CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1. Voorjaarsnota 2021

Raadscommissie voor Financiën, Economische Zaken, Deelnemingen, Lucht- en Zeehaven, Duurzaamheid 10 juni 2021, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Vaststellen van de Voorjaarsnota 2021 en de daarin voorgestelde begrotingswijzigingen van de Begroting 2021. Nr. VN2021-01356337.968 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

In het kader van deze focus verschuiven we in de Voorjaarsnota 2021 € 2,5 miljoen van het jaar 2022 naar 2021.

Verkooptaakstelling vastgoed In 2020 zijn er vanwege de coronacrisis in het algemeen minder panden verkocht. Hierdoor is de verkooptaakstelling doorgeschoven naar 2021. De reeds bestaande verkooptaakstelling voor 2021 bedraagt € 13,9 miljoen. Door de voortdurende coronacrisis is het verkoopproces een stuk lastiger en tijdrovender. Daarom is de inschatting dat we de begrote verkoopopbrengst in 2021 niet geheel behalen, maar dat deze deels doorschuift naar latere jaren. Met behulp van een kasschuif verschuiven we deze begrote verkoop­ opbrengst in de voorjaarsnota voor een bedrag van € 3,9 miljoen van 2021 naar 2023. Toevoeging Algemene reserve De Algemene reserve zetten we tot en met 2023 in om de economische schok van de coronacrisis op te vangen. In het herstelplan Samen sterker uit de crisis, dat is verwerkt in de Begroting 2021, is afgesproken dat positieve effecten op het financiële beeld worden toegevoegd aan de Algemene reserve. Aan die afspraak geven we invulling door het positieve effect van de Voorjaarsnota 2021 toe te voegen aan de Algemene reserve. Dit betekent een toevoeging van € 8,5 miljoen in 2021, van € 2,3 miljoen in 2022, van € 9,5 miljoen in 2023 en van € 9,6 miljoen in 2024.

25

H 2.2

2.2 Balans: investeringen en schuldontwikkeling De balans van Amsterdam staat onder druk. Onze stad is de afgelopen jaren flink gegroeid, en zal de komende jaren blijven groeien. Deze groei is het gevolg van de aantrekkelijkheid die onze hoofdstad heeft als vestigingsplaats voor woningen en ondernemingen. Een stad die groeit, zorgt voor nood­ zakelijke investeringen, waarbij het ons doel is om een complete stad te bouwen. Dit betekent dat investeringen in de ontwikkeling van grond (ten behoeve van woningbouw) gepaard gaan met investeringen in infrastructuur en investeringen in maatschappelijke voorzieningen zoals onderwijshuisvesting en sportvoorzieningen. Een stad die groeit, zorgt ook voor een langdurige investeringsambitie: de periode tussen het ontwikkelen van de grond en het finaliseren van de bijbehorende maatschappelijke voorzieningen bestrijkt meerdere decennia.

2.2.1 Investeringen

Onze wens én noodzaak tot groei leidt dus tot een grote en langdurige investeringsambitie. Investeringen worden doorgaans geactiveerd op onze balans, en leiden daarmee tot een toename van de gemeenteschuld. Daarbij moeten investeringen worden beheerd en onderhouden, wat zorgt voor een noodzaak tot het vrijmaken van de daarvoor benodigde middelen in onze begroting. In het verleden heeft betaalbaarheid of houdbaarheid niet of nauwelijks een rol hoeven spelen bij de besluitvorming over toekomstige investeringen. Betaalbaarheid en houdbaarheid zijn in toenemende mate van belang als randvoorwaarden bij besluitvorming over toekomstige investeringen. We staan op een punt waarbij, bij ongewijzigd beleid, de schuld sterk blijft oplopen en budgetten op beheer, onderhoud en exploitatie onder een toenemende druk staan. Bijsturen is daarom noodzakelijk.

De werking van het huidig stelsel met betrekking tot investeringen is volgens dit college in veel opzichten onbevredigend. Investeringen worden individueel beoordeeld en niet in hun onderlinge samenhang gewogen (samenhang over domeinen heen en samenhang in de tijd), het stelsel werkt plannings­ optimisme in de hand en vanwege het stelsel ontbreekt het vaak aan voldoende middelen voor beheer, onderhoud en exploitatie.

Dit plaatst het college voor een groot dilemma. Er bestaat een vurige wens om te investeren in onze groeiende stad, om met investeringen woningbouw mogelijk te maken, en om te blijven investeren in het (achterstallig) onderhoud van onze stad, maar tegelijkertijd is het inpassen van de bijbehorende investeringsambitie in onze balans en onze begroting een schier onmogelijke opgave. De betaalbaarheid van de groeiambities van onze hoofdstad staat onder druk en is een groot aandachtspunt van dit college. Het college zal dit dilemma agenderen in de gesprekken op regionaal en nationaal niveau.

Besluitvorming over investeringen kent nu een systematiek waarbij per investering besloten wordt. Daarbij kennen de investeringen in gebieds­ ontwikkeling een besluitvormingsproces dat buiten de reguliere P&C-cyclus valt. Een groot aantal investeringsprojecten is wel goedgekeurd, maar heeft vertraging opgelopen of zal later starten dan gepland. Dat zorgt ervoor dat de prognose van de realisatie van de lopende investeringen hoger is dan uiteindelijk gerealiseerd zal worden. Dit staat bekend als het plannings­ optimisme. In het Jaarverslag 2020 is het planningsoptimisme wederom zichtbaar: in 2020 is ongeveer de helft gerealiseerd van wat in de Begroting 2020 aan activatoename werd verwacht.

In de Begroting 2021 (en in een separaat bij de begroting verstuurde raadsbrief) is de gemeenteraad geïnformeerd over het voornemen van het college om te gaan werken met een nieuw stelsel voor besluitvorming over investeringen. Het doel van het nieuwe investeringsstelsel is om te komen tot een optimale investeringsmix, een houdbare begroting en een beheerste en houdbare balansontwikkeling. Een optimale investeringsmix betekent dat we integraal willen sturen op ons investeringsportfolio zodat we kunnen afwegen welke investeringen het meest nodig zijn in de stad en kunnen waarborgen dat er samenhang bestaat tussen onze investeringen- nu en in de toekomst. Een houdbare begroting is een begroting die voldoende middelen bevat om alle lasten van investeringen te kunnen bekostigen; niet alleen rente en afschrijving, maar ook lasten voor beheer, onderhoud en exploitatie.

26

H 2.2

Voor sommige investeringen geldt dat de rente en afschrijving vanuit inkomstenbronnen worden gedekt, die buiten de algemene dekkingsmiddelen vallen, bijvoorbeeld parkeerinkomsten of de afvalstoffenheffing. Een beheerste en houdbare balansontwikkeling betekent dat de schuld stabiliseert (op termijn niet meer groeit) en dat het totaal van onze lopende en nieuwe investeringen (in grond, rendabel, maatschappelijk, en overige activa­ ontwikkelingen) wordt ingepast onder een investeringsplafond.

2.2.2 Schuldontwikkeling

Het nieuwe stelsel heeft als belangrijk doel om op integrale wijze te besluiten over de investeringen binnen ons investeringsportfolio en op een hoger, strategisch niveau afspraken te maken. Daarbij hoort een sturing op portfolioniveau, in plaats van (alleen) op losse investeringen. Dit heeft logischerwijs niet alleen gevolgen voor de wijze waarop door het college wordt besloten over investeringen, maar ook voor de wijze waarop toekomstige investeringen door de raad worden geautoriseerd.

In de jaren daarna stijgt de externe schuld steeds minder snel door de werking van het nieuwe investeringsstelsel. Met de introductie van het investerings­ stelsel wordt de netto schuldquote gestabiliseerd en bereikt deze in 2025 een stabiel niveau van 130%, wat in dat jaar neerkomt op een schuld van € 7,9 miljard. De netto schuldquote lichten we verder toe in paragraaf 2.2.3 Financiële ratio’s.

We investeren fors in de stad waardoor de schuld toeneemt. Volgens de huidige inzichten stijgt de externe schuld in 2021 met € 0,8 miljard van € 6,1 miljard eind 2020 naar € 6,9 miljard eind 2021. De verwachte schuld komt daarmee nagenoeg gelijk uit als bij de Begroting 2021. De verwachte stijging in 2021 is daarmee ook gelijk aan de stijging in 2020.

Grafiek 1. Ontwikkeling externe schuld Het college heeft daarom het voorstel in voorbereiding om een verandering aan te brengen in de wijze waarop investeringen worden behandeld door de raad: enerzijds bestaat het voornemen om de raad een dieper en beter inzicht te geven in de voortgang van (en samenhang tussen) investeringen binnen ons totale investeringsportfolio, anderzijds behelst het voorstel om de autorisatie door de raad niet langer gefragmenteerd (op losse investeringsprojecten) te laten plaatsvinden, maar op de totale ontwikkeling van ons investerings­ portfolio per begrotingsprogramma. Hiertoe zal een wijziging van de Financiële Verordening noodzakelijk zijn, waarin het college nieuwe afspraken met de gemeenteraad wil maken over hoe besloten wordt over investeringen. De raad wordt nader geïnformeerd over de werking van het voorgenomen stelsel, zodat zij zich daarover een beeld kan vormen en eventuele zorgpunten naar voren kan brengen. Voor het zomerreces zal een technische sessie worden georganiseerd om de raad te informeren en zal de wijziging in de financiële verordening naar de raad worden verstuurd.

