CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Verkenningsrapport Met de kracht van de voorouders (d.d. 28 mei 2021)

Raadscommissie Kunst Diversiteit en Democratisering 2 februari 2022, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Bespreken bestuurlijke reactie nationaal slavernijmuseum Nr. VN2022-00246834.552 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Met de kracht van de voorouders Verkenningsrapport voor een Nationaal Trans-Atlantisch Slavernijmuseum (NTASM) in Amsterdam Regiegroep NTASM Mei 2021

Het Nationaal monument slavernijverleden, fotograaf Alphons Nieuwenhuis, beeldbank Gemeente Amsterdam

Inhoudsopgave Inleiding: De Opdracht

7

1 Waarom een Nationaal trans-Atlantisch Slavernijmuseum en waarom nu? – Waarom een museum? – Alleen trans-Atlantische slavernij? – Wat is een nationaal museum? – Substantieel en representatief – Fasering

13 14 16 18 20 21

2 Wat wil het museum zijn? 25 – Wat het NTASM als zijn missie ziet 26 – Wat het NTASM als zijn visie hanteert 26 – Wat de kernwaarden van het NTASM zijn 26 – Gedeeld en dekoloniaal 27 – Diversiteit en inclusiviteit 27 – (Inter)Nationale betekenis van het NTASM 29 3 Wat is het museale concept? – Voorwaarden – Het gebouw – De buitenruimte • Water • Park – Locatie – Digitale dimensie – Een museum in fasen – Een netwerkmuseum • Zakelijk-Organisatorisch • Inhoudelijk • Maatschappelijk • Internationaal – Resumerend

33 34 34 35 35 36 37 37 37 38 38 39 40 40 41

4 Voor wie is het NTASM? – Bezoekersgroepen – Aantallen – Alleen voor Zwarte mensen?

43 43 45 46

5 Wat toont het NTASM? 49 – Hoe komt het verhaal tot stand? 49 – Zwarte perspectieven en bronnen van kennis50 – Beelden van de slavernij 52 – Lijnen en paden door het verhaal 53 – Met welk gevoel komt de bezoeker thuis? 53

6 Hoe is het verhaal opgebouwd? – Tijdvakken – De processen – De thema’s – Voorbeeld 1: De voetboei – Voorbeeld 2: De diaspora begint

55 55 55 56 58 59

7 Hoe werkt collectie voor dat verhaal? – Nieuwe collectie – Een voorbeeld – Inventarisatie – Depot – Resumerend

71 71 73 75 75 75

8 Wie zijn de partners en wat is de programmering van het verhaal? – Individuele partners – Afro-gemeenschappen – Onderwijs – Programma

77 77 78 79 80

9 Wie zijn stakeholders? – Nederlanders en Amsterdammers – De overheid – De media – De makers en experts – Overige

83 84 84 85 85 85

10 Hoe is het proces georganiseerd? – Het museum in de spotlight – Eerste planning – Kosten – Functie-indeling

89 89 90 91 91

Profiel kwartiermaker 95 Bijlage 1 Deelrapport NiNsee 98 Bijlage 2 Deelrapport MzM 100 Bijlage 3 Deelrapport IZI Solutions 102 Bijlage 4 Inhoudelijke Opdracht van de Gemeente Amsterdam voor de Verkenning 105 Bijlage 5 Terminologie 109 Bijlage 6 Slavernij in Indonesië 113 Bijlage 7 Commentaar van de Klankbordgroep op de eerdere conceptverkenning nationale museale voorziening slavernij­verleden d.d. 10 mei 2021. 115

Foto voorpagina: versierde kalebas, Alex van Stipriaan

3 | Met de kracht van de voorouders

Stel je het museum voor als een levend organisme, een lichaam met een geest en een ziel.

Die ziel is het verleden dat het lichaam in zich draagt, waar grote krassen en littekens op zijn gekomen, maar die een ontembare kracht van overleven herbergt en die een reservoir is voor het leven nu. Het is de inspiratie en de vibe van het museum. De geest is de verzameling van voorouders en hun verhalen van strijd, trots, ervaring en spiritualiteit die het museumlichaam vullen. Het lichaam is de plek waar de vibe van levenskracht wordt gevoeld en waar de verhalen worden doorgegeven. Dat lichaam wil graag gezien worden. Dat lichaam wordt gevoed met geschiedenissen, culturen en levens in het hier en nu. Dat lichaam krijgt zuurstof van de directe omgeving waar de natuur onderdeel is van het verhaal. Het lichaam wordt onderhouden door een samenleving die vindt dat hij/zij er moet zijn. Het lichaam heeft een hart, het gezamenlijke verhaal dat door alle medewerkers, onderzoekers en bezoekers samen wordt gemaakt en via de bloedbanen wordt doorgegeven. De hartslag is de constante dynamiek waarin het museum het beste gedijt.

Slavernijmonument op het Surinameplein, fotograaf Edwin van Eis, beeldbank Gemeente Amsterdam

Inleiding: De Opdracht Anton de Kom publiceerde in 1934, in Nederland, zijn inmiddels beroemde ‘Wij slaven van Suriname’, een felle aanklacht tegen kolonialisme, racisme en uitbuiting. Zwart op wit toonde hij aan dat de geschiedenis ook kan worden verteld vanuit het perspectief van degenen wier vrijheid met geweld was ontnomen. En van hun nazaten, van wie hij er een was. Meer dan zes decennia na de afschaffing van de slavernij liet hij zien hoe dat systeem nog steeds zijn sporen trok in de samenlevingen aan beide kanten van de Atlantische Oceaan. Zijn eigen leven was daarvan het bewijs, niet in het minst ook in Nederland. De eis die activisten vanaf de jaren 1990 zijn gaan formuleren om tot een slavernijmuseum te komen vanuit dat niet-dominante perspectief, evenals het onderhavige rapport, zijn resultaten van de strijd die met De Kom begon. Dit rapport is ondenkbaar zonder de strijd die de afgelopen decennia is gevoerd voor de erkenning van de slavernijgeschiedenis in zijn ware gedaante en de strijd tegen de racistische doorwerkingen ervan in het heden. Die beweging heeft er onder meer voor gezorgd dat er in Nederland nu meerdere monumenten staan die dit verleden en zijn erfenissen markeren. Maar dat is bij lange na niet genoeg om het hele verhaal zichtbaar te maken in de samen­ leving. Dat besef is dankzij het ijveren van velen pas recent ook doorgedrongen tot de politiek.

Op 20 december 2017 stemde de Gemeenteraad van Amsterdam unaniem in met het initiatiefvoorstel “Een stap naar verdere verkenning van het Amsterdamse slavernijverleden” van de leden Blom (GL), Duijndam (SP) en Mbarki (PvdA) en met de bestuurlijke reactie van het college. Deze reactie onderstreepte het nationaal karakter van wat sindsdien een museale voorziening werd genoemd. Als gevolg daarvan is de gemeente Amsterdam in contact getreden en gebleven met de ministeries van OCW en SZW en werd toegevoegd dat toekomstige samenwerking met (musea in) andere gemeenten een meerwaarde zou hebben.1 Daarop is een call met een programma van eisen uitgegaan, waarop iedereen die dat wilde ideeën kon insturen voor een museum dat zich diende te focussen op het trans-Atlantisch slavernijverleden van Nederland. De call moest leiden tot een verkenning van de mogelijkheden van de beste ideeën. Uiteindelijk werden de plannen van drie verschillende partijen uitgekozen, die vervolgens werden gevraagd hun plannen gezamenlijk uit te werken tot één verkenningsrapport. Dat waren en zijn nog steeds: stichting Nationaal Instituut Nederlands Slavernijverleden en Erfenis (NiNsee), stichting Museum zonder Muren (MzM) en Sociaal Innovatiebureau IZI Solutions (IZI). Op 23 mei 2019 dienden zij een gezamenlijk eerste Plan van Aanpak Verkenning Nationale Museale Voorziening Slavernijmuseum in.

Vervolgens is intensief samengewerkt om te komen tot een definitieve inrichting en structuur van de verkenning. Op 21 april 2020 werd de definitieve opdracht aan het college van B&W voorgelegd en goedgekeurd. Deze luidde: ‘Stel een inhoudelijk rapport op, dat voortbouwt op uw Plan van Aanpak d.d. 23 mei 2019. Verwerk in het inhoudelijk rapport onderstaande, per thema 1 Brief College aan de Gemeenteraad d.d. 06-02-2018.

