te verhelderen. Studenten krijgen een studieadvies; bij niveau 2 gebeurt dat na ongeveer 9 maanden, bij niveau 1 na 4 maanden. Na het Plustraject gaat elke student idealiter met een diploma of ‘een goed plan’ de deur uit. Een Plustraject is een bijzonder traject waarin een beroepsopleiding wordt gevolgd waarna als het goed gaat aansluitend uitstroom naar een vervolgopleiding of werk volgt. Net als in reguliere trajecten proberen de locaties de functies oriënteren, kiezen, stagelopen en gekwalificeerd doorstromen naar een vervolgopleiding of werk zo goed mogelijk aan te bieden in een relatief korte periode. In welke fase van het traject voor een student ‘uitstroom naar arbeid’ aan de orde is, is minder voorspelbaar en kan uiteenlopen. Voor sommige studenten is dat een ver-van-hun-bed-show, voor anderen wel dichtbij. Ook de functie en betekenis die werk/praktijk(ervaring) voor jongeren heeft verschilt. Zo wordt met regelmaat genoemd dat er jongeren zijn die uitzien naar werken en die soms verwachten veel geld te verdienen, terwijl er ook jongeren zijn die zich beter op hun plek voelen binnen de beschutte omgeving van de school. Willen werken kan door een jongere als (enige) alternatief gezien worden voor ‘niet naar school willen’ of jongeren willen werken omdat school/leren niet lukt.
Voor een deel van de jongeren afkomstig van praktijkonderwijs of vso is ‘werk’ hun (uitstroom)advies. Jongeren kunnen in stage of werk beter tot hun recht komen dan op school, doordat er een ander beroep op ze wordt gedaan, ze bijvoorbeeld ervaren dat ze wel degelijk wat kunnen en zelfvertrouwen opbouwen. Stage-/werkervaring kan dienen als oriëntatiemiddel: ‘wat wil ik?’; als bron voor het (her)vinden van motivatie voor een opleiding en als context om vaardigheden in op te doen/te oefenen en kennis te maken met wat de wereld van arbeid vraagt. Er zijn jongeren die nog geen idee hebben wat ze willen, en dat betekent ook iets voor de motivatie voor school/opleiding. Er zijn ook jongeren die dat wel hebben of krijgen, soms door omstandigheden, en jongeren die gaan voor een eigen zaak/eigen baas worden. De locaties geven aan dat jongeren ‘echt werk’ in een echte arbeidsmarktcontext verkiezen boven allerlei trajecten, projecten en instanties, omdat ze dat als succesvoller beschouwen en het ook door hun vriendengroep en omgeving serieuzer wordt genomen, omdat het geen ‘labeltje’ heeft. Daarbij voelen jongeren zich serieus genomen als ze betaald krijgen voor (stage-)werk dat ze doen. ”Jongeren willen graag een salaris (“waar je recht op hebt”), respect en een beetje perspectief.”
3.3 Het programma van de Plus: optimale voorbereiding? De mediane verblijfsduur van jongeren op een Plusschool is ongeveer een jaar (zie Bisschop e.a., 2020). Gecombineerd met flexibele in- en uitstroom maakt dat de Plus een soort ‘snelkookpan’ waarin de jongere zoveel mogelijk op de rails geholpen wordt en zaken opgelost worden die onderwijs/leren/naar school gaan belemmeren. De begeleiding die geboden en georganiseerd wordt is eigenlijk ‘nooit genoeg’ (zie ook Bisschop, e.a., 2020). Door subsidie van de gemeente kunnen de klassen klein gehouden worden. De docent-studentratio is 1 op 12. Jongeren op de Plus hebben doorgaans (zeer) intensieve persoonlijke begeleiding in een persoonlijke relatie nodig en er speelt doorgaans vanalles op meerdere terreinen. Ook al is er een zorgstructuur op de Plus, medewerkers geven aan zich ‘docent en hulpverlener’ te voelen en steken er veel tijd en energie in jongeren weer op de rit te krijgen, in socialisatie en de jongere perspectief te laten ervaren. Daarbij en tegelijkertijd zijn de locaties bezig om hun aanbod meer arbeidsmarktgericht te maken. Op de locaties wordt entree- en mbo niveau 2-onderwijs aangeboden, doorgaans in de BOL-variant. Op entreeniveau zijn er verschillende uitstroomrichtingen7. Voor de uiteindelijke uitstroomrichting is de stage leidend.