9,0

8,0 7,4

7,6

7,5

7,7

7,7 7,8

7,9

2024

2025

6,9 6,9

7,0 6,4

6,1

6,0

5,0

4,0

3,0

2020 Begroting 2021

2021

2022

2023

Voorjaarsnota 2021

27

H 2.2

2.2.3 Financiële ratio’s Er zijn verschillende invalshoeken om de schuld en de houdbaarheid ervan te beoordelen. Kengetallen kunnen helpen meer inzicht te geven in de schuld en de ontwikkeling daarvan beter te begrijpen. De solvabiliteitsratio en de netto schuldquote zijn verplichte kengetallen vanuit het Besluit begroting en verant­ woording provincies en gemeenten (BBV). Deze lichten we hieronder toe.

Netto schuldquote De netto schuldquote berekenen we door de netto schuld (conform BBV) te delen door het begrotingstotaal. Het begrotingstotaal zijn de totale baten zonder reservemutaties. Om te weten in hoeverre er sprake is van doorlenen, geven we de netto schuldquote weer zonder en met correctie voor leningen die wij zelf verstrekken. Tabel 5. Kengetal schuldquote

Solvabiliteit De solvabiliteitsratio berekenen we door het eigen vermogen te delen door het balanstotaal. De solvabiliteitsratio geeft aan hoeveel we van ons bezit financieren met eigen vermogen.

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Netto schuldquote

95%

111%

128%

125%

126%

130%

Netto schuldquote gecorrigeerd voor verstrekte leningen

90%

107%

123%

121%

122%

126%

Tabel 4. Kengetal solvabiliteit Solvabiliteit

2020

2021

2022

2023

2024

2025

51%

48%

45%

45%

45%

46%

De solvabiliteitsratio in 2021 bedraagt 48%. De komende jaren daalt de solvabiliteitsratio licht en lijkt te stabiliseren rond 45%. Daarmee voldoen we aan de gestelde signaalwaarde ‘redelijk’ van de provincie Noord-Holland.

Door de stijgende schuld staat de netto schuldquote onder druk. Door de introductie van het nieuwe investeringsstelsel stabiliseert de schuld en komt de netto schuldquote uit op 130% in 2025. Daarna blijft de netto schuldquote op een stabiel niveau van 130%. Daarmee voldoen we aan de gestelde signaalwaarde ‘redelijk’ van de provincie Noord-Holland.

28

H 2.3

2.3 Weerstandvermogen en risico’s De eigen financiën zijn in 2020 door de coronacrisis hard geraakt en ook nu nog staan onze financiën onder druk. We zien de grenzen opdoemen van onze draagkracht en hoewel het functioneren van de organisatie niet in het geding is, zijn we wel kwetsbaarder geworden. Dat valt ook op te maken uit de daling van het weerstandsvermogen. Bij het Jaarverslag 2020 komt die uit op 0.6. Dat is een forse daling ten opzichte van het Jaarverslag 2019, maar minder drastisch dan voorzien bij Begroting 2021. Grafiek 2. Vooruitblik weerstandsvermogen (herstelplan scenario) (bedragen x € 1 miljoen) 500

2,0

400

1,5

300

Bij de ontwikkeling van het weerstandsvermogen langs de lijn van het herstelplan blijkt dat we de grotere risico’s de komende twee jaar niet kunnen dragen. Om dat wel te kunnen moet de Algemene reserve minstens 5% van het begrotingstotaal bedragen. De streefwaarde van de Algemene reserve is circa € 300 miljoen. Met het herstelplan maken we goed gebruik van onze mogelijkheden om ons uit de crisis te investeren, daar zijn we in 2020 toe overgegaan. Anderzijds worden we met elke stap in de richting van herstel op de kortere termijn zelf financieel kwetsbaarder. Wanneer het herstelplan uitwerkt als beoogd, kunnen we in 2023 weer een gezond weerstandsvermogen bereiken. Zoals al is aangegeven in de box aan het begin van deze hoofdlijnen, is in bovenstaande grafiek inzichtelijk gemaakt wat het positieve effect op ons weerstandsvermogen zou zijn van de nog te ontvangen rijkscompensatie voor onze inkomstenderving op de toeristenbelasting van circa € 120 miljoen.

1,0 200 0,5

100

0

0,0 2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Beschikbare weerstandscapaciteit (linker as) Beschikbare weerstandscapaciteit incl. nog te ontvangen rijkscompensatie toeristenbelasting (linker as) Benodigde weerstandscapaciteit (linker as) Weerstandsvermogen (rechter as) Weerstandsvermogen incl. nog te ontvangen rijkscompensatie toeristenbelasting (rechter as)

29

H 2.4

2.4 Overige relevante ontwikkelingen: doelenboom en frictiekosten In deze paragraaf komen onderwerpen aan de orde die geen effect hebben op het budgettaire beeld of de ontwikkelingen op de balans, maar wel leiden tot een budgettair neutrale of tekstuele wijziging van de begroting, of een link hebben met de Planning & Control-cyclus.

2.4.1 Doelenboom In 2020 heeft de Rekenkamer onderzoek gedaan naar de bruikbaarheid van de indicatoren uit de doelenboom. In het bestuurlijk rapport geeft de Rekenmaker aanbevelingen om de bruikbaarheid van de indicatoren in de toekomst te verbeteren. Met inachtneming van deze aanbevelingen sturen we op verbetering van de doelenboom bij het opstellen van de Planning & Control-producten. Zo zijn ook bij het opstellen van de Voorjaarsnota 2021 per programma voorstellen ingediend voor wijzigingen (en verbeteringen) in de doelenboom. Bijvoorbeeld het invullen van nog ontbrekende (streef) waarden, of het aanvullen van doelen en activiteiten op basis van aangenomen moties. Een overzicht van deze wijzigingen is beschikbaar als internetbijlage bij deze voorjaarsnota.

2.4.2 Aanvraag frictiekosten Frictiekosten ontstaan wanneer het behalen van een structurele besparings­ maatregel (ongeacht uit welke bezuinigingsoperatie) gepaard gaat met kosten om te komen tot deze besparing. We streven ernaar frictiekosten altijd zo laag mogelijk te houden en we verwachten van alle organisatieonderdelen dat zij zoveel mogelijk zelf dekking vinden voor frictiekosten. Wanneer dit niet mogelijk is, kan een beroep worden gedaan op de frictiekostenreserve. Ontwikkeling frictiekostenreserve De stand van de reserve bedraagt € 10,8 miljoen. In onderstaande tabel staan de voorgestelde onttrekkingen en toevoegingen die we in de Voorjaarsnota 2021 ramen. De bedragen die in onderstaande tabel een nul laten zien omvatten frictiekosten onder de € 0,1 miljoen en zijn daarom niet direct zichtbaar.

Daarnaast werken we aan een plan van aanpak voor de kwaliteitsverbetering van de doelenboom en indicatoren. Hierover is in de commissie Financiën en Economische zaken van 25 juni 2020 en de raad van 2 juli 2020 gesproken. Dit plan van aanpak bespreken we nog voor de zomer in de raad. Onderdeel van dit plan van aanpak en gesprek met de raad is onder andere welke kwaliteitsverbetering aan de orde zou moeten zijn en hoe de commissies en de raad hierin worden betrokken. De inzet is om in de nieuwe coalitieperiode te kunnen werken met het resultaat van de kwaliteitsverbetering van de gehele doelenboom.

30

H 2.4

Tabel 6. Toevoegingen en onttrekkingen frictiekostenreserve (bedragen x € 1 miljoen) 2022

2023

0,2

0,0

0,0

Financiële Dienstverlening Incidentele uitgaven door boventalligheid als gevolg van een eerder besloten reorganisatie uit 2018.

0,3

0,1

5

GGD Kosten van boventalligheid als gevolg van een eerder besloten reorganisatie.

0,0

0,0

0,0

0,0

6

ICT De frictiekosten die worden gemaakt om een structurele besparing binnen het I-domein te realiseren.

1,1

1,9

1,4

0,4

7

Metro & Tram Het betreft eenmalige kosten die voortvloeien uit de aanstaande reorganisatie.

2,0

8

Onderwijs, jeugd en zorg Frictiekosten voortkomend uit het Reorganisatieplan Samen Doen.

0,2

9

Personeel en Organisatie Boventallige medewerkers en medewerkers die administratief zijn geplaatst bij bureau PO.

1,4

10

Stadsbeheer Frictiekosten bij de opbouw van het cluster Stadsbeheer.

0,2

11

THOR Boventalligheid en transitiemanagers als gevolg van een eerder besloten reorganisatie.

0,7

12

Clusterstaf Ruimte en Economie Dit betreft transitiekosten Waternet.

0,5

13

Ruimte & Duurzaamheid Incidentele kosten als gevolg van besluit door het college van B&W van Weesp tot uittreding uit de GR OFGV.

1,4

0,4

(bedragen x € 1 miljoen)

2021

1

Afval en Grondstoffen Kosten van boventalligheid en transitiemanagers volgend uit het organisatieplan Afval en Grondstoffen uit 2018.

0,4

2

Basisinformatie Het project Mobile Mapping wordt uitgevoerd om structurele besparingen te realiseren.

0,3

3

Belastingen Kosten als gevolg van boventalligheid in lijn met het reorganisatieplan Belastingen uit 2015 en 2018.