7 | Met de kracht van de voorouders

genoemde aandachtspunten. Beschrijf in het inhoudelijk rapport welke stappen genomen moeten worden om, in de volgende fasen, te komen tot de beoogde voorziening. Houd daarnaast voor ogen dat het rapport uit moet gaan van realistische en uitvoerbare keuzes en scenario’s.’ Het resultaat daarvan is het onderhavige verkenningsrapport. Separaat is de Regiegroep gevraagd een voorstel te doen voor het profiel van de kwartiermaker voor het NTASM. Deze moet na de verkenningsfase aan een plan van eisen voor met name de fysieke kant van het project gaan werken. Dat profiel is apart van de hoofdtekst, na de verkenning in dit rapport opgenomen. De verkenning moet de volgende thema’s omvatten, die in overleg als volgt aan de drie partijen zijn toebedeeld (nadere uitleg per vraag in bijlage 4): 1. Missie, visie en nationale betekenis (NiNsee) 2. Focus en representatie (NiNsee) 3. Verhaal, doorwerking en erfenis (NiNsee) 4. Positionering en nationale betekenis (MzM) 5. Collectievorming (MzM) 6. Verkenning museale concepten (MzM) 7. Programmering en activiteiten (IZI) 8. Educatie en onderwijs (IZI) 9. Draagvlak en dialoog (IZI) 10. Publieksinventarisatie en doelgroepen (IZI) 11. Netwerk en partners (IZI & MzM) Vervolgens hebben de drie genoemde partijen ieder een werkgroep gevormd om zo efficiënt mogelijk hun onderzoeken te kunnen verrichten.

Tegelijk werd een formele structuur opgezet, met daarin als centraal gremium een Regiegroep. Daarin hebben de voorzitters van de drie werkgroepen (oftewel de drie opdrachtnemers) zitting, te weten mevrouw Dionne Abdoelhafiezkhan (IZI), de heer Urwin Vyent (NiNsee) en de heer Daniël Metz (MzM). Verder kreeg de Regiegroep een onafhankelijk voorzitter, de heer Freek Ossel, een procesbegeleider, de heer Cemil Yilmaz, een museaal expert, mevrouw Martine Gosselink en een inhoudelijk expert en eindredacteur, de heer Alex van Stipriaan. Deze Regiegroep werd begin juni 2020 geïnstalleerd en had op 11 juni 2020 haar eerste bijeenkomst. Sindsdien is de groep gemiddeld minimaal eens in de drie weken bij elkaar gekomen, is er twee keer een heidag geweest, is er een internationale online expertmeeting georganiseerd, zijn er drie bijeenkomsten met de verantwoordelijke wethouders Groot Wassink en Meliani geweest, hebben er gesprekken met een vijftal Amsterdamse musea plaatsgevonden, evenals gesprekken met potentiële stakeholders en zijn er vele (discussie) stukken geproduceerd. Door corona heeft het proces langer geduurd dan tevoren gepland. Daarvoor heeft het College de Regiegroep een verlenging van de opdracht met drie maanden gegeven. De voornoemde verkenningsthema’s zijn door de drie werkgroepen onderzocht en beschreven, wat heeft geleid tot drie werkgroeprapporten.

Daartussen zit soms overlap en soms komen bepaalde thema-aspecten juist minder uit de verf omdat ze niet specifiek in de opdracht zijn geformuleerd. Zoals al in de opdrachtformulering vermeld staat, diende echter wel de integraliteit van e.e.a.

8 | Met de kracht van de voorouders

te worden bewaakt. Vandaar dat het Verkenningsrapport meer is dan ‘slechts’ drie werkgroeprapporten met een gezamenlijke inleiding ervoor geplakt. Het Verkenningsrapport is gebaseerd op het werk –en gebruikt de bevindingen van– de drie werkgroepen. Omwille van een geïntegreerd Verkenningsrapport waarmee een volgende stap in het proces kan worden gezet, was het soms nodig zaken aan te vullen, aan te passen of te verduidelijken om tot een helder, eenduidig en coherent verhaal te komen. Ook is er materiaal aan toegevoegd om een zo goed mogelijk beeld te komen van wat er in het NTASM eventueel te zien en te horen zal kunnen zijn. De drie werkgroeprapporten beslaan samen zo’n 450 pagina’s, gevuld met meer dan 100.000 woorden, vele tientallen illustraties en een flink aantal tabellen. Zij vormen de drie pilaren waarop dit Verkenningsrapport steunt en zijn dus ook hierbij integraal als bijlagen opgenomen. Er wordt in dit Verkenningsrapport veelvuldig naar verwezen en de lezer wordt sterk aangeraden ook verder naar de bijlagen te kijken. Wat in het Verkenningsrapport soms alleen wordt aangestipt of met één voorbeeld verduidelijkt, wordt in de Bijlagen 1 (NiNsee), 2 (MzM) en 3 (IZI) nader toegelicht en uitgewerkt.

Daarnaast is zowel in de bijlagen als in het Verkenningsrapport de vrijheid genomen om soms wat verder te gaan dan alleen een strikte beantwoording van de vragen uit de gemeentelijke opdracht. Allereerst omdat daardoor een coherenter rapport kon worden geschreven. Maar nog belangrijker omdat dit de gelegenheid bood de lezer een concreet, verhelderend en hopelijk ook enthousiasmerend beeld te kunnen geven van het NTASM zoals dat in het onderzoek is ontstaan.

Definities en keuzes vooraf In de opdracht en alle gemeentelijke communicatie tot nu toe is steeds gesproken over een ‘nationale museale voorziening slavernijverleden’. Vanaf het initiatiefvoorstel in de Amsterdamse gemeenteraad, van Blom, Duijndam en Mbarki van 30-06-2017 tot en met de inhoudelijke opdrachtbrief van april 2020 wordt dat slavernijverleden expliciet omschreven als het ‘Nederlands trans-­ Atlantisch slavernijverleden’ (zie p. 16 e.v.). Daarnaast is in de verkenning, om redenen die verderop worden uitgelegd, na verloop van tijd afgestapt van de term ‘museale voorziening’ omdat het in de ogen van de onderzoekers onmogelijk is dat die voorziening iets anders wordt dan in ieder geval (ook) een fysiek en op zichzelf staand museum (zie p. 18 e.v. en Bijlage 2 (MZM), Enquête museale instellingen). En ten slotte, en ook daar wordt verderop uitleg van gegeven, houdt het slavernijverleden niet op in 1863/1873, maar heeft het erfenissen en werkt het door in de huidige samenleving. Dat alles betekent dat dit rapport dus betrekking heeft op een Nationaal Museum Nederlands trans-Atlantisch Slavernijverleden en de Erfenissen en Doorwerkingen daarvan. Dat is waarover het gaat. Omwille van de leesbaarheid zal dit de enige keer in het hele rapport zijn dat deze benaming voor het museum voluit wordt gebruikt. De werknaam in dit verkenningsrapport is

9 | Met de kracht van de voorouders

NTASM. Zoals in hoofdstuk 1 wordt uitgelegd zijn andere namen misschien minstens zozeer, of zelfs meer geschikt en zal daar ook wel eens naar worden verwezen, maar een aantrekkelijke en dekkende definitieve naam moet in een volgend stadium worden gekozen. Hoe dat het beste zou kunnen staat beschreven in Bijlage 3, IZI, Programmering en Activiteiten, p. 22. Ook andere gehanteerde terminologie in dit Verkenningsrapport is uitgebreid besproken en opgenomen als bijlage 5. Wat daarbij een niet uitgediscussieerd punt bleef was de vraag als Zwart met een hoofdletter moet, moet dan ook Wit met een hoofdletter? In bijlage 5 zijn twee voorbeelden opgenomen waarvan er een daartegen en een ervoor pleit. In dit Verkenningsrapport en de drie deelrapporten is het hoofdlettergebruik in deze dan ook niet consequent. De geografische focus in de museumpresentaties ligt vooreerst voor het grootste deel op Suriname, de Nederlandse Cariben en Nederland en logischerwijs ook West- en Centraal-Afrika. Ook Zuid-Afrika, als scharnierpunt tussen de Atlantische en Indisch-Oceanische wereld komt aan bod. En ten slotte zullen de overige regio’s in het Atlantisch gebied niet ontbreken die door Nederland voor kortere of langere tijd zijn bezet en waar onder dwang Afrikanen naar toe zijn gebracht.