Vervolgens kan een student die niveau 2 blijft volgen op een Pluslocatie, kiezen uit 7
Op entreeniveau is er een bbl-opleiding fietstechnicus.
12
het aanbod aldaar (Facilitaire Dienstverlening, Helpende zorg en welzijn en/of Handel/Verkoop en Sport & recreatie [De Eendracht]). Als het gaat om kansen op de arbeidsmarkt geldt in het algemeen: hoe hoger het opleidingsniveau, des te meer kansen. Volgens de locaties zijn ook Plusjongeren hier doorgaans van doordrongen. Vaak beschouwen ze de Plusschool als hun laatste kans op een diploma. De locaties geven aan, dat een groot deel van hun studenten die een entreeniveau volgen, daarna op de locatie blijven om een startkwalificatie te behalen. Op basis van een koppeling van registratie van de Plusstudenten met CBS-data is in 2019 becijferd dat tussen 2010 en 2019 2700 studenten een mbo-niveau 1- of 2-opleiding op een van de zes Pluslocaties gevolgd hebben. ▪ Een kleine meerderheid volgde een entree-opleiding; per locatie verschillen de verhoudingen: bij ROC Op Maat zijn er meer entree-studenten, bij ROC Top meer niveau 2 studenten. Bij ROC op Maat waren de studenten gemiddeld jonger. ▪ Ongeveer de helft van de studenten sloot de opleiding op een Plusschool af met een diploma (entree 52%; niveau 2 42%); 12% had al een eerder mbo-diploma en 38% verliet de Plusschool ongediplomeerd. ▪ Van de uitstromers leerde bijna de helft door; vooral op niveau 2; een klein deel op niveau 3 of 4.
▪ Een jaar na uitstroom van de Plus volgden bijna 4 op de 10 jongeren een andere opleiding, meestal op mbo2-niveau. Minder dan 2 op 10 jongeren had werk en ruim 4 van de 10 is zonder geregistreerd inkomen of ontvangt een uitkering. ▪ Vier jaar na uitstroom werkte een op de drie jongeren; had 53% geen geregistreerd werk of een uitkering en studeerde 14% nog. ▪ Relatief vaak hebben oud-studenten van de Plus een oproep of uitzendcontract: een jaar na uitstroom is dat 41% van de uitstromers; 4 jaar na uitstroom 45%. Iets meer dan de helft vindt een baan in Amsterdam, vaak in de horeca, handel of uitzendbranche. ▪ Jongeren met diploma leerden vaker door en hebben na 4 jaar een betere arbeidsmarkpositie dan jongeren zonder diploma. ▪ Na 4 jaar lijkt de inkomensverdeling van uitstromers van entree-opleidingen van Pluslocaties op die van vergelijkbare mbo-opleidingen. Bron: Bisschop, P. e.a. (2020)
Uit arbeidsmarktonderzoeken8 is bekend dat de kansen op werk toenemen met het gevolgde opleidingsniveau, en dat de beroepsbegeleidende leerweg (bbl) in het algemeen een betere arbeidsmarktpositie geeft dan de beroepsopleidende leerweg (bol). Bij de Pluslocaties ziet men het potentieel van de bbl wel degelijk, maar leven er ook bedenkingen: “Vier dagen werken vraagt veel van het niveau en de werkvaardigheden van jongeren.” “Spannend aan een bbl-traject kan ook zijn dat studenten geen studiefinanciering ontvangen en een betaalde baan moeten zien te vinden en te behouden. Als dat misloopt heeft het gevolgen voor de inkomsten.” “Voor de bbl is een baan van 4 dagen nodig vanaf de start en het vraagt een goede werkhouding en gedrag om die te krijgen en te houden. Werkgevers durven maar zelden met zo’n jongere in zee te gaan.” Overigens is het tijdens de entree-opleiding nog mogelijk om de bol om te zetten naar de bbl en zijn er hybride mogelijkheden.