4

Totale aanvraag

2024

2025

0,7

0,5

0,4

7,2

3,6

31

H 2.4

Op basis van de geraamde toevoegingen en onttrekkingen in deze voorjaarsnota en de eerdere besluitvorming over de frictiekostenreserve, ontstaat onderstaand verloop. Tabel 7. Verloop frictiekostenreserve (bedragen x € 1 miljoen) 2021 Beginstand Voorjaarsnota 2021

2022

2023

10,0

15,0

2024

2025

10,8

Toevoegingen Voorjaarsnota 2019 Toegekende aanvragen eerdere besluitvorming

-2,2

2,9

-1,7

-1,1

Nieuwe aanvragen Voorjaarsnota 2021

-7,2

-3,6

-1,4

-0,4

Verwacht eindsaldo

1,5

5,0

16,9

15,5

15,5

32

3

H3

3

Programma’s 3.1

Veiligheid

35

3.2

Verkeer, vervoer en waterstaat

38

3.3

Economie

46

3.4

Kunst, cultuur en erfgoed

50

3.5

Onderwijs

53

3.6

Sport

56

3.7

Werk, inkomen en participatie

58

3.8

Volksgezondheid, jeugd en zorg

64

3.9

Duurzaamheid en ruimtelijke ordening

71

3.10 Grond

79

3.11 Wonen en groen

86

3.12 Moderne open overheid

92

3.A

Algemene dekkingsmiddelen

95

3.B

Bestuur en organisatie

103 34

H 3.1

3.1 Veiligheid (bedragen x € 1 miljoen) (bedragen x € 1 miljoen)

2021

2022

2023

2024

2025

Baten

19,8

17,0

17,0

17,0

17,0

Lasten

225,3

219,1

213,4

215,5

216,5

Saldo laatst vastgestelde begroting

-205,4

-202,1

-196,3

-198,5

-199,5

2,7

1,7

0,7

0,7

0,7

Baten Lasten

5,8

9,7

8,6

8,3

4,0

Saldo effecten voorjaarsnota

-3,1

-8,0

-7,9

-7,6

-3,3

Baten

22,5

18,8

17,8

17,8

17,8

Lasten

231,1

228,9

222,0

223,8

220,5

Saldo na voorjaarsnota

-208,5

-210,1

-204,2

-206,0

-202,8

Op programmaniveau worden geen toelichtingen geschreven, dit gebeurt per programma onderdeel.

H 3.1.1

3.1.1 Brandweer en crisisbeheersing (bedragen x € 1 miljoen) (bedragen x € 1 miljoen)

2021

2022

2023

2024

2025

Baten

3,1

3,1

3,1

3,1

3,1

Lasten

78,5

78,1

78,1

78,1

78,1

Saldo laatst vastgestelde begroting

-75,4

-75,0

-75,0

-75,0

-75,0

Baten

-0,2

-0,2

-0,2

-0,2

-0,2

Lasten

1,4

1,8

1,0

1,0

1,0

Saldo effecten voorjaarsnota

-1,7

-2,0

-1,2

-1,2

-1,2

Baten

2,9

2,9

2,9

2,9

2,9

Lasten

80,0

79,9

79,1

79,1

79,1

Saldo na voorjaarsnota

-77,1

-77,0

-76,2

-76,2

-76,1

Baten De totale baten dalen met € 0,2 miljoen in 2021. Deze afwijking lichten we niet verder toe omdat deze kleiner is dan € 1,0 miljoen.

Lasten De totale lasten stijgen met € 1,4 miljoen in 2021, met € 1,8 miljoen in 2022 en structureel met € 1,0 miljoen vanaf 2023. Dit effect is het gevolg van de volgende afwijkingen: • Een stijging van € 1,3 miljoen (2021 en verder) komt door de prijs­ compensatie op de gemeentelijke bijdrage aan de Veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland (VrAA). • De overige afwijkingen lichten we niet verder toe omdat deze kleiner zijn dan € 1 miljoen.

Reserves Er zijn voor dit programmaonderdeel geen reservemutaties.

36

H 3.1.2

3.1.2 Openbare orde en veiligheid Lasten

(bedragen x € 1 miljoen) (bedragen x € 1 miljoen)

2021

2022

2023

2024

2025

Baten

16,7

13,9

13,9

13,9

13,9

Lasten

146,7

141,0

135,3

137,4

138,4

Saldo laatst vastgestelde begroting

-130,0

-127,1

-121,4

-123,5

-124,5

2,9

2,0

0,9

0,9

0,9

Baten Lasten

4,4

8,0

7,6

7,3

3,1

Saldo effecten voorjaarsnota

-1,4

-6,0

-6,7

-6,4

-2,1

Baten

19,6

15,9

14,8

14,8

14,8

Lasten

151,1

149,0

142,9

144,7

141,4

Saldo na voorjaarsnota

-131,5

-133,1

-128,1

-129,9

-126,6

Baten De totale baten stijgen met € 2,9 miljoen in 2021, met € 2,0 miljoen in 2022 en met € 0,9 miljoen structureel vanaf 2023. Dit effect is het gevolg van de volgende afwijkingen: • Deze stijging van € 2,9 miljoen (2021), en € 2,0 miljoen (2022) komt vooral door hogere Rijksmiddelen. In 2021 zijn de hogere rijksmiddelen in totaal voor € 2,1 miljoen bestemd voor het Regionaal Expertise en Informatie Centrum (RIEC), voor het programma Radicalisering, voor het Actiecentrum Zorg en Veiligheid (AcVZ), voor het Breed Offensief tegen Ondermijnende Criminaliteit (BOTOC) en voor het offensief High Impact Crimes (HIC). In 2022 zijn de hogere Rijksmiddelen in totaal € 1,5 miljoen voor het RIEC, BOTOC en AcVZ. Tegenover de hogere baten staan gelijke hogere lasten bij de betreffende onderdelen. • De overige afwijkingen lichten we niet verder toe omdat deze kleiner zijn dan € 1 miljoen.

De totale lasten stijgen met € 4,4 miljoen in 2021, € 8,0 miljoen in 2022, € 7,6 miljoen in 2023, € 7,3 miljoen in 2024 en met € 3,1 miljoen in 2025. Dit effect is het gevolg van de volgende afwijkingen: • Hogere lasten van € 2,1 miljoen (2021), € 1,5 miljoen (2022) gedekt door Rijksmiddelen. • Hogere lasten van € 1,5 miljoen in 2021 en € 2,5 miljoen structureel vanaf 2022 voor de stedelijke bijdrage die evenementen leveren als programma overstijgende bijdrage aan ondermeer kunst, cultuur en economisch herstel. • Hogere lasten van € 1,0 miljoen incidenteel in 2021 voor ‘Open Stad’ om ruimte te bieden aan particuliere en maatschappelijke initiatieven tijdens de Corona pandemie. • Hogere lasten van 2,0 miljoen (2021) uit de eindejaarsmarge 2020 conform de Financiële samenwerkings afspraken (FSA) • Hogere lasten van € 5,2 miljoen (2022), € 5,0 miljoen (2023) en € 4,7 miljoen (2024) vanuit het budgetneutraal verplaatsen van budget voor het Masterplan Zuidoost. Vanuit de programma’s 1, 5, 8 en B zijn begrotingsbedragen overgebracht naar programmaonderdeel 1.2. • De overige afwijkingen lichten we niet verder toe omdat deze kleiner zijn dan € 1,0 miljoen.

Reserves Er zijn voor dit programmaonderdeel geen reservemutaties.

37

H 3.2

3.2 Verkeer, vervoer en waterstaat (bedragen x € 1 miljoen) (bedragen x € 1 miljoen)

2021

2022

2023

2024

2025

Baten

495,3

463,6

449,6

447,7

440,1

Lasten

626,1

545,9

501,2

458,4

348,7

Saldo laatst vastgestelde begroting

-130,8

-82,3

-51,5

-10,7

91,4

Baten

-29,5

8,7

10,3

14,0

54,1

Lasten

-57,0

19,0

5,2

52,6

194,1

Saldo effecten voorjaarsnota

27,5

-10,3

5,0

-38,6

-140,0

Baten

465,8

472,3

459,9

461,7

494,2

Lasten

569,1

564,9

506,4

511,0

542,8

Saldo na voorjaarsnota

-103,3

-92,6

-46,5

-49,3

-48,6

Op programmaniveau worden geen toelichtingen geschreven, dit gebeurt per programmaonderdeel.

38

H 3.2.1

3.2.1 Verkeer, vervoer en parkeren (bedragen x € 1 miljoen) (bedragen x € 1 miljoen)

2021

2022

2023

2024

2025

Baten

321,5

342,0

332,5

332,2

328,1

Lasten

347,2

325,7

275,3

269,3

182,2

Saldo laatst vastgestelde begroting

-25,7

16,3

57,2

62,9

145,9

Baten

-34,0

4,8

4,4

5,1

10,8

Lasten

-69,6

-0,9

14,5

28,6

120,4

Saldo effecten voorjaarsnota

35,7

5,7

-10,0

-23,5

-109,6

Baten

287,5

346,8

336,9

337,3

338,9

Lasten

277,5

324,8

289,8

297,9

302,6

Saldo na voorjaarsnota

10,0

22,0

47,2

39,4

36,3

Baten De baten dalen met € 34,0 miljoen in 2021 en stijgen in de periode 2022-2024 met gemiddeld € 4,6 miljoen. In 2025 stijgen de baten met € 10,8 miljoen. Dit effect is het gevolg van de volgende afwijkingen: • Lagere parkeerbaten van € 29,1 miljoen in 2021 door de coronacrisis. Deze lagere baten leiden tot lagere dotaties aan het Stedelijk Mobiliteits Fonds (SMF). • Lagere parkeeropbrengsten van € 4,1 miljoen in 2021 door latere invoering van de maatregelen uit het plan “Sterker uit de crisis”. Deze lagere baten leiden tot lagere dotaties aan het SMF. • Diverse actualisaties in de meerjarenraming van subsidiebaten voor diverse projecten, vooral afkomstig Vervoerregio Amsterdam, hebben voor het jaar 2021 geleid tot de volgende mutaties; een verlaging van € 0,8 miljoen in 2021 en een verhoging van de baten voor de periode 2022-2025 van respectievelijk € 4,6 miljoen, € 3,8 miljoen, € 4,0 miljoen en € 9,7 miljoen. Tegenover deze baten zijn incidentele lasten opgenomen in de begroting. Het betreft hier onder meer de projecten Fietsroute Noorderijplas, Uitvoerings project Oostflank, Herinrichting Jan Vroegopsingel, Prins Hendrikkade en Programma Amsterdamse Vaart.