Dat betreft de westelijke buurkolonies van Suriname, het huidige Guyana, toen Berbice (1616-1815), Essequibo (1629-1815) en Demerara (1691-1815). Verder Noordoost Brazilië, de huidige deelstaat Pernambuco (1630-1654) en Nieuw Nederland, de huidige Amerikaanse staten New York, New Jersey, Delaware en deels Connecticut, dat 1625-1667 door de WIC was bezet. Daarnaast zijn Nederlanders in nog heel veel andere gebieden in de Amerika’s actief geweest in de slavernij, maar dan in dienst van een andere kolonisator. Ten aanzien van aanvullende geografische keuzes (in de toekomst) wordt in het volgende hoofdstuk dieper ingegaan. Logischerwijs geeft dit Verkenningsrapport antwoord op de vragen en thema’s zoals deze in de opdracht door de gemeente Amsterdam zijn geformuleerd (zie boven en Bijlage 4). Voor een leesbaar rapport is echter een andere opbouw gekozen aan de hand van een aantal basale vragen, waarin voornoemde antwoorden en beschrijvingen zijn verwerkt (zie inhoudsopgave).

10 | Met de kracht van de voorouders

Slavernijmonument Clave in Rotterdam, door Alex da Silva (foto: Alex van Stipriaan)

1 Waarom een Nationaal trans-Atlantisch Slavernij­ museum en waarom nu?

1. Waarom een Nationaal transAtlantisch Slavernijmuseum en waarom nu? • Waarom een museum? • Alleen trans-Atlantische slavernij? • Wat is een nationaal museum? • Substantieel en representatief • Fasering Aan het begin van de 21e eeuw heeft de Nederlandse overheid besloten de strijd van een groot aantal Afro-Nederlandse organisaties voor een nationaal herdenkingsmonument voor de slavernij en een daarmee samenhangend instituut, te honoreren. Monument en instituut NiNsee kwamen in Amsterdam. In de loop der jaren brokkelde de landelijke overheidssteun grotendeels af, maar gemeentes hebben die fakkel overgenomen. In een groeiend aantal Nederlandse steden zijn de laatste jaren expliciete politiek-bestuurlijke uitspraken gedaan en daden gesteld om het Nederlands slavernijverleden veel nadrukkelijker deel te laten worden van het historisch besef van deze samenleving. Ook in Rotterdam en Middelburg kwamen er slavernijmonumenten, beide op initiatief van lokaal actieve groepen. Inmiddels zijn er op initiatief van de gemeenteraden en in samenspel met lokaal actieve groepen in Amsterdam en Rotterdam grootschalige wetenschappelijke onderzoeken gedaan naar het slavernijverleden van beide steden en wordt er hardop over excuses gesproken.

In Utrecht en Den Haag zijn zulke onderzoeken inmiddels ook (bijna) gaande, het College van Hoorn is erover aan het praten en de gemeenteraad van Arnhem heeft, op één partij na, zich unaniem uitgesproken vanaf 2021 officieel op 1 juli Keti Koti te gaan herdenken. Inmiddels zijn onderzoekers bezig slavernijsporen in de provincies Gelderland en Noord-Brabant in kaart te brengen, is het onderzoek over Friesland gereed en zijn er stadsgidsen en routekaarten verschenen over het slavernijverleden van Amsterdam, Groningen, Leiden, Utrecht (stad en

provincie) en Haarlem en daarnaast nog een gids met honderd slavernijlocaties in heel Nederland. Zwarte en witte onderzoekers en vrijwilligers werken hierbij eendrachtig samen, net als bijvoorbeeld bij het digitaliseren en publiek toegankelijk maken van de slavernijregisters in de archieven. Recentelijk is door de nationale overheid een Adviescollege Dialooggroep Slavernijverleden ingesteld die in het hele Koninkrijk der Nederlanden dialogen moet gaan organiseren ‘over het slavernijverleden, en over de doorwerking daarvan in de hedendaagse samenleving’.2 Op de achtergrond speelt ook het VN Internationaal Decennium voor Mensen van Afrikaanse Afkomst (2015-2025), waaraan de Nederlandse overheid zich, als een van de weinige in Europa, heeft gecommitteerd. Tegelijkertijd worden in Nederland al een heel aantal jaren verhitte discussies gevoerd over de racistische figuur van zwarte piet, waarachter de veel diepere discussie schuilgaat hoe racistisch deze samenleving is en waar dat racisme vandaan komt. Nog veel recenter zijn daar de Black Lives Matter acties en discussies bijgekomen, die evenmin zomaar uit de hemel zijn komen vallen, noch een één op één kopie zijn van wat zich in de VS afspeelt. Beide debatten staan niet los van het Nederlands slavernijverleden.

Dat blijkt ook uit de nieuwste discussie met vaak dezelfde deelnemers, over de vraag of de Nederlandse regering zijn excuses voor het slavernij2 Brief van minister Ollongren van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aan de Tweede Kamer, d.d. 1 juli 2020.

13 | Met de kracht van de voorouders

verleden moet maken en daarmee de deur moet (durven) openzetten voor een debat over Herstel, wat overigens veel meer en iets anders is dan alleen maar financiële genoegdoening.3 Kortom, het slavernijverleden en zijn doorwerkingen in het heden is een uiterst aanwezig en relevant thema in heel Nederland. Steeds meer wordt bekend over de Nederlandse betrokkenheid bij de slavernij. Steeds meer Nederlanders weten intussen dat de residentie van de Amsterdamse burgemeester ooit het huis van een toenmalige mensenhandelaar was, dat het kopje koffie met suiker in de achttiende eeuw door slavenhanden was geproduceerd, dat de slavernij anderhalve eeuw geleden werd afgeschaft en dat Afro-Surinaamse en Afro-Caribische Nederlanders de nazaten van die slaafgemaakte Afrikanen zijn. Maar hoe dat tweeënhalve-eeuw-durende slavernijsysteem eigenlijk in elkaar stak en nog belangrijker, hoe slaafgemaakten dat hebben doorgemaakt en overleefd, en wat de erfenissen daarvan zijn, en dat het daarbij over veel meer gaat dan alleen Suriname, dat weten slechts kleine groepen. Laat staan dat het gekend of beleefd wordt als een onlosmakelijk en substantieel stuk van ‘onze’ Nederlandse geschiedenis. Er dient dus een plaats te zijn, waar alle monumenten, stadsgidsen, wetenschappelijk en grass roots onderzoek, behoefte aan herinnering, erkenning en debat voor iedereen zichtbaar samenkomen.

Waar nieuwe geschiedenis wordt geproduceerd en gepresenteerd. Waar kan worden gewerkt aan de verankering van deze geschiedenis in het nationaal bewustzijn, waar getoond kan worden hoe Nederland door die geschiedenis gevormd is en wat er van die geschiedenis valt te leren. En dat alles dus op een manier die beklijft, die duurzaam is, die ervoor zorgt dat die kennis zich verspreidt en up to date blijft. Dat betekent dat het NTASM (ook) een werkplaats wil zijn voor de transformatie van het geschiedbeeld over het slavernijverleden en de doorwerkingen daarvan. Hier wordt gewerkt aan het doorbreken van een geschiedbeeld dat is geproduceerd binnen zeer ongelijke machtsverhoudingen en vanuit witte perspectieven. Hier worden ook beelden en verhalen van slachtofferschap vervangen door beelden en verhalen van (veer)kracht, dynamiek, strijd en culturele en intellectuele eigenheid. Daarvoor zullen heel nieuwe bronnen worden aangeboord en de getuigenissen 3 Zie hiervoor het tien punten actieplan van Caricom dat ook aan Nederland is gericht [https://caricom.org/caricom-ten-point-plan-for-reparatory-justice/]

worden gebruikt van degenen die de dragers van deze geschiedenis zijn. Hun perspectieven staan centraal. Dit wordt verder uitgewerkt in de hoofdstukken vier en vijf en uitgebreid onderbouwd in Bijlage 1 (NiNsee), Een ontketend perspectief.

Waarom een museum? Het NTASM is de plek waar niet alleen al die bestaande en nieuwe inzichten en producten samen­ komen, maar waar op een geïntegreerde manier voor het eerst geheel andere perspectieven dan tot nu toe gerepresenteerd en gepresenteerd worden. Hier staan de Zwarte perspectieven centraal, hier wordt nieuwe geschiedenis gemaakt die relevant is voor sociale veranderingsprocessen. Die nieuwe geschiedenis loopt door in het nu en is van cruciaal belang om urgente maatschappelijke vraagstukken te begrijpen en vervolgens aan te kunnen pakken. Het is een kwestie van herstel richting een inclusieve en rechtvaardige samenleving. De motivatie daarvan wordt uitgebreid uiteengezet in Bijlage 1 (NiNsee). Daarnaast is een museum als medium waarschijnlijk de enige voor vrijwel iedereen toegankelijke en permanente vorm, waarin alle belangrijke stakeholders in dit proces zichtbaar en duurzaam samenkomen en kunnen interacteren. Andere media zijn tijdelijk of alleen bestemd voor een kleine groep. Alleen het onderwijs is een ander informatief-educatief medium waar die nieuwe, inclusieve perspectieven op het slavernijverleden zouden kunnen en moeten verduurzaamd worden. In principe is dat ook de bedoeling, want het onderwerp slavernij staat al sinds de jaren 1990 in de eindtermen en kerndoelen van het primair en voortgezet onderwijs.