8
Zie bv https://www.werk.nl/arbeidsmarktinformatie/kansen-arbeidsmarkt/arbeidsmarktpositie-mbo-vergeleken en de schoolverlatersonderzoeken van ROA.
13
3.4
De sleutelrol van de stage
De stage/bpv is een cruciaal element in het mbo-onderwijs en vervult een belangrijke rol als het gaat om kennismaking met arbeid, beroepscompetenties opdoen en uitvoeren in de praktijk en helpt studenten zich goed voor te bereiden op de arbeidsmarkt. De overgang van school naar werk verloopt soepeler voor opleidingen waarin praktijkleren een relatief grote rol speelt (ecbo, 2017). De stage vormt een opmaat naar werk en kan bij doorleren naar de hogere niveaus ook als leerwerkplek voor de bbl fungeren. Op alle locaties wordt het belang van de stage (h)erkend. Omdat de stage een sleutel is naar een reguliere arbeidsplek is een goede stage van belang. Wat maakt een stage ‘goed’? Onderzoek wijst uit dat dat samenhangt met de manier waarop het praktijkleren is vormgegeven: de voorbereiding, kenmerken van de stageplaats en de begeleiding. Factoren die een succesvolle aansluiting op de arbeidsmarkt bevorderen zijn onder meer de sociale sensitiviteit van de werkgever, maatwerk, goede introductie van de student in het bedrijf, een goede begeleiding door één persoon en extra aandacht voor continuïteit in het begeleidingstraject. Wat speelt er op de locaties rond de stage? We zagen al dat Plusjongeren twee dagen stage lopen en drie dagen naar school gaan. Op niveau 1 is de stage niet wettelijk verplicht.
De locaties maken daar wel werk van, omdat ze vinden dat de stage zeker voor het entreediploma een meerwaarde heeft. Op entreeniveau wordt er meer flexibiliteit ervaren en meer ruimte die benut kan worden, terwijl op niveau 2 de uren sterker ingekaderd zijn. Relatief belang van de beroepsrichting De entree-opleiding is ‘oriënterend’ van aard en kent verschillende uitstroomrichtingen. In de entree is de stage veelal leidend voor de uitstroomrichting. Gezien het karakter van de entree-opleiding wordt hier en daar geopperd dat een constructie waarin de student zich op meerdere stageplekken zou kunnen oriënteren, wellicht beter zou zijn. In de Plusscholen lijkt de verhouding met de inhoudelijke beroepsrichting anders dan in de ‘reguliere’ opleidingen. Jongeren kiezen niet voor een beroepsopleiding en gaan dan naar een Plusschool; ze worden naar de Plusschool verwezen en volgen op niveau 1 of 2 het aldaar beschikbare aanbod, doorgaans op het gebied van dienstverlening, zorg of verkoop, met een sterkere profilering van locatie De Eendracht op sport. De specifieke beroepsrichting lijkt dus nog relatief weinig waarde te hebben als ‘bewuste keuze’ voor de student.
Vanuit de Pluslocaties klinkt aan de ene kant het signaal dat het meer gaat om het bereikte niveau met het oog op verdere doorstroom en dat een student na niveau 2 dan (opnieuw) een keuze kan maken in welke richting hij/zij de beroepsopleiding vervolgt. In die zin wordt het aanbod aan opleidingsrichtingen toereikend gevonden. Aan de andere kant vermeldt men dat het af en toe ook lastig is om bijvoorbeeld binnen een verkoopopleiding een goede ‘match’ te maken tussen de wensen van een jongere, als die liggen op het gebied van techniek, de opleiding en de stageplek. Een enkele locatie meldt expliciet bezig te zijn geweest met een stevigere link tussen de stage en de opleiding, zodat studenten ook beter zien waar ze het voor doen. Organisatie en begeleiding van de stage Op alle locaties worden de organisatie en begeleiding van de stage als (zeer) arbeidsintensief ervaren. Het gaat dan om het (steeds opnieuw) vinden/organiseren van voldoende en passende stageplekken en de begeleiding van de studenten én stagebedrijven. Het kan even duren voordat een student een stageadres gevonden heeft. Soms lukt dat via via, via familie of vrienden. Een aantal locaties meldt expliciet dat entreestudenten daar moeite mee hebben of juist specifieke voorkeuren hebben/kieskeurig zijn, bijvoorbeeld niet te dicht bij school, maar ook niet te ver weg.