• Vanaf 2022 worden de nu nog in aanbouw zijnde Singelgrachtgarage en Vijzelgrachtgarage in gebruik genomen. De opbrengsten zijn in de begroting verwerkt over de periode 2022-2025 van respectievelijk € 0,2 miljoen, € 0,6 miljoen en € 1,1 miljoen in 2024 en 2025.

Lasten De lasten dalen met € 69,6 miljoen in 2021 en € 0,9 miljoen in 2022 en stijgen vervolgens vanaf 2023 tot en met 2025 met respectievelijk € 14,5 miljoen, € 28,6 miljoen en € 120,4 miljoen. Dit effect is het gevolg van de volgende afwijkingen: • Het bestedingsplan van de reserve Achterstallig onderhoud is geactualiseerd voor het programma Bruggen & Kademuren. Deze kasritmewijzigingen leiden in 2021 tot een verhoging € 11,7 miljoen, in 2022 tot een verhoging van € 8,4 miljoen en in 2023 tot een verlaging van € 10,4 miljoen. • Het bestedingsplan van de reserve Stadsbehoud is geactualiseerd mede als gevolg van de vrijval van de reserve Beheer Stedelijke Infrastructuur (BSI). Deze actualisaties leiden tot een aangepast kasritme van de projectbudgetten waardoor de lastenbudgetten in de periode 2021 - 2023 zijn verhoogd met respectievelijk € 12,1 miljoen, € 3,0 miljoen en € 0,5 miljoen. Voor 2024 en 2025 zijn de lasten verhoogd met respectievelijk € 2,4 miljoen en € 2,6 miljoen. • Binnen het kader van het bestedingsplan van de reserve Plan Openbare Ruimte (POR) Zuidelijke IJ-oevers heeft een actualisatie plaatsgevonden van het kasritme van de projectbudgetten. Deze actualisaties leiden tot een verlaging van de budgetten in de periode 2021-2023 van respectievelijk € 0,3 miljoen, € 1,1 miljoen en € 1,0 miljoen.

In de periode 2024-2025 worden de lasten verhoogd met respectievelijk € 0,2 miljoen en € 2,6 miljoen. • Het bestedingsplan van de reserve Rode Loper is geactualiseerd. Dit leidt tot kasritmewijzigingen in de periode 2021-2022 waardoor de lasten respectievelijk € 1,7 miljoen en € 0,4 miljoen toenemen.

39

H 3.2.1

• Het bestedingsplan van de reserve SMF is geactualiseerd. De daaruit volgende kasritmewijzigingen leiden in 2021-2025 tot een verhoging van de lasten van respectievelijk € 4,8 miljoen, € 26,1 miljoen, € 38,2 miljoen, € 17,8 miljoen en € 98,0 miljoen. De relatief grote stijging in 2025 ten opzichte van voorgaande jaren wordt veroorzaakt doordat er voor dat jaar nog geen projectuitgaven zijn opgenomen die dekking krijgen vanuit reserves. • Met ingang van 2020 is voor de projecten van het SMF overprogrammering toegepast met als doel onderbesteding tegen te gaan. Administratief betekent dit een verhoging van de project­ budgetten met een stelpost voor de jaren 2021-2023 van respectievelijk € 50,0 miljoen, € 39,9 miljoen en € 12,6 miljoen. • Voor de verwachte compensatie van het Rijk van de lagere parkee­ rbaten als gevolg van de corona is een bedrag opgenomen van € 40 miljoen. In de Mei- of Septembercirculaire deze compensatie naar verwachting definitief worden vastgesteld, en daarom is in de begroting de dotatie aan de reserve SMF opgenomen voor dit bedrag. • In het programma is vanaf 2022 € 4,0 miljoen structureel toegekend ten gunste van het programma Stadsbehoud om een aantal knelpunten op te lossen. Het betreft het herstellen van een aantal bestaande knelpunten als gevolg van areaaluitbreidingen uit voorgaande jaren.

Hierdoor kan het uitvoeringsplan 2021 en 2022 worden gerealiseerd. • Bij de reorganisatie Slagvaardig Werken in de Openbare Ruimte in 2019 is voor het jaar 2021 een besparingsopgave van € 1,1 miljoen opgelegd binnen programma 2 die lagere lasten tot gevolg heeft. • Er is een groot aantal projecten die worden gedekt door subsidies, in hoofdzaak gaat het hier om subsidiebijdragen van de Vervoerregio Amsterdam. Vaak lopen deze projecten over meerdere begrotingsjaren. Het kasritme van deze projecten is geactualiseerd. Deze actualisatie zorgt voor een daling van de lasten in 2021 met een bedrag van € 0,8 miljoen. Voor de jaren 2022-2025 is er sprake van een incidentele stijging van de lasten met respectievelijk € 4,6 miljoen, € 3,8 miljoen, € 4,0 miljoen en € 9,7 miljoen. Het betreft hier onder meer de projecten Fietsroute Noorderijplas, Uitvoeringsproject Oostflank, Herinrichting Jan Vroegop­ singel, Prins Hendrikkade en Programma Amsterdamse Vaart. • Diverse ontwikkelingen binnen de exploitatie van het parkeerbeleid leiden tot een verhoging van de lasten voor de jaren 2021-2025 met een bedrag van respectievelijk € 5,1 miljoen, € 1,9 miljoen, € 3,1 miljoen,

€ 3,3 miljoen en € 3,7 miljoen. Dit houdt verband met onder andere de oplevering van het vergunningensysteem in 2021, hogere vergoedingen op eerste bezwaarschriften, algemene kostenstijgingen exploitatie parkeergarages, ingebruikneming nieuwe parkeergarages Singelgracht en Vijzelgracht, stijging kapitaallasten en extra kosten fietsenstallingen. • Actualisatie van kapitaallasten heeft geleid tot lagere lasten in de periode 2021-2023 vanrespectievelijk € 8,3 miljoen, € 5,6 miljoen en € 0,7 miljoen. In 2024-2025 stijgen de kapitaallasten met € 2,9 miljoen en € 6,2 miljoen. • Door een actualisatie van de toerekening van de apparaatskosten aan specifieke onderdelen van de begroting heeft een verlaging van de lasten plaatsgevonden in de periode 2021-2023 van respectievelijk € 1,3 miljoen, € 1,8 miljoen en € 9,3 miljoen. • Als gevolg van de toepassing van de regels van de financiële samenwerkingsafspraken (FSA is een taakstelling opgenomen van € 1,8 miljoen. • De overige kleinere mutaties leiden in de periode 2021 – 2025 tot lagere lasten van respectievelijk € 1,4 miljoen, € 0,9 miljoen, € 1,1 miljoen, € 1,2 miljoen en € 1,2 miljoen. Deze mutaties worden niet nader toegelicht.

Reserves (bedragen x € 1 miljoen) (bedragen x € 1 miljoen)

2021

2022

2023

2024

2025

Onttrekking

336,5

292,2

233,9

169,6

43,8

Toevoeging

246,7

218,9

212,3

194,0

176,7

Saldo laatst vastgestelde begroting

89,8

73,3

21,5

-24,4

-132,9

Onttrekking

14,4

18,3

-9,8

24,4

144,6

Toevoeging

36,5

-1,7

-10,3

-16,4

-0,8

Saldo effecten voorjaarsnota

-22,0

20,0

0,5

40,7

145,4

Onttrekking

351,0

310,5

224,1

194,0

188,4

Toevoeging

283,2

217,2

202,0

177,6

175,9

Saldo na voorjaarsnota

67,8

93,3

22,1

16,3

12,5

De reserves die betrekking hebben op het beleidsterrein van programma 2 zijn de volgende: het Stedelijk Mobiliteitsfonds (SMF), reserve Stadsbehoud, 40

H 3.2.1

reserve Achterstallig onderhoud, groen & openbare ruimte, reserve Busstation Centraal Station, reserve POR/Zuidelijke IJ-oever, reserve Leidseplein, reserve Rode loper, reserve vervanging IJveren, reserve Stationseiland en de reserve Financieringsreserve activa maatschappelijk nut. De reservemutaties in bovenstaande tabel onttrekkingen hebben niet uitsluitend betrekking op programma 2, maar ook op dekking van de lasten in de programma’s 8,9,10 en 11, op investeringen en op balansmutaties. De mutaties bij de onttrekkingen in de voorjaarsnota hebben vooral betrekking op actualisaties en (her)prioritering van projectbudgetten binnen de bestedingsplannen van het SMF, reserve Stadsbehoud en de reserve Achterstallig onderhoud.

