CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1_Staat van het Amsterdamse VO.pdf

Raadscommissie Onderwijs, Zorg en Armoedebestrijding 23 november 2022, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Kennisnemen van raadsinformatiebrief Staat van het Amsterdamse v(s)o en de Monitor schoolloopbanen vo 2022 (VN2022-037758)32.535 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

Op sommige scholen worden ook sociaal-emotionele trainingen gegeven voor de leerlingen.

92

Figuur 4.9 Aandeel docenten dat (heel) weinig zicht heeft op verschillende vormen problematiek, 2022 (procenten) vso

pro vmbo-b

eenzaamheid

vmbo-k

suïcidale gedachten

vmbo-t havo vwo

%

0

20

40

60

80

100

bron: docentenenquête O&S

Op de vraag of er voldoende aandacht is voor sociaal-emotionele problematiek op school, geeft 50% van de Amsterdamse docenten aan dat er (ruim) voldoende aandacht is. Vooral in het vso zijn de docenten positief: 75% geeft aan dat er (ruim) voldoende aandacht wordt besteed aan de drie vormen van sociaal-emotionele problematiek. Onder docenten in het regulier onderwijs geeft 24% aan hier (ruim) onvoldoende aandacht aan te besteden op school. Opvallend is dat vooral docenten in het praktijkonderwijs vaker aangeven hier onvoldoende aandacht aan te besteden op school. Figuur 4.10 Aandeel docenten dat een (ruim) voldoende of (ruim) onvoldoende geeft voor aandacht voor sociaal-emotionele problematiek op school, 2022 (procenten) vso

pro

(ruim) voldoende (ruim) onvoldoende

vmbo-b vmbo-k vmbo-t havo vwo

%

0

20

40

60

80

100

bron: docentenenquête O&S

Naast de huidige situatie op scholen is ook aan de docenten gevraagd op welke manier er meer aandacht besteed zou kunnen worden aan sociaal-emotionele problematiek. Het meest genoemde antwoord is meer ruimte en tijd om de leerlingen te begeleiden 93

als mentor. De docenten benoemen dat ze door hoge werkdruk vaak weinig tijd hebben om hier voldoende aandacht aan te besteden. Daarnaast geven een aantal docenten aan dat ze onvoldoende zijn geschoold om leerlingen te begeleiden met sociaal-emotionele problemen. Als suggestie wordt genoemd om het takenpakket van een mentor aan te passen en specialisten hiervoor aan te nemen. Of de mentoren te trainen om deze leerlingen te begeleiden. Verder geven de docenten aan dat er behoefte is aan meer tijd en geld voor trainingen voor de leerlingen zelf, zoals een mindfulnesstraining. Op het vso meer zicht op en aandacht voor pesten dan in het reguliere onderwijs Eerder in dit hoofdstuk is beschreven dat één op de acht leerlingen wordt gepest. Uit de docentenenquête van O&S blijkt dat docenten uit het vso meer zicht hebben op pestgedrag dan docenten in het regulier onderwijs: in het vso heeft ruim 60% hier zicht op en in het regulier onderwijs is dat 46%. Docenten die lesgeven aan leerlingen op vmbo-b (63%), vmbo-k (63%) en vmbo-t (61%) hebben hier dan wel weer zicht op. Op de havo (50%) en op het vwo (41%) heeft een kleiner deel zicht op pestgedrag.

Volgens de docenten wordt er op hun school bijvoorbeeld aandacht besteed aan het pestgedrag op school door middel van een pestprotocol en een pestproject in de onderbouw. Ook worden er anti-pest lessen/workshops gegeven op scholen. Daarnaast wordt er tijdens de mentorlessen vaak aandacht aan besteed en is er op sommige scholen een anti-pest coördinator aanwezig. 59% van de docenten in het regulier onderwijs en 69% van de docenten in het vso geven aan dat de aandacht voor het pestgedrag op school (ruim) voldoende is. Toch geeft 15% van de docenten in het regulier onderwijs en 9% van de docenten in het vso aan dat er (ruim) onvoldoende aandacht is voor het pestgedrag op school. Zij geven aan dat er meer aandacht besteed kan worden door pesten bespreekbaar te maken tijdens bijvoorbeeld de mentorlessen. Ook hiervoor geldt dat de docenten meer tijd nodig hebben om voldoende aandacht aan pesten te kunnen besteden. De docenten vinden ook dat de scholen strenger mogen optreden tegen pesters. Verder geven ze aan dat het contact tussen de docenten en mentor belangrijk is, ook om sneller actie te ondernemen bij de eerste signalen van pesten. Tot slot wordt genoemd dat er op school meer aandacht moet komen voor het online pesten.