Het komt voor dat er -volgens de school- een prima plek gevonden wordt, maar deze niet erkend wordt door SBB; andersom ook dat er een -jaren geleden- erkende plek is die bijvoorbeeld door wisselingen in
14
praktijkbegeleiders niet meer voldoet aan wat nodig is voor Plusjongeren. Stageplekken in supermarkten of winkels lukken meestal wel, maar in de zorg bijvoorbeeld is het vaak lastiger, doordat er ‘handen tekort zijn’ voor begeleiding en men vaker de wens heeft voor studenten van niveau 4. Het is soms ook lastig een match te maken voor studenten met een intrinsieke belangstelling (bv mode, muziek, een technische richting) die verder af ligt van het opleidingsaanbod van de locatie. Het vinden van geschikte plekken is tijdrovend. Nagenoeg alle locaties noemen plekken waar ze heel tevreden over zijn en zien meer mogelijkheden, bijvoorbeeld ook om aan te haken bij bestaande leerwerk-projecten. Het overzicht daarin ontbreekt en het organiseren daarvan vraagt tijd en capaciteit voor elke locatie. Vanuit die constatering zoekt men naar (meer) plekken waar een groepje studenten tegelijk stage kan lopen met goede begeleiding op de stageplek en vanuit de Pluslocatie. Een enkele keer is er contact met de Stagemakelaar A’dam (die werkt voor alle niveaus), maar nog niet echt concreet voor deze doelgroep. Naast het moeilijk vinden van plekken, komt het voor dat het de student niet lukt om de stageplek te houden, vanwege werkhouding of gedrag.
Soms zoeken de locaties oplossingen in een betere voorbereiding van de jongere op de stage, soms in meer beschermde plekken/plekken die bereid zijn Plusjongeren meerdere kansen te geven; soms in beide. De locaties hanteren verschillende typen ondersteuning, bijvoorbeeld in de vorm van NOS-(niet-op-stage)uren; vervangende praktijkopdrachten om de interesse van de student te verhelderen, een stagecoördinator met een eigen uitzendbureautje in de school; een stagevoorbereidend programma bv via MAS, samenwerking met (leer/werk-)projecten als de Pits keuken, die een soort beschermde stageplekken bieden, leerwerkcoaches (ROC op Maat) met een halve weektaak voor de stage-organisatie, om een goede connectie en intensieve relatie met stagebieders op te bouwen en voor de begeleiding van de stagiaires. De mentor en/of stagebegeleider legt bezoeken af aan de bedrijven. Ook daarin schiet de tijd vaak tekort. Een goede relatie met de praktijkbegeleider van het stagebedrijf is belangrijk om terugkoppeling te krijgen en om te zorgen dat er onmiddellijk gehandeld kan worden als de student niet aanwezig is of er zich andere problemen voordoen. Die relatie is vaak persoonsafhankelijk, wat het kwetsbaar maakt als de praktijkbegeleider van baan wisselt.