Bovendien is het sinds 2006 onderdeel van de nationale canon, die op zijn beurt inmiddels dient als basis voor die kerndoelen. Het probleem is alleen dat de informatie in de schoolmethodes summier, vaak eenzijdig en zelfs incorrect of soms ronduit beledigend ten aanzien van sommige bevolkingsgroepen is. Ook de docenten weten veelal te weinig om deze manco’s te kunnen compenseren, vinden het zelfs te gevoelige materie om het er uitgebreid over te hebben, of hebben er soms domweg geen zin in. Hier mag niet onderschat worden hoe eurocentrisch ook het geschiedenisonderwijs nog vaak is op academies, hogescholen en universiteiten. Daarnaast moet niet vergeten worden dat de portie

14 | Met de kracht van de voorouders

geschiedenis die bijvoorbeeld studenten op de pabo’s krijgen, laat staan de schoolleerlingen, in de loop der tijden steeds minder is geworden. De allergrootste groep leerlingen kiest of krijgt na de onderbouw geen geschiedenis meer. Kortom, het onderwijs zit zelf met zijn handen in het haar als het om dit thema gaat en geeft vaak aan dat het daarin steun kan gebruiken.4 Een nationaal museum dat er duurzaam is, dat een correcter, want niet eurocentrisch beeld over het verleden presenteert als volwaardig onderdeel van de nationale geschiedenis en daar ook het heden van nazaten en niet-nazaten van slaafgemaakten bij betrekt, is bij uitstek het middel om het onderwijs te steunen. Het is hét middel voor een continue (h)erkenning van het verleden en heden van het Nederlands slavernijverleden en wat daaruit voortkwam, waarmee zichtbaar en actief een bijdrage wordt geleverd aan een gelijkwaardiger en rechtvaardiger samenleving. Dat betekent dat het NTASM een onmisbaar steunpunt is voor iedere docent en iedere leerling in Nederland om meer, bewuster en blijvender te leren over een substantieel stuk Nederlandse geschiedenis én over hedendaags burgerschap. Het is namelijk geen zwarte bladzijde in de geschiedenis, wat altijd weer de suggestie wekt dat de rest van het geschiedverhaal maagdelijk wit is, en het is evenmin een afgesloten hoofdstuk.

De slavernij is een integraal en cruciaal onderdeel van het hele Nederlandse geschiedverhaal en is medebepalend voor het handelen en denken in de huidige samenleving, nu en in de nabije toekomst. Een andere reden dat er een nationaal slavernijmuseum moet komen is dat het een levend teken van erkenning is van de kracht van de Afrikaanse voorouders. Zij en hun nazaten hebben een aantal samenlevingen in de Amerika’s opgebouwd, zij hebben bijgedragen aan de welvaart van Nederland en zij 4 Ineke Mok, ‘Juf, was dat écht zo?’ Lessen over slavernij in het Amsterdamse voortgezet onderwijs (2011)[ http://www.cultuursporen.nl/webcontent/wp-content/uploads/2016/06/DMO-Educatie-Slavernij-Mok-Cultuursporen-290411.pdf ]; SLO, Het slavernij­ verleden in onderwijs en museum; aanbevelingen voor de actualisering van het educatieve aanbod (2018) [https://www. google.com/search?q=SLO%2C+Het+slavernijverleden+in+onderwijs&oq=SLO%2C+Het+slavernijverleden+in+onderwijs+&aqs=chrome..69i57j33i160l2.1190j0j15&sourceid=chrome&ie=UTF-8]; Jaco van der Wel, Annemieke Mack, Kees van Bergen, Lessen over slavernijverleden in het Amsterdamse onderwijs. Amsterdam, Regioplan (2019) [https://www.regioplan.nl/ wp-content/uploads/2019/07/18083-LesprogrammaSlavernijver­ leden-Regioplan.pdf].

dragen nu opnieuw bij aan het welzijn van Nederland. Zij zijn Nederlanders. Maar die erkenning ontbreekt. Laat staan dat het idee al is doorgedrongen dat Nederland dus deels ook Afrikaanse wortels heeft. Niet alleen als deel van de moderne multi-etnische samenleving, maar al eeuwenlang! Die erkenning is deel van het proces van bestrijden van ongelijkheid, buitensluiting en racisme. Een nationaal slavernijmuseum, dat in zijn naam misschien beter naar de strijd en de kracht van (over) leven dan naar de slachtofferpositie van slavernij zou moeten verwijzen, moet ook echt nationaal zijn, dat wil zeggen voor iedereen en met nationale middelen gesteund en daarmee dus ook ván iedereen. Tegelijk zal het voor nazaten van slaafgemaakten ook iets extra bijzonders hebben. In ieder geval wordt het ook voor hen een plaats om te leren, want ook zij kennen grote stukken van het verleden niet. Nog belangrijker is dat de zichtbare en vooral levende erkenning via een trots museum nog verder gaat dan de verschillende monumenten, die een meer statisch karakter hebben gericht op het herdenken van het verleden en die bovendien vaak nog tamelijk onbekend zijn. Maar bovenal zal het NTASM voor hen ook een soort van sacrale dimensie hebben, waar de voorouders getoond kan worden dat hun strijd niet voor niets is geweest en hoever hun nazaten, in hun voetsporen, al gekomen zijn.

Het NTASM markeert daarmee ook de staat van emancipatie van de nazaten van slaafgemaakten, maar minstens zozeer van de staat van emancipatie van de samenleving als geheel. In toenemende mate blijkt dat het om veel meer gaat dan het verhaal van de trans-Atlantische slavernij. Het gaat ook om wat er gebeurde met de nazaten van mensen die onder dwang uit Afrika waren gehaald, tijdens de anderhalve eeuw na de slavernij en wat er met hen gebeurde toen een groot deel van hen zich vestigde in het land dat hun voorouders tot slaaf had gemaakt. Het gaat om de overgeleverde kracht die hen heeft doen overleven, die hen tot op zekere hoogte ook internationaal bindt als Afro-gemeenschappen, maar die hen tegelijkertijd ook heeft doen wortelen in de samenlevingen waar zij terecht kwamen en waar zij een wezenlijk deel van (willen) zijn. In feite gaat het dus om een diaspora-verhaal. Mensen die uit eenzelfde deel van de wereld komen, daar met geweld hebben moeten vertrekken, om er nooit meer terug te keren, maar die door de gelijksoortige geschiedenis die ze hebben moeten doormaken ook verbonden zijn. Om die kracht te tonen zal in het vervolg van dit

15 | Met de kracht van de voorouders

rapport soms ook worden verwezen naar het NTASM als een museum van en over de (Nederlands) Afrikaanse Diaspora5 Het gaat dus om veel meer dan alleen het slavernijverleden. Maar, zoals gezegd, de keuze voor een definitieve naam voor het museum zal pas in een volgende fase worden genomen. In ieder geval is het NTASM de meest geëigende plek om het gesprek te voeren over een verleden en daaruit resulterend heden dat bij sommigen weerstand of verlegenheid oproept. Er moet een plek zijn in Nederland waar dat gesprek goed geïnformeerd, continu en op meerdere kennisniveaus gevoerd kan worden. Bovendien moet dat veilig kunnen en op een manier waarmee iedereen zich kan identificeren. Vandaar de nadruk op de kracht van mensen, niet op schuld & boete.