Onttrekkingen De onttrekkingen stijgen in 2021 en 2022 met respectievelijk € 14,4 en € 18,3 miljoen. In 2023 daalt de onttrekking met € 9,8 miljoen en stijgt weer in 2024-2025 met respectievelijk € 24,4 miljoen en € 144,6 miljoen. Dit effect is het gevolg van de volgende afwijkingen: • Hogere onttrekkingen bij het SMF in 2021 voor een bedrag van € 75,8 miljoen in verband met het restant van niet bestede budgetten in 2020. Deze budgetten zijn doorgeschoven naar 2021. • Lagere onttrekkingen vanuit de reserve SMF in verband met een actua­lisatie van de projectbudgetten voor een bedrag van € 53,4 miljoen in 2021. Hogere onttrekkingen in 2022-2025 van respectievelijk € 34,0 miljoen, € 38,1 miljoen, € 24,7 miljoen en € 138,1 miljoen. • Met ingang van 2020 is voor de projecten van het SMF overprogrammering toegepast met als doel onderbesteding tegen te gaan. Administratief betekent dit een lagere onttrekking uit de reserve met een stelpost voor de jaren 2021-2023 van respectievelijk € 50,0 miljoen, € 39,9 miljoen en € 12,6 miljoen. • Bij de begrotingsbehandeling zijn twee amendementen aangenomen (1408: Uitbreiding winteropvang en 1421: Informele voedselhulp). Daardoor is in de jaarschijf 2021 per saldo € 1,3 miljoen overgeheveld, ten laste van het SMF programma Luchtkwaliteit, naar uitbreiding winteropvang (€ 0,5 miljoen) en informele voedselhulp (€ 0,8 miljoen).

• Actualisatie van het kasritme van de projectbudgetten in het bestedingsprogramma van de reserve Stadsbehoud leidt in de periode 2022-2025 tot hogere onttrekkingen van respectievelijk € 8,5 miljoen, € 1,7 miljoen, € 4,0 miljoen en € 2,6 miljoen. • Het programma Stadsbehoud programmeert onderhoudsprojecten voor de periode 2021-2022. Hiervoor worden lastenbudgetten opgenomen

en geactualiseerd die zijn bedoeld om te voorkomen dat er in de toekomst sprake is van achterstallig onderhoud. De budgetten die gericht zijn op het onderhoud van met name verhardingen civiele constructies leiden tot hogere onttrekkingen in de periode 2021-2022 voor een bedrag van respectievelijk € 13,8 miljoen en € 6,4 miljoen. De budgetten die zijn gericht op het onderhoud van groenvoorzieningen en instandhoudingsmanagement leiden tot een verhoging van de onttrekking in 2021 van € 7,6 miljoen en in 2022 van € 6,2 miljoen. • Een technische mutatie waarmee de kapitaallasten worden gedekt vanuit de reserve Stadsbehoud leidt tot een lagere onttrekking in de periode 2021-2024 van respectievelijk € 9,1 miljoen, € 5,6 miljoen, € 2,6 miljoen en € 5,7 miljoen. • Conform de financieringssystematiek Stadsbehoud worden de budgetten voor grootonderhoud en instandhoudingsmanagement toegevoegd aan de reserve stadsbehoud. De uitgaven die we vervolgens doen voor programma 11 voor klimaatbestendige assets en areaal groen worden vervolgens weer uit de reserve gehaald. De onttrekkingen vanaf 2022 stijgen met respectievelijk € 1,3 miljoen, € 1 miljoen, € 1,2 miljoen en € 1,3 miljoen.

• Actualisatie van het kasritme van de projectbudgetten in het bestedingsprogramma van de reserve POR/Zuidelijke IJ-oevers heeft geleid tot een lagere onttrekking in de periode 2021-2023 van respectievelijk € 0,3 miljoen, € 1,2 miljoen en € 1 miljoen. In 2024 een hogere onttrekking van € 0,2 miljoen en in 2025 € 2,6 miljoen. • Actualisatie van het kasritme van de projectbudgetten in het bestedingsprogramma van de reserve Leidseplein heeft geleid tot een onttrekking in 2021 van € 7 miljoen. • Actualisatie van het kasritme van de projectbudgetten in het bestedingsprogramma van de reserve Rode loper heeft geleid tot een lagere onttrekking in 2021 van € 0,3 miljoen en een hogere onttrekking van € 2,2 miljoen in 2022. • Actualisatie van het kasritme van de projectbudgetten in het bestedingsprogramma van de reserve Achterstallig onderhoud heeft geleid tot een hogere onttrekking in 2021 van € 26,1 miljoen en € 6,4 miljoen in 2022. In 2023 is er sprake van een lagere onttrekking van € 35,4 miljoen. • Een vrijval van € 4,1 miljoen vanuit de Financieringsreserve in verband met de vrijval van BSI middelen. Deze middelen zijn toegevoegd aan de reserve Stadsbehoud. 41

H 3.2.1

Toevoegingen De toevoegingen stijgen in 2021 met € 36,5 miljoen. In de periode 2022 -2025 dalen de dotaties met € 1,7 miljoen, € 10,3 miljoen, € 16,4 miljoen en € 0,8 miljoen. Dit effect is het gevolg van de volgende afwijkingen: • Lagere toevoeging van € 29,1 miljoen als gevolg van een omzetderving bij parkeerinkomsten als gevolg van de coronacrisis. • Lagere toevoegingen vanwege lagere parkeerbaten die waren opgenomen in het plan “Sterker uit de crisis”. Omdat de maatregelen pas in 2021 worden geïmplementeerd zijn de baten verlaagd en daarmee ook de dotaties. Dit leidt tot lagere dotaties in 2021 van € 4,7 miljoen en structureel van 2022 van € 0,4 miljoen. • Lagere toevoegingen vanwege ontwikkelingen in de exploitatie van het parkeerbeleid hebben geleid tot een verlaging van de baten en daardoor ook een verlaging op de toevoegingen. Dit leidt tot lagere toevoegingen in 2021-2025 van respectievelijk € 5,0 miljoen, € 1,7 miljoen, € 2,5 miljoen, € 2,3 miljoen en € 2,6 miljoen. • Er is een toevoeging van € 40,0 miljoen opgenomen aan het SMF in verband met de verwachting dat het Rijk een compensatie zal bieden voor de lagere parkeerbaten als gevolg van de coronacrisis. Omdat pas met de Mei- of Septembercirculaire deze compensatie definitief zal zijn, is in de begroting een stelpost opgenomen voor ditzelfde bedrag.

• Als gevolg van een raadsbesluit bij de behandeling begroting 2021 wordt er minder toegevoegd aan de reserve SMF voor het programma Luchtkwaliteit. Deze middelen komen ten gunste van de uitbreiding winter winteropvang (€ 0,5 miljoen) en informele voedselhulp (€ 0,8 miljoen). Daardoor is in de jaarschijf 2021 per saldo € 1,3 miljoen overgeheveld, ten laste van het (SMF) programma Luchtkwaliteit, naar uitbreiding winteropvang (€ 0,5 miljoen) en informele voedselhulp (€ 0,8 miljoen). • De structurele budgetten voor het programma Stadsbehoud zijn niet toereikend. Het knelpunt in 2021 wordt deels opgelost door het aanpassen van het kasritme van de dotaties aan de reserves Stadsbehoud. Hierdoor wordt een toevoeging van € 22,1 miljoen aan totale toevoegingen in de jaren 2022-2025 naar 2021 gehaald.

• Binnen het kader van het programma Stadsbehoud worden onder­ houdsprojecten geprogrammeerd voor de periode 2021-2025. Hiervoor worden lastenbudgetten opgenomen en geactualiseerd die zijn gericht om te voorkomen dat er in de toekomst sprake is van achterstallig onderhoud. Deze budgetten zijn gericht op het onderhoud van tunnels. Dit leidt tot een structurele mutatie van € 1,1 miljoen vanaf 2021. • In lijn met de financieringssystematiek Stadsbehoud worden de budgetten voor groot onderhoud en instandhoudingsmanagement toegevoegd aan de reserve stadsbehoud en bij uitvoering onttrokken. Dit leidt in 2021 tot een lagere toevoeging van € 2,1 miljoen, in 2022 tot een hogere toevoeging van € 0,6 miljoen en lagere toevoegingen in de periode 2023-2025 van respectievelijk € 0,3 miljoen, € 0,5 miljoen en € 0,4 miljoen. • De vrijval van de reserve BSI van € 4,1 miljoen wordt in 2021 toegevoegd aan de reserve Stadsbehoud. • Conform de financieringssystematiek Stadsbehoud worden de budgetten groot onderhoud en instandhoudingsmanagement toegevoegd aan de reserve stadsbehoud. Middels deze begrotingsmutatie worden de aangevraagde middelen Voorjaarsnota 2021 in programma 11 voor klimaatbestendige assets en areaal groen in lijn hiermee verwerkt in de reserve middels een dotatie en onttrekking.

Dit leidt tot hogere toevoegingen in de periode 2022-2025 van respectievelijk € 1,3 miljoen, € 1,0 miljoen, € 1,2 miljoen en € 1,3 miljoen. • Door de actualisatie van het kasritme van investeringen zijn ook de toevoegingen aan de financieringsreserve aangepast. In 2021 en 2022 worden de toevoegingen verhoogd met € 11,5 miljoen en € 4,2 miljoen. Voor de jaren 2023 en 2024 verlaagd met € 4,0 miljoen en € 10,8 miljoen, en in 2025 verhoogd met € 5,6 miljoen.

42

H 3.2.2

3.2.2 Water (bedragen x € 1 miljoen) (bedragen x € 1 miljoen)

2021

2022

2023

2024

2025

Baten

45,1

3,4

3,1

3,4

3,4

Lasten

89,8

44,4

45,4

24,3

23,8

Saldo laatst vastgestelde begroting

-44,7

-41,1

-42,3

-20,9

-20,4

Baten

1,2

1,2

1,0

1,0

1,0

Lasten

10,9

13,1

-13,8

4,2

4,9

Saldo effecten voorjaarsnota

-9,7

-11,9

14,8

-3,2

-3,9

Baten

46,3

4,6

4,1

4,4

4,4

Lasten

100,7

57,5

31,6

28,5

28,7

Saldo na voorjaarsnota

-54,4

-52,9

-27,6

-24,1

-24,3

Baten De baten stijgen met € 1,2 miljoen in 2021 en 2022 en stijgen vervolgens structureel vanaf 2023 met € 1,0 miljoen tot en met 2025. Dit effect is het gevolg van de volgende afwijkingen: • De verhoging van de tarieven voor binnenwatergelden, zoals opgenomen in de Nota Varen Deel 2, leidt tot een structurele verhoging van de baten vanaf 2021 van € 1 miljoen. • Binnen het kader van het programma Bruggen en Kades heeft een actualisatie plaatsgevonden van de exploitatie van de projecten. Deze actualisatie leidt tot een verhoging van de baten in de jaren 2021 en 2022 van € 0,2 miljoen.