Als de locaties het hebben over ‘geschikte stageplekken’ noemen ze dat meestal in één adem met ‘goede praktijkbegeleiding’, die de Plusjongeren snapt en respecteert. Alles overziend tekent zich een lijstje ‘voorwaarden’ af voor een goede stageplek voor Plusjongeren: Een plek waar de jongere competenties kan opdoen en laten zien en zich in het werk kan ontwikkelen, die in relatie staat tot de eigen belangstelling, de opleiding en het baanperspectief, bij een bedrijf of instelling dat affiniteit heeft met Plusjongeren en bereid is Plusjongeren (meerdere) kansen te geven: “mensen moeten wel echt iets met onze jongeren willen” en met goede praktijkbegeleiding. “We hebben geen makkelijke studenten, maar wel de allerleukste!” Een plek die de jongeren in staat stelt een succeservaring op te doen en die perspectief biedt, bv door baangarantie of uitzicht op een baan. Voor de jongeren is het belangrijk dat de praktijkervaring is ingebed in het curriculum, waardoor ze niet het gevoel hebben dat ze iets extra’s moeten doen. Daarnaast vinden Plusjongeren een stagevergoeding belangrijk en werken bestaande verschillen in stagevergoedingen niet motiverend voor studenten. Het vraagt een goede communicatie vanuit de Pluslocaties om bedrijven bekend te maken met en te informeren over de doelgroep en de manier van werken op de Plus en wat dat betekent voor welke begeleiding de doelgroep vraagt.
In een sector als de zorg bijvoorbeeld zijn extra handen nodig en vraagt deze doelgroep al gauw een te grote investering. De suggestie wordt gedaan om in die gevallen de begeleiding vanuit de Plus op de werkplek uit te breiden in de hoop dat dat werkgevers over de streep trekt. Een locatie doet de suggestie van training van praktijkbegeleiders in het omgaan met Plusjongeren om hun bekendheid met de doelgroep te vergroten.
15
3.5 Verder na de Plusschool Een deel van de jongeren leert door op niveau 2, 3 of 4. Een ander deel stroomt uit met of zonder diploma van de entreeopleiding. Van degenen die niveau 2 afronden gaat een deel verder op (bbl-)niveau 3 of 4. Soms verdwijnt het zicht op een student bij doorstroom naar een niveau 2 opleiding elders of naar niveau 3 of 4 en is onduidelijk of oud-studenten daar zijn aangekomen. Een enkele keer bestaat er nog contact met de mentor van studenten op niveau 3 of 4. Binnen de eigen roc’s zijn de oud-studenten dan nog wel te traceren via het leerlingvolgsysteem. Uitval op de hogere niveaus lijkt ook met het ontbreken van (doorlopende) begeleiding te maken te hebben. “Deze jongeren gaan vaak van begeleiding naar begeleiding. Als de begeleiding niet aansluit, bestaat het risico dat jongeren kwijt raken/niet aankomen op de voorgenomen bestemming.” Opleidingen op de hogere niveaus in het mbo vragen meer zelfstandigheid van studenten. Jongeren zijn vaak nog niet ‘klaar’ als ze de Plus verlaten. Dat zou betekenen dat er meer begeleiding nodig zou zijn om Plusjongeren succesvol een hoger mbo-diploma te kunnen laten halen. Daarnaast zijn er signalen dat er onder de zittende studenten op niveau 3 en 4 ook jongeren zijn met vergelijkbare problematiek, die (ook) gebaat zouden zijn bij meer begeleiding.