Alleen trans-Atlantische slavernij? Ja en nee. Vanaf het initiatiefvoorstel van Blom c.s. is alleen gerefereerd aan het trans-Atlantisch slavernijverleden. In de opdracht voor dit Verkenningsrapport wordt vijfmaal expliciet daarnaar verwezen en nog eens negenmaal naar de Afro-Nederlandse gemeenschappen, oftewel de nazaten van dat trans-Atlantisch slavernijverleden. Geen enkele andere vorm van slavernij wordt genoemd. Toch zijn er regelmatig geluiden uit de samenleving te horen dat het Slavernijmuseum ook andere vormen van slavernij met Nederlandse betrokkenheid zou moeten presenteren. Daarbij valt te denken aan allerlei hedendaagse vormen van slavernij waarvoor Nederland doorvoerland is en was, of waarvan de producten hier worden en werden verhandeld. Weliswaar zijn dat vormen van dwangarbeid die totaal anders van aard zijn dan de trans-Atlantische slavernij, maar het geeft wel inzicht in de directe Nederlandse betrokkenheid bij systemen van onvrijheid, ook anderhalve eeuw na de afschaffing van de slavernij. Daarnaast wordt er veel gesproken 5 Bij laatstgenoemde term wordt soms het bezwaar geopperd dat daaronder ook de Afrikanen en Afro-Nederlanders worden verstaan die geen Nederlands slavernijverleden hebben.

Dat klopt, maar ook zij hebben als Zwarte inwoners van Nederland enkel vanwege hun huidskleur eveneens te maken met de erfenissen en doorwerkingen van het Nederlands slavernijverleden, dus het oudere Diaspora-verhaal (be)treft hen ook.

over de Indisch-Oceanische slavernij die in het gebied van de VOC plaatsvond en er kan ook nog gedacht worden aan wat wel de christenslavernij wordt genoemd, dat wil zeggen, Nederlanders die door Noord-Afrikanen en Ottomanen werden slaafgemaakt en verhandeld. Waarschijnlijk wordt op al deze vormen van slavernij gedoeld in de nogal brede vraag 2b (zie Bijlage 4) waar het museum ‘zich in de toekomst, al dan niet gefaseerd, nog meer op richt’. Het moge duidelijk zijn dat het trans-Atlantisch slavernijverleden de kern vormt van het NTASM, maar dat er –op den duur– ook ruimte moet zijn voor verbreding. De aanknopingspunten voor die verbreding zullen, wat dit rapport betreft al vanaf de start in het museum verweven zijn. Het gaat bij het onderscheid tussen die aan Nederland gerelateerde slavernijsystemen natuurlijk in het geheel niet om een soort competitie daar tussen. In tegendeel gaat het erom dat die delen van de nationale geschiedenis juist zo goed mogelijk uit de verf komen in een context die dat het meest recht doet. Enigszins vergelijkbaar met hoe het Rijksmuseum zegt acht eeuwen Nederlandse geschiedenis en kunst te tonen, en zoals verwacht mag worden van het hele Nederlandse Rijk, toch daarbinnen voor een duidelijke kern kiest.

Wat de kunst betreft is dat vooral de zeventiende en achttiende-eeuwse kunst (inclusief Azië), maar overige niet-westerse kunst en cultuur en Nederlandse moderne en hedendaagse kunst laat het graag over aan daarin gespecialiseerde musea als het Stedelijk Museum Amsterdam, het van Abbemuseum of het Nationaal Museum van Wereldculturen (NMVW). Eén verbreding van het NTASM zit er al vanaf het eerste moment in en dat is dat het zich niet tot de periode van trans-Atlantische slavernij beperkt, maar bewust de ontwikkelingen in de ruim anderhalve eeuw na de afschaffing ook behandelt. Ook uit de missie en visie (zie hoofdstuk 2) blijkt dat de erfenissen en doorwerkingen na de slavernij, inclusief in het hier en nu centraal staan. In de tweede plaats zal in het museum, ergens aan het begin van de presentatie, een overzicht en inzicht worden gegeven van de verschillende soorten slavernij waarmee Nederland in de loop van de geschiedenis te maken heeft gehad. Dat is nodig om juist de uniciteit en uitzonderlijkheid van het trans-Atlantische slavernijsysteem te kunnen uitleggen, waarvan het exclusieve raciale element en de bijna industriële organisatie niet te onderschatten onderdelen zijn (zie ook Bijlage 6).

16 | Met de kracht van de voorouders

In de derde plaats zijn er allerlei raakpunten geweest tussen de WIC en de VOC. Bijvoorbeeld op de aanvoer van kaurischelpen en textiel uit het gebied van de Indische Oceaan die vervolgens werden gebruikt in de trans-Atlantische slavenhandel. Dit is logischerwijs onderdeel van het kernverhaal van het NTASM. In de vierde plaats wil het NTASM naast zijn vaste presentaties, ook wisseltentoonstellingen tonen die gewijd zullen zijn aan verwante slavernij-onderwerpen, waaronder logischerwijs andere aan Nederland gelieerde slavernijsystemen. Bovendien wil het NTASM in de netwerkconstructie waarin het gaat werken (zie o.a. hoofdstuk 3) met name op het terrein van de Indisch-Oceanische Nederlandse slavernij, musea met grote Aziatische collecties stimuleren hier permanente aandacht aan te gaan geven. Interessant in dat opzicht was de uitspraak die de woordvoerder van het op Nederlands-Indië gerichte Museum Bronbeek in Arnhem deed aan het begin van het proces van de onderhavige verkenning, dat hij volop aandacht wilde gaan besteden aan het slavernijverleden.6 Bij navraag recentelijk, bleek dat voornemen echter al weer verlaten. Tot slot, in Nederland en in het Atlantisch gebied in het algemeen, zijn de nazaten van het slavernijverleden duidelijk aanwijsbaar aanwezig.

Dagelijks laten zij weten welke strijd zij moeten voeren in samenlevingen die zich nog moeten emanciperen uit het racistisch denken van de slavernij, dat hier geïnstitutionaliseerd is. Dagelijks worden zij geconfronteerd met het ontbreken van ruimte voor hún kracht, hun verleden en hún eigen verhaal. Dat alles kan niet worden gezegd van nazaten van andere slavernijverledens. Die zijn er namelijk niet meer, of niet aanwijsbaar en als gevolg daarvan is er ook geen sprake van doorwerking van het slavernijverleden c.q. strijd om erkenning daarvan. De slaafgemaakten in het gebied van de VOC kwamen uit het huidige India, Sri Lanka, Bangladesh en de hele archipel rond Java, met als belangrijkste eilanden Bali en Sulawesi. Niet alleen was hun slavernij een andere dan die in het Atlantisch gebied, ook de raciaal-etnische component was anders. Uiteindelijk zijn deze slaafgemaakten en hun nazaten opgegaan in de omringende samenleving die veruit in de meerderheid was 6 ‘Bronbeek wil slavernijverleden tonen en uitgroeien tot koloniaal museum’ [https://www.gelderlander.nl/arnhem-e-o/bronbeek-wil-slavernijverleden-tonen-en-uitgroeien-tot-koloniaal-museum~a56b29cb/?referrer=https%3A%2F%2Fwww.google.com%2F] (geraadpleegd 15-03-2021)

en die al vele eeuwen bestond. Als zodanig waren en zijn de nazaten van slaafgemaakten in het Indisch-Oceanisch gebied, noch in het huidige Nederland uiterlijk of intrinsiek nog herkenbaar. In de Amerika’s daarentegen zijn de samenlevingen –op de gedecimeerde en gemarginaliseerde Inheemsen na– geheel nieuw uit de grond gestampt en vrijwel geheel opgebouwd door de Afrikaanse diaspora in slavernij, die veelal de meerderheid van de bevolking vormde. Alles draaide er om slavernij. Van iedere Afro-Surinamer of Afro-Caribiër, daar of hier, is duidelijk dat hij of zij afstamt van slaafgemaakte Afrikanen. Onbetwijfelbaar dragen zij de erfenissen van toen met zich mee en worden zij ook anderhalve eeuw na dato nog met de doorwerkingen van het slavernijsysteem geconfronteerd. Daarom is dát het verhaal dat centraal staat in het NTASM. Daarmee is natuurlijk niet gezegd dat Nederlanders afkomstig uit de koloniën die geen nazaten zijn van slaafgemaakten geen last kunnen hebben van de doorwerking van het koloniaal verleden in het hier en nu, maar dat is toch een ander verhaal. Al was het maar, omdat zij veel vaker instrumenten waren van de onderdrukker, zoals het koloniaal leger, of onderdeel van de midden- en hogere klassen van kleur en niet deel van de onderdrukten.