Leerlingen op het regulier onderwijs meest geholpen door extra ondersteuning Op school kunnen leerlingen verschillende vormen van hulp en ondersteuning krijgen, zoals huiswerkbegeleiding, vaardigheidstraining of hulp van een orthopedagoog, schoolpsycholoog of logopedist. In het onderzoek Zicht op zorgen zijn leerlingen gevraagd in welke mate zij extra hulp en ondersteuning ontvangen. Leerlingen in het vso ontvangen vaker hulp en ondersteuning dan leerlingen op het reguliere vo. Leerlingen op het vso ontvangen relatief vaker hulp van een orthopedagoog, schoolpsycholoog of logopedist of zitten in een speciale trajectklas.

Hoewel leerlingen op het regulier vo relatief weinig ondersteuning of hulp ontvangen, geven zij wel relatief vaak aan dat de ondersteuning of hulp hen heeft geholpen: iets meer dan de helft vindt dit. In het vso ligt dit aandeel lager (37%). 94

Figuur 4.11 Leerlingen die van verschillende vormen van ondersteuning gebruik hebben gemaakt en de mate waarin deze hulp succesvol is geweest, volgens leerlingen, 2020 (procenten) heeft het afgelopen schooljaar op school extra hulp/ondersteuning gekregen

hulp/ondersteuning heeft leerling geholpen % 0

20

40 vso

60

80

regulier vo

bron: Zicht op zorgen, 2020

Een reden waarom ondersteuning een leerling niet zou kunnen helpen is wanneer de ondersteuning die beschikbaar is op school niet aansluit bij de behoeften van leerlingen. Over het algemeen sluiten het aanbod redelijk aan bij de behoeften van leerlingen: de helft van de leerlingen in het voortgezet speciaal onderwijs vindt dit en 41% van de leerlingen op het regulier voortgezet onderwijs.

4.6 Bereik van jeugdhulp hoger onder leerlingen op scholen met minder leerlingen met een risico op onderwijsachterstand Naast hulp op school, kunnen leerlingen ook buiten school hulp ontvangen. Specialistische jeugdhulp wordt ingezet wanneer er meer nodig is dan het preventieve aanbod van de basisjeugdhulp kan bieden. De toegang tot specialistische jeugdhulp is enkel mogelijk met een verwijzing, en kan onder andere verlopen via huisartsen en het Ouder- en Kindteam (OKT). Van de Amsterdamse kinderen van 12 t/m 18 jaar kreeg in 2020 vijf procent enkelvoudige specialistische jeugdhulp (voorheen segment B, enkelvoudig met lage intensiteit). Het gaat hier om problematiek die in hoofdzaak enkelvoudig en herkenbaar van aard is. Er is een duidelijk en redelijk afgebakend idee over welke soort ondersteuning passend is om het resultaat voor de jeugdige in te vullen. Daarnaast kreeg drie procent hoogspecialistische jeugdhulp (voorheen segment C, meervoudig met hoge intensiteit). Deze hulp vraagt om specialistische expertise, ambulant en/of intramuraal. Dit kan ook worden omschreven als ‘veelomvattende hulp’, waarbij de complexiteit oploopt door de combinatie van ondersteuningsfactoren (bijvoorbeeld dat een kind zowel een beperking heeft én de ouders opvoedonmachtig zijn – of welke combinatie dan ook).