Vanuit de locaties zijn er signalen dat het toelatingsrecht9 en de studiefinanciering ‘shopgedrag’ bij andere/reguliere opleidingen in de hand werken, met als risico dat jongeren zich aanmelden en aangenomen worden, maar na een korte periode weer buiten staan. Er leeft bij de locaties en de jongeren een gevoel van ‘nu-of nooit’ als het gaat om opleiding. Een aantal malen melden de locaties dat kansen voor studenten met een niveau 2 diploma niet heel gunstig zijn. In de zorg en in kinderdagverblijven bijvoorbeeld geven werkgevers de voorkeur aan niveau 4. “Mede door corona raken sommige jongeren in een dip en durven ze niet meer verder te dromen na niveau 2. Ze realiseren zich dat hun baankansen met een niveau 2-diploma niet groot zijn, maar voor sommige jongeren is niveau 4 onbereikbaar. In die gevallen zou het mooi als er meer aandacht is voor alternatieven, waardoor een jongere bij een bedrijf aan de slag kan en door kan groeien binnen een bedrijf.” Jongeren komen terecht in banen in de supermarkt, schoonmaak, als pakketbezorger, pizzabezorger, eenmanszaken, verkoopmedewerker, buurthuismedewerker, in de stadsreiniging, zweminstructeur, verhuizer, op Schiphol, bij een bloemenveiling, autoschadebedrijf, in beschermd werk of een dagbesteding.1011
9
Het toelatingsrecht in het mbo is een keuzerecht voor studenten. Opleidingen mogen jongeren niet weigeren. Daartegenover staat het bindend studieadvies. 10 Werk & Re-integratie is voor jongeren uit het doelgroepenregister, bv jongeren uit praktijkonderwijs en vso. Zie https://www.amsterdam.nl/ondernemen/ondersteuning/personeel-of/werk-en-re-integratie/ 11 Uit ‘Zicht op kansen’ weten we dat een jaar na uitstroom de verschillen in baanpositie tussen ongediplomeerde en diplomeerde uitstromers van de Plus niet groot zijn; na 4 jaar hebben gediplomeerde uitstromers vaker werk en een contract van 3, 4 of 5 dagen. Horeca, handel en uitzendbranche zijn de meest voorkomende sectoren (Bisschop, e.a., 2020).
16
Jongeren die niet doorleren en geen contract of een andere dagbesteding hebben, worden aangemeld bij het Jongerenpunt12. Het Jongerenpunt vangt de jongeren op, draagt zorg voor informatie en verwijst jongeren door. Jongeren vanuit het doelgroepenregister krijgen één-op-één-begeleiding door een jobcoach. Het aanbod is voorbehouden aan jongeren uit de gemeente Amsterdam13. Jongeren zetten de stap naar het Jongerenpunt niet zo snel uit eigen beweging. Ze beschouwen dat volgens de Pluslocaties niet als de ‘beste’ route omdat het hun eerste wens is zelf aan het werk te gaan of door te leren. Zeker als ze in een uitkeringssituatie terecht komen voelen jongeren dat niet als positief. Bij een advies ‘werken’ wordt het Jongerenpunt ingeschakeld. De student wordt aangemeld. Het Jongerenpunt neemt het over van de Plusschool en kijkt samen met de student of deze wil werken of werken en naar schoolgaan. Jongerenadviseurs komen op school om voorlichting te bieden. Het heeft de voorkeur van Pluslocaties dat de jongerenadviseur daadwerkelijk op de Pluslocatie komt, zodat deze voor de jongere al een bekend gezicht is. Er zijn ervaringen dat het Jongerenpunt studenten oproept die niet verder gaan leren en geen baan hebben. Met als risico dat de jongeren daar niet aanbelanden.
Soms zijn de locaties tevreden over de overdracht; soms bestaan er verschillende visies ten aanzien van of een student gebaat zou zijn met werken of doorleren. Soms ook wordt terugkoppeling van het Jongerenpunt aan de locatie over hoe het een jongere vergaat, gemist. Waar de locaties soms het gevoel hebben dat hun ervaring met een jongeren te weinig wordt meegenomen, heeft het Jongerenpunt soms de indruk dat er te lang gewacht wordt met jongeren doorverwijzen. Een locatie meldt al een aantal jaren geleden trainingen op het gebied van werknemersvaardigheden en stagevaardigheden van het Jongerenpunt de school in gehaald te hebben, zodat studenten beter voorbereid kunnen worden op stagelopen en werk. Structurele nazorg en/of systematisch zicht op waar jongeren blijven ontbreekt veelal. Waar oud-studenten blijven of terechtkomen is informatie die soms op centraal niveau van het betreffende roc, maar veelal uit informele contacten gehaald wordt, afhankelijk van de band van de jongere met 12
Zie https://www.amsterdam.nl/werk-inkomen/jongerenpunt/. Jongerenadviseurs werken voor een hele doelgroep en een jobcoach levert bij afzonderlijke jongeren maatwerkondersteuning. 13 Jongeren uit een andere gemeente worden door het Jongerenpunt doorverwezen naar een jongerenadviseur van die gemeente.