Lasten De lasten stijgen in de jaren 2021-2022 met respectievelijk € 10,9 miljoen en € 13,1 miljoen terwijl 2023 een daling laat zien van € 13,8 miljoen. In 2024 en 2025 stijgen de lasten met respectievelijk € 4,2 miljoen en € 4,9 miljoen. Dit effect is het gevolg van de volgende afwijkingen: • Binnen het kader van het bestedingsplan van de reserve Achterstallig onderhoud heeft een actualisatie plaatsgevonden van het kasritme van de budgetten binnen het programma Bruggen & Kades. Deze actualisaties leiden in 2021 tot een verhoging van € 6,3 miljoen, in 2022 een verhoging van € 8,1 miljoen en in 2023 een verlaging van

€ 10,5 miljoen. Voor de jaren 2021 en 2022 is de reserve toereikend voor de benodigde programmamiddelen. Vanaf 2023 is er een structureel tekort. • Binnen het kader van het bestedingsplan van de reserve Stadsbehoud heeft een actualisatie plaatsgevonden van de projectbudgetten. Deze actualisaties leiden tot een aangepast kasritme van de projectbudgetten waardoor de lastenbudgetten in 2021-2025 zijn verhoogd met respectievelijk € 3,5 miljoen, € 3,9 miljoen, € 1,4 miljoen, € 3,7 miljoen en € 3,7 miljoen. • Binnen het kader van het bestedingsplan van de reserve SMF heeft een actualisatie plaatsgevonden van het kasritme van de projectbudgetten. Deze actualisaties leiden in 2021 tot een verhoging van de lasten met € 2,3 miljoen. • Actualisatie van kapitaallasten heeft geleid tot lagere lasten in 2021 voor een bedrag van € 1,1 miljoen, een stijging van € 0,1 miljoen in 2022, voor de periode 2023-2024 een stijging van € 0,2 miljoen en in 2025 een stijging van € 0,6 miljoen. • Door een actualisatie van de toerekening van apparaatskosten aan specifieke onderdelen van de begroting in programma 2 heeft een verhoging van de lasten plaatsgevonden in de periode 2021-2022 van respectievelijk € 0,4 miljoen en € 0,7 miljoen en een verlaging van de lasten in 2023 met een bedrag van € 5,2 miljoen. • De overige kleinere mutaties leiden tot hogere uitgaven van in totaal € 0,8 miljoen.

Reserves Er zijn voor dit programmaonderdeel geen reservemutaties.

43

H 3.2.3

N

3.2.3 Openbaar Vervoer Lasten

(bedragen x € 1 miljoen) (bedragen x € 1 miljoen)

2021

2022

2023

2024

2025

Baten

128,7

118,2

114,1

112,2

108,6

Lasten

189,1

175,7

180,5

164,9

142,7

Saldo laatst vastgestelde begroting

-60,4

-57,5

-66,4

-52,7

-34,1

3,3

2,7

4,8

7,9

42,3

Baten Lasten

1,8

6,9

4,5

19,8

68,8

Saldo effecten voorjaarsnota

1,5

-4,2

0,3

-11,9

-26,5

Baten

132,0

120,9

118,9

120,1

150,9

Lasten

190,9

182,6

185,0

184,7

211,5

Saldo na voorjaarsnota

-58,9

-61,6

-66,1

-64,6

-60,6

Baten De baten stijgen in de periode 2021-2025 met respectievelijk € 3,3 miljoen, € 2,7 miljoen, € 4,8 miljoen, € 7,9 miljoen en € 42,3 miljoen. Dit effect is het gevolg van de volgende begrotingsmutaties: • Diverse actualisaties in de meerjarenraming van subsidiebaten voor diverse projecten van de Vervoerregio Amsterdam hebben voor de periode 2021-2025 geleid tot een verhoging van de baten van respectievelijk € 4,3 miljoen, € 2,1 miljoen, € 4,4 miljoen, € 7,9 miljoen en € 42,3 miljoen. Tegenover deze baten zijn incidentele lasten opgenomen in de begroting voor de projecten : VRA Adm. de Ruijterweg - Bos en Lommerweg, VRA binnenring, VRA Stationseiland Wayfinding, VRA Knoop Amstelveenseweg, VRA Uitvoerings Project Oostflank (UPO), VRA Oosttangent, VRA Bus 21. • Er heeft een actualisatie plaatsgevonden van de onttrekkingen uit de voorziening Noordzeekanaal Veren afgestemd op het kasritme van de projecten van het Noordzeekanaal. Deze aanpassing leidt tot een verschuiving van de onttrekkingen naar toekomstige jaren waardoor de baten in 2021 dalen met € 1,0 miljoen en stijgen in 2022 en 2023 met respectievelijk € 0,6 miljoen en € 0,4 miljoen. • Diverse geringe begrotingsmutaties die leiden tot een incidentele verhoging van de baten voor een bedrag van € 0,1 miljoen die door een geringe omvang niet nader worden toegelicht.

De lasten stijgen in de jaren 2021-2022 met respec­ tievelijk € 1,8 miljoen, € 6,9 miljoen, € 4,5 miljoen, Z € 19,8 miljoen en € 68,8 miljoen. Dit effect is het gevolg van de volgende begrotingsmutaties: • Diverse actualisaties in de meerjarenraming van projecten die worden gesubsidieerd door de Vervoerregio Amsterdam hebben voor de periode 2021-2025 geleid tot een verhoging van de lasten van respectievelijk € 4,3 miljoen, € 2,1 miljoen, € 4,4 miljoen, € 7,9 miljoen en € 42,3 miljoen. Tegenover deze lasten zijn incidentele baten opgenomen in de begroting voor de projecten: VRA Adm. de Ruijterweg - Bos en Lommerweg, VRA binnenring, VRA Stationseiland Wayfinding, VRA Knoop Amstelveenseweg, VRA Uitvoerings Project Oostflank (UPO), VRA Oosttangent, VRA Bus 21. • Diverse actualisaties in het kasritme van projectmatige uitgaven die verband houden met veren leiden tot een aanpassing van de lasten in de periode 2021-2025; verlaging van € 0,3 miljoen in 2021, verhoging van de lasten in 2022 en 2023 van € 0,8 miljoen en € 0,6 miljoen en een verlaging van de lasten in 2024 en 2025 van € 0,8 miljoen en € 1,1 miljoen. • Binnen het kader van het bestedingsplan van de reserve SMF heeft een actualisatie plaatsgevonden van het kasritme van de projectbudgetten.

Deze actualisaties leiden in 2021 tot een verlaging van de lasten van € 2,1 miljoen, een verhoging van de lasten in 2022 van € 2,4 miljoen, een verlaging in 2023 van € 1,4 miljoen en een verhoging van de lasten in 2024 en 2025 van € 9,1 miljoen en € 24,4 miljoen. • Aanpassing van de kapitaallasten leidt tot structurele verhoging van de lasten in de periode 2021 van respectievelijk, € 0,1 miljoen, € 1,8 miljoen, € 2 miljoen, € 2,2 miljoen en € 2,3 miljoen. • Diverse geringe begrotingsmutaties die leiden tot een incidentele verhoging van de lasten voor een bedrag van € 0,1 miljoen die door een geringe omvang niet nader worden toegelicht.

44

H 3.2.3

Reserves (bedragen x € 1 miljoen) (bedragen x € 1 miljoen) Onttrekking

2021

2022

2023

2024

2025

2,2

0,8

4,0

0,0

0,0

Toevoeging

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

Saldo laatst vastgestelde begroting

2,2

0,8

4,0

0,0

0,0

Onttrekking

0,4

0,0

-0,8

0,8

0,0

Toevoeging

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

Saldo effecten voorjaarsnota

0,4

0,0

-0,8

0,8

0,0

Onttrekking

2,6

0,8

3,3

0,8

0,0

Toevoeging

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

Saldo na voorjaarsnota

2,6

0,8

3,3

0,8

0,0

Onttrekkingen Actualisatie van het kasritme van de projectbudgetten in het bestedings­ programma van de reserve Veren heeft geleid tot een hogere onttrekking in 2021 van € 0,4 miljoen en een verschuiving van de onttrekking in 2023 naar 2024 van € 0,8 miljoen.

Toevoegingen Er is geen afwijking op de toevoegingen aan reserves.

45

H 3.3

3.3 Economie (bedragen x € 1 miljoen) (bedragen x € 1 miljoen)

2021

2022

2023

2024

2025

Baten

18,6

18,4

18,4

18,3

18,3

Lasten

65,4

59,7

38,7

34,1

33,3

Saldo laatst vastgestelde begroting

-46,9

-41,3

-20,3

-15,8

-15,0

6,3

1,5

1,2

-0,2

-0,2

Baten Lasten

8,9

6,1

12,9

12,2

12,3

Saldo effecten voorjaarsnota

-2,6

-4,6

-11,7

-12,4

-12,5

Baten

24,9

19,9

19,5

18,0

18,0

Lasten

74,3

65,8

51,6

46,3

45,6

Saldo na voorjaarsnota

-49,4

-45,9

-32,0

-28,3

-27,5

Op programmaniveau worden geen toelichtingen geschreven, dit gebeurt per programma onderdeel.