Binnen de specialistische en hoogspecialistische jeugdhulp kan de vorm en de intensiteit van de hulp nog sterk verschillen.lx Op scholen met minder leerlingen (≤40%) met een risico op een achterstandlxi krijgen meer leerlingen enkelvoudige specialistische jeugdhulp dan op scholen met meer leerlingen (>40%) met een risico op achterstand, respectievelijk 8% en 4%. Bij hoogspecialistische jeugdhulp zien we, in mindere mate, het omgekeerde, leerlingen op scholen met meer leerlingen met een risico op achterstanden krijgen vaker dit type 95

hulp dan leerlingen op scholen met weinig leerlingen met risico op achterstanden, respectievelijk 2,4% en 1,7%. Als we de jeugdhulp samen nemen dan zien we dat er bij leerlingen op scholen met minder leerlingen met een risico op achterstand, vaker sprake is van specialistische jeugdhulp. Deze verschillen zijn vergelijkbaar met wat we in het Amsterdams primair onderwijs zien, en dit roept de vraag op of de hulp op de plek terecht komt waar deze het meest nodig is.lxii Op scholen voor vso krijgt een groter deel (hoog)specialistische jeugdhulp dan op de reguliere middelbare scholen, namelijk 15% specialistische jeugdhulp en 22% hoogspecialistische jeugdhulp.lxiii Figuur 4.12 Specialistische en hoogspecialistische jeugdhulp naar schooltype, Amsterdamse kinderen op Amsterdamse v(s)o scholen, schooljaar 2020/’21, zorggebruik in 2020 (procenten)

.

voortgezet onderwijs

(procenten) 40% of minder leerlingen met een risicio op onderwijsachterstand meer dan 40% leerlingen met een risicio op onderwijsachterstand voortgezet speciaal onderwijs %

0

10

specialistische jeugdhulp

20

30

40

50

60

hoogspecialistische jeugdhulp

bron: Zicht en Grip op Sociaal, gemeente Amsterdam

Meer gebruik gemeentelijke voorzieningen op vso De gemeente biedt naast kindvoorzieningen (jeugdhulp) ook gemeentelijke voorzieningen op het gebied van inkomensondersteuning (bijvoorbeeld de bijstand) en zorgvoorzieningen (bijvoorbeeld WMO). Van alle leerlingen in het vo wordt in 49% van de huishoudens van minimaal een van de gemeentelijke voorzieningen gebruik gemaakt. Op scholen met meer leerlingen met een risico op onderwijsachterstand ligt het voorzieningengebruik in de gezinnen hoger. Zo zien we dat het gebruik van één of meerdere armoedevoorzieningen op scholen met minder leerlingen (≤40%) met een risico op een achterstand 38% is, t.o.v. 58% op scholen met meer leerlingen met een risico op onderwijsachterstand. Leerlingen op scholen met minder leerlingen (≤40%) met een risico op een achterstand wonen bovengemiddeld vaak (11%) in een huishouden waarin enkel gebruik wordt gemaakt van een kindvoorziening, zonder dat er dus sprake is van gebruik van een andere voorziening.

In de huishoudens van leerlingen die op het vso zitten wordt nog weer meer gebruik gemaakt van gemeentelijke voorzieningen. Van de huishoudens van leerlingen in het voortgezet speciaal onderwijs maakt 90% gebruik van gemeentelijke voorzieningen, en 16% van de leerlingen horen bij een huishouden waar gebruik wordt gemaakt van voorzieningen op drie domeinen: jeugd, inkomen én zorg. 96

Figuur 4.13 Voorzieningengebruik van huishoudens naar schooltype, Amsterdamse kinderen op

40% of minder leerlingen met een risicio op onderwijsachterstand meer dan 40% leerlingen met een risicio op onderwijsachterstand

.

voortgezet onderwijs

Amsterdamse v(s)o scholen, schooljaar 2020/’21, zorggebruik in 2020 (procenten)

voortgezet speciaal onderwijs % 0

20

40

60

80

100

voorzieningen in één domein van inkomen, jeugd of zorg voorzieningen in twee domeinen voorzieningen in inkomen, jeugd en zorg

bron: Zicht en Grip op Sociaal, gemeente Amsterdam

xliv

Deze categorieën zijn vergelijkbaar met een onderzoek naar protectieve factoren van studenten met een lage