17
de locatie/mentor. Op een paar locaties wordt wel gecheckt of jongeren aankomen op de vervolgbestemming en of ze zich daar aanmelden. Het komt met regelmaat voor dat oud-studenten van zich laten horen of vragen hebben aan hun mentor (bijvoorbeeld om hulp bij een stageplek of werkplek), die daar vanuit hun persoonlijke betrokkenheid en verantwoordelijkheidsgevoel op ingaan. Tegelijkertijd meldt zich bij de school (weer) een nieuwe groep Plusjongeren die recht heeft op dezelfde aandacht. Mentoren hebben veel op hun bordje en willen er voor alle (oud-)Plusjongeren zijn, maar dat doet een groot beroep op hun inzet en is geen structurele oplossing. Alumnibeleid waaronder het uitnodigen van om oud-studenten op school om te vertellen hoe het ze vergaan is, is op een aantal locaties in ontwikkeling, maar: “Deze jongeren zijn lastig bereikbaar, mobiele nummers wisselen zo ongeveer per dag.” Eén locatie heeft een uitstroommedewerker en zet in op door/uitstroom en nazorg en heeft daar een extra subsidie14 voor aangevraagd.
3.6 Aanknopingspunten voor het aanbod De rondgang langs de Plusscholen brengt een aantal zaken aan het licht als het gaat om de Plusschool als kansrijke route naar de arbeidsmarkt: o Waar de focus van Plusscholen in eerste instantie ligt bij de ‘schoolse kant’ met intensieve begeleiding om studenten (weer) op de rit te krijgen en naar een startkwalificatie en mogelijk verder te brengen, vinden de locaties het zonder uitzondering belangrijk om verder te kijken dan dat, en voelen ze zich ook verantwoordelijk voor hoe het studenten na de Plusschool vergaat. o De rol van praktijk in de opleiding krijgt bij alle Pluslocaties aandacht. Hoe men daarmee bezig is verschilt van locatie tot locatie: van co-creatie met bedrijven voor leren-on-the-job/hybride leren tot de binnenschoolse faciliteiten, van voorbereidende stages voor uitstroom en nazorg. Doorgaans gaat het in de Plus om bol-opleidingen. o Rondom de stage spelen meerdere vraagstukken waarop de Pluslocaties ruimte voor verbetering zien: van (de organisatie van) de werving van geschikte plaatsen tot het organiseren de stagebegeleiding, van de voorbereiding op stage tot stagevergoedingen. Het belang van de stage staat buiten kijf, om meerdere redenen, bijvoorbeeld als opmaat voor werk of een vervolg bbl-opleiding. Ook voor stageplekken geldt dat er geen ‘one-size’ is.
Sleutelwoorden daarin zijn de (match van) belangstelling van de jongere, de relatie met de beroepsopleiding en perspectief op werk, in een omgeving die affiniteit heeft met Plusjongeren en bereid is ze kansen te geven, in omstandigheden die in de ogen van jongeren kloppen (met stagevergoeding, binnen schooltijd). o De Plusscholen hebben een populatie die zeer divers is. In het eerdere onderzoek constateerden we al dat de studenten van ROC op Maat wat jonger zijn en een wat geringere afstand tot school hebben. De grote diversiteit betekent dat er geen one-size-fits-all aanpak en route mogelijk is, maar (individueel) maatwerk dat een basis vindt in een goede relatie tussen jongere en mentor en waarin belangstelling, motivatie en talenten van de jongere, opleiding en een kansrijk vervolg gematcht worden. LOB biedt daarin aanknopingspunten als basis voor een loopbaangedachte om jongeren te versterken (zie ook het kader op pag. 6 over het versterken van de beroepsidentiteit) en kan als basis voor het traject een centrale(re) rol vervullen. Voor de ene jongere betekent dat een traject gericht op zo lang mogelijk doorleren, voor een andere een combinatie van leren en werken en voor weer een ander (doorgroeien in) werk of beschermd werk of een dagbesteding. De locaties willen daarin de succeskansen van elke Plusjongere optimaliseren.