Kortom, het kernverhaal van het NTASM is dat van de door Nederland in diaspora gedwongen Afrikanen en hun nazaten in het Atlantisch gebied, inclusief Nederland. Daarmee zal het museum van start gaan en zijn plaats in het museaal-educatieve veld gaan innemen. In dat verhaal komen ook de intersecties met andere slavernijsystemen (Indische Oceaan, NoordAfrika, Arabische slavenhandel) en vormen van gedwongen arbeid (koloniale horigheid, contractarbeid) aan bod. Daarnaast wordt zo snel mogelijk geprobeerd in samenwerking met andere musea ook de verhalen over andere slavernijsystemen gepresenteerd te krijgen evenals in wisseltentoonstellingen in het NTASM. Het museum zal zich daar actief voor inzetten. Naar gelang de ontwikkelingen in dat opzicht kan er al dan niet uiteindelijk in het NTASM ook permanent ruimte komen voor het Indisch-Oceanisch Nederlandse slavernijverleden. Gezien de eigen en geheel andere complexiteit van dat Indisch-Oceanische verleden ligt misschien een eigen museum over dat onderwerp wel meer voor de hand. Ook die geluiden klinken in de samenleving. Hoe dan ook zal er eerst nog heel veel onderzoek moeten worden gedaan, want om ook daarover een geschiedenis te vertellen, door de ogen van de Aziatische slaafge-

17 | Met de kracht van de voorouders

maakten, zal niet gemakkelijk zijn. Er zal diep gegraven moeten worden naar culturele tradities, erfenissen, objecten en wat dies meer zij die een museaal verhaal kunnen presenteren dat verder gaat dan dat van de eenling, de uitzondering of de algemene cijfers en aantallen. Het NTASM houdt daar rekening mee in zijn modulaire opbouw (zie hierna en hoofdstuk 3) door, indien noodzakelijk geacht, een afdeling over het Indisch-Oceanisch Nederlande slavernijverleden als laatste module in te plannen. Om daar vast belangstelling voor te genereren zou het goed zijn als voortaan bij monumenten in Nederland die het koloniaal verleden in Indonesië herdenken ook de slavernij en de onmenselijke contractarbeid van Chinezen en Indiërs wordt herdacht.

Wat is een nationaal museum? In overeenstemming met de verkenningsopdracht en zoals uit het voorafgaande al bleek, is het streven een nationaal museum. Zoals gezegd betekent dit in ieder geval dat het NTASM er vóór iedereen is en ook ván iedereen in de zin dat het in belangrijke mate uit publieke middelen wordt gefinancierd. Maar de betekenis van een nationaal museum is meer dan dat. Nationale musea zijn in West-Europese landen ontstaan in het proces van moderne natievorming in de 19e eeuw en zijn sindsdien onderdeel van de constructie en presentatie van nationale identiteit.7 Het koloniale project vormde daar een onlosmakelijk onderdeel van. Daarmee wordt naar die natie zelf én naar buiten toe gezegd: dit zijn WIJ, dit is ónze geschiedenis en ónze cultuur, de rest is JULLIE (= niet ‘wij’). In de loop van de 20e eeuw bleek dat die nationale ‘wij’ wel heel erg exclusief was, namelijk vooral die van niet al te jonge, witte mannen uit de maatschappelijke bovenlagen en dan ook nog eens

7 Zie Bijlage 2, MZM Rapport Nationale Betekenis.

Amsterdam 1970 (Nat. Archief)

18 | Met de kracht van de voorouders

Nederlanders die na WO-II uit de koloniën kwamen en hun nazaten, zijn nog nauwelijks vertegenwoordigd in de Nederlandse musea en al helemaal niet op nationaal niveau. Alleen degenen die uit Indonesië kwamen kunnen hun verhaal (deels) terugvinden in Museum Sophiahof in Den Haag8, Museum Bronbeek in Arnhem, Tropenmuseum in Amsterdam, Wereldmuseum in Rotterdam, Museum Volkenkunde in Leiden, het Nederlands Openlucht Museum in Arnhem en een heel klein beetje in het Rijksmuseum.9 Het verhaal van de trans-Atlantische slavernij en haar erfenissen is alleen permanent en zeer gedeeltelijk terug te vinden in kleine opstellingen in het Tropenmuseum en in het Nederlands Openluchtmuseum10 in Arnhem en wellicht enigszins vanaf 2021-2022 in het Rijksmuseum. Er zijn geen aanwijzingen om aan te nemen dat die (te) kleine aanwezigheid van het trans-Atlantisch slavernijverhaal met al zijn sporen in de hedendaagse samenleving in de nabije toekomst wel een substantiële en representatieve plek zal krijgen in een van de musea, behalve enigszins in het Tropenmuseum, maar nog steeds niet substantieel (zie hoofdstuk 9). Voor zo’n wezenlijk onderdeel van de Nederlandse geschiedenis roept dat dus om een eigen museum. De vraag is dan wel waaraan moet worden gedacht bij een substantieel en representatief nationaal museum.

In ieder geval moet dat museum een voor iedereen zichtbaar gebaar naar de samenleving zijn, wil het werkzaam zijn als een onderdeel van erkenning voor wat in het verleden is gebeurd en dat hier en nu nog altijd consequenties heeft. Een groot gebaar toont de wil tot verandering, wat in Duitsland Vergangenheitsbewältigung en Geschichtsaufarbeitung wordt genoemd. Dat betekende samenlevingsbreed in het reine komen met- en verwerking van het naziverleden. Kritisch en grootschalig zelfonderzoek en alle mogelijke vormen van nieuwe kennisoverdracht hebben daaraan bijgedragen.

Den Haag 1986 (Nat. Archief)

Groningen 2020 (Groninger Internet Courant

ieder in zijn eigen ideologische zuil (nu zouden we zeggen: bubbel). Er kwamen emancipatiebewegingen van onder meer arbeiders en van vrouwen die dat doorbraken, al is dat pas laat ook in de musea doorgedrongen. Wat die emancipatiebewegingen hebben getoond is dat emancipatie een proces is dat aan twee kanten moet plaatsvinden om succesvol te zijn. Het begint bij de buitengesloten groep die representatie en gelijkheid opeist. En vervolgens moet de dominante groep zich emanciperen door zich te bevrijden uit zijn geketend denken.

8 Dit is een gezamenlijk museum van de Stichting Moluks Historisch Museum en het Indisch Herinneringscentrum. 9 Bronbeek is een museum en kenniscentrum van het Nederlands koloniaal-militair verleden hoofdzakelijk in Nederlands-Indië/ Indonesië. Op het landgoed worden ook veel herdenkingen gehouden. Hiermee is overigens niet gezegd dat de genoemde musea ook allemaal een inclusief of gedékoloniseerd verhaal presenteren, noch dat zij zich hoofdzakelijk op Indonesië richten. 10 Behalve in de canonopstelling ook in de vorm van een Molukse barak en een zogenaamd ‘Indisch achtererf’.

19 | Met de kracht van de voorouders

Substantieel en representatief Om de geformuleerde museale missie en visie (zie hiervoor) te kunnen realiseren is een (middel)groot museum de enige optie. Dat wil zeggen een gebouw met rond 7000 m² publieksruimte, omringd door en verbonden met een museumpark. Hierin is de Regiegroep gaandeweg het onderzoek continu bevestigd door vrijwel iedere gesprekspartner, institutioneel, grass roots en individueel. In de gemeentelijke opdracht voor dit Verkenningsrapport zijn de onderzoekers vijf modellen voorgelegd.11 Hieronder volgt een stapsgewijze motivatie waarom de Regiegroep uiteindelijk voor het grootste model adviseert, d.w.z. in de orde van grootte tussen het Amsterdam Museum en het (nationale) Scheepvaartmuseum of het Stedelijk Museum Amsterdam, met gemiddeld 7000 m² publieksruimte.12 Het NTASM is een nationaal museum van een sterk onderbelicht stuk (inter)nationale geschiedenis. Dat betekent dat alleen al het gebouw die lange ontkenning en buitensluiting teniet moet doen. Het moet daarom een zeer zichtbare en bereikbare voorziening worden in de hoofdstad van het land. Dan kan niet worden volstaan met een kleine organisatie die bij bestaande musea in het land slavernijtentoonstellingen gaat organiseren. Dat moet absoluut óók, maar wel vanuit een permanent museaal centrum.