SES in het hoger onderwijs. Coppens, Liesbeth; Vaes, Mathilde; Coninx, Karin; Struyven, Katrien, Universiteit Hasselt en Vrije Universiteit Brussel. xlv

Bron: Corona Gezondheidsmonitor Jeugd 2021, GGD'en en RIVM. Zie voor meer informatie de bijlage data en

methoden. xlvi

Bron: Zicht op Zorgen. Zie voor meer informatie de bijlage data en methoden.

xlvii

Scholenopdekaart.nl/VO-raad/ schoolrapportages vso. Zie voor meer informatie de bijlage data en methoden.

xlviii

Doordat scholen de onderwijsniveaus op schillende manier registreren voor bekostiging, is het niet mogelijk

om deze groep verder uit te splitsen naar vmbo-niveau. xlix l

Let wel: het gaat op deze school om slechts negen respondenten.

https://www.parool.nl/amsterdam/gewelddadige-incidenten-en-agressieve-ouders-onveilig-klimaat-ijburg-

college-zorgt-voor-uittocht-tientallen-docenten~b2f24b3a/ https://www.parool.nl/amsterdam/hoe-het-gezin-van-rivaldo-16-de-stad-uit-vluchtte-vanwege-afpersing-hijzei-mam-jij-kunt-me-niet-veilig-houden~b8ed7bb4/ li

Bron: https://vzinfo.nl/social-media-en-gamen/regionaal.

lii

Bron: Corona Gezondheidsmonitor Jeugd 2021, GGD'en en RIVM.

liii

Voor hulp met suïcidegedachten kan men terecht bij Stichting 113 Zelfmoordpreventie via 0800-0113 (24/7

bereikbaar) en 113.nl. liv

Vaak of (bijna) altijd eenzaam en suïcidegedachten gaan over het jaar voorafgaand aan de enquête.

lv

Bron: Corona Gezondheidsmonitor Jeugd 2021, GGD'en en RIVM.

lvi

Bron: Corona Gezondheidsmonitor Jeugd 2021, GGD'en en RIVM.

lvii

Bron: Corona Gezondheidsmonitor Jeugd 2021, GGD'en en RIVM.

lviii

In de bijlage wordt een responsoverzicht van de vragenlijst gegeven.

lix

Een aantal docenten hebben aangegeven dat zij de vraagstelling ‘hoeveel zicht zij hebben op’ stress,

eenzaamheid en suïcidale gedachten onduidelijk vonden. Er werd getwijfeld of ze moesten invullen hoeveel zicht zij hier zelf op hebben in de klas of hoe vaak deze problematiek voorkomt bij hun op school. De manier van beantwoording kan hierdoor van docent tot docent verschillen. lx

Bron: https://www.zorgomregioamsterdam.nl/wp-content/uploads/2022/01/Jeugdhulp-Amsterdam-DUO-

introductiebijeenkomst-7-dec-2021.pptx

97

lxi

Een risico op onderwijsachterstand wordt door O&S berekend aan de hand van de sociaaleconomische status

(SES) van een leerling, dit wordt bepaald aan de hand van het ouderlijk opleidingsniveau en het huishoudinkomen. Zie ook: Ruim derde leerlingen heeft een potentiële onderwijsachterstand lxii

Bron: https://onderzoek.amsterdam.nl/artikel/staat-van-het-amsterdamse-primair-onderwijs

lxiii

Bron: Zicht en grip op sociaal. Zie voor meer informatie de bijlage data en methoden.