Die kansen liggen op het terrein van een betere voorbereiding en perspectief bieden, waarin de stage een belangrijke rol 14
https://www.dus-i.nl/subsidies/nazorg-mbo-2022-2023
18
o
o
speelt, in intensivering van de (stage)begeleiding, in het beter op elkaar afstemmen en laten aansluiten van de ketenpartners voor en bij de overstap en in doorlopende begeleiding/monitoring na uitstroom (zowel naar vervolgonderwijs als naar werk). Locaties zijn ieder voor zich en deels met een eigen focus daarmee bezig. De organisatie van het werven van geschikte stageplaatsen, leerwerkplaatsen en de begeleiding van studenten en bedrijven is tijdrovend. Een interessant vraagstuk is of Plusjongeren meer gebaat zijn bij een smalle of een brede beroepsopleiding. Zijn hun kansen beter als ze voor een specifiek beroep worden opgeleid of is het beter ze breder op te leiden, zodat ze wendbaarder zijn op de veranderende arbeidsmarkt? Of zijn ze beter af met een combinatie van beide, zoals het proefschrift van Keijzer (2021) suggereert? Vooralsnog lijkt de beroepsinhoud geen dominante rol te spelen: Plusjongeren gaan naar de Plus en volgen een opleiding uit het daar beschikbare aanbod, in plaats van dat de keuze voor een opleiding leidend is (dat doet zich wellicht alleen voor bij sport) en waarbij de gevonden stage de te kiezen richting bepaalt.
Tot slot komen in de gesprekken verschillende afwegingen naar voren als het gaat om toerusten, begeleiding en zelfstandig functioneren: lukt het om een jongere tijdens de Plusperiode voldoende toe te rusten en/of is er langer doorlopende begeleiding/nazorg nodig en op welk moment kunnen Plusjongeren zelfstandig (genoeg) kunnen functioneren?
19
4. Kansen volgens de Pluslocaties In dit hoofdstuk komen de mogelijkheden en wensen die de Pluslocaties zelf geformuleerd hebben om de arbeidsmarktkansen en -positie van hun studenten te bevorderen aan bod. De genoemde kansen zijn in een aantal thema’s geordend. Daarbij zijn ook de kansrijke acties die de individuele locaties op de studiemiddag hebben aangedragen, opgenomen.
4.1
Kansen per locatie
Alle locaties noemen meerdere kansen ter verbetering van de arbeidsmarktkansen van hun studenten; samen noemen de locaties een kleine 60 verbetermogelijkheden. Dat geeft aan dat het onderwerp leeft én dat men kennelijk ruimte voor verbetering signaleert en daarmee aan de slag wil. In de bijlage staan alle kansen die de locaties noemen opgesomd. Op deze plek een samenvatting. Per locatie verschillen de accenten: Zo legt locatie Noord het accent op een betere voorbereiding van Plusjongeren langs meerdere sporen: via het versterken van het praktijk- en beroepsgerichte karakter van het aanbod door de fysieke ruimte en faciliteiten daarop in te richten en het aanbod sterker te laten aansluiten op wat de arbeidsmarkt vraagt, door de ‘voorbereidende stage’ via MAS15 uit te breiden en continueren én door jongeren middels een tussenjaar beter toe te rusten voor doorleren op de hogere niveaus. Verder genoemde acties zijn co-creatie met bedrijven, meer samenwerking met Jongeren Informatie Punt (JIP) en met de gemeente (voor stageplekken), alumnibeleid, praktijkverklaringen voor Plusstudenten met een PrO-achtergrond en meer samenwerking tussen alle Pluslocaties (organisatorisch één maken van de Pluslocaties, met het oog op ruimer aanbod aan crebo’s en concentreren van specialisatie; uitvoering op de eigen Pluslocatie waarbij kennis en materialen bij andere locaties gehaald kunnen worden).