Ook het model om onderdeel te worden van een bestaand museum voldoet niet aan het idee van een nationaal slavernijmuseum. Er is in zo’n constructie geen autonomie over de wijze waarop het slavernijverhaal en zijn doorwerkingen wordt gepresenteerd, want 11 1) klein kantoor en informatiecentrum centraal in Amsterdam met programmering in Amsterdam, dan wel in combinatie met satellieten door het hele land; 2) kantoor museumorganisatie gehuisvest bij een bestaande museumorganisatie, met een mogelijke combinatie van interne programmering dan wel reizende programmering in satellieten door het hele land; 3) klein museum: basistentoonstelling en kantoor in een klein gebouw, met meerdere exposities verspreid over satellieten in het hele land; 4) alle programmering en kantoor in één museum dat samenwerkt met andere museale organisaties; 5) een groot geheel zelfstandig museum dat samenwerkt met andere museale organisaties. 12 Het Amsterdam Museum heeft straks na de verbouwing ca. 5.700 m² tentoonstellingsruimte, het Scheepvaartmuseum heeft 7.000 m² publiekstoegankelijke ruimtes, d.w.z. inclusief horeca, winkel e.d.. Ter vergelijking: het Rijksmuseum heeft alleen al aan tentoonstellingsruimte 13.000 m² beschikbaar en het Stedelijk Museum 8.000 m².

het moet deel zijn van ‘toon’ van de rest van het museum. In dit model zou de hoofdconservator van de slavernij-afdeling altijd onder de algemene directie staan, die veel meer belangen heeft af te wegen dan alleen van die nieuwe slavernijafdeling. Ook zou slavernij in dit model slechts één van meerdere thema’s zijn voor zo’n museum. Slavernij & erfenissen van slavernij zouden nooit voluit in beeld zijn en deze onderwerpen zouden maar eens in de zoveel tijd aan de beurt komen voor extra aandacht, geld, tijdelijke expositie, etc. Kortom, in plaats van dat het slavernijverleden en zijn hedendaagse doorwerking op de kaart worden gezet zou het toch een soort aanhangsel blijven. Dat zal bij sommigen zelfs de indruk kunnen wekken van het nog steeds niet in de volle spotlights durven plaatsen van dit onderwerp. Daarmee zou de geschiedenis zich herhalen, het tegendeel van wat de bedoeling is. Minstens zo belangrijk is dat het hier niet om zo maar een stuk geschiedenis gaat, maar om geschiedenis die nog steeds gevoelig ligt, dat maken alle discussies wel duidelijk. Die gevoelige en lang weggestopte geschiedenis met haar hedendaagse doorwerkingen en erfenissen moet relevant worden voor alle inwoners van Nederland, van nazaten van slaafgemaakten tot nazaten van slavenmakers en alle anderen in dit land.

Volgens de opdracht van de gemeente Amsterdam moet het NTASM voor al die inwoners, ongeacht achtergrond, opleiding of leeftijd een ontmoetingsplaats zijn. Daarvoor is ruimte nodig, want die ontmoetingen en interacties tussen mensen die op heel verschillende manieren erfgenaam van de geschiedenis zijn, hebben ‘ademruimte’ nodig. Het is essentieel dat die, soms emotionele, of juist heel ingehouden interacties tussen Nederlanders wordt ingebed en begeleid in wat tegenwoordig vaak een safe space wordt genoemd.13 Zo’n safe space is gebaseerd op een plek met professionals die duurzaam kunnen laten zien dat het bij hen veilig is om je verhaal te vertellen, de discussie aan te gaan, emoties te tonen. Dat kan alleen gegarandeerd worden in een gebouw waar iedereen met hetzelfde onderwerp 13 De term safe space wordt veel gebruikt in het (hoger) onderwijs, maar ook wel in andere instellingen en op werkplekken, waar inclusiviteit niet vanzelf gaat. Het is een plek waar mensen samenkomen om te praten over gevoelige kwesties, waarover de meningen heel sterk uiteen kunnen lopen. De afspraak is dat op die plek, maar ook bij het verlaten daarvan, de gespreksdeelnemers kunnen zeggen wat ze willen en ook hun emoties daarbij kunnen tonen zonder daarop te worden veroordeeld. Intimidatie en haat-taal, laat staan geweld, worden niet getolereerd, luisteren en inleven wordt gestimuleerd.

20 | Met de kracht van de voorouders

bezig is, medewerkers en bezoekers. Inwonen bij een bestaand museum valt daarmee definitief af. Tegelijk vraagt zo’n safe space ook ruimte voor bezinning en reflectie, buiten de tentoonstellingsruimtes en ontmoetingsruimtes waar de confrontatie met heden en verleden plaatsvinden. Daarnaast ligt het voor de hand dat het NTASM de belevingsdimensie die in de opdracht wordt genoemd, wil onderbouwen met evocatieve en interactieve publieksgeoriënteerde opstellingen, waarvan de ervaring leert dat ze pas goed werken als ze letterlijk de ruimte krijgen. Ook zal er veel worden gewerkt met hedendaagse kunstenaars en hun producties. Zeker daar waar het verhaal krachtig visueel ondersteund moet worden, maar er niet altijd de juiste soort collectie voor bestaat. Die kunst moet, bijna letterlijk, kunnen ademen en daarvoor is ruimte nodig. Het NTASM mag na ruim anderhalve eeuw van verdringen, ontkennen en relativeren van dit stuk nationale geschiedenis, niet weggestopt zijn. Het gebouw moet een zichtbaar en ruimtelijk gebaar zijn. Het moet kracht tonen, niet slachtofferschap vooropstellen. Het moet een echt post-koloniaal, zelfs dékoloniaal gebouw zijn dat oproept tot verandering.14 Dat alles pleit veel meer voor nieuwbouw dan voor een bestaand gebouw.

In de eerste plaats omdat het ontwerp dan ook fysiek-ruimtelijk kan inhaken op het centrale slavernijthema en in de tweede plaats omdat nieuwbouw geen discussies oproept over het eventueel belaste verleden, of over de specifieke, niet-inclusieve, uitstraling van een bestaand (museum) gebouw.15 Daarenboven zijn er twee natuurlijke elementen die voor ruimte en een specifieke locatie 14 Een postkoloniale aanpak is de koloniale geschiedenis en zijn hedendaagse effecten niet meer bekijken vanuit het perspectief vanuit de (voormalige) kolonisator maar vanuit het perspectief van de (voormalige) gekoloniseerde. Dékoloniaal komt van het werkwoord dékoloniseren en is de actie die volgt op een postkoloniale kritiek. Bijvoorbeeld: je moet eerst geanalyseerd hebben hoe in en door het koloniale verleden bepaalde ongelijke machtsstructuren zijn ontstaan die nu nog werkzaam zijn (post-koloniaal), om ze vervolgens actief te kunnen helpen doorbreken (dékoloniaal). Post-koloniale en dékoloniale attitudes zijn de maatschappelijke toepassingen van theoretische stromingen in het academisch veld. 15 Denk aan de witte en koloniale uitstraling van bijvoorbeeld Rijksmuseum en Tropenmuseum, of de besmette locatie van het West-Indisch Huis, voor de één een directe verbinding tussen heden en verleden, voor de ander een absolute plaats delict en daarmee een ‘no go’.

vragen: stromend water en een groene omgeving (park). Beide hangen samen met de hardheid van de slavernijgeschiedenis, maar staan tegelijkertijd centraal in de spirituele kracht van de Afrikaanse diaspora. Die natuurlijke omgeving behoort, net als de ‘bakstenen’, tot de kern van het NTASM (zie Bijlage 2, MZM, Verkenning Museale Concepten, p. 108-109).

Fasering Het NTASM moet dus een herkenbaar baken zijn dat uitstraalt dat het slavernijverleden op een dékoloniale manier deel uitmaakt van de nationale geschiedenis en daarmee ook van het collectieve heden. Misschien moet voor zo’n dékoloniaal ‘gebaar’ zelfs niet eens de term ‘museum’ worden gebruikt, omdat musea meestal zaken tonen die klaar of afgerond zijn. Het moet dus ook midden in het hier en nu staan en tonen dat het deel is van een proces, van werk-in-uitvoering. Alleen staat zo’n museum er niet in een of twee jaar. Ook de totstandkoming is deel van het proces en kan gefaseerd gebeuren. Om zo snel mogelijk van start te kunnen gaan en te tonen dat het NTASM menens is, verdient het aanbeveling volgens een meertraps-systeem te werken. Dat kan beginnen met een pop up museum, waarbij tegelijkertijd alles in gang wordt gezet voor de eerste fase van het definitieve museum op de definitieve locatie: van verkrijging en bouwrijp maken van de grond t/m de eerste module van het gebouw. Het einde van de pop up fase is de opening van museum-module 1. In de jaren daarna wordt er steeds een module bijgebouwd. Zo kunnen kosten worden gespreid, ervaringen worden opgedaan, een kerncollectie worden opgebouwd en een netwerk met andere musea worden opgezet. Logischerwijs zal dat modulair ontwikkelen zich moeten verhouden tot de fysieke mogelijkheden en omgekeerd.