98

5 De Amsterdamse docenten

In hoofdstuk 1 zagen we dat de combinatie van tijdelijke contracten en pensionering zorgt voor een huidig tekort aan docenten met een risico op verdere toename. Mogelijkheden om dit tekort terug te dringen liggen onder andere in het behouden van en het laten uitbreiden van de aanstellingsomvang van huidige docenten en/of in de instroom van meer nieuwe docenten. Amsterdamse docenten werken gemiddeld 0,76 fte, dit is vergelijkbaar met het landelijk gemiddelde. Mannen verdienen gemiddeld meer dan hun vrouwelijke collega’s uit dezelfde leeftijdsgroep, alleen onder de jongste groep docenten is dit niet het geval. Een derde van de Amsterdamse docenten overweegt het onderwijs (deels) te verlaten, vooral docenten die weinig werkplezier ervaren overwegen dit. Amsterdamse docenten beoordelen de voldoening die zij uit hun werk halen met een 7,1, het werkplezier scoort met een 6,9 iets lager. Docenten in het vso geven een hogere beoordeling voor hun voldoening en plezier uit werk dan docenten uit het reguliere vo, namelijk een 7,5. Docenten vinden tijd en ruimte om hun leerlingen te begeleiden en ondersteunen het belangrijkste aspect om het werk aantrekkelijk te maken, maar ervaren hier in de praktijk te weinig tijd voor op school.

In de afgelopen acht jaar is het aantal Amsterdamse studenten dat een opleiding tot docent in het voortgezet onderwijs volgt met ruim 15% afgenomen, alhoewel in 2020/’21 de daling van studentenaantallen lijkt te zijn gestopt.

5.1 Amsterdamse docenten werken gemiddeld 0,76 fte, salarisverschillen tussen mannen en vrouwen Gemiddeld werken Amsterdamse docenten 0,76 fte, dit is vergelijkbaar met het landelijk gemiddelde en docenten uit de andere grote steden Den Haag, Rotterdam en Utrecht. De mannelijke docenten werken in Amsterdam gemiddeld net wat meer uur dan vrouwen: respectievelijk 0,8 tegenover 0,73 fte. Wat betreft leeftijd neemt het aantal fte toe in de hogere leeftijdsgroepen, van gemiddeld 0,74 fte onder de docenten onder de 35 jaar naar gemiddeld 0,79 fte onder de docenten van 55 jaar en ouder.

99

Figuur 5.1 Gemiddeld aantal fte van docenten in het vo van Amsterdam naar achtergrondkenmerken, schooljaar 2019/’20 (n=3.825) 1

fte

0,8

0,80

0,73

0,74

0,74

vrouw

<35 jaar

35-45 jaar

0,77

0,79

45-55 jaar

55> jaar

0,6 0,4 0,2 0

man geslacht

leeftijd

bron: CBS/DUO, bewerking O&S

Ongeveer een derde van de docenten viel in schooljaar 2019/’20 in de laagste salarisschaal LB, vier op de tien in schaal LC en een kwart van de docenten in de hoogste schaal LD. In vergelijking met Nederland als geheel vallen Amsterdamse docenten en docenten uit de andere grote steden minder vaak in de laagste salarisschaal en vaker in de hogere schalen. Mannelijke docenten verdienen in Amsterdam gemiddeld meer dan vrouwelijke collega’s uit dezelfde leeftijdsgroep, alleen onder docenten van 34 jaar en jonger is dit niet het geval. Het verschil is het grootst onder docenten tussen de 45-54 jaar, de mannen uit deze leeftijdsgroep verdienen gemiddeld €149 bruto meer per maand dan vrouwen. Omdat we geen informatie hebben over het opleidingsniveau van de docenten is het niet mogelijk om te achterhalen in hoeverre dit een verklaring zou kunnen bieden voor de gevonden verschillen. Figuur 5.2 Gemiddeld bruto maandsalaris bij een voltijdsaanstelling naar leeftijd en geslacht in het vo van Amsterdam, schooljaar 2019/’20 5.500 bruto maandsalaris in euro's € 4.861

5.000

€ 4.972

€ 4.602

€ 4.521

4.500

€ 4.712

€ 4.897

4.000 3.500

€ 3.455

€ 3.451

3.000 2.500 2.000

man

vrouw <35 jaar

35-45 jaar

45-55 jaar

55> jaar

bron: CBS/DUO, bewerking O&S

100

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12033908/1