46

H 3.3.1

3.3.1 Economie en innovatie (bedragen x € 1 miljoen) (bedragen x € 1 miljoen)

2021

2022

2023

2024

2025

Baten

18,6

18,4

18,4

18,3

18,3

Lasten

65,4

59,7

38,7

34,1

33,3

Saldo laatst vastgestelde begroting

-46,9

-41,3

-20,3

-15,8

-15,0

6,3

1,5

1,2

-0,2

-0,2

Baten Lasten

8,9

6,1

12,9

12,2

12,3

Saldo effecten voorjaarsnota

-2,6

-4,6

-11,7

-12,4

-12,5

Baten

24,9

19,9

19,5

18,0

18,0

Lasten

74,3

65,8

51,6

46,3

45,6

Saldo na voorjaarsnota

-49,4

-45,9

-32,0

-28,3

-27,5

Baten De totale baten stijgen in 2021 met 6,3 miljoen, in 2022 met € 1,5 miljoen en in 2023 met € 1,2 miljoen. De baten in 2024 en 2025 dalen met € 0,2 miljoen. Dit effect is het gevolg van de volgende afwijkingen: • Hogere baten van € 4,2 miljoen (2021), € 1,4 miljoen (2022) en € 1,4 miljoen (2023) door het ter beschikking stellen van middelen uit de Metropoolregio Amsterdam (MRA) voor het uitbetalen van subsidies. • Hogere baten programma House of Skills van € 2,2 miljoen (2021). Voor het programma is er een looptijd verlenging tot in 2021. Hierdoor worden geraamde inkomsten uit 2020 doorgeschoven naar 2021. Dit zijn neutrale mutaties waar baten en lasten verhoogd worden. • Hogere baten uit het klimaatfonds van € 0,8 miljoen om maatregelen uit de Routekaart Amsterdam Klimaatneutraal te versnellen en te intensi­ veren. Dit zijn neutrale mutaties waar baten en lasten verhoogd worden. • Lagere inkomsten IN Amsterdam van € 0,7 miljoen (2021) door de situatie omtrent corona en de reisrestricties, alsmede de onzekere tijden qua vestiging en werkvergunningen is de verwachting dat er veel minder van de dienstverlening van IN Amsterdam gebruikt gemaakt zal worden. • Lagere inkomsten Holland Casino van € 0,6 miljoen (2021) vanwege de huidige lockdown en de bijbehorende maatregelen is de verwachting dat er ook in 2021 veel minder bezoekers zullen zijn.

Daardoor kunnen ze de bijdrage wat contractueel vastgelegd is niet volledig realiseren.

• Naast bovengenoemde coronagerelateerde begrotingsmutaties is er in programma 3 nog een risico op een tegenvaller in 2021 bij de markten als gevolg van de corona maatregelen. We zetten in op compensatie vanuit het rijk voor de te verwachten derving van baten uit marktgelden. • De overige afwijkingen per saldo van € 0,2 miljoen (2021) lichten we niet verder toe omdat deze kleiner zijn dan € 1 miljoen.

Lasten De totale lasten stijgen in 2021 met € 8,9 miljoen in 2021, in 2022 met € 6,1 miljoen, in 2023 met € 12,9 miljoen, in 2024 met € 12,2 en in 2025 met € 12,3 miljoen. Dit effect is het gevolg van de volgende afwijkingen: • Hogere lasten van € 8,5 miljoen (2023 tot en met 2025) betreft de uitwerking mutaties Coalitieakkoord “Samen sterker uit de Crisis”. De uitwerking wordt in mindering gebracht op de toevoeging op de reserve Economische Structuur en Arbeidsmarktversterking (A.5.3). • Hogere lasten van € 4,7 miljoen (2021), lagere lasten van € 0,1 miljoen (2022), hogere lasten van € 0,9 miljoen (2023) en hogere lasten van € 0,1 miljoen (2024). Jaarlijks wordt het subsidieplafond vastgesteld voor de Subsidieregeling voor economische structuur- en arbeids­ marktversterking (SESA) en worden de beleidsprogramma’s meerjarig bijgesteld De bijstelling en de subsidies worden gedekt uit de reserve Economische Structuur en Arbeidsversterking (A.5.3). • Hogere lasten van € 4,4 miljoen (2021), € 1,7 miljoen (2022) en € 1,4 miljoen (2023) door middelen ter beschikking stellen voor het uitvoeren van de activiteiten van de Metropoolregio Amsterdam (MRA), zoals de subsidie aan de Amsterdams Economic Board. Dit zijn neutrale mutaties waar baten en lasten verhoogd worden. • Hogere lasten van € 4,1 miljoen (2021), € 3,7 miljoen (2022), € 1,1 miljoen (2023) en € 1,1 miljoen (2024).

De verkregen middelen voor het HIP van € 10 miljoen wordt meerjarig geraamd op basis van de bestedingsplannen. De plannen worden gedekt uit de reserve Economische Structuur en Arbeidsversterking (A.5.3).

47

H 3.3.1

• Hogere lasten voor het programma House of Skills van € 2,2 miljoen (2021). Voor het programma is er een looptijd verlenging tot in 2021. Hierdoor worden geraamde lasten uit 2020 doorgeschoven naar 2021. Dit zijn neutrale mutaties waar baten en lasten verhoogd worden. • Hogere lasten van € 1,7 miljoen (2021 tot en met 2025) betreft een verschuiving van programma B “Overhead” naar programma 3. Volgens wetgeving BBV dienen de kosten met betrekking tot de overhead en programma­kosten verantwoord te worden binnen de programma begroting. • Hogere lasten van € 1,6 miljoen (2024) en € 2,8 miljoen (2025) betref­ fende subsidie aan de stichting Amsterdam Institute for Advanced Metropolitan Solutions (AMS). Door een toename van de subsidiabele projectenportefeuille van de AMS wordt op basis hiervan ook de bevoor­schotting subsidie aan het instituut meerjarig bijgesteld. AMS ontvangt maximaal € 50 miljoen op grond van het Final contract van 19 maart 2014. • Hogere lasten uit het klimaatfonds van € 0,8 miljoen (2021) om maatregelen uit de Routekaart Amsterdam Klimaatneutraal te versnellen en te intensiveren. Dit zijn neutrale mutaties waar baten en lasten verhoogd worden. • De overige afwijkingen lichten we niet verder toe omdat deze kleiner zijn dan € 1,0 miljoen. • Lagere lasten van € 10 miljoen (2021) betreft een verschuiving van programma 3 naar reserves.

De verkregen middelen voor het Herstelen Investeringsplan (HIP) worden hierbij toegevoegd aan de reserve Economische Structuur en Arbeidsmarktversterking (A.5.03).

Reserves (bedragen x € 1 miljoen) (bedragen x € 1 miljoen)

2021

2022

2023

2024

2025

Onttrekking

14,7

20,1

7,6

2,9

2,1

Toevoeging

7,2

10,2

10,2

10,2

10,2

Saldo laatst vastgestelde begroting

7,6

10,0

-2,6

-7,3

-8,1

Onttrekking

14,5

3,2

2,0

2,8

2,8

Toevoeging

9,8

4,3

-8,5

-8,5

-8,5

Saldo effecten voorjaarsnota

4,7

-1,2

10,5

11,3

11,3

Onttrekking

29,2

23,3

9,6

5,6

4,9

Toevoeging

17,0

14,5

1,7

1,7

1,7

Saldo na voorjaarsnota

12,2

8,8

8,0

4,0

3,2

Onttrekkingen De totale onttrekking neemt toe met € 14,5 miljoen in 2021, met € 3,2 miljoen in 2022, met € 2,0 miljoen in 2023 en in 2024 en 2025 met € 2,8 miljoen. Dit effect is het gevolg van de volgende afwijkingen: • Hogere onttrekking van € 4,7 miljoen (2021) voor de uit te betalen subsidies die vallen onder de Subsidieregeling voor economische structuur- en arbeidsmarktversterking (SESA). • Hogere onttrekking van € 4,3 miljoen (2021) om de inkomstenderving van ondernemers op te vangen en om ondernemers tegemoet te komen door lastenverlichting. In 2022 wordt hetzelfde bedrag weer toegevoegd aan de reserve om de bestaande programma’s te kunnen financieren. Dit betreft een technische mutatie en verschuiving tussen de jaren 2021 en 2022. • Hogere onttrekking van € 4,1 miljoen (2021), € 3,7 miljoen (2022), € 1,1 miljoen (2023) en € 1,1 miljoen (2024) voor het uitvoeren van de programma’s die vallen onder het Herstel- en Investeringsplan (HIP). Zie lasten P3 voor bijhorende lastenverhoging. • Hogere onttrekking van € 0,9 miljoen (2021) door het actualiseren van de inzet van de middelen van de economische structuur- en arbeidsmarktversterking op basis van het uitgavenverwachtingspatroon voor het komend jaar.

48

H 3.3.1

• Hogere onttrekking van € 0,4 miljoen (2021) ter dekking van inkomsten­ derving uit de bezoekersheffing voor Amsterdams Promotiefonds voor cultuur en stadsinitiatieven en voor de dienstverlening van IN Amsterdam. • Hogere onttrekking van € 0,2 miljoen (2021), lagere onttrekking van € 0,2 miljoen (2022), lagere onttrekking van € 0,2 miljoen (2023), hogere onttrekking van € 1,6 miljoen (2024) en € 2,8 miljoen (2025) voor de betaling van de subsidie aan de stichting Amsterdam Institute for Advanced Metropolitan Solutions (AMS). Door een toename van de subsidiabele projectenportefeuille van de AMS wordt op basis hiervan ook de bevoorschotting subsidie aan het instituut meerjarig bijgesteld. AMS ontvangt maximaal € 50 miljoen op grond van het Final contract van 19 maart 2014.