Ook de nadelen van deze aanpak, namelijk langdurig in bouwomstandigheden verkeren, zijn evident. Maar ook daarbij zal het aan de omstandigheden liggen hoezeer de bouwoverlast buiten het zicht en gehoor van de bezoekers in de bestaande module(s) kan worden gehouden. De modulaire aanpak biedt daar zeker mogelijkheden voor. Het meest ideaal is waarschijnlijk om ook het pop up museum al op de definitieve locatie te hebben. Dat verkleint het gevaar dat, door wat voor omstandighe-

21 | Met de kracht van de voorouders

den ook, het nooit verder komt dan deze tijdelijke pop up en het maakt het publiek al vertrouwd met de plek. Bovendien kan daardoor vanaf het allereerste begin een museale aanpak worden gehanteerd die hetzelfde kan blijven (zie ook Bijlage 7). Maar als dat lastig of tijdrovend is, biedt een pop up in een aansprekend bestaand gebouw, waar met niet al teveel inspanning en investeringen een tijdelijke expositie wordt ingericht, een uitstekend alternatief. In dat geval adviseert de Regiegroep het Paleis op de Dam als een waardige locatie. Voor zo’n tijdelijke tentoonstelling kunnen delen van andere exposities worden overgenomen.

Zo heeft het Rijksmuseum al aangegeven eventueel te willen praten over uitlenen van stukjes van de 2021 slavernijtentoonstelling; er kan onderzocht worden wat overblijft van de ‘Amsterdammers in Slavernij’ expositie van het Stadsarchief Amsterdam, er kunnen wellicht overnames worden geregeld van de ‘Heden van het Slavernijverleden’ tentoonstelling van het Tropenmuseum en eerdere tentoonstellingen van het Scheepvaartmuseum, er is al overleg gaande met het International Slavery Museum in Liverpool over mogelijke samenwerking.16 Bovendien zou het pop up museum ook een van de Nederlandse locaties kunnen zijn voor de internationale reizende slavernijtentoonstelling die een aantal internationale musea aan het voorbereiden is en waarschijnlijk in 2023-2024 start in het Smithsonian National Museum of African American History and Culture in Washington. Ook kan hier vast geëxperimenteerd worden met eigen invullingen voor het uiteindelijke permanente museum, bijvoorbeeld op het gebied van verzamelen. Het zal echter altijd tijdelijk zijn, een soort teaser, een opwarmer, voor het échte gebaar naar de samenleving. Dat moet namelijk substantieel zijn wil het gelden als een onderdeel van erkenning voor wat in het verleden is gebeurd en nu nog dagelijks consequenties heeft.

Met een klein museaal model zoals een pop up is overigens al enige jaren ervaring opgedaan, die leerzaam is en in ieder geval toont dat het permanente museum substantieel veel groter moet zijn. Tussen 2004 en 2012 had NiNsee namelijk in zijn toenmalige behuizing aan de Linnaeusstraat in Amsterdam een permanente slavernijtentoonstelling staan van ca. 300 m², verdeeld over twee verdiepingen, plus nog eens ca. 50 m² voor tijdelijke exposities. De enige mogelijkheid voor deze tentoonstelling, opgebouwd door voormalig Wereldmuseum directeur Hein Reedijk17 om een beetje te kunnen ‘ademen’ was een zogenaamde ‘platte’ expositie, d.w.z. wanden gevuld met grotendeels 2-dimensionaal materiaal, zoals, foto’s, documenten, replica’s van schilderijen etc. Er waren twee medewerkers verantwoordelijk voor deze tentoonstelling, die zeer enthousiast rondleidingen gaven en daarmee de beleving vergrootten, maar bijna letterlijk struikelden over de beperkte mogelijkheden van het geheel. In de laatste jaren voor de bijna totale opheffing van NiNsee kwamen er jaarlijks 10-12.000 bezoekers, waarvan ca. 60% scholieren, voornamelijk uit de regio Amsterdam en niet meer dan 1 klas tegelijk. Dat was voor dat moment en die omstandigheden mooi. Maar het barstte uit zijn voegen, en was allesbehalve een museum met een nationale uitstraling of impact.

Het ontbrak gewoonweg aan ruimte en mogelijkheden om scholen en andere groepen uit het hele land te ontvangen. Laat staan dat het een voorbeeld, stimulator en uitwisselingspartner voor andere erfgoedinstellingen in het land kon worden. Want ook op die manier, in een netwerkconstructie, moet het Nederlands slavernijverleden een vaste plaats in het collectieve nationale bewustzijn krijgen. En ook dat betekent opnieuw een museum dat door zijn omvang en expertise voldoende (inter)nationale status heeft om aantrekkelijk voor anderen te zijn als samenwerkingspartner.

16 Het Slavernijmuseum in Liverpool gaat de komende jaren een nieuwe fase in met een grote uitbreiding van de tentoonstellingsruimte en een nieuwe inrichting en zal zich de komende jaren in een parallel traject bevinden als het Nederlandse slavernijmuseum.

17 En inhoudelijk ingericht door Valika Smeulders, Aspha Bijnaar, Alex van Stipriaan en Al Pieters.

22 | Met de kracht van de voorouders

Zeeuws slavernijmonument in Middelburg, door Hedi Bogaers (foto: Alex van Stipriaan)

2 Wat wil het museum zijn?

2. Wat wil het museum zijn? • Missie, Visie, Kernwaarden • Gedeeld en dekoloniaal • Diversiteit en inclusiviteit • (Inter)Nationale betekenis van het NTASM Centraal in het NTASM staan de Afrikanen en hun nazaten die door toedoen van Nederland in de koloniën en in Nederland zelf terecht zijn gekomen. Hun stemmen, hun strijd, hun cultuur zijn het uitgangspunt en de kern van het museum. Het is een museum waarin de kracht wordt getoond van mensen die ondanks eeuwen van verschrikkingen hun eigen leven en cultuur hebben weten vorm te geven. De focus is dus gericht op actieve, (her)kenbare mensen, met al hun sociale, culturele, intellectuele, fysieke en kunst­ zinnige capaciteiten. Ook na de slavernij. Want nog steeds moet er door hun nazaten gestreden worden voor gelijkwaardigheid en voor erkenning van deze geschiedenis tot in het hier en nu. Het tonen van deze kracht en strijdbaarheid gaat iedereen aan en kan iedereen tot voorbeeld strekken en tot nadenken stemmen. En tegelijk zal er daardoor ook veel schoonheid te zien zijn. Het NTASM moet er voor iedere inwoner van Nederland zijn. Daarom wil het ook het eerste echt dékoloniale museum van Nederland worden.

Niet belast door een gebouw met een eigen (omstreden) geschiedenis, niet belast met een koloniale collectie die nu eenmaal (ook) gebruikt moet worden, niet belast door museale ‘natuurwetten’18 die nu eenmaal zijn zoals ze zijn, maar een museum dat in vrijheid zijn eigen, tegendraadse keuzes kan maken om daarmee bij te dragen aan de dékolonisatie van Nederland en zijn geschiedenis. En om daardoor ook mee te werken aan een werkelijk inclusieve samenleving. Het NTASM kan daarom per definitie niet een plek zijn waar op een eurocentrische wijze wordt verteld en getoond.

Mensen komen er om te kijken en te luisteren én om zélf te vertellen en hun mening te geven; om er te leren én om er door onderzoek zelf iets bij te dragen; om er iets te ondergaan én om mee te (be)leven, om er iets van mee te nemen én om er iets achter te laten. Het NTASM wil een gesprek zijn over het verleden en het heden, vanuit de vragen van nu en met de taal van morgen. Een bron van inspiratie voor een gelijkwaardige samenleving. Het is een plek waar een transformatie plaatsvindt van het bestaande geschiedbeeld over het slavernijverleden en alles wat daarna in de Afrikaanse diaspora is gebeurd en nog steeds plaatsvindt. Het is dus een transformatief museum, een plek waar bestaande machtsverhoudingen in de presentatie en representatie van dit stuk Nederlandse geschiedenis en verhoudingen in het hier en nu worden doorbroken. Hier worden nieuwe perspectieven gepresenteerd. Voor een diepgaander analyse en beschrijving hiervan zij nog eens nadrukkelijk verwezen naar Bijlage 1 (NiNsee). Bondig geformuleerd leidt dat tot de volgende missie (waar het NTASM voor staat), visie (wat het wil bereiken) en kernwaarden (van waaruit het wil werken).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11090518/1