Toevoegingen De totale toevoeging neemt toe met € 9,8 miljoen in 2021 en met € 4,3 miljoen in 2022. Vanaf 2023 daalt de toevoeging met € 8,5 miljoen. Dit effect is het gevolg van de volgende afwijkingen: • Hogere toevoeging van € 10,0 miljoen (2021) door het toevoegen van de middelen voor het HIP herstel- en investeringsplan aan de reserves. • Hogere toevoeging van € 4,3 miljoen (2022) betreft een compensatie van ondernemers. Dit betreft een technische mutatie en verschuiving tussen de jaren 2021 en 2022 in lijn met de onttrekking. • Lagere toevoeging van € 8,5 miljoen (2023, 2024 en 2025) als uitwerking van coalitieakkoord “Samen sterker uit de crisis”. • De overige afwijkingen per saldo van € 0,2 miljoen (2021) lichten we niet verder toe omdat deze kleiner zijn dan € 1,0 miljoen.

49

H 3.4

3.4 Kunst, cultuur en erfgoed (bedragen x € 1 miljoen) (bedragen x € 1 miljoen)

2021

2022

2023

2024

2025

Baten

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

Lasten

186,4

180,0

180,9

180,3

178,4

Saldo laatst vastgestelde begroting

-185,4

-179,0

-179,9

-179,3

-177,4

-0,1

-0,1

-0,1

-0,1

-0,1

Baten Lasten

25,8

0,5

0,3

0,3

-2,7

Saldo effecten voorjaarsnota

-25,9

-0,6

-0,4

-0,4

2,6

Baten

0,9

0,9

0,9

0,9

0,9

Lasten

212,2

180,5

181,2

180,7

175,7

Saldo na voorjaarsnota

-211,3

-179,5

-180,3

-179,7

-174,8

Op programmaniveau worden geen toelichtingen geschreven, dit gebeurt per programma onderdeel.

50

H 3.4.1

3.4.1 Kunst en cultuur (bedragen x € 1 miljoen) (bedragen x € 1 miljoen)

2021

2022

2023

2024

2025

Baten

0,8

0,8

0,8

0,8

0,8

Lasten

183,2

177,1

178,2

177,8

175,9

Saldo laatst vastgestelde begroting

-182,4

-176,3

-177,5

-177,1

-175,1

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

Baten Lasten

25,7

0,2

0,2

0,2

-2,8

Saldo effecten voorjaarsnota

-25,7

-0,2

-0,2

-0,2

2,8

Baten

0,8

0,8

0,8

0,8

0,8

Lasten

208,8

177,3

178,4

178,0

173,1

Saldo na voorjaarsnota

-208,1

-176,5

-177,7

-177,3

-172,3

• Incidentele daling van de lasten van € 3,0 miljoen in 2025 zoals besloten door de raad bij de begroting 2020 waarbij het budget is verhoogd met € 1,5 miljoen in 2023 en 2024. • De overige afwijkingen lichten we niet verder toe omdat deze kleiner zijn dan € 1,0 miljoen.

Reserves Er zijn voor dit programmaonderdeel geen reservemutaties.

Baten Er zijn geen begrotingswijzigingen op de baten in dit programmaonderdeel.

Lasten De totale lasten stijgen met € 25,7 miljoen in 2021 en met € 0,2 miljoen vanaf 2022. In 2025 dalen de lasten eenmalig met € 2,8 miljoen. Dit effect is het gevolg van de volgende afwijkingen: • Stijging van de lasten van € 21,4 miljoen voor het Steunplan Kunst en cultuur. Het steunplan is nodig om financiële steun te verstrekken aan de culturele sector in de voortdurende corona crisis en wordt gedekt door het steunpakket dat het Rijk beschikbaar heeft gesteld voor de lokale culturele infrastructuur (€ 15,7 miljoen) en de inzet van het restant van de noodkas voor de culturele sector 2020 (€ 5,7 miljoen). • Stijging van de lasten van € 1,9 miljoen voor het Namenmonument. De gemeente heeft de garantstelling voor het tekort op de bouwkosten van het Rijk overgenomen. De particuliere fondsenwerving heeft vooralsnog niet het gewenste resultaat opgeleverd, waardoor een beroep op de garantstelling nodig is. • Stijging van de lasten van € 1,9 miljoen door toevoeging van de eindejaarsmarge 2020. Dit budget zal worden ingezet voor dekking van subsidie waarbij de verlening is vertraagd naar 2021.

51

H 3.4.2

3.4.2 Erfgoed (bedragen x € 1 miljoen) (bedragen x € 1 miljoen)

2021

2022

2023

2024

2025

Baten

0,2

0,2

0,2

0,2

0,2

Lasten

3,2

2,9

2,6

2,5

2,5

Saldo laatst vastgestelde begroting

-3,0

-2,7

-2,4

-2,2

-2,2

Baten

-0,1

-0,1

-0,1

-0,1

-0,1

Lasten

0,2

0,3

0,1

0,1

0,1

Saldo effecten voorjaarsnota

-0,2

-0,4

-0,2

-0,2

-0,2

Baten

0,2

0,2

0,2

0,2

0,2

Lasten

3,4

3,2

2,8

2,6

2,6

Saldo na voorjaarsnota

-3,2

-3,0

-2,6

-2,4

-2,4

Baten De totale baten dalen structureel met € 0,1 miljoen in 2021. Deze afwijkingen lichten we niet verder toe omdat deze kleiner zijn dan € 1 miljoen.

Lasten De totale lasten stijgen met € 0,2 miljoen in 2021 en met € 0,3 miljoen in 2022. Vanaf 2023 stijgen de lasten met € 0,1 miljoen. Deze afwijkingen lichten we niet verder toe omdat deze kleiner zijn dan € 1 miljoen.

Reserves (bedragen x € 1 miljoen) (bedragen x € 1 miljoen)

2021

2022

2023

2024

2025

Onttrekking

0,2

0,0

0,0

0,0

0,0

Toevoeging

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

Saldo laatst vastgestelde begroting

0,2

0,0

0,0

0,0

0,0

Onttrekking

0,1

0,1

0,0

0,0

0,0

Toevoeging

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

Saldo effecten voorjaarsnota

0,1

0,1

0,0

0,0

0,0

Onttrekking

0,2

0,1

0,0

0,0

0,0

Toevoeging

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

Saldo na voorjaarsnota

0,2

0,1

0,0

0,0

0,0

Onttrekkingen De totale onttrekking neemt toe met € 0,1 miljoen in 2021 en 2022. Deze afwijkingen lichten we niet verder toe omdat deze kleiner zijn dan € 1 miljoen.

Toevoegingen Er is geen afwijking op de toevoegingen aan reserves.

52

H 3.5

3.5 Onderwijs (bedragen x € 1 miljoen) (bedragen x € 1 miljoen)

2021

2022

2023

2024

2025

Baten

63,5

62,2

62,2

62,2

62,2

Lasten

263,6

258,9

250,7

247,3

247,3

Saldo laatst vastgestelde begroting

-200,1

-196,8

-188,5

-185,1

-185,1

Baten

0,4

-1,2

-1,2

-1,2

-1,2

Lasten

-0,7

1,2

-1,9

7,3

10,1

Saldo effecten voorjaarsnota

1,1

-2,5

0,6

-8,5

-11,3

Baten

63,9

60,9

60,9

60,9

60,9

Lasten

262,8

260,2

248,8

254,6

257,4

Saldo na voorjaarsnota

-198,9

-199,2

-187,9

-193,7

-196,4

Op programmaniveau worden geen toelichtingen geschreven, dit gebeurt per programma onderdeel.

53

H 3.5.1

3.5.1 Onderwijs (bedragen x € 1 miljoen) (bedragen x € 1 miljoen)

2021

2022

2023

2024

2025

Baten

63,5

62,2

62,2

62,2

62,2

Lasten

263,6

258,9

250,7

247,3

247,3

Saldo laatst vastgestelde begroting

-200,1

-196,8

-188,5

-185,1

-185,1

Baten

0,4

-1,2

-1,2

-1,2

-1,2

Lasten

-0,7

1,2

-1,9

7,3

10,1

Saldo effecten voorjaarsnota

1,1

-2,5

0,6

-8,5

-11,3

Baten

63,9

60,9

60,9

60,9

60,9

Lasten

262,8

260,2

248,8

254,6

257,4

Saldo na voorjaarsnota

-198,9

-199,2

-187,9

-193,7

-196,4

Baten De totale baten stijgen met € 0,4 miljoen in 2021 en dalen met € 1,2 miljoen structureel vanaf 2022. Dit effect is het gevolg van de volgende afwijkingen: • Stijging in de baten van € 1,0 miljoen in 2021 en structureel € 0,2 miljoen vanaf 2022. Dit is een gevolg van een structurele bijstelling van de verwachte Rijksuitkering voor de Wet educatie en beroepsonderwijs (WEB) en incidentele bijstelling voor Regionaal Meld- en Coördinatiepunt (RMC) voor de bestrijding van jeugdwerkeloosheid. • Daling in de baten van € 0,6 miljoen in 2021 tot structureel € 1,5 miljoen vanaf 2022. Dit is het gevolg van een verlaging van de Rijksuitkering voor Gemeentelijk Onderwijsachterstandenbeleid (GOAB), omdat het aantal jonge kinderen in de stad terugloopt, zie ook de toelichting bij de lasten. • De overige afwijkingen op de lasten worden niet verder toegelicht omdat deze: – kleiner zijn dan € 1,0 miljoen; – het gevolg zijn van het (budgetneutraal) herschikken dan wel uniformeren van de gemeentebegroting.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10190146/1